P1567100

Het nieuw regime van Willem van Oranje blijkt een misbaksel vanjewelste. De Spanjaarden mogen dan wel even uit beeld zijn, maar wat is er in de plaats gekomen? Oorlog. Revolutie. Vrees. Ellende en instabiliteit. Ik ben blijven hangen in de handschriften van priester Johannes-Petrus van Male. Zijn handschriften uit 1700 stonden aan de basis van 'De Geschiedenis van Vlaanderen', het boek dat in 1843 uitgegeven werd door Ferdinand Vande Putte. Ik zet me schrap voor alweer een nieuw bad in de Vlaamse ellende van de 16de eeuw. Want, geloof me vrij, we hebben nog zeker het laatste niet gezien van de oorlog en de dood die de scepter zwaaien over ons land.

 

Met die bedenking keer ik enigszins aarzelend terug naar de zomer van 1583. Mijn titel voor de nieuwe kroniek voorspelt alvast weinig goeds. Vlaanderen moet een leider hebben. Dringend. Kort na de verovering van Duinkerke sturen ze enkele gedeputeerden op weg naar een mogelijke kandidaat. 'Dat was Karel de Croy, de prins van Chimay, die zich na de bloedige aanslag van de hertog van Alençon op Antwerpen begeven had naar zijn kasteel te Beveren. Ze boden hem het gouvernement aan van de twee leden van Vlaanderen. Te weten dat van Brugge en van het Vrije. Een voorstel dat hij met grote beloften om hen te beschermen en de voortgang van de vijanden te stutten op 22 juli 1583 zeer gewillig aanvaard heeft.'

 

Het initiatief van Brugge krijgt navolging in Vlaanderen. Als de nood het hoogst is. 'Op de 17de augustus werd Chimay bij de twee andere leden, Gent en Ieper in die kwaliteit aangenomen en erkend. Dik tegen de zin van Willem van Oranje die veel liever de Henegouwse prins L'Espinoy gezien had. Die laatste was, hoewel katholiek, tenminste een ervaren krijgsman, zeer goed bevriend met zijn staten en bekend om zijn afkeer van de koning van Spanje.

 

Ik ben benieuwd welk vlees ze dit keer in de kuip hebben gehaald met hun prins van Chimay. Van de schrijver kom ik te weten dat de nieuwe moeilijk in te schatten is en dat zijn voeten vaak niet eens weten wat zijn handen aan het uitrichten zijn. 'Ongestadigheid en geveinsdheid', om het met mijn pastoors woorden te omschrijven. Hij heeft zich op meesterlijke manier door de jaren van oorlog geworsteld tot hij zijn slag schoon zag om nu baas te worden van Vlaanderen.

 

Ondertussen is Ieper ingesloten geraakt. De Spanjaarden en hun leger rukken op naar het noorden, waar het Sas van Gent, Hulst en Axel in hun handen vallen. Ook het land van Waas kiest na onderhandelingen voor de Spaanse zijde. Iets wat grote deining doet ontstaan in Gent zelf. De stadshoofden willen Jan van Hembyze terug. Met zijn autoriteit kan hij het vroegere gezag weer herstellen. Er wordt een nieuw schepencollege samengesteld. Op de lijst staat prominent bovenaan als voorschepen van de keure inderdaad de naam van de vroegere leider Jan van Hembyze. Zijn aanstelling wordt op gejuich onthaald. De drieënvijftig Gentse ambachten kiezen de volgende dag een zekere Jan Bollaert als hun leider.

 

'Vier dagen later, op de 19de augustus van 1583, kwam de prins van Chimay binnen Gent waar hij door negen vendels stadsmilities en door de nieuwe magistraat zeer treffelijk werd ontvangen als gouverneur van Vlaanderen. Het geschut werd te zijner ere gelost en de prinses kwam twee dagen later.' Binnen de kortste tijd wordt Hembyze op de hoogte gebracht van zijn gewenste comeback. Sinds zijn afzetting door Willem van Oranje verblijft hij aan de Rijn, samen met zijn vriend, de calvinistische goeroe Pieter Dathenus. Korte tijd later wordt Jan van Hembyze feestelijk onthaald door de Gentenaars.

 

De vroegere vetes komen meteen weer aan de oppervlakte. De Oranjegezinde jonkheer François Van de Kethulle van Ryhove (wat een naam toch), die gouverneur is in Dendermonde wil in zeven haasten enkele vendels van zijn soldaten naar Gent brengen nog voor de aankomst van Jan van Hembyze. Hij wil op die manier zijn nieuw verworven machtspositie enigszins beteugelen. Maar de Gentse magistraat steekt er een stokje voor. Meteen is de oude rivaliteit tussen de vroegere kompanen Hembyze en Ryhove weer op scherp gesteld. Ryhove drijft het zo ver dat zijn tegenstander zich gedwongen ziet om diens zoon in de gevangenis te gooien, maar onder druk van enkele bezadigde medewerkers wordt de ruzie bijgelegd. Ik vraag me af voor hoelang.

 

Het verlies van het land van Waas zorgt voor bedrukte sentimenten bij de nieuwgezinden. Het stadsbestuur neemt zesentwintig van zijn belangrijkste inwoners in hechtenis op verdenking van sympathieën voor de Spaansgezinden. Het zijn natuurlijk allemaal katholieken. Dat gebeurt op 31 oktober 1583 en een week later worden er nog eens vijftig verbannen. Onder hen bevindt zich secretaris Maximiliaan De Vriend. De prins van Chimay denkt om de situatie in Gent onder controle te hebben en vertrekt naar Brugge. Vergezeld van acht vendels buitenlandse soldaten die hij met zich meebrengt op vraag van het stadsbestuur. Maar de lokale stadsmilities en de burgerij moeten helemaal niet weten van die vreemde soldaten.

 

Ik hoor nu voor het eerst dat ook Nieuwpoort in de handen gevallen is van Alexander Farnese. Dat moet gebeurd zijn tijdens de zomer, kort na de val van Duinkerke. 'Lafhartig overgegeven aan de koninklijken', verzucht de burgemeester van Brugge en daarom is het nodig om de stad hier extra te verdedigen. Zo komen er dan toch twee kornetten paardenvolk binnen de stadsmuren. De rest van de Brugse bescherming zal van Menen moeten komen. 'Hij gebood de Schotse kolonel Boyde dat hij negentien vendels Schotten zou laten verhuizen van Menen naar Brugge. De sterke stad Menen was uitstekend voorzien van geschut, krijgsbehoeften en levensmiddelen om zeker een beleg van negen maanden uit te zingen. Het was waar dat men een deel van het sterke garnizoen te Ieper belast had om naar Menen te trekken, maar de Walen die te Halewyn lagen hadden hen de doortocht belet.'

 

De Bruggelingen zijn niet gelukkig met al die soldaten in hun huizen. De overheid had kort tevoren nog dure eden gezworen dat er geen vreemde troepen zouden komen. Diezelfde heren zwaaien nu met de bescherming van de stad en veel andere vijven en zessen. De voornaamste plaatsen in de stad worden nu bezet gehouden door kornetten paardenvolk. Zo bijvoorbeeld de Korenmarkt. De Schotten moeten allemaal te slapen gelegd worden en de magistraat toont zich opnieuw erg creatief om dat te realiseren. 'Voor deze vreemde gasten moesten enkele arme nonnekes hun woonsteden verlaten en de magistraat liet uitroepen dat alle priesters die jonger waren dan zeventig jaar de stad moesten verlaten. Plaats ruimen en als ze dat niet rap deden zouden ze zware straffen toebedeeld krijgen.'

 

De voortgang van de prins van Parma in de Westhoek is niet te stuiten. 'Hij kwam met zijn leger voor Oostende en spreidde zich uit tot aan Blankenberge. Zijn soldaten liepen het land af en roofden wijd en breed. Negentien Spanjaarden die zich in een sterk herenhuis ophielden te Oostkerke werden door Brugse ruiters opgelicht en gevangen genomen. Farnese die zag dat hij geen progressie meer maakte omdat die van Brugge wel voorzien waren van volk en mondbehoeften, vreesde dat hij bij een eventuele dijkbreuk wel eens ingesloten zou kunnen raken en vertrok na vijf dagen tot voor Diksmuide waar kapitein Marrivoorde in de bezetting lag. Nog voor hij de vijand goed en wel gezien had, gaf hij de stad over en repte hij zich naar Brugge waar hij en zijn volk omwille van hun lafhartigheid werden doodgesmeten.' De overgave van Diksmuide geschiedt op 1 augustus 1583. Marrivoorde wordt op 3 augustus te Brugge gelyncht.

 

Dezelfde dag wordt er in Brugge gebeden dat de stukken en brokken er vanaf vliegen. Een algemene solemnele biddag om God te forceren dat het hem zou believen om hun wapens te zegenen. Ik zie warempel gelijkenissen met de bommengordels en de belofte van een resem heilige maagden bij de islamterroristen. Tussen al de weesgegroetjes en onzevaders door krijgt de magistraat het nieuws dat ook Veurne zich heeft overgegeven aan de Spanjaarden. 'De calvinistische predikanten schreeuwden en bulderden dat men die vrome gezellen en hun kapiteins moesten ophangen.' Uiteraard is de Westhoek erg katholiek gebleven en dat wringt toch wel bij de protestantse ministers hier.

 

Op 9 augustus volgt er een herschikking van het eigen krijgsvolk. Het stadsbestuur stuurt gedrukte briefjes uit aan de gegoede burgers en de ambachtslieden met het bevel om hen geld voor te schieten zodat al de soldaten kunnen betaald worden. Leningen tussen de twintig en de vierhonderd gulden. Wie weigert krijgt prompt enkele van die mannen te logeren tot dat ze wel met geld over de brug zullen komen. Bovendien blijkt de stad van Brugge een slechte partij als het om terugbetalen gaat. Zo klaagt Zeger Van Male dat het magistraat hem nog altijd vijfenzeventig gulden van een vorige lening dient terug te betalen.

 

Met dat geld kan de stad wel verbieden aan de soldaten dat ze niet meer mogen op stap gaan om te plunderen in de buitengebieden. De weggevluchte inwoners die dachten slim te zijn om met hun hebben en houden naar Zeeland en Holland uit te wijken, hebben één element over het hoofd gezien; Willem van Oranje. 'Wanneer ze nu naar hun vaderland wilden terugkeren, verloren ze het merendeel van hun goederen. De prins van Oranje die zeer misnoegd was over de aanstelling van de prins van Chimay deed een deel onder hen aanhouden en de rest moest dubbele lasten en tollen betalen. Moedwillige schippers en vaarlieden stolen hun goederen en smeten een deel ervan overboord. De soldaten lieten niet na een deel van de weerloze reizigers af te persen. Het was er de vrije roof.'

 

Het botert inderdaad niet tussen Oranje en Chimay. Willem vertrouwt hem niet langer sinds hij in Brugge logement verschaft heeft aan een boodschapper van de hertog van Parma. Een trompetter gekleed in rood fluweel met de boodschap of Brugge niet op vrijwillige manier wilde terugkeren naar het Spaanse kamp. De nieuwgezinden in Brugge zijn kwaad dat de hertog van Chimay ook maar bereid geweest is om te luisteren naar de Spaanse gezant.

