P1566100

Johannes-Petrus van Male. De dorpspastoor van Vladslo in het begin van de jaren 1700. Ik heb nog altijd mijn kamp opgeslagen in zijn handschriften. Zijn werk werd in 1843 getransformeerd door de befaamde priester-historicus Ferdinand Vande Putte die het als 'Geschiedenis van Vlaenderen van het jaar 1566 tot aan de vrede van Munster' op de markt bracht. Ik pik de draad van de gebeurtenissen weer op ergens in de zomer van 1579. De Nederlanden bevinden zich nog altijd in een roetsjbaan van geweld en repressie. Hoe is het toch zo ver kunnen komen? Filips II, de rooms-katholieke zoon van keizer Karel weigerde rond 1566 begrip op te brengen voor de calvinisten en de protestanten hier te lande. Zijn halfzuster Margaretha van Parma die de Nederlanden bestuurde, liet maar betijen en dat was niet naar zijn zin. De ketters moesten aangepakt worden als terroristen, duivels, baarlijke vijanden van het geloof. De Vlaamse autoriteiten smeekten hem om gematigd te zijn, maar daar had de koning geen oren naar. Hij verving de gematigde landvoogdes door de bloedige hertog Alva die de de predikers en de aanhangers van het nieuw geloof meedogenloos aanpakte.

 

Zijn bloedig revanchisme zorgde daarna voor een hevige reactie van vooral Willem van Oranje die de rollen helemaal omdraaide, de Spanjaarden buitenbonjoerde en zich baas maakte over de grote Vlaamse steden. De calvinisten beloofden met de pacificatie van Gent een algemene godsdienstvrijheid, maar dat liep helemaal anders dan verwacht. De Gentse republiek zorgde voor een treurige repressie van het katholiek geloof en nestelde zich daarna netjes in buurstad Brugge. De hele mallemolen van actie en reactie hebben jullie kunnen lezen in mijn vorige kroniek 'de paternosterknechten'.

 

Ik vertel er ook nog bij dat de landvoogd Juan van Oostenrijk in oktober 1578 omkomt tijdens een veldslag en vervangen wordt door de hertog van Parma. Beter bekend als Alexander Farnese, de zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha van Parma. De Nederlanden zullen binnenkort te maken krijgen met de kleinzoon van keizer Karel. Maar voorlopig weigert de Staten-Generaal de vertegenwoordiger van het Spaanse hof als grote baas te erkennen.

 

Ondertussen leef ik in de zomer van 1579. Willem van Oranje heeft heel wat moeite gedaan om de Gentse bevelhebbers en opper-calvinisten Jan van Hembyze en François van Ryhove tot maar meer gematigdheid te dwingen en zich te laten aansluiten bij de unie van Utrecht, de voorloper van de Nederlanden als zelfstandige staat. Daarmee volgt Gent het voorbeeld van Antwerpen die al eerder in alliantie ging met de noordelijke provincies. Brugge dat overwegend katholiek gebleven is weet het zo niet. Ik mag niet vergeten om er bij te vertellen dat hier een minderheid van nieuwgezinden de politieke plak zwaait over een mistevreden katholieke bevolking die dat calvinisme helemaal niet ziet zitten.

 

Willem van Oranje popelt vol ongeduld om voluit te regeren over Vlaanderen en Brabant. Zijn medestanders Noël De Caron en Jacobus Broucsaulx wachten om hun functies op te nemen. Er is echter nog heel wat overtuigingskracht nodig om het zo ver te krijgen. 'Ze hadden geprobeerd om de gemeente van Brugge ertoe te bewegen om net zoals Gent en Ieper de vereniging te omhelzen'. Brugge vreest om met deze unie zijn grip op het Brugse Vrije te verliezen en staat weigerachtig ten opzichte van een deelname. De bedoelingen van Willem van Oranje zijn volgens de Bruggelingen vals en geveinsd en er alleen maar voor bedoeld om de katholieken te verstrikken. Ik moet daarbij ook nog meegeven dat het stadsbestuur deze unie, in tegenstelling tot zijn bevolking, goedgezind is omdat de meerderheid van de schepenen van calvinistische strekking is na hun machtsgreep van 19 maart 1578.

 

'Kijk maar naar Utrecht zelf', roepen de Brugse ingezetenen. 'Ze hadden gezworen om de katholieken met rust te laten en met de hoogdag van Pinksteren hebben ze als gekken de kerken aangevallen en vernield. We willen niet dat dergelijke toestanden zich nog eens bij ons zullen voordoen.' De Bruggelingen kunnen het niet meer verdragen. Na al die droeve verwoestingen van hun schone landgouwen waar hun kerken geplunderd, de huizen en de stallen verbrand, het vee geroofd en de ingezetenen vermoord of verjaagd zijn.

 

De Brugse burgers voelen zich nauw verwant met de zuidelijke provincies Artesië en Henegouwen waar de oude en vertrouwde kerk nog gerespecteerd is gebleven. Ze delen hun standpunt om goed overeen te komen met de Spaanse koning. Die is vast en zeker van plan om binnenkort die unie van Utrecht aan te pakken. Hij zal er alles aan doen om de hele Nederlanden weer in zijn bezit te krijgen. Nee. In Brugge wilden ze zich liever geen nieuwe zware belegering op de hals halen.

 

'Ze dachten in Brugge om heel voorzichtig te zijn. Te kiezen voor het minste kwaad en overeen te komen met de malcontenten uit het zuiden, ook wel de paternosterknechten genoemd.' Op 2 juli 1579 stapt een uitgebreide delegatie met onder andere de heren Caron, de Gryse, Nans, Broucsaulx en Casembroot naar het stadhuis om er hun eisen hard te maken. Burgemeester Joris Van Braekele moet enkele figuren van katholieke strekking opnemen in de beveiliging en het bestuur van Brugge om de stad van verdere malheuren te vrijwaren. Ze eisen de aanstelling van een zekere Hieronimus De Mol als kolonel over de beveiliging van de stad.

 

De burgemeester stelt voor om hun voorstellen te bespreken en wil hiermee vooral tijd winnen. Hij weet goed genoeg dat de Oranjegezinde leden van zijn college het daar niet meer eens zullen zijn. De Brugse delegatieleden moeten niets van weten van uitstel en de volgende dag staan ze al opnieuw aan de Burg om hun kolonel aan boord te krijgen. De Mol heeft zelfs zo lang niet kunnen wachten. 'Nog voor de confirmatie ontsloeg hij de stadscompagnies van Vleys, Aoulterman, Aerdyke en Reyvaert en met hen de hele krijgsraad. En daarna begon hij direct met het vervolgen van de gereformeerden. Hij viel binnen in het huis van de Waalse minister Jan Haren met de bedoeling om die te doden. Maar die was niet thuis en dus stortte hij zijn gramschap uit over zijn vrouw die hij sloeg en stampte.'

 

Erg slim is deze voorbarige en impulsieve houding van de katholieken niet. 'Ze hadden zich beter eerst meester gemaakt van de poorten van de stad want dan zouden ze hun medestanders hebben kunnen binnenlaten. Maar dit verzuim heeft hen in grote verlegenheid gebracht.' Ik geef ten behoeve van mijn lezers nog even aan dat alles wat tussen aanhalingstekens staat (door mij wat aangepaste) citaten zijn van schrijver van Male zelf. Geschreven in de verleden tijd, net zoals heel zijn boek trouwens.

 

Kolonel De Mol heeft inderdaad het vel van de beer willen verkopen voor die geschoten was. Het magistraat wil van geen wijken weten en zwaait met volmachten van de prins van Oranje. De man die zijn nek heeft uitgestoken voor de kolonel is Noël de Caron en die is nu zelf kop van jut. 'Men nam Caron gevangen, als zijnde dat hij met die van Gent samenspande om het Vrije te vernietigen.' Iets wat achteraf pertinent onwaar zal blijken. Het schepencollege haast zich om de afgedankte stadscompagnies weer in functie te stellen en vooral de Ezelspoort extra te gaan bewaken.

 

'Sergeant-majoor Wynckelman bezette de Ezelsbrug, Resneeuws van Aerdyke het Westvleeshuis met de Steenstraat en Antonius Aoulterman plaatste zich aan de Eeckhoutbrug en in de Wollestraat.' Aan de Burg zelf lopen de gemoederen hoog op. Er wordt zelfs naar de wapens gegrepen. Met groot gedruis valt het volk binnen in de raadzaal waar de schepenen vergaderd zitten. De autoriteiten kunnen zich echter tijdig uit de voeten maken en blijven in de wapenen. Samen met hun officieren en procureurs. Zowel binnen het landhuis van het Brugse Vrije als in de Burg. De katholieken hebben met hun ongeduld de hele situatie verkeerd ingeschat en zien zich nu geconfronteerd met een nest verschanste schepenen en kapiteins. In de vroege morgen van de volgende dag klaart de situatie echter uit en komen de partijen er onderling dan toch uit.

 

Maar van dat laatste ben ik toch niet zeker als ik het zo allemaal verder lees. Veel katholieken en calvinisten blijven op hun stellingen wachten. Ook de kolonel verschanst zich in zijn huis aan de Gruuthusebrug terwijl zijn volk de Mariabrug bezet. De burgerij houdt zich angstvallig gedeisd. Ze hebben wel vertrouwen in het magistraat, maar men kan nooit weten hoe het hier zal uitdraaien. Beide partijen gaan op zoek naar hulp van buitenaf. Kolonel De Mol vraagt de assistentie van de heer De la Motte die al met zijn krijgsvolk te Roeselare aangekomen is. De nieuwgezinden roepen de heer De la Noue ter hulp. Die staat aan het hoofd van het leger van de Staten zelf.

 

Om middernacht bereikt dit laatste leger de stadspoorten. De Schotse kolonel Balfour wordt door Ingelbrecht Reyvaert, de hoofdman van de Ezelspoort binnen gelaten samen met zijn regiment van acht vendels. 'Dit volk, met honderdvijftig paarden, bezette direct de Burg waar de burgerlijke wacht het op een lopen had gezet, en positioneerde zich eveneens op de grote markt en andere plaatsen.'

