P1565100

Poperinge heeft met de nodige moeite de periode van de beeldenstorm overleefd. Tijdens de tweede helft van de 16de eeuw schudt en beeft Vlaanderen in elk geval op zijn grondvesten. Een fenomeen die zijn sporen nalaat in een hele reeks handschriften en verweerde boeken. Toegankelijk voor latere generaties. Als je maar even de moeite wil nemen om ze op te zoeken. Ik voel me geroepen. Voor mij ligt 'Geschiedenis van Vlaenderen van het jaar 1566 tot aan de vrede van Munster'. Geschreven door Joannes-Petrus van Male, de pastoor van Vladslo en uitgegeven in het jaar 1843. Opnieuw een katholieke getuigenis net zoals dat eerder het geval was bij de Poperingse onderpastoor Juliaan Opdedrinck. Is van Male opnieuw zo fanatiek katholiek? Of niet?

 

Ik waag het erop en vertrouw op mezelf dat ik elke vorm van paardenbrilmentaliteit van uren afstand zal herkennen. De uitgever van het boek, Ferdinand Vande Putte, is zelf een vermaard historicus en een oude bekende van me. Hij lijkt mijn kritiek wel te ruiken en anticipeert al onmiddellijk in zijn voorwoord: 'de partijen worden neutraal beoordeeld en de schrijver, hoewel hij katholiek en priester was, weet hij de misslagen welke door Spanje begaan werden evenzeer te berispen als die welke bedreven werden door de Hollandsgezinden.' Zo hoort geschiedenis te zijn. 'Men moet iedereen beoordelen op basis van feiten. Daden mogen niet verminkt worden en dat allemaal tot beternis van onze nakomelingen.' Ik hoor het hem graag zeggen en houd zijn goed voornemen in mijn achterhoofd.

 

Ik ga op het puntje van mijn stoel zitten. Schrijver Joannes-Petrus van Male moet in 1843 al zeker honderd jaar dood zijn. Hij werd geboren tijdens de oogstmaand van 1684 te Brugge en kiest in zijn jeugd voor een geestelijke carrière bij de Predikheren. Een keuze die hij onderbreekt om zich te kunnen focussen op geschiedenis, letterkunde en vooral op schilderen. Iets wat niet echt lukt, want op zijn drieëntwintig wordt hij alsnog tot priester gewijd. Zij het een exemplaar met literaire ambities. Na zijn doortocht in Bovekerke, belandt van Male in Vladslo waar hij op 5 september 1735 overlijdt. Amper 56 jaar. Zijn nalatenschap bestaat uit enkele geschiedkundige boeken. Ik mag me dus intellectueel mede-erfgenaam noemen van zijn 'Geschiedenis van Vlaenderen.'

 

Het staat me erg aan dat zijn geschriften er komen in een periode dat alles nog vers in de menselijke geheugens zit. Wat hij schrijft kan hij nog vernemen uit de monden van mensen die het hebben horen vertellen van hun eigen ouders en grootouders. En dat maakt zijn werk er echt wel authentieker op. Hij begint in het jaar 1566 nadat de eerste alternatieve sermoenen hun toegang hebben gevonden in Vlaanderen en waarbij de reactie van de overheid loskomt.

 

Van Male begint zijn boek met het ongenoegen van de koning van Spanje wegens de gedurige uitbreiding van de ketterij in zijn landen. In januari 1566 kondigt hij een streng plakkaat af in verband met de religie bij ons. 'Maar in plaats van het vuur te dempen, laat hij het nog veel sterker branden.' Joannes-Petrus van Male blijkt dus inderdaad te beschikken over een schrandere geest en hij laat zich niet verleiden tot katholieke vooringenomenheid. Het zegt de dingen zoals ze zijn en wordt direct mijn vriend en zielgenoot op mijn trektocht door zijn boek. Ik hoop maar dat het zo blijft.

 

'Edelen en onedelen in de Nederlanden spreken zich uit tegen de uitvoering van het koninklijk bevelschrift en meer bepaald tegen de inquisitie.' Heel begrijpelijk als men weet dat velen onder hen al 'het vergif van de ketterijen' meegebracht hebben uit Frankrijk, Engeland of Duitsland. Ik probeer zijn uitlating over dat gif even door de vingers te zien. Hopelijk was dit niet meer dan een katholieke 'slip of the tongue'. Op 5 april 1566 verzoeken de edelen in een gemeenschappelijk verzoek niet alleen om een verzachting van de wet, ze eisen een totale vernietiging van het bevelschrift.

 

De voornaamste hoofdrolspelers zijn op dat moment graaf Lodewijk van Nassau, de markgraaf van Bergen, de graaf van Culumberg en de heer van Brederode. Ze worden gevolgd door veel andere 'grote heren.' Landvoogdes Margaretha van Parma probeert de gemoederen te sussen en kondigt enkele voorwaardelijke maatregelen af die de scherpe kantjes van de nieuwe wet ervan af halen. Voldoende om de magistraten en de heren van de wet in een onmogelijke situatie te brengen. Welke orders moeten ze nu eigenlijk volgen? Een schizofrene toestand die snel merkbaar wordt in het land. Clandestiene vergaderingen uit vrees voor de wet worden nu vervangen door openlijke manifestaties. Wie kan hen eigenlijk iets maken?

 

'Hierop volgde het samenrotten van het gespuis en het schuim van het volk, iets wat in vele steden en dorpen aangestuurd werd door opstandige leraars. Ze liepen op kerken en kloosters zoals dat geschiedde in Antwerpen en in 's-Hertogenbosch.' Veel van die valse profeten hebben in Vlaanderen en in de andere provinciën al een grote aanhang. Op 20 juli 1566 predikt een calvinist in Sint-Pieters-Aalst, een dorp in de buurt van Gent. Hij doopt er een kind en gooit meteen al het katholiek ceremonieel overboord. Eén eenvoudige zin is al meer dan genoeg om baby 'N' te dopen.

 

'Bij deze prediking was veel volk wel gewapend en geheel de vergadering was met “kafren” en wagens verschanst tegen een onverwachte opstoot. Er ontbraken ook geen kramers die ongeoorloofde ketterse boeken verkochten. Andere personen werden onderweg opgesteld om de weg te wijzen naar de plaats van de prediking.' Sinds kort zijn al de herdopers die gevangen zaten op vrije voeten gesteld, waardoor velen het nu plots wel aandurven om zich te outen voor het nieuw geloof. Op dergelijke prediking in Deinze arriveert er een menigte van Gents volk, te voet, te paard, met wagens en met schuiten. Allemaal om te luisteren 'naar die verkondigers van valsheid, met onder hen een aantal valse leerlingen die niet aarzelden om op te roepen tot oproer.' De opruiende preken zijn van die aard dat de Gentse ambachten oproepen om waakzaam te blijven voor 'oproerige aanslagen van deze evangelische broeders.'

 

Een deel van de gezellen komt daarna naar Eeklo waar hun predikant zijn sermoen houdt in de plaatselijke kerk. Van daar gaat het naar Zevekote onder Brugge waar de burgerij ontzet is door het gerucht van een toestroom van dertig- tot veertigduizend man. Het magistraat van Brugge roept er graaf van Egmont bij. Brugge loopt levensgrote risico's. Het gespuis wil hier nu zelf komen prediken op 10 augustus. De kerken van Sinte-Catharine en van Sint-Kruis worden in allerijl potdicht gemaakt en helemaal afgesloten zodat er nu gespeecht wordt op het kerkhof.

 

Vijftig ketterse gezellen willen nu ook binnen in het centrum van de stad Brugge. 11 augustus 1566. Hoogbaljuw D' Oignies laat de stadspoorten sluiten en wie binnen wil, moet zijn wapens afgeven. 'Desondanks kwamen anderen van dat volk dicht tegen de vesten hun psalmen zingen en hielden ze daar hun zogezegd nachtmaal.' De graaf van Egmont doet ze ophoepelen en als ze dan niet doen zal hij dat in hun plaats doen. Zo wordt er in elk geval een aanslag verijdeld op Brugge. Achteraf gaan grote benden overal rondzwerven op het platteland.

 

Het zuiden van West-Vlaanderen kan er over meepraten. 'Een deel van die goddelozen raakte binnen in de kerk van Voormezele bij Ieper en smeet er de beelden, schilderijen, altaren, deuren, vensters en het orgel aan duizend stukken en vernielde daar de zerkstenen en de grafschriften van de overledenen.' Er spelen zich gelijkaardige taferelen af in de abdij van Marquette te Wevelgem, in het klooster van Sint-Anteunis bij Belle en in de abdij ter Duinen naast Veurne waar ze tot overmaat van ramp de fantastische bibliotheek van geschreven en gedrukte boeken vernielen en de geestelijken ginder een hoop verwensingen naar het hoofd gooien.

 

Het oogluikend toelaten van het nieuw geloof zorgt ervoor dat de razernij van dag tot dag toeneemt. 'Waar waren de verantwoordelijken die vanwege hun ambt verplicht waren om zorg te dragen voor de religie en het gezag van de koning?' Schrijver van Male vraagt het zich vertwijfeld af. Acht dagen na de beeldenstorm in Antwerpen ontsteekt de furie in Gent. Meer bepaald op 22 augustus 1566. 'Om twee uur in de namiddag was een grote hoop oproerigen wel gewapend bijeengetroept en begaven de ketters zich onder het beleid van Jan en Lieven Ongena en een zekere Claude Goedgebeur naar de Sint-Janskerk. Ze riepen met luide stemmen dat ze van de koning en het stadsbestuur de opdracht hadden gekregen om de beelden te verwijderen uit alle kloosters, kerken en kapellen.'

 

'De kerkbewaarder liet zich vangen aan deze woorden en aan de aanwezigheid van enkele hellebaardiers van de hoogbaljuw en opende onvoorzichtig de deur van de kerk. Waarop al dat onzinnig gespuis het gebouw binnenliep en in weinige tijd waren al de beelden afgesmeten en gebroken. Het nieuws was nog maar amper door de stad verspreid of al het lokaal boevenschuim raakte mee op de been en liep het van de ene kerk en klooster naar de andere en gooide er alles aan diggelen. De vrouwen en kinderen sloegen de handen aan de kerkgewaden en scheurden alles van malkander. Ze namen al de gouden en zilveren vaten. Het leek er wel op dat al de duivels uit de hel aan het werk waren.'

 

'Ze bedorven op geen tijd de kloosters van de vier religieuze orden; de Bijloke, de Groene-Briel, het Rijke-Gasthuis en de abdij van Sint-Pieters waar ze zo veel schone boeken scheurden of meenamen. Ook de andere godshuizen werden door de rovers overvallen. De schade die ze er aanbrachten was niet in te schatten. De oploop bleef nog de hele volgende dag aan de gang. Maar de magistraat wilde de voortgang ervan beletten en deed twee galgen oprichten op de Korenmarkt. De eerste die het nu nog zou wagen om kerkgoed aan te pakken, zou hier straks aan een touw bengelen.'

 

Een groep soldaten onder leiding van enkele kapiteins neemt de wacht bij al de voornaamste plaatsen en bewaakt voortaan de kloosters en de godshuizen. Rijkelijk laat natuurlijk. De beeldenstormers hebben ondertussen natuurlijk al hun kwalijk ding gedaan in Gent en koekeloeren nu richting Brugge waar ze hetzelfde spel willen beginnen. Ze maken eerst de hoofden van de Bruggelingen zot met geruchten dat ze met maar liefst zestigduizend man op komst zijn. Maar dat gerucht verdwijnt in rook als de burgemeester een extra beveiliging krijgt van 200 busschutters. Met dank aan graaf Egmont en aan de geestelijkheid voor hun financiële steun.

 

Ze zijn er in Brugge hoe dan ook niet echt gerust in. De meeste kunstwerken, beelden en schilderijen verhuizen naar een beschermde locatie en in elke kerk worden er enige gewapende soldaten gepositioneerd. Zo zien de rebellen ook hun tweede aanvalspoging verijdeld. Ze geven de moed niet op. In Antwerpen en Hasselt was de beeldenstormerij en de oproer vooral het werk van een zekere Herman Van den Bussche die door van Male omschreven wordt als een 'oproerige en stoute minister'. Kan deze opperketter hen bijstaan hier in Brugge?

 

Zijn grote specialiteit blijkt te liggen in zijn opruiende taal. Ik laat het de schrijver zelf vertellen; 'deze heeft niet geschroomd om te prediken tijdens de kermis van Sint-Kruis naast Brugge. Dat gebeurde de namiddag op het kerkhof in het bijzijn van heel veel volk en het gerucht van al dat volk verspreidde zich als een lopend vuurtje door de binnenstad. Te Brugge sloeg men de klokken aan boord en men zond er een deel soldaten naartoe die de predikant en de toehoorders deden ophoepelen. Het komt in Sint-Kruis ook nog tot een confrontatie tussen de ketters en enkele Spanjaarden. Een krakeel waarbij enigen van beide partijen gekwetst werden.'

 

'Daarom zijn ze in groten getale en met niet minder gedruis naar het stadhuis gekomen, klagende en niet zonder dreigen aan de magistraat over het geweld dat hen werd aangedaan ondanks alle afspraken waarbij vrije prediking buiten de stad toegestaan was geweest.' De burgemeester zwicht onder de druk van hun aanvoerder Mattheus Van Vyve. Zolang graaf van Egmont er niet is, mogen ze weer sermoenen geven in Sint-Kruis. De katholieken die een verzoek hadden ingediend om de prediking te verbieden, worden met een kluitje in het riet weggestuurd. Met een simpel statement van de Brugse burgemeester; 'zouden we niet beter in vrede leven met elkaar?' Een vraag die natuurlijk nu tot op de dag van vandaag wel erg simplistisch is. Waarom zouden we dat in godsnaam eigenlijk moeten doen?

 

Maar goed. Ik wijk af. Terug naar Brugge van september 1566. De burgervader van Brugge beseft ook wel dat hij de andersdenkenden beter gematigd behandelt. De landvoogdes heeft in het principe zelfs gevraagd. En ook graaf van Egmont heeft de nieuwgezinden enigszins vriendelijk aangepakt tijdens hun bezoek aan de Raad van Vlaanderen op 9 september. En blijkbaar hebben de calvinisten trouwens nu de toelating gekregen om hun eigen tempels te bouwen in de buitenomgeving van Gent en Oudenaarde.

 

De katholieken in Brugge tonen minder begrip en spelen een vuil spel om de toegestane sermoenen met alle mogelijke manier te verijdelen. Mijn term 'vuil spel' mag best letterlijk genomen worden als ik het er op nalees: 'Hoewel de magistraat de plaats in Sint-Kruis voor hun vergaderingen had toegestaan, konden de katholieke ingezetenen van Brugge dat niet lijden en enigen onder hen besloten om de plek met drek en andere vuiligheid te vullen, zodat ze, door de stank gedwongen, deze plaats zouden achterlaten.'

