P1489100

'Nieuwpoort mag van geluk spreken'. Ik laat René Dumon aan het woord in zijn boeiend geschreven geschiedenis van Nieuwpoort. De schrijver brengt me terug naar de junimaand van 1383. Een Engels leger is ontscheept in de Westhoek. De stad Nieuwpoort neemt geen risico en geeft zich prompt over aan de troepen van bevelhebber Spencer.

 

Veel heeft te maken met de goede verstandhouding die er bestaat tussen de havenstad met handelspartners van aan de andere kant van het water. De Ram, een lokale zoutzieder, zorgt er als leider van een pro-Engelse fractie voor dat de Engelsen vrije toegang krijgen tot Nieuwpoort en de stad zonder geweld innemen.

 

Ik heb het al uitvoerig gehad over het beleg van Ieper dat zich tijdens de zomer van 1383 ontvouwt in het hartje van de Westhoek. Over de hulp die duizenden Gentenaars bieden aan hun Engelse kompanen bijvoorbeeld. De lokale situatie in Ieper. Deze gebeurtenissen zijn allemaal en één voor één de revue van mijn kronieken gepasseerd. In zijn geschiedenis van Nieuwpoort komt René Dumon af met getuigenissen vanuit zijn stad. Ik ben best gretig om die aan mijn kronieken van de Westhoek toe te voegen.

 

De problemen zijn er natuurlijk vanzelf gekomen. Ik keer enkele jaren terug in het verleden. De geschiedenis van Nieuwpoort toont aan dat de emmer van de staatslasten al in 1379 aan het overlopen is. De mensen hebben er genoeg van. Altijd maar afdokken om de oorlogen van graaf Lodewijk van Male te bekostigen en om hem dan nog in staat te stellen om zich aan allerhande 'wulpsheden en sinnelickheden' over te leveren.

 

Op vele plekken wordt er geweigerd om te betalen. In Gent breekt er een grootschalige rebellie uit die zich snel uitbreidt doorheen een groot deel van Vlaanderen. Het hangt natuurlijk een beetje af van de plaatselijke situaties in de talrijke steden en op het platteland, maar algemeen kan gezegd worden dat de opstandelingen op flink wat aanhangers mogen rekenen. Alleen zijn ze niet overal even sterk om zich te laten gelden.

 

Ieper staat op tegen de graaf. Veurne en het Westland blijven aan zijn zijde staan. Op 1 oktober 1380 komt er in Veurne een bevelschrift binnen met de dringende opdracht om 700 mannen naar Oudenaarde te sturen om van daar uit deel te nemen aan het beleg van Gent. Diezelfde vraag zal ongetwijfeld ook gericht geweest zijn aan Nieuwpoort. Dat beleg in 1380 is trouwens geen succes en de Westhoekers komen onverrichter zake terug. In 1381 volgt een identieke mobilisatie die opnieuw op een sisser uitdraait. De stad Gent blijkt niet in te nemen.

 

1382 wordt een scharnierjaar. In plaats van zich over te geven, trekken de Gentenaars verrassend naar Brugge waar ze een groot leger van de graaf over hun knie leggen. De graaf kan zich met moeite redden en vlucht noodgedwongen naar Rijsel. Voortaan spannen die van Brugge samen met de Gentenaars. Dat heeft zo zijn effecten op de weifelende plattelandsbevolking van West-Vlaanderen. Ze overhandigen hun respectieve stadssleutels aan Filips van Artevelde, de leider van het Gents verzet tegen de graaf.

 

Alleen Oudenaarde en Dendermonde doen daar niet aan mee en dat heeft alles te zien met het feit dat beide steden bezet gehouden worden door de grafelijke troepen. De stadspapieren van Nieuwpoort kunnen het niet echt bewijzen, maar het lijdt geen twijfel dat ook Nieuwpoort zich heeft aangesloten bij het kamp van die van Gent. Voor de tweede keer dus komt Nieuwpoort openlijk in opstand tegen zijn wettelijke vorst.

 

Op 27 november 1382 keren de kansen. De Vlamingen krijgen er van langs in Westrozebeke en graaf Lodewijk neemt de macht weer in handen. Met dank aan de Fransen en vooral aan zijn schoonzoon Filips de Stoute. Alleen Gent blijft standhouden. Engeland gaat onverstoorbaar verder met het steunen van de rebelse stad. Hier liggen uiteraard de kiemen van de zware aanval die Engelse troepen zullen laten ontbranden in de Westhoek.

 

Frankrijk en Engeland hebben recent een wapenstilstand afgesloten en dat betekent dat de Engelsen zich onmogelijk kunnen keren tegen het regime van Lodewijk van Male, want hoe je het ook bekijkt: Vlaanderen is een leengebied van Frankrijk en de reeks van graven van Vlaanderen regeren over het gewest dank zij de goodwill van de Franse koningen.