 

Jonkheer De Mol probeert in paniek te vluchten. Via de stadsvesten, 'maar hij werd achterhaald en gevangen genomen. Jan Haren, hierboven nog vermeld, schoot dan de wapenen aan, met een roudasse aan de arm voor de Walen, en de andere soldaten kwamen erbij om het huis van de nieuwe kolonel te plunderen. De magistraat deed met de hulp van de nieuwgezinde burgers veel aanzienlijke heren vangen. Onder andere de meeste schepenen van het Vrije die de dag voordien nog de wapens hadden opgenomen. Enkelen werden in de gevangenis gelegd en anderen in het landhuis van het Vrije bewaard. Er werden er ook belast om in hun huizen gevangen te blijven. Achteraf werd een gezelschap onder de Waterhalle in schuiten weggebracht naar het kasteel van Sluis waar ze gevangen bleven tot dat de prins van Oranje de zaken te Brugge zou bijleggen.'

 

Die regeling komt er inderdaad. De mannen komen vrij mits het betalen van een ferme som losgeld. De vrijgelaten schepenen worden voor vier jaar uit elke bestuursfunctie geweerd. Zo wordt een punt gezet achter deze amateuristische aanslag van de katholieken in Brugge. Allemaal zonder bloedstorting, vertelt de schrijver erbij, met uitzondering van de aanstichter Cornelis Arremarre die op 18 augustus onthoofd wordt. Er wordt even gedacht aan de vernietiging van het Brugse Vrije. Omdat Ieper en Gent hiervan veel te veel zouden profiteren wordt dit snel vergeten.

 

De katholieken in Brugge krijgen natuurlijk nog hun weerbots. Actie zorgt altijd voor reactie. De nieuwgezinden spuwen hun gal uit over de katholieken. De kerken gaan weer op slot en de geestelijken die al een tijd met burgerkleren rondlopen, verlaten de stad uit vrees voor erger. Het kapittel van Sint-Donaas verhuist naar Sint-Omer waar de geestelijken zullen verblijven tot in het jaar 1584. Veel prominente katholieken slaan eveneens op de vlucht of worden verbannen.

 

'Vele van deze vluchtelingen en ballingen voegden zich, zoals al zo dikwijls gebeurd was in het verleden bij de vijanden, met dewelke zij om zich te wreken dagelijks rond de stadspoorten rondzwierven en niet nalieten om bedenkelijke schade en hinder toe te brengen aan hun ongelukkige en onschuldige medeburgers. Die burgers werden sowieso al genoeg gepluimd door de nieuwgezinde overheid want die verzon wel elke dag iets nieuws om hen te verdrukken en onder de voet te houden.'

 

Rond deze tijd speelt jonkheer Jan van Hembyze nog altijd de hoofdrol in Gent. Zijn krijgsvolk blijft maar doorgaan met het beroven en het plunderen van kloosters en kerken. Hembyzes mannen steken het vuur aan de kastelen en de lusthoven van katholieke heren in hun buitengebieden te Zottegem, Herzele, Oosterzele, Hooidonk, Gavere en op andere plaatsen. 'Al die soldaten waren zeer bekwaam tot dergelijke boosheden maar als het op een treffen aankwam, waren ze de eersten om weg te spurten. Zoals in Maria-Lierde bijvoorbeeld.'

 

'Hembyze probeerde vooral de vaste huizen, woningen en kastelen rondom de stad Gent te vernielen zodat die onbruikbaar zouden worden voor de vijand. Hij verpatste de landerijen, pachthoven en bossen van de kloosters en kapittels en joeg allen die hem niet aanstonden uit de stad, hoewel ze net zo gereformeerd waren als hijzelf. En om zich volkomen meester te maken van de situatie heeft hij op 28 juli met een hoop ruiters en voetvolk de boeren van Merelbeke aangevallen. Zonder dat zijn medestanders hiervan op de hoogte waren Hij heeft hun huizen beroofd en de onrijpe vruchten op hun akkers bedorven.'

 

Hembyze kondigt aan om het stadsbestuur te herschikken. Zijn vertrouwelingen zullen nog meer te zeggen krijgen. Willem van Oranje wordt op de hoogte gesteld van deze vermetele plannen en deelt mee dat hij voordien zeker nog persoonlijk naar Gent zal afzakken. Jan van Hembyze ziet dat uiteraard niet zitten en probeert de prins buiten te houden. Maar op aandringen van Ryhove bij de drie leden van Vlaanderen wordt Oranje dan toch in Gent binnengelaten om bepaalde gesprekken te voeren betreffende die aanpassing van het Gentse magistraat.

 

Willem van Oranje arriveert er op 18 augustus 1579. Hij is erg verwonderd dat Gent zo zwaar versterkt is. Nieuwe borstweringen, grote nieuwe bolwerken, diepe grachten voorzien van opendraaiende bruggen. Bij sommige stadspoorten waren de spitsen van de torens weggehaald en vervangen door stukken geschut. 'Er waren ook veel bedekte wegen, onderaardse loopgrachten, moordgaten en nieuwe sluizen om het water in de vesten te houden, bastions en redouten om aan elke mogelijke aanval te kunnen weerstaan.'

 

Van Oranje toont zich helemaal niet opgezet met wat hij hier ziet. De stad klaagt altijd maar dat het zijn aandeel in de gemene lasten van het land niet kan betalen terwijl ze dat geld allemaal spenderen aan hun eigen versterkingen. Hembyze ontkent dat. 'Weet de prins wel hoeveel het kost om al dat krijgsvolk in dienst te houden? Allemaal mensen aangetrokken om zich te beveiligen tegen de malcontenten.' De prins moet hoe dan ook niet weten van die Gentse buitensporigheden. Er komt op 20 augustus een nieuw schepencollege, maar dan zonder Jan van Hembyze. Die wordt afgezet.

 

Er is een eind gemaakt aan de wurgende dominantie van de nieuwgezinden. Nogal wat burgers hebben er geen vertrouwen in en vertrekken. Pieter Dathenus wordt ervan verdacht om een lastercampagne te hebben gevoerd tegen de prins van Oranje en zijn Staten. Hij kuist voorzichtig zijn schup af. Jan van Hembyze, de stichter van al deze rampen hier, wil via het Sas van Gent inschepen voor Zeeland maar hij wordt opgehouden door een vrome man die ermee dreigt om hem dood te schieten. Hij raakt achteraf toch nog buiten en slaat op de vlucht naar het graafschap van Palts aan de Rijn.

 

De malcontenten proberen handig gebruik te maken van de aanwezigheid van Willem van Oranje te Gent. 'Ze verzochten om logement voor wat Vlaams paardenvolk. Maar terwijl dit van het magistraat al was toegestaan en men klaar was om de poorten te openen, werd daar geen ruiterij opgemerkt en zag men het bedrog. Oranje zond – bijna te laat – het bevel om de poorten absoluut gesloten te houden, waardoor de malcontenten stillekens vertrokken.'

 

Nu de zaken hier wat gekalmeerd zijn, besluit de prins om de stad op 1 september 1579 te verlaten. Hij vertrekt met de graaf van Büren, de hoogbaljuw van Brugge en met Gillis Borluut met een koets naar Brugge. Hier wordt hij zonder veel enthousiasme ontvangen. Zijn krijgsvolk blijft buiten de stad. Alleen enkele vendels Schotten en een paar edellieden te paard worden onder het afschieten van de stadsafweer binnengehaald en naar hun herberg gebracht. Hier is er in elk geval geen sprake van uitbundige vreugdetekens zoals in Antwerpen, Brussel en Gent.

 

De voornamelijk katholieke stedelingen hebben weinig vertrouwen in zijn komst. Hij is en blijft een grote voorstander van de ketterij die hij in Holland en Zeeland heeft doen opbloeien en dit nu in Brugge zou willen herhalen. Wat de prins hier komt doen vertelt van Male er niet bij. Ik kom alleen te weten dat hij vrij snel naar Gent terugkeert voor een vergadering van de Staten-Generaal. Die behandelt een vredevoorstel van de koning van Spanje. De vierentwintig artikelen van het document worden één na één voorgelezen. Maar een deal ziet de calvinistische fractie binnen Gent niet zitten. Filips II wil alleen maar de katholieke godsdienst hersteld zien en al de andere religies weren. Het koninklijk voorstel wordt dat ook begrijpelijkerwijze afgewimpeld op 25 september 1579.

 

'Weinige tijd daarna hebben de malcontenten gepoogd om Kortrijk via een krijgslist te verrassen. Maar ze verloren Menen, een plaats die ze nochtans helemaal versterkt hadden en voor hun centrale wapenplaats hielden. Een zekere Menense brouwer, Pieter Vercruyce werd ervan beschuldigd om een calvinistische prediker te hebben gehuisvest en hij werd hiervoor erg vervolgd door de Walen. Ze bedreigden hem met de dood. Hij verkleedde zich als boer, bemachtigde de hellebaard van een schildwacht, overviel twee wachters en vluchtte naar Brugge waar hij bij burgemeester Jacobus Broucsaulx te kennen gaf dat dit het perfecte moment zou zijn om zich meester te maken van Menen.'

 

'Het is een ideaal moment', beweert Vercruyce, 'de bezetting is miniem om Menen per direct te kunnen innemen. De Staten hebben er wel oren naar. Burgemeester Broucsaulx geeft zijn zonen Pieter en Joos alvast de opdracht om in hun pachtgoed een groot aantal stormladders te laten vervaardigen. En voorzien van dit tuig trekken ze op 21 oktober 1579 van Brugge naar Menen. De mannen lopen onder het bevel van kolonel Balfour. 'Ze waren 's anderendaags onder de vesten van Menen, op de steenweg die naar Roeselare loopt. Op de steenweg naar Kortrijk bevonden zich ook vier vendels Vlaamse soldaten die per schip en via de Leie uit Kortrijk gearriveerd waren. Als de klok vier uur sloeg, vielen ze de stad aan. Langs twee kanten en met zoveel geweld dat de schildwachten hun posten verlieten en de stad zonder enige tegenstand overmeesterd werd.'

