P1490100

Ik ben al meer dan anderhalf jaar weg gebleven uit Poperinge en beslis om daar eindelijk iets aan te doen. 31 januari 2015. Zaterdagmorgen halfzeven. ‘Notices Historiques sur La Ville de Poperinghe’ van historicus Jean-Jacques Altmeyer en volume 2 van de complete Cantata van Johan Sebastian Bach staan zijde aan zijde in poleposition om me de volgende weken op weg te sturen naar de bronnen van mijn buurstad.

 

Ik heb het boek jaren geleden en blad na blad gefotografeerd in het Ieperse stadsarchief. Op de titelpagina figureert de handtekening van Alphonse Vandenpeereboom. Dit Franstalig boek uit 1840 zal me gidsen door het verleden van Poperinge en dompelt me op slag onder in de geest van de toen 36-jarige Altmeyer. Ik laat hem meteen aan het woord. Houd er rekening mee beste lezer, dat wat nu volgt, geschreven is kort na de onafhankelijkheidsverklaring van België. De sfeer van de Westhoek bijna 200 jaar geleden is nu en dan bijna fysiek aanwezig tussen de pennenvruchten van mijn metgezel. Zijn getuigenissen van toen worden meteen mijn verslag van 2015. Zijn ik-persoon wordt mijn ik-persoon. Enfin; zo neem ik het me toch voor. Benieuwd of me dat ook zal lukken.

 

Als ik door West-Vlaanderen slenter, wordt ik overvallen door een onbestemd gevoel van melancholie en treurnis. Veel plaatsen zijn vereenzaamd en verlaten. Terwijl ze vroeger weelderig, vol leven en zwanger waren van de drukte en van de animositeit. Vandaag heeft een sombere stilte de plek ingenomen van de gezellige drukte van de ambachten en van de vrolijkheid van de feesten die zich ooit afspeelden binnen de stadsmuren van Ieper, Brugge en zo veel andere merkwaardige steden.

 

Ooit was dit de thuis van duizenden volders en wevers die hier comfortabel woonden, behoorlijk gevoed en goed gekleed waren. Hun ambachtelijke kunsten brachten een bloeiende handel naar Vlaanderen. Zilver van Polen, hermelijn van Bulgarije, druiven van Portugal, wol van Engeland, was van Rusland en zo veel meer. Na dat wulps succes is alles stijl naar beneden gedonderd. Brugge doet me anno 1835 eerder denken aan het Pompeii van de middeleeuwen. En waar moet ik naartoe met Damme en met Poperinge? Damme was ooit het middelpunt van de exclusiefste purperen stoffen. Van de plaats waar vroeger schepen van over de hele wereld aanmeerden, is niet veel meer overgebleven dan een stoffig en miserabel dorp dat volledig verzand en ingedijkt is.

 

En dan is er Poperinge. Hier op de grens van de kasselrijen van Veurne en van Cassel en op twee locaties ten zuiden van Ieper, ligt Poperinge. Van zijn oorspronkelijke pracht resten er nog drie mooie kerken en een ruime marktplaats. Twee keer hebben de vlammen deze stad verteerd tijdens de middeleeuwen. In de dagen dat Poperinge nog deel uitmaakte van de Vlaamse hanze en toen nog gestoffeerd was met 17.000 textielarbeiders. Nu wonen er in heel groot-Poperinge nog amper 10.000 inwoners.

 

Er zijn maar weinig geschiedkundigen die zich bezig hebben gehouden met Poperinge. Zelfs de kronieken van Sint-Bertinus zijn karig met informatie. En toch zijn er weinig Vlaamse steden waarvan er zoveel documenten zijn overgebleven. Het lijkt me een uitgelezen moment om die oude geschriften uit te pluizen en zo de oudste Poperingse geschiedenis boven water te halen. Mijn kennismaking met die oude documenten is trouwens geheel toevallig gebeurd.

 

Een jaar of twee geleden bracht ik enkele dagen vakantie door bij mijn vriend Charles Van Renynghe die burgemeester is van Poperinge. Tijdens de periode van de Franse revolutie die ook woedde over Vlaanderen, heeft hij er voor gezorgd dat Poperinge niet geplunderd werd. En nadien heeft hij zijn best gedaan om Poperinge uit een diepe malaise te halen met de oprichting van een muziekvereniging, een middelbare school, een college en een tekenacademie.

 

Een vluchtig onderzoek van de lokale archieven levert tot mijn verwondering belangrijke historische vondsten op. Wie had ooit kunnen denken dat ik die zou vinden in een plaats als Poperinge? Het depot van de stukken is helaas een echte puinhoop. De Belgische autoriteiten zouden beter al de lokale geschiedkundigen stimuleren om alles hier op een rijtje te zetten. Tijdens mijn kort verblijf in Poperinge ga ik in elk geval eens snuisteren in de schat aan documenten. Poperinge, waar kom jij vandaan?

 

Poperinge noemde oorspronkelijk Pupurningahem en die naam evolueerde verder tot Poperingahem en Poperinghem. Onder de Merovingers werd het uitgestrekte domein eigendom van de abdij van Sint-Bertinus in St.-Omer. Dat moet gebeurd zijn in het jaar 658. Of was het 668? Graaf Walbert, een figuur van koninklijken huize, schonk in die dagen het klooster van Arkes (villa Arcarum en later Arques) aan de proost van Sint-Bertinus. Met inbegrip van het hele gebied van Poperinge.

 

De villa 'Pupurningahem' situeert zich langs de grote Romeinse heerweg. De plek zelf zit diep verscholen midden in één groot uitgestrekt bos. Karel de Kale bevestigt in 877 officieel dat Sint-Bertinus eigenaar is van Poperinge. De opeenvolgende abten van St.-Omer zwaaien de volgende eeuwen de scepter over het Westhoekdomein. Ze worden hierbij ondersteund door de reeks Vlaamse graven die de revue passeren en die in de loop van de jaren ook zelf actief zijn in het bestuur van Sint-Bertinus.

 

De abten laten zich de grafelijke bescherming welgevallen. Voorzien van staf en mijter en beladen met goud en juwelen spelen ze God over het jonge Poperinge. Alleen de bisschop heeft nog een grotere macht. Vanaf de 6de eeuw laten ze al in toenemende mate hun invloed gelden op de Westhoek. Ooit leefden ze onthecht, bescheiden en in eenzaamheid weg van de wereld.

 

Daar is van langs om minder van te zien. De nieuw verkozen abten gaan de boer op. Gedaan met contemplatie en eenzaamheid. Ze verschijnen op de politieke en religieuze scene waar ze grote diensten bewijzen aan de kerk die zich nog in zijn puberteit bevindt. Godsbelijdenis zal eeuwen aan een stuk geld in het bakje brengen. Veel geld. De Sint-Bertinusabdij profiteert mee van de domheid van de mensen en wordt decadent rijk. De monniken zwemmen in het geld en in de privileges. De abten lopen zijde aan de zijde met de bisschoppen. Naar hun stem en die van de andere abten in Vlaanderen wordt geluisterd. Poperinge ligt niet bij de achterdeur van St.-Omer en zo wordt beslist om een afzonderlijke priorij te stichten die de zaken in het domein moet beheren. Een soort bijhuis. Een filiaal van de multinational Sint-Bertinus. De 'chief executive officer' van die dagen wordt als 'prior' omschreven.

 

Hij vervangt de abt en handelt in zijn naam. Enkel de zaken van groot belang worden nog beslist vanuit het moederhuis. Hoewel vaderhuis misschien een beter gekozen naam zou zijn. Het toekennen van lokale rechten is bijvoorbeeld strikt voorbehouden aan de abt van St.-Omer. De prior zorgt er enkel voor dat zijn beslissingen worden uitgevoerd en gerespecteerd.

 

Poperinge groeit als bloemkool. In 1147 is de plek al uitgegroeid tot stad. Voor wie er woont en zich wil komen vestigen, komen er voorrechten en vooral reglementen waar iedereen zich aan dient te houden. Statuten van de multinational. Het jargon van de middeleeuwen heeft het over een 'keure' en het is de graaf die beslist of steden al dan niet een keure mogen bezitten. De eerste Poperingse keure komt er in datzelfde jaar 1147. Met toestemming van de abt van Sint-Bertinus uiteraard. Het is een kopie van het exemplaar die de mensen van Veurne hebben ontvangen van graaf Dirk van de Elzas.