 

Er komt een andere alibi op de proppen om oorlog te voeren. De Godsdienst! Paus Urbanus VI ondertekent in Rome een bulle die Engeland oproept om deel te nemen aan een kruistocht tegen de Fransen die hun steun hebben toegezegd aan een alternatieve paus. Die van Avignon. De Fransen hebben de pauselijke staten aangevallen en moeten van antwoord gediend worden door het Engelse volk. De Engelsen – Urbanisten tot de laatste man – krijgen de bisschop van Norwich als commandant.

 

Henri Spencer is een gewezen krijgsman. Hij ontscheept op 3 april 1383 in Kales en beslist om eerst naar Vlaanderen op te rukken. Grevelingen valt als eerste in Engelse handen en de vijand stormt verder richting Mardijk en Duinkerke. De grafelijke troepen houden zich op ter hoogte van Sint-Winoksbergen. Lodewijk van Male roept de manschappen van Veurne, Diksmuide en Nieuwpoort onmiddellijk op om de Engelsen de weg naar Duinkerke te versperren.

 

Diplomatiek overleg levert niets op. Wat hebben de Vlamingen nu te zien met die keuze van pausen? Hier is iedereen sowieso onderhorig aan de paus van Rome zoals de Engelsen dat wensen. Maar al dat lievemoederen helpt niet. De Vlamingen wonen op het grondgebied van Frankrijk en moeten zodus behandeld worden zoals alle ander Fransen.

 

De Nieuwpoortnaars, samen met die van Diksmuide en Veurne-Ambacht, worden geleid door Jan Sporkin van Veurne en ontmoeten de Engelse troepen in de duinen aan de oostkant van Duinkerke. De Engelsen sturen een wapenheraut naar Sporkin om hem te vragen of ze bereid zijn te vechten voor de paus van Rome (en dus mee te stappen met hun leger). De ruiter wordt echter brutaal van zijn paard gesleurd en gedood. Dom natuurlijk, want de revanche laat niet op zich wachten.

 

De woede van de Engelsen kent geen grenzen. Ze storten zich met vreselijk geweld op de verschrikte troepen van het Westland. Ze worden hierbij geleid door de Gentenaar Rasse Van de Voorde. De Nieuwpoortnaars en hun bondgenoten trekken zich vechtend achteruit tot in de straten van Duinkerke. Maar de havenstad valt onvermijdelijk in de handen van de vijand. 9000 Vlamingen sneuvelen. Wie overleeft, vlucht naar huis om er de rampzalige tijding te verspreiden. 25 mei 1383 betekent een hallucinante ongeluksdag voor de mensen van Nieuwpoort schrijft René Dumon.

 

De meeste steden geven zich nu direct over bij de nadering van de Engelsen. Toch worden er overal gewelddaden gepleegd. Veurne krijgt het zwaar te verduren. Een voor een worden de Westhoeksteden ingepalmd door de vijand. Bergen, Cassel, Broekburg, Veurne, Belle, Mesen , Poperinge vallen in de macht van de Engelsen. Nieuwpoort biedt evenmin weerstand. Heel het kustgebied tot aan Blankenberge volgt dit voorbeeld.

 

De rest is bekend. Het beleg van Ieper blijkt na een maandenlange status quo een dikke flop voor de Engelsen en hun kwaadaardige bisschop. De belegeraars trekken zich op 12 augustus terug uit vrees voor de komst van een machtig Frans leger. De Engelsen zitten al op hun tandvlees en vinden het veiliger om zich tijdig uit de voeten te maken. In de Westhoek verspreidt het gerucht van de terugtrekking zich als een lopend vuur. En dat leidt tot nogal wat wilde gissingen. Van paniek en wanorde na een zogezegde zware nederlaag is er echter geen sprake. En al evenmin de verhalen van eventuele zegevierende Fransen.

 

Die zijn in geen mijlen te bekennen aan de oostkant van Ieper. Neen. De terugtocht van het Engelse leger gebeurt ordelijk en georganiseerd. Al die verkeerde veronderstellingen dwarrelen ook van mond tot mond in Nieuwpoort. 'De Engelsen krijgen er van langs, de sukkelaars, ze moeten het maar weten'. De menselijke roddelmachines draaien op volle toeren. De ambachtslieden en de Nieuwpoortnaars die aan de kant van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male staan, profiteren van de situatie om zich te roeren en zich te distantiëren van de Engelsgezinden in de kuststad. Tot groot ongenoegen uiteraard van De Ram en zijn Engelsgezinde aanhangers.

 

Dumon nuanceert hun houding. Bij de terugkeer van de graaf, zal Nieuwpoort zonder meer gestraft en beboet geworden zijn omdat ze hun stad zomaar in handen hebben gegeven van de vijand. Door zich alsnog te mengen in de afrekening tegen de Engelsen, kunnen ze hun blazoen misschien alsnog opblinken. Zo kunnen nieuwe straffen misschien vermeden worden. Trouwens, welk risico nemen ze nu nog, vragen ze zich af, de Engelsen zijn in de grootste wanorde op de vlucht. Ze zullen geen moeite hebben om korte metten te maken met hen.