 

De situatie is best wel komisch. De malcontenten die op dat moment voor Kortrijk staan onder leiding van de heren d'Alleines en Van der Erp, hadden wel degelijk het vertrek van de Vlaamse soldaten opgemerkt. Ze leefden in de veronderstelling dat het tot een clash ging komen hier voor Kortrijk. Het is maar pas wanneer ze in de verte schoten horen dat hun frank begint te vallen. 'Waarop ze er met al hun volk naartoe snelden, maar de stad was al veroverd en niet meer te redden. Aldus vond Menen het leuk om Kortrijk te bedriegen, maar Kortrijk bedroog Menen. De Walen die nu verstoken waren van hun nest, begaven zich dan maar naar Wervik waar ze na korte tijd door de troepen van de heer De la Noue overvallen en verslagen werden'. Het hoofdstuk eindigt met een wijze raad van pastoor van Male dat het erg onvoorzichtig is om te proberen een anders goed in te pikken als men niet eens zijn eigen goed weet te bewaren.

 

De herovering van Menen betekent zonder meer een opsteker voor de nieuwgezinden. Voor de bevolking oogt het allemaal een stukje minder. De lasten en de schattingen die er dagelijks maar blijven bijkomen, swingen de pan uit. Het land wordt altijd maar verwoest. Als het niet van de ene partij is, dan wel van de andere. Met als gevolg natuurlijk dat de prijzen van de levensmiddelen en de etenswaren de hoogte inschieten. De kerken dienen nu nog alleen maar om de soldaten te slapen te leggen en de inkomens van de geestelijken worden nu besteed aan de oorlog. Het jaar 1579 eindigt allesbehalve aangenaam. Voor mijn schrijver-priester komt er nog eens bij dat de mensen het moeten stellen zonder geestelijke bijstand van enige priesters.

 

Nog voor het jaareinde, op 18 december, pleit Willem van Oranje ervoor dat geen enkele staat welke vrede dan ook zou aangaan met de koning, tenzij als er kan gepraat worden over vrijheid van religie. De kans dat Filips II dat zou toestaan mag dus best als nul beschouwd worden. Zou het eigenlijk niet beter zijn om hem voor eens en voor altijd af te zweren? De koning was nu eenmaal vervreemd van zijn Nederlandse onderdanen en zou zich altijd blijven opstellen als een verbitterde vijand van de hervormde godsdienst. De Nederlanden hebben een nieuwe meester nodig. Zo bijvoorbeeld de koningin van Engeland of de hertog van Alençon die nu al staat te zwaaien met vrijheid van religie.

 

Van Oranje ziet zichzelf als leider van de Nederlanden onder het bestuur van een of andere vreemde mogendheid. Hij biedt in elk geval zichzelf aan. De Staten moeten er geen tekeningetje rond maken, ze kennen de machtshonger van hun prins ondertussen al goed genoeg. Hij had al eerder bewezen in Holland en Zeeland van al het gezag over de katholieken en de nieuwgezinden naar zich toe te willen trekken.

 

In Gent zien ze die van Alençon alvast niet zitten. Want dan komen de Nederlanden weer in Frans vaarwater en dan zou 'de heerschappij van de Fransen mogelijk nog erger zijn dan die van de Spanjaarden, omdat ze de opkomst van het nieuw geloof in eigen land al eerder bestreden hadden en daarbij in hun eigen vaderland zeer veel steden en dorpen hadden verwoest. Na veel palaver, 'veel zeggens en wederzeggens', besloten de Staten om toch eens te praten met die hertog van Alençon. Een hele delegatie biedt zich aan bij de 24-jarige Frans van Anjou, want zo heet die paljas. Hij is de enige broer van Hendrik III, de koning van Frankrijk.

 

Ze bieden hem de heerschappij aan over onze landen. Schrijver van Male reageert erg cynisch. Een land die verzaakt heeft aan zijn wettige heer en veranderd is in een wanstaltig gedrocht zonder stabiliteit of rust, bestuurd door ruziemakers en woelgeesten die niet veel anders uitsteken dan het zoeken naar persoonlijke voordelen tussen het algemeen verderf. De Nederlanden zijn best te vergelijken met een paard die zijn eigen oude meester niet meer wil dragen, net het paard van de Romeinse prefect Seianus waar geen nieuwe berijder zonder schade af geraakte. Aartshertog Matthias heeft dat al aan den lijve kunnen ondervinden en ook paltsgraaf Casimir is er met zijn ballen af gedonderd. De hertog van Alençon zal ongetwijfeld het volgende slachtoffer worden van de sluwe Willem van Oranje.

 

Meer vertelt van Male niet. Hij concentreert zich weer op de toestand in Vlaanderen. Hij kijkt naar Brugge, Gent en de andere steden. 'Ze raakten allengskens in meerdere benauwdheden terwijl de Walen het land afliepen en alles vernielden. De steden werden werkelijk volgepropt met landslieden die met karren en wagens, koeien en paarden, zwijns en schapen, met alles wat ze konden slepen en dragen, in zulk een grote menigte naar de stad gevlucht kwamen. Ze kwamen in zo'n grote massa toegestroomd dat de poorten het nauwelijks konden slikken. Sommige kloosters en kerken waren veranderd in boerenwoonsten, schuren, stallen en mesthopen. Het was een vreemde mengeling van mensen en beesten, oud en jong, allemaal door elkaar, waarbij velen onder hen droefelijk klaagden dat alles hen ontnomen was. Ze hadden werkelijk niets om zich tegen de honger en kou te verhelpen.'

 

En dan zijn er nog de nieuwgelovigen. 'Van de andere kant braken de sekteleden in en rond Gent binnen in de kerken van Sint-Maarten op Ackergem, Sinte-Catherine te Wondelgem, het achterste deel van Sint-Michiels en de kerk van Sint-Pieters. Ze schonden er de graven en verontrustten de beenderen van de overledenen. Om een paardenstal te maken voor de ruiters van Ryhove namen ze de zerkstenen weg en vulden ze de graven met aarde.'

 

In Brugge gaat het er niet veel beter aan toe. Van Male blijft me verbazen met zijn plastische beschrijvingen. Dank zij hem beleef ik al die dramatische taferelen wel op een heel erg realistische manier. 'De lieden die in Brugge de overhand hadden, joegen tijdens de laatste week van februari 1580 enkele priesters en veel goede katholieke burgers weg uit de stad. Ze deden dit naar verluidt om verraad te voorkomen. Diegenen die de plaats moesten ruimen en zonder begeleiding uit de stad wegtrokken, vielen dan in de handen van de soldaten die hun alles afnamen wat ze hadden en ze daarenboven nog mishandelden.'

 

'De tweeëntwintig Franse vendels die op kosten van Gent te Deinze lagen, leefden nog slimmer met de mensen die ze niet alleen beroofden. Uit baldadigheid schonden ze hun oren en neuzen en verbrandden ze hele delen van Petegem en Tielt waar ze de rijke mensen tot de uiterste armoede brachten. En dan keerden die zogezegde soldaten dan in hele konvooien zegevierend terug naar Gent. Velen gekleed in priesterkleren, kazuifels en alben waarbij ze spottend het volk zegenden. Andere roekeloze nietsnutten hadden de kap en de scapulieren van de religieuzen aangetrokken en kronen en kransen op hun hoofden gezet. Allemaal gestolen uit de kerken natuurlijk. Dit goddeloos huichelspel bedroefde de katholieken en maakte de sekteleden blij. Maar hun blijdschap zou snel gaan veranderen in grote droefheid.'

 

Kortrijk valt weer in handen van de malcontenten. Mechelen dan weer in de handen van de Nederlandse Staten. Vlaanderen siddert bij al die chaos en krijgt tot overmaat van ramp ook nog te maken met de Hugenoten. Dat zijn de Franse calvinisten die zich natuurlijk fel keren tegen de malcontenten. Frankrijk werd hierdoor bijna helemaal verwoest. Het lijkt er wel op dat de Hugenoten hun vijanden overtreffen in goddeloosheid, wreedheid en beestachtige ontucht.

 

'Men hoorde dat de Hugenoten te Wichelen waar ze alles breed en wijd hadden verbrand een man en een vrouw die acht arme kinderen achterlieten hadden vermoord en in de Schelde hadden geworpen. Veel van die Franse soldaten boden zich aan in Brugge, Mechelen, Dendermonde en andere plaatsen. Maar die van Gent wilden geen Fransen binnen nemen. Daarop hebben die van Brugge hun krijgsvolk gezonden om de rest van de kerken en de kloosters te vernietigen, en ook de kastelen van Tillegem en Male werden gemolesteerd zodat ze niet meer in vijandelijke handen konden geraken.'

 

Op 6 april 1580 beeft de aarde in Vlaanderen. Dit keer niet figuurlijk maar wel letterlijk en dan nog wel de zwaarste aardbeving die West-Europa ooit zal kennen. Het epicentrum ligt onder de zee in de buurt van Calais. Met een kracht van 6.0 op de schaal van Richter zorgt de aardschok voor een ravage in Frankrijk en Engeland. Maar ook Vlaanderen krijgt te maken met scheurende muren en vallende schoorstenen die op hun beurt zorgen voor doden en gewonden in Ieper, Gent en Brussel.

 

Ik leef in een tijd gevuld met verwarring. Niemand weet nog waar hij aan toe is. En daarbij komt nu nog dat schudden van de bodem. De nieuwgezinden zien het fenomeen als een duidelijk signaal van de Heer, een voorteken van grote veranderingen. En dat met al die malcontenten hier in Vlaanderen. Wat zijn ze toch bijgelovig. Met pak en zak vertrekken veel calvinisten uit Gent richting Holland, Zeeland en andere plaatsen in het noorden. De bevende grond wordt te heet onder hun voeten.

 

Tussen Pasen en Sinksen van 1580 blijft het rommelen in Brugge. Een figuurlijke naschok als het ware. Theologische zever tussen predikanten over de interpretatie van het juiste geloof. Ik kan met moeite weerstaan aan de verleiding om hier het woord 'sprookje' te plaatsen in plaats van 'geloof'. Tijdens de julimaand proberen de malcontenten met vele duizenden Gent te veroveren, maar hun pogingen mislukken door de gietende regen. Maar toch is er sprake van politieke veranderingen in Gent. Filips II, de koning van Spanje laat nog eens van zich spreken. Door het afwijzen van de calvinisten is hij zijn gezag over de Nederlanden kwijtgespeeld. De katholieke notabelen hebben allemaal hun eed aan hem gezworen, maar wie van calvinistische strekking was, werd daar nooit om gevraagd.