 

Filips van de Elzas doet er 40 jaar later nog een schepje bij. Poperinge leeft en bruist en krijgt voortaan zijn eigen markt en de exploitatierechten om handel te drijven via het water. Tussen Poperinge en de IJzer wordt er werk gemaakt van een kanaal. Langsheen het traject komen er houten constructies, 'overdrachten' en 'dobbele kraenen' die zwaarbeladen boten moeten helpen loodsen tot in de stad. Het verval van het water is maar zus en zo en zonder die kunstgrepen zou het onmogelijk zijn om via het water handel te drijven met de buitenwereld.

 

Rudolf, de heer van Reningelst, regelt het in 1197 dat ook Reningelst via Poperinge verbonden wordt met Nieuwpoort. Vanaf het jaar 1000 blijft trouwens niets zoals het was in Europa. De opinies en de zeden van de mensen ondergaan grondige wijzigingen. Het fenomeen van de steden steekt de kop op. In het prille Vlaanderen zien we hetzelfde gebeuren.

 

De opkomst van onze steden heeft duidelijk zijn oorzaken. Eerst en vooral heeft de Romeinse bezetting die verschillende eeuwen geduurd heeft zowat het eigen cultureel erfgoed gewist. De mensen kunnen niet langer terugvallen op hun oude tradities want die zijn er niet meer. Ze zijn niet meer bang om te vechten voor hun zelfbehoud en hun zelfstandigheid. Hun vrijheid vinden ze van langs om meer in de schoot van nieuwe gemeenschappen die bepaalde rechten toegeschoven krijgen van de graven.

 

Ook in Poperinge komt het volk in opstand om de nodige gemeentelijke vrijheden uit de brand te slepen. In 1147 ontstaat er een rebellie van de Poperingenaars tegen de Sint-Bertinusabdij. De wapens zullen niet neergelegd worden tot dat de heer abt bereid is om te luisteren naar hun bekommernissen. De graaf van Vlaanderen ziet zich verplicht om tussen te komen in de bloedige gebeurtenissen van die dagen. Zo krijgt de stad dan toch zijn eigen grondwet.

 

In 1208 wordt die voor alle geruststelling nog eens door de abt en de graaf bevestigd en verlengd. Plechtige beloftes van de abt zijn het. Hij zal de goede mensen van Poperinge beschermen in hun rechten. De amman, de hoogste rechter van de stad, kan niet langer naar eigen willekeur goederen en eigendommen afnemen van de stedelingen. Voortaan dient hij hiertoe toelating te hebben van een magistraat. Als hij het toch riskeert, zal hij zijn functie moeten neerleggen en zal hij een boete moeten betalen van 3 pond.

 

Elke beschuldigde zal voortaan zijn oordeel ondergaan in het bijzijn van de abt en krijgt zijn straf van gezworenen. Hij of zij zal nooit langer gestraft worden dan oorspronkelijk voorzien. Alle goederen die aangeslagen worden door de amman dienen opgeslagen te worden in de abdij in St.-Omer tot dat de beschuldigde zijn straf heeft uitgezeten.

 

Alleen het hof van Sint-Bertinus is bevoegd om klachten van schepenen en gezworenen te behandelen. Onderhandse transacties van gronden en woningen kunnen niet langer. Alle aktes dienen geofficialiseerd te worden door de centrale abdij. Als twee inwoners met elkaar op de vuist gaan, zal de aanstoker de kosten betalen. De doodstraf wordt ingevoerd voor moordenaars. Ten minste als de beschuldigde niet wordt vrijgesproken door de rechtbank. In dat geval kan de dader vrijuit gaan. Als de straf effectief uitgesproken wordt, rest er nog een laatste strohalm voor de gestrafte.

 

De vuurproef. Blootsvoets over een bed van gloeiende kolen stappen of een gloeiende ijzeren staaf met de blote handen vastnemen of meer van die plezante bedoeningen. Bezwijken tijdens deze onmenselijke proeven staat synoniem met de doodstraf die er dan onmiddellijk op volgt. Voor wie zich sterk houdt, wacht de vrijheid. Dat allemaal volgens de keure van 1147. Het is voorwaar een harde maatschappij.

 

In een nieuwe versie van 1232 wordt er wat geschaafd aan het strafrecht. De beschuldigde komt vrij als vijf juryleden, de keurheren of de 'choremanni', hem onschuldig verklaren. Als de jury twijfelt, is het aan de acht getuigen, de 'compurgatores' om hun oordeel uit te spreken. In alle gevallen heeft de beschuldigde het recht om te komen aandraven met eigen getuigen. De verschrikkelijke vuurproef geldt niet alleen voor moordenaars, maar iedereen die bestraft wordt voor diefstal, laster en gokken, weet wat hem of haar te wachten staat.

 

Vrouwen die met elkaar vechten, zijn al helemaal uit den boze. Direct een dubbele boete met een minimum die nooit lager zal uitvallen dan 3 pond, een bedrag dat in de 12de eeuw als een maximum boete aangestipt staat. Vreemdelingen die zich in Poperinge komen vestigen, moeten na een tijdje hun trouw zweren aan de keure. Als ze dat weigeren, moeten ze 10 sols betalen aan mijnheer de abt en worden ze achteraf dan toch nog verplicht om die eed af te leggen.

 

Vlaanderen ontpopt zich ondertussen als het centrum van de handel in West-Europa, met activiteiten die zich uitstrekken tot in Spanje, Italië en Rusland. Frankrijk en Engeland zijn trouwe handelspartners. De handelslobby die de Vlaamse textielproducten promoot, wordt vanaf de 12de eeuw omschreven als de Vlaamse hanze en die maakt op zijn beurt onderdeel uit van de hanze van London. Zeventien steden maken deel uit van de internationale hanze. Historicus Warnkoenig heeft ze allemaal opgelijst. Voor Vlaanderen lees ik Rijsel, Ieper, Douai, Arras, Doornik, Gent, Brugge, St.-Omer, Montreuil, Diksmuide, Belle, Poperinge en Orchies.

 

Verrijkt door zo een bloeiende handel, ziet Poperinge zijn bewonersaantal flink stijgen. De stad heeft in het begin één enkele parochiekerk, die van Sint-Bertinus, de grote apostel van Artesië. In 1290 worden er uit noodzaak twee nieuwe kerken opgetrokken. De eerste opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw en de andere is er een voor Johannes de Doper. Die laatste wordt ook wel 'Saint-Jan le Baptist' genoemd. Johannes de Doper zal binnen de kortste tijd plaats ruimen voor zijn 'laptjesnaam' Sint-Jan. Beide kerken worden gebouwd op kosten van de lokale gemeenschap.

 

De officiële goedkeuring voor de twee nieuwe kerken komt van de bisschop van Terwaan. Jean-Jacques Altmeyer komt aandraven met een vergeten vertaling van de oorspronkelijke oorkonde. De schrijver kan die inkijken dank zij de Poperingse notaris Frays. Meteen een prima gelegenheid om nog eens de wortels van onze Vlaamse taal op u los te laten.

 

'Alle de gonne die dese jegenwoordighe letteren sullen sien, Jacobus, by der gratie Godts, bisschop van Therouane, salu in den heere ter eeuwigheyt. Alsoo nu overlanx ons te kennen soude ghegheven gheweest hebben van wegen de godvruchtighe mannen, by Godts toelatynge abt van kercke van Ste-Bertins, in St.-Omaars, heere ende patroon van Poperynghe, onser Therouansche diocese, ende consente van selve kercke van Ste-Bertins, mitsgaders Hugo, pastor van prochiekerke, schepenen, curateurs ende ghemeente der selve stede van Poperynghe …'

 

'…. dat om de menigte der prochianen woonende in selve stadt, het volck ende prochianen niet en costen te vreden wesen met een kercke, nochte oock aen de zielen in de selve stadt ende prochie niet voorsien syn door de moghentheyd van een pastor, ende dat wy daerom van weghen de voorseyden souden aensocht syn gheweest, op dat wy onsen pausel, consent ende hunlieden d'authoriteyt souden verleenen tot het bauwen, timmeren ende fonderen van twee nieuwe prochiekercken in selve stede ende prochie sonder lesie nochtans van voorschreven patronale ende oude kercke, ghemerckt ter cause voors.'

 

'Wy maken hunlieden bekend dat wy willen voorsien tot vermeerderynghe van Godts eerbiedynghe, ende soo veel wy connen tot de sielen saligheyt, mitsgaders begheiren, hunlieden rechtveerdighe supplicacien toe te stemmen, voor soo veel het recht toelaet en in onse maght is, Mr Jan De Ligne, canonynck, en onsen official van Therouane om te ondersoucken of den noch verheesschende de fondatien, ghebauw ende timmeraige van selve twee nieuwe prochiekercken in stede ende prochie..'