 

Er worden mannen uitgestuurd in de richting van het Brugse Vrije, naar de streek van Gistel en Mannekensvere waar enkele lokale boeren zich bij hen aansluiten. Hier en daar worden ze geconfronteerd met kleine groepjes Engelsen en Gentenaars die op zoek zijn gegaan naar voedsel. Die laatsten zijn geen partij voor de Nieuwpoortnaars. Er vallen doden en gewonden en de vijand moet in het stof bijten. Enkele Engelsen slagen er in om te ontkomen en brengen bij hun oversten verslag uit van de vijandelijke acties van die van Nieuwpoort.

 

De gevolgen blijven niet uit. Uit het Anglo-Engelse legers splitst een omvangrijke divisie zich af om wraak te nemen op Nieuwpoort die onverwacht hun vertrouwen heeft geschonden. De inwoners zien de bui al hangen en slaan op de vlucht. De overmoedige agressie van hun mannen was dom en nu zullen ze die stupiditeit contant betalen. Enkele notoire Engelsgezinde Nieuwpoortnaar riskeren het om achter te blijven in de veronderstelling dat ze zullen gespaard worden door hun vrienden.

 

De 'Jaerboeken van Veurne' getuigen hoe verkeerd ze het voor hadden! ''d' Engelschen ende de Gentenaers trocken naer Nieupoort, namen die andermael in ende sloegen al de menschen doodt die sij aldaer vonden. Sij plunderden daer naer de stadt, roofden de kercke, ende trocken met hunnen buyt eensdeels te schepe naer Engelant ende eensdeels met wagens naer Bergen. Ende willende teeckenen van hunnen grammen moedt laten, staecken ze, eer dat sij van daer vertrocken, stadt ende kercke in brant. Niet een huys en bleef er over.'

 

Ik moet even slikken als ik deze getuigenis overneem. De Ieperlingen zijn door het oog van de naald gekropen als ik dat allemaal lees. Het lot dat Nieuwpoort onderging in de eerste week van september van 1383, was ongetwijfeld ook voor Ieper voorbehouden. Het ergste gebeurde op 6 september, vertelt René Dumon, hij roept me bij de les. In Nieuwpoort is het allemaal te doen.

 

Nieuwpoort aan zee wordt geplunderd en geruïneerd. De buit verhuist deels naar Engeland en naar Sint-Winoksbergen wat door de schrijver enigszins schattig als Bergen omschreven wordt. In onze hedendaagse tijden spreken we van Bergues. Over die buit is weinig geweten. Het zullen wel voor een deel klokken, openbare weegschalen, kostbare deuren, behangsels en alle soorten van goud- en zilverwerk geweest zijn. Het beste van wat er te stelen viel in de kerken en de huizen van de stad.

 

Dumon focust zich verder op de inhoud van de buit. Die moet buitengewoon zijn. Volle scheepsladingen met gestolen tuig verhuizen rechtstreeks naar Engeland. Er worden daar speciale maatregelen getroffen om er voor te zorgen dat niets van de goederen zou blijven hangen in Bergen. Veel van de stukken bevinden zich nog altijd daar, beweert hij.

 

Ik kan zijn interesse voor Engeland begrijpen. De man leeft op Engelse bodem wanneer hij zijn boek over Nieuwpoort neerpent. Zijn 'Geschiedenis van Nieuwpoort' is gewoonweg een schitterend boek waar ik een ongelooflijke bewondering voor koester. Dumon werd er in 1891 geboren als zoon van een lokale kolenhandelaar en moest tijdens de eerste wereldoorlog noodgedwongen uitwijken naar Engeland waar hij het achteraf schopt tot Belgische consul in Newcastle. Vanuit zijn overzees leven zal hij nooit zijn heimat vergeten. Tussen 1931 en 1971 werkt hij aan zijn meesterwerk dat dus verschijnt op het moment dat hijzelf 80 jaar is. Zes jaar voor zijn dood. Wat ze in Veurne schrijven over de totale vernietiging van hun buurstad, is wel wat overdreven. Ik laat René postuum weer aan het woord. De Onze-Lieve-Vrouwkerk is prooi van de vlammen geworden. Maar de Sint-Lauwereinskerk blijft wel overeind en zal kort daarna trouwens omgevormd worden tot een soort van versterkt kasteel zoals een archiefstuk van 5 april 1542 verraadt.

 

'..leglise de nostre dicte ville de Neufport estoit assise et situee en la place et au lieu ou est et siet nostre chastel dudit Neufport pour le present, et l'appelloit on lors leglise Sint Laurent; laquelle eglise, a la requeste de nos predecesseurs de bonne memoire, contes sw Flandres, ceux de nostre ville ottroyerent pour en faire une belle forteresse et chastel qui y est de present.'

 

De Engelsgezinde De Ram moet ook wel op enige compassie hebben kunnen rekenen van de vijand. Zijn zoutkeet 'bleef staande na den brande'. Veel zal hij trouwens niet meer hebben aan zijn part van de zaak. Omdat hij 'ghetrect had mitten ingelschen' wordt zijn deel achteraf verbeurd verklaard. Ook de gevangenis blijft overeind tijdens de vernielingstocht. De tolrekeningen van 1383-1384 geven aan dat er achteraf werk van gemaakt wordt om 'eener clocke in de vanghenisse' te hangen.