 

Maar veel van die zogezegde katholieke eedafleggingen waren nep en dat was ook de reden waarom zoveel verstokte calvinisten toch in het bestuur van de steden geraakt waren. Eventjes de schijn van katholiek ophouden bij de eedaflegging was niet moeilijk en niemand kon per slot van rekening in hun ziel kijken. Filips II wil nu iets doen aan al die 'geveinsde personen en sekteleden die een onwettige rechtzegging hebben afgelegd'. Door die praktijk is de Raad van Vlaanderen te Gent volledig onwettig en wordt die nu ook officieel 'van gener macht en waarde verklaard'.

 

Er wordt een nieuwe raad opgericht die zal zetelen in Douai. Het wordt aan iedereen in Vlaanderen verboden om nog verder zaken in te leiden bij de nu illegaal geworden Raad te Gent. De raadsheren van de oude Raad kunnen verder in functie blijven en hun ambt behouden, maar dan dienen ze zich eerst aan te melden in Douai. De weerspannige Staten van de Nederlanden lachen natuurlijk met deze koninklijke manoeuvres. Ze stellen op hun beurt een provinciale raad samen te Gent en dat ondanks hun voornemen om alle provinciale raden af te schaffen en te laten vervangen door een algemene raad die zou bestaan uit edelen van het land; een keure van ouderlingen en rechtsgeleerden.

 

Op 10 augustus 1580 wordt er een bijzondere biddag uitgeschreven. De calvinisten richten een aantal vragen tot God en zullen eens een hele dag bidden dat de stukken ervan af vliegen. Ze vragen hem drie zaken. Dat onze landen goed bestuurd zouden mogen worden, dat de vijand zou mogen gekrenkt worden en dat de nieuwe Gentse raad over de nodige wijsheid zou kunnen beschikken. God zal zich er vermoedelijk niet te veel van aantrekken. Enfin, dat is toch wat ik er zelf over denk.

 

Ik ben getuige van een politieke stoelendans. Gevluchte en verbannen raadsheren worden vervangen door nieuwe namen. Van Male boomt enkele bladzijden verder over al deze veranderingen van griffiers, ontvangers, notabelen en raadsheren in de nieuwe Raad van Vlaanderen. Veel palaver op papier natuurlijk. Wetten die geen steek houden, tegenstrijdig in deze rebelse staten want Willem van Oranje installeert wat later een eigen rekenkamer voor zijn staten. De leiding van deze rekenkamer wordt opgenomen door de heren Taffin en door de Gentenaar Lieven Dierix. Ik vertel er nog even bij dat de officiële koninklijke rekenkamer voor de officiële Nederlanden zich in Rijsel bevindt.

 

In Douai gaat het ander parlement van start. Die zotte geschiedenis toch. 'De koninklijke raad' wordt geleid door de in Brugge geboren Willem van Pamele, algemeen gekend als 'de Jezuïet', zoals hij genoemd werd toen hij nog voorzitter was van de Raad te Gent. Maar dat was in 1575. Samen met de raadsheren L'Espinoy, Snoeck, Coornhuyze en enkele andere ballingen spraken ze recht over Waals Vlaanderen. Met in hun zog natuurlijk een nest advocaten, procureurs en deurwaarders.

 

In de staten van Oranje komen er nieuwe magistraten. In Gent, Brugge en de andere steden. De nieuwe raad in Brugge wordt op 14 augustus 1580 geïnstalleerd. De vernieuwde colleges worden operationeel op 2 september. Als burgemeesters zie ik Jacobus Broucsaulx en Joos De Cabootere. Er zitten volgens van Male ongetwijfeld oprechte katholieken tussen. Maar de nieuwgezinden zullen, samen met de krijgsraad opnieuw alles ondersteboven halen.

 

Tijdens de julimaand van 1579 had Willem van Oranje zijn staten officieel vervallen verklaard van de heerschappij van de koning van Spanje. Alle hoge officieren, rechters, magistraten werden officieel ontslagen van hun eed die ze ooit aflegden aan Filips II. De nieuwe beschermheer wordt vanaf 20 augustus 1580 officieel deze Franse hertog van Alençon. Oranje behoudt het bestuur over Holland en Zeeland die officieel zijn eigen staten worden. 'En van ginder uit zorgt hij wel voor zijn eigen voordelen!'. Het is maar al te duidelijk dat mijn schrijver niet hoog oploopt met Willem van Oranje.

 

Brabanders en Vlamingen zijn hem erg erkentelijk en schenken hem massaal erven en landen die ze zelf van de geestelijken hebben afgenomen. Zo krijgt de Hollander jaarlijks tweeduizend gulden opbrengsten van de abdij Ter Duinen bij Koksijde. Dat spel is al aan de gang sinds 1575 wanneer daar een wereldlijke ontvanger werd aangesteld. Een zekere Jan Speelman. Een gevaarlijke naam trouwens voor een financiële figuur. Abt Robert Holman, nummer vierendertig in de rij van abten, is er niet goed van geweest. 'Hij trok het hem zodanig ter herte, te meer omdat hij uit zijn refuge te Brugge verdreven werd, dat hij in een gemeen burgerhuis stierf in het jaar 1579 en overnacht begraven werd in de kerk van de arme Clarissen, naast de sacristie.'

 

Die sekteleden van calvinisten vinden dat de opbrengst van deze tweeduizend gulden eigenlijk niet voldoende is en schenken Willem op 15 september 1580 al de goederen van de abdij om die eeuwig en erfelijk te bezitten. Later zal die schenking nog ongedaan gemaakt worden, maar ik laat mijn glazen bol even in de kast liggen. De goede patriotten van Gent zorgen ook goed voor zijne hoogheid van Oranje, hun afgod en beschermheer. Ze schenken hem het kasteel van de proost van Lochristi met inbegrip van de hele parochie. 'Maar ik geloof niet of hij die lange tijd in zijn bezit heeft gehad, hoewel hij zich in augustus 1581 daar enkele dagen samen met zijn gezellin is komen verlustigen. Op die manier is de rijkdom van deze prins zeer toegenomen. Ten koste van onze godsdienst en middenin deze algemene ellende. Zodanig zelfs dat hij het daaropvolgende jaar 173.600 gulden kon besteden aan de aankoop van de heerlijkheden van Vlissingen en Vere.'

 

'Ondertussen lieten de kleine dieven niet na om de grote te volgen.' Mmmmh, wat is dat mooi en stout gezegd. 'Het leek er wel op dat steden en dorpen ten roof gegeven waren aan al diegenen die durfden stelen. En dat terwijl de goede katholieken alles met treurende ogen aanzagen en niets openlijk durfden te zeggen want al hun zeggen werd zeer nauw opgevat en men luisterde naarstig of men hen niets in de mond zou kunnen leggen om hen dan achteraf te kunnen beboeten of verbannen.'

 

Volgens de calvinisten hebben de katholieken nog altijd te veel vrijheid voor wat betreft het uitoefenen van hun erediensten. Kijk maar naar Maldegem waar het krioelt van de rooms-katholieken. Willem van Oranje heeft Ryhove onlangs benoemd tot hoogbaljuw van Gent en die wordt opgeroepen om iets te doen aan de situatie in Maldegem. Ryhove en enkele ruiters vallen er binnen en verbieden er met de nodige dreigementen aan de geestelijken om nog verder misdiensten te houden.

 

Op 28 december 1580 spreekt het magistraat van Gent zich uit over de zaak van een zekere Adriaan, een zoon van de procureur Lieven Casteele. Adriaan werd half december betrapt in Aalst terwijl hij zat te boemelen in een café te Aalst. Hij had ervoor gezorgd dat twee bisschoppen en nog enkele anderen ontkomen waren uit Gent en hij bleek ook meegewerkt te hebben aan de voorbije acties van de malcontenten. 'Adriaen werd nu als verrader, op een horde naar de Vrijdagmarkt gesleept, aldaar opgehangen en gevierendeeld en zijn hoofd werd boven de Brugse poort op een pin geplaatst.'

 

Het jaar 1581 brengt zo mogelijk nog meer rampspoed voor de bevolking. Van Male heeft het over de ellende die maar blijft aanwassen. 'Terwijl het platteland beroofd, gebrandschat en verwoest werd, liepen de steden vol met arme naakte vluchtelingen, vol verwarring, droefheid en angst. De lasten bleven maar stijgen, de wachten moesten nu eenmaal betaald worden. De krijgsraad misbruikte zijn macht en zocht alles uit om de katholieken te vervolgen en te kwellen.'

 

De acties van de malcontenten zijn natuurlijk van die aard dat de eenvoudige katholieke stakkers met hen geassocieerd worden. Begin 1581 komen hele benden van hen met paarden en voetvolk naar Torhout, Jabbeke en Stalhille waar ze alles plunderen en in brand steken en waarbij de Brugse soldaten daar niet durven tegen ingaan. Op 7 juni verschijnen ze voor de Brugse poorten, vuren ze op de wachten en vangen er nogal wat volk. Tot gevolg natuurlijk dat de stadspoorten weer hermetisch gesloten blijven en dat de katholieken binnen Brugge weer de pineut zijn. Het wordt immers weer strikt verboden om op geen enkele plaats nog missen te lezen, in stilte te prediken, te trouwen en te dopen of vergaderingen te houden. Niet in kerken en kloosters en niet in de huizen van de mensen.

 

De Walen op het West-Vlaamse platteland hebben er nu iets nieuws op gevonden. Wie gevlucht is van zijn huis komt beter vlug terug anders zullen al de leegstaande huizen in brand worden gestoken. De schrik bij de bevolking zit er diep in. In Brugge besluiten ze een brigade op te richten, vrijwilligers die met paarden de streek zullen proberen te beschermen. Calvinisten natuurlijk en dat maakt het voor de buitenmensen natuurlijk nog erger. De vrijwilligers wagen op 23 juli 1581 een inval in het Roeselaarse waar ze de kerk beroven en daarna triomfantelijk binnen Brugge terugkeren.

 

'Achttien onder hen moeten wat betreft goddeloosheid niet onderdoen voor de Franse Hugenoten. Ze hadden te Roeselare priesterlijke gewaden aangetrokken en deden nu hetzelfde te Gistel waar ze de kerken en de huizen van de priesters beroofden en zoveel smaad aanbrachten in de stad. Idem dito in Oedelem waar ze de pastoor van het altaar sleurden en op een paard deponeerden terwijl ze de man beschimpten en hem slagen en stampen toebrachten. Uiteraard tot grote droefheid van de katholieken.'