 

'…. mitsgaders door syne briefven daeroppe ghemaeckt, ons wettelyck is blycken van het voorschreven, maer voorgaende diciesie by den gemelden officiael ghedaen, van selve gheheele prochie in drye deelen met competente afpalynghe van de drye parochien uyt de selve gheheile prochie door wycken ende wyxkens afgedykt ende bekens door straeten en voetwegen. Soo het best heeft connen gheschieden, ten eynde dat de selve twee nieuwe prochiekercken boven de voorseide patronale ende oude kercke ghemaeckt, gheconfirmeert en opghebauwt worde in de voorschreven stede van Poperynghe'.

 

'De twee nieuwe kercken sullen ghebauwt ende ghetimmert worden, te weten d'een in den Oosten ende d'ander in den Westen van selve patronale ende oude kercke in haer ghelegentheyt ten vollen ende ongeschonden, statuerende dat in elcke der voorschreven drye prochiekercken sy eenen pastor, die de prochie in solidum ontvange ende gheniete, onghepreiudiceert 't recht van patronaet, privilegien, libertheyten, rechten ende costuymen..'

 

Ook het financieel aspect wordt niet vergeten. Dat zal wel, want kerken dienen als onvervalste melkkoeien voor de geestelijken daar aan de top in St.-Omer en Terwaan. Het stichten van parochies zoals hierboven omschreven, gaat hand in hand met het zich toe-eigenen van de rechten en de taksen die de inwoners zullen moeten zien af te dragen. Met deze wetenschap in het achterhoofd, zal u ongetwijfeld de originele stichtingsakte in het juiste perspectief lezen:

 

'..de selve religieuzen kercke ende clooster in de gheheele stede ende drye prochien voornoemd in de geboorlingen offranden vervallen, thienden ende opcommen ghelyck tot nu toe in selve gheheele stadt en patronale oude kercke alleen hebben ontfangen, heffen ende ghenieten, en ghenoten hebben in sulcker lasten ende ghevallen, indien de selve twee nieuwe kercken als noch niet en hadden inghestelt gheweest...'

 

'Wy statueren Hugo welcken syne voornoemde oude en patronale kercke is houdende ende ghehouden heeft, heffe, ontfange ende gheniete twee hondert coorne schoven ende veertich haver schoven, die den pastor van de voorts, gheheele prochie voor de voornoemde divisie aen de cure van St.-Bertins tot Poperynghe toequamen; item veertig schelling parisis jaerlyckx rente ofte daer omtrent vytte renten van het brevet van selve oude cure, en dat den pastor van de selve oostersche kercke aen den voors.'

 

De stichtingsoorkonde van de twee kerken kan je inderdaad best bekijken als een notariële akte. Wat getekend is, kan zo maar niet meer ongedaan gemaakt worden. Nu niet en in de toekomst ook niet. Ook de bisschop bekijkt dat op die manier in 1290 en die toekomst breidt hij zonder verpinken uit tot in de eeuwigheid: ''t gonne voorschreven, welcke Hugo overleyden synde, zullen de voorschreven coorne ende haverschoven ende de voorschreven pennynckrenten van priester der patronale ende oude kercke alsdan afwicken ende blyfven aen den priester van selve oostersche kerke in de eeuwichheyt, ende de selve pastooren der nieuwe kercken, ende hunne successenissen van alsdan ende in toecommende tyde van de selve betalynghe ghelast blyven, in teecken van welcke wy aen dese jegenwoordighe briefven hebben doen aenhanghen onsen zeghel.'

 

De akte wordt plechtig gedateerd, ondertekend en verzegeld. 'Ghegheven in 't jaer des heeren duyst twee hondert 't negentich, 's woendaghs voor Synxchen'. 'Ende was hanghende een deel van seghel ghedruckt op groen wasse en dobbelen steerte van parchemyne'.

 

De bouw van twee extra kerken illustreert de ongebreidelde expansie van Poperinge in die dagen van de geschiedenis. Het lijkt er op dat de groei en de bloei van Vlaanderen en van Poperinge voor eeuwig zal blijven duren. Niets is minder waar. Onder het bewind van Gewijde van Dampierre wordt Vlaanderen brutaal door elkaar geschud. De graaf verspeelt mondjesmaat de sympathie van zijn eigen inwoners. Op het buitenlands toneel is hij het speeltje van Frankrijk en Engeland en ook de paus en de Roomse keizer degraderen Gwijde tot hun marionet. Brugge en Ieper rechten hun ruggen. Poperinge volgt deze twee grote steden in hun verzet tegen de gang van zaken.

 

De inzet van de strijd is een clash tussen de bestaande aristocratie en de gewone man. Een prille democratie lonkt verleidelijk maar is meteen veraf. De drang naar gelijkheid zal de Poperingenaars nooit meer los laten. Dampierre houdt in 1280 grote kuis in Ieper in de afloop van de Kokerulle. Daarna richt hij zijn pijlen op Poperinge en rekent hij af met alle bewoners die van dicht of ver betrokken waren bij de Ieperse onlusten. Ondertussen laveert hij niet altijd even handig langs de abt van Sint-Bertinus.

 

Ondanks zijn repressief en mensonwaardig optreden, laten de mensen van Poperinge hun regulier staatshoofd niet in de steek als er een oorlog uitbreekt tussen Frankrijk en België. De Poperingenaars gedragen zich dapper in het jaar 1292 wanneer de lokale snaken mee galopperen richting St.-Amand om er de grens van Vlaanderen mee te helpen verdedigen tegen de Fransman Filips de Schone.

 

Schrijver Jean-Jacques Altmeyer is erg duidelijk: na de heerschappij van Gwijde van Dampierre zullen al zijn opvolgers voortaan de belangen dienen van Frankrijk en zich hiermee ook afzetten tegen de vrijheden van het land en zijn steden. De slag van Kortrijk in 1302 zorgt voor een revolutionaire koorts in het graafschap. Een agitatie die het best kan vergeleken worden met wat er ooit voorgevallen is in de republiek van Rome.

 

Poperinge toont zich erg actief in de vrijheidsstrijd die rond 1328 opnieuw de kop opsteekt. Het is de periode van Nikolaas Zannekin die de wind van de Vlaamse wraak stevig doet opsteken en alles wat Fransgezind is in het land wil elimineren. Poperinge en zijn soevereine heer staan de hele tijd aan zijn kant. Brugge weet niet wat het wil en Ieper blijft lange tijd achter de graaf staan. Tot Zannekin zich verplicht ziet om de stad aan te vallen en verplicht om zich bij het volksleger van de Vlamingen aan te sluiten.

 

Het is diezelfde Zannekin die op 23 augustus van 1328 de ultieme confrontatie aangaat met het grote Franse leger. De Casselberg. De mannen van Poperinge, Veurne, Nieuwpoort en de Westhoek leveren er een heroïsche slag aan zijn zijde en delven daarmee hun eigen graf. Kan er iemand in de Westhoek ooit die verdoemde dag vergeten? Poperinge en de andere steden die het aandurfden om de vlag van de revolutie te hijsen, worden achteraf zwaar toegetakeld met immense boetes en gestript van een deel van hun voorrechten.

 

Zannekin en duizenden kinderen van de Westhoek blijven dood achter op het slagveld. Hun dood doet heel wat stof opwaaien. En uit dat stof wordt Jacob van Artevelde geboren. Door de enen toegejuicht en door anderen gehaat en verwenst, zoekt hij bescherming bij de Engelsen en emancipeert hij de Vlaamse bevolking als geen ander.

 

In 1343 staat Artevelde op het toppunt van zijn macht. Hij reorganiseert Vlaanderen zoals nooit tevoren. Een nieuwe leest. Hij plaatst Gilles van Coudenbrouck aan het bestuur in Brugge en in Ieper wordt Jan van Houtkerke de sterke man. Heel zuidelijk Vlaanderen moet voortaan naar de pijpen dansen van Ieper. Dit terwijl Brugge de lakens uitdeelt aan zijn wijde buitenomgeving, beter bekend als het Brugse Vrije. Gent zwaait de scepter over de streek van de Vier-Ambachten. Ook het land van Waas, Aalst, Dendermonde, Oudenaarde en Kortrijk vallen onder het kersvers Gents bestuur.

