P1520100

Geschiedenis gaat over mensen. In mijn relaas van de geschiedenis van de Westhoek en van Vlaanderen wil ik absoluut het vaak hopeloze gevecht van de Vlaamse lijven en de zielen met me meedragen en hun agonie een plek geven in de kronieken van ons gezamenlijk verleden. Waarom ik nu op dit moment kom aandraven met die lijven en die zielen is ook voor mezelf een raadsel. Maar ik sla meteen en ongewild de nagel op de kop.

 

Wat mensen onder invloed van hun vaak zieke geesten allemaal uitspookten werd in vroegere tijden radicaal en abrupt afgerekend op hun eigenste leden en lijven. En daar zal mijn volgend onderwerp uitgebreid over berichten. Ik heb het over de oude 'law & order' die ooit heerste in mijn land. Voor mij ligt een boek uit 1835 dat handelt over het oude strafrecht in Vlaanderen. Het werk is van de hand van een zekere Joseph Bernard Cannaert. De man is klaarblijkelijk een ervaringsdeskundige. Hij profileert zich in zijn voorwoord als gewezen raadsheer bij het hooggerechtshof van Brussel en de gewezen rechter zet hiermee meteen de juiste toon.

 

Cannaert is duidelijk een flamingant kom ik in zijn inleiding al te weten. Hij weigert om zijn boek in het Frans te schrijven. De schrijver verricht heel wat research te Gent waar hij op zoek gaat naar uitspraken in deze stad en in heel Vlaanderen. Verdicten en bestraffingen uitgesproken en uitgevoerd van de 14de tot en met de 16de eeuw. De inleiding van het boek is bepaald ingewikkeld. Geschreven met de techniciteit van een magistraat. Het wordt een hele klus om hier een verteerbaar geheel van te maken. Lange tijd kan de rechter van de middeleeuwen niet veel anders dan de basisprincipes van zijn tijd hanteren en er zelf geen interpretatie aan geven. Wie de grenslijn tussen verlichting en barbaarsheid overschrijdt, moet worden veroordeeld. De mannen moeten het zwaard ondergaan en de vrouwen moeten gedolven worden.

 

Met de komst van de Spanjaarden komen er grote veranderingen. De zuiderse nieuwkomers zijn echt wel specialisten in hun domein en hebben hun mensonterende praktijken geleerd in eigen land. Ik citeer even: 'het was voornamelijk onder de Spaande regering dat de halsgerechten in deze landen van herrewaarts over in de meeste bloei waren en dat de menselijke geest bijzonder gericht scheen ter navorsing van nieuwe martelingen om de lijders te folteren en hun zieltogingen kunstmatig te verlengen.'

 

In de 19de eeuw zullen ze beslist geen andere varianten van foltering en pijniging kunnen uitvinden die de Spanjaarden al niet lang onder de knie hebben gehad. Kastijding en lijfstraffen, ja daar kenden ze wel iets van, overdenkt de schrijver. Een getuigenissen uit 1562 illustreert zijn gedachtegang: 'Den hangman doet zijn executien met den vijere, swaarde, putte, kwartieringe, rade, spriete, galge, slepinge, nijpinge, afsnijdinge, kortooren, doorstekinge, uitooginge, geesselinge, schavotteringe en diergelijke, naar de costumen ende usantien van den lande.'

 

Een edict van 7 oktober 1546 heeft het over het loon van de scherprechter. Wat verdient de beul? Blijkbaar liggen de tarieven verschillend naargelang het soort van executie. Verbranden, verdrinken, het levend begraven, het ophangen, onthalzen, radbraken, vierendelen worden verschillend verloond. Net zoals het afkappen van de vuist, het afsnijden van de oren, het doorsteken van de tong, het brandmerken en het afknippen van het haar van de veroordeelden.

 

Uitspraken van 1676 tonen aan dat de repressie en de straffen zo mogelijk nog wreder zijn geworden. Ik kan het mij moeilijk inbeelden, maar toch is het zo. 'Wanneer de patiënt zoude moeten met gloeiende tangen in zijn vlees genepen worden, of na de radbraking opgewipt en in 't vuur gesmeten wordt, wat de beul trekken zal voor het vierendelen van het geëxecuteerde lichaam en de vier delen te hangen op de plaats waar de uitspraak is gebeurd, wat hij verder zal opstrijken voor de afkapping van de hand, het afsnijden van oren, neuzen, en wanneer daarenboven het afgekapt lid ergens moet genageld worden, enzovoort.'

 

Het moedwillig laten verdrinken van veroordeelden bestaat ook. Zoveel is zeker. Keizer Karel betaalt de beul er in 1546 een som van 5 gulden per hoofd voor. Dat gebeurt blijkbaar vooral in Antwerpen tussen 1525 en 1569. Wegens herhaaldelijk bestrafte verkeerde geloofsgevoelens en ook vrouwen die hun kind om het leven brengen, worden nadien door verdrinking bestraft.

 

De lokale kronieken citeren enkele gevallen: 'De 31ste juli van 1525 werd aldus te Antwerpen een Augustijnenmonnik die zijn klooster verlaten had en nu dweepte met de hervormde godsdienst, door de raad van Bredero ter dood verwezen. Hij werd in een zak gestopt en zo levend van de werf in de Schelde geworpen.'

 

'Vier herdoopte vrouwlieden kwamen in de palmweek van het jaar 1534 op dezelfde wijze door beulshanden om het leven. Drie andere zijn ten jare 1557 eveneens in zakken gebonden en in gemelde stroom geworpen.' In de stad Vere werd Neelke Aelders wegens kindermoord gestraft om op het schavot versmoord te worden in een pijp met water. Zij die deze straf moesten ondergaan werden met het hoofd tussen de knieën gebonden en in een vat vol water gedompeld en zo verstikt.'

 

Ten noorden van Vlaanderen, in Amsterdam bijvoorbeeld, hanteert de vierschaar identieke praktijken. Tussen 6 maart en 15 mei worden er zestien vrouwen ter dood gebracht. Ze worden in zakken gestoken en van de vuurtoren in het water van de Ij geworpen. De straf van de verdrinking komt in feite van de Germanen, die het in hun tijd allemaal erg eenvoudig houden. Er zijn maar twee hoofdmisdaden die van algemeen belang zijn in de Germaanse maatschappij. Verraders worden opgehangen. Lafhartigen, 'poltrons', worden verdronken.

 

Alle andere vergrijpen zijn ondergeschikt. Wanneer iemand een persoon verongelijkt heeft, dan mengt het slachtoffer of zijn bloedverwanten zich in de twist. Het zijn zij die genoegdoening eisen. In de oude Gentse gebruiken (in de Westhoek zal het niet anders zijn) zijn diezelfde principes terug te vinden vanaf de jaren 1350. Genoegdoening wordt hier 'Zoendinc' of 'Montzoen' geheten. Cannaert neemt zich voor om uitgebreid de lokale De 'Zoendinc-Boucken' te bestuderen.

 

Hij komt meteen voor de dag met de straf van de put. De veroordeelden worden levend begraven. De Vestaalse maagden hadden deze bedenkelijke straf al ten tijde van de Romeinen mogen ondervinden. Ze hadden het gewijde vuur laten uitgaan en daarvoor paste dus maar één aangepaste straf; die van de put, een van de langst bestaande doodstraffen in onze gewesten. In de vroege middeleeuwen wanneer het feodaal systeem zich op zijn hoogtepunt bevindt, oefenen de leenmannen elk hun eigen rechtspraak uit binnen de grenzen van hun eigen territorium. De put en de galg staan er toen al bekend als de voornaamste bestraffingsvormen van de gestrafte sukkelaars. De straf van de put is trouwens exclusief voorbehouden aan de vrouwen.

 

De kasselrij van Ieper heeft zijn eigen rechtspraak. Ik heb er ooit een uitgebreid hoofdstuk aan gewijd. Wanneer een man of een vrouw al voor de derde keer van overspel beticht wordt, wordt de veroordeelde verbannen op galg en put. Het is eigenlijk een heel simpele straf: ze moeten maken dat ze uit de streek verdwijnen en als ze alsnog opduiken en betrapt worden in het Ieperse, dan weten ze welke straf hen boven het hoofd hangt. Eigenlijk heeft de verbanning iets weg van een voorwaardelijke straf.

 

Het plakkaat van Keizer Karel op 4 oktober 1539 is duidelijk: 'voor wie die mede ware in wille of in varde waar men wijf verkrachtte zoude men bannen uit het land van Vlaanderen, zes jaar, de man op de galg en 't wijf op den put levende te delven.' Vrouwen uit alle standen, van de geringste tot de deftigste burgerklasse, jeugd en ouderdom zonder onderscheid, worden op deze wijze gedurende ruime tijd om het leven gebracht. De voetnoot van de schrijver is duidelijk. De straf is bepaald schrikaanjagend en er zijn nogal wat verdachten die smeken om dan toch maar verbrand te mogen worden in plaats van levend begraven te worden.

 

De misdaad van valsheid wordt afgerekend met de strop. In Ieper, Brugge en Gent straffen ze de valsaards met 'den pelorijn, sleutelen in 't aangezichte ende met banne.' Die 'pelorijn' blijkt een pellerijn te zijn, een frame in hout op dewelke de dader blootgesteld werd aan de spot en de belediging van het volk. De schandpaal van lang geleden is blijven leven in de term van 'aan de kaak stellen'. Bij de pellorisatie worden vaak brandtekens aangebracht in het gezicht. Ook het afhouwen van de rechterhand en het afsnijden van de oren vervolledigen dikwijls de straf aan de schandpaal.

 

Meinedige en valse getuigen worden in de kasselrij van Ieper getrakteerd met een gloeiende sleutel op één van hun wangen. Een straf die in het oude Vlaanderen regelmatig toegepast wordt. Het zal dus wel op iemands gezicht te lezen staan dat het een valsaard is. Gwijde van Dampierre maakt eveneens gebruik van deze bestraffing; 'Zo wie valse waarheden zegt of valse oorkonden voor de schepenen brengt, zal men drie dagen in de kooi zetten en daarna tekenen aan zijn kaak met een slotele en dan uit het land verbannen voor een periode van zes jaar op straffe van de galg en nimmermeer geloofd te worden daarna.'