 

'Hierdoor rees een groot wantrouwen tussen de opperhoofden van de stad die niet van vrede wilden horen en de inwoners van de stad die neringloos en tot de uiterste armoede gebracht altijd maar smeekten om vrede. De soldaten ter plekke maakten zich kwaad op de inwoners en hun zucht om vrede. Al die peiskrijgers zou men moeten ophangen of doodschieten.' De prins van Chimay wendt de nieuwe onrust aan om zijn eigen positie te versterken met tweeduizend extra krijgslieden.

 

Ieper is ondertussen in steeds slechtere papieren aan het raken. 'De prins van Parma sloot de stad gedurig nauwer en nauwer in en eiste de stad op via een trompetter. Maar die werd kwalijk behandeld en verwittigd dat hij weg moest blijven met dergelijke boodschappen of dat men hem anders met zijn boterbriefje aan de galg zou spijkeren. Brugge stuurde vijf vendels krijgsvolk om de Ieperlingen bij te staan, maar ze werden onderweg aangevallen en ze keerden buiten het medeweten van hun eigen kapiteins als een bende onnozele amateurs terug naar Brugge. Dit mishaagde de overheid hier en men gebood hen op het risico van hun eigen nek om terug te keren om hun kapiteins op te halen en daarna te zorgen dat ze hier weg bleven.'

 

De prins van Chimay vraagt de Oostendse kapitein Michel Van Vyve, alias 'Kapitein Stijfbeen' om assistentie. Hij en zijn compagnie moeten met enkele heren van de wet ervoor zorgen dat er een ander stadsbestuur komt in het nabijgelegen Sluis. Jacobus De Groof wordt er vervangen door Antonius Groeneveld. En ook in Damme wordt er gewisseld. Hier komt de heer Delesdaing aan zet.

 

Johannes-Petrus van Male doolt nog eens langs de Brugse straten en schrijft met al zijn menselijke emoties over de kommer en kwel die hij er ontmoet. 'Hier was alles vol benauwdheid en uiterste armoede. De troosteloze mensen doolden langs de straten. Niet wetende waar ze een homp brood konden krijgen om hun honger te stillen. Ze vonden er geen plaats om zich te bergen zodat ze als beesten onder de blauwe hemel lagen. Men telde dagelijks zes à zeven mensen die van gebrek waren gestorven. Ook de pest sloeg nog maar eens toe zodat er een menigte daaraan stierf. Ze werden met karren naar het Magdalenaveld gevoerd omdat de kerkhoven van de stad de lijken niet konden slikken. De kadavers werden daar met hopen in één keer in grote diepe putten begraven.'

 

'Het gasthuis was volgepropt met zieken. De meeste kerken lagen in puin en de bruikbare godshuizen werden aangewend voor calvinistische diensten. Maar als die te groot waren, maakte men daar voor een deel korenschuren of turfhoeken. Sommige godvruchtige mensen plaatsten een lange rij britsen aan de Zuidzandbrug of op de Vrijdagmarkt om er de behoeftige mensen op te vangen en stelden er een collectebus in de hoop om er aalmoezen te ontvangen. Anderen leverden wol en vlas om die er te laten verwerken zodat hun arbeid misschien een centje zou kunnen opleveren.'

 

'Maar al die plaatsen waren helemaal niet voldoende. De hallen, de boeien onder de Waterhalle, de kerken van Sint-Christoffels en Sint-Pieters lagen vol van ellende. Ondertussen stoorde de overheid zich niet aan al die miserie. Hun deftige soldaten kwamen op 30 augustus triomferend de stad binnen met dertig wagens lood die ze in de omgeving van Blankenberge van de kerken hadden weggenomen. Ze brachten ook nog dertien gevangenen mee en maakten zoveel gerucht alsof ze heel het leger van Spanje vernietigd hadden.'

De prins van Chimay schikt zich naar de heren van het Brugse stadsbestuur maar laat niet na zijn eigen voordeel te halen waar dat mogelijk is. Het lijkt me wel een intelligente kerel te zijn. Wie door het stadsbestuur verbannen werd, mag feitelijk terugkeren. De mensen in kwestie hebben hem nooit iets persoonlijk misdaan. De burgemeester en de hoogbaljuw respecteren zijn beslissingen maar hebben er zo hun bedenkingen bij. De eerste die ze hiervan informeren is natuurlijk Willem van Oranje.

 

Chimay doet wel niets aan al de vijanden die het platteland aflopen en de steden geblokkeerd houden. Zo komen ze dagelijks tot voor Brugge waar ze driehonderd hoornbeesten meeslepen zonder die te doden. Op korte tijd weten ze drieduizend beesten te verzamelen, allemaal bestemd voor hun leger dat voor Ieper ligt. Koeien, paarden, schapen en varkens. 'Waardoor er natuurlijk een grote schaarste en duurte van de etenswaren ontstond, zodat de magistraat gedwongen werd en veel arme mensen verplichtte om weg te trekken uit de stad.'

 

De Brugse burgemeester wil in elk geval niet weten van onderhandelingen met de Spanjaarden. Op 8 oktober verplicht hij de eigenaars van de kastelen, huizen, landhoven in een straal van een kilometer buiten de stad om al hun bouwwerken af te breken en ook de bossen, bomen of hagen te verwijderen. En wie dat niet onverwijld doet zal hulp krijgen van zijn soldaten. 'Hetgeen voorwaar zeer spijtig om zien was om op die manier hun huizen, lusthoven en schone plantages te zien bederven.'

 

De bewaking in de stad wordt nog opgedreven. Dag en nacht wordt er vanaf de hallentoren getuurd naar mogelijk gevaar, met de stormklok in aanslag. De regionale boeren krijgen het bevel om hun goederen en vruchten naar de stad te brengen of dat men alles zou vrij geven om die te plunderen. Op 10 november volgt nog maar eens een grote biddag en de reden wordt al direct duidelijk wanneer het krijgsvolk de 11de met het nodige geschut de stadspoorten verlaat. Er zal iets ondernomen worden tegen het kasteel van Varsenare. Ofwel iets tegen Diksmuide. En wie weet zal men wel de vijand wel gaan verjagen van voor Ieper?

 

Het blijken allemaal dagdromen geweest te zijn. Het bidden tot de heer blijft zonder gevolgen. Niet genoeg diepgemeende gedachten en verzoeken? Verkeerde formulering? Foutieve preveltechniek? De onzichtbare God veegt zijn schoenmaat vijfenveertig aan deze Brugse hypocrisie. 'Natuurlijk bleef alles zonder gevolg en keerden ze onverrichter zake terug. Intussen deed de magistraat al de molenwallen buiten de stad slechten, maar het werkvolk werd dikwijls door de vijanden verjaagd en hier en daar werden er arbeiders doodgeslagen of verwond.'

 

Naast de Spanjaarden is er natuurlijk nog altijd sprake van de Walen. De paternosterknechten zijn niet van de poes. 'Ook zij dreven het vee naar het leger van de Spanjaarden. Ze lieten zich zien voor de Kruispoort. Met vier kornetten paarden. Men schoot naar hen met grof geschut, maar ze spotten ermee en bij elk schot riepen ze “jau, jau”. De Schotten trokken er naartoe, maar keerden rapper terug dan ze gegaan waren en zo vertrok de vijand op zijn gemak met gevangen mensen en geroofde dieren. De prins van Chimay bekeek het allemaal vanop de vestingen, maar deed geen verdere pogingen om dat te beletten.'

 

Gent raakt meer en meer ingesloten. Het land van Waas, de kastelen van Temse en Rupelmonde en even later de versterkte stad van Aalst liggen al in Spaans territorium. Ter hoogte van Wetteren blokkeren de Spanjaarden de Schelde waardoor er geen scheepsverkeer meer mogelijk is van en naar Antwerpen. Er ligt ook een leger in Eeklo en de Walen stropen het platteland tot voor de poorten van Gent. De stedelijke milities proberen er iets aan te doen vanuit Merelbeke en Wondelgem maar de 'vrome gezellen' verwoesten zelf alles wat er te vinden is. De Walen doen hetzelfde in de buitenomgevingen van Oudenaarde en Kortrijk.

 

Deze vuile oorlog blijft maar escaleren. De magistraat van Gent laat al zijn soldaten nog maar een keer zweren dat ze de stad trouw zullen verdedigen. Ook Pieter Dathenus die mee teruggekeerd is met Jan van Hembyze laat zich horen vanop zijn preekstoel in de Sint-Janskerk. Er wordt gevraagd aan het landvolk om alle vruchten en het gedorste graan zo snel mogelijk binnen de stadsmuren te brengen. Zo niet zal men zelf zorgen voor de ophaling ervan. Buitenlieden die zich in veiligheid gebracht hebben in het centrum van Gent mogen het aftrappen als ze niet voldoende garanties kunnen voorleggen dat ze zelf kunnen instaan voor hun eigen voedsel de komende zes maanden. Ze verlaten de stad jammerend en gegriefd in de wetenschap dat hun woonsten verwoest zijn en dat ze zich niet in de richting van de vijanden durven te begeven.

 

'Die van Brugge probeerden de landlieden die omtrent Ieper woonden en die aan alles gebrek leden, te spijzen en te versterken maar dat wilde niet echt lukken. Hiermee liep het jaar 1583 ten einde.' Op 30 januari 1584 overlijdt de heer Van Assche, de broer van Ryhove. Vijf weken later trouwt Van Assches dochter met de zoon van Ryhove. Tot grote ergernis van de gemeente. 'Neef en nicht kunnen toch niet met elkaar huwen?' De kwatongen roeren zich. Ryhove kan het uitstekend vinden met Willem van Oranje. Tot ergernis van Jan van Hembyze die ook al over de tong gaat vermits hij als zeventigjarige getrouwd is met de veertig jaar jongere dochter van raadsheer Van Huerne. Ik vertel er nog bij dat Ryhove vanuit Dendermonde een zware tol eist op alle waren die vanuit Antwerpen richting Gent worden gevoerd.

 

Het gaat dus helemaal niet goed in Gent. Oranje blijft pushen ten gunste van de hertog van Alençon en tegen Hembyze zelf. Als tegenreactie zoekt de Gentenaar op zijn beurt contact met koning Filips II. Onder vrienden durft hij al eens beweren dat de Spanjaarden beter te vertrouwen zijn dan de Engelsen. Lokaal krijgt hij flinke tegenstand van Adolphe Van Meetkerke die de Spanjaarden haat. Jan van Hembyze verwijdert zijn opponent uit de stad. Zelf gaat hij op 8 maart praten met een overste van het koninklijk leger. Hij vertrekt te paard en wordt even later met de nodige stijl ontvangen door Alexander Farnese. Die ziet het natuurlijk helemaal zitten om de grote stad van Gent zonder slag of stoot onder de gehoorzaamheid van de koning te brengen.