 

Jacob van Artevelde beperkt zijn beleid tot het dirigeren van drie mannen. Voor die machtspositie over deze drie steden heeft hij veel veil. Zo decreteert hij dat de reguliere textielnijverheid enkel kan plaatsvinden binnen de stadsmuren van Brugge, Gent of Ieper. Deze beslissing betekent niet min en niet meer dan een reguliere kaakslag voor de bevolking van de buitengebieden. En zeker ook voor Poperinge dat leeft van zijn lakenhandel.

 

De inkt van de nieuwe wet is nog niet helemaal droog als de Poperingenaars de wapens opnemen om deze verbijsterende beslissing aan te vechten. Tussen Ieper en Poperinge liggen de zaken sowieso al gevoelig. Er heerst een grondige jaloezie tussen de textielarbeiders van beide steden. Poperinge houdt zich niet altijd aan de kwaliteitsnormen voor de lakens die er heersen in Ieper en brengt hierdoor volgens hen grote schade aan hun zakelijke belangen. Zeg maar dat de Poperingenaars onder de prijs werken en dat die van Ieper dat voelen in hun omzetcijfers en dus in hun portemonnee.

 

En nu zouden ze dus helemaal naar de pijpen van de Ieperlingen moeten dansen? Er kan geen sprake van zijn. Die van Poperinge en Langemark gaan onverstoord verder met het kaarden, het verven en het weven van eigen textiel. Op hun beurt stappen de Ieperlingen naar hun buursteden waar ze alles wat ook maar ruikt naar lakens vernietigen en er veel menselijk leed aanrichten. Er vallen dodelijke slachtoffers. Eén van hen is de Poperingse aanvoerder Jacob Bets. Die laatste zou zich een Artevelde in het klein hebben gewaand en was zo overmoedig om zonder veel poespas de eigendommen van de abdij van Sint-Bertinus aan te slaan.

 

In 1345 wordt Artevelde in zijn eigen stad Gent geliquideerd. Een jaar later sneuvelt graaf Lodewijk de eerste op het slagveld van Crécy. Hij wordt vervangen door zijn zoon, die van Male, genoemd naar de plek waar hij op de wereld gekomen is. De nieuwe herstelt Vlaanderen rond 1348 in zijn originele toestand, sluit vrede met Engeland en brengt vooral rust en orde over heel Vlaanderen.

 

Poperinge profiteert mee van de economische revival. In 1360 wordt een prima kanaal gegraven tussen de stad en de IJzer bij Elzendamme. Het water zorgt voor een wekelijkse toevoer van een twintigtal met handelswaren volgestouwde boten. De vergunning voor de graafwerken is er gekomen door toedoen van de abt van Sint-Bertinus en de graaf. Het lijkt er trouwens op dat de Vlamingen zich opnieuw onderworpen hebben aan Lodewijk van Male, maar dat is slechts schijn.

 

De wind van de democratie speelt nog altijd zijn parten. Vooral in Gent dan waar de revolte in 1379 opnieuw de kop op steekt. De funeste opstand van de Gentenaars verspreidt hun woest en opruiend gedachtegoed over zowat heel Vlaanderen. In 1381 wordt Filips van Artevelde, de zoon van Jacob, uit het niets te voorschijn getoverd en aan het hoofd gezet van de Vlaamse revolutie.

 

Filips herneemt de projecten van zijn vader en doet dat met meer energie en meer ijver. Altmeyer schrijft het niet meteen neer, maar tussen de lijnen snap ik wat hij werkelijk wil vertellen. Jacob van Artevelde pakte de zaken diplomatisch aan terwijl zoon Filips van diplomatie geen kaas gegeten heeft en met zijn directe mentaliteit iedereen voor de keuze stelt: buigen of barsten.

 

Het wordt barsten. Enfin, toch voor hem. Na een eerste periode van successen, keren de kansen in zijn nadeel. Het jaar 1382 is nog niet helemaal opgeborgen in de ladekast van de geschiedenis als de Franse koning Charles VI, de hertog van Bourgondië, met zijn militaire elite massaal de Leie oversteekt om vastberaden een einde te maken aan de Vlaamse opstand. De oversteek zorgt voor grote paniek en penibele toestanden in Vlaanderen. De Ieperse burgerij is fijn gerust in de Vlaamse belangen en stuurt een nest hoge geestelijken naar de Franse koning.

 

Ieper verraadt Vlaanderen en vraagt op zijn blote knieën pardon aan de heer koning. Die krijgen ze prompt, daar aan de oevers van Zillebekevijver. Zolang ze maar bereid zijn om een schadevergoeding van 40.000 frank te betalen. De hele omgeving wordt zwaar geteisterd door het grote vijandelijke leger. De Poperingenaars proberen zich staande te houden met de functionarissen van Artevelde op kop, maar ze worden verplicht om die laatste vastgebonden en gewurgd over te leveren aan de Fransen. De inwoners moeten niet op het minste medelijden rekenen.

 

Bretoense soldaten laten een verschrikkelijk spoor van branden, plunderingen en vernielingen achter in en rond Poperinge. Al de opgebouwde welvaart van de laatste decennia gaat op enkele dagen tijd volledig verloren. Het groot pauselijk schisma verdeelt Vlaanderen in Urbanisten en Clementijnen, respectievelijk voorstanders van de door Engeland ondersteunde Roomse paus Urbanus en van de Frans tegenpaus Clemens. Poperinge behoort tot het Franse kamp. Gezien zijn ligging ten opzichte van Frankrijk blijft het liever voorzichtig en blijft het weg uit het Engelse kamp. Nog zo een vernielingsronde zien ze hier niet zitten. Het Franse juk dragen, lijkt in 1383 de veiligste manier om te overleven.

 

Van het beleg van Ieper wordt er met geen woord gerept door Altmeyer. Vreemd dat er van dit maandenlang beleg op een beugscheut van het Poperingse helemaal geen sprake is. De nasleep ervan wordt wel vermeld: Lodewijk van Male wordt vermoord in 1384. Zijn dochter Margaretha, echtgenote van de Bourgondische hertog Filips de Stoute, erft de schone provincies van Vlaanderen. Het zal nu nog een jaar duren vooraleer de Gentenaars de strijdbijl begraven en in Doornik vrede sluiten met Margaretha, haar man, en met de koning van Frankrijk.

 

Vlaanderen is uitgeput en blijft als een verslagen hond in zijn mand liggen tot aan de dood van Filips de Stoute. Die laatste heeft tijdens zijn leven trouwens nogal wat energie gestopt in het breken van de Vlaamse revolutionaire gedachten. Op verschillende plaatsen heeft hij vestingen laten optrekken. Ook de bron van het kwaad heeft hij aangepakt. Grote bevolkingsconcentraties van wevers worden opgesplitst. Zo moet een deel van de Ieperse wevers voortaan aan de slag in Poperinge. Het zijn vooral de arbeiders die wonen in de buitenwijken van de stad die de oversteek moeten maken.

 

Zo arriveert Altmeyer weer in Poperinge. Rond die tijd geeft de lokale magistraat blijk van een extreme onafhankelijkheid in een delicate kwestie die zich daar aandient. De schepenen hebben Jacques De Coninck laten oppakken. De Coninck is een geestelijke klerk van het bisdom, compleet met tonsuur en kloosterhabijt en dus in principe onschendbaar voor de wereldlijke wetten. Maar geestelijke of niet, de man wordt voor twee jaar verbannen uit Poperinge op straffe van het verliezen van beide ogen als hij in die periode toch gesnapt wordt in de stad.

 

De bisschop van Terwaan en de deken kunnen er niet om lachen en dreigen met excommunicatie voor de schepenen en de magistraat. De schrijver haalt de oorspronkelijke en oud Franse teksten naar boven. 'Peine d'excommunichement audit bailli qu'il ne procédast aucunement contre ledict clerc.' De geestelijke verontwaardiging is compleet. Ze dringen er met man en macht op aan dat De Coninck enkel voor een kerkelijke rechtbank kan beoordeeld worden en nooit voor een wereldlijke vierschaar.

 

De Poperingse schepenen weigeren resoluut om in te gaan op hun eisen. De kwestie belandt uiteindelijk op de tafel van het Parijse parlement en leidt uiteindelijk tot een compromis tussen alle partijen. De datum, 12 juni 1406, is bekend, maar hoe ze er eigenlijk zijn uitgeraakt, is blijkbaar niet langer van belang.

 

Na het overlijden van zijn vader, is graaf-hertog Filips de Goede aan het roer gekomen in Vlaanderen. In 1435 breekt hij met Engeland. En dat is bijzonder pijnlijk voor Vlaanderen die zich recht moet zien te houden met de import van Engelse wol. De bedoeling van Filips is duidelijk: er kan maar één partij baas zijn over Vlaanderen en dit kan alleen maar Frankrijk zijn. In Vlaanderen hebben de Engelsen niets te zoeken.

