P1555100

Ik arriveer op een lang gekoesterde plek in de geschiedenis van de Westhoek. 'De Chronike van Elverdinghe' heeft nu lang genoeg liggen meesmuilen op mijn schap van geliefkoosde boeken, mijn 'bucket list' van historische boeken die ik nog wil transformeren tot een van mijn eigen kronieken. De locatie en de tijd van de 'Chronike van Elverdinghe' lonken als een eersteklas callgirl. Het jaar 1555 is in mijn ogen zowat een scharnierpunt in ons vaderlands verleden en laat dat nu precies de startdatum zijn van de kroniek van schrijver Jacobus Epinoy.

 

En dan de plek Elverdinge uiteraard. Jacobus Epinoy heet in werkelijkheid Jacob Pladijs en schrijft zijn dagboek op een boerderijtje tussen Elverdinge en Vlamertinge, op amper enkele kilometer van de plek waar ik zelf meer dan dertig jaar geleefd heb. Hij omschrijft zichzelf als landsman en dat is zowat alles wat ik van de schrijver te weten kom. Hopelijk zal hij onderweg wel eens in zijn ziel laten kijken. Ik wil me voor deze één keer helemaal onthouden van elke commentaar en me voor het volle pond concentreren op een herwerking van zijn oud Vlaams in mijn eigentijdse taal waar oude zinswendingen en de oorspronkelijke verteltrant nu en dan rustig (en tussen aanhalingstekens) op de voorgrond mogen treden. Ik rep me alvast in zeven haasten naar het Elverdinge van 1555.

 

'Chronike van Elverdinge – door Jacobus Epinoy – landsman'.

 

In het jaar 1555 krijgen we de eerste stortregens al met Pasen en die zijn de hele zomer verder gegaan. In juli stroomt het hooi al uit de vijvers en de meersen en in augustus zwemmen de vissen weg uit de rivieren. Het wordt nog erger: in september zien de mensen tot hun grote schrik de broeklanden overstromen waardoor de oogst en de vruchten van de aarde allemaal bederven en waardoor er een grote schaarste is ontstaan.

 

Ik heb er een gedicht over geschreven:

 

Wie dit jaar in september kon zaaien

zag men tijdens de oogst goed koren maaien

Wie dat in oktober heeft gedaan

vond van het land een slecht bestaan.

 

Achttien vloeden kregen we dit jaar

ik zeg het jullie openbaar

Zes al voor Sint-Jansdag en voor de oogst nog eens drie, regen te veel

die waren allemaal ons deel.

 

Op Sint-Laureinsdag regende het meest van al

Daardoor kreeg het koren de meeste misval

Dit jaar, luister maar naar mijn raad

werden we niet gespaard van het kwaad

 

Dit jaar kan men geen koren zaaien omdat het land doorweekt is. En in het vorig seizoen is het te droog geweest. Tussen Pasen en Sinksen geen druppel regen. Een ramp. En dat betekent een serieus probleem voor de boeren. Valt het te verwonderen dat we zonder ophouden opgescheept zitten met ziekten en plagen? De regen en het water hebben, de oogst van 1555 helemaal naar de vaantjes geholpen en die van 1556 verhinderd. Deze ellende heeft gezorgd voor een hongersnood die drie jaar aangesleept heeft.

 

Ziehier de prijzen van de granen. De tarieven van 1555. Tarwe en konsoorten worden verkocht in rasieren, eenheden van tachtig liter, goed voor vijftig kilo graan. Met Sint-Jansdag, einde juni 1555 bereken ik de prijs op acht Parijse pond, de bonen zijn vier pond waard en de zomergerst (het sucrioen) eveneens vier pond. In september is de prijs van het koren al opgelopen tot elf pond en voor de rest mag ik spreken van een prijsstijging van vijftig percent. En bij die bedragen moet nog rekening gehouden worden met een extra belasting van tien percent. Bij ons heet dat een tiendepenning.

 

Met Lichtmis, februari 1556, valt de prijs van vier pond voor het koren nogal mee. De boter wordt verkocht aan zes 'groten' per halve kilo. Na de oogst blijkt de prijs van het graan gestegen tot zestien pond en die van de bonen tot elf pond. De ambachtslieden zitten met de schrik als ze te horen krijgen hoe pover de opbrengsten van het land wel zijn dit seizoen.

 

Het resultaat van de schaarste is reeds goed merkbaar met Pinksteren van 1557. De tarwe wordt al verhandeld aan zesentwintig pond per rasier en dat zorgt voor de nodige onrust. De mensen protesteren bij de heren van het stadsbestuur en eisen dat ze andere manieren zoeken om aan graan te komen. De baljuw van de kasselrij onderneemt een reeks inspectiebezoeken en aarzelt niet om tarwe van andere bronnen aan te boren, iets wat dan op zijn beurt niet in goede aarde valt bij de boeren van de eigen streek. Om de pil voor iedereen enigszins te vergulden, wordt er nu dagelijks een graanmarkt gehouden in Ieper.

 

De zaterdag na Sinksen, 12 juni 1557, laat het stadsbestuur weten dat er in Nieuwpoort een verse lading tarwe gearriveerd is. De prijs ervan valt mee. Een flinke twintig pond per rasier en men laat ons weten dat het graan de volgende woensdag in Ieper zal toekomen en beschikbaar zal zijn tegen de vermelde prijs van twintig pond. Het verschil zal bijgepast worden door de stad. Dat geld moet natuurlijk ergens vandaan komen. Een extra hallengebod maakt duidelijk van waar. Wie graan komt verkopen op de markt zal tien stuivers per rasier moeten afdragen om de mensen van de stad enigszins te paaien. De graanhandelaars, hier erg charmant de 'korenbyters' genoemd, zijn kop van jut bij het gewone volk. Vooral een zekere Malin De Groote krijgt de zwartepiet toegewezen. Men zweert dure eden om de woekeraar te doden want hij zal wel de schuldige zijn waarom het graan zo duur is geworden.

 

Op 19 juni meert een schip aan bij de Leet met een lading van vierhonderd zakken graan. De prijs van zestien pond is iets minder hoog dan een week geleden en de inwoners haasten zich ernaartoe. De tarwe wordt bijna uitgevochten. Zeker vijfhonderd mensen moeten onverrichter zake en zonder graan naar huis moeten worden teruggestuurd. Tja. Op de markt liggen er zeker tweehonderd rasieren beschikbaar, tegen een woekerprijs van achtentwintig pond. De prijs van de bonen en de zomergerst is al opgelopen tot twaalf pond. De arme mensen sakkeren en wenen. Het moet wat zijn om geen geld te bezitten om voedsel te kopen. Dergelijke dure tijden hebben ze nog nooit meegemaakt. Ze moeten hun magen noodgedwongen stillen met gerst, bonen en erwten. 'De mensen stierven van hongersnood, hetgene te voren nog nooit gehoord was.'

 

Die van Duinkerke zijn er met twee vissersboten op uit getrokken om hun netten uit te werpen in zee en ze komen hierbij in aanvaring met een Frans oorlogsschip en zijn bemanning die meende dat het de Vlamingen kon enteren en beroven. Maar de smerige zeelieden kwamen bedrogen uit. De Duinkerkenaars hebben het schip zelf buitgemaakt en naar Duinkerke gesleept. Korte tijd later doet zich een gelijkaardig scenario voor, deze keer met drie schepen. Terwijl ze naarstig bezig zijn met vissen. De drie schepen blijken volgepropt met koren en andere goederen die de Fransen eerder gestolen hadden van Vlaamse boeren. Ook de Engelsen lonken naar eventuele Franse buit want tussen hen beiden is er sprake van oorlog op zee.

 

De 24ste juli kosten de tarwe en de zomergerst in Ieper al respectievelijk tweeëndertig en zestien pond. De prijs is op twee jaar tijd maal vier gegaan. In Poperinge is er al sprake van zesendertig pond. De inwoners van Brugge en Nieuwpoort ondervinden hetzelfde fenomeen van de schaarste en de torenhoge prijzen. 'Ze en konden geen koorn meer krijgen voor geld en ze moesten brood bakken van alternatieve granen.' In Hondschote is er in datzelfde jaar 1557 sprake van een korenprijs van vierenzeventig schellingen per rasier.

 

Op 5 juli 1557 komt de prins naar onze streken afgezakt. Hij heeft goud en zilver bij zich die hij in Brugge tot munten laat slaan. De soldaten moeten dringend betaald worden want ze hebben al een hele tijd geen geld meer gezien voor hun krijgsprestaties. Van het graanfront komt er eindelijk beter nieuws. De oogst is vol geweest van koren en van de andere granen en de duurte begint sterk te verminderen. Filips, de zoon van keizer Karel en koning van Engeland na zijn huwelijk met Mary Tudor, is bezig aan de opbouw van een groot leger. Natuurlijk gestoffeerd door veel prinsen en graven met vooraan de hertog van Savoye en de graven van Egmont en Hoorn en nog veel andere prominente edellieden en vrome Nederlanders.