 

Met overspel wordt er niet gelachen. Een uitspraak in Gent op 9 november 1554 bewijst dat vreemd gaan in Vlaanderen niet zo'n goed idee is. In naam van de justitie moet stadsbeambte Jan de Paepe in zijn ondergoed naar de kerk van Sint-Baafs stappen. Door de Hoogpoort met een kaars van twee kilo in de handen, geflankeerd door twee deurwaarders van de rechtbank. Hij dient er om vergiffenis te bidden, knielend op één knie. Zijn dienaarschap van de stad Gent is hij voor altijd kwijt.

 

Daarbovenop krijgt de man een boete van 20 gulden aangesmeerd plus de kosten van de gevangenis. De waarschuwing van het hof is duidelijk: de Paepe mag binnen zijn huwelijk geen andere meisjes of vrouwen boven zijn getrouwde huisvrouw verkiezen, oneerlijk te converseren op straffe van gegeseld te worden en nog zwaardere straffen te krijgen.' Het houden van lichte vrouwen wordt anno 1459 door Filips de Goede bestraft met het afhouwen van de vuist en een verbanning van 10 jaar.

 

Dat is toch het geval in Brabant. In Gent wordt dergelijk vergrijp bestraft met het afsnijden van de neus, 'want zij useerden van den neuse niet!' Van deze straf is er trouwens al sprake in 1228: 'Deerne of koppelaar die wijf of jonkwijf daar toe uitlokt dat zij met mannen ontschaken, die zal men de neus afsnijden.' Het afhakken van lichaamsdelen is bijzonder populair in Vlaanderen.

 

Cannaert probeert wat structuur te brengen in zijn verhandeling. Hij maakt een lijst van de belangrijkste bestraffingen. Verlies van lijf en goed. Soms alleen het lijf. Mutilatie van lichaamsdelen: het afhouwen van leden. Dat kan een vuist zijn, een oor, een vinger. Een vierde strafmogelijkheid is de geseling met daarbovenop de verbanning. Nummer vijf is een eeuwige ban met confiscatie van de eigendommen. De zesde is de pellerijn, de schandpaal. Uiteindelijk is er nog een zevende straf: een verplichte bedevaart naar een plek die ingeschreven staat in het rode boek.

 

Verbanning is een veelgebruikte straf in Vlaanderen. 'In de stad, buiten de stad of verplichte verhuizing naar welbepaalde plaatsen zoals Cyprus, Rhodos of Hongarije. In Gent ligt de termijn het meest op vijftig jaar. In Brugge zijn ze iets milder, de termijn is korter en soms staat er zelfs geen termijn op maar dan gaat de straf gepaard met het aanslaan van de eigendommen van de veroordeelde.

 

Een verbanning binnen de stad wordt 'bannen in der stede' genoemd of 'confinement'. Het wordt aan een delinquent verboden om zich buitenshuis te begeven. Huisarrest. De straf is eigenlijk een voorzorgsmaatregel. Vrienden en buren van de gestrafte krijgen de opdracht om zijn omgang met anderen in de gaten te houden en te beperken. Wie zich buitenshuis begeeft riskeert gegeseld of extern verbannen te worden. Of soms nog zwaardere straffen.

 

Gillis Hertogh en Tanneke van der Varent leefden in overspel en worden hiervoor door de vierschaar veroordeeld tot uitgaansverbod. Het verdict luidt als volgt: 'omdat gijlieden niet tegenstaande tvoorgaande verbod uwlieden respectievelijk gedaan, uwlieden vervoorderd hebt andermaal te samen vleselijk conversatie te nemen. Uutter name van de justicie mogen ze nu voor vergiffenisse bidden op beide knieën, zeggen u Tanneke van der Varent uutter stede en twee mijlen in 't ronde van hier, ten tijde van drie jaren. Ende confineren u Hertogh binnen de poorten der zelve, up pene van geeseling.'

 

De man krijgt nog extra maatregelen aan zijn broek. Hij vliegt voor zes weken in het gevangenhuis, wat indertijd nog omschreven staat als de 'chastelette'. De hele tijd op water en brood en achteraf wordt hij verplicht om gedurende drie maanden de vroegmis van Sint-Niklaas bij te wonen. De kosten van de gevangenis moet hij trouwens eveneens voor zijn rekening nemen.

 

Lysbette van Wachtebeke heeft het kot voor zich alleen als haar man op bedevaart naar Jeruzalem vertrekt en misdraagt zich tijdens die tijd met andere mannen. Ze mag het ook aantrappen richting Heilig Land en als ze het waagt om eerder terug te keren, dan zal ze haar hand verliezen.

 

Het afhouwen van lichaamsdelen, het beroven van zintuigen. Beeld u dat toch eens in? Het zijn schrikwekkende vergeldingen die noodlottige gevolgen met zich meedragen voor de slachtoffers. En toch worden ze om de geringste redenen uitgesproken, dat, samen met bedevaarten naar verafgelegen streken. Geen enkele menselijk lichaamsdeel lijkt er aan te ontsnappen. De gelijke wedervergelding, de 'paena talionis' is een basisprincipe dat diep ingebakken zit in de wetten.

 

'Zo wie anderen een lid afslaat, alzulk zal hij verliezen: hand voor hand, oor voor oor, oog voor oog, voet voor voet, en bij de gratie van de Heer zal alles vergeven worden en dan zullen de gekwetsten een boete krijgen van 10 pond en de heer eveneens 10 pond.' In de hele uitgestrektheid van Vlaanderen en Brabant leidt het hervallen in een vroegere fout sowieso tot het afsnijden van een oor. Landlopers, leeggangers die de maatschappij hinderen of verstoren worden in het gebied van Cassel verbannen op de 'verbeurte van een oor'. De oude uitspraken tonen een weelderige woordenschat als het om dat soort crapuul gaat: 'rabauwen, loddegen, truwanten, cocquinen en botters'. Het lijkt er wel op dat hier een rauwe en realistische versie van het spreekwoord 'wie niet horen wil, zal voelen' in de praktijk wordt omgezet.

 

De geseling of de kastijding met roeden wordt zeer gevarieerd toegepast. In lichte zaken en vaak voor een eerste fout. Uitspraken die meestal vallen in 'beslotene camere van schepenen'. In zwaardere gevallen wordt de misdadiger naar de 'opene camere' gebracht waar zijn proces openbaar wordt gevoerd. De gestrafte krijgt al te maken met geselingen in de open kamer zelf. Daarna wordt hij boven een open wagen aan een paal vastgebonden en processiegewijs door de voornaamste straten van zijn gemeente gevoerd. Een ommegang waarbij hij met verse roeden wordt geslagen. Sommigen moeten de geseling zelfs twee opeenvolgende dagen ondergaan. Het geschiedt allemaal met een onvoorstelbare wreedheid waarvan men zich heden ten dage amper nog een denkbeeld kan vormen. In 1537 vindt er een zeldzaam geval plaats. Jan Sutterman, de Gentse schepen van der keure, zeg maar eerste schepen, wordt in de open kamer van zijn collega-schepenen gegeseld. Hij heeft een begijn onteerd. 'Daaromme dat hij hadde sententie van schepenen.

 

Zijn medegezellen ontdeden hem van zijn zwarte tabbaard en daarna werd bij in de vierschaar openbaar gegeseld tot den bloede en verder opgesteld op een wagen aan een staak, ende gevoerd langs alle vier de weegscheden en aldaar ook gegeseld met roeden.'

 

In 1539 wordt een publieke ontvanger wegens knevelarij en het misbruik van gemene gelden op dezelfde manier gegeseld. Eerst voor het schepenhuis, dan in de voornaamste plaatsen van de stad. Zijn pijnlijke rondgang eindigt op het galgenveld waar hij met één oor aan de galg wordt genageld. Jan de Wevere die in 1587 een gelijkaardige misdaad op zijn kerfstok krijgt, wordt deelachtig aan hetzelfde wrede lot. Hier speelt de geseling zich af rond de vier pilaren van de vismarkt. De man blijft echter in het bezit van zijn oor.

 

Fraude met stadsaccijnzen wordt meestal beteugeld met de roede. Op 10 april 1609 worden twee brouwers veroordeeld wegens sluikhandel en gegeseld. Kort daarvoor was een wijntavernier voor gelijkaardige fraude eerst door de vierschaar gefolterd. Achteraf wordt de man op de wagen vastgemaakt en voorzien van een opschrift op de borst en door de voornaamste straten rondgevoerd, geshowd en gemarteld.

 

Een aannemer van publieke werken die constructies heeft opgeleverd die niet conform waren met de aanbesteding ervan wordt op 20 juli 1578 voorgeleid en daar met open deuren tot bloedens toe gegeseld, en van daar geleid naar het werk dat hij had verlaten en waar hij nog eens zijn pijnlijke straf moet ondergaan.

 

Openbare fustigatie is hoe dan ook slechts de straf voor de dieven, de beurzensnijders, de landlopers, bedriegers en gelukzoekers die de schrijver ook omschrijft met de algemene term van 'diepers'. Diepers of deepers zijn mensen die zich bezighouden met bedrieglijke spelen, 'diefverijen of dieperijen, dewelke gegeseld ende gebrandmerkt worden. De voorbeelden zijn zo talrijk en Cannaert is wat bang om zijn boek te vullen met 'wijdlopigheid'.

 

Hij beperkt zich tot het geval van twee dames, onder hen een valse gravin. Ze worden allebei als openbare bedriegsters ontmaskerd en vreselijk geteisterd met de roede. Anna Souhieres, een van deze gelukzoekers, 'vagabonderende achterlande van stede te stede had zich toegeëigend de titel van grote huize, fleur ende extractie, ende onder 't deksel van deze gehanteerd in huizen van personen van kwaliteit.' Ik moet er geen tekening rond maken; 'van welke zij door alle soort van leugens, geld, kleren en andere voorwerpen had weten te verkrijgen.'

 

Ze was al eerder op gelijkaardige feiten betrapt in Bergen en in Brugge waar ze zelfs gegeseld en gebrandmerkt werd. Te Gent wordt ze op 31 januari van 1561 voor de open kamer van de schepenen tot bloedens toe gegeseld. Daarna ondergaat ze dezelfde straf voor het stadhuis waar haar rug gebrandmerkt wordt waarna 'ze in deze staat al verder gevoerd en gegeseld wordt in de vier principale weegscheden der stede.'

 

De tweede madam waarvan sprake is een speciaal geval. Een Gelderse vrouw met de naam van Petronilla van de Velde. Het lijkt wel een personage die weggelopen is uit een Jommekesverhaal. Ze blijkt verschillende namen van het edel geslacht geüsurpeerd te hebben. Een werkwoord dat ik omschreven vind als 'inlijven, overweldigen, toe-eigenen, veroveren of zich aanmatigen' en ik laat u vrij om te kiezen uit dit menu. Petronilla doet zich voor als Gabrielle, de dochter van een heerlijk huis in Gelderland. Ze laat een track record achter van bedrog en dieverij en die komt pas naar boven wanneer ze in het huwelijk treedt met een edelman uit Maastricht.