 

Nadat beide partijen zich verzekerd hebben van enkele gijzelaars kunnen de onderhandelingen van start gaan. De gedeputeerden van Gent, Brugge en het Vrije vertrekken naar Doornik om er een overeenkomst te sluiten. Ook de prins van Chimay is vragende partij voor een vergelijk. Het komt vrij vlug tot een verzoek tot wapenstilstand, die op 13 maart 1584 tot groot genoegen van alle vredelievende inwoners van Gent wordt aangekondigd met het geschal van keteltrommels en trompetten. 'Daar was op de verbeurte van het leven verboden om van weerszijden enige schimp of overlast te doen.'

 

Tussen de onderhandelingen door, voert Jan van Hembyze zijn eigen gesprekken met de prins van Parma. Hij besluit om de stad te laten onderwerpen aan de Spanjaarden. Deze geheime agenda verstoort natuurlijk het delicaat evenwicht van de wapenstilstand. Hembyze zet kwaad bloed door zijn soloslimgedrag waardoor de gemeente helemaal in oproer raakt. 'Hij meende zich meester te maken maar dat bleek onmogelijk. Hij werd met de zijnen uit de stad verdreven en zijn volk werd ontwapend. Geheime brieven aan de Spanjaarden werden onderschept. Jonkheer van Hembyze werd afgesteld van zijn kolonelschap en verloor zijn lijfwachten. De drie stukken geschut die voor zijn woning stonden, werden verwijderd en hij werd naar de gevangenis geleid.'

 

Uit die geheime brieven blijkt dat ook de legerkapitein van Ryhove een deal had gesloten om Dendermonde over te geven aan de Spanjaarden. De Schotse luitenant Sethon gaat over tot bekentenissen en sleept zijn Engelse kapitein Roeland Yorck mee in zijn val. Begeleid door een leger van paardenvolk en zeshonderd voetknechten worden ze weggeleid naar Brussel. Hembyze wordt opgevolgd door jonkheer Karel Uttenhove en korte tijd later door Pieter Bil de gewezen ontvanger van de raad.

 

In het zuiden van West-Vlaanderen zijn de levensomstandigheden erbarmelijk. 'Die van Brugge hadden reeds van in december geprobeerd om hun lieve bondgenoten van Ieper te helpen. De Ieperlingen werden nauw belegerd en waren in groot gebrek van levensmiddelen. Ze hadden hiervoor vijfhonderd paarden met het nodige geweld uit de burgerhuizen laten weghalen en met allerhande voorraden doen laden en goed geleid naar het zuiden gestuurd. Maar onderweg werden ze overvallen en verslagen door de vijand zodat velen onder hen dood of gevangen bleven. De hele voorraad viel als buit in de handen van de Spanjaarden hetgeen een grote ontsteltenis veroorzaakte binnen Brugge.'

 

'Ze bleven echter hun buren spijzen met korven die sommige waaghalzen daar op hun rug naartoe brachten. Ze kenden al de omwegen en raakten er zo enkele keren binnen. Maar finaal werden vijfhonderd van die mannen toch opgepakt, verslagen en gevangen waarop die van Ieper niet veel anders konden dan vierhonderd arme mensen uit de stad weg te sturen. Ze hielden hun kinderen, zeggende dat ze die veeleer zelf zouden opeten dan hun stad over te geven.'

 

Begin 1584 is er opnieuw sprake van een nieuwe poging tot ravitaillering. Twee vendels voetvolk, vijf kornetten paarden en zestig met voorraden volgepropte wagens worden op weg gezet naar Ieper. 'Maar gekomen zijnde drie à vier mijl buiten Brugge aan de Spanjaardsbeek konden ze omwille van het groot water niet voort. Er verdronken twee personen en de anderen moesten terugkeren. Dat werd hen door de magistraat zeer kwalijk genomen.'

 

Het zijn vooral de Schotten die onder hun voeten krijgen. 'Zouden jullie ons niet eerst eens willen betalen?', repliceren ze bits. Ondanks de commotie hier in Brugge wordt er deels aan hun vraag voldaan. Op 2 februari 1584 krijgt Brugge de tijding dat hun soldaten het onderspit hebben moeten delven tegen de koninklijken. Veel mannen uit de compagnie van Antonius Aoulterman zijn daarbij gesneuveld. En er is nog sprake van een ander konvooi dat het slachtoffer is geworden van Spaanse aanvallen. Ondanks al die druk blijft men hier naar middelen zoeken om Ieper te helpen.

 

'Daarvoor nam men al de paarden die binnen Brugge waren in beslag, insgelijks al de wagens en men deed die op de Houtmarkt laden met boter, kaas, zout, kaarsen, zeep, olie, vlees, vis, wijn en vierhonderd hoeden koren die op de halle werden uitgesmeten. Uit elke compagnie werden twintig mannen gekozen om het konvooi te begeleiden. Ze vertrokken tijdens de nacht van de 14de februari. In de buurt van Ieper werden ze aangevallen door de koninklijken. Er werd dapper gevochten maar die van Brugge schoten te kort en lieten zeker vijfhonderd mannen ter plaatse, samen met zestig wagens met al hun voorraden en veel personen vielen in de handen van de belegeraars die voor hun vrijlating nu grof losgeld begonnen te eisen.'

 

Dat verlies komt bijzonder hard aan in Brugge. Ieper zal het nu echt wel zonder hun hulp moeten stellen. De paternosterknechten peperen de Bruggelingen het allemaal nog eens extra in. 'De Walen kwamen 's nachts voor de poorten van Brugge om er op de Duitse fluit te spelen terwijl ze de stedelingen provoceerden met het roepen van 'grand merci, grand merci voor al die schone voorraden die ge ons gestuurd hebt, jullie mogen er gerust nog meer zenden.' De prins van Chimay zou nog graag verdere acties willen ondernemen maar de Brugse inwoners willen daar in het geheel niet meer van weten. De stad zou immers ten dode opgeschreven zijn moesten er nog meer levensmiddelen en soldaten kwijtgespeeld worden.

 

De Ieperlingen zijn de wanhoop nabij nu de Bruggelingen er niet in slagen om hen te voorzien van voedsel. Veel meer dan zich overgeven aan de hertog van Parma zit er niet in. 'Ze mochten hun hoop om ontzet te worden wel vergeten na een belegering van negen maanden. Uit hongersnood hadden ze paarden, katten, honden, enzoverder gegeten en op 10 april 1584 gaven ze hun stad over aan Alexander Farnese.' De katholieke religie kan weer in zijn vroegere eer hersteld worden. 'Petrus Simoens, de benoemde bisschop van Ieper, is korte tijd later binnen gekomen. Hij heeft de kerken herwijd en doen zuiveren van de predikanten en van de gestorven ketters die hier de voorbije jaren begraven lagen. Daarna werd de katholieke godsdienst in zijn vroegere eer hersteld.'

 

Ik voel de vibraties van opluchting in de schrijfsels van priester van Male. Nu nog in Brugge zijn kerken weer op de been krijgen. Maar zover wil de geschiedenis nog niet gaan. De tijd gaat tergend traag als je die beleeft, pas achteraf lijkt het allemaal goed vooruit gegaan te zijn. Hij kijkt eens meewarig naar zijn stad. Het schepencollege en de krijgsraad wantrouwen de prins van Chimay. Wat hij doet is meer dan verdacht en dat hebben ze al eerder gesignaleerd aan Willem van Oranje. Chimay regeert als een verlicht despoot en houdt er een geheime briefwisseling met de vijand op na.

 

De prins van Oranje heeft al lang geen hoge dunk van deze prins van Chimay. De Staten-Generaal van Vlaanderen moet wel gek geweest zijn om het land in de handen te leggen van dergelijk lichtvaardig sujet. De alarmerende berichten uit Brugge bevestigen zijn vermoedens. Chimay moet verdwijnen. Hij beraadslaagt met hoogbaljuw De Gryse, burgemeester Casembroot en kolonel Maximiliaan d'Hornes hoe dat het best kan worden aangepakt. Ze moeten proberen om hem in handen te krijgen. Maar hoe?

 

Hun vergadering gaat door in het Handbogenhof. Ergens in de januarimaand van 1584. Een van de aanwezigen, Jan Haren, informeert de prins van Chimay over hun plannen. De kolonel wordt even gevangen gezet en de hele affaire eindigt op een sisser waarbij ze allemaal hun verontschuldigingen moeten aanbieden en hun eed aan de prins moeten hernieuwen. Uiteraard laat hij het gerucht circuleren dat de burgemeester en de hoogbaljuw van plan geweest waren om hem in opdracht van Willem van Oranje te vermoorden.

 

De Schotse kolonel Boyde speelt ook zijn rol in dit theater van dubbele tongen en geveinsde woorden. Terwijl kolonel d'Hornes gevangen zat, was hij afgekomen met het voorstel om zelf de prins van Chimay gevangen te nemen. De burgemeester en de hoogbaljuw gingen uiteraard gretig in op dit aanbod, vooral omdat de sympathieën van Boyde voor Willem van Oranje hen genoegzaam bekend waren. Wat ze niet weten is dat de kolonel onder één hoedje speelt met Chimay. De belofte van 1500 gulden per jaar, bezet op de heerlijkheden van Komen en Halewyn hebben Boyde overstag doen gaan.

 

Daarna begint een onvervalste koehandel. Er ontstaat grote ruzie tussen het Oranjegezinde Sluis en Brugge waarbij ook Oostende en Damme betrokken worden en geld beginnen te eisen van die van Brugge. De Brugse burgemeester Casembroot weet niet van welk hout hij pijlen moet maken. Met boter op je hoofd kan je nu eenmaal niet behoorlijk besturen. Chimay zelf profiteert van de situatie om de ene tegen de andere op te zetten en zorgt er ondertussen goed voor dat de Spaansgezinden het meer en meer om zeggen krijgen in het stadsbestuur. Jullie beseffen het waarschijnlijk niet, maar ik probeer van dit ingewikkeld kluwen van gebeurtenissen een verstaanbaar geheel te maken.

 

Ook Gent wordt erbij gehaald. De prins blijft bij zijn standpunt dat er nu al lang genoeg ellende geleden is en dat de tijd van onderhandelingen en verzoening met de koning van Spanje aangebroken is. 'Op de 10de maart rezen er hoge woorden tussen de beide partijen maar de prins hield staande dat het land en de steden al die ellende niet langer konden lijden waardoor ze zonder hoop op betering overvallen waren. Maar de staatsgezinden zegden dan iedereen zich moest houden aan de afspraken van het gemeen verbond en tot het uiterste diende te wachten om zich opnieuw onder de Spaanse tirannie te begeven.'

 

De partijen vertrouwen elkaar duidelijk niet. De Bruggelingen steunen hun prins van Chimay maar staan alleen in hun verzuchting naar onderhandelingen en vrede. Hoogbaljuw de Gryse, uiteraard in functie van de Staten, vertrouwt het niet langer hier in Brugge. Hij voelt grote veranderingen. Men wil hem doden waardoor hij op de 13de maart haastig vertrekt op weg naar Zeeland waar hij de Oranjegezinden brieft over de toestand hier in Vlaanderen. De pogingen van Willem van Oranje om Brugge weer tot rede te brengen vallen een voor een in het water. Brugge, het Vrije, Oostende en Damme gaan Chimay nog harder steunen in zijn streven naar vrede met Spanje.