 

Tijdens dat jaar 1581 groeit de dreiging van de koninklijke katholieken, de aanhangers van Filips II. De versterkte stad Breda valt met een krijgslist in hun handen. In Brugge zijn ze op hun qui vive en erg wantrouwig of er zich in de stad medestanders van de koning schuil houden. Opnieuw betalen de katholieken het gelag. Zeker honderd onder hen worden uit de stad geweerd en de kerken moeten het ontgelden. Veel inwoners krijgen soldaten in hun huizen op de kosten van de meester of de vrouw des huizes. Het is uitkijken naar de komst van de hertog van Alençon 'die in Engeland met ijdele hoop wachtte op een mogelijk huwelijk met de koningin van Engeland en zijn tijd versloeg met spelen en banketteren.'

 

Op 5 augustus wordt er een hallengebod uitgevaardigd waarbij al de burgers opgeroepen worden om een eredienst van de calvinisten te komen bijwonen. Die zal doorgaan op de negende en wordt omschreven als een 'nachtmaal'. Een avondmaal dus, precies zoals dat al in Gent voorgeschreven wordt. De nieuwgezinde leraar Capito is de initiatiefnemer van de dienst. Op de avond van de plechtigheid worden de poorten van de stad gesloten en patrouilleren de soldaten langs de vesten. Kapitein Aoulterman met zijn compagnie houdt de Burg bezet en Remigius Van Aerdryke doet hetzelfde op de marktplaats.

 

'Een kornet paardenvolk reed gedurig door de stad en de wachten bewaarden de deuren van de St.-Salvatorskerk waar de dienst doorging en de processie van de machtshebbers ernaartoe. En van zodra ze in de kerk waren gekomen, begon de minister te prediken. De leer van Calvijn, waarbij hij naar gewoonte niet ophield om een hoop ongerijmdheden uit te braken tegen de rooms-katholieken.'

 

Rond half augustus komt er opnieuw zo'n pestmaatregel. Er moet voortaan gewerkt worden op feestdagen. Die worden brutaalweg afgeschaft, de werkklokken zullen luiden als op een normale werkdag en iedereen moet aan de slag. Het moet behoorlijk pijnlijk zijn om deze eeuwenoude traditie te zien verdwijnen. Lieven De Vogelaere en Jan Vintsor, twee degelijke katholieken hebben hun winkels niet geopend op tweede kerstdag en krijgen als represaille voortaan een deel soldaten te logeren in hun woningen.

 

Willem van Oranje heeft er al vaak op aangedrongen bij Frans van Anjou, de hertog van Alençon, om zelf eens actie te ondernemen tegen de katholieken in het zuiden. Het is er nu eindelijk toch eens van gekomen. Hij is Kamerijk binnengevallen en heeft er de bisschop en de katholieke notabelen buitengewerkt. Dit feit en de komst van Willem van Oranje naar Antwerpen zorgt voor grote vreugde bij de nieuwgezinden die aan alle inwoners opnieuw verplichten om hun meinedige eed aan de koning af te zweren. Allen met functies in stadsbesturen worden daartoe opgeroepen. Jan Spetael van Brugge weigert en wordt op staande voet uit Brugge weggebracht. Het mag hoe dan ook gezegd worden dat Brugge erg weigerachtig staat om zich officieel te distantiëren van Filips II.

 

Op 6 oktober 1581 komt Willem van Oranje naar Brugge. In het gezelschap van zijn echtgenote en van de graaf van Swartsenburgh. Ze overnachten in het huis van Nieulant aan de Ezelsbrug. Kort daarna worden alle burgers die Brugge uit vrije wil achter zich hebben gelaten verplicht om terug te keren. Als ze dat niet doen binnen de veertien dagen zullen hun eigendommen aangeslagen worden. 'Men stelde ook in de arme knechtjes- en meisjesscholen nieuwgezinde oversten aan om de jeugd met beloften of met strengheid van hun dolingen af te brengen. Maar een zekere Ottho Arremarre, een voorname katholieke burger, slaagde er in om er een katholieke gouvernante binnen te loodsen.'

 

'Van het klooster van de Minderbroeders werd een houtmarkt gemaakt en enkele kloosters werden met de grond gelijk gemaakt. Alles liet zich aanzien alsof men te Brugge, Gent, Ieper, Brussel en Antwerpen de rooms-katholieke godsdienst wilde vernietigen. Precies zoals dit eerder gebeurd was in Holland en Zeeland. Te Brugge vermaande men iedereen om zich voor te bereiden voor het nachtmaal van de 8ste oktober.'

 

Op Allerheiligen wordt een priester overvallen door enkele soldaten terwijl hij een clandestiene misviering voordraagt in de kapel van Sint-Niklaas. 'Ze sleurden de priester tot bij de burgemeester die hem zeer scherp bejegende. Een andere burger die niet goed opgepast had tijdens zijn shift werd met een brief op zijn borst op een kar de stad buitengevoerd. Enkele dagen later werd een dienaar van de politie die dienst genomen had in het koninklijk leger te Lichtervelde opgepakt, gevangen en te Brugge opgehangen.

 

Tegen die tijd laat Frans van Anjou nog meer van zich spreken. Hij houdt Kamerijk bezet met achthonderd ruiters die er nu het gezelschap krijgen van al het crapuul van de streek. Ze zullen nu samen het land doorlopen en beroven. De Walen, de koninklijken, de Schotten en de Engelsen en natuurlijk de Vlamingen zelf verlaten hun schuilplaatsen en hun garnizoenen en halen alles weg wat er ook maar te lande te vinden is. 'Niets was er nog veilig. Niet de minste kerken, kluizen, huizen, schepen, koggen waren veilig voor hun roofgierige klauwen. Deze handel deed het landvolk met al hetgeen ze konden verbergen, vluchten naar de steden. Zodat het platteland onbebouwd en helemaal verwilderd werd.'

 

En daartussenin? Een grenzeloze armoede. Het gebrek aan eten, de vuiligheid en die vreemde mengeling van mensen en beesten, de droefheid en de angst. Dat allemaal veroorzaakt grote sterfte. 'Men rekende dat alleen al binnen Brugge tijdens die benauwde tijd tweeënzeventigduizend mensen gestorven zijn. Groot en klein. Onder hen bevonden er zich zeker veertigduizend landlieden. Omdat er mensen tekort waren om de dode lichamen te begraven liet het stadsbestuur een wagen met bellen door de stad rijden. Op het belgeluid bracht iedereen zijn doden naar de wagen. De lijken werden dan naar de kerkhoven gevoerd en daar met hopen ineens in grote putten en op kosten van de stad begraven.'

 

Op 29 oktober 1581 kan aartshertog Matthias het niet langer aanzien. Hij was de voorganger van Hercules. Met de staart tussen zijn benen vertrekt hij via Keulen verder weg naar Duitsland. De Walen op het platteland worden altijd maar driester, ze lopen van de ene stad naar de andere, met gevangenen bij zich waar ze de stadsbewoners telkens opnieuw mee provoceren. De 16de november staan ze uitdagend aan de Brugse poorten; 'kom naar buiten vuile geuzen als jullie durven', en in Gent gaat het er nog smeriger aan toe. De Gentenaars zijn allesbehalve welgezind op Willem van Oranje omdat hij deze situatie niet onder controle krijgt. Ze zijn er niet over te spreken dat hij de versterkte stad van Doornik kwijtgespeeld is aan de katholieken.

 

Tijdens de week van 26 oktober kan Willem een succesje boeken en daar trekt de gemeente zich ietwat aan op. Daarbij komt nog het gerucht dat de hertog van Alençon zich nu officieel zou verloofd hebben met de koningin van Engeland. Dat betekent dat de Fransen nu hulp zouden krijgen van de Engelsen om de streek te zuiveren van de vijanden. Dat nieuws zorgt voor vreugdetaferelen in Gent. Op 27 oktober 1581 verwelkomen de Gentenaars prins Willem met zijn goednieuwsshow. Met het gedonder van de nodige kanonschoten wordt het grote nieuws van Frans van Anjou wereldkundig gemaakt.

 

De volgende dag zou Brugge aan de beurt moeten komen. 'De grote klok op de halle en al de andere klokken die nog overgebleven waren aan de kerken werden geluid. Men predikte in verscheidene plaatsen, de wapenen van Frankrijk en Engeland werden tentoongesteld op de Beurze en men bedreef 's avonds veel vreugde en genoegen, vooral omdat men het voor zeker hield dat prins Willem met datzelfde goede nieuws naar Brugge zou komen waar men het Prinsenhof al in gereedheid had gebracht.'

 

De verwachtingen van de Bruggelingen zijn niet meer dan een scheet in een fles. Willem van Oranje heeft de Gentenaars wat wijsgemaakt, die verloving is niet veel meer dan wishful thinking. Bedoeld om de stedelingen hier wat rustig te houden. 'De prins sloop stillekens weg terwijl de Gentenaars sprongen en dansten en keerde naar Antwerpen terug. De fameuze hertog vertrok begin november naar Engeland waar hij bleef tot de 8ste februari van 1582. Hij liet zijn Nederlanden achter terwijl ze zich konden troosten met de ijdele verwachting van zijn versierd huwelijk.'

 

Op 30 november 1581 laat Alexander Farnese, de kleinzoon van keizer Karel en beter bekend als de hertog van Parma voor de eerste keer van zich spreken. Tenminste toch hier in dit boek dat voor me ligt. Farnese komt op die dag officieel in het bezit van Doornik dat na een beleg van twee maanden door de knieën gegaan is. 'Er was daar een groot gebrek aan buskruit en de stadsmuren waren door het schieten en het ondergraven zo wijd gescheurd dat de vijand er gemakkelijk te voet en zelfs met paarden kon binnendringen.'

 

De Spaanse opmars laat zich ook gevoelen in Brugge. Johannes-Petrus van Male schildert een ontluisterend en onthutsend tafereel waarbij de soldaten van de hertog van Alençon aan het einde van 1581 helemaal uitgeput de stad komen binnen strompelen. 'Ik mag niet nalaten van te zeggen hoe, op het eindigen van dit jaar, vijf kornetten paarden en drie vendels voetvolk van de hertog van Alençon trokken. In het gezelschap van achterlopers en marmitons. De mannen waren niet verschillend dan de schelmen, boeven en dieven waar Frankrijk zich van zuiverde om daarna onze landen met deze vuiligheid te vullen.'