 

De toelating om tempels te bouwen zorgt voor een stroomversnelling bij de 'nieuwe evangelie broeders'. Die komen er in Antwerpen, Amsterdam en in Gent. Met dank aan gewezen schepenen en schatbewaarders Marc De Mil, Lieven Hendricx, Lieven Brakelman, Jan Louveroys, Jan Maertens en Jan De Vos. Die mannen zorgen voor de nodige financiële middelen om de bouwwerken te bekostigen. De katholieken noemden het gebouw in de buurt van Gent 'de schuur van het paardenkerkhof', omdat er op die plek ooit eens het kadaver van een dood paard werd gevonden.

 

De tempels worden in een cirkel opgetrokken. Met centraal een plaats voorzien van zitbanken die bestemd zijn voor de ouderlingen en de voorzangers. Met daarnaast een verheven gestoelte voor de kerkleider die ze bij de protestanten aanspreken als 'minister' en die zich in het geheel niet stoort aan enige geboden of verboden van de overheid en er al direct invliegt met prediken, dopen en trouwen. De voornaamste minister is een zekere Pieter Dathen, een uitgetreden karmeliet van het Iepers klooster. 'Gemeenzaam genoemd de predikant met de rosse baard welke de psalmen van David in het Vlaamse rijmen heeft omgetoverd en van wie nog meermaals zal gesproken worden. Dathen wordt geassisteerd door Herman Van den Bussche, Nicasius Van der Scheuren en Jacobus Carpentier, geboortig van Mesen.'

 

De Brugse nieuwgezinden kijken afgunstig naar hun buren in Gent en Antwerpen die er op los dopen, trouwen en begraven conform hun nieuw geloof. Waarom kan dit hier niet in Brugge? Petrus De Corte, de allereerste bisschop van Brugge legt bij het magistraat zijn macht in de weegschaal om dat te beletten. Het stadsbestuur volgt zijn bisschop. Elke burger die zijn kind laat dopen door een minister zal uit de stad verbannen worden en wie daarover klachten heeft moet zich wenden tot landvoogdes Margaretha. Mevrouw van Parma bevestigt de orders van die van Brugge en gebiedt trouwens voor heel Vlaanderen dat geen enkele minister de permissie krijgt om te dopen, te trouwen en te begraven. Niemand moet zich trouwens illusies maken: dit zal nooit toegelaten worden!

 

Haar gebod wordt op de 12de oktober van 1566 uitgeroepen te Gent en wordt door de nieuwgezinden bespottend onthaald. Ze vegen er vierkant hun voeten aan, doen alsof ze niets gezien of gehoord hebben en verzoeken ongegeneerd aan het stadsbestuur om de Sint-Martinuskerk in Ekkergem te mogen gebruiken tijdens de komende wintermaanden. De plaats van Ekkergem is op vandaag een wijk in Gent. En of ze nu al dan niet toelating hiervoor zullen krijgen is niet erg relevant want ze willen hoe dan ook hun sermoenen houden in deze kerk. Hun verzoek wordt zoals verwacht afgewezen en de kerk van Ekkergem krijgt nu bewaking van overheidswege.

 

'En toch bleven ze dopen, trouwen en begraven. Iets wat de regentes van de Nederlanden zeer mishaagde en wat nog meer het geval was voor haar broer Filips II, de koning van Spanje. Hij was zeer vergramd omdat men in de Nederlanden de waarachtige godsdienst zo vertrappelde. Hij stortte zijn gramschap uit tegenover de markgraaf van Bergen en baron de Montigny die naar Spanje afgereisd waren om voor een verzachting van de plakkaten te verzoeken.' Dikke pech. Verkeerde vraag op een verkeerd moment aan een verkeerde persoon: 'de markgraaf van Bergen, ziende hoe slecht men hun voorstellen hier onthaalde, stierf van hartzeer en de andere die medeplichtig werd verklaard van een samenzwering onder de edelen, werd onthalsd.'

 

Onze diepchristelijke koning laat weten dat hij erg mistevreden is over de slapheid van de gouvernante en haar Raad van Vlaanderen. Als hij bevelen geeft, moeten ze die opvolgen en niet aanpassen. Na veel wikken en wegen vertrekt er in Spanje een machtig leger richting Nederlanden. De hertog van Alva, Ferdinand de Toledo, neemt de leiding van de armee en zal geen geweld schuwen om de weerspannigen bij ons tot rede te brengen. Madame van Parma moet volgen. Filips' brieven zijn duidelijk genoeg. Ze doet wat ze kan. De geest van de opstand is echter uit de fles.

 

'De nieuwgezinden werkten verder om hun partij te versterken en verergerden hun zaak nu met het beeldenstormen, wapenlopen en mishandelen van geestelijken, zodat de hertogin niet veel anders kon dan een edict af te kondigen waarbij de beeldenstormers opgespoord en gestraft werden.' Op 9 april 1567 gaat de tempel in Gent tegen de vlakte na een optreden van Aernoud Boyssens en zijn manschappen. Ook in Valenciennes wordt nu hard opgetreden. Er volgen afrekeningen in Rijsel en Oosterweel. De toekomst voor de andersgelovigen ziet er plots heel anders uit.

 

De nieuwe wetten van de landvoogdes wordt nu toch wel zichtbaar over heel Vlaanderen. In de steden moeten de burgers allemaal een nieuwe eed afleggen. Uiteraard een eed waarbij ze zweren op het katholiek geloof en de bestaande structuren. 'Allen die deze eed weigerden, werden ontwapend en wanneer ze enige ambten bekleedden werden ze ervan ontbloot. Iedereen die zich had ingelaten met de promotie van de ketterij werd gedagvaard met het risico op eeuwige verbanning en men ontnam hen hun goederen.' Ik krijg een hele waslijst voorgeschoteld van gestrafte Gentenaars die deze sanctie opgelegd krijgen. Enkele dagen later worden voerman Joris De Bursene, smid Joris Van Westhuise en de mandenvlechter Gillis opgeknoopt.

 

Korte tijd later loopt ook een poging om opnieuw te preken in Brugge faliekant af wanneer de soeverein-baljuw van Vlaanderen met enkele dragonders ingrijpt en de aanstokers oppakt. 'Onder hen een schoolmeester die predikant wilde spelen en weinig te voren een kind op calvinistische manier had gedoopt. Hij werd de volgende dag opgehangen en het leek er wel op dat de gehoorzaamheid aan de koning van Spanje wel zou terugkeren.'

 

Zo komt de rust helemaal niet terug en dat is helemaal de schuld van de Spaanse koning. Pastoor van Male is terecht kritisch als hij het heeft over het falen van de overheid. 'Men heeft door een slechte ijver alles bedorven hier. In plaats van zachtmoedigheid de bijna herstelde rust te verzekeren, heeft men voor strengheid gekozen. In plaats van de genadige gouvernante die de Nederlanden als een moeder en met tedere liefde bestuurde, kwam nu Alva, weliswaar een ervaren krijgsman maar tegelijk een hard en onverbiddelijk figuur die opstandige Vlamingen vergeleek met Moren en Turken en die niets anders zag dan hen te doen buigen met vuur en met het zwaard. Dat is oorzaak geweest van de grote teloorgang van onze landen, een scheuring in de religie en het verlies van provinciën en steden die in handen gekomen zijn van vrijgevochten staten.' Het valt moeilijk te beschrijven hoeveel bloed en geld deze oorlog ons heeft gekost!

 

Alva komt meteen in beeld. Doorheen de Nederlanden worden er biddagen gehouden om er bij God op aan te dringen dat de koning van Spanje een voorspoedige reis zou mogen ondervinden bij zijn trip naar de lage landen. Tot enkele tijdingen erop wijzen dat niet de koning maar wel de hertog van Alva op komst is. Met een leger van het beste Spaanse krijgsvolk, allemaal vertrokken uit regimenten die verspreid lagen in Napels, Sicilië, Sardinië en Milaan. Met daarbij nog enkele duizenden Italianen.

 

Op 22 augustus 1567 arriveert Alva in Brussel. Hij wordt er verwelkomd door Margaretha, de Raad van Vlaanderen, de burgemeester en door de lokale edelen en andere inwoners. Alva toont hen de volmachten die koning Filips II hem heeft overhandigd. Dat zal best even schrikken zijn voor het ontvangstcomité; hij blijkt over een zo goed als onbepaalde macht te beschikken om te doen wat hem belieft in alle steden, provinciën en sterkten van Vlaanderen en de Nederlanden. De landvoogdes mag haar schup afkuisen en voor haar vertrek raadt ze nieuwkomer Alva nog vruchteloos aan om te proberen de Nederlanders en de Vlamingen voor zich te winnen en zeker geen repressie te gebruiken. Ze wist toen al 'de onheilen die deze man zou veroorzaken', iets wat achteraf ook zal blijken.

 

Op 30 augustus doen de negentien bataljons Spanjaarden hun intrede in Gent. Met vooraan hun leider Maestro del Campo met enkele andere ruiters. Daarachter marcheren enkele gelederen musketiers en piekeniers die gevolgd worden door tien vaandeldragers en de rest van de musketiers en piekeniers. De andere bataljons stappen in gelijkaardige orde door de straten van een vertwijfelde stad. Ze trekken naar het centrum, naar de Vrijdagmarkt waar ze zich in slagorde opstellen, hun musketten afvuren om zich dan achteraf te begeven naar hun slaapplekken.

 

De Spaanse soldaten zullen vooral slapen in het centrum van de stad. Bij de burgers zelf die gedwongen werden om drie tot zes van deze onaangename gasten te herbergen. 'Wat nog het onaangenaamst was, waren de kinderen en de wijven van de soldaten die ze erbij moesten nemen. Langs alle kanten hoorde men groot gewoel, geschreeuw en vreemde verwarring die zulke schrik veroorzaakte dat allen die zich een beetje schuldig voelden meteen de stad verlieten.' Ook Brugge krijgt enkele regimenten Spanjaarden te logeren. Die zullen ook hier met een scheef oog bekeken worden. Hun hoogmoed en de overlast die ze bezorgen maakt hen direct gehaat. De Spaanse militairen eisen trouwens niet alleen de sleutels van de stad op, hier en daar moeten de burgers de sleutels van hun eigen woning aan hen afgeven.

 

Terwijl zijn troepen Gent en Brugge bezetten is de hertog van Alva al direct begonnen met de uitvoering van zijn plannen. Hij richt een bijzondere rechtbank op, een raad die bestaat uit een mix van Spanjaarden en Nederlanders. Deze raadsheren zullen zich moeten uitspreken over alle personen die zich schuldig gemaakt hebben aan 'gekwetste goddelijke of koninklijke majesteitsschennis'. Jacobus Maertens zal de rechtbank voorzitten. Deze man is trouwens de president van de Raad van Vlaanderen. Hij wordt bijgestaan door enkele raadsheren van over het hele land. Ik som ze even op: Jan de Blasere, Jacobus Hessels, Jan Delaporte, een zekere Delrio van Brugge, Jan Dubois, ene meneer Mestdagh. De echte leider van de nieuwe rechtbank is Vargas, een in Nederland geboren man van Spaanse afkomst. Die Vargas blijkt een bloeddorstige man wiens ijver veel groter is dan zijn verstand.

 

Deze nieuwe raad wordt bij de Fransen 'le conseil des troubles' genoemd en krijgt bij ons als vlug het etiket van 'Bloedraad' opgekleefd. Deze 'Raad van Beroerte' zal zich baseren op achttien wetten om de misdadigers te berechten. Een deel van die wetten is afkomstig van onze eigen damhouder en die worden toegevoegd aan de wetten van de 'allerstrengste rechter Draco, wiens jurisdictie berucht was omwille van zijn allergrootste strafheid en die in bloed geschreven was.'

 

De Bloedraad vangt aan met een regelrecht treurspel. De graven van Egmont en Hoorn worden door Sanchio D'Avila opgepakt omwille van hun tolerantie ten opzichte van andersgelovigen. Ze zijn niet alleen. Onder de opgepakten bevindt zich eveneens zijn secretaris, Bruggeling Jan Casembroot. Ze worden op 23 september 1567 onder begeleiding van vierhonderd ruiters en enkele pelotons voetvolk, goed voor drieduizend man, naar Gent gebracht. Graaf van Egmont zit in een koets die voortgetrokken wordt door twee muilezels en zijn collega van Hoorn moet de trip maken in een 'gemene wagen'. Ze worden verwacht aan het kasteel van Gent waar een zekere Hiëronimo de Salinas hen verwacht. De toplieden worden hier opgesloten en volledig geïsoleerd gehouden van de buitenwereld.

 

Gedaan met de halfbakken wetgeving die al die godsdienstvrijheid tot stand heeft gebracht. De oude wetten van keizer Karel worden weer in voege gebracht. 'Men begon scherpelijk te werken tegen al de predikanten, hun aanhangers en allen die ook maar enigszins van ketterij verdacht werden.' In Brugge blijft het vooralsnog redelijk rustig maar in Gent is dat toch wel wat anders. Heel wat huisgezinnen zien vaders en broers in paniek wegvluchten om in leven te kunnen blijven. Al hun huizen, meubelen en eigendommen worden aangeslagen en de mensen vliegen op de straatstenen. Om te overleven zien ze zich verplicht om ongeoorloofde middelen te gebruiken om te kunnen eten.

 

Ik ben getuige van een onvervalst drama. De blinde terreur van Alva zorgt voor hallucinante taferelen in de stad van Gent en daarbuiten. 'De uit hun huizen gezette families begaven zich tot moorden en branden, uitstortende op de Spanjaarden en geestelijke personen hun wraakgevoelens over het verlies en de dood van hun familieleden en vrienden. Ze deden het meeste kwaad aan de geestelijken in West-Vlaanderen. Van enkele sneden ze neuzen en oren af zoals bij de pastoor van Hondschote. Anderen werden gegeseld of ongenadig gepijnigd door het vuur. Zo vermoordden ze een pastoor en zijn koster.'

 

Uiteraard wordt de jacht geopend om de booswichten voor het gerecht te brengen. 'Deze wanhopige en verbitterde mensen hielden zich op in de bossen en op afgelegen plekken en zo noemde men hen de 'wilden' of de 'bosgeuzen'. Twee onder hen die een pastoor zo deerlijk hadden mishandeld, werden opgepakt en op de Gentse Korenmarkt en in de Sterre gevangen gezet.'

 

De Bloedraad heeft twee deurwaarders in dienst genomen die niets anders meer doen dan het schatten van de eigendommen van de opgepakte bosgeuzen. Het zijn de raadsheren Franciscus Curtewyle en Jan van der Burcht. Het duo gaat langs bij allen die beschuldigd worden van iets misdaan te hebben tegen God en de koning, hetzij via deelname aan de beeldenstorm hetzij via de hulp voor het bouwen van de geuzentempel of voor enige deelname aan gewapende acties tijdens sermoenen. Alle aangeslagen goederen en eigendommen komen achteraf in de handen van enkele ontvangers.