 

Die ontdekt het bedrog van zijn bruid en laat onmiddellijk de trouwverbintenis door het geestelijk hof van Luik tot 'nul en van onwaarde' verklaren. Daarbij heeft de vrouw zich nog aangesloten bij de hervormde godsdienst. Ze wordt opgepakt in Brussel waar ze publiekelijk afstand doet van haar nieuw geloof en zo weer op vrije voeten raakt. Onder de naam van Maria Zwarts duikt ze nu op in Kortrijk waar ze haar bedriegerijen verderzet. Tijdens de junimaand van 1564 wordt ze alsnog opgepakt in Gent waar ze gegeseld, gebrandmerkt en opnieuw gegeseld wordt.

 

Het korte leven van Israël Uuterwulghen omvat één rode draad van misdaad, veroordeling en kastijding. 'Hij werd gedurende zijnen korten levensloop bijna onophoudelijk met roeden beproefd. Na vele malen, op allerlei wijzen en met alle slag van bijwerk, gegeseld en gebrandmerkt zijnde, eindigde deze in den jeugdigen leeftijd van slechts 21 jaren, zijn ellendig leven aan de galg.' De beschrijving van Uuterwulghens' leven is hallucinant. Ik probeer de tekst wat in te korten. Zijn omgang met dieven en ander kwaad gezelschap en de daarmee gepaard gaande resem diefstallen brengen hem negen keer tot bij justitie. 1633,1634 en 1635 vormen een 'file rouge' van martelingen.

 

Hij wordt drie keer uit het land verbannen. Een eerste keer voor 20 jaar, later voor 40 jaar en uiteindelijk voor 50 jaar. En toch blijft hij ongestoord verder stelen tot de galg een einde maakt aan zijn misdadig traject. De straf van de geseling wordt nu en dan gevolgd door het aanbrengen van een brandmerk. Die wordt vaak aangebracht op de rechterschouder van de misdadiger. Maar ook de rechterwang wordt in aanmerking genomen. Emerentiana Andelin, een Walin, werd medeplichtig verklaard aan een gewelddadige maagdenroof en wordt op die manier, na voorafgaande geseling en met de strop om de hals, op de 'rechter kake' gebrandmerkt en voor 50 jaar verbannen.

 

Een zekere Joos Hallaert heeft enkele schromelijke en abominabele feiten gepleegd. Zowel ten opzichte van manspersonen als van vrouwen, op de straten en in de kerken. De rechters van die tijd voelen zijn gegeneerd en durven geen verdere details prijsgeven. Zou het misschien een streaker kunnen geweest zijn? De omschrijving van de uitgevoerd straf brengt me weer bij de werkelijkheid. De man wordt 'gelijkelijk, na ondergane geseling tot den bloede, met een gloeiend ijzer in het aangezicht gebrandmerkt en gebannen.'

 

Op 6 september 1527 wordt blinde Anekin (Jantje) van Laarne gegeseld. De volgende dag wordt zijn haar afgebrand en wordt hij in het gezicht gebrandmerkt. Hij ontvangt deze straffen voor waarzeggerij, en hij had, zegt een oud handschrift, zijn ziel overgeleverd aan de vijand om dat hij hem zou hebben geholpen bij het waarzeggen.'

 

'Vrees God! Nu in onze moderne tijden ligt er niemand nog wakker van dit door de mens uitgevonden natuurelement. In de middeleeuwen is dat wel enigszins anders. God mag je in de oude tijden zeker niet beledigen of uitschelden. Dat is godslastering. Een grote doodzonde, de grootste van allemaal.

 

Ik vraag me af of vloeken ook tot die categorie behoort, maar ga dan vlug verder. De straf op godslastering of blasfemie is het doorsteken van de tong, met gloeiend ijzer of een priem. 'Blasfemie tegen den almogenden God die ons geschapen heeft, blasfemie gedaan der moeder Gods, is te punieren arbitrairelijk in de tonge, bij banne. Zo is ook de blasfemie gedaan tegen de heilige santen en santinnen.' Bovenstaande wettekst staat zo neergeschreven in het wetboek van Veurne anno 1517. Misschien moet ik toch wat vaker mijn mond houden...

 

Maar toch kan ik het niet laten, ik denk daarbij terug aan mijn vaders vader die zijn colère of tegenslag zijn plaats kon geven met een uitgesponnen 'god verhemelde, geslegen, gekruiste, gestekte, verhemelste, verdomde, miljaarde godverdomde nom de dieu....' en nog veel meer gemeende verwensingen. Vooral als hij zichzelf met een hamer op de vinger had geslagen.

 

Gentenaar Pieter Aerens is zo'n horribele en onverbeterlijke blasfemist. De voorbeelden zijn talrijk in zijn stad, maar hij spant toch wel de kroon. Pieter krijgt de straf waar hij om gevraagd heeft. Hij wordt op 16 maart 1539 naar de schandpaal gebracht waar hij tot de middag in positie moet blijven en waar zijn tong doorstoken zal worden. Daarna mag hij het ophoepelen naar Santiago de Compostella. Hier moet hij een vol jaar blijven. Welgeteld drie dagen krijgt hij om plaats te ruimen in zijn stad en in Vlaanderen. Doet hij dat niet, dan zal hij onthoofd worden. De uitgesproken vloekwoorden die aan de basis liggen van de misdaad, de 'corpus delicti', zijn van die aard dat de rechters ze zelf niet meer durven te herhalen. Ik blijf dus met de vraag zitten of die kunnen tippen aan wat grootvader zelf ooit tegen de keien sloeg.

 

Verschillende getuigen passeren de revue bij dat proces van Aerens. De vijftigjarige Jacob de Crachtele schetst geen al te mooi beeld van de veroordeelde: 'hij verklaart onder ede dat de voornoemde Pieter dagelijks grote horribele eden zwerende is, als bij de kracht van de heer, dewelke d'alderminste is dat hij dagelijks zwerende is en hierbij zijn buurt beroert en zelfs zijn dochter en vrouw buitenjaagt, stellende alzo de voornoemde gebuurte in rep en roer. Hij verklaart ook dat hij hem nooit messe heeft zien horen en dat dagelijks leeggaande is en niet werkt.'

 

Hardleerse misdadigers die keer op keer hervallen en gegeseld worden, zullen vermoedelijk wel erg op de zenuwen werken van de schepenen. Na 8 geselingen worden ze zonder veel boe of ba 'met een gloeiend ijzer de tong doorstoken'. Joos Meganck bijvoorbeeld. Op 6 november 1561 veroordeelt de open kamer hem om alhier 'in opene kamer gegeseld te worden up 't bloot lijf totten bloede ende voorts gesteld te worden op een wagen voor het schepenhuis, ende aldaar met ene gloeiende ijzer gestoken te worden door uwe tonge en daarna op dezelfde wagen gevoerd en gegeseld te worden tot aan de keizerpoort.'

 

Het is de manier waarop de eerste aanhangers van de hervormde godsdienst gestraft worden. Joos de Backere, een van de aanzienlijkste burgers van de stad Gent wordt in 1528 omwille van zijn geloofsgevoelens naar de brandstapel geleid. Maar eerst wordt nog eens zijn tong doorstoken. Die brandstapel moet een afschrikkingsmiddel zijn, lees ik want het vonnis verklaart omstandig dat Joos de drie komende zondagen met een brandende toorts moet verschijnen in de processie. Bovendien moet hij gedurende één jaar een rood kruis op zijn rechtermouw dragen.

 

Het doorsteken van de tong met een gloeiend ijzer is zowat de standaardstraf voor godslasteraars en voor het uitspreken van smaad- en scheldwoorden. De jaarboeken van Brugge maken gewag van een man, Gisbrecht Wauters, die op 10 juli 1477 binnen de zelfde stad veroordeeld wordt wegens zijn oproerige en kwade scheldwoorden. Zo heeft hij gezegd dat die van Gent muitmakers zijn, die van Ieper ongelove ketters (heretijken) en die van Brugge heeft hij uitgescholden voor 'buggers'. Die laatste term staat voor het verspreiden van de slechte leer.

 

De journalist van de 'Excellente Vlaemsche cronycke' geeft een online verslag door: 'ende een uur op het scavot gestaan hebbende, zo kwam die hondeslagere en verbant hem zijn oogen, en stak hem met eene scerpe elsene deur zijn tonge'. Het beroep van hondenslager heeft ter info niets te zien met het afmaken van honden, maar alles met het doen verwijderen van honden uit kerken. Het ambacht van de hondenslagers is in Brugge verantwoordelijk voor het beulschap.

 

Het afsnijden van oren en neuzen, het brandmerken in het gezicht en het doorboren van de tong zijn lachertjes in vergelijking met het uitsteken van de ogen. Die straf overtreft alles. In de 'Cronykje van Antwerpen' staat genoteerd dat twee 'botters' op 13 juli 1523 die wrede straf mogen ondergaan. Ik leer hier dat 'botters' mensen zijn die met 'kwade teerlingen' spelen. Ook in Amsterdam wordt in 1461 iemand veroordeeld wegens vals spelen en dobbelen op verbeurte van beide de ogen. In 1531 wordt deze gruwelijke straf uitgevoerd op sommige schrijvers, drukkers en uitgevers van nieuwe en gereformeerde werken.

 

Eigenlijk is de vaste straf voor dobbelaars het verlies van het voorste lid van de duim. Een straf die ook in bepaalde steden als standaardpunitie geldt bij verbanning. De ban voor lange termijn geeft hier en daar aanleiding tot het afhakken van de volledige duim. Het spelen met valse teerlingen en het gebruiken van valse maten en gewichten wordt op dezelfde manier bestraft. 'Wi oec qualike mate hi verliest den dume'.

 

Enkele misdaden hebben het afkappen van de vuist tot gevolg. Zo bijvoorbeeld belediging en geweld van personen met een openbaar ambt. De schrijver komt aandraven met het geval van meester-schrijnwerker Geertsen Brembos in het Zeeland van 1550. De man heeft de stadsboden met woorden en daden beledigd. Hij heeft nog ootmoedig geprobeerd om gratie te verzoeken, maar nu verschijnt hij blootshoofds voor de open vierschaar. Hij komt er vanaf met een vreemdsoortige processie naar de kerk van Vere waar hij God moet bidden om vergiffenis en er voor moet zorgen dat hij een metalen afgietsel van zijn eigen vuist zal bezorgen aan justitie.