 

Deze armee wordt onder het bevel gebracht van die hertog van Savoye en verplaatst zich nu naar de frontieren van de Champagne waar ze verscheidene sloten en kastelen innemen om daarna op 3 augustus 1557 aan te vangen met een beleg van de stad Saint-Quentin (Sinte-Quintens) op zowat honderddertig km van Parijs. De koning van Frankrijk ziet het gevaar, deze stad is zowat het hart van de kroon en zeer rijk. Hij brengt een machtig leger op de been onder leiding van connestabel Annas De Montmorency; met de focus op het verjagen van dit vijandelijke leger van voor Saint-Quentin.

 

De connestabel is gearriveerd op het gebergte boven de stad met een leger van dertigduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters. Op 10 augustus, de dag van Sint-Laureins, steken ze de Somme over. Dan hebben de hertog van Savoye en de heer van Egmont zich op de been gebracht en zijn ze naar de Fransen toe getrokken. Die wilden zich in extremis terugtrekken maar ze zijn door het paardenvolk van de graaf van Egmont bijna twee mijl achterna gejaagd geweest. Zo ontstaat er een vreselijk gevecht waarbij de Franse manschappen totaal uit elkaar worden geslagen en er zowat drieduizend soldaten sneuvelen. Nogal wat edelen worden daarbij gevangen genomen.

 

Na deze zege hervatten de winnaar het beleg van Saint-Quentin, een stad die ze na vijf dagen van beschietingen op 27 augustus stormenderhand hebben ingenomen en geplunderd. Daarna volgt nog de overrompeling van drie andere versterkte steden. Enkele dagen daarna wordt een groep pioniers uit Veurne-Ambacht naar Saint-Quentin gestuurd om de vesting te versterken tegen de Fransen.

 

1558. In april moeten er nogal wat leveringen gebeuren en dient er veel geld ingezameld te worden om het leger van de prins weer op de been te brengen. De tiende penning zijn ze hier heus nog niet vergeten. De bevolking lijdt onder deze grote en onverdraaglijke lasten. Tussen augustus 1557 en Lichtmis 1558 is het weer nog maar eens bokkig geweest. Amper regen of sneeuw, het blijft zowat de hele tijd droog waardoor de sterfte bij de mensen hoog is. Het is al lang geleden dat men nog dergelijke droogte gekend heeft en uiteindelijk mogen we nog met zijn allen blij zijn en de heer op onze blote knieën danken dat er geen besmettelijke ziektes uitbreken.

 

De koning van Frankrijk heeft in de gaten gekregen dat de versterkingen van Calais erg vervallen zijn en dat de havenstad maar bezet wordt gehouden door zeshonderd onervaren Engelsen. Calais is trouwens nu al 211 jaar bezet door de vijand die stad en bolwerk altijd met de nodige zorgvuldigheid heeft bewaard. Maar nu zijn ze toch wel erg zelfzeker geworden. De Noordzee is volledig onder Engelse controle, de koning van Spanje is getrouwd met hun koningin en beheerst nu ook de Nederlanden. Wat kan er hen in Calais eigenlijk gebeuren?

 

Terwijl de Franse ambassadeur Cassaro in Brussel onderhandelt over een vredesverdrag, komt de hertog van Guise in hartje winter terug van een campagne in Italië waar hij de paus heeft bijgestaan. Tijdens de laatste weken van 1557 bereikt zijn leger de zeekant van Boulogne. Hij laat zijn manschappen bivakkeren langs de zeeduinen en beslist dan helemaal onverwacht om op 1 januari 1558 naar Calais te marcheren. De Fransen hebben de Engelse kapitein Thomas Wentworth omgekocht waarop die vervolgens het voornaamste kasteel van de stad, 'De Rysbank', zonder slag of stoot overgeeft aan de Fransen. Enfin dat zijn toch de geruchten die de ronde doen. Men houdt het in elk geval voor waarachtig dat deze stad aan de Fransen verkocht is.

 

De Engelsen proberen in zeven haasten de meubelen te redden en sturen er schepen naartoe. Storm en wind steken er een stokje voor en nog voor de koning van Spanje zijn Nederlandse troepen kan aanspreken, valt Calais op 8 januari definitief in Franse handen. De hele enclave wordt weer Frans grondbezit, hoewel het beleg van Guisnes, zowat tien kilometer verwijderd van Calais, het leven kost aan zevenduizend manschappen die er verscheidene aanvalsgolven nodig hebben om de vesting te overmeesteren. Maar uiteindelijk verliezen de Engelsen het slot van Ham en heel het land van Guisnes.

 

Tijdens deze weken krijgen we in Brussel het bezoek van kardinaal Caraffa. Er zijn nogal wat bewindslieden die de pauselijke kwezel niet vertrouwen. Kwaad vermoeden en grote 'murmuratie' van veel lieden dat hij zijn functie van pauselijke gezant als dekmantel gebruikt om de koning een rad voor ogen te draaien terwijl hij eigenlijk niet meer is dan een ordinaire oplichter. Na de verovering van Calais ondernemen de Fransen nu regelmatig uitvallen naar de steden van de Westhoek. 'Sprongreizen op West-Vlaanderen'. De angst zit er in dat Grevelingen wel eens het volgende doelwit zou kunnen zijn. Er wordt dus hard gewerkt aan de inrichting van enkele bolwerken in de buurt van deze stad.

 

De 11de februari van het jaar 1558 woedt er op zee een storm, 'een tempeest die nog nooit gezien en was'. Het land krijgt natuurlijk ook zijn deel. Huizen en stallen vliegen omver, achteraf zijn er haast geen boerderijen te vinden die geen zware schade hebben opgelopen. De kerken worden ter aarde gesmeten, sommig spitsen breken af en een menigte van bomen en molens worden geveld. Het lijkt er wel op dat de wereld van plan is om te vergaan.

 

Rond Vastenavond krijgt de geteisterde bevolking tot overmaat van ramp het bezoek van een hele bende onbekend volk. De vreemdelingen beweren Duitsers te zijn, maar in werkelijkheid zitten er wel vijf tot zes nationaliteiten tussen. 'Deze bende was zo boos en zo snode dat de landsman hen nergens mee paaien kon.' Ze gaan van stad tot stad, van parochie tot parochie waarbij ze de landsman grote slavernij aandoen. Ze bundelen enkele parochies in één pakket en eisen dat de mensen van het platteland hen binnen de acht à twaalf dagen hun geld en hun schatten zullen inleveren. En als de mensen dit zullen weigeren, dan beloven ze om zelf in te breken en dan al hun bezittingen mee te nemen. Veel keuze is er blijkbaar niet.

 

'Men noemde deze hoop de Hinne-eters, kiekenfretters, en terwijl ze in Vlaanderen gekantonneerd waren, trokken ze er op uit in benden van minstens twintig man, naar andere parochies en overal waar ze kwamen, beroofden ze de landlieden van al hun kippen die ze per honderden allemaal samenbrachten.' Blijkbaar hebben de kiekenfretters een of andere band met de Fransen, want het kan geen toeval zijn dat ze overal te lande zowat samen opduiken.

 

In de maand mei zien we in het noordwesten een komeet, een ster met een staart, rood omrand en strekkend tot aan het zuidwesten. Begin juni 1558 moeten de boeren van Veurne-Ambacht een heel konvooi met paarden inleveren en naar Kortrijk brengen. De regio wordt de hele zomer geplaagd door een gigantische muizenkolonie. De weiden en het gras lopen er vol van en zorgen er voor dat de koeien geen gras om te eten hebben. Na de zomer verdwijnen ze magerder naar hun stallen dan ze in het voorjaar naar de weiden werden overgebracht. Getuigen vertellen dat ze over een afstand van tweehonderd meter wel honderdvijftig muizen hebben zien trippelen. Bij het aanbreken van de winter, wanneer de weiden worden ingenomen door het water, verplaatsen de knaagdiertjes zich naar de huizen van de mensen en richten er zoveel schade aan, meer dan enig mens zich ooit kan herinneren.