 

Ook de Halle zal blijven staan zijn. De stadsrekeningen tussen 1389 en 1392 hebben het over feiten zoals, 'van datter een wiele staet op de halle' en van de 'scepene clocke' die terug wordt gehangen. De toestand ervan zal wel bedenkelijk zijn, de hal blijft wel functioneren zoals tevoren, maar de bestuurders van de stad zullen zich vermoedelijk moeten tevreden stellen met een eerder bescheiden 'scepenhuys'.

 

De hertog van Bourgondië komt op bezoek in 1392 en hij wordt tijdens zijn officieel bezoek plechtig ontvangen in de Nieuwpoortse halle. De stadsrekeningen spreken van een uitgave om 'taflen te haelen op de halle en weder 't huys te draegen als geduchte heer hier laetst was'. Het schepenhuis lijkt niet langer geschikt om er een banket te organiseren. Er wordt dus besloten om te tafelen in de halle zelf.

 

De Fransen en de Engelsen sluiten op 26 januari 1384 een wapenstilstand en dat valt niet in goede aarde bij Lodewijk van Male. Hij is er fel tegen gekant, maar er wordt niet langer naar hem geluisterd. Hij trekt zich gedesillusioneerd terug in de Sint-Bertinusabdij van St.-Omer waar hij 4 dagen later overlijdt. René Dumon stelt zich eigenaardig genoeg geen vragen bij zijn dood.

 

Vlak voor zijn dood heeft hij nog bekend dat veel van de rampen die Vlaanderen de voorbije jaren hebben overspoeld eigenlijk zijn eigen schuld waren. Zijn schoonzoon die hem zal opvolgen (Filips de Stoute) moet het beter doen en zal er een vette kluif aan hebben om al het onrecht dat het Vlaamse volk te beurt viel, te herstellen.

 

Lodewijk van Male was de laatst regerende graaf over Vlaanderen. Voortaan zal het gewest geregeerd worden door de hertogen van Bourgondië. De Vlaamse steden zijn er als de kippen bij om hun trouw aan Filips te bezweren. Alles heeft natuurlijk te maken met hun vraag of ze hun vroegere voorrechten en vrijheden kunnen recupereren.

 

Aan die wens wordt niet zomaar gevolg gegeven. De nieuwe heeft zijn tijd nodig om een standpunt in te nemen. Bovendien zit hij nog opgescheept met de Gentse weigering om zich aan hem te onderwerpen. Dat laatste gebeurt uiteindelijk te Doornik op 18 december 1385. Gelukkig wacht Filips de Stoute niet zo lang om de vrijheden terug te schenken aan de berouwvolle Vlaamse steden. Dat is al eerder gebeurd in mei van 1384.

 

Daarmee is de vrede in Vlaanderen zeker nog geen feit. Een nieuwe oorlog kondigt zich al aan. Kort na de overgave van Gent verklaren Filips de Stoute en de Franse koning de oorlog aan Engeland. De opbouw van een machtige vloot in de haven van Sluis is het eerste wapenfeit van die nieuwe escalatie. Er is sprake van de inzet van Franse troepen. De aankondiging van deze nieuwe confrontatie wordt in Nieuwpoort op gemengde gevoelens onthaald. Is er nog niet genoeg ellende geweest? Het conflict zal de handel met de Engelsen blokkeren en de visserij belemmeren.

 

Er zijn ook positieve kanten aan de oorlog. De plaatselijke scheepswerven zullen weer volop werk krijgen om bestellingen van nieuwe oorlogsschepen af te werken. Er wachten drukke tijden voor de scheepsbouwers en hun onderaannemers. Van alle kanten sijpelen er trouwens Franse troepen binnen. Heel het Vlaamse kustgebied krijgt er mee te maken. De beleidsvoerders sporen hun inwoners aan om de Fransen goed te ontvangen. Dat mag niet beletten dat de vreemdelingen zich overgeven aan excessen tegenover de lokale bevolking. Ze drijven het zo ver dat ze door de Bruggelingen buiten gegooid worden.

 

De drukte aan de scheepsbouw houdt maar een relatief korte tijd aan. De oorlogssituatie dreigt zich nu volledig tegen Nieuwpoort te keren. De betrekkingen met Engeland blijven geschorst. Op zee is het een ramp voor de vissers. Veel te onveilig. En de Franse vloot aarzelt het hele jaar 1386 om uit te varen richting Engeland. Een kat-en-muisspel heeft er niets aan.

 

In de lente van 1387 krijgen de kusten regelmatig onverwachte bezoeken van Engelse oorlogsbodems die komen koekeloeren wat er aan de hand is in Vlaanderen. De Engelsen zijn op de hoogte van de verscheping van een Franse vloot in La Rochelle richting Sluis. De schepen zijn vol gestouwd met wijn en proviand voor de uitgehongerde troepen daar in Sluis. Erg riant moet de toestand in Vlaanderen dus allesbehalve zijn.