 

De Engelsen moeten trouwens verjaagd worden uit Calais en uit het graafschap van Guines dat ze al een eeuw bezet houden. De reactie van de Engelse koning Edward laat niet op zich wachten. Hij stelt de graaf van Gloucester (Jan van Bedford) aan als nieuwe hoofdleenheer over de Vlaamse provincies. De oorlog ontbrandt. Nogal wat weerbare mannen uit Vlaanderen zien zich verplicht om Calais te gaan ontzetten en gaan daarmee tegen hun zin in op de vragen van Filips de Stoute.

 

1436. De campagne daar loopt af op een sisser en de ontmoedigde Gentenaars druipen af naar huis. De gefrustreerde Engelsen laten zich gelden in de streek van Poperinge. Brandstichting en plunderingen zoals gewoonlijk. In 1452 breekt er weer hommeles uit in Gent. De Poperingenaars zien de bui al weer hangen en dringen er bij de graaf op aan dat hun regio als neutraal kan worden verklaard.

 

De hertog van Bourgondië gaat in op hun verzoek. Altmeyer diept de oorspronkelijke tekst op. Poperinge is eigendom van de eerwaarde abt van Sint-Bertinus. Gewapende mannen moeten er weg blijven. Er zal niet gestolen en geroofd worden. Geen graan en geen wijn. Geen schapen, paarden en varkens. Geen textiel, beddelakens en nappen. De lijst van beschermde eigendommen is lang. Mensen uit de 'seigneurie' van Poperinge mogen in geen geval gemolesteerd worden. Die van Gent moeten zorgen dat ze uit de buurt blijven.

 

De archieven in de Vlaamse steden zitten vol met details over de bloedige uitspattingen gepleegd door de ambachtslieden tijdens de 14de en de 15de eeuw. Poperinge vormt helaas geen uitzondering en dat wil Altmeyer verduidelijken met een vonnis uit die dagen. Etienne, bastaard van Godesey, Walins Ysdoor, Julien Wumeels en een zekere Marc, de bastaard van Rasseschacht krijgen het verdict te horen.

 

Ze worden beschuldigd van een reeks gewelddaden en moorden. 'Malfeicteurs', zijn ze, 'non contens de ce vanter journelement de batre, viloner, de copper et de tuer'. Bastaard Marc wordt voor maar liefst 50 jaar verbannen uit het graafschap Vlaanderen. De Poperingenaars krijgen het recht hem koudweg te doden als hij alsnog moest opduiken in hun stad. Marc Rasseschacht en zijn bende moeten een gevaarlijk heerschap van struikrovers geweest zijn. Ze hielden zich op in de bossen en tussen het rijpe koren, overvielen en beroofden de voorbijgangers van have en goed. Erg gevaarlijke individuen. Haast niemand waagde zich nog in de straten uit angst om bestolen te worden.

 

De uitspraak is navenant. De vierschaar laat een tekst na van bladzijden lang. De uitspraak wordt verspreid vanuit een Hollands hotel in Den Haag en is persoonlijk ondertekend door de hertog. De 15de juli van het jaar 1456. De handel in Vlaanderen begint vanaf de 15de eeuw weg te glijden. Het succes van de hanze taant zienderogen. Het verval heeft alles te maken met het harde beleid van Karel de Stoute dat gevolgd wordt door een periode vol oorlog en turbulentie wanneer zijn schoonzoon Maximiliaan van Oostenrijk aan het hoofd komt van Vlaanderen.

 

Op 27 oktober 1497 laat de magistraat van Poperinge een openbaar onderzoek uitvoeren om zo het lokaal industrieel verval in kaart te brengen. Er worden tachtig getuigen opgeroepen. Ze worden gekozen uit de burgerij en behoren allemaal tot de oudere generatie. Een zekere Pieter. Jozef Arnout. Jozef van Bloys, Christian van Hurtere, Nikolaas Wormare, Brussard de Vos, Willem Bastijns, Jozef Mottoen en Christian van Amerele worden allen opgeroepen.

 

Er zitten er tussen die al nakomelingen aan het werk hebben in de stad. Ze komen af met verhalen uit hun eigen verste verleden. Toen werden nog lakens geweven van alle soorten en kleuren. Onder het label van 'Teutonum douche', een soort merknaam die blijkbaar erg verspreid was onder de hanzegemeenschap. Buitenlandse handelaars zakten af naar Poperinge om er de lakens te kopen. En uiteraard werden ze ook door de Poperingenaars zelf verkocht op de markten van de lage landen. Een van de belangrijkste producenten uit Poperinge is de familie Makeblyde die zich blijkbaar laat gelden als een van de gewichtigste geslachten van de stad.

 

Andere getuigen bevestigen het verhaal. Ja. Ze herinneren zich nog de tijd wanneer ze lakens verkochten in Ieper, Brugge, Antwerpen, Rijsel en nog andere steden. Sylvester van Burques heeft nog weet van de prijzen die toen gehanteerd werden. 50 cent per el stof was zowat de beste prijs. Er waren er ook van 32 en van 24 cent. Er werden in elk geval drie types geproduceerd.

 

Alexander Lodijs staat bekend als een notoir volder en lakenfabrikant. Hij bevestigt de verhalen: 'de Ieperse handelaars kwamen toen nog persoonlijk met hun collega's van de hanze naar Poperinge om er zaken te doen.' Nikolaas de Zoutere vertelt dat er graag en veel gewerkt werd met Engelse wol. Zelfs nadat de handelaars van de hanze door de graaf zelf geweerd werden uit Vlaanderen. 'Waar is toch de tijd gebleven dat hun lakens zo erg in trek waren?' Poperinge moet toen erg welvarend geweest zijn.

 

Altmeyer beweert dat de situatie in de 16de eeuw nu ook weer niet zo slecht moet zijn. De textielhuizen hebben in elk geval nog altijd hun werk. En dat ondanks de ramp die de stad overvalt in het jaar 1513 wanneer Poperinge wreed toegetakeld wordt door een grote brand. Enkele decennia later zijn de huizen verrezen uit de assen. Op 18 oktober van 1560 organiseert de magistraat een groot feest waarbij de rederijkerskamers van over heel Vlaanderen kunnen strijden voor een aantal prijzen die vooral bestaan uit zilvergeld.

 

Zelf bezitten ze ook zo een theatergezelschap. Er huizen ook drie gilden in Poperinge. Die van de musketiers onder de bescherming van Sint-André, de handboogschutters van Sint-Georges en de boogschutters van Sint-Sebastiaan. Rond 1541 zijn de bossen rond de stad nog erg dicht en zeker niet ongevaarlijk. Er moeten wolven zitten waardoor de magistraat zich verplicht ziet een beloning uit te schrijven voor diegenen die wolven kunnen doden. Drie Parijse ponden per exemplaar. Het dubbele daarvan als het een wolvin is. De keure steekt nog in de archieven.

 

Ze bevat nog de pit van ons verleden: 'Gheordonneert by scepenen, cuerheers ende raden van der stede van Poperinghen, dat zo wat persoonen van nu voortaen eenighen wulven vangen zullen binnen Poperinghe, dien zullen hebben van elcken wulve die binnen cuere van Poperinghen ghevanghen werdt, drie ponden parisis, ende van elcken wulvinnen zullen zy hebben zes ponden parisis, ende van die buyter kuere ghevangen werden, danof zullen zy hebben naer oude costumen. Actum den 5en in september 1541.'

 

In datzelfde jaar doet Poperinge een geweldig geschenk cadeau aan de graaf van Roeulx die hun stad in zijn functie van gouverneur van Vlaanderen bijzonder geholpen heeft in haar proces tegen die van Ieper. Het geschenk heeft vier benen en moet zowat een fortuin gekost hebben. Een raspaard van 100 gulden moet het equivalent zijn van veel lokale jaarlonen. En Poperinge moet dan nog dat geld op eigen houtje ophoesten, 'indien dien van Meessenen ende Niekercken al zo velen als dien van Poperinghen nyet contribueren en willen'.

 

Natuurlijk ging het proces weer al eens over de lakennijverheid. Nog voor het jaar 1600 mogen de lakens echter definitief en letterlijk en figuurlijk opgeborgen worden. De zieltogende textielindustrie zal er gelegen hebben. Ze heeft een onvoorstelbare welvaart tot stand gebracht. Die welstand heeft zich op zijn beurt geuit in een verbazingwekkende intellectuele samenleving.