 

Maarschalk de Termes heeft voor Frankrijk Duinkerke ingenomen, doet de havenstad versterken en vertrekt nu met zijn leger naar Sint-Winoksbergen waar hij een eerste aanval lanceert. Tijdens de nacht vluchten de inwoners weg met hun beste goederen. Een brigade uit Cassel (een grote menigte van volk) profiteert ervan om 'Bergues' extra te beveiligen en ze slagen in hun opzet. De nieuwe aanval van de Fransen wordt door de Casselnaars met succes afgeslagen waarop die hun pogingen staken en zich beperken tot het beschieten van de vestingen. Maar de inwoners van Cassel en Cassel-Ambacht die hier in de stad waren, zijn er weggetrokken, meedragende alles wat ze konden dragen en vooral de beste goederen en zo zijn ze er heimelijk vanonder gemuisd.

 

De vijand weet van noppes en begint de volgende morgen met een nieuwe aanval. Een nieuwe storm. Maar ze vinden geen tegenstanders meer. Ze zijn dan maar Bergen binnengedrongen en winnen er met gemak. Dat zal wel. De afwezigheid van inwoners maakt hen toornig en kwaad. Drank is er genoeg om vinden in de verlaten stad. De Fransen drinken zich lazarus, bier en wijn zorgen daar wel voor. Bij het verlaten van de stad is het leger niet veel meer dan een haveloze bende zatlappen die de stad plunderen en in brand steken en daarna het hele land aflopen tot tegen Nieuwpoort toe. Maarschalk de Termes laat na deze wrede verwoestingen hetzelfde recept los op het rijke en weelderige Hondschote. Brandstichtingen alom met een bevolking die verschrikt op de vlucht slaat en onderweg, ergens te velde, door de Fransen beroofd en mishandeld wordt.

 

Het graan is met deze oorlog weer flink in prijs gestegen. In oktober 1558 betalen de Poperingenaars nog achttien pond per rasier, kort daarna is die prijs in Ieper al opgelopen tot tweeëndertig pond. Alle eetwaren volgen die trend. Daar komt gelukkig verandering in. In 1559 is de prijs gezakt naar elf pond en tot 1565 zullen de voedselprijzen best schappelijk blijven en valt er niet veel opmerkelijk nieuws over onze gewesten te vertellen.

 

In het Ieper van oktober 1565 kost het graan opnieuw zeventien pond, de bonen ongeveer de helft van die prijs en al de granen zijn duur. De behoeftige mensen ondervinden grote problemen om aan hun brood te geraken. Vooral omdat de graanprijs tijdens de wintermaanden weer oploopt tot achtentwintig pond. De armen klagen steen en been en vragen zich af hoe ze zich door deze vreselijke winter zullen worstelen. Ondertussen blijft de nering er op achteruitgaan en blijven de prijzen opwaarts gericht.

 

'Men deed visite op het land'. Controlebezoeken om te zien hoeveel er gehamsterd wordt door de buitenbevolking. Voorraden die niet echt nodig zijn worden verkocht voor het algemeen belang. De rijken moeten geld ophoesten om de armen te helpen en de koning laat zelf een verordening uitschrijven dat de behoeftigen om godswil in hun steden en parochies zouden blijven, 'maar wat men deed of niet deed, men kon dat niet beletten.' De winter van 1566 is ondertussen bepaald zacht te noemen. Tot in april wordt er geen ijs gezien. In de plaats daarvan doet het niets anders dan regenen, hagelen en sneeuwen en is er sprake van een hele winter met veel water en vloed. In maart kunnen de boeren niet op hun land werken wegens de grote natte.

 

Rond Pinksteren (2 juni) van 1566 beginnen ze op het platteland te prediken. In de streek van Armentières, Nieuwkerke, Belle, Mesen, Kemmel, Steenwerk en in heel Belle-Ambacht. Die 'ze' is eigenlijk maar één persoon. Een predikant die in de wandeling 'Anteunus' wordt genoemd. Een monnik van de Ieperse Predikheren. Hij brengt nogal wat volk op de been. Iedere keer het waanzinnig aantal van vijf- à zevenduizend mensen met onder hen zeker vierhonderd gewapende volgers die de predikant moeten beschermen tegen de tussenkomst van de autoriteiten. De sermoenen moeten dus wel een illegaal karakter hebben.

 

In Poperinge hebben ze een andere predikant. Pater Jacobus komt terug uit het Engelse Sandwyk maar is in feite een pater die deel uitmaakt van het Augustijnenklooster te Ieper. Tijdens de julimaand van 1566 geeft hij een reeks van preken die veel succes boeken in het Poperingse. Op 4 augustus komt broeder Jacobus naar Ieper. Hij predikt er op een grasveld tegenover het Clarissenklooster voor een mensenmassa van dertigduizend aanhangers, waarbij zo'n tien percent voorzien is van wapens om de spreker te beschermen.

 

Wat is er toch aan de hand in de Westhoek? Dat wordt snel duidelijk. De sermoenen handelen over het 'Heilige Schrift'. Wat de priesters al duizend jaar vertellen over dat schrift is de hele tijd vals geweest. Op 14 augustus gaat er opnieuw een dergelijk massa-evenement door op het O.L.V.-kerkhof van Poperinge. Achteraf trekken hele bendes geusgezinden naar al de lokale kerken. 'Ze staken er al de beelden van boven neder, braken de tresoren en garderoben, en namen al de ornamenten, klederen, boeken, ciborien en kelken. De sacramenten vertreden ze met de voeten en al dat hun niet en diende hebben ze verbrand. En doende als dolle razende mensen, sloegen en smeten ze de priesters, verjaagden ze en namen hun geld en hun goed af. Zij en hebben niets geheel gelaten van alles waaraan ze konden geraken in de kerken of kloosters. Als dit boos volk enige crucifixen omver smeten, zo riepen ze “Vive les gueux!”'

 

Op Hemelvaartdag, 15 augustus, volgt er een invasie van zeshonderd geuzen van de 'pays d'Alleu', volk van het land van het Vrijleen dat woont aan de oevers van de Leie op weg naar Rijsel. Er is opnieuw sprake van roof en plundering. Het klooster van Sint-Anteunus kan er van meespreken en dan gaat het richting Belle, Belle-Ambacht en Cassel-Ambacht waar ze verder gaan met hun wandaden. Diezelfde avond vernielen andere geuzen, het 'heilig volk' noemen ze zichzelf, de kerken van Vlamertinge en Elverdinge. En het zijn niet alleen geestelijken die de rebellie prediken. Op 16 augustus zien we ook een wereldlijk man aan het werk in de Brielenkerk. Basten Matte is zijn naam.

 

De stadsbesturen reageren. In Ieper worden er galgen opgericht waar twee vandalen worden opgeknoopt vanwege hun diefstallen. Graaf van Egmont arriveert de 14de september in de stad, samen met zijn achterban van edelen. De geuzen moeten ophouden met prediken in de kerken van God. Als tegenprestatie laat hij hen toe om tempels te velde te maken. De wederzijdse verwijten van 'pape' of 'geus' moeten stoppen en als dat niet gebeurt zullen de rechtbanken iedereen bestraffen. Na al deze getroffen maatregelen vertrekt Egmont op de 24ste naar Brugge.

 

Egmont wordt op diezelfde 14de september vergezeld van een brigade veiligheidstroepen, driehonderd ruiters die drie maanden in Ieper zullen blijven. Een week later arriveren nog eens honderdvijftig voetgangers, allemaal Walen en Artesiërs. Het zijn vooral hagebuiters, ordinaire avonturiers op zoek naar geld. De eerste nacht logeren ze te Brielen in het Veustraat. Op 24 september komen daar nog eens vierhonderd Artesische manschappen bij. Het is duidelijk dat Ieper de noodtoestand heeft uitgeroepen na de gewelddadige vernielingsronden van de geuzen. Al van half juli is er maar één stadspoort meer open. Dat is ook het geval in Rijsel. Met de Tuindagfeesten van half augustus gaat de Elverdingepoort weer open, maar deze maatregel is slechts tijdelijk aangezien de poort op 23 oktober weer dichtgaat.

 

Tijdens de nacht van 4 oktober wordt Vlamertinge opgeschrikt door de arrestatie van een welstellende man. Dertig soldaten voeren de klus uit. De opgepakte wordt ervan verdacht om geus te zijn. Zijn eigendommen worden aangeslagen en ze grabbelen nog in de bezittingen van een andere geusgezinde rijkaard die zich wel tijdig uit de voeten kan maken. Vier dagen later komt diezelfde bende soldaten aan in Elverdinge. Ze arriveren om precies te zijn op 8 oktober om 23 uur. Het gaat er gewelddadig aan toe. Achttien gezinnen worden beroofd van hun goederen, inboedel en vee.