 

'Het merendeel was naakt, zonder hemden, kousen en schoenen. Dat waren dus onze zogezegde treffelijke voorvechters waar men hier tien maand over getwist had. Het magistraat en de mensen waren werkelijk beschaamd. Het grauw van de stad liep deze spitsboeven zeer lelijk toe met allerhande verwensingen. Maar de mannen werden direct gekleed op kosten van het land en voorzien van alles om ons dan achteraf te bedanken met een verraderlijke ondankbaarheid. Zo raakten onze steden gevuld met booswichten en brandstichters die binnen Gent en andere plaatsen kelders en stallen in brand staken en dynamiteerden waardoor er brand ontstond in verscheidene huizen. Een prima gelegenheid voor de schelmen om daar dan alles te stelen wat ze konden krijgen.'

 

Al op de eerste dag schiet het nieuwe jaar 1582 in actie. De Waalse malcontenten tonen zich allesbehalve bang voor de soldaten van de Nederlandse staten. Het komt tot een confrontatie met dodelijke slachtoffers aan de Gentpoort. Iedereen vecht nu bijna tegen iedereen en het zijn vooral de Walen die weglopen met de profijten. Zo krijgen ze het kasteel van Loppem in handen. Frans van Anjou, de gedoodverfde leider van ons land, komt na een maandenlang verblijf in Engeland binnengevaren in Vlissingen. Op 10 februari 1582 wordt hij er met alle tekenen van eerbied ontvangen door Willem van Oranje en prins L'Espinoy.

 

Via Middelburg arriveert de hertog van Alençon in Antwerpen waar hij op de 17de met een 'onbeschrijfelijke vreugde en uitnemende eerbewijzen' wordt binnengehaald. 'De hele stad danste en sprong voor deze grote Hercules, voorvechter en beschermer van de Nederlanden. De Antwerpenaars bleken even lichtgelovig als de Trojanen wanneer die hun wapenzwanger paard binnenbrachten. Na elf maand is al die vreugde omgeslagen in grote droefheid.' Van Male kijkt al in de toekomst en reageert erg sceptisch op al de vreugdetaferelen en de godverdomse poeha bij de eedaflegging van de nieuwe leider. 'Hij legde inderdaad zijn eed af van wel en trouw te regeren over het land en kreeg daarbij ook de eed van getrouwheid vanuit Brabant.'

 

Vlaanderen maakt zich al op om de nieuwe graaf te verwelkomen. Een aanslag op Willem van Oranje werpt roet in het eten. Jean Jaureguy een Spanjaard van Franse afkomst probeert op 18 maart 1582 de volksleider om het leven te brengen. Zijn poging mislukt. Willem van Oranje raakt niet levensgevaarlijk gewond. Het voorval zorgt voor grote opschudding en veel Vlamingen kijken al beschuldigend in de richting van Frans van Anjou. Oranje haalt de lont uit het vat door de hertog van Alençon volledig vrij te pleiten van elke mogelijke schuld. Farnese zit ook niet stil. In het voorjaar van 1582 maakt hij zich meester van Artesië. Ook Oudenaarde en Aalst bezwijken onder Spaanse druk.

 

Mijn schrijver vindt het ondertussen hoog tijd om eens een boekje open te doen over deze hertog van Alençon. 'Hij werd op 18 maart 1555 geboren als jongste zoon van de koning van Frankrijk en Katharina de Medicis. Zijn doopnaam 'Hercules' werd achteraf veranderd in 'Frans' en dat was maar verstandig ook. Onze Hercules bleek klein van gestalte, vol van gezicht, maar bruinachtig en geschonden door de pokken. Een onrustig, haastig, verraderlijk en geveinsd manneke. In Frankrijk was hij door niemand bemind, zelfs niet door de Hugenoten hoewel hij aanvankelijk met hen sympathiseerde. Zijn broer, de nieuwe koning, liep met plannen rond om deze onbetrouwbare Frans te doden omdat hij wel geboren leek om heel zijn leven het rijk te verontrusten. Wat een schone zaak toch dat de Nederlanders hem zagen zitten. Frankrijk kende povere tijdens tijdens het leven van de drie broers. Alles aan het Franse hof stak vol valsheid, bedrog en listen en dat alles strekte tot grote ongelukkigheid in Frankrijk.'

 

De prins van Oranje moet geweten hebben welk vlees hij met Hercules in de kuip had. Van geweld kan men hem moeilijk iets verwijten, maar hij heeft het woord van een oude prostitué. 'Loze trekken waar hij vol van was, geholpen door zijn naaste medewerkers; de heren van St.-Aldegonde, Tyron Villers en andere calvinisten die hun best deden om de afvallende staten te bundelen en uit te breiden door gezochte vriendschappen met uitheemse prinsen.'

 

Een Fransman als reddende engel tegen de macht van de Spanjaarden. Wat voor een duivelse valstrik toch! Wie zijn vaderlandse geschiedenis een beetje kent, beseft dat de vraag van Willem van Oranje ongetwijfeld een geschenk uit de hemel betekent voor de Fransen die al zoveel eeuwen strijd hebben geleverd om Vlaanderen binnen te lijven. Het noorden van de Nederlanden moet sowieso niet weten van Fransen, maar Hercules lijkt een prima figuur om dat lastige Vlaanderen te besturen. Het is een smerige gedachte van de prins van Oranje. De Vlamingen zullen wel op de blaren zitten.

 

Op 17 juli 1582 bezoekt een herstelde Willem van Oranje de stad Brugge. In het gezelschap van de nieuwe hertog van Brabant, de jonge graaf van Egmond en een stoet van Nederlandse, Engelse en Franse heren. De burgerij staat erbij als versierde kalkoenen klaar voor het kerstdiner. Bij het Prinsenhof blijken enkele pektonnen opgesteld in combinatie met een grote lelie welke 's avonds dan nog verlicht wordt ook. Voor de Munt zie ik een vijfhoek van toortsen en lofschriften voor de hertog. Aan de Burg en het landhuis van het Vrije glunderen verzilverde mastbomen helemaal opgetut met kaarsen en opnieuw versierd met lelies. De leeuw op de hallentoren houdt de banieren van de hertog van Alençon in zijn klauwen. Op de vier hoeken van de markt prijken er vijfkantige staken met pektonnen en centraal staat opnieuw zo'n grote mastboom gevuld met buskruit en levende katten die met ijzeren kettingen zijn vastgemaakt.

 

Toch wel een vreemd tafereel. Ik frons mijn voorhoofd. Waar zijn ze mee bezig in Brugge? Een Vlaamse leeuw die een Franse vlag moet vasthouden en levende katten in een met explosieven gevulde paradeboom. Pastoor van Male onderbreekt me in mijn gedachtegang. 'Wanneer 's avonds het buskruit werd aangestoken, zorgden de katten voor een ijselijk en krijsend geschreeuw. Men meende dat de nieuwgezinden door deze katten de spot dreven met de katholieken en hiermee zelf afdreigden.'

 

Tussen al deze macabere festiviteiten door sijpelt er nieuws binnen. Een waarschuwing vanuit Antwerpen. Er bevinden zich in Brugge enkele figuren die een moordaanslag willen plegen op de prinsen en daarna de vijand in de stad willen binnenloodsen. Met de vijand wordt uiteraard verwezen naar de Spanjaarden van Farnese. De inlichtingendiensten kennen de terroristen bij naam. Als eerste is er Nikolaas Salcedo. Een man die eerder in Rouen tot de galg was veroordeeld voor valsmunterij, maar die kon vluchten naar Spanje. In zijn gezelschap cirkelen de Italiaan Francisco Baza en de Waal Nicolas Hugot met bijnaam Laborde.

 

'Ze meenden de hertog en de prins te kunnen doodschieten of met staal of vergif van kant te maken. Willem van Oranje had Egmond er al eerder op gewezen dat hij niet zo vertrouwelijk mocht omgaan met Salcedo maar de graaf wou daar niet van weten. Op 21 juli werd het vermoeden zo groot dat de Spanjaard opgepakt en ondervraagd werd. Ook Baza werd opgepakt wanneer hij stond te wachten op Salcedo. De volgende ging Oranje met enkele heren naar het nachtmaal in Sint-Donaas. Hertog Hercules deed dat niet omdat hij rooms-katholiek was en liet een mis lezen in de kapel van het Prinsenhof waar hij het gezelschap kreeg van meer en meer katholieke Bruggelingen die al zo lang niet meer naar de mis hadden mogen gaan. Maar de magistraat verbood de toegang tot deze misviering uit angst voor een aanslag.'

 

Dat verbod zorgt voor wrevel bij de Bruggelingen die nu kijken in de richting van de hertog van Alençon. 'De katholieken die betrouwden op de steun van de hertog, waren zeer begerig om de goddelijke dienst te horen die al drie jaar was opgeschort hier in hun stad. Ze kwamen op 15 augustus met zo een menigte naar het Prinsenhof waar Hercules een gezongen mis organiseerde. De Vrijdagmarkt was niet groot genoeg om al dat volk te kunnen bevatten en dat was al voldoende voor een reeks incidenten.'

 

Ik zoek en wik mijn woorden om de toestand te beschrijven. De bodyguards van de katholieke prins zijn allemaal calvinisten en die zorgen ervoor dat de vele katholieke Bruggelingen niet te veel mogen snoepen van hun geloof. De duivelse Willem van Oranje moet wel een erg gespleten persoonlijkheid zijn om de kat zo bij de melk te zetten. Maar die laat dat maar al te graag gebeuren, want zo kon hij de graaf van Vlaanderen netjes op zijn plaats houden. Ondertussen hebben Salcedo en Baza op de pijnbank bekend dat ze van plan waren om een aanslag te plegen. Baza pleegt zelfmoord uit angst voor een gruwelijke dood.