 

De Franse vloot staat onder leiding van een Vlaming. Jan Buyck. Tussen Duinkerke en Nieuwpoort worden zijn schepen onderschept door de Engels oorlogsschepen en volgt er een gevecht op open zee. De aanval van de Engelsen is niet meteen een succes en het grootste deel van de Franse vloot vervolgt zijn weg in de nachtelijke duisternis. Jan Buyck beslist om verder te varen richting Sluis, maar dat wordt hem noodlottig. Niet ver van Blankenberge volgt er een nieuwe Engelse charge.

 

Een van de Engelse schepen wordt geleid door de Gentenaar Pieter Van den Bossche en het is precies dat schip dat er in slaagt om het vaartuig van Buyck te enteren en te overmeesteren. De slag tussen de Engelsen en de Fransen eindigt met een catastrofe voor de Fransen. Wat over blijft aan Franse schepen, wordt naar de Engelse kusten overgebracht. Jan Buyck zelf sterft in een Engelse gevangenis. En de manschappen in Sluis blijven letterlijk en figuurlijk op hun honger zitten. Hier en daar ontschepen de Engelsen aan de Vlaamse kusten. Er is geen sprake van een aanval. Er volgen verkenningstochten. Wel is er sprake van de plundering van Koksijde en van Aardenburg. Nieuwpoort wordt met rust gelaten. Misschien heeft dat iets te maken met de nieuwe versterkingen die Filips de Stoute er heeft laten aanbrengen. Dat was ook het geval voor Nieuwpoort, Diksmuide, Bergen en Broekburg.

 

De nieuwe stadsmuren overtreffen de verwachtingen van de Nieuwpoortnaars. Er wordt trouwens een nieuwe burg aangekondigd. De oude burcht tussen de Potterstraat en de De Roolaan ligt er zwaar gehavend bij na de stadsbrand van 1383. Het aanwenden van de bestaande Sint-Lauwereinskerk en dat gebouw te verbouwen tot een kasteel lijkt de beste optie. Vooral met de wetenschap dat deze toren zowat de hoogste is in de streek. De verbouwingen worden aangevat in 1386 en zijn klaar in het voorjaar van 1387.

 

Daarmee is de kous niet af. De hele gordel rond de stad wordt aangepakt. Een decreet uit juli 1387 heeft het over werken 'entour le chastiel' en over de bouw van een volledige vestingsgordel. Met bakstenen stadsmuren, hier en daar onderbroken door talrijke puntige stenen torens. Er komen schuilplaatsen met walgewelven en er worden drie stenen stadspoorten gepland. Aan de buitenzijde van de vestingen zullen de grachten verbreed worden tot zowat 42 meter. Bepaald indrukwekkend en ook de diepte van de gracht staat in evenredigheid met de rest. Het water komt van de zee dat via een systeem van sluizen zal worden aan- of afgevoerd.

 

De vestingswerken maken van Nieuwpoort een van de machtigste forten van Vlaanderen. Tot tevredenheid van de bevolking. De keerzijde, het financieel plaatje, moeten de mensen er wel bij nemen. Allemaal geen evidentie, de wonden van de ravage van 1383 zijn nog niet geheeld en er moet nog een nieuwe kerk gebouwd worden. De nieuwe lasten maken het er allemaal niet gemakkelijker op.

Met de nieuwe beschermende gordel is de interne ruimte flink verkleind. Heel het Westkwartier werd prijsgegeven. Het grootste deel van dit kwartier wordt ingenomen door de nieuwe stadswallen en door de brede grachten. Van de ooit dichtbevolkte wijk blijft amper nog iets over. Ook aan de oostelijke zijde van de stad wordt er grond prijsgegeven. De binnenstad strekt nu nog tot aan het Sinte-Lauwereinskasteel.

 

De werken duren vermoedelijk een kleine 10 jaar. In 1392 komt hertog Filips de Stoute poolshoogte nemen van de stand van zaken. Het stadsbestuur heeft de timing ervan wat uitgesteld en dat is niet echt naar zijn zin. Het bestuur heeft dit op eigen houtje beslist en krijgt een standje. De Nieuwpoortnaars excuseren zich en vragen hem nu officieel of hij met deze vertraging kan instemmen. Het antwoord volgt op 15 april vanuit Bonen (Boulogne). Hun verzoek wordt gunstig beoordeeld omdat de stedelingen 'soyent tres bien et deligemment fait des reparation, fortification et garde dicelle noste ville et que iceulx soient et demeurent sans le muer en aucune manière.'

 

Zo breekt de 15de eeuw aan. De vestingen zijn vermoedelijk af rond 1402. Nieuwpoort kan er nu prat op gaan dat ze een modelvesting is aan de Vlaamse kust. De stad biedt een prachtig uitzicht. Filips de Stoute staat nog altijd aan het roer, Nieuwpoort zelf wordt beheerd door ridder Lanceloot de Lissche. De tweespalt in de kerk tussen de Urbanisten en de Clementijnen is nog altijd niet van de baan. Zo veel zal er dus op 20 jaar niet veranderd zijn.