 

Cannaert buigt zich ook over de vele geldstraffen en maakt dan tijd voor de verplichte bedevaarten die eventueel ook kunnen worden afgekocht. De oude kronieken en de geschreven teksten blijven vaag over de echte inhoud van die boetereizen. De mensen vertrokken en keerden terug. Reisverslagen en vertelsels over lotgevallen onderweg zijn er niet. Het is maar op het moment dat de bedevaarten zeldzamer worden dat er voor het eerst wat aandacht aan besteed zal worden. Het onlangs uitgegeven jaarboek van Kortrijk maakt slechts melding van één bedevaart. Een kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel mag het in 1441 aantrappen na een dispuut in de wijnkelder van datzelfde kapittel.

 

De boetewegen naar Rome, naar het Heilig Land en andere afgelegen plaatsen lopen nochtans dichtbezaaid van Europese christenen die uit geloofsredenen of 'ter boete van begane verkeerdheden' hun weg banen richting bedevaartplaats. In 1305 vertrekken er in één beweging maar liefst 3000 Bruggelingen en mensen van het Brugse Vrije. Hun groepsbedevaart maakt deel uit van een vredesakkoord met de graaf. Twintig jaar later hebben die van Brugge zich alweer ellende op de hals gehaald. Nu moeten driehonderd mannen, deels van Brugge en aangevuld met Kortrijkzanen drie verscheidene bedevaarten ondernemen. In 1326 om precies te zijn.

 

Honderd sukkelaars vertrekken naar Santiago de Compostella, een tweede groep heeft Sint-Gillis in de Provence als target en de rest richt zijn vizier op Rocamadour in Aquitanië. Ze moeten de kerkelijke tucht ondergaan. Een oude kroniek omschrijft de stoeten. 'Zij gingen naar de aangegeven bidplaatsen processiegewijs, met ontbloot hoofd, barvoets en met roeden omhangen'.

 

En dan is er het compromis die de inwoners van Nieuwpoort hebben moeten slikken nadat ze twee geestelijken gemolesteerd hebben bij een dispuut over visbelastingen. Ik heb het er al eerder over gehad. Vijfentwintig Veurnenaars van alle rang en stand zien zich verplicht een overzeese boetetocht van een vol jaar te ondernemen. De Gentenaars hebben het in 1540 verkorven bij Keizer Karel. Na een opstand tegen de keizer verliezen ze op 30 april al hun vrijheden. Honderden neringdoeners, de plaatselijke schepenen, de notabelen en de deken van de wevers moeten zich, gekleed in zwarte tabbaarden, ontgord en blootshoofds komen aanbieden bij Karel. Ze verschijnen voor hem met een strop om de hals, 'liggende op hun knieën, verzoekende en biddende ter eere van de passie ons Here en bermhertigheid, enz...'

 

Een boetereis verschilt nochtans grondig van een verbanning. Als hun tocht beëindigd is, mogen de bedevaartgangers naar huis terugkeren. De verbannenen moeten echter zorgen dat ze in het buitenland blijven zolang de ban duurt. Die kan gelden voor drie, tien, vijftig en zelfs honderd jaar plus één dag. Wie ballingen herbergt of onderdak geeft, riskeert zware straffen.

 

De ban voor het leven is een mensonterende straf. Dergelijke expulsie wordt in die dagen ook een 'woestballing' genoemd. De term 'woesten' intrigeert me. Is het omdat wij hier in de Westhoek een dorp met diezelfde naam kennen? De oude benaming 'Wastina' al gebruikt in de 13de eeuw, wijst me er op dat elke mogelijke gelijkenis hier ophoudt. Een andere betekenis van 'Woesten' is het verdrijven van een misdadiger uit zijn goederen en zijn bezittingen en hem verbannen. 'In exilum agere, proscribere'.

 

De woestballing is voorzien voor mensen die de algemene welvaart bedreigen. Iedereen krijgt het recht om dit sujet ongestraft te doden. Gwijde van Dampierre laat dat uitdrukkelijk toe (dan moet hij er vermoedelijk zelf geen moeite voor doen): 'het wordt en eeuwigen dage verboden dat iemand hem spijs of drank zal verkopen, logeren, in schuiten of op wagens vervoeren, op straffe van de hoogste boeten.'

 

Het recht om schadelijke en schandelijke personen uit de lokale maatschappij te verstoten behoort al tot de vroegste privilegies van de Vlaamse steden. De voornaamste redenen van verbanning vind ik terug na veroordelingen voor gewelddaden (tassemente), pooierschap (putierscepe) en het tolereren van overspel (gedoochsaemhede).

 

Het ravissant oude Vlaams doet zijn boekje open over dat pooierschap en overspel. 'Openbare putiers zijn, die openbaarlijk geld ende profijt nemen op 't zondig leven van lichte vrouwen, hetzij van heurlieden zelfs wijf ofte dochter ofte ander.' De tolerantie voor overspel wordt ook verduidelijkt: 'die 't overspel van heurlieder wijfs of huisvrouwen dissimulerende ende door de vingeren ziende, verdragen, ende haarlieder wijfs in deze vuiligheid voeyen ende onderhouden'.

 

Het Gentse ballingboek getuigt dat er op 20 december 1480 maar liefst negenentwintig personen tegelijk verbannen worden. De 24ste augustus van 1494 is er sprake van van vierentwintig. Ze worden allen voor tien jaar verbannen wegens overspel. Livine Dullaerts en Godelieve Werners worden eveneens schuldig bevonden aan hetzelfde misdrijf. 'Omdat er zich bij bij haar kennisse een andere getrouwde wive bij haar man onthoudt, zeggens dat hij 't niet laten en zoude.'

 

Onbetaalde teergelden en drinkgelagen worden ook op dergelijke manier bestraft. In het vakjargon worden ze nu zelf getrakteerd met jaren van verbanning. Lieven van Outrieve is zo'n schulden- en ruziemaker op café: 'omdat hij twisten en noisen maakt, en gaat drinken in tavernen en hunne weerden en weerdinnen betalinge doet met meer met slagen dan met gelden te geven.' Neelkin van den Broucke uit Lauwe krijgt in 1488 ook 10 jaar aan haar broek gesmeerd. Een speciaal geval die mevrouw: 'ze deed een jonge man verstane dat zij zou gelegen en misbaren zijn van zijn kind, die dat begeerde te zien, en hij brak de kiste open waar hij vond liggende een gevilde katte, die zij meende te doen begraven op gewijde grond, 't welk niet ongepugnierd konde blijven.'

 

Ook kwaadspreken wordt niet getolereerd. Een man wordt voor vijftig jaar uit het land verwezen omdat hij 'blameerlijke en onverdraaglijke woorden gezeid hadde achter Corneliken Bernaige, die een kind ende eerbaar maagdeken is, in beroovinge van hare ere ende eeuwige welvaart'. Margherite, het wijf van Jan Staessens, wordt om gelijkwaardige roddelpraktijken uit de gemeenschap verwijderd. Ze heeft zich van haar slechtste zijde laten zien, 'en met kwade wille ende in den openbare te blameren Lysbette van Hauwaert. Als dat dezelve Lysbette een kwade puppe, hoere en snoere was en andere injurieuse woorden, ten hare cleenighede gesproken, zonder cause of redene daartoe te hebben.'

 

De straf van de verbanning is als puntje bij paaltje komt de ideale manier om volksopstanden te doen ophouden. De schrijver van mijn boek geeft dat ook aan. Volksbewegingen en inwendige beroerten, zo gemeen in die tijden, werden bij middel van 'ostracismus' of ballingschap bestreden. Zo kon de algemene rust in de steden van Vlaanderen gehandhaafd worden. De aanzienlijkste en de machtigste burgers werden op hetzelfde niveau geplaatst als de geringste ingezetenen van de gemeenten als ze een bedreiging begonnen te vormen voor de rust en de stabiliteit. Men zag ze meermaals van daar verwijderd worden na beschuldiging van muiterij.

 

Het uitspreken van oproerige woorden, het uitgeven van spot- en schimpschriften, het uitstrooien van valse en slechte geruchten, het schelden of beledigen van gezagsdragers, en vooral de aanslagen en de inbreuken op de plaatselijke rechten en privileges werden tussen 1472 en 1537 niet anders dan door ballingschap gestraft.

 

Cannaert zwaait met een voorbeeld. Robrecht van der Hoeven wordt op 28 maart 1478 voor 10 jaar uit Gent verbannen. Er is een publiek arrest geweest dat Johan de Gheest de zeggenschap kreeg over Ronse en de man heeft publiekelijk verklaard 'dattal leugen was'. Lievin Turck riskeert het om in oppositie te treden tegen Jan van Dadizele. Die laatste wil taksen heffen zodat de soldaten kunnen betaald worden. Turck staat te zwaaien voor het schepenhuis dat ze er nog niet aan denken om deze kosten te dragen. Iets wat hem korte tijd later natuurlijk zwaar opbreekt.

 

In de oudste tijden bestond er toch ook al zoiets als gratie. Vorsten en bisschoppen konden bij hun blijde inkomst in een of andere stad soms ballingen of uitgeweken inwoners in hun gevolg opnemen. Er konden zelfs gevangenen tussen zitten. Op die manier werden hun vrijheid en hun burgerschap hersteld. Voorspraak van goede vrienden, goedkeuring van de magistraat en natuurlijk de goodwill van prins en bisschop gingen vooraf aan deze hernieuwde intrede. Het is een vreemdsoortige gebeurtenis. De mannen en vrouwen worden aan een lijn of een touw met de hofstoet binnen de stadspoorten geloodst.

 

Cannaert citeert enkele van die blijde intredes. De hertog van Alençon brengt op 20 augustus 1582 achttien ballingen 'in eene touwe besloten' omtrent Sint-Amandsberg in de stoet. Zevenhonderd vierentachtig verbannenen krijgen van Karel de Stoute hetzelfde voordeel. In 1419 arriveert kersverse graaf Filips de Goede te Gent en die entree staat ook in de middeleeuwse boekskes vermeld:

 

'Anno 1419: alle ballingen, die vijftig jaar gebannen zijn, te dezer tijd geen gratie hebben insgelijks ballingen van vredebrake ende soenbrake zullen moeten uitblijven haren tijd. Die tien jaren en drie jaren gebannen zijn, zullen gratie hebben. Daar waren 60 personen die gratie hebben, ende alle die vervallen waren van zestig pond boete ende daar onder, schold de prince kwijt ende begeerde dat mensen uut den boek van schepenen zouden geschrapt worden.'