 

'Men klingelde de klokken wel één uur lang en daar kwam volk genoeg, maar als ze de hoop van de soldaten zagen, dewelke wel voorzien waren van wapens, met twee trommels en een vaandel en dewelke voortdurend schoten met hun bussen. Elkeen vluchtte weg, een deel liep in de kerk en sloot de deuren achter zich, maar de Walen of de soldaten beukten de deuren in. Men vluchtte dan op de toren, maar die werd ingenomen door de soldaten waarbij de verstopte mannen gevangen werden genomen. Eén Elverdingenaar bleef er dood achter, zijn oog werd doorboord.'

 

Zes parochianen worden opgepakt. Onder hen bevindt zich de geuzenpredikant Maliaert Onger. Hij wordt verdacht van het uitspreken van verscheidene sermoenen en zal worden opgehangen in Ieper. Jan Denys blijkt de commandant te zijn van de milities die orde op zaken willen stellen in de Westhoek. Wel te verstaan in het voordeel van de geuzen. Denys is afkomstig van Woesten maar woont nu in Roesbrugge en heeft het geschopt tot de opperste krijgsman van het gewest, de eerste man die het aandurft om de heretieken en ketters van Vlaanderen te organiseren in een evangelische militie. Hij laat overal te lande de trommels slaan met daarbij de oproep aan allen van goede wil om de wapenen op te nemen voor het evangelie en zich onder zijn leiding te stellen. En hij belooft daarbij een goed loon voor iedereen.

 

De trommels roffelen zo in Roesbrugge, Poperinge en Hondschote. Vierhonderd mannen beslissen om mee te stappen en krijgen meteen een daalder toegestopt. Jan Denys blijkt zelf onder het beval te staan van de oppergeus, Hendrik van Brederode, een edelman uit Utrecht die ooit nog met keizer Karel tegen de protestanten heeft gevochten maar sinds 1558 duidelijk de zijde van de ketters heeft gekozen. Denys krijgt zo het bevel van deze van Brederode om met zijn milities naar Valenciennes te trekken, een stad die de heresie of de ketterij zeer genegen is, maar die momenteel bezet wordt gehouden net zoals dat het geval is met Ieper.

 

Denys trekt ernaartoe op kerstdag van 1566. Eerst via Tourcoing waar zijn legertje zich aansluit bij dat van andere milities afkomstig van de Leiekanten en van het land van Alleu. De priesters op hun weg zullen het geweten hebben: 'en waar hij passeerde begon hij zijn oorlog tegen de pastoren en geestelijke personen, hen berovende van al dat hij vond.' Op 27 december belanden ze in de buurt van Doornik waar lokale benden zich aansluiten bij het geuzenleger van Jan Denys. Even later krijgen ze een aanval te verduren van een afdeling ruiters van het garnizoen van Rijsel. Met vijftig zijn ze en tijdens de confrontatie sneuvelen er aan beide zijden zes mannen.

 

Met de rest van het Rijselse garnizoen krijgen ze te maken in Wattrelos. De ongeoefende kornuiten van Jan Denys zijn natuurlijk geen partij voor deze professionele soldaten. Een nederlaag kan niet voorkomen worden. Denys kan zich tijdig uit de voeten maken en verstopt zich in de kerk van Wattrelos. Terwijl die kerk in brand wordt gestoken, verweren Denys en zijn overgebleven volk zich als een duivel in een wijwatervat tegen de Rijselnaars en slagen ze er in om behouden terug te keren naar Roesbrugge.

 

1567. Tussen 1 en 15 augustus regent het dagelijks zodat de tarwe niet kan geoogst worden en opschiet, zodat het graan waardeloos wordt om brood te bakken. Maar ik ben al wat vooruitgelopen op de tijd. Terug naar januari van dit jaar. Op 29 januari krijgt Ieper opnieuw het hoog bezoek van de graaf van Egmont. De burgers weten direct wat hen te doen staat: 'hij liet een gebod uitgaan binnen de stad dat al de poorters hun wapens zouden binnenbrengen, te weten; bussen, pistolen, pieken, hellebaarden, arsen en dergelijke wapens, gereserveerd degens en rapieren, poignaerden en sprinkstokken, die ze mochten behouden.' Deze maatregel wordt getroffen in de zeven kasselrijen van de Westhoek.

 

De nieuwe religie heeft al serieus voet aan de grond in de streek en dat is helemaal niet naar de zin van graaf Egmont. Hij laat van Ieper, Belle en Belle-Ambacht, Cassel en Cassel-Ambacht, Bergen en Bergen-Ambacht, Veurne en Veurne-Ambacht, het Vrije-Ambacht, Hondschote en uit de resterende gemeenten een dozijn mannen verschijnen die ervoor bekend staan om aanhangers te zijn van het nieuw geloof. Egmont vraagt hen om even een adempauze in te lassen en hun prediking op te schorten tot eind juni 1567.

 

'We gaan uw verzoek bespreken met onze achterban.' Maar in Armentières, Belle, Cassel, Bergen, Veurne en hun buitengebieden wijzen ze erop dat de graaf hen vorig jaar beloofd heeft dat ze vrij waren om hun eigen tempels te bouwen waar ze hun geloof konden prediken op de manier die ze zelf wilden. De meningen bij de mensen zijn erg verdeeld. De vrees om bezet te worden door een garnizoen zorgt er tenslotte voor dat er vijf of zes van elk gebied hun handtekening plaatsen en beloven om even te wachten met nieuwe sermoenen.

 

Jan Denys de kapitein van de geuzen in de Westhoek stoort zich niet aan enige beloftes. Afgelopen winter heeft hij al lelijk huisgehouden in de streek van Veurne met zijn oorlog tegen alle geestelijke personen en de goede katholieken. 'Hij liep van prochie tot prochie en bedwong hun met pijnigen en geweld om geld te geven en beroofde hun huizen van alles wat hij er vond.' De soldaten mogen alles houden en dat zorgt er natuurlijk voor dat mensen die fijn gerust zijn in enige religie, straatschenders, hooligans en vreemd volk, welke dan ook, er hun profijten in zien om zich aan te sluiten bij de brigades van Denys. Allemaal gaan ze op zoek naar grote buit.

 

De geconfedereerde benden van alle geuzen hebben ondertussen een raid uitgevoerd op Antwerpen. Ze staan onder de leiding van de heer van Toulouse bekend als Jan van Marnix, de oudere broer van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. De milities van Jan Denys sluiten zich achteraf heimelijk aan bij deze rebellen. In Oosterweel, op een halve mijl van Antwerpen, komen ze op 13 maart 1567 met zijn allen oog in oog te staan met een regeringsleger onder bevel van de heren Beauvoir en Lamotte. De geuzen delven het onderspit. Ze zijn geen partij voor dit leger. Jan van Marnix sneuvelt en Jan Denys wordt gevangen genomen en korte daarna in Leuven opgehangen.

 

Meteen het einde van de eerste geuzenkapitein van Vlaanderen. Een man die in onze kasselrij en op andere plekken zeer lastig is geweest, een boegbeeld van de geuzen van West-Vlaanderen, een man op wie ze konden rekenen omdat hij lef had en hij erg ondernemend was. Voor zijn dood bekent hij dat al zijn acties niet geïnspireerd waren ter ere van God maar dat hij uit is geweest op macht, geld en roem. Voor er sprake was van oproer, bleek hij een arme sukkelaar die wel wat meer wou met zijn leven. De dood en de bekentenissen van hun beschermheer Jan Denys doen in elk geval de moed in de schoenen schuiven van de geuzen in de Westhoek.

 

Op 5 april 1567 wordt er in Ieper een nieuwe verordening uitgeroepen. De geuzen mogen niet langer prediken of onderlinge gesprekken voeren over het nieuw geloof. Noch in het openbaar, noch in het verborgene. Het zingen van psalmen wordt verboden op straffe van de galg. De tempel wordt van overheidswege gesloten. Nu ja, gesloten, ik zou beter zeggen afgebroken, want 'den 10 april trok het garnizoen uit Ieper naar de geuzenkerk en hebben die helemaal afgebroken en geruïneerd, de stenen en het hout en het ander materiaal hebben ze voor eigen profijt verkocht en ze hebben het gebouw in twee dagen tijd afgebroken, wat wel honderdvijftig grote Vlaamse ponden heeft gekost.'

 

In Poperinge staat er eveneens een geuzenkerk. Op 12 april vertrekt Simon Uyttenhove uit Ieper om ook dat bouwwerk met de grond gelijk te maken. De kerk is gemetst met rode bakstenen die door de handlangers gretig aan de man worden gebracht. Op zee wordt een schip met vluchtende geuzen aangeslagen. En het vaartuig is goed voor zeker vijfhonderd ponden. De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Geuzenpredikant Maliaert Onger die vorig jaar werd opgepakt in Elverdinge, wordt door de vierschaar op 16 april 1567 schuldig verklaard en zal zoals gebruikelijk opgeknoopt worden.