 

Van Male staat weer klaar om de nodige details te spuien. 'Merkende dat hij een harde dood zou moeten sterven, heeft hij zich met een mes twee dodelijke wonden gegeven. De ene in de navel van zijn buik en de andere in de linkerborst en zijn lichaam alzo dood zijnde, werd het nog diezelfde dag aan een paardenstaart gebonden en door de stad naar de galg gesleept. En na het voorlezen van zijn vonnis werd hij als een moordenaar opgehangen en gevierendeeld, de stukken werden aan de stadspoorten gehangen. Zijn hoofd werd boven de Sint-Catherinepoort gesteld. En voor wat Salcedo betreft, werd die op het verzoek van de koningin-moeder naar Frankrijk gestuurd waar hij op 15 oktober binnen Parijs door vier paarden vaneen werd getrokken.'

 

De zomer van 1582 gaat bij al dit zinloos geweld natuurlijk verder zijn gewone gang. Waarom zou de natuur zich ook maar enigszins storen aan de gruwelen van dit grillig mensdom hier op deze aardkloot. En nu ik het toch heb over kloot, moet ik natuurlijk in eerste instantie direct denken aan Hercules, Frans van Anjou, de hertog van Alençon, onze nieuwe graaf van Vlaanderen. In het zuiden van het land maken de Spanjaarden beetje bij beetje progressie en het wordt wel eens tijd voor graaf Hercules zich tegenover de Vlamingen manifesteert als dappere held.

 

Hij vertrekt met een leger naar een plek tussen Duinkerke en Sint-Winoksbergen waar zijn manschappen beschut zijn door de omringende wateren en waar ze niet kunnen overvallen worden door de legers van Farnese. Wanneer echter blijkt dat de Spanjaarden zich nog maar heel onlangs hebben versterkt met eenenveertig Spaanse vendels met daarbovenop nog een extra Duits regiment en duizenden Boheemse gravers verkiest Hercules om de confrontatie toch maar te vermijden. 'Ik wordt verwacht voor een huldiging in Gent waar ze me willen inhuldigen als graaf van Vlaanderen'. Met dat excuus breekt hij op 18 augustus 1582 zijn kamp op en druipt hij af.

 

Een aftocht die nog bijna slecht afloopt ook. 'De Spanjaarden achtervolgden hen tot aan de voorgeborchten van Gent waar ze zijn achterhoede aanvielen. Er zou zeker een fikse nederlaag van gekomen zijn als het Gentse afweergeschut niet zou zijn tussengekomen.' De festiviteiten achteraf lijken sterk op die van Brugge. Zegebogen en flambeeuwen en de versierde voorgevels zorgen voor een decadent aanvoelend feestelijke atmosfeer in de Gentse binnenstad. Willem van Oranje zweert pront dat hij de koning van Spanje niet meer zal erkennen en belooft zijn trouw aan Hercules. Hier natuurlijk pompeus omschreven als 'doorluchtige prins Franciscus, erfprins van Frankrijk, broer van de koning, hertog van Lotharingen, Brabant, Limburg, Gelderen, Anjou en graaf van Vlaanderen, Holland, Zeeland, Zutphen en markgraaf van het heilig Rijk'.

 

Ook de magistraten en gezagsdragers zullen diezelfde eed moeten afleggen. Daags voorzien gebeurt hetzelfde in Brugge. Na nog een biddag en een nachtmaal. Veel katholieken weigeren de eed af te leggen terwijl de sekteleden dat met overtuiging en plezier doen. Gent bruist ondertussen van de feestelijkheden en het volksvermaak. Het Prinsenhof baadt in de vreugdevuren en het trompetgeschal. Tot God er zich mee bemoeit. Van Male steekt zijn middenvinger op; een 'f'uck you' statement direct vanuit de hemel.

 

Lees maar. 'Het leek er wel op dat God de lichtvaardigheid van de Vlamingen verfoeide. Zo ontstond er zulk een grauwzaam tempeest van donder, bliksem, wind en regen die de kaarsen en al het vreugdevuur blusten. De voorbode wat er Vlaanderen te wachten stond met deze kwalijke regering. En toch liepen er hier van die lege geesten rond die met hun vleischriften de nieuwe graaf prezen en hem al de wonderen van de wereld beloofden. Een van die dwaaskoppen was een zekere Van Damme.'

 

Graaf Hercules wil nu vanzelfsprekend zijn autoriteit uitstralen en begint hier in Gent aan een volledige herschikking van het bestuur. Daarna is de graaf te gast bij verscheidene festiviteiten. Zo bijvoorbeeld op de 26ste augustus. 'Hij liep met enkele jonge heren door de ringsteking, waar de prinsen hem kwamen begroeten. Daarna ging hij de jonkvrouwen die het spel hadden bewonderd nog eens goeiedag zeggen. Maar deze genoegte werd de volgende dag verstoord met nieuws dat de Gentenaars naar de keel grijpt. De hertog van Parma was gearriveerd in de voorstad.'

 

'De hertog van Anjou en de prins van Oranje waren net met veel volk op de vestingen. Ze vreesden dat de vijand een inval zou doen in het land van Waas en deden hun ruiterij stillekens in de stad komen en dan vervolgens de weg daarnaartoe extra te bezetten. Maar de hertog van Parma die zag dat het voetvolk niet meer beschermd werd door de ruiters, heeft die aangevallen en richtte er een grote slachting aan, waarna hij zich stillekens terugtrok.' Hercules vertrouwt de toestand in Gent niet langer. Wanneer een van zijn trompetters naast zich doodgeschoten wordt, neemt hij het zekere voor het onzekere en vertrekt hij op de 28ste augustus naar Dendermonde en vandaar naar Antwerpen.

 

Hij laat weten dat allen die hun vaderland achter zich hebben gelaten of verbannen werden vrijuit mogen terugkeren naar hun woonplaatsen waar ze hun eerder aangeslagen woningen weer in bezit mogen nemen. Natuurlijk op voorwaarde dat ze bereid zijn om hun eed van trouw aan hem af te leggen. Willem van Oranje boekt in deze periode wel enkele succesjes. Hij ontzet Lochem en enkele lokale kastelen. Voldoende om de Vlamingen nog overmoediger te maken. In de buurt van Cambrai bouwt Alexander Farnese verder aan een indrukwekkend leger. Zestigduizend man, vierduizend paarden en voldoende geld en middelen, meer moet ik jullie niet vertellen.

 

Oudejaarsavond van 1582 valt dit jaar op 21 december. Een kort jaar was het. De correctie in de kalender komt er op het verzoek van paus Gregorius XIII. De oude Juliaanse kalender, die meer dan 1500 jaar in werking was, wordt op 1 januari 1583 vervangen door de Gregoriaanse kalender. Het nieuwe jaar begint alvast in mineur voor de graaf van Vlaanderen. Frans van Anjou is inderdaad niet veel meer dan een pion van de koning van Frankrijk die Vlaanderen maar al te graag wil inlijven bij het Franse rijk.

 

Het begint met de afspraak dat enkele Franse en Zwitserse vendels het beleid van graaf Hercules zullen ondersteunen. In Brugge en in het land van Waas worden die vreemde soldaten alvast opgemerkt. Hun aanvoerders winden er geen doekjes om: ze zijn gestuurd door de koning van Frankrijk om de Nederlanden te beschermen tegen Spanje. En omdat de kosten en de investeringen om dat te doen substantieel zijn, zou het beter zijn dat deze landen zich aan de Franse kroon zou onderwerpen. En ook Hercules stelt deze fusie voor tijdens enkele feestelijke recepties. Zo zouden de verenigde provincies bij zijn overlijden voor altijd aan de Franse kroon gehecht blijven.

 

Uiteraard tonen de steden en provincies spontaan een afkeer voor deze plannen. Hun maag keert zich om bij de gedachte alleen al. De graaf van Vlaanderen besluit om zijn intenties niet langer openbaar te maken maar zijn zin op achterbakse manier te halen. De bezetting van Duinkerke en Dendermonde wordt overgenomen door Franse soldaten. 'Hij hoopte op die manier de Nederlanden te beteugelen. Alles gebeurde trouwens volgens geheime afspraken met Willem van Oranje die een Frans bestuurd Vlaanderen en Brabant beschouwde als een ideaal schild voor zijn eigen provincies Holland en Zeeland.' De valstrik die hij gespannen heeft wordt nu wel heel erg zichtbaar.

 

Volgens Jan van Anjou ondermijnen de grote Vlaamse steden en de Raad van Vlaanderen zijn persoonlijk gezag. Zijn protocollaire functie bevalt hem niet. Vermoedelijk kijkt hij naar zijn broer, de koning van Frankrijk en de rituelen aan diens hof. Hercules voegt de daad bij het woord. Zijn eigen hofhouding bestaat ondertussen al uit zeshonderd edellieden. Met elfduizend Zwitserse en Franse voetsoldaten, vijftienhonderd paarden en daarnaast nog een bende Engelsen en Schotten valt hij op 17 januari 1583 Antwerpen binnen.

 

De dwaas. 'Op het slaan van de stormklok raakte de burgerij in de wapenen, de kettingen werden gespannen, enkele straten verschanst. Het geschut werd met schroot geladen waarop er een grote slachting volgde op de Fransen die vanuit de ramen op een regen van hagel en kogels werden getrakteerd. Om te ontsnappen en in leven te blijven werden ze gedwongen om naar de vestingen terug te deinzen en over de muren te springen. Zo mislukte de idiote aanslag van de hertog van Alençon op Antwerpen, tot zijn grote schade en schande en ter verbittering van de gemoederen.' Vijftienhonderd Fransen en drieëntachtig burgers overleven de dag niet. Vijftienhonderddrieëntachtig doden in het jaar 1583.

 

Daags voordien hebben de Fransen zich evenwel meester gemaakt van Duinkerke. 'En op diezelfde 16de januari hebben de Fransen die binnen Diksmuide lagen opzettelijk enkele huizen in brand gestoken. De nietsvermoedende burgers probeerden onder elkaar de branden te blussen maar werden overvallen door de Fransen die veel Diksmuidenaars doodden en enkele huizen plunderden waarop ze meester bleven van de stad.' Ook Dendermonde valt in Franse handen.