 

'Zo zette hij het werk van de verzoening verder en op 26 maart werd er binnen Brugge, tot grote troost van de gemeente, een stilstand van wapenen afgekondigd tussen die van Artesië, die van Henegouwen en Brugge.' Twee dagen later wordt Brugge (met de nodige verwikkelingen) gezuiverd van Oranjegezinden en legt een nieuw stadsbestuur de eed van getrouwheid af aan de koning van Spanje en aan de prins van Chimay. Ze beloven de katholieke godsdienst te verdedigen en te onderhouden zoals dat in vroegere dagen altijd al geweest was. Chimay heeft het allemaal erg leep gespeeld; dat is het minste wat ik er kan over zeggen.

 

'Achter de coulissen waren wraak en verraad de codewoorden van beide partijen. Brugge ontsnapte als bij wonder aan een bloedbad en de rust daalde neer. Die kalmte moest aangehouden blijven: een hallengebod maakte duidelijk dat er zware straffen stonden op schimpdichten en liedjes om iemand in zijn of haar godsdienst te tergen of te bespotten.' De lucht klaart op in Brugge. Pasen komt er aan en verandert het aanzien van de stad. 'In de volgende paasdagen begon men de rooms-katholieke godsdienst te beoefenen. De gevluchte en verbannen inwoners kwamen naar huis. Het landvolk begaf zich naar buiten maar had alle moeite van de wereld om zijn verwoeste woonsten terug te vinden. De Walen gingen nu vrij binnen en buiten in Brugge. De nieuwgezinden zagen nog weinig perspectieven en begaven zich naar Holland en Zeeland.'

 

De toestand in Gent is erg gelijkaardig als die in Brugge. Niet meteen de grote verzoening met Spanje, maar toch al een tijdelijke wapenstilstand. Het is een begin. Een diplomatiek spinnenweb maakt zich meester van Vlaanderen. De postjes veranderen van eigenaar. Grote veranderingen. Iedereen blijft echter heel voorzichtig. De lente is nog pril, onlusten zijn nooit veraf en het valt te vrezen dat Willem van Oranje niet zomaar zal slikken wat er hier in Brugge en Gent gebeurd is.

 

Zijn reactie blijft inderdaad niet uit. In een uitvoerige brief aan de Gentse en Brugse overheden verwittigt hij hen voor de Spanjaarden. 'Sluit geen overeenkomsten met de koning van Spanje. Jullie hebben nu toch wel al genoeg van zijn wreedheid, geloofsdwang, onverdraaglijke vervolgingen en zijn zware belastingen kunnen proeven? Hij liet ook niet na nog eens de vinger in de wonde te draaien over al het geweld dat de Spanjaarden hadden aangedaan aan de Nederlanden. Al die moorden en die branden en het bloed dat door de onbarmhartige inquisitie reeds gestort was.'

 

Willems brief valt in West-Vlaamse dovemansoren. Op 1 mei 1584 besluit een algemene vergadering te Brugge unaniem om de vrede met Spanje te aanvaarden. Op voorwaarde dat er geen andere religie zou mogen worden uitgeoefend dan de rooms-katholieke en dat er geen vreemde soldaten in de stad zouden geleid worden. Achteraf worden de vlaggen en de wapenborden van de heer van Alençon vervangen door hun koninklijke tegenhangers. Dat gebeurt aan het stadhuis en aan het Prinsenhof.

 

'De tweede dag daarna werden de hertog van Aarschot en zijn zoon de prins van Chimay in grote stijl binnengevoerd te Brugge. Die laatste zeer kostelijk gekleed in goudlaken. De volgende dag dankte men al de vreemde soldaten af, uitgenomen de Schotten en de afgedankten vertrokken nu naar Oostende en Sluis.' Helemaal tevreden zullen die mannen wel niet geweest zijn als ik van Male mag citeren. Van waaruit ze nu heel het Vrije afliepen en menige schone pachthoeven in brand staken, bedervende de abdij van Ter Duinen en doende alle mogelijke schade en verdriet aan die van Brugge.'

 

'De perfecte overeenkomst van die van Brugge met zijne hoogheid de prins van Parma, koninklijke stadhouder en gouverneur van de Nederlanden werd afgesloten en ondertekend tussen de 20ste en de 22ste mei en drie dagen later binnen de stad van Brugge uitgeroepen en afgekondigd, tot overgrote blijdschap van al zijn ingezetenen.' Hoe vreemd kan het leven toch verlopen? De Spanjaarden die nog niet zo heel erg lang geleden nog verketterd en verguisd werden, worden nu weer met open armen ontvangen. Het alternatief bleek nog veel slechter geweest te zijn.

 

'Men zag overal pronknaalden, zegebogen, tonelen, opschriften en lofdichten ter ere van de vrede, van de koning en van de prins van Parma. Het geschut bulderde en de resterende klokken bommelden feestelijk als getuigen van gemeend contentement. De vreugdevuren verdreven met hun blakende vlammen de duisternis van de nacht en de massa afgeschoten vuurpijlen trotseerden de sterren in de lucht. De vreugde stond te lezen in de gezichten, de geestelijken zongen hun 'Te Deum' en men riep door de stad bijna niets anders 'lang leve de koning van Spanje.'

 

Priester Van Male is een heerlijk kunstzinnige man die erg attent omgaat met de gevoelens van de geschiedenis. Hij lijdt diepe pijn bij het verdriet van de Bruggelingen, maar kan net zo goed uitbundig meegenieten van de intense vreugde die opborrelt in hun harten. Precies hier liggen ook mijn ambities en ik geniet dan ook volop van zijn creativiteit en zijn fijngevoeligheid. Hij kijkt ook eens over zijn schouders terug naar de achtergebleven nieuwgezinden. 'Tussen al die blijdschap waren ze zeer droevig wanneer enkele vrouwspersonen en wat gemeen volk hun tempels bestormden. Ze vernielden de predikstoelen, de banken en de stoelen van de ministers, voorzangers en consistorianten.'

 

Bisschop Remigius Driutius keert terug naar Brugge na een gevangenschap van drie jaar in Gent. Met hem verwelkomen ze hier de geestelijken van de abdijen van den Eeckhoutte, Sint-Andries en Ter Doest. Een stroom van abten, kanunniken, priesters, nonnen en begijnen die zich naar hun kloosters en kerken begeven om die te zuiveren en klaar te maken om herwijd te kunnen worden. Op 7 juni is Sint-Donaas als eerste aan de beurt. Een week later wordt een met dure tapijten versierde Sint-Salvatorskerk eveneens in zijn vroegere eer hersteld. 'Men gaf er voor het eerst weer een sermoen en vermits men op die dag nog in geen andere kerk prediken mocht, kon dat groot gesticht de menigte van mensen niet slikken.'

 

De 29ste juni van het jaar 1584 komt de doorluchtigste Alexander Farnese zelf naar Brugge. Terwijl ik mijn tijd verspil met het bevatten van die bizarre term 'doorluchtig', blijkt de blijde intrede van de prins van Parma al volop aan de gang te zijn en moet ik plots hollen om er zelf nog op tijd bij te raken. Het lukt me. 'De plaatselijke notabelen brachten hem en zijn gevolg, vijf vendels voetvolk en drie kornetten paarden, zeer statig binnen Brugge. De burgerij stond netjes in de wapens langs de straten te wachten waar hij voorbij zou komen. En overal was er weer die vreugde. De prins had er duidelijk schik in. De eerbied die hem hier te beurt viel, maakte van hem een tevreden man.'

 

De 3de juli vertrekt Farnese naar zijn leger in Gent. Ik vraag me af hoe een en ander ondertussen verlopen is daar, in deze immer explosieve stad. Ik verplaats me even wat verder terug in de tijd. Mei 1584. De meeste Gentenaars volgden Jan van Hembyze al in zijn mening om zich te verzoenen met de koning van Spanje. Na zijn gevangenname blijkt er niets veranderd aan de problemen hier. Het verbond met die van de Nederlanden is niet langer vol te houden. Enkele gezanten waren met die mededeling naar Antwerpen vertrokken waar ze haast weggejaagd werden door de heer van Sint-Aldegonde. De Gentenaars worden nog harder onder druk gezet om niet te bezwijken.

 

Het zijn vooral de ambachtslieden die smeken om die vrede met de Spanjaarden. De onderhandelingen met Farnese kunnen niet zo maar stopgezet worden. Maar wel bemoeilijkt. De truc van alle tijden. Maak de zaken complex zodat het er niet van komt. Zo worden twee zuivere calvinisten toegevoegd aan de delegatie van de Gentse onderhandelaars. Lieven Tayaert en Antonius Heyman. Ze leggen meteen onhaalbare voorstellen op tafel. Volkomen vrijheid van religie. Koning Filips II mag er niet aan denken. Eigen kerken en eigen jaargelden voor de protestantse ministers en de predikanten. Openbare scholen voor beide partijen en dat men niet langer vreemd krijgsvolk over de vloer zou krijgen. En ook dat ze hier in Gent hun vroegere privileges die ze kwijtgespeeld waren onder keizer Karel willen terugkrijgen.

 

Ze krijgen de gewenste reactie. Een dikke njet en dan keren de onderhandelaars terug naar Gent waar ze zware verwijten maken aan de prins van Parma als zijnde geveinsd en vol valsheid, een man die niet in staat is om te zorgen voor vrede. Zo blijft de wapenstilstand een fragiel geval. Een massa teruggekeerde ballingen stookt ondertussen de arbeiders op om te pleiten voor vrede. Bij de adel zijn de meningen verdeeld. Zullen ze de vrede omhelzen of die verwerpen? De meningen zijn heftig en verschillend. Het geweld loert al om de hoek. Nogal wat katholieken die smeken om vrede krijgen te maken met represailles van de overheid. 'Veel aanzienlijken werden uit hun huizen gelicht en in kerkers gesmeten. Het gemaakte bestand werd op de 25ste mei vernietigd en de oorlog tegen de prins van Parma werd weer uitgeroepen.'

 

De ruziemakers in Gent dragen een dramatische verantwoordelijkheid voor de algemene malaise die heerst bij de mensen. Zowat alles is hun eigen domme schuld. 'Het uitputten van de gemeenten, het afsloven van de jeugd door een aanhoudende droefheid en onrust. De teleurgang van het platteland, het verwoesten van de akkers, het vernielen van de hoven en de kastelen. Zo veel vaderloze kinderen, zo veel kinderloze ouders, zo veel tranen, zo veel bloed, zo veel lijken. Werkelijk alles is overhoop gegooid. De godsdienst, het recht, de wetten, de kunst en de wetenschap het ambachtelijke handwerk. Wat een verlies toch voor de burgers in dit land!'