 

Tijdens de terechtstelling ontstaat er groot tumult bij de aanwezige menigte waardoor justitie hardhandig moet ingrijpen om de rust te herstellen. Op het plein voor de markt worden twaalf mensen doodgeschoten en zeventig burgers raken daarbij gekwetst, 'hetgeen een groot jammer was.' Het lijkt duidelijk dat de terechtstelling van Onger olie op het vuur heeft gegooid. Er breken op verscheidene plaatsen rellen uit waarbij Jacobus Heule en Joos Michiels zich in negatieve zin laten opmerken.

 

Deze Michiels staat bekend als 'de predikant'. De man wilde een kwaadaardige en goddeloze aanslag uitvoeren in de buurt van Poperinge, op een plek genaamd 'Spanjaardsdale'. Maar er is wat verkeerd gelopen en nu richt het heerschap zijn pijlen op nieuwe doelwitten. Met een bende van veertig man vertrekken ze nu naar Reningelst. Onderweg eten, drinken en overnachten ze in herberg 'De Nachtegaal' waar ze zich bij het vuur moeten drogen want blijkbaar zijn ze zeiknat van de regen die de hele dag is blijven neergutsen.

 

De volgende morgen sturen ze enkele verkenners naar Reningelst en die komen vrij snel terug met het nieuws dat de dorpspastoor in elk geval thuis is. Vijf of zes man van de bende haasten zich nu om de geestelijke een bezoek te brengen. Ze verschansen zich in de kerk. De rest gaat op zoek naar de kapelaan. De pastoor van Reningelst heeft de nacht doorgebracht in Voormezele en is teruggekeerd om de hoogmis voor te bereiden. Het is immers 'verkoren maandag', de feestdag van de vlassers welke valt op de eerste maandag na Driekoningen.

 

Het duurt niet lang voor de geuzen, zeg maar ordinaire landlopers, de arme man te pakken krijgen. Ook de kapelaan en de koster worden overmeesterd. Het sein slaat op groen om de schilderijen in de kerk, samen met de boeken, gewaden en de aanwezige kostbaarheden te vernielen en in brand te steken. 'Dit gedaan zijnde hebben ze de pastoor, een man van grote deugdzaamheid en geleerdheid, welke ooit nog president geweest is van een Latijnse school in Ieper, samen met de twee andere geestelijken weggeleid, hun weg nemend naar Loker en van daar naar Dranouter, Kemmel, Nieuwkerke en Niepkerke. Onderweg kregen de mannen noch eten noch drinken en bedreven de geuzen even grote, ja zelf meer wreedheid in de kerken die ze voorbij gingen als diegene die ze gebruikt hadden tijdens de beeldenstormerij van augustus 1566.'

 

De pastoor van Dranouter is het niet eens met de vernielzucht van dat crapuul en biedt weerstand. Hij krijgt een slag tegen het hoofd en met een ferm gapende wonde wordt hij verplicht om zijn kerk te openen. Diezelfde nacht wordt de kerk van Niepkerke geplunderd. Met het vallen van de avond bereiken de schavuiten het bos van het Westhof, gelegen tussen Belle, Nieuwkerke en Niepkerke. Niet zo ver van de Zwarteberg. Een ideale plek om af te rekenen met de twee priesters en de koster van Reningelst.

 

Jacobus Heule, Joos Michiels en nog twee 'raadsmannen' vormen de jury van hun eigen rechtbank hier te velde. De katholieke dienaars van Reningelst verdienen de doodstraf. De 'Heilige Schrifture' maakt dat volgens hen maar al te duidelijk. Hun dood is een kwestie van rechtvaardigheid. 'De inhoud van de sententie tegen hen uitgesproken door Jacobus Heule was; omdat zij zich door een wrede tirannie gesteld hadden tegen de belijders van de zuivere leer en omdat ze veel van hen bij de magistraten verraden hebben, worden ze nu ter dood gebracht. Daarenboven waren ze hardnekkige doopsgezinden, baptisten en als leraars van deze afgoderij zullen ze onthoofd worden.'

 

Eén van de drie geestelijken straalt wel meer gezag uit dan zijn collega's en weigert fanatiek zijn geloof af te zweren in ruil voor zijn leven. Priester Judocus vertikt het inderdaad. Hij zou duizend keer liever sterven dan zijn geloof te verraden. 'Na zijn antwoord heeft men hen van de berg weggeleid in een nabijgelegen bos en om 23u zeer wreed ter dood gebracht. En ondanks het feit dat de sententie voorzag dat hij onthoofd moest worden, zijn ze nog op een wredere manier omgebracht geworden. Zeker meester Judocus, veel slagen en dodelijke verwondingen ontvangen hebbende en uiteindelijk dodelijk gekwetst na de slag van het zwaard, heeft hij zijn geest aan God, zijn schepper gegeven en riep hij tot laatste ogenblik tot God of hij hem als zondaar genadig zou blijven.'

 

De kapelaan wordt eveneens fel mishandeld. Hij krijgt meerdere verwondingen, onder meer drie messteken in de keel waardoor hij stikt. Van de koster snijden de geuzen zijn onderste lip af en steken ze met hun mes in zijn buik. Kort daarna sterft de sukkelaar. De goddeloze rechtbank die beslist heeft over de terechtstelling van het drietal, oordeelt nu dat ook de pastoor van Dranouter hetzelfde lot zal moeten ondergaan. Voor de manschappen lijkt dat een brug te ver. Een aantal onder hen spreken voor hem ten beste waarop de priester de dood kan ontlopen.

 

De verminkte lijken van de drie priesters worden pas een week later gevonden. Om precies te zijn de 19de januari van 1568. De volgende dag worden ze volgens de gebruiken van de Roomse kerk met grote eerbied begraven in de kerk van Reningelst. Op de begrafenis volgt vijf dagen later nog een plechtige uitvaartmis. Dat heeft de deken van Poperinge voorzien. 'Een solemnele uitvaart' in aanwezigheid van zeker tweehonderd hoogwaardigheidsbekleders.

 

Na de moord op de priesters houden de geuzen van Michiels en Heule zich even gedeisd in een nabijgelegen woning, maar de volgende dag moet predikant Johannes Michiels een sermoen houden op de nabijgelegen Monteberg waar de geuzen van hun bende natuurlijk verwacht worden, samen met andere gewapende milities van Nieuwkerke en van Steenwerk, Mesen en andere plaatsen. Het sermoen wordt op het laatste moment afgelast als ze een bericht krijgen dat Ieperling Simon Ryhovius op komst is met een bende soldaten om de geuzen op te pakken. Alle bezoekers worden aan de voet van de Monteberg door schaapherders verwittigd van de dreigende aanval waarop iedereen maakt dat hij weg komt.

 

De moordenaars vertrekken op hun beurt naar Reningelst waar ze hun buit verdelen en zich opsplitsen. Jacobus Heule vertrekt naar Frankrijk. Joos Camerlinck rept zich naar Bergen-Ambacht. Simon Ryhovius vindt geen kat op de Monteberg. Er is daar niet het minste spoor van geuzen te bekennen.

 

Het grafschrift van de arme priesters luidt als volgt: 'Meester Jacobus Heugesoone, pastoor van Reningelst, bisdom van Ieper, is in de bloei van zijn leven op wrede manier gedood geworden in het jaar 1568, op de 11de januari, volgens de Roomse almanak. Opdat de bitterheid omwille van hun dood ook voor onze nakomelingen bekend zal blijven, zijn volgende woorden op hun grafschrift gebeiteld in het jaar van onze heer 1569, de 15de januari;'

 

'De woedende beeldenstormers, na een verschrikkelijke ontering van deze kerk en alles wat er heilig was, hebben door geweld de drie priesters van deze kerk gemolesteerd; zijnde meester Judocus Heugesoone, pastoor, mijnheer Robertus Ryspoort, kapelaan, mijnheer Jacobus Paneel, koster. Nadat ze hen zeer schandelijk de hele dag hebben rondgeleid, hebben ze hen de volgende nacht rond 11u, in de klare maneschijn, omwille van hun standvastigheid in het katholiek geloof, op de parochie van Nieuwkerke, op een lege en een weinig afgelegen plek langsc de weg op wrede manier gedood. Hun lichamen werden daar enkele dagen later gevonden, bevroren door de grote koude en ze zijn op deze plaats met zeer veel eer begraven geweest, aan dewelke onze gebeden niet zo nodig zijn als wij die van hen moeten verwachten. R.I.P.'