 

Vanuit het noorden en het oosten komen vreemde ideeën overgewaaid die de fundamenten van de maatschappij tot in hun voegen zullen doen kraken. Als ik het heb over de fundamenten, dan heb ik het over het christelijk en katholiek geloof dat de middeleeuwse bevolking al veel eeuwen als een deken bedekt. 'Gevangen houdt of versmacht', zouden misschien betere definities zijn.

 

In Duitsland is er een priester die al sinds zijn jeugd op zoek is gegaan naar een God die genadig is. Niet die repressieve schurk waar de mensen bang van gemaakt worden, maar een God met begrip en met menselijke trekjes. Die priester is Maarten Luther, leeft tussen 1483 en 1546. Zijn zoektocht leidt naar een nieuw geloof, een ander en beter geloof dat vanaf 1517 zowat over al de kop begint op te steken onder de naam 'reformatie'.

 

Vooral het gebruik van de aflaten als grote tegenprestatie om met een zuivere ziel te sterven, is kop van jut bij de aanhangers van de reformatie die later als protestantisme zal bekend geraken. Ik kan me wel inbeelden dat dergelijke ideeën door het machtsbastion 'kerk' van die dagen op zich zowat de grootste doodzonde moeten betekenen.

 

Luther zorgt voor een onvervalste aanslag op de financiële en morele autoriteit van de priesters en de bisschoppen en die van de hele katholieke reutemeteut. Die opruiende gedachten spoelen uiteraard ook aan in Vlaanderen. Schrijver Altmeyer geeft het aan. Met wat tolerantie en enige breeddenkendheid zou er nooit geen sprake van onlusten geweest zijn. Maar dat is 'wishful thinking'. Keizer Karel houdt een nultolerantie aan ten opzichte van deze alternatieve gedachten. De passies lopen hoog op. De keizer zit flink verveeld met die protestanten in Duitsland en besluit om alle predikers aan te pakken die het aandurven om het christelijk geloof in vraag te stellen.

 

Karel, zijn zoon Filips II en de landvoogdessen; de Margaretha's van Oostenrijk en Hongarije, voeren een beleid van ongenadige repressie tegenover de nieuwe leer. De inquisitie als voorvader van de Guantanamo-activiteiten van de Amerikaanse regering. Die inquisitie wordt vooral aangedreven vanuit het oerkatholieke Spanje en overspoelt zowat alle provincies van onze lage landen. Die tsunami van repressie en intolerantie blijft niet zonder gevolgen voor Vlaanderen.

 

De protestanten kunnen alleen maar afgestopt worden met een touw, een wiel of het vuur. Dat is de mening van de Spaanse koning Filips II. Er zijn historici die het cijfer van 100.000 menselijke brandstapels in de mond nemen. En dat dan alleen nog maar tijdens het bewind van Keizer Karel. Het gevolg van deze massale vervolgingen zien we in een stijgend aantal emigranten die Vlaanderen en de lage landen wegvluchten.

 

De nieuwe Godsgedachten zijn ook gearriveerd in Poperinge en worden er gepromoot door een monnik van de orde van de Franciscanen. Dathenus is zijn naam. De man is geboren en getogen in Poperinge, hoewel sommigen hem ook geboren zien in Ieper. Wikipedia staat nog niet ter beschikking van mijn schrijver. Waarom zou ik hem nu niet alsnog ter hulp schieten? Zijn Dathenus is een zekere Petrus Daten, Dalten of Daets en werd geboren op de Casselberg ergens rond 1531. De eigen grond wordt Dathenus in elk geval te warm onder zijn voeten. Hij vlucht in 1555 weg naar Engeland en later naar Duitsland waar hij in Frankfurt aan de Mainz aangesteld wordt als minister van de Belgen.

 

Altmeyer zit met zijn hoofd in de ontstaansjaren van het prille koninkrijk België en vergeet er natuurlijk bij te vertellen dat er op dat moment nog niet zoiets bestaat als 'Belgen'. Kolonies Vlamingen en Hollanders uit de lage landen zou een betere benaming zijn in elk geval. Dat gezegd zijnde, focus ik me opnieuw op de pennenvruchten van Jean-Jacques Altmeyer. Frankfurt groeit op enkele jaren tijd uit tot bakermat van vluchtelingen uit onze contreien.

 

Dathenus noemt zichzelf geen aanhanger van Luther. Neen. Hij doet er nog een flinke schep bovenop. Naast de Lutheraanse versie van de Godsbelijdenis, heeft er zich ondertussen een meer dogmatische leer ontwikkeld. Het Calvinisme genoemd naar zijn stichter Jan Calvijn (Jean Cauvin) keert terug naar de bijbel, naar het volk en naar God en weigert daarbij alle interpretaties van de Katholieke kerk.

 

In 1556 wordt hij aangesteld als nieuwe minister voor de Vlaamse kolonies in Frankenthal waar het de catechismus van Heidelberg in het Vlaams vertaalt. In de streek van Poperinge heeft hij in de periode voor zijn vertrek heel wat ophef veroorzaakt en het zal duren tot 22 september 1561 tot dat het stof van de agitatie enigszins zal gaan neerliggen. Een verordening van die datum probeert in elk geval de puntjes op de i te plaatsen.

 

De onlusten en de miserie veroorzaakt door de nieuwe religie, moeten absoluut ophouden. Ze betekenen een echte hinderpaal voor de Poperingenaars om in vrede met elkaar samen te leven en zijn een rem op de economische activiteiten in de stad. Het komt er een beetje op neer dat de nieuwe leer met lange tanden wordt geaccepteerd zolang ze de bestaande kerkdiensten maar niet verstoort en zolang ze maar op speciaal daartoe aangewezen plekken wordt onderwezen.

 

Ik laat de godsdienstperikelen even voor wat ze waard zijn en reis door naar 1563 wanneer een grote brand nog maar een keer grote delen van de stad Poperinge in de as legt. Niet alleen het vuur heeft zich aangewakkerd maar ook het nieuw geloof keert in alle hevigheid terug. Ondertussen wordt er al gesproken over ketterij en ketters. Godsdienstovertuiging voor de nieuwe leer heeft plaats geruimd voor godsdienstfanatisme. 'L'année 1566 fut témoin de la première fureur des iconoclastes', schrijft Altmeyer.

 

Met de term 'iconoclasten' bedoelt hij de beeldenstorm en meteen kan ik ook het woordje 'colère' zijn plek geven. Dathenus is teruggekeerd naar Poperinge. Van hieruit zal hij zorgen voor de nodige agitatie in heel Vlaanderen. Hij predikt zijn leer evenzeer in Brabant, in Zeeland en in Holland. Met zijn scherpzinnige woorden fileert hij als het ware het katholieke geloof. Hij biologeert zijn aanhoorders en ontpopt zich tot een erg populaire verschijning.

 

Het zal niet lang meer duren vooraleer er psalmen van 'Roodbaard' (zijn roepnaam) zullen gezongen worden in de tempels en tijdens de vergaderingen van de ketters. Ongelukkig genoeg weerklinken de strijdliederen ook tijdens de plundertochten doorheen de katholieke kerken. Sculpturen, prachtige tekeningen, sublieme schilderkunst, goddelijke glasramen, niets blijft gespaard. De briefwisseling met de toenmalige bevelhebber over Vlaanderen, de graaf van Egmont, brengt wat klaarheid hoe het er in 1566 aan toe gaat in Poperinge.

 

Het wegvallen van het oude geloof bij het gewone volk, brengt meteen het slechtste naar boven. De economie is totaal ontwricht door de voorbije periode van vervolgingen. De mensen lijden honger en dat feit op zich zorgt al voor de typische grimmigheid van een op komst zijnde volksopstand. 'Al die stomme heiligenbeelden', predikt een zekere Sebastiaan Matte in Steenvoorde. De zomer van 1566 staat op zijn hoogtepunt. Het is op 10 augustus dat hij zeker duizend Steenvoordenaars zo zot krijgt als een achterdeur. 'Jullie hebben honger en ondertussen houden de priesters jullie klein en onderdanig en moeten jullie naar hun pijpen dansen. Wij hebben geen kalkstenen en plaasteren beelden nodig van Jezus en Maria, maar echt brood en echt vlees.'

Het hooliganisme en de baldadigheid van dronken en verhitte gemoederen zitten verscholen in iedere geest en mandenmaker Matte brengt zijn toehoorders tot over de rand. 'Ze willen nu wel eens echt tonen hoe kwaad ze zijn'. Het lokale klooster van St.-Laurentius krijgt de twijfelachtige eer om als eerste aan de beurt te komen van een vernielingsronde zonder voorgaande. De heiligenbeelden worden als serviezen aan gruzelementen gegooid.