 

Op 10 februari 1568 worden de namen van alle schuldigen voorgelezen. De bekendmaking had eerder al plaatsgevonden in de respectieve steden van de daders. Ze moeten nu allen verschijnen voor de Bloedraad van Brussel waar ze zich uitvoerig moeten verontschuldigen voor de hertog van Alva. Van Male blijft in het ongewisse hoeveel Bruggelingen er aangehouden werden. Van het Gentse zijn er in elk geval honderdvijftig. 'Zodra al deze en andere personen bij naam en toenaam werden opgeroepen, begon de procureur-generaal, Jan Debois, in de Franse taal de zaak in te leiden voor de beschuldigden en wie zijn naam hoorde vallen, moest antwoorden met 'hier ben ik'.

 

Terwijl de deurwaarders klaar staan om hun eigendommen aan te slaan, begint een hoogst bedrieglijke procedure. Velen leven in de veronderstelling van op vrije voeten te komen na hun vraag om vergiffenis, zolang ze maar schuld en spijt bekennen en op hun eerstencommuniezieltje beloven om het nooit meer te doen. 'Maar Alva wist van geen vergeven noch vergeten, en zo is kort daarna het bloedvergieten begonnen. Op de 29ste maart werden verscheidene calvinisten uit de stadskerker weggehaald en naar het Gravenkasteel gebracht. De volgende dag verschenen ze op de plaats van Sinte-Pharaïldis waar ze hun doodsvonnis kregen te horen.'

 

Ik heb al enkele keren hele lijsten van namen moedwillig achterwege gelaten. Dit keer doe ik dat niet. De repressie moet een gezicht krijgen. Ik wil een beeld opvangen van de mensen die hier om het leven zullen worden gebracht. Wie zijn ze? Wat hebben ze gedaan in hun leven en waarom worden ze nu zo gestraft?

 

'De ene na de andere moest verschijnen. Meester Willem Rudsemelis, advocaat omdat zijn zoon een calvinistenprediker was. Pieter Andries, gevolgd door een tegeldekker en daarna Lieven De Smet een koopman in lakens. De man is zeventig. Gillis de verver en na hem een zekere Jacobus die aanvankelijk schoenmaker was maar uitgegroeid is tot een heelmeester. Hij kon zien aan de urine van de mensen welke kwalen ze hadden en had er niet het minste gedacht van dat hij hiervoor zou moeten sterven.'

 

Voor hun terechtstelling is er eerst nog een andere 'show'. Zeg maar een treurspel van intense droefheid. 'Men bracht uit het Gravenkasteel vier jongelingen die slechts gekleed waren in een linnen rokje dat tot aan hun knieën reikte. Ze werden één voor één aan een staak gebonden waarop bundels hooi en stro waren aangebracht. De scherprechter wilde hen eerst wurgen, maar Maestro del Campo weigerde dat omdat het viertal hardnekkig bleef bij de eigen overtuiging. Terwijl ze hun eigen psalmen zongen, stak hij het vuur aan. Del Campo was zo onbarmhartig dat hij eigenhandig enkele takkenbossen aftrok en spottend uitriep dat ze nu nog wat langer zouden mogen zingen.'

 

Velen hebben geloofd in de ijdele beloften van de Spaanse overheid en vermoeden nu in de verste verte niet dat ze nooit nog naar huis zullen terugkeren. Jan Commelin en zijn zoon Niclaeys De Salerre en veel anderen worden ter plekke onthoofd. Adriaen Dierkens, Maerten d'Hamere en Nicolaes Van der Steene blijven gevangen.

 

In die tijd leven er in Brugge veel geleerde mannen waarvan enkelen aanhanger zijn van de nieuwe geloofsgevoelens. De anderen houden het bij het oude Rooms apostolisch geloof. Bij de eersten is er een zekere Jan Van den Casteele die vindt dat er best een tussenweg kan zijn tussen beide geloofsstelsels. Hij krijgt hiervoor forse tegenwind van Cornelius Adriani, in Brugge beter bekend als broeder Cornelius. En van zeggen komt het tot schrijven. Grappig hierbij is dat die Van den Casteele zijn brieven ondertekent met 'Castelius' of 'Joannes Castelius'.

 

Van den Casteele richt een brief aan de Minderbroeder en krijgt er op 18 februari van 1567 al antwoord op. Een heel geleerd antwoord waarbij het er op neerkomt dat Castelius een ketter is. Broeder Cornelius begint daarna een smerige campagne tegen Van den Casteele waardoor hij natuurlijk de haat van de andersgezinden op zijn hals haalt. Pikant is dat één bijnaam nog niet voldoende is voor Van den Casteele. Hij verspreidt zijn alternatieve pamfletten eveneens onder de naam van Stephanus Lindius.

 

Van den Casteele wordt opgepakt en op bevel van Alva opgesloten in het Gravenkasteel. 'Terwijl men in al de steden en dorpen niet anders en hoorde als van vangen, hangen, onthoofden en branden, werden de Spanjaarden op 24 mei 1568 omtrent Groeningen verslagen door Lodewijk van Nassau. Pastoor van Male verzuimt het om wat meer uitleg te geven en ik ga zelf even uit op onderzoek. Al van in 1567 kietelt het bij de prominente Nederlandse edelman Willem van Oranje om iets te doen aan de Spaanse verdrukking. In maart van 1567 liet hij het leger van de geuzen nog aan zijn lot over wanneer ze klop kregen tijdens de slag van Oosterweel.

 

Willem van Oranje gaat in alliantie met de Normandische edelman Frans de Coqueville, met de graaf van Hoogstraten. En ook Willems broer Lodewijk van Nassau is van de partij. Hun troepen staan onder leiding van Jan van Montigny. Terwijl de Fransman een aanval plant op Artesië, zullen de Hollanders Friesland en Groningen voor hun rekening nemen. De Fransman bekoopt wat later de rebellie met het verlies van zijn hoofd. Na enkele nederlagen tegen de Spanjaarden komt het op 24 mei 1568 dus tot een confrontatie in Groeningen, een plaats in Friesland. Het is dus hier dat Lodewijk van Nassau een overwinning behaalt op de Spanjaarden die naar verluidt zorgt voor wel zestienhonderd gesneuvelde mannen die onder leiding stonden van de koningsgezinde graaf van Arenberg.

 

De gevangen Spanjaarden worden overal aan de bomen opgehangen en dat zorgt op zijn beurt voor vreselijke revanchegevoelens bij Alva. Op 1 juli worden er aan de Brusselse Zavel negentien edellieden onthoofd. De volgende dag is het de beurt aan vier anderen. Eén dag later worden de graven van Egmont en Hoorn van Gent naar Brussel gevoerd. De 4de juli arriveren ze en worden ze opgesloten in het Broodhuis. De hele Vlaamse en Nederlandse adel vreest dat hun collega's het niet zullen overleven. De volgende dag worden ze inderdaad publiekelijk onthoofd. Velen slaan nu op de vlucht. 'Dit alles veroorzaakte overal een grote vrees en benauwdheid, maar ook een onverzoenlijke haat en een verbittering in de gemoederen, waardoor van beide zijden veel wrede onmenselijkheden werden bedreven.' De dramatische julimaand van 1568 wordt afgesloten in Ronse waar Lowyse Kiekenpost, de weduwe van Hugo Moeyaert, samen met één van haar nichten wegens ketterij onthoofd wordt.

 

Ik moet er ook nog bij vertellen dat Alva al op 21 juli 1568 revanche neemt op Lodewijk van Nassau wanneer hij diens leger verslaat tijdens de slag van Jemmingen in de provincie Groningen. Zevenduizend van zijn mannen verliezen er het leven bij en voortaan hebben de Spanjaarden weer vrij spel in de Nederlanden. De officiële oorlog lijkt voorbij. Maar dat is enkel schijn. De oorlog tegen de Spanjaarden en de katholieken die meezeulen met de vijand gaat nu pas voorgoed van start. Een clandestiene en vuile oorlog met de bosgeuzen in de hoofdrol.

 

Een soort guerrilla-oorlog à la Vietnam. Zonder napalm, maar even vreselijk. Veel Vlaamse ambachtslieden slaan op de vlucht richting Engeland. Om vrij te zijn van vervolgingen waardoor onze steden en dorpen plots geconfronteerd worden met een nooit geziene leegloop. 'En gelijk de bosgeuzen te lande alles onveilig maakten, hebben ook de watergeuzen enige tijd de zee verontrust en alles geroofd wat ze konden krijgen zodat de koophandel helemaal bedorven werd en er nergens nog enige troost of rust te vinden was.'

 

Op 2 augustus 1568 wordt Jan Ongena opgehangen op de Gentse Korenmarkt. Hij betaalt daarvoor de tol voor een reeks spotverzen waarmee hij de draak heeft gestoken met priesters en nonnen. Het was trouwens diezelfde Ongena die de inquisiteur van Ronse, Pieter Titelmans, omschreef als 'het varken van Bijloke'. Hij was aanvankelijk gespaard gebleven maar aanvullende beschuldigingen van deelname aan de beeldenstorm, werden de dichter uiteindelijk fataal.

 

Ondertussen gaat men in Gent en Brugge lustig verder met het aanslaan en verkopen van de eigendommen van de andersgelovigen. Hun huizen worden te huur aangeboden voor een periode van drie jaar waarbij de huurinkomsten in de zakken van Alva verdwijnen. De huurprijzen gaan er trouwens op achteruit wegens de vlucht van hele horden inwoners. Tijdens de augustusmaand van 1568 wordt er in heel het land een grote biddag gehouden om God te danken voor de grote zegepraal die Alva behaald heeft op Lodewijk van Nassau. 'Merci en gracias God voor de dood van zevenduizend soldaten.'

 

Vanuit Brugge vertrekken er honderdvijftig Spanjaarden met driehonderd trekpaarden uit het Vrije om zich aan te sluiten bij het leger van Alva. Van Male blikt nog eens terug naar het jaar 1567. Op 7 september werd de eerste bisschop van Gent er met het nodige showgehalte ontvangen. De zeer geleerde en welsprekende Cornelius Janssenius kreeg een maaltijd aangeboden in de woning van de proost van Sint-Baafs. Een maand later stierf zijn collega Petrus Curtius na een ambtsperiode van vijf jaar in Brugge. Hij werd vervangen door doctor in de rechten Remigius Driutius, een man die ook zijn deel in de ellende zal krijgen. Meer kom ik voorlopig niet te weten.

 

'Het Nederland was vol verwarring, vol droefheid en ellende. Zelfs de katholieken zagen met pijn in het hart hoe zo veel mensen werden omgebracht en weenden om de ballingschap van hun vrienden van wie hun kinderen en vrouwen in uiterste armoede moesten leven.' De Spanjaarden roven wat ze kunnen. Grote sommen geld worden op zee geschaveeld van de koningin van Engeland. Op de Rijn raakt een Duitse paltsgraaf 150.000 zonnekronen kwijt. De hertog van Alva wendt alle mogelijke middelen aan om zijn leger financieel in stand te houden. Hij slaat de hand op erfenissen, zwaait te pas en te onpas met verbeurdverklaringen. Daarbij komt nog de speurtocht naar ketterse boeken die door de beulen opgestookt worden. Voor de minste vergrijpen worden mensen als ketters aanzien en opgesloten.

 

De lasten en taksen swingen de pan uit. 'Er werd algemeen zeer gemord en geklaagd, maar toch werd in Vlaanderen op de 22ste augustus 1571 een nieuwe belastingwet afgekondigd. Het kan niet beschreven worden wat voor beroerten en moeilijkheden daarop volgden, wat nog rampzaliger was dat de ambachtslieden nu al belast werden met de tiende penning van hun gewin. Met het risico van hun vrijheid te verliezen in geval van niet betaling. In Rijsel begraven de ambachtslieden hun gereedschappen in een doodskist en sluiten de kooplieden hun winkels.'

 

Begin 1572 reist bisschop Driutius naar zijn collega in Gent. Ze plannen een bezoek aan Alva. Dit verarmd en uitgemergeld land is niet langer in staat om al die zware lasten te dragen. Het antwoord van de Spanjaard is veelzeggend: er komt een extra belasting op het graan, er komt een korting op de taksen op vlees en andere eetwaren en al de andere taksen blijven intact, 'op verbeurte van de goederen of vierdubbel de waarde te betalen.' Zuivere afpersing is het. Hele delegaties vertrekken naar Spanje om deze praktijken aan te klagen. In Kortrijk weigert de pastoor de ontvangers van de tiende penningen te ontvangen. Iets wat hem zeer kwalijk genomen wordt. De bisschop van Doornik ziet geen andere middelen dan de priester zelf op te sluiten zodat hij niet in de handen van Alva zal vallen.

 

De mensen vervloeken Alva tot in de diepste poriën van hun ziel. Aan de hoeken van de straten hangt het vol met lasterlijke gedichten, schimpende geschriften die het hebben over die duivelse vader van Brussel wiens naam men vervloekt en wiens rijk niemand begeert. Bij elke verkoop van een woning en bij elke financiële transactie wordt er nu een twintigste penning geëist met als toetje nog een taks van vier ponden op risico van een boete van honderd gulden. De schepen en de goederen van Engelse kooplieden worden zonder veel pardon aangeslagen; 'waardoor heel Vlaanderen ontvolkte en verarmde en vele duizenden inboorlingen naar andere horizonten vertrokken.'

 

'Veel wanhopige mensen namen de wapens op en vertrokken ter zee of over het land en lieten hun vaderland achter waar ze niet in rust konden leven. Ze maakten zich sterk op zee en roofden er vriend en vreemdeling. Veel steden in Vlaanderen bezagen de Spaanse koning niet langer als hun vorst terwijl de Spanjaarden hun burgers en boeren met al hun baldadigheden behandelden. De verbannen lieden hielden zich verscholen op den buiten waar grote moedwilligheden werden aangericht. De geestelijken die in hun handen vielen, werden smartelijk gedood of zeer mishandeld als wraak voor de dood van hun eigen vrienden en voor de (vermeende) rol die de priesters daarbij gespeeld hadden. Allen werden uiteindelijk misdadigers en moorden werden met moorden betaald.'

 

Alva is in al zijn rigiditeit alle grip op het land kwijt en laat nu rijkelijk laat een algemene vergiffenis afkondigen. Er is geen enkele burger die hem nog gelooft. Hij is nu plots wel bereid om de beruchte tiende en de twintigste penning af te schaffen maar hij blijft wel twee miljoen per jaar eisen van de bevolking. De steden zijn de situatie spuugzat en droppen algemeen de Spaanse koning en zijn gehate hertog van Alva. Filips II begrijpt dat het zo niet verder kan. Alva heeft zich verbrand en moet vervangen worden.