 

De wilde geuzen vertrekken met zowat vijftig manschappen naar Bambeke, Oktezele, Winnezele, Herzele, Wormhout en andere parochies waar ze overal de beelden en de kerkelijke goederen viseren. 'Ze zouden de priesters van de voorzeide parochies ook vermoord hebben, hadden zij hen kunnen krijgen.' Een pastoor van Soks in de buurt van Sint-Winoksbergen, Kwaadieper en Westcappel kan niet tijdig ontkomen en wordt gevangen genomen. Meer nieuws over het lot van deze priester kan ik niet vertellen, ik weet wel dat de kerk van Eeke beroofd en onteerd wordt. Daarna komen ze via het bos van Steenvoorde terug naar Hondschote en daarna melden ze zich bij het klooster van Roesbrugge waar ze de nonnen zeer kwalijk behandelen. Ze vreten en zuipen er alles wat ze vinden en slepen er de kostbaarheden weg, hetgeen verwerpelijk is.

 

De 11de januari werden er blijkbaar toch enkele wilde geuzen bij de lurven gevat. Hun berechting door de amman te Ieper volgt op 18 februari. Vijf onder hen worden opgeknoopt, de zesde zal gewurgd worden en daarna op de brandstapel belanden. De zevende is Bellenaar Jacobus Visage. Hij wordt levend in het vuur gegooid nadat hij eerst op een slede rond de markt gesleept werd en op elk van de vier hoeken een geseling heeft ondergaan voor al de schelmstreken op zijn conto. Drie andere kompanen worden naar de galeien verwezen.

 

Deze Visage krijgt zonder meer de wreedste straf omdat hij het meest op zijn kerfstok heeft. Hij was aanwezig in Sandwyk waar al de priesters en de katholieken werden gedood en was achteraf met een leger van wel 3.000 Vlamingen vanuit Engeland afgekomen en afgezet geweest bij de kerk van Mardijk waar er volop gebruik werd gemaakt van buskruit en lood. Ook in Spanjaardsdale werd hij opgemerkt. Daar maakte hij zich schuldig aan diefstal van geld en heiligschennis. Achteraf hield hij zich verscholen bij de Catsberg, nog altijd in het bezit van buskruit en lood die zouden gebruikt worden voor het vermoorden van andere priesters.

 

Het gerecht schiet over heel Vlaanderen in gang. Strenge justitie voor al diegenen die kerken en kloosters hebben beroofd en er de beelden hebben vergruizeld. Idem dito voor de onruststokers van Wattrelos en de mensen die hen ondersteund hebben. Nog voor het einde van februari leidt de heer Delamotte nog eens vijf personen binnen te Ieper. Gevangen genomen in Bergen-Ambacht. Het gezelschap wordt ervan verdacht te werken aan de inval van een andere kwade bende, de lieden van een zekere kapitein Condees. Eén van de betichten luistert naar de naam van 'Launistraen'. De betichten verhuizen via Rijsel naar Brussel waar ze hun lot zullen vernemen.

 

Het jaar 1568 is een moeilijk jaar voor de mensen. Zowat overal lopen er soldaten rond en zitten dorpen en steden opgescheept met garnizoenen. Menen, Wervik, Komen, Waasten, Mesen, Belle kunnen ervan meespreken. Al dat legervolk is een pest voor de gewone huisman. Wat voor last toch zijn ze voor de inwoners? Het is de voorbije tweehonderd jaar nooit zo erg geweest. Het zijn allemaal Walen, zogezegde vrienden, mijn voeten ja, door al die vrienden worden de Vlamingen zo arm als Job.

 

Op zaterdag 17 juli rond 22 uur krijgt Kemmel het onaangenaam bezoek van vier- à vijfhonderd geuzen. Op de Dries steken ze de kerk in brand en ook de huizen van een bakker en een kuiper gaan in de vlammen op. Ze vertrekken gelukkig zonder nog meer kwaad aan te richten. Een moeilijk jaar. Inderdaad. En dan die zogezegde 'orensnijders', het woord alleen doet me huiveren. Ze houden zich voor niets of niemand in. In Kaaster, bij Hazebroek, worden er twaalf van die boeven opgepakt en naar Ieper gebracht waar ze in de gevangenis vliegen en later berecht worden. Enigen worden opgehangen en de rest geradbraakt.

 

1574. Na de oogst blijven de wegen er bij ons grotendeels droog bij liggen. De vierde oktober begint het al te vriezen, veertien dagen later ligt alles er stijfbevroren bij zodat men over de wallen kan rijden met paarden en wagens. Hartje winter, 'medewinter', wordt het echter kletsnat en is er sprake van een zeer grote vloed. Er blijft veel koren liggen op de akkers en er is weinig graan voorhanden in de keukens. 'Luttel in het avot'. Er is daarentegen sprake van een overvloed aan hoppe en fruit.

 

De hoppe kost tien pond en zal later wat duurder worden. Het graan kost elf pond per rasier. De erwten zeventien stuivers het spint, zeg maar per emmer. De beesten worden van langs om duurder. Voor een paard betaal je al vlug twintig ponden groot, een melkkoe vijf à zes pond, een middelmager varken twee pond en de biggetjes tussen de tien en de twaalf Parijse ponden. In 1575 zal de prijs van het graan oplopen tot zesendertig ponden per rasier, gelukkig zal deze woekerprijs maar twee weken aanhouden.

 

Op 1 oktober 1576 krijgen we een nieuwe overstroming waarbij al de broeklanden nog maar eens onder water komen te staan. Alles wat nog op het land achtergebleven is, mag als verloren beschouwd worden. De 25ste ligt datzelfde land er kei bevroren bij zodat er geen sprake kan zijn om te zaaien. Twee weken later is de vorst zodanig straf dan men kan rijden waar men wil. De 4de november breken de Spanjaarden uit hun kasteel te Antwerpen en plunderen ze de stad. Wat ze daar buitmaken aan schatten zal vermoedelijk nergens anders in Europa te vinden geweest zijn. Ze steken zelfs een deel van de rijke stad in brand.

 

Twee dagen later, op 6 november in de late avond komt er uit het westen een zware storm binnen die blijft aanhouden tot 3 uur in de morgen. Nooit hebben de mensen dergelijke hevige storm beleefd. Het lijkt wel een aardbeving. Bomen, huizen en kerken hebben zodanig veel schade geleden, iets wat ze de voorbije 200 jaar nooit gezien hebben. In Vlaanderen zijn er wel 500 molens tegen de grond gestuikt. Een pak huizen, steden en dorpen blijven gescheurd en omgevallen achter. De timmerlieden en de dekkers van daktegels en schaliën hebben zoveel werk dat men ze niet meer kan krijgen voor geld. Ze verdienen wat ze willen tien,twaalf, dertien stuivers per uur, tot één hele gulden per dag.

 

In januari van het jaar 1577 plegen de steden, dorpen en heerlijkheden overleg met elkaar om oorlog te voeren tegen de Spanjaarden. En vooral om zich weerbaar op te stellen tegen de bezetter. Nee. Het is geen gemakkelijke tijd. Op 10 april verwoest een stormvloed vanuit het noorden de tarwe op de velden. Het is voorwaar de ergste overstroming van de laatste twintig jaar. In Antwerpen trekken de Spanjaarden op 25 maart met hun grote buit weg van het kasteel. De Antwerpenaars zijn daarbij nog verplicht om een wisselbrief van 500.000 gulden ter beschikking te stellen en daarbij komen nog extra de sommen die Juan van Oostenrijk uit eigen zak zal betalen. 'Men rekent dat er, met vrouwen en kinders, 30.000 uitgetrokken zijn.'

 

In mei 1577 komt er nog een belasting bij voor de Vlamingen. Op het platteland moet er voortaan een extra cijns van meer dan vier pond betaald worden op een ton bier. Op een Ieperse tarwemaat komt er een taks van een veertiende penning en voor rogge net hetzelfde. Op de buitenlandse bieren komt er nog eens extra zes pond bij. En dat gaat zo verder met de andere handelswaren, surplussen op wollen lakens (drie tot acht pond per el). Een os of stier van drie jaar oud. (twintig schellingen). Een koe (twaalf schellingen) en een kalf, schaap of lam twee schellingen), een varken vier schellingen 'boven het ordinaire'.

 

'Omtrent juli hebben die van Antwerpen, Gent, Rijsel en meer andere steden hun kastelen afgebroken en geheel geraseerd. God geve dat het hen niet kwalijk zal worden genomen.' In de loop van het jaar verdubbelen de taksen en komt er een dubbele tiende penning. Van tien naar twintig percent belastingen. De tijden zijn duur. Geld is er niet voorhanden, zelfs niet op rente en zelfs met een intrest van een achtste penning. 'Het geld was raar'. Op de dag van Allerheiligen is er weer sprake van zware regenval en overstromingen wat er natuurlijk voor zorgt dat er niet kan gezaaid worden. Oktober en november verzuipen van het water.