 

'En toch zijn ze in Gent niet te vermurwen. De massa van ellende, klagen en kermen kon het versteende gemoed en de boosheid in hun harten niet ontdooien. Ze getuigde alleen maar van bittere haat. Zo bijvoorbeeld aan het begin van de junimaand. Twee Spanjaarden en een Italiaan werden opgepakt en men hakte er meteen hun neuzen, rechterhanden en oren af. Van een Duitse soldaat werden zijn rechterhand en zijn linkervoet afgehouwen en men zond deze mishandelde personen terug naar het leger van de prins. Als teken van wraak voor wat de Spanjaarden in Wetteren gedaan hadden met hun mannen. Die werden eerder aan handen en voeten gebonden te Wetteren in de Schelde gegooid en men had later hun lijken opgevist in Gent.'

 

En zo neemt de wederzijdse wreedheid nog verder toe. De levensmiddelen worden nog schaarser om vinden. Vooral het graan is een groot probleem. Er komt een verbod om nog verder gevangenen binnen te brengen. Wie opgepakt wordt moet meteen doodgeslagen worden om zo de kosten van zijn onderhoud te sparen. De boeren moesten op de 19de juni voor zonsondergang plaatsruimen uit de stad en de behoeftige mensen werden met een briefje uit de stad gejaagd. 'Men nam andermaal op hoeveel koren elk in zijn huis had en men ging op zoek naar verborgen graan en meel. Die werden dan opgehaald en men sloot de bakkerijen, de boter- en de kaaswinkels.'

 

Het gebrek aan levensmiddelen vermeerdert nog wanneer de vijand beslag legt op Dendermonde waar veel Gentse voorraden liggen opgeslagen. Er is nu werkelijk een gebrek aan alles; boter, kaas, hout, zeep en wat er nog beschikbaar is, kost stukken van mensen. Van Male heeft het over de torenhoge prijzen van karnemelk, koevlees, kiekens, eieren en komkommers die enkel nog kunnen gegeten worden met een dressing van zuivere azijn want olie en specerijen zijn al lang niet meer te vinden.

 

'Het groot bier was er niet meer, de gemeente dronk water of klein bier. De wijn kostte tien keer meer dan gewoonlijk. Tarwebrood werd nu vervangen door verzuurd roggebrood vol met kaf. De rogge zelf was door het vochtig weer helemaal bedorven en zat vol wormen, maar toch dienden de inwoners nog een rantsoenbriefje voor te leggen om er zich toch wat te mogen aanschaffen. Het ontbrak de mensen aan zowat alles. Af en toe moest een paard er aan geloven om de hongerige buiken te verzachten en in plaats van boter gebruikte men olie van lijnzaad of raapzaad.. Tijdens de vastenperiode was men tevreden met een stukje droog brood, gemengd met boekweit en andere vuiligheid met als toespijs een stukje look of ajuin.'

 

Wie niet thuis hoort in Gent moet er weg. De landslieden, vreemdelingen, katholieke priesters en nonnen moeten binnen de acht dagen ophoepelen. Sommigen zijn hier geboren maar daar wordt niet meer om gekeken. De sfeer is bedroevend en benauwend. De vrees om zonder voedsel te vallen zorgt er voor dat de armen nu helemaal geen stukjes brood toegereikt krijgen en daardoor helemaal uitgemergeld bezwijken. Wie het woord 'vrede' in de mond durft te nemen, raakt meteen verdacht, wordt gevangen gezet en later verbannen.

De krijgsraad blijft er onbewogen bij. Die bestaat uit de heftigste vijanden van de rooms-katholieken. De ellende bij hun inwoners kan hen geen reet schelen. Lieven Van de Vyvere vliegt op de pijnbank omdat hij een pamflet pro vrede met Spanje gemaakt heeft. Terwijl de prins van Parma op 29 juni met veel liefde en eer ontvangen wordt in Brugge blijven de Gentse poorten gesloten. Krak op diezelfde dag wordt een gewezen schepen, de bemiddelde Lieven De Geytere, ter dood veroordeeld na een gevangenschap van een jaar. Hij en Van de Vyvere hebben plannen beraamd om de stad over te geven aan de Spanjaarden. Dat breekt hen nu zuur op. De bewapening van de stadsmilities wordt verder opgedreven uit vrees voor nog meer onrust bij de mensen.

 

'In een huis genaamd 'de drie schalen', werd meneer Lieven met ontbloot hoofd en schouders op een verheven schavot gebracht. De minister Grenier die hem vergezelde, sprak enkele woorden tot de omstaanders en de beschuldigde kreeg de doodslag. De lijkdragers namen daarna zijn dood lichaam op en droegen het naar de Cellenbroeders waar het op het kerkhof werd begraven. Op 13 juli 1584 was het de beurt aan Van de Vyvere. Deze man, zeer flauw en ziek zijnde, mogelijk door de pijn die hij al geleden had, werd er op een stoel gezet waar hij zittend zou moeten onthalsd worden. Maar hij beweerde om toch kracht genoeg te hebben om te knielen en zo werd hem het hoofd afgeslagen. Dat werd op een spies gestoken en twee uur tentoongesteld.'

 

Er volgen nog meer van dergelijke taferelen. Jonkheer Antonius Heyman wordt betrapt met brieven van de vijand en belandt hiervoor op de pijnbank. De teller van de tijd staat op 20 juli 1584. Van daar verhuist hij naar het Prinsenhof. Er heerst al enkele weken grote onrust in Gent en Heyman krijgt hiervan de schuld en dat maakt de krijgsraad erg wantrouwig. Al zijn relaties belanden twee dagen later ook al op de pijnbank. Twintig onder hen worden onder begeleiding van een trompetter buiten de stadsmuren geleid en hun goederen zullen verkocht en aangeslagen worden door de magistraat.

 

Ik noteer nu eindelijk het overlijden van Hercules. De hertog van Alençon, interim graaf van Vlaanderen en broer van de koning van Frankrijk overlijdt op zijn dertigste op de 10de juni van 1584. Ik bespaar jullie de medische details over gesprongen aders en het vloeien van zijn bloed. Hoe jong hij ook mocht zijn, toch was hij al een knar van het verleden. Het dramatisch nieuws over Willem van Oranje is dan wel erg relevant voor de toestand waar Vlaanderen zich in bevindt. Een maand na het overlijden van de Fransman volgt Oranje hem in de dood. Ik kijk verrast op van wat van Male zo onverwacht neerschrijft.

 

'De prins van Oranje werd door de Bourgondiër Balthasar Geeraert doodgeschoten. Willem had na de dood van Hercules een visioen gehad tijdens zijn slaap. Hij had keizer Karel gezien en die had zich kwaad gemaakt op Oranje. De keizer had hem groot gemaakt en wat kreeg hij in de plaats? Verraad! Een gulden vlies ridder van zijn voeten was hij. God zou hem wel beoordelen voor zijn vierschaar. Zijn zaligheid zou hij beslist op zijn buik mogen schrijven. De keizer verdween uit beeld en de prins sprong wakker uit zijn slaap en voelde zich zo benauwd alsof er een grote berg op hem gelegen had. Hij zweette zodanig dat hij van lijnwaad moest veranderen.'

 

Sinds deze nachtmerrie vervalt Willem van Oranje in zwaarmoedigheid. Zou het niet beter zijn om zich dan toch met de koning te verzoenen? 'Maar de dood heeft hem diezelfde dag helemaal onverwacht overvallen wanneer hij werd doodgeschoten toen hij wegging uit de eetzaal.' Wat een klap voor de andersgezinden. Mijn schrijver is er nog altijd niet over te spreken dat de overleden Oranje Vlaanderen en Brabant heeft opgeofferd om Zeeland en Holland te versterken en ten koste van alles deze strategie heeft volgehouden. Onze voorouders moesten veel sneller beseft hebben wat voor een doortrapt gemoed deze prins van Oranje had. Hun vriendschap voor hem zal veel volgelingen voor eeuwig berouwen.

 

In Gent kunnen hoogbaljuw Ryhove en voorschepen Hembyze nog altijd niet door één deur. De baljuw beschuldigt jonkheer Jan van Hembyze nu formeel van betrokkenheid op de moord van de griffiers en de baljuw van Axel. Feiten die dateren van 1578 en die te zwaarwichtig zijn om zo maar te laten passeren. Hembyze probeert zich te verstoppen achter flauwe verontschuldigingen. Iets wat niet echt lukt en 'na nauw onderzoek werd hij schuldig verklaard aan verraad, voor de moord en voor andere boze feiten. Op 4 augustus 1584 werd zijn vonnis uitgesproken op het stadhuis. Te weten dat hij onthoofd zou worden en dat zijn hoofd op een spies zou moeten tentoongesteld worden.'

 

Toch maar lugubere vooruitzichten voor de ooit zo machtige voorschepen. 'De Sint-Pharaïldisplaats werd door krijgsvolk bezet en de jonkheer werd om drie uur in de namiddag op het schavot gebracht, in het gezelschap van Jacobus Kimmedonck, de minister van Sint-Jans. Hembyze riep het volk nog een laatste keer op om te blijven gehoorzamen aan de magistraat. Hij knielde daarna neer, kreeg de dodelijke slag en zijn hoofd werd conform het vonnis op een ijzeren pin tentoongesteld. Maar omdat dit hoofd nogal onverwacht caprioleerde en de persoon kwetste op wie het viel, maakte het volk daarom het nodige gerucht.'

 

Geen al te best einde voor deze man van zeventig die ooit Gent als een volkomen heer en als een dictator bestuurde. Een exit in mineur voor Hembyze die zich opstelde als hevig vijand van Willem van Oranje maar zijn land dan overgaf aan prins Casimir en zijn bende Duitsers. 'Hij was een bittere vijand van de katholieken en de voornaamste aanstoker van de beeldenstorm. Overtuigd om binnenkort nu toch overeen te komen met de Spanjaarden in ruil voor een grote som geld stierf hij een schandige dood, weinig beklaagd door de calvinisten en nog minder door de katholieken.'

 

Op 2 september 1584 krijgt Brugge een nieuw stadsbestuur. In naam van koning Filips II van Spanje. De regering bestaat nu uit goede en oprechte katholieken. De plaatselijke jezuïeten hebben al de schepenen zorgvuldig moeten screenen om er zeker van te zijn dat er zich geen andersdenkenden aan boord bevinden. Het is zeker geen overbodige maatregel. Wie bekend staat als calvinist verlaat het vaderland en verhuist naar Holland en Engeland om daar zijn of haar leven verder te zetten.

 

Er zitten nogal wat gewezen schepenen en mandatarissen bij. Een waslijst van prominenten die Brugge voor bekeken houden. En wie in Brugge durft achter te blijven zal op termijn wel de rekening gepresenteerd krijgen. Zo bijvoorbeeld de hardnekkig gereformeerde jonkheer Pieter Broucsaulx die op 10 juli 1586 onthoofd wordt. Een executie die niet helemaal volgens het boekje verloopt want 'de scherprechter miste en sloeg eerst in de schouders, daarna in het hoofd zelf waardoor hij tenslotte verplicht was om het af te villen.'