 

'De koning die zag dat al die grote strengheid van zijn stadhouder zowat alles in de Nederlanden overhoop had gegooid, benoemde de hertog van Medina-Celi om het gouvernement van deze landen te aanvaarden. Maar deze voorzichtige en zachtmoedige man had zich de zaken hier helemaal anders voorgesteld en keerde al na korte tijd weer naar Spanje terug.' De zaken blijken hier helemaal anders dan men hem in in Spanje had wijsgemaakt.

 

Bij zijn aankomst in Sluis weet hij direct hoe laat het is. Dat is op 11 juni 1572. De koopvaardijschepen die hem vergezellen, vallen in de handen van Vlissingen die zijn rug heeft toegekeerd aan de Spanjaarden. Medina-Celi en twintig landgenoten zijn kunnen ontkomen en arriveren de 14de in Brugge. Twee dagen later brengen de bisschop van Doornik en enkele heren van de wet de nieuweling naar Gent en bij hun terugkeer vallen ze net niet in de handen van de rebellen. Eind juli voeren 80 mannen uit Vlissingen ter hoogte van Eeklo een aanval in commandostijl uit op een geldtransport van de Spanjaarden.

 

Het geld dat voorzien was om het garnizoen in Brugge te betalen, verhuist naar Zeeland. Samen met twee geestelijken en twee Spanjaarden die de ton met geld vergezelden. Daarna plunderen de Vlissingenaars nog de lokale kerk. Achteraf kunnen ze zich uit de voeten maken voor ze dreigen aangevallen te worden door een peloton Brugse soldaten. Hun trommelaar die te diep in het glas heeft gekeken, wordt echter opgepakt en zal wat later in Brugge opgeknoopt worden.

 

Het duo gevangen geestelijken, een pastoor en een kapelaan worden naar Den Briel gestuurd om te verschijnen voor graaf van der Mark, alias 'Lume', zonder meer een bloeddorstige man die er zijn genoegen in vindt om elke geestelijke die hij in handen krijgt op gruwelijke manier te vermoorden. Dat blijkt ook uit de marteling van Gorkum. Lume is het hoofd van de watergeuzen en beweert bij hoog en laag dat hij desondanks een katholiek is. Achteraf zal hij omwille van zijn wreedheid in de ongunst vallen van de noordelijke staten en zal hij noodgedwongen afdruipen richting Luik waar hij door zijn eigen hond gebeten wordt en als een half razende zal sterven.

 

Ik krijg een staaltje van Van der Marks wreedheid voorgeschoteld. De opgepakte pastoor, Mathias Pasiaen heeft enkel van zijn parochianen ervan beschuldigd om ketter te zijn en betaalt hier nu het gelag voor. 'Vervolger Lume heeft de priester aan zijn oksels doen ophangen met een dwarsijzer in zijn mond en hem daar drie dagen laten zieltogen.' Ondertussen begint de oorlog zijn ware contouren te tonen. De hoogbaljuw van Brugge en de kapitein van Sluis zorgen voor een extra bezetting van het lokale kasteel. Drieëntwintig kanonnen die onderweg zijn van Mechelen naar Brugge worden te Ursel door de rebellen buitgemaakt.

 

Begin augustus maken de Zeelanders nu zelf gebruik van die gestolen stukken geschut bij een aanval op Aardenburg. 'Hoe het ook weze of niet, geheel het land raakte vol bloed en vuur wanneer de steden nu eens door deze en dan door gene partij belegerd, veroverd en heroverd werden. En men hoorde niet anders als van roven, branden en moorden zodat al de plaatsen vol benauwdheid en droefheid waren. De armoede werd algemeen, de pest deed zich op verscheidene plaatsen gevoelen, de inboorlingen verlieten de vertrouwde woonplaatsen van hun voorouders. Het land werd gevuld door allerlei krijgsvolk, zoals Schotten, Engelsen, Fransen, Spanjaarden, Italianen en Duitsers, dewelke allemaal gelijk de buit en de slagen deelden, altijd maar meer ten koste van de Vlamingen en de Nederlanders, die de wreedheid van Alva vervloekende, uitgeput waren door de ellende en de rampen, hun hoop naar alle zijden keerden om toch maar enige verlichting te vinden.'

 

Willem van Oranje maakt optimaal gebruik van de wanhoop van zijn volk. Hij slaagt er in om de ene stad na de andere voor zich te winnen. De achting voor de Spaanse koning is tot op een dieptepunt gezakt. Tijdens vredesonderhandelingen met Don Louis De Requesens, de echte opvolger van Alva, beseft hij maar al te goed dat de koning van Spanje zijn mensen nooit godsdienstvrijheid zal toekennen. Met die wetenschap in het achterhoofd zal het calvinisme voortaan als alibi gebruikt worden om de Nederlanden los te weken van Spanje, of zoals schrijver van Male het schrijft; 'diende de religie (zelfs aan die er geen hadden) tot een schild en een degen om hun weerspannigheid uit te voeren.'

 

Allemaal koren op de molen van de andersgelovigen die er met de grove borstel doorgaan, gevolgd door een navenante reactie van katholieke zijde. In januari van 1573 slaat een scheepsjongen een hostie uit de handen van een pastoor. Daarop wordt hij gevangen genomen. Men hakt hem de rechterhand af en daarna wordt de matroos levend verbrand. Aswoensdag valt blijkbaar erg vroeg in het jaar 1573.

 

Jacobus Sean kan er ook over meepraten. De gewezen brouwer en schepen van Nieuwpoort is omwille van zijn ketterij al een hele tijd geleden verhuisd naar Engeland waar hij in het huwelijk is getreden met een rijke vrouw. Bij een bezoek aan zijn geboortestad wordt hij opgepakt en naar Brugge gezonden waar hij op de rooster gelegd wordt om de plannen van andere rebellen te weten te komen. 'Maar hij wilde niets bekennen.' Een dronken gezelschap verklapt het in zijn plaats. Dat gebeurt net na Pasen in een herberg te Nieuwpoort. Er is inderdaad iets gaande. Het vijftal wordt gevangen genomen en onder een brug wordt een binnenschip gespot met driehonderd geweren, buskruit en loden kogels, alles netjes verpakt als doodgewone koopwaar. Op 11 april bekopen de schippers bekopen de vondst met hun leven. Jacobus Sean en nog twee anderen zullen op 8 mei 1573 in Brugge opgeknoopt worden.

 

Het is pas in het najaar van 1573 dat Vlaanderen kennis maakt met Don Louis de Requesens, groot commandeur van Castilië. Requesens heeft het bestuur over de Nederlanden aanvaard en arriveert te Brussel tijdens de novembermaand. Twee weken later verlaat de hertog van Alva definitief het land. Zijn zesjarige regering was uitermate schadelijk voor zijn koning en tergend zwaar voor de inwoners van deze landen. Tijdens zijn terugkeer naar Spanje pocht hij dat hij 18.600 mensen door zijn beulen heeft doen ombrengen.

 

Ik geef nog even zijn persoonsbeschrijving mee: 'hij was een lange, magere man, gaande recht gestrekt, straf en stuurs van aanzien, hoogmoedig en ervaren in hoofse geveinsdheid', en de rest van de omschrijving laat ik voor wat die waard is. Ik kijk al meteen vooruit naar zijn opvolger Requesens die zijn regering aanvangt begin 1574. Een man die meer genegen is voor de vrede dan voor de wapens. Best een aardige en actieve man die een korte periode vrede na de oorlog nastreeft maar er zelf het loodje bij neerlegt op 5 maart 1576 wanneer hij in Brussel sterft tijdens een zware koortsaanval. De prins van Oranje zal nu niet lang meer wachten om zelf aan zet te komen.

 

De onverwachte dood van Requesens zorgt er meteen voor dat zijn gedoodverfde opvolger graaf van Mansfelt niet onmiddellijk in staat geacht wordt om het bestuur van de Nederlanden over te nemen. Aalst kampt op dat moment met een grote muiterij van de Spanjaarden. Schrijver van Male probeert zich te focussen op de gebeurtenissen in Vlaanderen en vooral op die van Brugge en Gent.

 

'Wanneer de Spanjaarden zich op 25 juli 1576 meester hebben gemaakt van Aalst en enkele andere plaatsen, probeerde men in Gent en Brugge grote zorg te dragen om zelf niet overvallen te worden. Men deed al de bruggen over de rivieren afbreken. Alle schuiten en vaartuigen werden binnen de steden gebracht zodat de Spanjaarden ze niet zouden kunnen gebruiken. Men deed het landvolk de wapens opnemen, maar te Beveren werden ze in het land van Waas bij de Schelde door de Spanjaarden verslagen. Hun baljuw die een dappere man was, bleef met veel andere burgers dood. De Spanjaarden staken zijn hoofd spottend op een spies en plunderden de nabijgelegen plaatsen.'

 

De wraak van de vreemdelingen speelt in de kaart van Willem van Oranje. Terwijl er nog veel Vlamingen twijfelen of ze zich nu al dan niet beter zouden aansluiten bij de oproerige staten, pookt Oranje het vuur van de onenigheid verder aan. In Gent wordt Jacobus De Meyere opgepakt en ter dood veroordeeld. De Meyere staat bekend als de grootste vijand van de priesters. Een stuk of zeven, acht heeft hij er al vermoord. Onder andere een geestelijke die hij in een bos te Knesselare naakt aan een boom ophing en hem met een rapier doorstak. De inquisitie meet hem nu van hetzelfde laken een pak aan. Figuurlijk dan toch.

 

'Deze booswicht werd op een kar naar de Sint-Pharaïldisplaats gevoerd, zittende op een houten stoel aan dewelke zijn armen en blote benen vastgebonden waren. Bij aankomst kneep de scherprechter het dikste van de armen en de dijen af en men bond De Meyere met een ijzeren ketting vast aan een staak die op een afstand van vier meter omringd was door een cirkel van stro en takkenbossen. De man wilde niet weten van een openbare biecht, leedwezen of schuldbekentenis voor zijn schelmstukken en toonde niet het minste teken van berouw. De officier van het geestelijk hof legde hem uit dat hij een moordenaar was en daarop antwoordde de gevangene dat dit in opdracht gebeurd was van de prins van Oranje en dus volkomen geoorloofd.'

 

'Ondertussen werd het vuur in het stro ontstoken en na een korte tijd gooide de misdadiger zich in het grootste vuur, en aanstonds, door de scherprechter wat stro en vuur op zijn hoofd geworpen zijnde, is hij in de tegenwoordigheid van vele duizenden mensen helemaal tot as verteerd, gaande op die manier van het tijdelijke naar het eeuwige vuur als een volhardende ketter en moordenaar.' Op 1 september 1576 steken de Vlissingenaars Blankenberge in brand. In Brussel groeit de neiging van al de provinciën om zich aan te sluiten bij Willem van Oranje en samen met hem een verbond aan te gaan tegen de Spanjaarden. Hele delegaties kerkelijke, adellijke en rechtsgeleerde autoriteiten blazen verzamelen in Gent en komen er samen met hun collega's van het noorden.

 

Op 26 september 1576 sluiten al de partijen een verbond om met algemene macht de Spanjaarden uit het land te verdrijven. Van Male staat zelf heel sceptisch tegenover de nieuwe alliantie met Willem van Oranje en zijn Nederlanders. 'Ze waren niet meer dan meinedige verraders en verstoorders van de algemene rust, ze overrompelden en beroofden de kerken en de abdijen en maakten versterkte plaatsen van deze kerkelijke gebouwen. Ze pijnigden de religieuzen in hun zoektocht naar hun beste goederen. De Vlamingen treden dus toe tot een algemene alliantie met de noordelijke staten maar hebben tegelijkertijd zo wel hun bedenkingen over de roekeloze houding van enkele Brusselaars die er veel Spaansgezinde Vlamingen gevangen houden.

 

De eerste vijandelijkheden met de Spaanse bezetters van het kasteel van Gent zijn al een week aan de gang. Het verslag van schrijver van Male spreekt voor zichzelf: 'Op de 18de werden enkele huizen dicht bij het kasteel in brand gestoken en het krijgsvolk brak ook andere huizen af en gebruikte de planken en balken om zich te verschansen. Men bezette met volk en geschut de wegen naar Antwerpen en Dendermonde. Dat geschut begon te spreken op de 20ste waardoor enkele huizen rond Sint-Baafs in brand geraakten. Om verdere ongemakken te voorkomen werd aan iedereen bevolen om voor de huizen emmers met water te plaatsen zodat een eventuele brand direct geblust zou kunnen worden. Op de 22ste september raakte heel de stad op de been door een gerucht dat er voet- en paardenvolk op komst was, waarop de magistraat de tiende man van de burgers deed voegen bij de Walen van kapitein Bale.'

 

'Mannen en vrouwen werkten zonder ophouden aan het opwerpen van bolwerken en loopgrachten. Twee jongens, van wie er één doorschoten werd, staken het vuur aan een kleine woning dicht bij het kasteel. Nog diezelfde dag kwamen binnen de stad zeven legereenheden musketiers die de heirbaan ter hoogte van Kwatrecht geblokkeerd hadden met afgehouwen bomen en daar ook de grote stenen brug hadden afgebroken om de doortocht van de vijand te belemmeren.'

 

De kleine bruggen werden verdedigd door de boeren en de baljuws van Aalst moesten nauwkeurig de troepenbewegingen van de Spanjaarden in de gaten te houden en al de info hieromtrent doorspelen naar de magistraat van Gent. Bij de tegenstanders verplichtten de Spanjaarden de mensen van de omliggende dorpen hun kostbaarheden binnen te brengen op straffe van militaire executie. Op de 23ste sluit een vaandel voetvolk uit Brugge zich aan bij de belegeraars. Enkele waaghalzen slagen er in om de schotdeuren van het sas te openen zodat het water in de vestingen langs het kasteel gebroken werd.'

 

'De volgende dag beschadigden de Spanjaarden met hun onophoudelijk geschut de toren van Sint-Baafs en enkele huizen en er werden enkele burgers doodgeschoten. Een groot deel geschut wordt nu aangevoerd vanuit Terneuzen en tijdens het nachtelijk beleg was de hele stad verlicht. Acht pelotons edellieden met hun voetvolk voerden nog twaalf extra stukken geschut binnen te Gent. Op hun vaandels las men de woorden “Pro fide et patria”; “Voor geloof en vaderland”. Alles wat tevoren vijand was, was nu vriend en het getal van de belegeraars groeide altijd maar verder aan. In de raad en voor het stadhuis werden de Spanjaarden uitgeroepen tot vijanden van het land zodat men hen overal mocht vervolgen en doodslaan omdat ze ermee gedreigd hadden al de Nederlanders en vooral die van Brussel, tot de kinderen in de wieg toe, te vermoorden. Iedereen moest zich nu wapenen tegen deze staatsvijand.'