 

René Dumon focust zich op de toestand van zijn stad daar aan het begin van de nieuwe tijden. Hij probeert wat structuur te brengen in zijn geschriften en hij vangt aan met de scheepvaart op de binnenwateren. Ik volg hem op de voet. Wat hij schrijft, boeit me uitermate. De bestaande waterwegen hebben, ondanks de moeilijke tijden, stand gehouden. De focus van de scheepvaart naar het binnenland ligt vooral op het bereiken van Ieper die op dat moment nog altijd een van de grootste handelssteden van Vlaanderen is. Ook Diksmuide, Sint-Omer en Veurne zijn vlot bereikbaar via het water.

 

Naar het oosten toe is er de verbinding met Oudenburg en Brugge die vanaf 1385 verplicht worden om een stuk van de onderhoudskosten van de kanalen op zich te nemen. De meeste kosten worden gedragen door Ieper. De succesvolle Ieperse kooplieden hangen in grote mate af van Nieuwpoort en zijn waterwegen. Vooral de Ieperse lakenhandel spant de kroon en kijkt niet op een inspanning om initiatieven te nemen die de verbindingen te water kunnen verbeteren. De Ieperlingen schrikken er niet voor terug om het grootste deel van de kosten te dragen voor wat betreft de verbreding en de verdieping van de kanalen en uiteraard ook voor de aanleg van dijken en sluizen langs het hele traject.

 

Op de scheepvaart worden rechten getaxeerd. Noem het beetje een kilometerheffing zoals wij die in onze tijden stilaan zijn gaan kennen en in de toekomst ongetwijfeld nog zullen betalen. 75% van de kilometerheffingen gaat naar de investeerders in Ieper. De rest verdwijnt in de zakken van de graaf. Hij laat zich inderdaad rijkelijk betalen voor de vergunningen die hij uitkende voor wat betreft het graven van vaarten of voor het verbeteren van het waterwegennet.

 

Ook in de oude geschiedenis van Nieuwpoort leer ik weer over de grote impact die Ieper uitoefent op het water in de Westhoek. In zomertijd is er steevast een probleem met de lage waterstand en de droogte en dan mogen de beheerders zeewater bijsteken. Zolang ze maar geen schade berokkenen aan de eigenaars van de oevers. Tot twee keer toe moeten er dammen worden aangelegd om toch maar de bevaarbaarheid op peil te houden.

 

In maart 1404 is er sprake van nieuwe dijken tussen Nieuwpoort en Oudenburg. Een teveel aan water en een dreiging van overstromingen zal hier ongetwijfeld zijn rol gespeeld hebben. Tussen Ieper en respectievelijk Nieuwpoort en Brugge werden er de voorbije eeuwen een hele reeks sluizen en overdrachten aangelegd. Dergelijke overdrachten zijn als schuine schansen, hellingen waar gebruikt van gemaakt wordt om de schepen met behulp van paarden of mechanische middelen naar de hoger gelegen bedding te slepen. Het gewicht mag nooit de 6 ton laadvermogen overschrijden.

 

Ik bekijk het lijstje van de dammen en de overdrachten. Het jaar van de aanleg staat er netjes bij vermeld. Ik vertrek van Ieper en vaar voorbij de overdracht van Ieper (1219), die van Steenstraat (1251) en dan de sluizen van Nieuwpoort en Koolkerke (1265 en 1290). De sluis met de naam 'Moneken Speye' (1297). De overdrachten van Oudenburg en Snaaskerke (1302). De sluis in Nieuwendamme (1335) , die van ter Hagen te Oudenburg (1370) en die aan de St.-Leonardspoort te Brugge (1414). Tot slot is er nog sprake van de Zeghers en de Zesbrootoverdrachten en van de sluis ter hoogte van Hanexbrugghe, allemaal aangelegd tussen 1414 en 1416.

 

Een statistiek uit 1297 geeft me een idee van de drukte die er op deze waterwegen heerst. Over een periode van 122 dagen meren er te Ieper 3337 schuiten en schepen aan. 3250 'escuttes' en 87 'marktsceipen'. De overdracht van Ieper is met andere woorden goed voor een passage van 27 vaartuigen per dag. Tijdens de dag zowat 2 schepen per uur vermoed ik.

 

Op 18 december van 1416 geeft hertog Jan zonder Vrees de Ieperlingen zijn toestemming om een korte verbindingsvaart te graven in Nieuwendamme. Zo kan de afstand tussen Ieper en Brugge wat ingekort worden. Er komt hier trouwens een overdracht. De kosten zullen geprefinancierd worden door Ieper en daarna terugbetaald worden via nieuwe rechten. Deze worden geheven op de tonnenmaat van de schepen. Er wordt getaxeerd in drie categorieën: vol, halfvol of leeg. De graaf en de Ieperlingen verdelen de inkomsten zoals ze dat gewoon zijn. Op 1 april 1422 wordt de uitbating van de overdracht in pacht afgestaan aan een derde partij. Nieuwpoort leeft natuurlijk niet alleen van zijn verbinding met Brugge en Ieper. De zee speelt nog altijd de grootste rol. Met de scheepvaart op zee als sluitstuk.