 

De Steenvoordenaars worden op hun beurt dan ook nog aangestuurd door mistevreden priesters die op hun beurt nog hun eigen eitjes te pellen hebben met de reguliere kerk. 'De monniken en de priesters zijn decadente profiteurs die zich wentelen in weelde en welstand en leven op de kap van de arme bevolking.'

 

De furie van Steenvoorde verspreidt zich als een lopend vuur door Vlaanderen. De leiders van het nieuwe geloof hebben ooit de meest zuivere bedoelingen gehad met een pure en zuivere beleving van hun religie. De harde repressie, honger en vooral de ongebreidelde stemmingmakerij zorgen voor een averechts effect. Een aantal sujetten (ze noemen zich geuzen) die denken garen te kunnen spinnen uit de algemene mistevredenheid, kapen hun goede bedoelingen en toveren het calvinisme om tot een ongeziene mix van hooliganisme en vernielzucht.

 

De priesters in het land proberen de plunderingen van hun kerken te vermijden. Er is weinig dat het hongerige volk nu kan afstoppen. Kunst, kelken, goud en kerkzilver worden brutaal vernield. Respect is een woord uit het ver verleden. Vier dagen later raast de storm door Poperinge. Daags voor O.L.V.hemelvaart. 14 augustus 1566. Alles begint opnieuw met weer zo'n opgefokt sermoen van Ieperling Sebastiaan Matte. Op het kerkhof, in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, worden de hoofden zot gemaakt en de milities gevormd. De lokale geuzen zullen nu snel aan hun raid beginnen.

 

De getuigen van die dagen hebben het goed genoteerd. Ik heb het dan over een zekere Jacob Pladys: 'Op den O.L.Vrouwe avond, 14 Augusti, predikte men te Poperinghe op O.L.V. kerkhof en zoohaest als de predicatie gedaen was, zoo trok eene groote bende van die geusgesinde waren, in alle de kerken van Poperinghe : sy staken alle de santen (beelden) van boven neder, braken alle de tresooren en garderoben, en namen alle de ornamenten, kleederen, boeken, ciboriën, kelken.

 

De Sacramenten vertreden sy met de voeten en al dat hun niet en diende hebben zy verbrand, en doende als dulle raesende menschen, sloegen en smeeten de priesters, verjaegden se en namen hun geld en goed. Sy en hebben niet geheel gelaeten van al waer aen sy konden geraeken in de kerken of kloosters. Als dit boos volk eenige crucifixen om verre smeeten, zoo riepen sy: Vive les gueux!'

 

Het hellevuur raast de hele week door de Westhoek. Er zit voor de beleidsmakers maar één ding op. Regentes Margaretha van Parma zit op de troon en probeert toegevingen te doen en zo de gemoederen te milderen. 'Een goed begin zou een algemene gewetensvrijheid zijn', dat is de boodschap die ze in Brussel krijgt van een delegatie calvinisten uit Poperinge, Ieper, Mesen, Belle, Cassel en Nieuwkerke. Er wordt heel wat over en weer gepalaverd. Uiteindelijk komen de echte instructies pas één jaar later uit Spanje.

 

Het Spaanse hof beslist in augustus 1567 dat de revolutionaire beweging met geweld moet gebroken worden. Overleg is niet langer nodig. In de plaats hiervan krijgen we de chaperonnage van een zekere hertog Alva die de 22ste augustus arriveert in Brussel. Op 9 september wordt onze graaf van Egmont opgepakt op verdenking van verraad. Hij zal niet de enige zijn. Op 20 september wordt de 'Raad van Beroerten' opgericht, die al wie schuld heeft aan de beeldenstorm zal berechten. Meer dan duizend mensen zullen op korte termijn op de slachtbank arriveren. Het aantal van 10.000 verbanningen wordt overschreden.

 

Altmeyer buigt zich over een pak originele geschriften en akten om op zijn beurt dan in het Poperinge van 1580 te belanden. De storm van de repressie is nog niet gaan liggen. De herbergiers worden verplicht om voortaan alle namen van hun gasten aan het stadsbestuur door te spelen. De Poperingenaars mogen geen vreemden meer te slapen leggen.

 

De zuidelijke provincies van de landen bij de Noordzee bevestigen de unie die ze in 1579 aangegaan zijn met die van Holland en Zeeland en hopen zo uit de bloedige greep van de Spanjaarden te blijven. Samen zullen ze de Nederlanden vormen. De hertog van Parma, zeg maar Alexander Farnese, steekt daar een stokje voor. Eerst wordt Wallonië met geweld tot gehoorzaamheid gedwongen en wat later volgen Brabant en Vlaanderen. De Nederlanden vallen nu volledig onder Spaans landbestuur. De situatie in Brabant en Vlaanderen kan ondertussen best schrijnend genoemd worden. De meeste steden zijn zo goed als ontvolkt. De doodongelukkige inwoners werden er verjaagd door de rampspoed van de oorlog, door de horror van de honger en door de ravages die de pest overal heeft aangericht. Ze hebben een zieltogend Vlaanderen achtergelaten voor wat het waard was.

 

Van de steden die vroeger tussen de 2000 en 3000 huizen telden, is er alleen woestenij en wildernis overgebleven. Een archiefstuk uit die tijd brengt de situatie in Poperinge in kaart. Wie er nog woont, is nu erg onderdanig geworden. De stad heeft zich neergelegd bij de Spaanse dictatuur en buigt het hoofd voor de abt van Sint-Bertinus. De schade van de onlusten wordt becijferd op een bedrag van minstens 25.000 florijnen en het is niet duidelijk hoe die schuld ooit zal kunnen worden vereffend.

 

Kerken, hospitaal, school, de lakenhalle, het stadhuis, de weeginrichtingen, de overdrachten op het water, de gevangenissen en de instellingen moesten allemaal dringend hersteld worden. Na het uitbreken van de rellen is er door toedoen van graaf Egmont een zware reactie gekomen vanuit Ieper. Het garnizoen uit die stad heeft er bij zijn ingreep brand en vernielingen aangericht die nu, 10 jaar na datum, nog altijd zichtbaar zijn.

 

De stad telde voor de dramatische gebeurtenissen nog zowat 17.000 inwoners. Als er nu nog 400 hoofden te tellen zijn, zal het al een succes zijn. Het is simpelweg uitgesloten dat die kleine groep capabel zal zijn om in te staan voor de vergoeding van al die kosten. De schulden zijn niet te overzien. Wie op de vlucht is, was daarvoor verplicht om zijn schaarse huisraad te verkopen. Tot overmaat van ramp leven de overgebleven Poperingenaars in een toestand van voortdurende terreur. Frans crapuul valt de stad om de haverklap binnen en zorgt voor verschrikkelijke plunderingen en brandschattingen.

 

Het document is een ellenlange klaagzang. Een ingewikkelde en erg uitgebreide smeekbede, amper leesbaar door zijn complexiteit. De boodschap is echter duidelijk: de mensen smeken om begrip en compassie. De arme inwoners kunnen hun schulden niet vereffenen en vragen om uitstel van betaling. De lokale magistraat doet er alles aan om de lokale industrie weer op de been te brengen. Op 23 november van 1586 heft hij een speciale taks op de paarden, de koeien en de verkoop van meubelen en gronden zodat de waterwegen naar Poperinge weer bereikbaar kunnen gesteld worden.

 

De christelijke cultus heeft weer zijn vaste voet aan de grond gekregen in Poperinge, net zoals in de rest van Vlaanderen. De ongelovigheid heeft diepe sporen nagelaten bij de inwoners. 'Geef ons dan toch maar de gewone kerk!' De overheid trekt de kar. Einde juni van 1590 verschijnt er een verordening dat alle arbeiders en handelaars op zon- en feestdagen verwacht worden in de kerk en dat de kinderen opnieuw naar de catechismuslessen moeten worden gestuurd. Het bevelschrift wordt uitgegeven in naam van de koning en van de wet.

 

Ons land wordt in de 17de eeuw ongevraagd slachtoffer van de ambities van Lodewijk de veertiende. De prins van Oranje, aanvoerder van de Hollanders en de Spanjaarden, leidt in 1677 een zware nederlaag in Cassel. Hij mag die toeschrijven aan de laksheid van zijn eigen soldaten. De dappere Nassau is woedend op zijn mannen en trekt zich terug naar Poperinge waar hij zijn colère koelt op de eigen miserabele manschappen. Achteraf verhuist hij naar Charleroi terwijl het Franse leger zich overal over het Vlaamse land verspreidt.