 

Toch wel macabere toestanden in Brugge. En hier is het dan nog vooral peis en vree in vergelijking met Gent. Ik bevind me weer in september 1584. De uitzichtloze ellende en hongersnood dwingt de Gentenaars om dan toch te praten over een overeenkomst met de heer van Parma. Een delegatie met onder andere Gillis De Baenst, pensionaris Tayaert en Lieven Hellinck krijgen een vrijgeleide van een Spaanse trompetter om tot bij Alexander Farnese te geraken. 'Zolang jullie katholieken gevangen houden kan ik niet praten over vrede'. De Spanjaard zegt meteen waar het op staat.

 

Er zal niet veel anders opzitten. De gevangenen worden allemaal op vrije voeten gesteld. De nieuwgezinden zien de bui al hangen. Een deal met de Spanjaarden staat in de sterren geschreven. Ze pakken hun biezen en hun goederen en maken dat ze weg zijn. Voor het eerst sinds lang ligt er plots een grote hoeveelheid gezouten vlees, boter en kaas om verkocht te worden. 'Er werd een boekske gedrukt met de artikels van de vrede. De Gentenaars zullen voortaan weer geregeerd worden door koning Filips II. De katholieken en hun erediensten worden volledig in ere hersteld. Andersgelovigen mogen nog twee jaar in Gent blijven. Zolang ze zich maar gedeisd houden.

 

De prins van Parma eist een offer voor de aangeboden vrede. Twaalf van de meest oproerige inwoners zullen de boter moeten eten. Na wat heen en weer gepraat blijkt Farnese al tevreden met de helft. Twee van hen slagen er in om te ontsnappen, 'Lieven Meintkens zwoer zijn ketterij af en werd losgelaten en drie anderen kochten hun vrijheid af met een grote som geld.' De inwoners van Gent zullen tweehonderdduizend gouden kronen moeten betalen als schadevergoeding en niemand mag de stad uit zolang de betaling niet effectief uitgevoerd is.

 

Op 19 september 1584 beslist een algemene vergadering van magistraten, edellieden en hoofden van de gemeente om de vrede te omhelzen. Deze wordt afgekondigd met het geschal van trommels en bij het avondlijk licht van toortsen. Het garnizoen dat de stad verdedigd heeft verlaat Gent op 26 september. Gevolgd door een stoet van nieuwgezinden. Ze begeven zich naar Sluis en worden vervangen door vierentwintig vendels Spanjaarden en andere nationaliteiten. Als nieuwe gouverneur wordt de heer Champigny aangesteld. Er wordt direct werk gemaakt van de heropbouw van het Spanjaardenkasteel.

 

'De 30ste september, op een zondag kwam de prins van Parma binnen Gent. De straten waren al gezuiverd en helemaal versierd. De magistraat had een prijs uitgeloofd voor wie het mooiste vreugdevuur kon maken. Men deed op diezelfde dag verscheidene missen. De prins keek met verwondering naar de versterkingen van deze grote stad.' Nog voor het einde van november zijn de kerken weer in staat van dienst. Besprenkeld met vers wijwater, getapt van het heilig vat. Nieuwe priesters moeten zorgen voor een geestelijke revival hier in Gent. Het vernieuwde stadsbestuur bestaat nu net zoals in Brugge alleen nog maar uit gedegen katholieken. Hetzelfde kan gezegd worden over de talloze postjes. De juiste God zit weer overal ter plekke in de harten en verscholen in de portemonnees.

 

Brugge en Gent zijn gezuiverd. De rest van Vlaanderen blijft een groot vraagteken. Sluis en Oostende blijven calvinistische bolwerken. 'Deze twee roofnesten zullen nog lange tijd het land en de zee onveilig en ontoegankelijk maken. Waardoor de ellende nog zal toenemen. In juni 1585 wierpen die van Oostende veel wagens met koopwaren aan, trekkende van Diksmuide naar Brugge doorstaken ze de paarden en namen ze de mensen gevangen. Kort daarna kaapten ze een ander konvooi geladen met Franse wijnen. Niet goed wetend wat ze met al die wijn konden doen, sloegen ze de vaten kapot, lieten het goedje wegstromen en namen de koopman Gillis Cartaigne mee naar Oostende.'

 

Op 17 augustus 1585 geeft de stad Antwerpen zich gewonnen tegen de troepen van Parma. Het beleg heeft vele maanden geduurd. In de buurt van Oostende wordt het elke dag erger met dat stropen. Het stelen is niets in vergelijking met de rest. Handelaars en reizigers worden koelbloedig opgehangen of versmoord in de zee en in de grachten. Zo bijvoorbeeld de zoon van de gewezen Brugse schatbewaarder Louis Thiery. De jongen wordt opgehangen. De bezetters van Sluis houden er gelijkaardige praktijken op na. In feite geven ze de Spaansgezinden een koekje van eigen deeg want indien de Sluizenaars opgepakt werden, moeten ze hetzelfde lot ondergaan.

 

Zo bijvoorbeeld op 5 augustus 1585. 'Vijfhonderd Spaanse soldaten trokken tot dicht onder Oostende. Een deel bleef er in hinderlaag liggen en de anderen sleurden er honderdveertien schone melkkoeien mee. De Oostendenaars die dat wilden verijdelen, vielen in de hinderlaag zodat er wel honderdvijftig Engelse soldaten verslagen werden. Sommigen konden terugkeren en lieten de buit dan maar aan die van Spanje.'

 

Voor de Vlaamse economie is de hele toestand een drama. De handel is bedorven. Het land zit vol van dieven, moordenaars en vrijbuiters. Armoede en angst regeren het land. De duurte neemt elke dag toe. De voorbeelden zijn navenant. Vlees, vis, brood zijn onbetaalbaar. 'De mensen moesten zich tevreden stellen met het brood van paardenbonen. De lijdende bevolking zwierf met hele groepen door het land. Velen stierven van gebrek. Zelfs de meest gegoede mensen moesten hun eigendommen, hun juwelen, huisraad, fluwelen en zijden kleren verkopen om aan spijs te geraken. De mesthopen werden doorsnuffeld in de hoop om toch maar iets eetbaars te vinden. Hoe vuil en smerig dat allemaal ook mocht zijn. De hongerige magen moesten verzadigd worden en van kieskeurigheid kon niemand leven.'

 

'In Brussel was een dode hond van de straat opgeraapt en opgegeten. Hendrik De Coster, de gewezen pastoor van Lokeren schrijft dat een bekende van hem die in vier dagen geen brood meer had geproefd, van een gestolen paard waar de wormen van uitliepen, met zijn mes er enige brokken zag wegsnijden en zo smakelijk ervan begon te eten, hoe vuil en stinkend het goedje ook mocht zijn. Het was alsof hij gastronomisch aan het genieten was. De mensen leefden van het gras of van wortelen die ze uit het kerkhof spitten. De armoede was algemeen en de gierigheid van de korenbijters vermeerderde de duurte.'

 

En dan de wolven. Juliaan Opdedrinck had het er ook over in zijn relaas over de godsdienstoorlogen te Poperinge. Zijn collega van Male gaat nog dieper in op de details. 'Wolven en andere schadelijke beesten welke alles en iedereen als woedende honden aanvielen en vernielden wat ze op hun weg ontmoetten. En omdat er geen beesten meer te vinden waren in de bossen, velden en weiden, vielen ze de stallen en de huizen aan waar ze het vee en de mensen verslonden.'

 

De Lokerse pastoor schrijft dat er tussen 1587 en 1588 zeker zeventien mensen door de wolven verscheurd werden. Droevige tijden. Ik krijg nu warempel nog een les in godsdienst en christelijke moraal voorgeschoteld. Wat ze hier in Vlaanderen meemaken is doodnormaal. God straft de mensen. De oorlog, de pest en de hongersnood die het land zo doen lijden zijn in wezen enkel maar de uitvoerders van de goddelijke rechtvaardigheid. En ik die dacht dat God synoniem was van vrede en goedheid. Deze waarheid hebben ze mij in mijn jeugdjaren zo fanatiek proberen er in te stampen. Die vredevolle boodschap blijkt dus helemaal anders. God als wraakengel. Vreemd genoeg lijkt me dat niet te storen want eigenlijk verdient de mensheid af en toe wel degelijk een flinke stamp onder de kont.

 

Brugge en het Vrije zien wat af met al die stropende partijen. De Bruggelingen beklagen het zich nog geen klein beetje dat ze ooit nog in het verweer gegaan zijn tegen de Spanjaarden die Oostende wilden veroveren. Na de verzoening met Parma komt hen dat nu duur te staan. Farnese richt zijn focus nu op een andere roofnest. Sluis. Op 8 juni 1587 bezet het Spaanse leger de schansen van Blankenberge, Breskens en andere plaatsen zodat Sluis ingesloten wordt. De Sluizenaars, wel voorzien van voorraden en volk, reageren met een reeks uitvallen maar kunnen niet echt schade aanrichten. De Spanjaarden ontketenen op hun beurt een massale aanval. Met onder andere dertig stukken zware artilleriegeschut. De aanval wordt tot zeven keer toe afgeslagen. Met veel verlies aan volk.

 

Alexander Farnese nadert stukje bij beetje tot vlak onder de stadsvesten van Sluis. Het garnizoen binnenin is al gereduceerd van 1600 naar 700 mannen die nu dag en nacht moeten waken en moeten eten en drinken in hun stellingen. In Holland en Zeeland maakt men zich klaar om Sluis uit zijn Spaanse wurggreep te gaan ontzetten. Ze komen te laat. Op 27 augustus 1587 geeft Sluis er de brui aan. De volgende dag wordt de stad overgeleverd aan de hertog van Parma.

 

De verovering van Sluis is maar een klein beetje goed nieuws voor de Vlamingen. De Engelsen hebben rond die tijd de Spaanse vloot verslagen tijdens een zeeslag op de Noordzee. En dat is veel minder want nu heersen de Zeeuwen, de Hollanders en de Engelsen op het water. 'Meester op zee waren ze nu. Ze staken Oostende gedurig vol krijgsvolk, nietsnutten die deels landinwaarts werden gezonden waar ze alles roofden wat ze konden buitmaken. Vooral de gewapende konvooien tussen Brugge en de andere steden ondervonden dat aan den lijve.'

 

'Want de vijand, verlekkerd op de buit, viel hen onvoorzien en vanuit hinderlagen op het lijf en dreef hen op de vlucht. Waardoor hij meester werd van de koopwaren en van de reizende lieden die dan naar Oostende werden gebracht waar ze het slachtoffer werden van de nodige mishandelingen om dan achteraf afgeperst te worden voor groot losgeld. Ze deden diegenen die geen geld konden of wilden geven op wrede manier sterven.' De schrijver moet zich enigszins beperken in het aantal voorbeelden. Voor Jan Don maakt hij een uitzondering. Wat een booswicht toch. 'Hij was het gewoon om de hoeveelheid moorden die hij pleegde aan te tekenen op zijn springstok. Op 12 april 1590 werd hij levend verbrand. Zijn kompaan met de bijnaam “schaaphoofd” en vier van zijn gezellen werden in Ieper voor hun daden gestraft.'