 

Er bestaat in de middeleeuwen nog een straf die bekend staat als de 'amande honorable', de eerlijke betering. Die komt neer op een openbare schuldbekentenis met daarbij boetedoening over de gepleegde misdaad. De verwezene moet ongeschoeid, met ontbloot hoofd, vaak met roeden omgord, met een toorts in de hand openlijk zijn schuld toegeven. De boeteling moet God, de justitie en het volk om vergiffenis smeken en achteraf op het voorziene traject van de processie (de ommegang) met zijn brandende toorts zijn weg banen naar een kerk. Hier moet hij zijn fakkel opdragen aan het H. Sacrament of aan een of andere heilige.

 

Een zekere Jan Ghys houdt zich in zijn oude dag onledig met het belezen van beesten en het 'ontoveren van betoverde boter'. Hij vliegt in september 1588 tegen de lamp en moet voor de rechter verschijnen. 'U gebruikt superstitieuse ende onbekende woorden', verwijt die hem. 'Onbekende woorden metgaders zekere en particuliere specien van maechdewasse ende parchemyne, wezende eensdeels imposture ende bedrog om de lieden geld uit hun beurze te trekken, ende eensdeels superstitie ende ongoddelijkheden.' De vierschaar wil echter rekening houden met zijn hoge ouderdom en eist zijn publieke schuldbekentenis met als penitentie uiteraard de processie en de boetedoening.

 

Wat er in 1608 gebeurt met Jacobus Bulcke is best grappig. De man is een privaatruimer of een 'stilvager'. Een vuilnisophaler met andere woorden, in die dagen omschreven als 'stillevaegher, stilleruymer of bernsteker'. Hij wordt er van beschuldigd om tijdens de nacht het geluid van hanengeschrei te hebben nagebootst. De akte van beschuldiging past perfect in het plaatje van een 'hidden camera' show: 'Jacques Bulck, filius Omaar, oud 24 jaren, arbeider, gevangen ter cause hij maandagnacht omtrent twee uur koekeloere zoude hebben geroepen, ende hij tselve bekennende, maar zegt tzelve niet in schimpe geroepen te hebben.'

 

Bulcke wordt veroordeeld om in zijn lijnwaad en voor de open kamer om vergiffenis te bidden. De haankraaier dient met een toorts in de hand op weg te gaan naar de Sint-Niklaaskerk en daar om vergeving van zijn zonden te bidden. Waar de heiligen zich toch allemaal mee moeten bezighouden. Arbeider Antoon (Antheunis) de Mey is in wezen ook al een grapjas. Hij heeft zich verstout om zich te verkleden in priesterkleren en zo door de stad te paraderen. Daar kunnen ze in Gent natuurlijk niet echt om lachen. Hij wordt tot dezelfde straf veroordeeld omdat hij 'in geestelijke habijten gegaan is uut 't klooster van O.L.V. Broeders, deurt beenhuus tot rondomme den Koornmarkt'.

 

Pekelzonden en baldadigheid zijn toch wel van alle tijden. We mogen er anno 2015 zeker geen claim op leggen. Kijk maar naar Jan Gallant in 1638. Als lid van de burgerlijke wacht heeft hij op de vestingen van de Brugse poort enkele jonge bomen met zijn 'zij-geweer' afgehakt. Die bomen werden neergepoot als sieraad en decoratie van de stad. De vernielzucht van Gallant wordt hem bijzonder kwalijk genomen. Er bestaat een stadswetgeving dat het verboden is om deze 'plantagie' te schenden op straffe van geseling. Als lid van de wacht wordt hij verondersteld om de gemelde bomen gade te slaan en te beveiligen tegen de moedwil van de burgers. Dat hij ze als wachter zelf vernielt, is uiteraard een stap te ver. Jan Gallant mag uiteindelijk tevreden zijn dat hij er van af komt met een publieke boetedoening.

 

Sommige bestraffingen verplichten daders om voor zekere tijd te vasten. De vierschaar zet de beschuldigden op water en brood. Hierbij dienen ze kaarsen te branden voor de heiligen, op bepaalde dagen mis te horen en verscheidene kerken en bidplaatsen te bezoeken. Ik haal het voorbeeld aan van Barbara Snoucx, de vrouw van arbeider Michiel vander Hoeve. Een gebeuren uit 1591. Ze brengt op de avond van Onze Lieve Vrouw, de eerste februari dus, wat overschotjes van gebakken varkensvlees (rentvlees) naar haar buurman Adriaan Wallaert. En dat bord wordt de volgende dag met smaak verorberd door diezelfde Wallaert en zijn bezoeker Christiaen Veesaert.

 

Wat de mannen natuurlijk over het hoofd zien, is dat de vastentijd precies begint op die 2de februari en dat ze dus zwaar aan het zondigen zijn. 'Ja maar ja', klaagt Barbara Snoucx, 'ik heb er wel zelf niet van gegeten he? Hoe kon ik trouwens weten dat mijn buren dat vlees pas zouden nuttigen op de tweede februari?' Maar ze krijgen alle drie een straf van de schepenen: 'drie dagen te vastene te water en te broode, ende slaken dezelfde daar naar van de gevangenisse, mits betalende de kosten.'

 

Ik laat de vastenperikelen achter me en schakel over op het zwaarder werk. Veel mensen worden in de vroegere tijden veroordeeld om geëxecuteerd te worden met het vuur, lopende met een ketting en vastgebonden aan een staak in een vuurzee om achteraf met de voeten naar boven opgehangen te worden. Soms worden ze op een ladder vastgebonden en op die manier in het vuur geworpen. Andere sukkelaars worden boven het schavot vastgemaakt in een hut gemaakt van riet en stro waarbij de hele constructie in brand wordt gestoken en ze levend verbranden.

 

Weer anderen worden aan 'wippen' vastgehecht en als gevogelte aan het spit gebraden. Sommige ter dood veroordeelden moeten bezwijken op een laag vlammetje en anderen worden tot as gereduceerd. Van tijd tot tijd wordt er nieuwe varianten uitgedacht. Die terechtstellingen zijn heuse showvoorstellingen. Ik waan me in het oude Rome. Het publiek wil waar voor zijn geld. Hoe wreder hoe liever. De kronieken liegen er niet om: 'de geestedrift van de mensen moest gaande gehouden worden, de ijver van het gemeen voor die ijselijke taferelen mocht niet verflauwen.'

 

De IS kan er nog van leren. Een pak gevuld met buskruit wordt vastgemaakt aan de borst van een of andere ellendeling, en als deze explosieven plots met een verschrikkelijke slag uitbarsten, 'waardoor ogenblikkelijk onder de samengeschaarde menigte, het gerucht zich verspreidde, dat onder dit afgrijselijk rumoer, de duivel 's mans ziel had weggesleept.'

Het levend verbranden is in elk geval de publiekslieveling als ik schrijver Cannaert mag geloven. De plakkaten en edicten van de 16de en de 17de eeuw ademen letterlijk vuur en vlam uit. Er zijn natuurlijk nog altijd de uitzonderingen. Mislukte verraders worden gevierendeeld. Valsmunters worden in ziedende olie geworpen en letterlijk gefrituurd. De gewone dieven worden nog opgehangen. Voor de rest van de misdadigers wacht alleen het vuur. Moordenaars, schakers van vrouwen, ketters, brandstichters, kerkrovers, baanstropers, schrijvers en uitzenders van brandbrieven, landlopers, tovenaars en heksen worden allemaal, zonder enig onderscheid levend verbrand.

 

Nogal wat tovenaars in Vlaanderen en Brabant verliezen op die manier het leven. Het zijn ellendige en wraakroepende veroordelingen die er toch niet waren voor de jaren 1500. In 1480 werden tovenaars nog behandeld als goochelaars en waarzeggers en werden ze enkel als bedriegers beschouwd. In die tijd kwamen ze er nog van af met een haalbare straf: een tentoonstelling van drie dagen. De gedragswijziging loopt dus inderdaad parallel met de komst van de Spanjaarden naar Vlaanderen.

 

Er worden nieuwe en wrede straffen voorzien voor tovenaars en heksen: ze worden ervan beschuldigd om een verbond met de duivel aangegaan te zijn. En ook geloofsdwalingen worden gaandeweg meer en meer beschouwd als partnerschapsakkoorden met Satan. Die kwalijke beoordeling komt aangewaaid uit Duitsland 'waar personen van beide seksen hun eigen zaligheid vergetend, van het katholiek geloof afwijken, zich met de duivel afgeven, die zich als nachtdrukkers en nachtmerries (incubi ac succubi) met hen vermengen en afgeven. Dat zij door 's duivels betoveringen, liederen en bezweringen en door meer afschuwelijk bijgeloof, wichelarij en andere zonden begaan.'

 

Het epistel gaat verder. Misdaden en gruwelen zijn het. En alles wordt hierdoor aangetast. 'De dracht der vrouwen, het jongen van vee, de vruchten der aarde,.. ,alle dieren worden bezocht met in- en uitwendige pijnen en er wordt opgemerkt dat de mensen niet kunnen voorttelen, dat de vrouwen niet kunnen ontvangen en dat de huwelijksplicht door man noch door vrouw vervuld kan worden.' Het nieuw geloof kan alleen met het vuur bezworen worden. Daar zijn de puriteins en oerkatholieke gezagsdragers in West-Europa het unaniem over eens.

 

'Ze verloochenen met meinedige monden het geloof dat ze ooit toegediend kregen bij hun heilige doop. Opgehitst door de vijand van het menselijk geslacht ontzien ze zich niet om veel veroordelenswaardige buitensporigheden en misdaden te begaan en te bedrijven. Met groot gevaar voor hun eigen zielen, met belediging van de goddelijke majesteit, en tot ergernis en gevaarlijk voorbeeld van anderen.'

 

De kerkelijke rechtbanken zijn altijd al streng geweest, maar er is voor die tijd nooit sprake geweest van dergelijke wrede uitspraken bij de geestelijke hiërarchie. De Spaansgetinte overheid van de Nederlanden gaat duidelijk verder in zijn veroordelingen. Ze zullen de straffen verzwaren zo veel als zij nodig achten, zonder te letten op de apostolische verordeningen. De open brieven van het gouvernement wijzen ook in die richting: 'toverij wordt beschouwd als een gesel van het menselijk geslacht en betekent zonder twijfel het verderf en de ondergang van het heelal.' Tovenaars mogen niet geduld worden op aarde. De bisschoppen worden op 8 november 1595, net zoals de wereldlijke hoven opgeroepen om alle slag van tovenaars en heksen op te sporen en voorbeeldig te straffen.