 

Op de 14de november wordt een bleke ster met een staart waargenomen in de oostelijke lucht. 'Er ontstaan wonderlijk grote beroerten van oorlog in veel steden van Vlaanderen, te weten in Brugge, Gent, Ieper. Al de steden werden versterkt en dat door de list van de Gentenaars. Het graan is weer duur. Met Pasen 1577 bedraagt die veertien pond per rasier. De boter, haver, bonen en erwten kosten tussen de vijf en tien pond per rasier. Enkele maanden later, met de zaaitijd zakken deze prijzen met een derde.

 

Mijn jaarboek van 1578 heeft het nog eens over die hardnekkig geuzen met hun moedwilligheden om de misvieringen en de religie van de katholieke kerk te beletten. Op 22 juli 1578 wordt er in Antwerpen gelukkig een akkoord gesloten tussen beide partijen. Het principe van 'de vrijheid van geweten' of 'de liberteit van de consciëntie' wordt er aanvaard. De mensen zullen vrijuit hun eigen religie mogen uitoefenen zonder daarbij die van een ander te verstoren. Een hele hoop artikelen van het nieuw geloof worden nu gepreciseerd en dit alles leidt tot de 'religions-vrede'.

 

Eigenlijk ligt de pacificatie van Gent aan de basis van de nieuwe godsdiensttolerantie. De protesten op de Spaanse furie in Antwerpen hebben ervoor gezorgd dat de 17 gewesten van Vlaanderen en Nederland zich nu verenigd hebben tot één 'generale unie' onder leiding van Willem van Oranje. Deze fusie werd afgesproken te Gent op 8 november 1576. Veel goede steden willen aanvankelijk niet veel weten van die nieuwe godsdienstvrede en die pacificatie van Gent; maar deze 'werd daarna allengskens ingebracht'.

 

De inwoners van Veurne en Veurne-Ambacht laten de vrede, door tromgeroffel in de stad, uitroepen in september 1578. De goede katholieken hopen innig dat ze nu zullen gerust gelaten worden bij de uitoefening van hun godsdienst. Dat wordt immers al geruime tijd belet door de soldaten van het plaatselijk garnizoen, allemaal geuzen die opgestookt worden door de 'treffelijkste' burgers van de stad die ook al door de ketterij besmet zijn.

 

De liberteit van religie wordt op 25 juli gepubliceerd in Ieper en 'men moest die onderhouden op lijfstraffe'. De kerken van Sint-Pieters en Sint-Niklaas worden geschonken aan de geuzen en zullen nu aangewend worden om hun ceremonieën te verrichten. Sint-Maartens en Sint-Jacobs blijven bestemd voor de katholieken die nu weer de missen naar believen kunnen lezen en bijwonen.

 

De onrust luwt vreemd genoeg niet. 'Op 22 augustus 1578 hebben die van Gent en Kortrijk al hun geestelijke personen verjaagd en beroofd en hebben ze ook al de kerken geplunderd.' In Ieper vrezen ze voor een gelijkaardig scenario. Ze betrouwen de soldaten die ze in de stad herbergen voor geen haar. Wie kan hen garanderen dat ze wel eens hetzelfde zouden kunnen doen zoals in Kortrijk? Alle kostbaarheden worden in allerijl uit de kerken weggehaald en verstopt in de lakenhalle die daarna extra beveiligd wordt.

 

In deze tijd begint men in zowat al de kerken van het land de leer van Calvijn te prediken, het calvinisme, ongetwijfeld onder druk van het protestantse noorden en op speciaal verzoek van mijnheer Van Assche en anderen die er op aandringen dat deze leer gedoogd zal worden. De geestelijken van andere strekkingen mogen echter hun eigen diensten blijven organiseren. Die Van Assche blijkt een zeker jonkheer Willem van Kethulle te zijn, de heer van Assche, beter bekend als de ‘rassche van Ghent’.

 

Op 12 maart 1579 arriveren er in Elverdinge honderd Waalse ruiters. Ze blijven er vier dagen en de inwoners moeten zorgen voor hun soldij. Twee schellingen per man en per dag en daarna vertrekken ze terug naar Roeselare van waar ze gekomen zijn. 'Die van het Brugse Vrije wilden geen Walen in hun land hebben, want ze weerstonden ze met geweld en vochten dikwijls tegen malkander.'

 

Ook Vlamertinge zit verveeld met een peloton Walen onder het bevel van hun wrede kapitein Laparast. Hij heeft trouwens nog een groep 'pioniers', arbeiders en genietroepen bij zich. Het bolwerk van de brigade bevindt zich ter hoogte van de kruising van de Lombaardbeek met de weg Ieper-Poperinge, enkele honderden meter voor het dorp van Vlamertinge als je vanuit richting Ieper komt. Op 19 maart komt het tot een confrontatie tussen een groep Ieperlingen die de steun krijgen van een deel Gentenaars.

 

'Tijdens de nacht omtrent 24 uur is uit Ieper gekomen kapitein Ooster, met een vendel Gentenaren en een vendel Ieperlingen, en ze hebben afgesmeten het bolwerk van de Walen te Lombaert-brugge en hun brandwacht geforceerd, welke haastig de Gentenaars tegemoet getrokken zijn tot de voorzeide Lombaert, waar ze hun van beide kanten in slagorde hebben gesteld, op die manier elkander vreselijk aanvallende. Een groot getal van Walen, meestal hun pioniers met de kapitein zelf werden dood gesmeten.

 

De overgeblevenen zijn gevlucht in de kerk waar zij zich van voor sterk hielden omdat het daar zeer goed versterkt was met veel schietgaten. De Gentenaars hebben de kerk niet kunnen winnen omdat zij er niet lang konden blijven en vooral uit vrees voor de komst van nog veel meer andere Walen die te Poperinge lagen. Bij hun vertrek staken ze het vuur in de plaatse en brandden de hele Kruisstraat af tot aan de Poperingestraat, zodanig dat er geen huizen meer en bleven.'

 

Op 8 april arriveren er nogal wat Schotten en Fransen in het klooster van Ter Duinen in Koksijde. Elk met zijn eigen kapitein. De inwoners van de kasselrij van Veurne-Ambacht worden verplicht om er de vreemde legers te voorzien van honderd hoornbeesten en evenveel schapen. Van Koksijde vertrekken ze naar Grevelingen en verderop naar Linken. Rond deze tijd verhuizen de Walen van het kasteel van Boezinge naar hun kamp in Vlamertinge en vangen daarbij zowel inwoners als paarden, 'maar ze lieten ze 's anderendaags los gaan, mits dat men aan hen zou leveren pioniers om hen te versterken.'

 

De 20ste april van 1579 onderneemt het garnizoen van Ieper nu een uitval op het kasteel van Boezinge dat ze willen bestormen. Dat blijkt echter moeilijk haalbaar en uit frustratie 'staken ze het in vuur en verbrandden ze de kerke en de plaatse.' Vier dagen later komen er extra Walen toe bij dat kasteel dat blijkbaar de vuurhaard heeft weerstaan en nu verder versterkt zal worden. Het nieuwe garnizoen staat onder leiding van kapitein Antone Labulestrein en is voorzien van ongeveer drieëntwintig paarden.

 

De positie daar in het kasteel van Boezinge moet excellent zijn. Op 5 mei zit de vijand er nog altijd. Diezelfde dag vereren ze Elverdinge met een bezoekje. De dorpsgenoten worden verplicht om zes koeien, schapen en koren ter beschikking te stellen. 'En ze fortifieerden hun kasteel zeer sterk met aarden muren en hebben zich voorzien van proviand, genoeg om er een half jaar te leven.' Het leger van de Schotten en de Fransen verhuist op zijn beurt van Linken naar Poperinge en dat zullen de omliggende parochies wel geweten hebben. Ze blijven er tien dagen tot de 16de mei wanneer ze nu plots optrekken richting kasteel van Boezinge.

 

Ze zijn voorzien van artillerie en een kanon met de bedoeling om de sterkte te beschieten. Iets waar de Walen zich blijkbaar niet aan verwacht hebben. Ze verkiezen de terugtocht boven het kanongebulder en trekken met hun geweren richting Menen waar hun kapitein gedood wordt door de pijl van een kruisboog, 'gearquebuseerd' zoals men dat heet. 'Daarna is dit leger van Boezinge vertrokken, na eerst die prochie gans verbrand te hebben rondom de plaatse, gaande langs Torhout naar Staden waar ze logeerden en van daar alweer naar Torhout waar ze al de omliggende parochies ruïneerden, doende gruwelijke schade overal waar ze passeerden.'