 

Dat de prins van Parma slabakt in zijn verovering van heel Vlaanderen heeft alles te maken met de oorlogscampagne die hij moet voeren tegen Hendrik III van Frankrijk. De twaalfduizend man die hij daardoor moet missen hier bij ons, zorgt voor een halfslachtige bezetting die de vijand moed geeft om de steden te kwellen en alles te roven en te bederven wat er in zich in hun omgeving bevindt. Zo bijvoorbeeld een diefstal van meer dan honderd melkkoeien in de buurt van de Ezelspoort waarbij zeker dertig Bruggelingen gedood worden wanneer ze dat wilden voorkomen. Snaaskerke en Oudenburg vallen nu ook in de handen van de Oostendse bezetters.

 

Ook het noorden van de Nederlanden laat Farnese niet met rust. Prins Maurits van Oranje, de zoon van Willem (die had 16 kinderen) ontscheept in Vlaanderen met drieduizend voetgangers en honderd ruiters. Hij hoopt om Duinkerke te kunnen verschalken maar hij krijgt er letterlijk en figuurlijk de wind van voor waarop hij zijn aanslag moet afblazen. Ik moet daarbij toch wel even meesmuilen om mijn eigen winderige taal. Er volgt nu een uitval op Oudenburg met een tegenreactie van Brugge. Waarop Oostende reageert dat het zelf met rust wil worden gelaten, 'maar de prins van Parma werden ten leste gedwongen om met die rovers overeen te komen.'

 

Duinkerke wordt de draaischijf voor de Spanjaarden. De zeevaart van de staatsgezinden van Oranje moet vanuit deze haven verstoord worden. 'Er werden heel veel roofschepen uitgerust en bemand met alle slag van waaghalzen die, verlekkerd op mogelijke buit, van overal kwamen toegelopen en daarna veel schade deden aan de Zeeuwse, Hollandse en Engelse kooplieden. Wanneer deze zeerovers in de handen van het zeevolk vielen, werden ze direct opgehangen waardoor die natuurlijk liever het vuur in hun eigen buskruit staken en hun eigen schepen in de lucht lieten vliegen dan deze over te leveren aan de vijanden.'

 

'Andere zeerovers wilden zich dan weer wreken om de dood van hun gezellen en vielen zelfs de armste vissers aan en alle Hollanders en Zeeuwen die ze in hun vizier kregen en die op hun beurt allemaal lieten opknopen waardoor de vrouwen van de Nederlandse provinciën dan weer begonnen te kermen, te klagen en hun overheid te belasteren. De Hollanders en de Zeeuwen die in de handen van de Duinkerkenaars vielen werden langs het strand aan hoge masten opgehangen. Zo was er natuurlijk geen enkele mogelijkheid om vrede te krijgen onder het zeevolk. De bitterheid nam dagelijks toe met Duinkerke als de gesel van alle naties.' Schrijver van Male beschrijft uitvoerig de situatie van deze havenstad tot in 1662 maar keert gelukkig snel terug naar de plek waar hij gebleven was. Het jaar 1591.

 

In februari van dat jaar komen die van het Vrije tot een regeling met de Staatse partijen van Oostende om hen elke maand drieduizend gulden te betalen zodat hun landmensen met rust zullen worden gelaten. Zo keert de rust op het platteland toch een beetje terug. 'Maar de steden geraakten in uiterste benauwdheid door het zwerven van stropende partijen en vrijbuiters. Een bende Hollanders uit Vlissingen viel een konvooi met koopwaren aan dat onderweg was tussen Gent en Brugge. De goederen werden meegenomen en de reizigers gevangen wat Brugge zeer mistroostig maakte. Vooral als de vijand dan nog diezelfde waren ter hoogte van Nieuwpoort verkocht aan de burgers.'

 

De binnenscheepvaart blijft in de ban van de opstand waarop de Bruggelingen bij Alexander Farnese tevergeefs moeten smeken om te mogen onderhandelen met Oostende betreffende een contributie zodat ze ook met rust kunnen worden gelaten. Tijdens de maand augustus van 1591 mislukt een plan van de Oostendenaars om zich met een list meester te maken van Diksmuide. Ze moeten zich haastig terugtrekken en verliezen tien van hun mannen bij deze actie. In september verovert Maurits het stadje Hulst op de Spanjaarden. Kapitein Castillo die het bevel voerde over Hulst wordt wat later onthalsd wegens zijn lafheid. Opnieuw een lelijke doorn in de voet van de Vlaamse leeuw!

 

De Hollanders kijken begerig naar het verzwakte Brugge. De stad geldt niet langer als een machtig militair bastion, maar als symbool kan die er natuurlijk nog best zijn. Het zou een absolute opsteker betekenen voor de noordelijke staten moest Brugge weer kunnen heroverd worden op de Spanjaarden. Een openlijke aanval mag uitgesloten worden, daarvoor zijn de Spaanse wapens te sterk. Met de nodige listen en behendigheid moet dat wel kunnen lukken. Op 25 november 1593 ontscheept prins Maurits met 250 schepen en 5000 man op het strand tussen Sluis en Blankenberge.

 

Het gebrek aan wind speelt hen parten zodat ze maar tegen de valavond voet aan de grond kunnen zetten. Tijdens een duistere nacht moet het leger via kreken en kwade wegen proberen om tot in Brugge te raken. Ze worden hierbij gehinderd door zware slagregens en ze lopen voortdurend het gevaar om te verdrinken, allemaal factoren die hun voortgang belemmeren. 'De graaf van Selms die de voorhoede aanstuurde, raakte met zijn volk en stormtuig op de harde dijk tussen Damme en Brugge, maar de rest van het leger moest de beste weg en het minste water zoeken en liep op die manier verloren. De Schotten die hun leiders plots niet meer zagen, meenden dat ze verraden waren. Met het vallen van de dageraad deed Selms de trommel slaan om zijn ontevreden volk weer te verzamelen om weer te schepe te gaan.'

 

In Brugge halen ze opgelucht adem. De magistraat beseft dat de geplande aanval op de stad er niet kan gekomen zijn zonder medewerking van binnen de stadsmuren. Onderzoek leidt de speurders naar Wouter Maertens, bijgenaamd 'Schipper Tandt', een inwoner van Vlissingen die met zijn schip op de Sluise vaart lag. Die ontkent natuurlijk in alle toonaarden dat hij er iets mee te maken heeft gehad waarop de man vrijgelaten wordt en de schipper naar de herberg gaat waar hij in de gaten blijft gehouden worden door twee stadsdienaars. Ondertussen onderzoekt men zijn schip waar ijzeren inbrekersmateriaal om de hekken van poorten open te breken worden aangetroffen. En daarbij ook nog masten en materiaal om een stormbrug te bouwen.

 

'Hierop werd hij opnieuw voor de wetheren gebracht en naar de pijnbank verwezen. Hij bekende dat hij zich had laten misbruiken voor de aanslag wegens de belofte dat hij later sergeant-majoor zou kunnen zijn in Brugge. Elke keer dat hij zout naar hier had getransporteerd, had hij bespied hoe hij zijn schip zo dicht mogelijk bij het hek van de poort zou kunnen varen om die dan te kunnen openbreken. Na deze bekentenis werd hij als verrader ter dood verwezen en berecht.'

 

'Kort daarna overvielen die van Oostende de regio van Veurne-Ambacht. Ze staken er de kerk van Hoyen in brand samen met nog veel pachthoven en korenschuren. Ze verdreven er een grote menigte van vee. Maar komende langs het strand om voorbij de haven van Nieuwpoort te kunnen geraken, vonden er het zo het water zo hoog dat ze zichzelf met de meeste moeite van de wereld hebben kunnen redden. De geroofde paarden, zwijnen en een kudde van vierhonderd schapen verdronken bijna allemaal. Veel koeien liepen terug van waar ze gekomen waren zodat er van die roof maar weinig teruggebracht werd binnen Oostende. En ondertussen bleven de steden met het groot verdriet zitten dat de aan- en afvoer van hun koopwaar maar bleef verstoord worden terwijl het land volgepropt zat met vrijbuiters, dieven en moordenaars.'

 

Tijdens april van 1594 raakt de schans van Snaaskerke in de handen van Oranje. De luitenant die de sterkte uit handen gaf wordt in Brugge onthoofd omwille van zijn lafhartig gedrag. Het volk van Oostende profiteert van hun nieuw bolwerk om er waterwerken uit te voeren. Ze worden op hun beurt aangetast door de koninklijken die er vanuit Duinkerke, Grevelingen, Broekburg en Brugge naartoe gestuurd worden. Vooral de Spanjaarden lijden er grote schade, maar ze zijn zo sterk in de meerderheid dat die van Oostende hun bolwerk in Snaaskerke weer moeten afstaan. Ze doet dat natuurlijk niet zonder er het vuur in te steken en alles mee te slepen wat niet te groot en te zwaar is.

 

Zo blijft de toestand op zijn beloop tot 1595. Na een ongelukkige raid van de Spaanse graaf Fuentes in het Brabantse tijdens de aprilmaand van dat jaar wordt er voor het eerst eens gepolst of er geen vrede te bekomen is met Maurits de prins van Oranje. 'Met de staten van Brabant en Vlaanderen, jazeker, maar niet met de koning van Spanje.' Het antwoord van de verenigde provincies is klaar en duidelijk. 'Zodat de zaak bleef als die tevoren was. Op de 24ste februari 1596 werd er wel een verdrag van koophandel afgesloten tussen de Zeeuwen en die van Brugge. Een handelsakkoord dat geduurd heeft tot in het jaar 1599 wanneer de staten van de verenigde provincies elke economische activiteit met de landen van de koning van Spanje opnieuw hebben verboden.'

 

Petrus van Male beschrijft het met de cynische pen. Op deze manier vestigen de nieuwgezinden hun republiek. Ik maak er een wurggreep op Vlaanderen van. Gesteund door de Fransen en de Engelsen in hun ijver naar grond en macht. Voeg daarbij enkele Duitse vorsten die op zoek zijn naar profijten links en rechts. Het kleine Oostende is uitgegroeid tot een massaal roofnest waar een vreemde mix van waaghalzen, vrijbuiters, rovers en schelmen uit al die landen naartoe werd gebracht om de trouwe onderdanen van de koning van Spanje te komen kwellen.

 

'Tegen al die grijpvogels moest een vast leger op de been worden gebracht, iets wat niet gebeurde, waardoor het platteland en de steden maar al te zeer door die sprinkhanen beschadigd werden.' De toestand blijft wel eindeloos voortduren tot in het jaar 1600. De staten van Nederland willen in de meimaand van de nieuwe eeuw een campagne voeren om Brugge, Nieuwpoort en Duinkerke opnieuw in te nemen. Tweeduizendachthonderd schepen, achtendertigduizend man. Zo omvangrijk is de nieuwe vloot van prins Maurits van Oranje. Tegenwind op zee zorgt ervoor dat de schepen blijven hangen ter hoogte van Rammekens bij Middelburg. 'Tot groot ongemak van het krijgsvolk en vooral van de paarden die gebrek hadden aan hooi, stro en vers water en waardoor Maurits verplicht werd om een deel van zijn mannen aan land te laten gaan ter hoogte van Biervliet waar de versterking van de Filippine werd ingenomen.'