 

Het is me toch wel wat hier in Gent. Ik lees geboeid verder. 'Op de 27ste september gebood de magistraat dat de tiende man van de stadspelotons voortaan dienst moest doen bij de stormrammen bij de Sint-Jorispoort. Het schieten van beide partijen mocht als zeer geweldig omschreven worden terwijl de prins van Oranje nog zorgde voor extra voetvolk. De Spanjaarden waren er ondertussen in geslaagd om het draaghout van de stedelijke werkklok aan flarden te schieten waardoor er nog maar weinig kon geluid worden in de stad.'

 

'De Spanjaarden weigerden zich over te geven en hun kasteel in de handen van de graaf De Roeulx te stellen waarop twee extra groepen pioniers het werk aan de loopgrachten dapper verder zetten. De burgers hielden elke dag de wacht met zeker duizend man zodat de stadscompagnies hun wapens konden opnemen tegen de bezetters. Aan Gentse zijde waren maar zeven of acht delvers omgekomen, samen met een drietal burgers en enkele soldaten.'

 

De volgende dag doet de graaf van Lalaing zijn intrede. Met in zijn zog zijn broer en andere hoge heren. Ze worden begeleid door enkele cavaleristen en twee vendels voetvolk. Lalaing gaat logeren in de woning van jonkheer Jan Van Hembyze. Ondertussen wordt het beleg met man en macht verdergezet. De resterende bomen in de nabijheid van het kasteel moeten er aan geloven. De planken en de balken kunnen nu gebruikt worden aan de Sint-Jorispoort waar het volk van de graaf van Lalaing een tunnel delft en zo probeert de muren van het kasteel te ondergraven.

 

'De zoon van de hoogbaljuw nam paardenvolk aan, een job waar veel Gentse jongelui zich voor aanboden en ook in andere steden lichtte men soldaten om te komen vechten tegen de Spanjaarden. Maar de nieuwe mannen lieten niet na om te brandschatten zo ver als ze konden en onder het beleg van enkele Gentenaars hebben ze in Melle tussen de kerk en de heerweg vijftig huizen en een watermolen vol graan in brand gestoken. De woning van de pastoor en de koster lieten ze ongeschonden. En ondertussen wandelde het Waalse paardenvolk omtrent Oudenaarde van de ene parochie naar de andere, waar ze alles verteerden wat ze vonden.'

 

Op 17 oktober wordt het Spanjaardenkasteel opnieuw en weer vruchteloos opgeëist. Terwijl de Vlamingen en de Hollanders met elkaar overleg plegen, overmeesteren de Spanjaarden het stadje Geraardsbergen en lopen ze de omgeving af. Veertien dagen later ondernemen de bezetters van het kasteel van Gent een uitbraakpoging bij de Deroopoort waar ze in schermutseling raken met de Hollanders die de voetweg naar het kasteel bewaken. Op 1 en 2 november volgen nog meer gewelddadige confrontaties. Alles blijft in het teken staan van een nieuwe stormloop, de 'storm' op de citadel. De Spanjaarden van Aalst houden nu lelijk huis in Antwerpen waar wel vierhonderd woningen in brand worden gestoken. In Gent reageren ze door alle manspersonen tussen de achttien en de zestig op te trommelen om zich te bewapenen en mee te helpen aan de bevrijding van het vaderland.

 

Het bericht van de komst van extra Spanjaarden zorgt voor een heropflakkering van de aanval op het kasteel. Zwaar geschut zorgt deze keer wel voor resultaat. Het is tijd om over te gaan tot de langverwachte storm. 'Ondertussen wierp het geschut een groot deel van de muren omver, maar wanneer men wilde beginnen met de bestorming, bleken de ladders en de stormbruggen te kort en moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken.' De belegerde Spanjaarden weten dat een nieuwe aanval slechts een kwestie van tijd is en dat de toestroom van vijandelijke troepen maar blijft verdergaan. Terwijl ze geen enkele hoop meer koesteren om nog door hun landgenoten ontzet te zullen worden. Tijdens de nacht van 10 op 11 november 1576 verzoeken ze om een gesprek met de graven van Lalaing en De Roeulx.

 

De volgende morgen is hun overgave een feit en 'alzo werden de staten meester van het beruchte kasteel van Gent na een belegering van zeven weken. De Spanjaarden die er binnen gevonden werden, waren nog met honderdvijftig onder de welke zich gezonde, zieken en gekwetsten gevonden. Ze hadden gebrek aan alles, maar vooral aan brood en een buskruit. De zieke soldaten werden met hun vrouwen en kinderen in twee overdekte schepen ondergebracht en volgens de voorwaarden van het akkoord naar een vrije plaats vervoerd. De soldaten zelf werden beroofd van hun degens, mantels en bagage.'

 

De Gentse blijdschap om het vertrek van de gehate Spanjolen moet immens zijn. De geestelijken komen af met een grote processie ter ere van God. Om hem te bedanken voor de overwinning op het kasteel en voor de pacificatie die er binnen hun stad is gesloten tussen al de provincies van de Nederlanden. Terwijl het kaarslicht wappert in de lucht en de heiligen van stal gehaald worden gehaald, kan niemand vermoeden dat deze zwaarbevochten vrede binnen de kortste tijd naar de vaantjes zal worden geholpen. En dan wel hier in dit eigenste Gent.

 

Priester van Male geeft wat extra uitleg rond de zogezegde 'pacificatie van Gent'. De prins van Oranje is er in geslaagd de Zeeuwen, de Vlamingen en de Hollanders te vervreemden van hun wettige koning, Filips II van Spanje. De wreedheid van Alva en de moedwilligheid van de Spanjaarden hebben gezorgd voor een algemene verbittering in de gemoederen. Maar dat betekent niet dat de ijver voor het katholiek geloof met hen verdwenen is. Velen vrezen dat hun vertrouwde godsdienst onder het juk van Willem van Oranje nu wel eens helemaal onder de voet zal kunnen worden gelopen.

 

Van Oranje beseft dat hij de Nederlandse provincies enkel zal kunnen verenigen als hij oog heeft voor de verzuchtingen van het katholiek deel van zijn bevolking. 'Hij liet zich lang bidden en smeken en stelde zich achteraf op als de grote beschermer van het vaderland met een voorstel om tot een verbond te komen tussen al de partijen. Deze bedrieglijke bevrediging werd door beiden gesloten op 8 november 1576.' Vijfentwintig artikelen moeten ervoor zorgen dat de katholieke godsdienst en het inkomen van de geestelijken verzekerd blijft. Achteraf zullen katholieken ondervinden dat ze met de pacificatie van Gent om de tuin werden geleid en ronduit bedrogen waren door de beloftes van Willem van Oranje.

 

De katholieke priesters verliezen in elk geval hun exclusieve status. Dat is al duidelijk te zien bij de oproep in Gent om alle weerbare mannen tussen de achttien en de zestig te mobiliseren. Voor de priesters wordt geen uitzondering gemaakt. De Vlamingen krijgen te maken met een staatsregering waarbij er sprake is van de verwarring van de geestelijke en de wereldlijke zaken. De geestelijken steigeren natuurlijk omdat ze niet langer op het voetstuk van de macht kunnen blijven staan en dat is op zich alleen al voldoende om de verse vrede van Gent te ondermijnen. Eigenbelang is een trekje van alle tijden.

 

'Ondertussen zag men de kleine kinderen samenrotten, zich in bendes verdelen en in slagorde tegen elkaar vechten, met stenen en niet zonder bloedstorting.' De priesters zijn hun ijzeren grip op jeugd en opvoeding kwijt en zien deze verloedering met lede ogen aan. En dan de politiek nog. De verenigde staten van de Nederlanden treden in de onderhandeling met de opvolger van Requesens. Dat is de 29-jarige legeraanvoerder Jan of Juan van Oostenrijk. Een bastaardzoon van keizer Karel die opgevoed werd aan het hof van zijn halfbroer koning Filips II. Don Juan hoopt dat hij op termijn de nieuwe koning van Spanje en de Nederlanden zal komen.

 

Willem van Oranje en zijn ploeg willen indruk maken op de nieuwe gouverneur. Goede relaties passen bij een mooi welkomstgeschenk. 'Daarom hebben ze in Vlaanderen en enkele andere provinciën de ingezetenen belast om al hun goud, zilver, huisraad en juwelen in te leveren bij de overheid. De rijkste landslieden waren getaxeerd om een zekere som van penningen te lenen.' En zo worden de plooien weer glad gestreken met Spanje. Er komt een politiek akkoord, de zogezegde pacificatie van Gent, ook wel de 'bevrediging van Gent' genoemd. De Spaanse soldaten worden naar huis gestuurd, de lokale gouverneurs moeten wat inleveren aan macht in het voordeel van de verenigde staten zelf. Daarbij komen nog eens extra lasten om de soldij van de Spaanse en Italiaanse huursoldaten te kunnen betalen zodat die kunnen maken dat ze weg zijn.

 

De gespleten slogan van Willem van Oranje; 'weg met de Spanjaarden, leve Spanje' met daarbij de lawine aan nieuwe belastingen en het negeren van de katholieke machtssituatie in Vlaanderen zijn van die aard dat de nieuwe vrede gevuld zit met frustraties. Priester van Male vraagt zich af hoe lang deze zal standhouden. Aanvankelijk keert de rust terug in de kastelen van Gent, Valenciennes, Rijsel, Utrecht en Antwerpen. De ketters tanken nieuwe moed nu het spel niet meer zo hard wordt gespeeld. Toch is er sprake van nog twee extra onthoofdingen. In Mechelen heeft Pieter Panis prijs met zijn ketterij en in Gent wordt een burger een kopje kleiner gemaakt omdat hij een pastoor heeft uitgescholden en licht verwond heeft.

 

Bij onze noorderburen is de situatie helemaal anders. De Hollanders en de Zeeuwen houden zich niet aan hun belofte om de katholieke priesters met rust te laten. Waar ze kunnen, verdrijven ze de geestelijken en verwijderen ze alle sporen van enige katholieke religie. Eigenlijk doet iedereen wat hij of zij wil en het duurt niet lang voor de staten zich openlijk beginnen te verzetten tegen Don Juan. Terwijl al de steden weer versterkt worden en er nieuwe soldaten aangeworven worden, verzoeken de steden Willem van Oranje om zijn raad en stellen ze hem aan als ruwaard van Brabant. Vlaanderen krijgt de hertog van Aarschot als leider toegewezen want blijkbaar is de graaf De Roeulx een vertrouweling geworden van Don Juan.

 

De aanstelling van Willem van Oranje is niet naar de zin van het establishment, zeg maar de Nederlandse heren. Een jaar geleden was hij nog voortvluchtig omwille van zijn weerspannigheid en nu krijgt hij plots het hoogste gezag in de schoot geworpen. Na veel overleg komen ze zelf met een nieuwe leider op de proppen; de 20-jarige aartshertog Matthias, een kleinzoon van keizer Karel en vooral de broer van de Duitse keizer Rudolf II. Matthias aanvaardt het leiderschap, tegen wil en dank, maar laat voor de rest het bestuur over aan Willem van Oranje. Die laatste zorgt er ook voor dat de hertog van Aarschot binnen de kortste tijd van het politiek toneel zal verdwijnen.

 

Hoe dat gebeurt, leer ik meteen. In Gent komt het volk op straat tegen nieuwe taksen. De Gentenaars eisen hun vroegere privileges terug. Een groep van achttien edelen onder leiding van een zekere Ohein nemen de hertog van Aarschot en enkele van zijn medestanders gevangen. Onder hen bevinden zich de bisschoppen van Brugge en van Ieper. 'De burgers bleven enige dagen in de wapenen en het kanon werd schietvaardig gehouden onder de wallen.' De Gentenaars blijken zich erg kwaad te maken over de nieuwe overeenkomst met de Spanjaarden en de deal met Don Juan als nieuwe gouverneur. Willem van Oranje is hier kop van jut. En waarom hebben de noordelijke staten zomaar zonder hun medeweten en zonder toestemming dat gefoefel met aartshertog Matthias gearrangeerd?

 

De hertog van Aarschot komt na enkele dagen weer op vrije voeten. De vrees voor represailles van de grootste heren van het land is daartoe voldoende. De rest van het gezelschap, inclusief de bisschoppen blijft in hun kerkers. Het lijkt er op dat de politieke teerlingen nog voor het einde van 1576 op hun juiste plaatsen vallen: 'op de 17de december, nadat Don Juan tot vijand van het land was uitgeroepen en er een nauwer verbond was gesloten tussen de katholieken en de nieuwgezinden, werd de aartshertog Matthias te Antwerpen aangenomen als gouverneur-generaal van de Nederlanden, nadat hij had gezworen de eenendertig artikelen na te leven zoals de staten hem die voorgeschreven hadden.'

 

Willem van Oranje grijpt dus inderdaad de macht. 'Vermits Matthias nauwelijks het twintigste jaar van zijn ouderdom bereikte, werd hem als leermeester gegeven de prins van Oranje, dewelke op die manier al het gezag naar zich toetrok en de blote naam aan zijn leerjongen liet.' Terwijl ik wat moet glimlachen met die vergelijking van Matthias met een leerjongen, gaat het relaas gewoon verder en moet ik me haasten om de gebeurtenissen bij te benen. De blijde intreden van Willem van Oranje staat op het programma te Gent. De journalisten van die dagen tanken snel wat inkt bij voor hun schrijfpluimen.

 

'Op de 29ste van dezelfde maand kwam de vermelde prins, samen met zijn broer graaf Johannes van Nassau te Gent. Ze werden begeleid door 180 mannen, zowel burgers als soldaten van Antwerpen. Hij werd binnengehaald door de busschieters en de burgers die witte flambeeuwen in de handen droegen. Langs het parcours stonden veel pektonnen en drie schone zegebogen op de welke enkele erebeelden tussen het licht van menige toortsen gezien werden. De magistraat verwelkomde Willem van Oranje en een maagdeke bood namens de gemeente van Gent een gouden hart aan waar het woord “sinceritas” in te zien was.' En dan volgen natuurlijk de obligate lofdichten, vertoningen en rederijksspelen waarmee al die smerige Spaanse histories voor even werden vergeten.

 

Terwijl hij hier nu toch is, beslist Willem van Oranje om de stad te voorzien van enkele extra grachten en bolwerken en in de omgeving van Gent al het mogelijke te vernietigen wat eventueel zou kunnen dienen voor de vijand. De stadsmagistraten die zich de voorbije tijd tegen hem gekeerd hadden, krijgen nu natuurlijk de rekening gepresenteerd en worden in de gevangenis gedropt. 'Alles kreeg zo een ander wezen en de prins die alles volgens zijn wil wilde krijgen, benoemde een reeks van nieuwe schepenen en raadsleden. Hierbij werd ook een krijgsraad van achttien man opgericht met als opperhoofd de jonkheer van Ryhove.'