 

De Fransen gedragen zich met een zelden geziene brutaliteit en onbeschaamdheid tegenover de Vlaamse mensen. Nog tijdens datzelfde overgangsjaar breekt er in Poperinge een gewelddadige opstand uit tegen het lokale Franse garnizoen. Tijdens een reeks gevechten met enkele lokale boeren worden zes Franse soldaten om het leven gebracht. De Franse gouverneur die resideert in Kortrijk dreigt er op zijn beurt mee om de stad in vuur en bloed om te toveren als Poperinge niet met een dwangbetaling op de proppen komt.

 

Op 17 september 1678 wordt Poperinge officieel ingelijfd in Frankrijk. Het verdrag van Nijmegen. De toestand ter plekke blijft zorgelijk. Een brief aan het landsbestuur uit die dagen, schetst de schrijnende situatie. In vroegere tijden draaide Poperinge rond de lakennijverheid. Meer dan 100 meesters met hun eigen staf van arbeiders, vijf of zes naar gelang het huis, zorgden voor een geweldige economische activiteit. Het kanaal zorgde voor de komst van zeker 20 koopvaartschepen per week. Handelaars uit Holland, Brugge, St.-Omer, Oostende, Nieuwpoort, Sint-Winoksbergen, Duinkerke en nog andere steden uit de lage landen.

 

In 1678 zien de inwoners nog maximum twee schepen per jaar. Zes opeenvolgende branden hebben tot overmaat van ramp zowat 400 woningen in de as gelegd. De legerkampen, gevuld met vreemde snuiters van soldaten, geven het geheel nu een onheilspellende en onwezenlijke sfeer. Wat een verschrikkelijk contrast toch met het leven en de volkse animositeit van de vroegere gloriedagen! Het is niet moeilijk om te begrijpen dat mensen die gezond zijn van lijf en leden en nog iets van hun leven willen maken er voor zorgen dat ze weg zijn uit dit zielloze oord. Liefst geen branden meer en vooral geen gevaarlijke confrontaties met Franse huurlingen. De Poperingenaars pakken hun biezen richting andere Vlaamse steden. In geen enkele van de kasselrijen van Vlaanderen blijven er zoveel arme sukkelaars over als in Poperinge.

 

Er staan nu al dertig huizen leeg en nog altijd is er sprake van dat er dagelijks volk wegtrekt uit Poperinge. Arbeiders en burgers gaan op zoek naar betere plekken om hun dagen te slijten. En eigenlijk is de situatie een beetje zo in de hele Westhoek. Sinds de slag van Sint-Omer in 1638 is er sprake van een massaal vertrek van inwoners in de steden van Duinkerke, Veurne, Ariën, Diksmuide, Grevelingen, Sint-Winoksbergen, Armentières, Ieper en Rijsel.

 

Voor de overblijvenden wordt het leven daardoor nog een pak moeilijker om dragen. Ze moeten er nu met veel minder voor zorgen dat de financiële engagementen ingevuld worden. De toen al onbetaalbare belastingen blijven zoals voorheen verschuldigd en moeten nu opgehoest worden door wie overgebleven is in de steden van het Westland. Het gaat om enorme sommen. Om en bij de 50.000 florijnen aan intresten. Ook de landbouw staat op een laag pitje. De gronden worden amper nog bewerkt en liggen er daardoor onvruchtbaar bij. In Poperinge is er sprake van meer dan 1000 gemeten braakliggende gronden. Omgerekend ongeveer 450 hectare.

 

Bij de buursteden komt er stilaan weer wat activiteit los bij foren en markten. De markt van Poperinge is er ook nog gebleven, maar oogt zo zwak en zo ondermaats waardoor de buitenstaanders er helemaal weg blijven. Altmeyer vliegt verder door de geschiedenis. Met de vrede van Rijswijk van 20 september 1697 wordt Poperinge plots Spaans grondgebied. En nu de schrijver er op denkt, is hij iets vergeten te melden. Aartshertogin Isabella, de landvoogdes van de zuidelijke Nederlanden is op bezoek gekomen in de stad Poperinge. Ze wordt bij deze gelegenheid begeleid door de bekende historicus Jean-Baptiste Gramaye. De inwoners hebben geprobeerd om hun stad wat op te fleuren. Ze hebben zich uitgedost en gaan in vol ornaat en vol nieuwsgierigheid kijken naar de doortocht van de prinses. Men zou haast zweren dat deze stad er een van de eerste orde is.

 

De muziek van de beiaard en de klokken van Poperinge zijn ravissant, zal Gramaye later neerpennen over zijn bezoek. Een heerlijke harmonie van het mooiste klokkenspel. En dat mag best eens gezegd worden. De klokken van Sint-Bertinus in Poperinge behoren tot de top in Vlaanderen. De beiaard en zijn klokken zijn er in 1541 gekomen onder impuls van Christian Peereboom. Altmeyer vindt nog bewijsstukken van de komst van deze grandioze beiaardier: 'Als heden ten voorsschreven daeghen, so was Christiaen Peereboom anghenomen by wetten ende raedt omme van nu voortaen 't oorlogien te stellen ende te luuden de werckclock naer costumen ende ordonnantien, metsgaders 't wingeroen, wetschellen en al datter naer oude costumen geluudt behoort te zynen, verlaeten van nu voort den voortgaenden oorlogienstender ende werckclockluuder met datter toedient ….hebbende 's jaers voor syn dienste, totten wederroupen van wetten ende raden, ende gagien, de somme van vier-en-veertich ponden parisis, commende 't elken quartieren, XI ponden parisis.'

 

Tijdens de onlusten van het jaar 1677 worden de klokken vernield. Het zal tot 1781 aanslepen vooraleer de stadsmagistraat 300 Parijse ponden zal vrijmaken om die te herstellen. Op dat moment zal er sprake zijn van een lichte heropleving van de textielactiviteiten. De schrijver heeft zijn werk over de geschiedenis van Poperinge er bijna opzitten. Vooraleer af te sluiten wil hij zich nog even focussen op enkele fameuze Poperingenaars die de revue gepasseerd zijn.

 

Peter Daten, zeg maar Pierre Dathenus heeft hij al gehad. Maar wie kent er nog André-Eloy de Backer nog? Die heeft trouwens ook al een specifieke artiestennaam, Bacherius. Hij wordt geboren te Poperinge in het jaar 1520. Gaat later studeren in het Franse Bourges en schopt het in 1560 tot kanselier van Frankrijk. Met zijn leerstoel aan de universiteit, blijft hij bekend met zijn oeuvre van 209 thesissen en proefschriften over de wetgeving van die tijd.

 

Jacques May zal wel geen familie zijn van mijn favoriete jeugdschrijver Karl May. Hij is wel een illustere Poperingenaar die voor de insiders luistert naar de naam van Jacobus Majus. Een elegant poëet, schrijver van vooral twee rijmkronieken. Een ervan staat gedagtekend te Diksmuide op 12 juli 1563.

 

Lodewijk Makeblyde werd geboren op 27 januari 1564. Hij was rector van het jezuïetencollege te Sint-Winoksbergen en te Ieper en naar verluidt een schoolvoorbeeld van iemand die zich gedraagt naar de gedachten van het evangelie. Hij wordt geflankeerd door Petrus Oudegherst, een opmerkelijk historicus. Oudegherst werd wel geboren in Rijsel maar stamt af van een Poperingse familie.

 

Jean-Jacques Altmeyer sluit zijn werkje af met Maximiliaan de Vriendt. Geboren in Zandenburg op het eiland van Veere in Zeeland op 1 februari van 1559. Hij hehoorde tot de intieme vriendenkring van de erg bekende dichter Justus Lipsius en was zelf stadssecretaris van Gent waar hij in 1614 overleed. Hij schreef tijdens zijn leven een lofdicht over Poperinge, meteen een schone afronder van de ‘Notices Historiques sur La Ville de Poperinghe’ van historicus Jean-Jacues Altmeyer!

 

Non Formosa pales, non hospitoe in urbe napeoe,

non agiles radii, Paladiique coli

Non celebres baioe (quoe dos tua propria) tantis

Nominibus celebren te, Poperinga, vehunt:

Quantum larga manus, piëtasque insignis avorum,

in superos templis testificata sacris.

Omnia de nobis proedantur fata: Tonanti

Quas damus, has solas semper habemus opes. druk