 

Te Brugge mislukt hun aanslag omdat ze zich hier tijdig weten te versterken met enkele vendels Vlamingen uit Menen en Diksmuide. Het komt tot onderhandelingen aan de Burg. De Fransen onder leiding van de kolonels Despies en Rebourg lieten zich ontvallen dat hun garnizoenen in Brugge zouden blijven. Ze vinden echter een nest gewapende burgers op hun weg. Er vallen harde woorden waarbij Despies en Rebourg op een bepaald moment vrezen voor hun eigen leven. Vooral als de Bruggelingen er op een bepaald moment mee dreigen om met een pennenmes hun hals af te snijden. Uiteindelijk tekent kolonel Despies een bevelschrift waarbij hij zijn manschappen doet ophoepelen. Dat de Fransen ook lik op stuk gekregen hebben in Antwerpen, doet de vreugde in Brugge nog verdubbelen.

 

Van Male zwaait met complimenten voor het stadsbestuur. De burgemeester van Brugge is erg zorgvuldig omgegaan met de veiligheid in zijn stad en ook zijn schoonzoon sergeant-majoor Reinier Wynckelman mag geprezen worden. 'En zo verdween deze roekeloze en verraderlijke aanslag van deze lichtvaardige hertog die van zijn goede vrienden nu de bitterste vijanden gemaakt heeft. Mijn schrijver komt plots voor de dag met een Frans gedicht dat ik op mijn beurt even in het Vlaams wil vertalen zonder me hierbij te storen aan enige rijm- of dichtvorm.

 

Let op voor die van Frankrijk

Ze hebben daar van jongs af aan geleerd

zich nooit aan afspraken te houden

Wanneer je denkt ze bij de hand te leiden

vinden ze altijd wel de kans

je al de kleuren van hun land te laten zien

 

Hercules, de graaf van Vlaanderen, heeft het verkorven in Vlaanderen. Willem van Oranje probeert nog de scherven te lijmen, maar van deze meinedige prins willen ze hier absoluut niets meer weten. De verbittering is enorm. 'De drie grote steden van Vlaanderen, Gent, Brugge en Ieper wilden niet ingaan op het verzoek om zijn hof dan maar te mogen houden in Diksmuide. Integendeel zelfs. Hij werd ertoe gedwongen de plaats te ruimen en al de steden die hij met zijn hautaine harteloosheid had weten te overvallen te verlaten met uitzondering van Duinkerke.'

 

De verguisde hertog zal uiteindelijk opgelucht zijn dat hij en zijn eerloze troepen hier veilig kunnen wegraken. De beloofde veilige doortocht richting Frankrijk loopt niet van een leien dakje met al die boze Vlamingen. Tussen Damme en Sluis wordt een noodbrug gebouwd, speciaal voor de passage van de Fransen. De boeren van de streek die vrezen voor grote schade komen er op 1 april in groten getale op af en steken de constructie in brand. Na veel gepalaver met de Brugse magistraat zal Hercules er in toestemmen om zijn terugweg te kiezen via Eeklo, Sint-Michiels, Oudenburg en zo verder tot in Duinkerke.

 

'Zo eindigde de grote hoop en de verwachtingen die de weerspannigen gesteld hadden op die manhaftige en grootmoedige hertog van Alençon. Hercules werd nu ook in de steek gelaten door zijn eigen broer. Gehaat van de Nederlanders en de Vlamingen, belasterd door iedereen. In 1584 stierf hij van droefheid te Chateau-Thierry.'

 

In Vlaanderen is de ellende alleen maar toegenomen de voorbije jaren. Brugge zit op zijn tandvlees. De koophandel, de ambachten en de nering zijn gecrasht. De belangrijkste ingezetenen hebben de stad gedumpt voor betere oorden. De goede katholieke burgers zijn gevlucht of verjaagd. De Spaanse natie die daar nog lang gebleven was om handel te drijven werd uiteindelijk smadelijk verdreven. Wanneer Duinkerke na een beleg van zestien dagen in de handen valt van de hertog van Parma, vrezen de nieuwgezinden hier voor ergere gevolgen in Brugge. Uit voorzorg versassen ze hun beste goederen al naar Engeland, Zeeland en Holland en velen onder hen verhuizen naar Gent en Antwerpen.

 

'Voor de ambachtsman was er niets meer te verdienen in Brugge. Hij wist niet eens hoe hij aan rantsoenen kon raken voor vrouw en kinderen. En de landslieden die opgeschrikt waren door de inname van Duinkerke kwamen nu met hele hopen uit het westen en het noorden naar Brugge toe gevlucht. Ze wisten niet eens waar ze konden wonen zodat er velen onder de poortdeksels van de huizen en anderen op de open straten moesten blijven liggen.'

 

'Daardoor en natuurlijk door de grote armoede, ongemakken en vuilnis, werd er dagelijks een grote menigte van arme vluchtelingen overvallen met buikloop en pest en naar het graf gesleept. En wie nog wat had, werd dat direct ontnomen door soldaten of andere dieven. Hun paarden, ossen, koeien moesten ze uit bittere noodzaak verkopen om aan voedsel te geraken. Melkkoeien moesten noodzakelijkerwijze verpatst worden voor amper vijfentwintig schellingen. Dagelijks vond langs de straten van de binnenstad sukkelaars die gestorven waren van ontbering. De kerkhoven waren veel te klein om al de lijken te slikken waardoor hele stapels lijken buiten de stadsmuren gevoerd en daar begraven werden.'

 

'Het zuchten, klagen en kermen was algemeen. Maar de regeerders bleven stoïcijns doof en bezwaarden de gemeente met de twintigste penning, een extra belasting van vijf procent. Het volk was verbitterd en uitgemergeld door al die lasten en schattingen en richtte zich tegen de slechte huishouding van zijn overheid die dan maar tien vendels vreemde soldaten liet afkomen om zich te beschermen tegen zijn ontevreden inwoners. Maar het gemeente stelde zich daar tegen en er vielen hoge woorden.'

 

Kommer en kwel. En dan nog die Walen die het platteland maar blijven teisteren met hun plunderingen en vernielzucht. Ze dringen door tot op enkele kilometer van Brugge waar ze de boeren aanpakken. Zo bijvoorbeeld in Oedelem en Knesselare. Maar ook in de buurt van Lichtervelde en zijn omliggende dorpen verdrijven ze het vee en nemen ze de buitenmensen gevangen om die dan tegen de betaling van losgeld weer op vrije voeten te stellen.

 

'In juni kwamen ze naar Torhout waar ze enkele bolwerken en verschansingen overmeesterden en waar ze allen doodden die zich niet tijdig uit de voeten konden maken. De hele landstreek werd er verwoest. En alsof er nog geen ellende genoeg was, kwam er dan nog nog meer aangewaaid vanuit onverwachte hoek. Enkele broeders en personen die van de magistraat aangesteld werden om er de zieken bij te staan, richtten er veel snoodheden met de zieken zelf. De buren klaagden dat zij zoveel vuilnis op straat wierpen dat het voldoende zou zien om de pest in de stad te krijgen. Het stadsbestuur heeft de bewuste personen dan maar verbannen en het klooster terug in handen gegeven van de onderwijzers van de stadsschool. Ze vergaten de mensen wel voldoende te betalen waardoor ze voortdurend klaagden dat ze niet genoeg hadden om te overleven.'

 

Onze Hercules heeft zijn hoepels nog niet gekeerd op dit moment in de tijd. Willem van Oranje probeert de inwoners van Vlaanderen er nog eens van te overtuigen dat Jan van Anjou al bij al de beste figuur is om Vlaanderen te beschermen tegen de Spanjaarden. Zijn ze de terreur van Alva dan vergeten? En de onthoofding van hun hertogen Egmond en Hoorn? Brugge en Gent twijfelen aanvankelijk om in te gaan op zijn voorstel. Antwerpen wil er niet van horen waarop Gent duidelijk stelt dat ze met die 'bloedvergieter' zeker niet verder willen. Dan nog liever hun vroegere prins Casimir.

 

In Antwerpen ontstaat er nu nog grote beroering tegen Willem van Oranje. Het gemeen beschuldigt hem ervan om de 'Franse furie' persoonlijk te hebben uitgelokt. De 22ste juli vertrekt de prins duidelijk verstoord naar Zeeland. Zijn plannen om Hercules te herinstalleren liggen nu definitief in de voddenmand. Johannes-Petrus van Male wordt er wat weemoedig en filosofisch bij.

'Wat een wonderlijke tijd was het toch in Vlaanderen en Brabant. Iedereen viste in troebel water en zocht zijn voordeel in de ondergang van de staat. De inwoners, onder dwang van hun eigen krijgsvolk en verleid door de predikanten, verwierpen elk mogelijk voorstel voor vrede. Van het moment dat iemand ook maar over iets zijn of haar mond opende, werd die in de gevangenis gegooid. In Brugge werden al de priesters ontboden bij de magistraat. Dat gebeurde de 15de juli van 1583. De vreemden kregen de opdracht om te vertrekken en de eigen geestelijken mochten blijven. Op voorwaarde dat ze geen enkele misdienst zouden voordragen. Anders zouden ze ook uit de stad moeten verdwijnen, zoals tien priesters recent nog mochten ervaren. Een van hen werd trouwens bijna doodgeslagen omdat hij een kindje had gedoopt.'

 

De vrees voor Farnese zit er diep in bij het Brugse stadsbestuur. Het ziet er meer en meer naar uit dat ook Brugge door de Spanjaarden zal worden aangetast. Wie de voorbije drie maand in de stad gekomen is zonder middelen om zich te onderhouden, dient er te vertrekken. Wie geen voorraad in huis heeft om de komende drie maanden te overleven mag ophoepelen. De huizen worden systematisch gecontroleerd om na te gaan welke voorraden iedereen in zijn huishouden aanhoudt. Wie bomen, boomgaarden of hagen bezit binnen een afstand van zeshonderd meter van de stadsvesten moet die vellen en verwijderen. Communicatie met de vijand wordt absoluut niet getolereerd.

 

Er maakt zich soort van radeloosheid meester van Brugge en zijn buitenomgeving, het Brugse Vrije. Dat debacle van Hercules, het wantrouwen in Willem van Oranje en zijn calvinisten. En dit allemaal terwijl de Spanjaarden ermee dreigen om binnen te vallen. Er hangt Vlaanderen nog heel wat onheil boven het hoofd. Dat voel je zo. Ik ben er zo goed als zeker van dat er nog heel veel ellende volgt. Voor mij is het even welletjes geweest. Ik houd hier halt. De oorlog kan me gestolen worden.