 

Er wordt hier in Gent wel degelijk rekening gehouden met de komst van Don Juan en daarom 'werden al de bomen, huizen, schuren en molens die zich binnen een afstand van zevenhonderd meter van de wallen bevonden ter aarde geworpen. Hieronder bevonden zich ook de kloosters van de Kartuizers en de Clarissen en ook de parochiekerk van Sint-Amands moest er aan geloven. Ze deden ook de klokken, metalen kandelaars en allerhande koperen en ijzeren voorraad uit de kerken weghalen en naar de dichtbijgelegen parochies van Gent voeren, waar het metaal gegoten werd in nieuwe stukken geschut. En men gelastte de dekens en de beëdigden van de vijfentwintig ambachten om elk op eigen kosten een stuk geschut te doen gieten.'

 

Willem van Oranje is doortastend met zijn maatregelen. 'Men deed uitroepen dat iedereen, vrij en onvrij, geestelijk als wereldlijk klaar moest staan om de verwachte soldaten uit Engeland en Schotland in hun huizen te herbergen en behalve bed en hulster hen drie kaarsen per week aan dat onaangenaam gezelschap te verlenen.' Elke handel met Don Juan en zijn volk wordt ten strengste verboden.

 

De Gentse krijgsraad laat op eigen initiatief nog wat extra vendels voet- en paardenvolk afkomen en engageert nog enkele aanvullende heren in zijn bestuur, vooral de naam van kolonel Van Assche valt hierbij op. Gent distantieert zich hier dus al direct van de Staten-Generaal. Die wil beletten dat de diefstal van kerkschatten uit de kapellen en de kerken uit de buitenomgeving van de stad moet voorkomen worden en voorziet daartoe dat al het goud en zilver naar Gent moet worden getransporteerd. Juwelen, gouden en zilveren bekers en alles met ook maar enige waarde. De lokale krijgsraad gaat nog een stuk verder: ook de kerken en de kloosters binnen de stadsmuren moeten hun tuig inleveren. Ik kan me indenken dat de geestelijken 'not amused' zijn. Het gouden beeld van de heilige Dominicus wordt snel verborgen en voor de rest blijven de missen en de processies zo goed als kwaad mogelijk hun gewone gang gaan.

 

De nieuwgezinden van Gent proberen grip te krijgen op de andere regio's van Vlaanderen. In Brugge en omgeving bakt hun haring niet. 'De mensen zijn er nog niet bedorven.' Het merendeel van de stadsbesturen is nog altijd katholiek gezind en er zijn maar weinig magistraten die men kan verwijten om over enige sympathie voor de ketters te beschikken. Voor wat betreft de Spanjaarden lopen de meningen wel parallel: 'men was zeer gebeten omwille van hun overlast en moedwilligheid en om de wreedheden die ze nog onlangs getoond hadden in Aalst, Maastricht, Oudenaarde, Mechelen en Antwerpen. Zowel de katholieken als de nieuwgezinden verlangden om van deze gevaarlijke gezellen ontslagen te worden.'

 

Het is blijkbaar, drijvend op dat haatsentiment dat de prins van Oranje zijn impact op Vlaanderen kan in stand houden. 'Hij wist zich wel te bedienen van deze algemene haat en pookt het vuur van de vijandschap op zodat het niet meer kon geblust worden zonder een overvloed aan bloed en tranen.' De Bruggelingen waren tevreden geweest met de pacificatie van Gent, maar nu zien ze de onverwachte gevolgen ervan. De buitensporigheden van die van Gent werpen een tragische schandvlek op het vredesverbond.

 

Her en der in de stad worden schimpschriften opgehangen; vol met verwijten aan die van Gent die ze omschrijven als muitmakers, stropdragers, valse raadslieden en verraders die allemaal de gele sluier van Willem van Oranje dragen. Een man die te gepasten tijde wel plaats zou ruimen naar Holland en Zeeland en zijn afgoderij met hem weer zou meenemen. Maar ondertussen blijven de opstandelingen bisschoppen en kerkelijke heren gevangen houden en beroven ze kerken en kluizen.

 

De schrijver van het boek dat voor me ligt, wordt alsmaar kwader. In zijn nieuw hoofdstuk geeft hij al aan dat de nieuwgezinden zich meester zullen maken van Brugge en er de katholieken in de verdrukking zullen brengen. Man, wat is priester van Male toch woedend op de Gentenaars. Hij beklaagt zich omstandig om hun onbedachte lichtzinnigheid waarmee ze het geloof van hun voorouders in de vuilnisbak gooien. Hij verfoeit ze omdat ze nu al die vuile ketterij omhelzen en zich als dwazen inlaten met al die heerszuchtige vreemdelingen. Hij doelt daarmee natuurlijk op Willem van Oranje. Van Male kan zijn bloed wel drinken.

 

Rond het jaar 1400 heeft de abt van het klooster van Eeckhoutte al eens brandhout gemaakt van die Gentenaars. De schrijver heeft het over Lubertus Hautschilt die blijkbaar 160 jaar geleden al beschikte over profetische gaven. Het bederf van Vlaanderen zou beginnen in het grote en machtige Gent, de hoofdstad van dit bloeiende land. Van Male fulmineert. 'Het is nog waar ook. U Gentenaars, hebt uw eigen welvaren verstoten, u hebt uw kinderen verstoten en hen de borsten gegeven van allerhande woeste en wilde natiën. U hebt door een helse geest die gedreven is door muiterij de ware godsdienst kapot gemaakt. Al die kerken, kloosters, beelden, altaren, alles wat u voorheen zo lief en waardig was hebt gij onder de voet gelopen en vertrappeld.'

 

Van Male briest verder. Zijn speeksel spat onbetamelijk op mijn papier. 'U hebt de waarheid verworpen om valse dolingen aan te hangen. U hebt uw wettige heer verworpen om dieven en rovers te volgen en u verliest daarmee op enkele jaren tijd al hetgeen u tijdens de voorgaande eeuwen hebt gewonnen. U hebt uw buren ertoe gebracht om met list en geweld uw rampzalig voorbeeld te volgen waardoor zij, net zoals u niets anders hebt gewonnen dan een onherstelbaar verlies van uw luister en heerlijkheid, kracht, macht, edeldom, rijkdom en schitterende koophandel.'

 

Gelukkig komt mijn schrijver enigszins te bedaren. Hij neemt de draad van de geschiedenis weer op. De katholieke ingezetenen van Brugge nemen maatregelen met al dat onbetamelijk nieuws dat aanspoelt vanuit buurstad Gent. Ook het kasteel van Sluis is nu in Gentse handen gevallen. Aartshertog Matthias heeft er jonkheer Jacobus De Grouf aangesteld als gouverneur. De Bruggelingen nemen het zekere voor het onzekere en trommelen vier vendels Waalse soldaten op die zich momenteel ophouden in Roeselare. Die oproep is blijkbaar niet echt naar de zin van de prins van Oranje en zijn gerevolteerde staten. Op 19 maart 1578 rukt de Gentse kolonel Van Assche samen met zijn broer, de heer van Ryhove met honderd ruiters en duizend voetknechten op naar Brugge. Samen met de nodige busschutters en lansiers.

 

In de vroege ochtend staan ze aan de Brugse Kruispoort waar één en ander al voordien bedisseld werd. 'Tussen vier en vijf uur 's morgens kwamen ze voor de Kruispoort die geopend werd door hoofdman Gillis Mostaert, die met de stadskapiteinen Jan Vleys en Jacobus Casembrood en hun volk de wacht hadden over deze poort. Maar ze waren heimelijk overeengekomen met de Gentenaars. Samen met nog andere prinsgezinden hebben ze stad ter beschikking gesteld van verderf en verlies.'

 

'Zo raakten de vermelde heren met het merendeel van hun volk binnen in de stad en nu trokken ze op naar de Burg. Natuurlijk tot groot verlies van de katholieken die dit niet hadden verwacht en nu met de wetenschap leefden dat ze van binnenuit verraden waren. Op wie moesten ze nu nog vertrouwen? De heer van Ryhove is met enkele wel bewapende mannen het stadhuis binnengegaan waar de magistraat in allerijl opgeroepen was voor een crisisvergadering. Ryhove nam in de schepenkamer plaats naast de burgemeester en hij heeft hem verteld dat de aartshertog hem belast had om zich te verzekeren van de stad Brugge.'

 

Dat laatste is een pertinente leugen. Hij is hier enkel op vraag van enkele notoire ingezetenen van de stad zelf. Ryhove wil de rust doen verzekeren in de stad. Vooral nu de Spanjaarden overal op apegapen liggen. En de werking van het schepencollege zou beter identiek zijn als die van Gent. Terwijl hij hier nu toch is. Veel in de pap te brokken krijgen burgemeester en schepenen niet want 'er was niet een die daar iets tegen durfde zeggen, want zijn trawanten hielden hun musketten in aanslag om te schieten.' Net zoals in Gent wordt een krijgsraad van achttien man aangesteld. Ze moeten de stad bewaren en krijgen samen meer gezag dan de vroegere burgemeester ooit heeft gehad.

 

Het krijgsvolk. Reken en tel maar, dat zijn meer dan duizend soldaten, wordt nu te slapen gelegd in de huizen van de goede katholieken. Vooral de kloosters moeten hen herbergen en de manschappen voorzien van spijs en drank. Als dank krijgen ze alleen smadelijke en schimpende woorden. De Augustijner monniken krijgen tweeëndertig van die gasten, die na zich goed volgepropt te hebben plaats ruimen voor zestien anderen. Op vier dagen tijd draait het klooster zo zestig gulden door de molen. Gelukkig vertrekken de meeste soldaten rond de 25ste maart en blijven alleen de krijgsoversten over.

 

Ook het schepencollege wordt vernieuwd. Joris van Brakele wordt nu de nieuwe burgemeester en leider over zijn schepenen terwijl Joos De Cabootere de functie van 'burgemeester van de commune' toegemeten krijgt. Die willen natuurlijk goede vrienden blijven met die van Gent en van Oranje. Uit wiens hand men eet; je weet wel. 'Ze zochten in alles om de geestelijken en de goede katholieken te pesten met nieuwe wetten en verordeningen. Ze werden beroofd van hun privileges en mochten voor drie jaar hun gebruikelijke vrijstelling van accijnzen op hun buik schrijven.'

 

De schrijver nuanceert de toestand in Brugge enigszins. Er zijn veel bestuurders die de katholieken gewoon met rust laten. Ze laten zich alleen maar gewillig meeslepen met de algemene gang van zaken. 'Even gelijk als te Brugge, was het te Gent en in de andere steden gesteld. De katholieken werden verdrukt en de schepsels van de prins, allemaal bezeten door de geest van de ketterij en weerspannigheid, wierpen alles ondersteboven, tot verderf van veel eerlijke families, zich verrijkende op de ellende van het vaderland dat jammerlijk verwoest werd door de Engelsen, Duitsers, Schotten, Walen, Spanjaarden en Italianen. Samengevat door vrienden én door vijanden.'

 

Kort daarna beveelt de krijgsraad om alle huizen en kloosters in de onmiddellijke buitenomgeving van de stadsmuren te slopen. Ze zouden mogelijk kunnen dienen als schuiloorden voor kwaadwilligen. De kerken van Sint-Baafs, Sint-Kruis en Sinte-Catharine moeten er aan geloven. De katholieken moeten verbijsterd zijn. Het lijkt er wel op dat ik hun pijn voel. Er gaat nog veel meer tegen de vlakte. De kloosters van de Kartuizers, de Predikheerinnen en de reguliere kanunniken samen met de kapel van St.-Ewoud. Gesloopt en gepluimd worden ze. De materialen worden verkocht voor eigen profijt, de religieuzen krijgen wel een woonplaats toegewezen binnen de stadsvesten.

 

De meest gegoede Bruggelingen worden beleefd verzocht om leningen te verstrekken aan het stadsbestuur met daarbij nog een wekelijkse bijdrage zodat de arbeiders die werken aan de versterkingen kunnen betaald worden. Na één week vertrekt van Ryhove terug naar Gent. Hij is naar verluidt al de hele week onpasselijk. Zijn soldaten worden vervangen door vreemd krijgsvolk waardoor de krijgsraad nog meer meester wordt van de situatie en zich 'meer en meer verstoutte zijn verborgen haat tegen de geestelijken te tonen.'

 

Ik krijg voor de eerste keer iets te horen over Oostende. De havenstad is altijd een open plaats geweest. Het wordt nu blijkbaar erg nodig om deze bekwame haven te versterken. Volgens van Male zal Oostende zich daarna voor veel jaren ontpoppen tot een scherpe doorn in de voet van de leeuw van Vlaanderen. In Brugge moeten ze nog diezelfde maand met een eed afstand nemen van Don Juan. Dat de Spanjaarden in één pot nat gegooid worden met de katholieken zorgt voor een verdere repressie in de gemeenten. Overal worden de klokken weggehaald uit de kerk- en kloostertorens. De geestelijken moeten hun baarden afscheren en zich als gewone burgers kleden.

 

De invloedrijke monnik Cornelius Adriani predikt heftig tegen de stand van zaken. De krijgsraad vindt er niets beter op om de oude en eerbiedwaardige man te beschuldigen van ontuchtige handel met vrouwspersonen. Pooierschap dus en andere geestelijken worden ervan verdacht om zich te bezondigen aan onderlinge sodomie. Na enkele dagen gevangenschap moeten ze op 17 mei voor de krijgsraad verschijnen. Negen onder hen vliegen achteraf weer in de stadsgevangenis. In de boeien terwijl de ketters het gat schoon zien om hun klooster uit te roven. De 12de juni van 1578 loopt een nieuwe identieke aanklacht binnen. Aartshertog Matthias beschuldigt twee kanunniken van het kapittel van Sint-Donaas die nu ook in staat van beschuldiging worden gesteld.

 

In Gent is de toestand voor de religieuzen nog erger dan hier in Brugge. Men verwijt hen voortdurend van onnatuurlijke zonden en laat toe dat het krijgsvolk de spot met hen drijft. Op 18 mei sluit men drie kloosters af. Niemand kan er nog binnen of buiten. De abt van de Predikheren wordt tot bij van Ryhove gesleept en daarna weer tot in zijn klooster teruggevoerd. De adem van de Gentse lucht dampt nog altijd hevig tussen de regels door; 'hij werd naar het klooster terug gebracht met een groot gevolg en geschreeuw van het gemeen volk, hetwelk versterkt door de nodige bijval van allerhande gespuis en bij het vallen van de avond binnenviel in het klooster. Vrouwen, kinderen, soldaten en burgers, allemaal dooreen gemengd braken binnen in het klooster, en smeten er de boeken, bedden, stoelen en andere huisraad uit de ramen terwijl anderen die buiten stonden alles wegdroegen.'