 

Een boeiende import van smeekolen uit Newcastle tijdens de 14de eeuw. René Dumon is, zoals eerder aangegeven, zelf de zoon van een kolenhandelaar en woont dan nog ten tijde van zijn boek in datzelfde Newcastle. Hij voelt zich ongetwijfeld thuis in wat hij neerpent. De scheepvaart op zee is hoe dan ook een zorgenkind voor Nieuwpoort. Het gehakketak tussen Frankrijk en Engeland blijft maar aanslepen. De oorlogen tussen beide landen hebben zowaar de focus van de zeelieden veranderd. In plaats van te vissen of goederen te transporteren, focussen nogal wat schippers zich om nu zelf rooftochten te organiseren. De Vlamingen, Fransen en Engelsen munten er in uit.

 

En natuurlijk is er de agressie op zee van Frankrijk en Engeland zelf. Er moeten dringend maatregelen getroffen worden om de eigen zeevaart te beschermen. De oude archieven maken in 1404 voor het eerst vermelding van een lokaal oorlogsschip dat onder het bevel van Jacob Reymaer vergelding zoekt op een Engels schip dat de naam 'Cruyere' met zich meedraagt. Ik kan die het best als een wraakactie beschouwen voor eerdere schade die Engelse kapers aangericht hebben aan Nieuwpoortse schepen. Op 6 februari 1407 verklaart Jan zonder Vrees dat Engeland en Frankrijk een vredesverdrag hebben ondertekend en dat de vrije scheepsvaart op zee hersteld is.

 

Tussen 1418 en 1428 hervat de zeeroverij. Het zal een decennium lang vanuit alle kampen klachten regenen. Filips de Goede volgt Jan zonder Vrees op in 1419 en de oorlog tegen Engeland flakkert daarmee weer op. In 1435 sluit Vlaanderen vrede met Frankrijk waardoor de Vlamingen en de Engelsen weer tegen elkaar komen te staan. Voor de kooplieden en voor de scheepvaart is dat een noodlottige gebeurtenis. Maar wat kunnen de mensen anders doen dan zich achter hun eigen vorst te plaatsen?

 

De Vlaamse jaarboeken hebben het al uitvoerig gehad over de mobilisatie van de Vlamingen in 1436 om in Kales te gaan strijden tegen de Engelse bezetter van deze strategische enclave in Frankrijk. Ik krijg er nu bovenop de versie van René Dumon te lezen.

 

Het hoofdkwartier van het Vlaams leger wordt ingericht in het kasteel van Nieuwpoort. De legers staan onder het bevel van de heer van Cleven. Jan van Uutkerke zal de troepen uit het Westland leiden. Die laatste komt zich alvast vestigen in Nieuwpoort in afwachting van de uitvoering van de krijgsplannen. De verdediging van de stad zelf wordt toevertrouwd aan Filips van Diksmuide die al jaren functioneert als burggraaf van Nieuwpoort. In afwachting van de raid wordt er druk gewerkt aan het op punt stellen van de schepen. Het lokale oorlogsschip wordt belast met de kustwacht.

 

Op 9 juli 1436 begint het beleg van Kales. De landtroepen komen er in actie. Wat een hopeloos gedoe is me dat. Een verspilling van mensenlevens, geld en energie. Engeland kan de stad van over zee vrijuit blijven voorzien van voorraad en van manschappen. Kales kan op deze manier nooit ofte nooit worden ingenomen.

 

Op 22 juli arriveert een Vlaamse vloot aan de haven van Kales in een poging om de bevoorrading van de stad te stremmen. Zes grote schepen volgeladen met stenen, zullen voor de havengeul tot zinken gebracht worden. Een Engelse vloot van 350 schepen zorgt er voor dat die plannen grandioos mislukken. Tegen dergelijke overmacht kan de Vlaamse vloot niets uitrichten. Een terugtrekking is de enige optie. Het beleg van Kales wordt stopgezet. De troepen worden ontbonden en terug naar huis gestuurd.

 

Het wordt een terugkeer in chaos en in anarchie. Ook van de eigen mannen die al dik tegen hun zin meegestapt zijn in dit avontuur en al veel vrienden verloren in de strijd. Ze voelen zich in de steek gelaten door hun bevelhebbers en ook door de Vlaamse schepen die zich al terug trokken vooraleer het eerste schot nog moest gelost worden. Voeg daarbij nog het feit dat de Engelsen massaal troepen achterlaten bij Kales en dat die nu op hun beurt hun zinnen gezet hebben op het Westland. De streek tussen Duinkerke en Poperinge zal het wel geweten hebben.