 

De Westhoek staat in vuur en vlam. Op 30 mei laten de Walen Mesen achter zich en op hun beurt vallen de Ieperlingen het dorp binnen en steken er al de huizen in brand. Twee dagen later wacht de kerk van Merkem hetzelfde lot. Het blijft allemaal gaan om de godsdienst. De geuzen kunnen het niet verdragen dat er op het platteland nog Roomse kerkdiensten worden gehouden. De hoogbaljuw van Ieper stuurt op zijn beurt een hoop volk naar het klooster van Eversam. 'Op de 4de juli heeft men de zelve abdij geheel beroofd en de religieuzen kwalijk behandeld, en hebben ze daarna het klooster en de kerk geheel verbrand, dreigende nog veel andere kerken en plaatsen in vier te steken.'

 

Van Eversam gaat het nu richting Noordschote waar de lokale pastoor zich nog af en toe riskeert aan de Roomse godsdienst ten gerieve van zijn katholieke parochianen. De geuzen beroven de geestelijke van zijn meubelen, stelen wat ze kunnen uit zijn kerk en steken die daarna in brand. Op 4 juni krijgen Wormhout en Ekelsbeecke te maken met een roofoverval van Walen uit Cassel die er vandoor gaan met hun beesten, koeien en schapen. Drie dagen later zijn de Walen terug in Mesen en komen ze ook koeien roven in Brielen, Boezinge en Vlamertinge.

 

De 16de juni zorgen de Walen van Mesen er op hun beurt nu voor dat de inwoners van Vlamertinge en Elverdinge op rantsoen gezet worden en volgt er een brandschatting. Concreet betekent dit dat de inwoners zich kunnen vrijwaren van brandstichting als ze met geld over de brug komen. Zolang Mesen niet in hun handen valt, zien de Vlamertingenaars zich verplicht om dagelijks 20 pond te overhandigen aan de Walen. Voor de Elverdingenaars ligt dat bedrag op 14 pond. 'Dat duurde tot dat Mesen gewonnen was. Ze waren daarmee vrij van deze last en ook vrij van roverij en brandschatting.'

 

Jan van Acker, kapitein van de vrijbuiters, legt gedurende vier dagen zijn kamp in te Elverdinge. De mensen van het platteland zijn er opnieuw de pineut van. 'Zij deden de landsman zo een grote slavernij aan als de Walen'. De schrik in de Westhoek zit er diep in. De jaarlijkse afrekening van de 'Acht Parochiën' wordt in 1579 veiligheidshalve gehouden in Ieper-stad want 'men dierf niet te vergaderen op het platte land omwille van de Walen en de vrijbuiters.'

 

'Op 19 juli 1579 waren ten noorden van de boerenwacht van Noordschote, Zuidschote en Reninge vijf of zes van de hardnekkigste vrijbuiters in de vaart gesmeten en verdronken'. Het is in elk geval figuurlijk een hete zomer. Drie dagen later wordt Mesen opnieuw door de Gentenaars in brand gestoken, waarop de Walen er hun rentree maken en het stadje extra gaan versterken. Bij het 'Branderken' in Vlamertinge worden er op 30 juli een aantal vrijbuiters dood gesmeten of gevangen. Afvaardigingen van de diverse buitenparochies worden als gevolg hiervan bij de krijgsraad Ieper ontboden waar ze warempel complimentjes krijgen toegezwaaid: 'hun wachten deden goed toezicht tegen de vrijbuiters waardoor er een einde was gemaakt aan hun roofpartijen.'

 

De Ieperse soldaten hebben vernomen dat de Walen van Roesbrugge zich gesetteld hebben in Poperinge, gaan er naartoe en nemen de buurstad in bezit. Driehonderd Waalse ruiters maken van de gelegenheid gebruik om de buitengebieden van Ieper te verrassen. Ze verschansen zich bij het (Brielense) Noordhof en splitsen zich nu op in kleine benden die zich sporadisch aanmelden aan de Boezingepoort om dan terug te keren naar het Noordhof. Het lijken wel pogingen om de Ieperlingen uit hun kot te lokken.

 

Ze slagen in hun opzet: 'Die van Ieper, dit ziende, zijn met een grote bende voetvolk naar dat paardenvolk toegetrokken en hebben daar jegens elkander geschermutseld. Er bleven vijf Walen dood en een vijftal Ieperlingen raakten gewond. Hun kapitein Croey werd gevangen genomen en naar Grevelingen geleid waar hij zes weken op water en brood werd gezet. Bij hun vertrek staken de Walen de meeste overdrachten van de Iepervaart in brand en daarop naar Roesbrugge vertrokken.'

 

De 14de oktober hergroeperen de Walen van Roesbrugge, Cassel, Ekelsbeecke en Menen zich tot één leger en gaan ze op rooftocht doorheen Veurne-Ambacht waar wel zeventienhonderd koeien, tweehonderd paarden worden buitgemaakt op de landbewoners. Alles wat ze kunnen dragen aan meubelen wordt door de mannen weggesleept. In Ieper zijn ze ondertussen nog altijd verbolgen om het feit dat de Walen hun overdrachten hebben vernield. Ze verdenken de Poperingenaars ervan dat ze de aanstokers van de vernielingen zijn geweest. 'Zo zijn ze vertrokken naar de Poperingevaart waar ze de West-Overdracht en de overdracht van Coppenolle hebben verbrand.'

 

Een militaire operatie van 23 oktober zorgt toch wel voor een positiewisseling bij de vijandelijke troepen. De Walen die zich verscholen houden in Menen besluiten die nacht om Kortrijk te gaan beroven. De Ieperlingen profiteren ervan om de achtergelaten versterkingen van de Walen tijdens hun afwezigheid in te nemen en krijgen hier trouwens de hulp van een peloton Schotten vanuit Roeselare. 'De Walen werden daarop begekt, liepen weg en zwommen door de Leie waardoor er enige verdronken zijn.'

 

Ieper is nog altijd nijdig op Poperinge omdat ze hier de Walen vrij spel hebben gegeven waardoor die vrijuit konden zwerven in de omgeving van Vlamertinge, Elverdinge, Dikkebus en de andere buitengemeenten. En nog meer verbolgen zijn ze omwille van de wetenschap dat die van Poperinge altijd bier hebben geleverd aan de Walen van Roesbrugge. 'Zo zijn de Ieperlingen gekomen naar de stad Poperinge en zijn ze gegaan in al de brouwerijen en hebben er alle brouwketels aan stukken geslagen en bedorven. Dit gedaan zijnde hebben ze de Poperingenaars verplicht om de herstellingen van hun brouwmateriaal af te stemmen met de hoogbaljuw. Gelijk ze gedaan hebben voor een grote som geld en met de belofte om nooit nog bier te leveren aan de Walen van Roesbrugge.'

 

De 15de november valt Wervik in de handen van de Schotten, Fransen en de Ieperlingen. De stad wordt in vuur en vlam gezet. Twee dagen later valt Komen. Het lokaal kasteel blijft echter in Waalse handen. Het is nu de beurt aan de Schotten om het platteland tussen Komen en Wervik te verwoesten terwijl de landlieden met zijn allen op de vlucht zijn geslagen. Op 3 december houden de Walen tactische besprekingen in Rijsel in de aanwezigheid van onder andere graaf Mansfelt, mijnheer De la Motte en de heer De Montigny. De gesprekken leiden tot een herbevoorrading van de troepen in het kasteel van Komen.

 

Tijdens datzelfde najaar ondervindt de bevolking van Langemark en Roeselare grote hinder van de Franse soldaten die de landsman evenveel schade aanrichten als de vijand zelf. Een verdraaid smerig trekje van elke oorlog. Op 12 december volgt er een grote confrontatie in de buurt van Wambrechies waarbij de Walen het kasteel van Quesnoy veroveren en er de Gentenaars doden. Ze richten nu hun pijlen op Komen waarop de Schotten, Fransen en de Ieperlingen zich genoodzaakt zien om tijdens de nachtelijke uurtjes de plaat te poetsen. De 22ste december houden de Ieperlingen lelijk huis in Vlamertinge, Elverdinge en Zillebeke waarbij alle drie de kerken in brand worden gestoken.

 

En zo eindigt mijn dagboek. 'Ik Jacobus Pladijs, was tot Elverdinge gekomen op de 28ste december 1579 en werd aldaar gevangen genomen en weggevoerd naar het kasteel van Cassel waar ik gerantsoeneerd werd voor negen Vlaamse ponden voor mijn rantsoen.'