 

Het plunderen zal de hele nacht voortgezet worden. Met medeweten van de heer van Ryhove en zijn metgezellen die pas achteraf en rijkelijk laat doen omroepen dat alle gestolen goed naar het stadhuis moet worden gebracht op straffe van direct opgeknoopt te worden. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke religieuzen gehoorzamen noodgedwongen en trekken hun burgerkleren aan. Ze verlaten hun kloosters en gaan logeren bij vrienden ofwel gaan ze op zoek naar een veiligere abdij. Tot de begijnen toe beginnen te vrezen voor hun hebben en houden en beginnen met de verhuis van hun huisraad naar andere oorden.

 

'Ondertussen werden de kloosters beroofd en geschonden. Men deed de belle uitroepen dat men de 27ste mei de overige huisraad van de Predikheren aan de meestbiedende zou verkopen. Op diezelfde dag werden enkele Minderbroeders en Augustijnen goed gekneveld naar het gravenkasteel gebracht waar ze vreselijk gepijnigd werden en waarbij Franciscus D'Hamere overleed tijdens de pijniging. Zijn dood lichaam werd in opdracht van de magistraat tot buiten de Rindepoort gevoerd waar het naast de galg tot assen werd verbrand.'

 

Vreselijke en schokkende taferelen zijn het. Ze komen recht uit mijn vaderlandse geschiedenis, zomaar en pardoes op mijn schrijftafel terecht. 'Omtrent een maand later heeft men omwille van hun zogezegde onderlinge sodomie zes broeders naar het vuur verwezen. Homo zijn wordt in die tijden allesbehalve getolereerd. Vier Minderbroeders en twee Augustijnen waarvan hun namen nog bekend zijn. Judocus Van Dycke en Nicolaeys Daneels. Op 28 juni werden al de straten en toegangen naar de Vrijdagmarkt met gewapend krijgsvolk bezet en de zes ongelukkigen werden uit de gevangenis gehaald en op een hoog schavot aan evenveel staken vastgemaakt.'

 

'Zij hadden tijdens hun laatste momenten tot troosters de prior van de Karmelieten en enkele anderen en zijn daarna conform hun sententie verbrand. Enkele anderen die alleen maar beschuldigd waren van misbruik van dergelijke vuiligheid werden ontdaan van hun haren, gegeseld en voor vijftig jaar en één dag uit het land verbannen. De half geroosterde lichamen werden naar het galgenveld gevoerd en daar aan staken gebonden. Dit onwaardig schouwspel zorgde voor veel verdriet en tranen vooral omdat de oudsten nauwelijks achttien jaar konden zijn. Dit treurig theater zou er nog twee dagen blijven staan. Men meende dat er nog enkele anderen zouden volgen, maar dat gebeurde niet. Het schavot werd op 30 juni weer weggenomen.'

 

Tijdens diezelfde week spelen zich gelijkaardige taferelen af in Brugge. Drie Minderbroeders worden er om dezelfde boosheid in het vuur verbrand en drie anderen worden geschoren, gemarteld en verbannen. Heel het land is nu in de ban van de ketterij. De ketterse predikanten zwaaien nu overal de plak waarbij ze de ziel en het lichaam van de mensen bederven. Dat is toch de mening van mijn diepkatholieke schrijver. Zowat overal worden de geestelijken, priesters, kanunniken, monniken verjaagd. Als ze ten minste nog te vinden zijn. Van het katholiek geloof blijft er alleen nog maar een karkas over. Geen priesters zijn er nog, geen sacramenten en geen diensten.'

 

De pacificatie van Vlaanderen is inderdaad een lege doos. Dat was niet de afspraak toen Willem van Oranje zich begon te manifesteren tegen de Spanjaarden. De nieuwgezinden denken de wind in de zeilen te hebben omdat ze hun geloof delen met Oranje. Wat kan de krijgsraad en de magistraat hen eigenlijk maken? Diezelfde krijgsraad trekt het afsluiten van huwelijken naar zich toe. Trouwen en scheiden is niet langer het recht van de katholieke elite.

 

'Aldus verviel alles van kwaad naar erger. 'Huisraad en kerkelijke sieraden van de geestelijke orden werden openbaar verkocht. De koperen platen van de zerkstenen werden weggenomen. Men verstoutte zich om de beelden, kruisen, statiehuisjes en afschutsels van de dode beenderen af te smijten en te breken. En de magistraat verbood het amper. Hij was een gemene man die van elke priester die nog een mis deed zijn kelk afnam en hem daarna in de gevangenis liet droppen. De ooit zo schoon lijkende pacificatie was zowel in Brugge als in Gent gewoon monsterlijk!' Ook Ieper is in de greep van de Gentenaars geraakt. Ze hebben er de schout en de leden van het stadsbestuur gevangen genomen en weggevoerd. Daarna begint hun brutaal spel van beeldenstormen in de Ieperse kloosters en kerken en ook het paleis van bisschop Rythovius die nog altijd in Gent gevangen zit, wordt geplunderd.

 

Gelukkig begint er zich een tegenreactie te ontwikkelen. De adel van Waals Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en Artesië aanvaardt helemaal niet dat er een loopje wordt genomen met de zo plechtig gezworen pacificatie. Zij zelf hebben blijkbaar ook niets meer in de pap te brokken. 'Zo zijn ze onder elkaar een nieuw verbond aangegaan om de katholieke religie te beschermen, de handvesten van de pacificatie van Gent af te dwingen en om de heerschappij van de koning van Spanje te herstellen hier in dit land dat zo deerlijk heen en weer geslingerd werd tussen deze prins van Oranje en de oproerige staten.'

 

De nieuwe liga neemt de wapens op tegen deze staten. Valentijn de Pardieu leidt de milities – de malcontenten – en maakt zich meester van verscheidene steden en sterkten. Spijtig genoeg bezondigen zijn Waalse troepen zich al evenzeer aan roven en brandstichten. De nieuwgezinden spotten met de Walen. De 'paternosterknechten', schimpen ze. 'Maar bij veel voorvallen toonden ze wel dat ze met hun paternosters betere krijgslieden waren dan die verwijfde bijbelbroeders en psalmbleiters.' Priester van Male laat zich eens goed gaan terwijl ik met gulzige teugen smul van zijn scherp sarcasme.

 

Terug naar Gent. Achter de schermen speelt jonkheer Jan Van Hembyze een belangrijke rol waar hij met genoegen de de touwtjes in de handen houdt en waarbij François en Willem de la Kethulle de Ryhove, Boucle Triest en Borluut zorgen voor de uitvoering van zijn plannen. Borluut die ziet dat het allemaal te ver gegaan is, gaat er onderdoor en sterft zogezegd van hartzeer. 'Hembyze dreef feitelijk alles op eigen hand, alsof Gent een onafhankelijke republiek was. Hij maakte zich meester van de beste steden van Vlaanderen.' Hij denkt vermoedelijk in de voetsporen van Jacob van Artevelde te treden. 'Maar hij werd dagelijks gepest door de zogenoemde malcontenten waardoor hij in zee ging met prins Casimir, de broer van de paltsgraaf die in het land gekomen is met zevenduizend ruiters en achtduizend voetknechten.'

 

De generale staten hebben niet de nodige middelen om dergelijk leger te bekostigen en dus spoelen de soldaten aan in Gent waar Hembyze er zijn plan mee zal trekken. Op 10 oktober 1578 trekt prins Casimir feestelijk de stad Gent binnen waar hij honderdzeventigduizend gulden ontvangt om de soldij van zijn manschappen te kunnen betalen. De krijgsraad is blij met de nieuwe versterking want ook de Bruggelingen worden in toenemende mate gepest door de malcontenten.

 

In Brugge putten ze extra vertrouwen in deze nieuwe onderstand. Ze sturen hun kapiteins Reinerus van Aertryke, Jan Vleys, Antonius Aoulterman, Ingelbert Reybaert en nog enkele anderen met hun compagnies naar Roeselare om er de malcontenten aan te pakken. Maar die blijken zich vrij goed ingegraven te hebben in het hartje van West-Vlaanderen. De Brugse milities moeten in elk geval noodgedwongen op hun stappen terugkeren. Het zijn integendeel de Walen die oprukken tot voor de poorten van Brugge.

Tot grote ontsteltenis van de burgers van het Vrije laten ze niets ongeschonden bij hun doortochten. En ze maken zich eveneens meester van de stad Menen. 'Zie onze dappere Brugse krijgshelden daar nu zitten, ze durven niet eens de vijand onder ogen komen.' Van Male schampert. 'Tegen de papen en de nonnen zetten ze wel een grote mond op, want de magistraat en de krijgsraad eisen dat de geestelijken van de drie nog resterende kloosterorden moesten ophoepelen zonder nog een laatste kerkdienst te mogen doen. Tenzij ze ervoor kiezen om als burgers in de stad te wonen en wereldlijke kleren aan te trekken.'

 

Ze krijgen de toelating om hun overblijvende huisraad te verkopen en de opbrengst van tweeënveertig gulden onder elkaar te verdelen. De religieuzen eten nog een laatste keer in groep en nemen afscheid van elkaar op 11 oktober van het jaar 1578. De Brugse raad heeft de maatregelen gekopieerd van Gent waar ze er al sinds begin september aan begonnen zijn. 'Gewapende soldaten kwamen de stad binnen met huisraad en kerkgoed die ze gestolen hebben in het nonnenklooster van Waasmunster. Sommigen hadden zelf priesterkleren aangetrokken, droegen het kruis en de gewijde vaten. Anderen smeten met gewijd water. Een schelm klingelde met de schel terwijl de anderen schreeuwen als dolle mensen en spotten met de processies van de katholieken.'

 

Allemaal met de steun van het magistraat die trouwens zelf een commissie opricht om zowel binnen als buiten de stad enkele kerken en kloosters met de grond gelijk te maken. Er worden ontvangers aangesteld om de opbrengst van de kerkelijke goederen te recupereren en te gebruiken voor noodzakelijke stadsinvesteringen. Een deel van de opbrengst kan terugvloeien naar de geestelijken die zich wereldlijk willen kleden.

 

'Men speurde ook zeer naar verborgen kerk- en kloostergoederen. Alles wat buitgemaakt werd, viel in de handen van de magistraat en werd verkocht op het Hoog-Sas. De goud- of zilvergeborduurde kazuifels, de stola's en de kelkdoeken werden vooraf getaxeerd door de lokale zilversmeden. Omtrent diezelfde tijd gebood de Brugse overheid gelijkaardige maatregelen en zocht iedereen manieren om in troebel water te vissen.' De woede van de Brugse en Gentse overheid en hun wraak op de resterende kloosterorden wordt blijkbaar veroorzaakt door de opgang van de malcontenten. En daar houdt het niet mee op.

 

Hembyze en Ryhove veroordelen twee onschuldigen ter dood. Zonder enige vorm van proces. Raadsheer Hessels (topman en politiechef) en Jan de Visch, baljuw van Ingelmunster worden op 4 oktober uit de gevangenis gehaald om hun lot te ondergaan. Ze zitten er sinds 23 juli samen met bisschop Rythovius nadat ze in Ieper opgepakt worden op beschuldiging van verraad aan de malcontenten. Bij die aanhouding werden er zware vernielingen aangericht, doden gemaakt en andere notabelen gevangen genomen. Ze worden op een lastwagen gegooid en buiten de stad gevoerd. Buiten de Peterseliepoort die nu bekend staat als de Kortrijkse poort niet zo ver van de Putkapel.

 

De mannen worden er aan een boom opgehangen. De lange grijze baard van Hessels wordt afgeknipt en als een trofee op zijn hoed aangebracht. De paruur zal wel enigszins lijken op dat afzichtelijk kapsel van Donald Trump. Ha, ze hadden de waarheid in pacht deze mannen, ze wisten alles beter dan de jongelui omdat ze zich konden beroemen op hun lange baarden. Nee dus, ze hebben het integendeel aangedurfd om in Ieper priestermoordenaars te lynchen en nu krijgen ze de weerbots. Na een tweede, bijzonder ruwe ophanging aan een eikenboom, sterft Hessels. De man is tachtig geworden. Getuige Jan de Visch smeekt nog om een treffelijk proces maar ondergaat finaal hetzelfde lot.

 

En terwijl de katholieke religie onderdrukt wordt, zetten de ketterse predikanten alle zeilen bij om de burgers te hersenspoelen met dat nieuw geloof. Ik kan een zucht niet onderdrukken. Zoveel domheid om een God die niet eens bestaat. Hoe is het toch allemaal mogelijk? 'Binnen Gent predikten de bekende Pieter Dathenus, Nicolaas Verscheure, Herman Van den Bussche, Jacob Kimmedonck van Brugge en een zekere Franse minister Lambert Daneau. In Brugge zijn dat Adriaan Lepius, Frans Junius en vooral Johannes Capito die zich aanstelde als de grote leider van de consistorie.'

 

Van Male heeft een grondige afkeer van deze Capito. De man leeft op de Sint-Jansplaats en is getrouwd met de dochter van kapitein Jan Vleys die later nog fel te keer zal gaan tegen de katholieken. Zijn schoonzoon Capito kon het in elk geval goed uitleggen. Hij was het die het stadsbestuur zo ver kreeg om de geestelijken te verjagen en de kloosters en kerken te schenden. Ik krijg nogmaals het relaas van opgestookte boeken en de roofpartijen binnen het karmelietenklooster te lezen. De opbrengst van de klokken en de kostbaarheden loopt op tot zesduizend pond en die wordt besteed om geschut, buskruit en andere oorlogsvoorraad te kopen. Veel kerkschatten arriveren later in Engeland. 'Maar wat een verlies toch voor onze stad Brugge.'

 

In Brugge blijven er maar vier religieuze orden over. Die van de broeders en zusters van het Sint-Janshuis en de Zwarte Zusters van de Kastanjeboom die zich ontfermen over de arme zieken. En ook de nonnen van het hospitaal 'Ter Potterie' waar arme vrouwspersonen verpleegd worden krijgen respijt. De arme Clarissen worden opgezegd maar rechtsheer Colne komt op zijn besluit terug na een onweer waarbij het er wel op lijkt dat God daar iets mee wilde zeggen.

 

'Terwijl de nieuwgezinden de kerken en de kloosters bestormden en oorlog voerden tegen de geestelijken, liepen de paternosterknechten het hele land af en sloegen een hele hoop boeren de kop in welke samengetroept waren om zich tegen hen te verzetten. Waarop die van Roeselare verschrikt naar Brugge riepen om bijstand. Maar dat was tevergeefs want men durfde de stad niet ontbloten omdat er nog altijd meer katholieke burgers waren dan nieuwgezinden.' De spanning in de Brugse binnenstad moeten inderdaad duidelijk voelbaar zijn. De katholieken protesteren en zorgen meer en meer voor overlast.

 

Op 21 oktober moet de magistraat duidelijk wat water in zijn wijn doen. De nieuwgezinde predikers hebben niets verloren op gewijde en ongewijde plaatsen van de katholieken en de oude gewoonte van de katholieke erediensten wordt weer toegelaten. Een deel van de gestolen kerkgoederen wordt terug geschonken en de heren van de wet zullen de sleutels van de Sint-Donaaskerk weer overhandigen aan de katholieken. Het wordt voortaan trouwens verboden om nog iets te stelen of te breken in de kerken, op straffen van verbeurdverklaring van lijf en goed.