 

In sommige dorpen worden tot vijftien vrouwen als toverheksen berecht en in brand gestoken. De kerkelijke argumenten hiertoe zijn hallucinant. De vrouwen beledigen God en het christengeloof, blasfemie weet je wel. Bovendien zijn oude, schamele en zwakke vrouwen vaak het voorwerp van smaad en haat. Waarom zouden deze wezens nu ze toch eenmaal verdacht worden om als heks door het leven gaan eigenlijk nog langer moeten lijden? Het vuur verlost de heksen uit hun lijden.

 

Het kan trouwens fysiek vastgesteld worden als iemand al dan niet een heks is. Beulsknechten en scherprechters gaan op zoek naar een duivelsteken bij hun slachtoffers. De 'stigna diabolicum'. Dat kan een wrat zijn, een moedervlek, een verdachte afwijking van de huid. 'Bij sommigen verborgen in de kuit van het rechterbeen, bij anderen onder de rechterschouder en vaak onder de billen bij de schamelheid.' Het duivelsteken wordt doorboord met een scherp zwaard of een priem. Wanneer de vrouwen geen pijn schijnen te voelen en wanneer er geen bloed uit de wonde sijpelt, wordt dit als een onomstotelijk bewijs van hekserij beschouwd.

 

Het zal inderdaad wel zo geweest zijn dat geneesheren en scherprechter het niet eens zijn met de conclusies van die 'visitatie'. Dat aanvoelen van pijn zal ongetwijfeld iets te maken hebben met het gebruik van kruiden, wat op zijn beurt dan weer wijst in de richting van heksenpraktijken. Op aanraden van de dokters is een grondig onderzoek nodig naar de redenen waarom de vrouwen geen pijn lijken te voelen. Hebben ze zich gedrogeerd?

 

'Op de pijnbank werd het naakte lichaam zeer nauwkeurig van onder tot boven en aan alle zijden onderzocht en doorsnuffeld om te zien of de lijder of lijderes geen tovermiddelen tegen pijn en smart bij zich droeg.' Cannaert komt af met een getuigenis in die richting: 'ik hebbe ook altemets geweten, eer dat men de patiënt de bovenvermelde pijnen aandeed, dat men al zijn haar van het lichaam dede afscheren ende dede onderzoeken of de patiënt geene remedie over hem en hadde van toverij tegen het gevoelen om de pijn ende torture gedurende ongevoeliglijk te mogen zijn.'

 

De pijnbank moet een verschrikking zijn. Lievin Pien, tweede schepen in Gent wordt op 23 augustus 1539 beschuldigd van hoogverraad. Het onderzoek duurt van 11 uur in de morgen tot zeer laat in de avond. Hij wordt de hele tijd gefolterd en mishandeld, achteraf moet de beul zelfs onder ede verklaren dat Pien het niet verder lijden kan en wordt hij op een draagstoel gebonden en naar de pijnkelder overgebracht waar hij verder gemarteld wordt. De sukkelaar wil zijn fouten maar niet toegeven. Hoeveel pijn hij ook lijdt. En daarom wordt er verondersteld dat er meer aan de hand is. 'Men presumeerde datter enige toverij mede speelde, uit dewelke dat men afschoor al zijn haar in wat plaatsen dat gestaan was.'

 

Het onderzoek naar sporen van Satan, het duivelsteken, staat dus in het teken van pijn en bloed. 'Bij de visitatie werden de vlekken en ongewone tekens die zich op het lichaam der beschuldigden vertoonden, nauwkeurig opgespoord en met eene naald beproefd, om te zien of er uit zulke plekken enig bloed kwam en of de lijder pijn voelde. Werd er geen bloed bespeurd of bleef hij ongevoelig, dan was het een half bewijs dat er een verbond met de oude slang bestond.'

 

'De pen is moeilijk te bedwingen om een staaltje van deze praktijken als voorbeeld te geven'. Ik geef mijn schrijver uiteraard carte blanche om aan het woord te komen in mijn eigen kronieken van de Westhoek: 'Zekere Adriana Schepens, huisvrouw van Pieter Claus, molenaar in de watermolen van Gent, was door enige van haar buurvrouwen als toveres aangedragen en in hechtenis gesteld. De zwaarste feiten ten haren laste ingebracht, waren dat ze aan enige kinderen pensen en een stukje koetong had gegeven, waarvan dezelve twee dagen ziek waren geweest.'

 

'De gevangene bekende zulks, echter beweerde zij geene toveres te zijn, noch zich ooit met enige toverij te hebben bemoeid. Zij had, zo zijn meende, nooit iemand beledigd, en was ten allen tijde eene vrouw van eer, en zo voorts. Dit alles was vruchteloos. Zij werd naar gewoonte gevisiteerd, eerst door de scherprechter die, zeker litteken op haar lichaam vindende, hetzelve voor het teken van de duivel hield. Vervolgens beproefde men dit met de naald, waarna zij insgelijks door twee gezworen chirurgiens onderzocht werd, die het tegendeel verklaarden.'

 

De uitspraak van 19 oktober 1601 toont zonder meer het ridicule van deze schandalige praktijken. De vrouw wordt effectief beschuldig van hekserij. Het toedienen van voedsel die over tijd is, breekt haar zuur op: 'de voornoemde Adriane Schepens andermaal geëxamineerd op haar voorgaande beschuldiging ende haar straffelijk aangezegd dat zij een toveresse is ende gepresseerd om de waarheid te kennen, zegt geen toveresse te wezen noch ooit geweest te hebben, en al dede men haar sterven, dat ze nimmermeer geen toveresse sterven en zal, maar als eene vrouwe van eere die zij ooit zegt geweest te zijn.' De reden van de veroordeling is blijkbaar te vinden in een teken op haar linkerschouder. Het resultaat van een valpartij in vroegere tijden, beweert Adriane. De onderzoekers vinden het vreemd dat ze al bij al vrij weinig pijn heeft bij het doorprikken van haar letsel en gaan daarom verder op zoek naar andere huidafwijkingen.

 

De kronieken noemen die letsels 'cycatricen' en die vinden ze blijkbaar ook nog op de rechterschouder. Twee tekens op een centimeter of vijf van elkaar gescheiden. De ene liggend en de andere staand. De 'officier-crimineel' geeft te kennen dat het tekens van de vijand zijn. De delinquente wordt nu geblinddoekt en op 'drie plaatsen met een naalde beproefd, daarinne totten halven stekende zonder datter enig bloed uutkwam, of dat zou zij daarvan eenig gevoelen hadde.' De onbaljuw herhaalt die proef op de twee plaatsen op de rechterschouder, weer zonder dat er gevoelens en bloed waargenomen worden. Ook op de rug wordt nog een verdachte plek gevonden. 'Het resultaat van windpokken en andere zweringen' verweert de arme vrouw zich. De aanklagers kunnen er niet bij dat ze geen pijn lijdt bij het doorboren van haar stigma's. De uitspraak valt op 2 februari 1602. Adriane Schepens moet de marteldood sterven in een poging haar van de duivel te bevrijden. Want ze zou liever zelf in het vuur gaan dan betrokken te zijn bij toverpraktijken.

 

Zo land ik bij een reeks martelpraktijken die tot doel hebben om de beschuldigden te bevrijden van enige toverkunst. 'Het beproeven der verdachten van toverij door water', wordt echter op 8 november 1595 in onze contreien verboden. Wegens te controversieel. Hoe het er aan toe ging bij deze foltering kom ik al snel te weten: 'de priester bezwoor het water in de sloot, gracht of de stroom. Hij bond de duimen van de beklaagde aan de grote tenen kruiselings over elkaar, onder het dopen van gebeden en bezweringen, en daarna werd de lijder met losse haren aan een touw gebonden, ruggelings in het water neergelaten. Zonk hij, dan bleef er nog mogelijkheid van onschuld, maar dreef hij, dan was hij onherstelbaar verloren.'

 

De argumentatie die aangewend wordt om water te gebruiken om een oordeel te vellen doet het voedsel in mijn maag rondhotsen en -keren. 'Indien het water de toveressen onwaardig kent, dattet haar dood en verdrinkt, waarom draagt haar de aarde?' Soortelijk gewicht en de zwaartekracht worden duidelijk niet in rekening gebracht. 'Waarom geeft de lucht haar goedertienlijk levensadem? De zon licht? Waarom en heeft de spijs ende andere lijftocht van haar geen afgrijzen, welke al tot 's mensens leven, immers zo nodig zijn en van behoefte als 't water?'

 

Ketterij wordt in de loop van de tijd gelijkgesteld met toverij en dus eveneens bestraft met het vuur. Bij het proces van ketters speelt de kerkelijke overheid deze keer wel zijn rol. 'Heresie (dwaalleer of ketterij) wordt gepunierd metten viere waarvan de geestelijke juge 't proces maakt, en de wereldlijken d' executie doet.' Op vandaag worden priesters ervan beschuldigd om pedofielen te zijn of om geld verduisterd te hebben, maar vierhonderd jaar geleden draaiden hun voorgangers hun hand er niet voor om om te moorden of te laten moorden in de naam van Jezus Christus.

 

De geestelijke rechtbank stuurt de ketters naar het vuur. Zo bijvoorbeeld te Gent waar die samen vergadert in de schepenzaal. Cannaert zegt het zelf: de geestelijke rechtbank verschilt in niets van de krijgsraad. De aanklager van die tijd heet 'inquisiteur'. Hij spreekt in het bijzijn van de beschuldigden en van een grote menigte van geestelijk en wereldlijk volk zijn vonnis uit. Hierbij worden de beschuldigden als openbare ketters bestempeld. Ze worden afgesneden van de arm van de katholieke kerk en aan de wereldlijke arm overgeleverd die nu zonder verder onderzoek de doodstraf mag uitspreken en moet uitvoeren waar de kerkelijke autoriteiten zelf wel de nodige schrik voor heeft. Het komt er kort samengevat hier op neer: de kerk doodt niet zelf maar laat een ander doden.