 

Deze troepen bestaan uit twaalfduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters. Na wat rust genomen te hebben, dringen ze Vlaanderen binnen tot in Eeklo en vandaar gaat het naar Male. 'Op 26 juni draaide prins Maurits met zijn leger rond Brugge waar ze nogal steriel vanaf de stadswallen werden beschoten. De Nederlanders trokken verder naar Jabbeke. De Spanjaarden lieten hun versterkingen van Oudenburg en Bredene voor wat ze waard waren en gingen zich verschansen in Oostende. Maurits veroverde de bolwerken van Oudenburg, Bredene, Plassendale en Snaaskerke en trok op de laatste dag van juni naar Nieuwpoort waar hij het fort aan de vuurtoren innam.' Ook het fort van Nieuwendamme ondergaat hetzelfde lot.

 

Aartshertog Albertus is ondertussen op de hoogte gebracht van de opmars van de Hollanders. Hij grijpt in. Dat doe ik ook. Wie in godsnaam is aartshertog Albertus? Van Male mocht het wel eens vertellen in zijn boek. Foei. Ik ga dan maar zelf op zoek. Albertus wordt ook wel Albrecht genoemd en flaneert in de geschiedenisboeken als een deel van het duo Albrecht & Isabella, de landvoogden van de Nederlanden. Albrecht VII van Oostenrijk heeft in juni 1600 de leeftijd van veertig jaar bereikt en is sinds vorig jaar officieel de schoonzoon van koning Filips II na zijn huwelijk met diens dochter Isabella. Filips II is zelf overleden in 1598 en heeft de Nederlanden geschonken aan Albrecht & Isabella. Ik vertel er meteen bij dat een andere hoofdrolspeler van bij de Spanjaarden, Alexander Farnese sinds zijn dood in 1592 ook al van het toneel is verdwenen. Het zijn allemaal verwikkelingen in deze eindeloze oorlog die Vlaanderen nu al decennia lang in zijn greep houdt.

 

Na deze korte update kan ik met een gerust gemoed verder. Albrecht trekt er met al zijn beschikbare mannen naartoe en slaagt er in om Oudenburg, Snaaskerke en Bredene te heroveren. Maurits verzwijgt zijn nederlaag van Oudenburg en concentreert zich nu op Nieuwpoort. Ik zal bij latere kronieken ongetwijfeld het volledige verhaal vernemen van deze slag van Nieuwpoort en houd het nu bij de samenvatting ervan.

 

'Het is genoeg te weten dat er van beide zijden zeer geweldig en hardnekkig gestreden werd totdat de Spanjaarden de slag verloren. Aartshertog Albrecht die erg gewond was en in groot gevaar verkeerde om gedood of gevangen te worden, week uit naar Brugge en van daar naar Gent. De volgende dag wilde de prins van Oranje vanuit Nieuwpoort de stad Duinkerke gaan aantasten maar een storm besliste daar anders over. Bovendien was er in Nieuwpoort extra volk aangekomen onder leiding van kolonel Bourlotte zodat Maurits inzag dat hij Vlaanderen niet zou kunnen winnen zodat zijn volk te scheep ging en naar Holland vertrok.'

 

Voor de leden van Vlaanderen is de maat vol. Dat garnizoen in Oostende moet met alle mogelijke middelen aangepakt worden. De aanval is voorzien voor het volgend seizoen. In afwachting pluist Petrus van Male nog eens door de kronieken van die dagen. Ze hebben het over de onmenselijke wreedheid van de struikrovers en de moordenaars waar West-Vlaanderen mee te maken krijgt.

 

'In het jaar 1601 woonde op de parochie Koekelare aan de kant van Eernegem een landsman die geboren werd aan de Leie in Ariën waar hij al zijn eigendommen kwijtgespeeld was. Hier leefde hij armoedig. Twee melkkoeien en hele dagen hard werken volstonden maar net om zijn vrouw en kinderen te kunnen onderhouden. Deze man bracht wat melk, kazen, boter en eieren naar het Spaans leger en werd er voor betaald zodat hij zijn pacht en zijn kosten zou kunnen betalen.'

 

'Bij zijn terugkeer 's avonds rond zeven uur, koos hij een binnenweg via een groot bos om zo ongemerkt zijn thuis te kunnen bereiken. Na een uur stappen viel hij helaas in de handen van zeven vrijbuiters, allemaal gewapend met musketten, springstokken en houwers. Ze leidden hem naar het donkere hart van het bos waar ze hem beroofden van zijn geld. Zes gulden. In zijn beurs vonden ze een paternoster die vastgehecht was aan een loden medaille. Een paapse zaak dus, waarop de boer toegaf dat hij God en moeder Maria vereerde. Iets wat niet naar de zin was van de schelmen die wel in duizend vloeken uitbraken terwijl ze ermee dreigden om de sukkelaar te doden.'

 

'Dan hebben ze de boer geblinddoekt en zijn handen vastgebonden, samen met de paternoster en hij werd door een struikgewas van doornen geleid waardoor hij erg gekwetst geraakte. Ze sleepten hem naar een woeste en moerassige plaats waar zijn blinddoek werd afgenomen. “Kijk maar”, zegden ze, “kijk maar goed, dit is hier ons groot kerkhof.” En inderdaad, de boer zag er aan de bomen tien à twaalf personen hangen en overal dode lichamen liggen. De struikrovers vertelden hem spottend dat het allemaal katholieken waren. Een van de booswichten die zich de portier van het vagevuur noemde en zeer schrikkelijk van gezicht was, met lange haren en een lange baard toonde drie geraamten aan de boer. Priesters die ze van de honger hadden laten sterven.'

 

'Een andere pochte dat hij twee Spanjaarden op verscheidene plaatsen in hun lichaam verwond had om na te gaan waar ze het meest pijn konden lijden zonder er aan te sterven. Uit wraak omdat diezelfde Spanjaarden zijn grootvader van zeventig jaar en zijn broer van negen jaar levend verbrand hadden omdat ze zogezegd ketters zouden zijn geweest. Iets wat dan nog niet eens waar was. Deze vrijbuiter was niet erg oud en toch beroemde hij er zich op dat hij al vierendertig personen had omgebracht. En spijtig dat hij was dat hij ooit nog eens twee Engelsen had laten gaan omdat ze jong en schoon waren en dat het dan achteraf gebleken was dat ze jezuïeten geworden waren in Douay.'

 

'Uiteindelijk vertelden ze de verschrikte boer dat ze hem in leven zouden laten. Op voorwaarde dat hij overal zou rondbazuinen wat ze hier allemaal hadden gedaan. Hun wraak moest bekend worden nu ze van plan waren om naar Oostende te trekken om belegerd te worden. En waar ze mogelijk zelf zouden gedood worden. De duivel zou de mis doen in Oostende riepen ze. Een aanval op hun bastion zou zeker het leven kosten aan zeventigduizend mannen. Daarop werd de boer vrijgelaten, weliswaar nog altijd gebonden aan de handen. Hij doolde nog een hele nacht door het bos en zag nog eens twee dode lichamen, verse lijken.'

 

'Bij het aanbreken van de dageraad hoorde hij eindelijk de trommels van Gistel waar hij naar toe stapte. Wanneer hij bij het leger kwam keek men verwonderd omdat hij gebonden was. Zijn ogen en gezicht stonden verbijsterd van vrees en angst. Men heeft hem dan eten en drinken gegeven en iedereen wierp hem wat toe terwijl ze luisterden naar wat hij allemaal te vertellen had.'

 

'Er waren veel van dergelijke moordenaars in deze ongelukkige tijden. Ze verscholen zich achter de naam van “soldaten” om hun crapuleuze daden te rechtvaardigen. Ze hielden zich vooral op in de bossen en als ze vreesden om opgejaagd te worden vluchtten ze naar hun waterachtige gronden of hielden zich schuil bij bekenden. Een van die vrijbuiters werd enkele jaren geleden betrapt en gevangen genomen in de kasselrij van Ieper. Een zekere Erasmus, afkomstig van Hazebrouck. De voorbije twaalf à dertien jaar was hij de aanvoerder van een hoop dieven en moordenaars. Hij kon zelfs niet bij benadering zeggen hoeveel mensen ze om het leven hadden gebracht.'

 

'Hij had de wrede gewoonte om gevangenen met stokken te laten doodslaan als ze hem niet voldoende konden opbrengen. Tot zijn eigen mannen hem in de steek lieten en hij in de handen van het gerecht viel. De rechters beslisten dat hij met gloeiende tangen in het dikste van zijn armen en benen moest genepen worden en dan tot assen verbrand moest worden. Hij stierf met groot leedwezen over zijn schelmstukken.'

 

Johannes-Petrus van Male is leeg geschreven. Hij is de godsdienstoorlogen meer dan moe. Een priester die aan het eind van zijn Latijn is. Het is eens wat anders. Het beleg van Oostende is al door zo veel schrijvers beschreven en hij beslist om er een samengevat relaas van te geven. De aanval begint op de 6de juli van 1601. Oostende geeft zich over op 20 september 1604. Terwijl Oranje Sluis verovert komt Oostende in Spaanse handen. De verliezen aan beide kanten worden geschat op honderdzestigduizend levens. Vrij evenwichtig verdeeld onder beide partijen. Een zonder meer hallucinante tol om Vlaanderen weer in zijn vroegere eenheid hersteld te krijgen.

 

Het zal nog duren tot 9 april 1609 vooraleer de verenigde Staten van de Nederlanden een twaalfjarig bestand zullen afsluiten met Spanje en met aartshertog Albrecht. De vreugde van de ingezetenen is onuitsprekelijk. De mensen kunnen eindelijk adem halen na zo veel jaren van ellende. Gedaan met pest, hongersnood, oorlog, verwoestingen en bloedvergieten. Het krijgsvolk wordt ontslagen. Albrecht laat binnen Brussel een streng plakkaat afkondigen tegen alle oproerige muitmakers, landlopers en andere boeven. Zijn boodschap is duidelijk: ze zullen voor het minste vergrijp uit het land worden gezet.

 

Op 9 april 1621 eindigt dat twaalfjarig bestand. Aartshertog Albrecht sterft in datzelfde jaar op tweeënzestigjarige leeftijd. Een deugdelijke prins was hij. Zijn bedroefde weduwe Isabella moet het nu zien verder te klaren. Samen met de raad van Vlaanderen natuurlijk. De aanloop naar de Vrede van Munster van 1648 wordt ingezet. De zeventiende eeuw houdt ongetwijfeld tal van verrassingen in petto voor de Vlamingen. Ik vraag me af of het slechtste nu al achter de rug is. Er is in elk geval nog veel werk aan de winkel voor mijn volgende kronieken van de Westhoek!