 

Wie er aan dacht dat het oude geloof van de voorouders weer in ere zou hersteld worden, heeft het verkeerd voor. De geste van het stadsbestuur is niet veel meer dan een smerige truc, een list. Nauwelijks vijf dagen na de bewuste toegeving liet het magistraat toe dat soldaten een voor de katholieke kerk trouwend koppeltje mishandelden. De feiten doen zich voor in de bakkerskapel en wie zich geout had als aanhanger van het traditioneel geloof voelt zich nu in zijn hemd gezet. De overheid gaat nog een stuk verder om de puntjes op de i te plaatsen. Erewijn op kosten van de stad voor alle predikanten van het nieuw geloof en op dat moment mogen alleen katholieke priesters van Brugse origine nog missen uitvoeren. Op voorwaarde echter dat ze haar en baard wassen en wereldlijke kleren aantrekken.

 

Op Allerheiligen 1578 is er sprake van enkele incidenten tussen gelovigen en soldaten waarop de katholieken furieus reageren. Het regent klachten bij het stadsbestuur die op dat moment met de daver op het lijf zit met al die Walen die rond de stadsmuren zwerven. De eigen bevolking kan nu beter weer wat gepaaid worden. Via trommelslagen door de Brugse straten laten de schepenen weten dat wat de soldaten hebben uitgespookt, gebeurd is zonder medeweten en buiten de wil van het bestuur en dat er maatregelen zullen getroffen worden om dit in de toekomst te voorkomen.

 

Het gros van de Bruggelingen aanvaardt niet langer die ongeoorloofde inmenging van die halfbakken Gentenaars in hun eigen stad. Een delegatie van notoire inwoners vertrekt naar het stadhuis met enkele eisen. De geestelijken moeten onder andere hun eigendommen terugkrijgen en de katholieken moeten de vrijheid behouden om in een aantal kerken katholieke diensten bij te wonen. De bisschoppen en de andere heren die momenteel in de kerkers zitten dienen op vrije voeten gesteld te worden.

 

Aartshertog Matthias en de prins van Oranje reageren op hun eisen. De katholieke eredienst mag hersteld worden op voorwaarde dat de calvinisten in al de steden van de Nederlanden kunnen rekenen op een volledig vrije uitoefening van hun religie. En wie gevangen zit zal dat blijven totdat het land gezuiverd is van al dat uitheems krijgsvolk. Vlaanderen moet absoluut beschermd worden tegen de malcontenten en dat is meteen ook het alibi waarom prins Casimir en zijn mensen aan boord blijven. Blijkbaar iets waar Hembyze erg op aandringt. De fanatieke predikant Herman Van den Bussche gooit nog meer olie op het vuur. 'In de Sint-Baafskerk belasterde hij de Roomse godsdienst als een verdoemelijke afgoderij die moest onderdrukt worden'.

 

In Gent komen er problemen met Hembyze. Ik herhaal nog eens zijn volledige naam; jonkheer Jan van Hembyze. Een verwaande en opgeblazen kikker die zich laat bijstaan door Pieter Dathenus en twee Fransmannen La Hongrie en Saraffin. 'Alles draaide naar hun goeddunken en ze hielden de stad Gent genoegzaam vervreemd van de algemene staten, zodat de smeekbeden om zich aan te sluiten bij de algemene politiek van de Nederlanden en die van aartshertog Matthias. Ook de pogingen vanuit Brussel en Antwerpen konden het niet winnen op het versteend gemoed van de Gentenaars en hun woelzieke leider.'

 

Hembyze drijft het erg ver. Onderhandelaar Bonivet en de griffier van Axel worden koelbloedig vermoord. Hun lijken worden door een hond teruggevonden net buiten de Muidepoort, niet ver van de galg, beiden doorstoken met minstens twintig messteken. De moorden betekenen hoe dan ook het begin van het einde van Hembyze. Zijn partner, de heer van Ryhove, keert zich tegen hem en laat Hembyze door zijn manschappen gevangen nemen. Een en ander gebeurt op 18 november 1578. Hembyze wordt even later weer op vrije voeten gesteld, maar de burgers zijn de tirannie van hun krijgsraad spuugzat.

 

'Ze trokken de wapenen aan, sloegen alarm, spanden de ketenen en verschansten enkele plaatsen waar ze stukken geschut aanbrachten en dreigen te schieten.' De achttien zitten vast en kunnen niet meer vluchten omdat de poorten gesloten zijn. Alleen Dathenus kan met de hulp van Hembyze via de Muidepoort uit Gent wegraken. Tijdens een open vergadering rijzen er hoge woorden tussen Hembyze en Ryhove. De ene scheldt de andere uit voor landverrader. De bewoners die zich achter Ryhove scharen zetten hun geschut op scherp. De Korenmarkt, de Vismarkt en de Langemunt zijn met kettingen afgespannen.

 

De Staten van de Nederlanden meten de schade op die Hembyze hen heeft toegebracht. De prins van Oranje zou er beter naar toetrekken om de rust in Gent te herstellen. Hij arriveert er op 22 november. Gent zal de artikelen die de Staten hen voordragen wel moeten aanvaarden en de prominenten die hier gevangen zitten, dienen op vrije voeten gesteld te worden. Hembyze en zijn vriend Casimir geven echter geen krimp.

 

Willem van Oranje hakt dan maar zelf de knopen door. Op 17 december laat hij voor het stadhuis aflezen dat de katholieken en de hervormden elk hun kerken krijgen waar ze hun misdiensten kunnen organiseren. Ze mogen overdag hun klokken laten luiden om hun missen aan te kondigen. Processies en kerkelijke manifestaties in de buitenlucht worden verboden. Alle religieuzen mogen op post blijven in hun kloosters, maar dan wel zonder geluid te maken. Als ze eucharistievieringen willen bijwonen, moeten ze dat maar doen in de toegewezen kerken. De vier bedelorden worden afgeschaft en de gereformeerden krijgen enkele publieke scholen toegewezen waar ze onderricht kunnen geven. Het wordt ook uitdrukkelijk geboden dat de ene godsdienst de andere niet mag storen en dat de ene de andere niet zou bespotten met liedjes of met beelden.

 

'Voorts werd aan de predikanten van beide partijen geëist niets meer te zeggen wat de gemene rust kon verstoren en zich stil, zedig en vreedzaam te gedragen. Ze moesten dit onder eed beloven en al diegenen dit zouden weigeren of in de wind sloegen, zouden worden afgezet uit hun bediening en gestraft worden als voorbeeld voor de anderen.' Op 27 december worden de nieuwe wetten officieel. Er wordt een geschillencommissie voorzien van vier mannen uit beide kampen. Edelen, soldaten, dekens, prominenten moeten zweren de wet te respecteren en op de laatste dag van dit berucht jaar 1578 kondigen de trompetters van dienst nog een extraatje aan; de last van kinderen die de godsdienst verstoren, zal verhaald worden op de ouders.

 

Willem van Oranje meent het goed en daarmee is zowat alles gezegd. De Gentse soldaten die hem uitgeleide doen naar Dendermonde waar hij een ontmoeting heeft met een delegatie van de malcontenten zijn nog niet goed en wel terug in hun thuisstad als ze alweer betrapt worden op het zingen van spotliedjes en andere malligheden op de kop van de katholieken. En hoe zit het ondertussen in Brugge? Ook hier zijn gelijkaardige wetten afgekondigd en hebben de geestelijken de vrijheid van religie moeten zweren in de handen van de burgemeester. Toch zit de vrees er diep in bij de burgers. Achthonderd stedelingen houden er voortdurend de wacht en 's nachts worden er overal lichten aangestoken.

 

Begin 1579 beroven de nieuwgezinden het kloostergebouw van de Augustijnen met in annex hun kerk. Boeken, koperwerk, kandelaars. 'Men begon zelfs de kerk, het klooster dat in die tijd zeven panden had, af te breken, en het geboefte dat het dak boven de Sint-Barabara-kapel erg beschadigd had, werd betrapt door een Spaanse koopman die het boevenschuim toeriep dat ze hun tijd wel nuttiger konden besteden. Hij gaf hen daarop enkele tonnen bier en zo bleef de kerk nog enigszins overeind.'

 

In Gent blijkt de rust maar voor korte tijd hersteld. Hembyze en zijn kompanen mokken echter over het feit dat Oranje de twee gevangen bisschoppen en enkele andere heren met zich heeft meegenomen naar Dendermonde. Na veel zagen en plagen brengt Ryhove de gevangenen terug naar hun oude gevangenis in Gent. Dit gebeurt op 23 maart 1579. 'Ondertussen zochten de nieuwgezinden naar mogelijkheden en voorwendsels om de katholieken te pesten.' Zo ontstaan er regelrechte gevechten in de kerken zelf waardoor de deuren direct op slot gaan.

 

'Het onstuimig grauw raakte weer op de been en doorliep echter nog maar eens de kerken en kapellen, rukte alles omver wat nog maar pas hersteld was. En de soldaten roofden de priesterlijke kleren en altaarsierraden en alles wat de arme religieuzen in vol vertrouwen voor de nieuwe godsdienstvrijheid er weer naartoe hadden gebracht. De beelden en de altaren moesten het ontgelden. Deuren, vensters, vloerstenen en ijzerwerk werden weggehaald. Ja; zelfs het lood op het dak van de Sint-Pharaïldiskerk werd weggenomen dank zij de oogluikende toelating van het magistraat. De beeldenstorm en de kerkschenderij waren helemaal terug.'

 

Enkele lokale personaliteiten vliegen weer eens in de gevangenis. De laster van en tegen het magistraat zorgt voor overdreven reacties van beide partijen. 'De burgemeester die zich wilde ontlasten van die roervinken, heeft hen bij de lurven gevat en voor het Gravenkasteel doen onthalzen. Om de hoop van de katholieken dat ze weer hun kerken zullen kunnen herstellen in de kiem te smoren, liet hij de deuren en de vensters van de kerken en de kapellen dichtmetselen. Zo ging het van kwaad naar erger. Waar was het gezag van de Staten van Vlaanderen? Terwijl ze om hulp zochten bij hun wettelijke heer werden ze in verlegenheid gebracht door de Waalse edellieden, de smerige paternosterknechten die hen altijd maar weer lastig vielen.' Ik vertel er ook nog bij dat hun leider de Pardieu zich ondertussen verzoend heeft met Filips II van Spanje.

 

Willem van Oranje heeft het niet gemakkelijk. In de noordelijke staten komt er een nieuw onderling verbond, dat van Utrecht, waarbij de gereformeerden van Holland en Zeeland volledige vrijheid van religie kregen op voorwaarde dat ze de katholieken met rust zouden laten. Maar per slot van rekening wordt er hier toch maar weinig gedaan om de oude godsdienst in zijn vroegere glorie te herstellen. Van Oranje doet hard zijn best om deze bedrieglijke unie te doen aanslaan in Vlaanderen. Antwerpen hapt in elk geval toe. Zo meteen kom ik wellicht te weten welke houding Gent en Brugge zullen aannemen.

 

Te Brugge was in 1578 de feestdag van het heilig bloed afgeschaft, maar er werd wel nog toelating gegeven om een processie te houden op de Vrijdagmarkt waarbij jonkheer D'Anry met enkele bewapende katholieken hun best deden om deze te beschermen. In 1579 wordt de heilig-hartprocessie opnieuw verboden. De krijgsraad gebruikt de kerk van de heilige Blasius (waar het heilig bloed bewaard werd) nu als stockageplaats voor wapens. Proost Willem De Boodt en zijn dertien geestelijken moeten noodgedwongen uitwijken naar een kapel in de Sint-Donaaskerk.

 

'Maar daar geen vaste zekerheid vindende, heeft de heer Jan Perez de Malvenda het kastje met het heilig bloed voorzichtig in zijn eigen huis verborgen tot aan de grote verzoening. Lieven De Vogelare, een gedegen katholieke burger en kerkmeester van de O.L.V.-kerk metste deeltjes van het heilig kruis en de relikwieën van de heilige Bonifatius in één van zijn muren thuis, op welke plaats hij een geschilderd kruis deed hangen waarvoor hij dagelijks knielende zijn gebeden las.' Een geluk trouwens dat zijn eigen kleinkinderen het tafereel in zich hadden geprent want diezelfde Lieven zal in 1584 verrast worden door een plotse dood zonder zijn schuilplaats aan iemand kenbaar te hebben gemaakt. 'Dank zij de jongste van zijn kindskinderen werden de heilige voorwerpen teruggevonden en met schone statie opnieuw in hun vroegere kerk gebracht.'

 

Maar we zijn natuurlijk nog helemaal niet in 1584 aanbeland. Wel op 16 juni 1579. Weer in Gent dat in rep en roer staat na de ontsnapping uit het Prinsenhof van de twee bisschoppen en anderen gevangen heren. Rythovius schampavie. Vergeef me mijn liederlijk cynisme. De stadspoorten worden in allerijl gesloten en er is een beloning voorzien van duizend gulden voor wie hen kan lokaliseren. De volgende dag worden de bisschoppen gevat. Baron Van Basseghem en de hoogbaljuw van Kortrijk slagen er in om te ontkomen en arriveren later in Rijsel waar ze door de andere edellieden met eer en blijdschap ontvangen worden. In Gent volgen de represailles tegen de katholieken en iedereen die ervan verdacht wordt om meegeholpen te hebben aan de ontsnapping.

 

'De bisschoppen die in het Prinsenhof niet langer de godslaster van de soldaten konden verdragen, verzochten om te mogen worden opgesloten in de stadsgevangenis, hetgeen geschiedde. In diezelfde maand bestormde en beroofde enig krijgsvolk het kasteel van Middelburg, dat van de hoogbaljuw van Brugge en het Vrije. Ze roofden ook in Aardenburg waar ze de nonnetjes veel smaad aandeden en keerden dan met hun buit terug naar Gent waar op 7 juli 1579 de voorgestelde unie van Utrecht werd aangenomen en werd bezworen door het magistraat en de hele reutemeteut met uitzondering van de katholieken die zich te veel geschaad voelden.'

 

'Zo kregen de nieuwgezinden alles naar hun zin en begeerte en kaatsten ze elkander de ambten toe. Ze hielden niet alleen de katholieken af van de postjes maar joegen ze op ballingschap, zo bijvoorbeeld de schepenen Jan De Bette en Pieter De Vos. Hetzelfde geschiedde ook te Antwerpen, Oudenaarde, Kortrijk en Ieper, met één woord in al de steden waar de nieuwgezinden nu volkomen meester waren.' Het blijft nog even koffiedik kijken hoe een en ander zal aflopen in Brugge.