 

De schrijver pakt uit met een voorbeeld van een rechtsgang uit 1560. Het is slechts één voorbeeld uit een resem identieke processen. De inquisiteur van dienst is meester Pieter Titelmans, een licentiaat in de Godheid. De aanklager wordt hier omschreven als 'inquisiteur apostolicus van ons heilig christelijk geloof' en afgevaardigd om over heel Vlaanderen uitspraken te verrichten. Tegenover Titelmans staat vier Gentse beschuldigden: Zoetkin van Houte (60), Lynken Claeys (20), Lynken Pieters (25) en Martha Baert (21).

 

Ze zijn 'ter contrarie geweest van het openbaar geloof, de sacramenten ende de leringe van onze moeder, de heilige Roomse apostolische en universele kerk'. Hun ketterse beweringen worden netjes opgelijst. 'Dat onze moederkerk niet de waarachtige kerk is, maar de hoere van Babylonien, dat de paus helemaal niet de stadhouder van de christelijke kerk maar integendeel een zuivere antichrist. Dat het traditionele kinderdoopsel van de katholieken onnuttig en van onwaarde is, maar dat men enkel kan gedoopt worden op het moment dat men gelooft en verstand heeft. Jezus is nooit een man van vlees en bloed geweest en al zeker geen kind van Maria.

 

De misdiensten zijn niet meer dan afgoderij en de priesters hebben absoluut geen macht gekregen van God om absolutie te verlenen aan zondige mensen.' Ik ga nog even verder met hun beweringen. Een vagevuur is er niet, wat een flauwekul om hier missen te laten opdragen voor je eigen zielzaligheid. Niemand ontsnapt aan het laatste oordeel. Vasten en vlees derven op zon- en feestdagen is bullshit. De lijst van de beschuldigingen aan het adres van het viertal is een epistel van veel bladzijden.

 

Het verdict verrast me geenszins: 'We zeggen, wijzen en verklaren en prononcieren bij dit ons tegenwoordig vonnisse in 't geschrifte; dat gijlieden Zoetken, Lynken Claeys, Lynken Pieters en Martha Baert obstinate, hardnekkige, impenitente, incorrigibele ende heretieke ketters zijn en over lange tijd schismatiek zijn geweest.... Alzo biddende door de barmhartigheid van God, dat zou zij haar vonnis over ulieden zonder perikel der doods modereren.'

 

Het doodvonnis wordt niet onmiddellijk uitgesproken. Dat zal dienen te gebeuren door de zestien schepenen van de keure. Het advies van de inquisiteur is duidelijk. Ze moeten gestraft worden voor hun dolingen. De kerk is barmhartig, maar spijtig genoeg ligt de bestraffing in wereldlijke handen. De kerkjuristen wassen hun handen in onschuld en laten nu het vuile werk over aan de wereldlijke macht.

 

Er volgt nog een extra onderzoek. De schepenen hebben twee broeders van het klooster van de Predikheren ingeschakeld om de beschuldigden te evalueren en die brengen half augustus van 1560 hun eindverslag naar voren. Ze hebben geprobeerd om in eer en geweten de dames weer op het rechte christelijke pad te brengen, maar ze zijn tot de slotsom gekomen dat dit niet geslaagd is; 'ze bevinden dat zij bij hunlieder dolingen ende erreuren obstinatelijke blijven persisteren ende datter geen apparantie en is van enige bekeringe.' De schepenen twijfelen nog. De gevangenis zit vol met 'een grote menigte van gevangenen', misschien zou het beter zijn om de verdachten afzonderlijk op te sluiten en een nieuwe poging te ondernemen om hen te bekeren.

 

Vooral de jeugdige Martha Baert en Lynken Pieters tonen zich eventueel bereid om toe te geven. Ze worden allebei naar het gravenkasteel verwezen waar ze een speciale behandeling van de cipier zullen ondergaan. Maar jong of niet, de dames willen niet wijken, 'persisterende bij hunlieder opinien en dat zij bij dezelve willen leven en sterven.' Een nieuwe indoctrinatiepoging trekt Pieters over de brug, 'na vele schone woorden heeft ze eindelijk verklaard dat zij tevreden was van haar opinie af te gaan.' Met Martha daarentegen is er geen praten aan: 'dat de zelve geheel is blijven persisteren.'

 

En nog is het spel niet helemaal uitgespeeld. De wereldlijke arm talmt nog altijd om hun vonnis uit te spreken. De kalender is ondertussen al doorgespoeld naar de 20ste november van 1560. Een extra poging levert geen succes op en nu wordt eindelijk, na zo lang dralen het onvermijdelijk vonnis uitgesproken. De uitspraak van de inquisiteur wordt over de hele lijn gevolgd en de gevangenen worden tot het vuur verwezen. Lynken Claeys wordt gespaard, maar de 14de augustus van 1561 blijkt ze hervallen in haar dwaling en wordt ze alsnog levend in brand gestoken.

 

Het gebruik van de pijnbank om beklaagden tot schuldbekentenissen te dwingen, blijkt zeker te bestaan in Nieuwpoort en in Brugge. Als een beschuldigde blijft loochenen zal de pijnbank de doorslag moeten geven. Het dwingen tot bekentenissen via de 'dolore corporis'. Hier wacht een verschrikkelijke beproeving voor de verdachten. Het blijkt een geplogenheid in Vlaanderen om de gevangenen 'toter waarachtige confessie' te brengen, zodat de rechters achteraf in eer en geweten hun uitspraak kunnen doen.

 

Hoe het Guantanamo-scenario van de middeleeuwen in de praktijk aanvoelt, leer ik in volgende getuigenis: 'Aldaar wordt hij naakt ontkleed ende beide zijn handen op zijne rugge gebonden ende geleid op eenen zeer smallen bank, smalder dan het lichaam, zijn rugge nederwaarts ende den buik opwaarts (zijn schamelheid alleen gedekt met eenen linnen doek ofte broek), gebonden onder d'oxelen boven het herte met een koorde aan de voorseide broek, om dat hij niet vallen en zoude.'

 

De pijniging wordt opgestart; 'beide de grote tenen gebonden met een koorde, daar mede 't lichaam uitgerekt wordt met een wielken, stoksken ofte ander gelijk instrument. Voorts gebonden een koorde boven de knieën op 't dikke of dijen van zijn benen, die daarin gewrongen ende gedraaid wordt, zeer of luttel, ter discretie van den juge. Van gelijke altemets een koorde op de schenen gewonden ende ook gewrongen, bovendien altemets een rond hoepelken van koorden gemaakt, vol grote knopen, geheten de paternoster, dat men doet rondomme het voorhoofd, ende zeer ofte luttel wringt, of draait met twee stokskens oft beentjens, ter discretie ook van de juge.'

 

De details worden niet gespaard. 'Daarna legt den hangman ofte scherprechter een natte doek op den patients ogen ende duwt hem zijn neusgaten toe, ende giet met een waterpot of kanneken met een gootje, koud water op zijn herteput, op zijn tenen ende elders. Daarna stelt hij hem een breydelken binnen zijne mond, ende giet koud water in zijnen mond ende lichaam, tot dat het lichaam gezwollen is.' Bij bewuste passage verwijst een sterretje me naar de voetnoot. De schrijver weet me te vertellen dat er in de plaats van water soms andere vloeistoffen worden opgegoten en dat wat er hier geschreven staat erg braafjes is. 'Elders was het pis, dit alles was zeer gematigd bij datgeen wat anderen op den tortuur hebben afgestaan.'

 

De scherprechter houdt de gefolterde nauwkeurig in de gaten en probeert in te schatten hoe ver hij kan gaan met zijn beproeving. 'Zo lange ende zo dikwijls als de juge ende zijne raad schijnt dat 't lichaam verdragen mag, zonder groot dangier ende perikel. Ende deze manier van pijnen is gemeenelijk geuseerd binnen den lande van heerewaarts over, daartoe hebbende alomme genoeg gelijke instrumenten....'

 

Cannaert keert nog eens terug naar de foltering van toveres Adriane Schepens. Je weet wel; de vrouw met haar bedorven voedsel. Ik begeef me naar een pijnkelder ergens op de 22ste februari van het jaar 1602. 'Zittende op de pijnbank gekleed, gemaand om de oprechte waarheid te zeggen...'. De arme vrouw blijft ontkennen en dat betekent meteen ook het signaal om nu echt te beginnen met de pijniging.

 

'Daar na op de bank ontkleed en in banden liggende, ende haar eenen kleine wronk gegeven zijnde, zegt datter niets te zeggen en is, ende dat zij niets misdaan en heeft. Ende alzo ontkent haar met enige toverie ooit gemoeid ofte 't zelfde fact gedaan te hebben.' Nee, ze wordt niet beïnvloed door een of ander lief met een kwade geest. Nog in geen duizend uren heeft ze wat te zien met toverij, 'daarbij aanroepende de gratie Gods.'

 

Het volgen van dit sinister gebeuren heeft iets van een voyeuristisch karakter waarbij ikzelf nota bene de hoofdrol speel. 'Haar water met een doek op de mond gelegd zijnde persisteert ze bij haar loocheninge. Daarna, de koorden wat uitgerekt zijnde, persisteert niets misdaan te hebben ende dat zij niet kennen en zal iets buiten de waarheid, al zoude men haar de leden breken.'

 

De foltering blijft aanhouden en Adriane blijft ontkennen.'Andermaal met roeden gepijnigd, blijft zij sterkelijk bij hare loocheninge. Haar aanschijn andermaal met een natten doek overdekt zijnde, blijft veel sterker bij dezelve loocheninge, zeer klarelijk lamenterende ende metten voyse krijssende, zonder nochtans enige tranen af te laten ofte ook door de geseling enig bloed uit het lichaam komende. Daarna van dezelfde krammen en roeden geslaakt ende op den bank gesteld zijnde, zegt niets te willen zeggen wat niet strookt met de waarheid.'

 

Het zeer is niet te harden en ik vertrek uit de strafkelder waar Adriana helse pijnen blijft trotseren. Cannaert wil het nog eens hebben over de straf die ingevoerd worden tegen 'zelfmoorders'. 'Zo wie hem doodde, hij werd gesleept bij den halze ende gejusticieert metten spriet ende zijn goed geconfisqueert, maar ware de wanhoop donker, als van verdronken te zijn, ofte krankheid van zinnen, zo zal men de justicie useren ter discretie van de wet.' Die wettekst komt naar voren in Cassel en in Veurne en stemt vrij goed overeen met het algemeen gebruik ervan.

 

Als iemand zelfmoord gepleegd heeft in huis, dan mag het lijk niet uit de woning verwijderd worden via de dorpel van het huis. Mijn schrijver omschrijft de praktijk als afgrijselijk en ik kan hem geen ongelijk geven. 'Als 't cas gebeurt in huis, te slepen van onder den dorpel, als niet waardig van over den dorpel gesleept te zijn, makende daartoe een gat onder de dorpel.' De procedure is in wezen bedoeld om weerzin op te wekken bij de bevolking. Het ophangen van de lijken der zelfmoordenaars op het galgenveld of langs de grote invalswegen is dus ook een poging in die richting. 'En toch waren de zelfmoorden in die tijden, zo menigvuldig als in onze dagen.'

 

Ik krijg te maken met twee cases. Op Goede Vrijdag van 1414 verhangt Jan van der Stichele zich op de zolder van het huis van zijn vriend Jan van Boost. Ergens buiten de Gentse Overpoort. De lokale baljuw en zeven schepenen worden van de zelfmoord op de hoogte gebracht en gaan uit op onderzoek. Na een eerste controle laten de gezagsdragers het touw doorknippen en dondert het kadaver tot beneden op de tegels van het gelijkvloers. 'En onder de zulle van den huuse dede hij maken een gat, daar deure het kadaver, men den hoofde eerst, gesleept was, gelijk men met zulke kadavers pleegt te doene naar de costume van den lande van Vlaanderen.'

 

Het lijk wordt gebracht tot bij de Gentse hangman die het op zijn beurt deponeert 'in eenen afgehouden spriet met zijn hoofde tussen de micke'. Een spriet is een soort giek zoals bij een kraan of bij een boot waarbij personen buitenboords kunnen worden opgehangen. Het woord 'micke' is mij totaal onbekend en ik ga even op onderzoek. Ik kom terecht bij het woord 'mik', een soort schandpaal waar misdadigers aan gemonteerd worden na hun dood. Wie aan de mik hangt, fungeert als een soort schietschijf, iemand in de mik hangen en naar een mik schieten of gooien. Ik vind de term warempel nog terug in het eigentijdse werkwoord 'mikken'.

 

Ik laat dit intermezzo voor wat die waard is en concentreer me weer op het zelfmoordgeval van 1414. De Gentse schepenen plegen overleg naar de omstandigheden van de dood van hun poorter. Door zichzelf van het leven te beroven heeft de sukkelaar zichzelf ook meteen ontpoorterd als inwoner van Gent en dat betekent meteen volgens de letter van de wet dat het lijk van Jan van der Stichele niet meer of min is dan het kadaver van een dier en mag het zonder enige vorm van respect of ceremonie verwijderd worden, 'gelijk een beeste doet den heere daar mede zijn geliefte.'

 

Het lijk blijft er lange tijd hangen en blijkbaar moeten familie of kennissen het daar erg moeilijk mee gehad hebben, want op een morgen ontdekken de schepenen dat de constructie met spriet en mik afgebroken werd. 'De spriet was ontgraven ende het kadaver ter eerden geworpen bi nachte, ende men koste niet geweten hebben wie dat 't gedaan hadde.' Het lijk blijft er vijf of zes dagen zielloos liggen tot zijn vrienden het niet langer kunnen aanzien en bij de prelaat van Sint-Pieters gaan smeken of ze het lijk dan toch zelf in de grond mogen stoppen, 't welk heurlieder om godswille geconsenteert was.'

 

De vijfentwintigjarige Janneken van den Driessche mag het eind april 1610 ook gaan uitleggen. Haar 'would be' minnaar Jan Vermeulen heeft zichzelf in haar woning van het leven beroofd na enkele glazen wijn en vermoedelijk na een zoveelste afwijzing van haar kant. Tijdens of na het boemelen komt het tot een woordenwisseling waarbij genoemde Vermeulen zichzelf 'met grote fortse in de linkse borst steekt, recht boven den boezem en dan uitroept 'och Janneke, wat heb ik gemaakt, ik hebbe mij zelven gekwetst, haal een medecijn, dat men mij visitere.'

 

Janneken is zelf niet meer dan een dienstmeid in een vreemde woning en moet ongetwijfeld panikeren. Ze sleept de gewonde naar een achterplaats en roept daarna de dochter des huizes die de chirurgijn verwittigt. Maar het is allemaal te laat. 'Ende zoo den chirurgijn komen wezende, ende bezig was om gereedschap te maken van den gekwetsten te cureren, heeft hij Jan eens of tweemaal gehoest ende zijne geest gegeven.'

 

De toenaderingspogingen van de het slachtoffer blijken al een maand of twee aan de gang te zijn. Van echt drankmisbruik is er geen sprake. Het gerecht onderzoekt nauwgezet de omstandigheden van de zelfmoord en beslissen uiteindelijk om 'het voorseide dode lichaam weg te voeren om in eenen spriet gerecht ende gehangen te worden', zoals de wet dat voorschrijft.

 

Cannaert heeft zijn leven gewijd aan de rechtbank en dat laat hij hier duidelijk blijken. Het lijkt er op dat de oude rechtspraak onmenselijk hard was maar desondanks fair en eerlijk voor iedereen. De vroegere raadsheer wijst op de grote willekeur bij de processen en is het er niet mee eens. Alleen de diepe onwetendheid van het volk hebben de middeleeuwse vierscharen een alibi van eerbiedwaardigheid geschonken. Een en ander werd in scene gezet om de bestraffingen een 'dom en woest' karakter aan te bieden aan het gepeupel en zo een antwoord te geven op de wraakzucht van de massa.

 

De wrede en verschrikkelijke pijnigingen die vergezeld gaan met de doodstraf werden in wezen nooit in de wet omschreven en waren het gevolg van een subjectieve invulling van de rechters. Brood en spelen als het ware. Het volk verwacht harde bestraffingen en gaat er gulzig op in. Beschuldigden worden achterstevoren op een ezel gebonden en met de handen vastgemaakt aan de staart van het dier. Zo worden ze spottend door de voornaamste straten gevoerd. Een publieke ontvanger heeft geld verduisterd en wordt met zijn oor aan de galg gespijkerd. Geen enkele wetgever heeft zich ooit verbonden met dergelijke bestialiteiten.

 

Wie zal ooit aannemen dat zulke wreedheden ooit in een of ander reglement zouden zijn neergeschreven. Cannaert wringt nog een keer de vinger in de stinkende wonde. Hoe kan dat? 'Wanneer men van een andere kant, in het halsrechten het lichaam met gloeiende tangen ziet verscheuren, hart en ingewanden uitsnijden, ongelukkigen tot het vuur verwezen, aan wippen vasthechten, bij beurten, als een speeltuig, in het midden der woedende vlammen dompelen, dan weder ophijsen, en dit hels vermaak, tot vervelens toe verlengen.' Hoe kan dat toch ooit mogelijk geweest zijn?

 

Deze plaatselijke uitspattingen waren enkel mogelijk door gebreken in de wetgeving en enkel en alleen er op gericht om het niet beter wetend gepeupel te sussen. De wrede invulling is enkel en alleen het gevolg van de ziekelijke fantasie van de plaatselijke rechters. Blijkbaar worden de halsstraffen ingedeeld in twee categorieën. Ordinaire en extraordinaire doodstraffen. De wet regelt de terechtstelling van de ordinaire, de 'creatieve' geest van de misdadige rechter regelt de rest.

 

De rechter krijgt carte blanche bij de invulling van de extraordinaire doodstraffen, de gruwelijke taferelen die het mensdom zo lang onteerd hebben, vinden hier hun oorsprong. Een oud handschrift van 26 januari 1563 illustreert de degoutante machtswellust van diegenen die zulke mensonterende straffen uitspraken: 'Den 26ste februari 1563 waren de twee rovers gezet op een ijzeren rooster, aan een ijzeren staak met kettingen rug aan rug gebonden, ende onder het voorzeide rooster was een groot vuur gemaakt, ende boven haarlieder hoofd een ton gevuld met stro, pek en terre met daarin veel gaten, waardoor 't zelve pek op hunlieder lijf druppelde, ende den voorseiden rooster was met eender wippe uitgehaald, ende alzo weder nedergelaten, tot zij levende verbrand waren.'

 

Een executie van 13 augustus 1576 oogt al niet veel beter. Wanneer de misdadiger ter plaatse wordt gebracht, wordt hij met zijn naakte lichaam aan een ijzeren staak vastgebonden en op een wagen gedeponeerd. Eerst en vooral worden beide duimen afgenepen met een gloeiende nijptang. Daarna wordt hij een einde verder gevoerd en worden de twee voorste vingers afgewrongen. Een weinig later, nog twee, tot alle vingers verwijderd zijn en waarna hij, met dezelfde nijptang, in elke arm alsnog drie nepen bekwam. Daarna wordt het slachtoffer naar het galgenveld gestuurd en eindelijk aldaar aan een stil vuur verbrand. Om het menselijk lijden en de onmogelijk te omschrijven pijn te accentueren, wordt er een trompet geblazen terwijl de nijptangen dichtgeknepen worden.

 

Een terechtstelling in het Middelburg van 1533 moet niet onderdoen voor wat betreft de koelbloedige wreedheid die er gehanteerd wordt. De verwezene wordt ook hier op een wagen gesteld en naar de gerechtsplaats vervoerd. Onderweg wordt hij op drie verschillende plaatsen in de stad met een gloeiend mes gestreken op zijn blote lijf. Ik laat de kronieken de rest verder vertellen: 'ende dat gedaan, gebrocht te worden ter voornoemde plaatse waar hij gebonden zal worden in zijn middel, aan een houten wippe, met welke hij gesteld zal worden al levende in een gloeiend vuur, en aldaar verzonken wezende, zal wederom uitgetrokken worden ende daarna wederom in 't vuur ofte daarover gehangen, zo lange dat hij zal zijn gekomen van levende lijve ter dood; ende dood zijnde zal 't lichaam blijven hangen aan de voornoemde wippe omhoog, ter exemple van andere...'

 

Joseph Cannaert wenst hier te eindigen en wil zijn boek nog eens kort samenvatten. Willekeur is ooit de grondregel geweest. De mensen zijn vroeger ongelooflijk wreed geweest. De grove domheid in godsdienstige en wetenschappelijke zaken heeft het volk en de rechters dweepziek en laatdunkend gemaakt. Gelukkig zijn die tijden voorbij. We zijn er gaandeweg in geslaagd om de verlichting in te voeren en de dwalingen voor onze voorzaten recht te zetten. Gelukkig maar. Waarom moet ik nu plots weer denken aan de taferelen die de Islamitische Staat vrijuit en gratuit op de sociale media gooit? Niet iedereen heeft blijkbaar die les geleerd. druk