 

Nieuwpoort zelf blijft zonder zorgen. De investering in de nieuwe stadsmuren rendeert een eerste keer. In 1438 volgt er een wapenstilstand. De mensen kunnen weer opgelucht ademen. Goed nieuws voor de scheepsvaart. Er zullen weer normale handelsbetrekkingen met de Engelsen tot stand komen. Jan van Uutkerke wordt aangesteld als gouverneur van Vlaanderen. Hij vestigt zich in het kasteel van Nieuwpoort, de sterkste vesting van zijn gebied. Eigenlijk is hij te gast bij de feitelijke kasteelheer Jan van Flornes.

 

De rust op zee komt niet zo maar terug. De Noordzee is zonder meer gevaarlijk terrein. Als je tenminste water kan bestempelen als een terrein. De zeeroverij is een plaag zonder einde. In 1441 komen vooral de zeerovers van Dieppe onze kusten afvaren en zich voor de Vlaamse havens positioneren, waar ze dan de handelsschepen en de vissersboten lastig vallen.

 

Ik krijg het voorbeeld te lezen van schipper P. De Clerc die in datzelfde 1441 aangevallen wordt door Engelse piraten. In 1446 krijgen we het bezoek van twee Franse afgevaardigden die een onderzoek instellen naar de schade die de Franse en de Vlaamse steden hebben opgelopen door de piraterij op zee.

 

In 1467 sterft Filips de Goede en zijn zoon Karel de Stoute stort zich al onmiddellijk in nieuwe oorlogen. Dit keer tegen Frankrijk, hierin ondersteund door Engeland. De onveiligheid op zee is onmiddellijk terug van weg geweest. Er wordt een Vlaams eskader uitgewerkt om de zeekusten te bewaken. Nieuwpoort en Duinkerke zullen samen vijf nieuwe schepen produceren. De bouw ervan kost 30.000 ecus en wordt goedgekeurd door de Staten van Vlaanderen.

 

De kosten van de oorlog lopen hoog op. Karel de Stoute is zot. Grootse gedachten en onzinnige politieke betrachtingen op de kap van het volk. Als hij sneuvelt in 1477 zal niemand een traan plengen. Van de verwachte oorlog op zee komt er niets terecht. Handel en scheepvaart zouden in principe weer moeten kunnen groeien. De haven van Nieuwpoort is dringend toe aan vernieuwing, herstelling en onderhoud. De werken waren al opgestart in 1465 en kosten een pak geld.

 

Er wordt best een grappige manier voorzien om de fondsen te werven. Een loterij. De overkapping van de Schelde te Antwerpen zou kunnen uitgevoerd worden dank zij de Nationale Loterij. Ik gniffel bij de gedachte alleen al. Neen, dat is 2015. Nu bevind ik me in het Nieuwpoort van 8 juni 1465 wanneer de magistraat zijn toelating verleent om drie jaar op rij een loterij in te richten voor een bedrag van 100 pond. Een deel van de opbrengst wordt toegekend aan de herstellingswerken van de stedelijke versterkingen. Wat er met de loterij te winnen valt, kan ik niet ontdekken.

 

Naar het einde van de 15de eeuw toe wordt Vlaanderen weer geteisterd door binnenlandse onlusten. Maximiliaan van Oostenrijk zal er niet vreemd aan zijn. De toestand loopt de spuitgaten uit. Vrienden veranderen in vijanden. Vijanden worden vrienden. Maar ook dat is niet zeker. Het leven op zee is een hel. In 1487 worden Oostendse haringvissers aangevallen en gegijzeld door Engelse kapers. Voor hun vrijlating wordt losgeld geëist.

 

Tijdens dat zelfde jaar krijgt Oostende trouwens te maken met de beruchte zeerover Joos van Aelst, een man uit Dieppe. De Oostendenaars vallen hem aan en overmeesteren zijn vaartuig. De frustraties moeten hoogtij vieren, erg illustratief hier op zee. Joos en zijn kompanen worden aan wal gebracht en de volgende dag met zijn allen onthalsd. De zoon van Joos wil op zijn beurt wraak voor de moord op zijn vader en is op komst vanuit Dieppe.

 

Hij raakt echter slaags met een Portugees schip. De Portugezen kunnen hem overmeesteren. Joos en zijn bemanning ondergaan finaal hetzelfde lot enkele dagen later wanneer heel de bemanning te Oostende wordt onthoofd. De kerk is vanzelfsprekend niet weg te denken in de maatschappij van de 15de eeuw. De strijd tussen de Urbanisten en de Clementijnen sterft een natuurlijke dood als de paus uit Avignon verdreven wordt en de Westerse wereld weer zal luisteren naar dat orakel van Rome. De Nieuwpoortnaars zijn hem de hele tijd trouw gebleven. Tegen de zin in van de magistratuur en van de geestelijkheid die verwoede deden om die van Avignon naar voren te schuiven.

 

Kort na het overlijden van Filips de Stoute zullen ze ongetwijfeld hun staart hebben moeten intrekken om toch maar weer het pad van Rome te volgen. 'Zonder veel geruchte te maken', schrijft René Dumon. Het positieve van de zaak is dat de mensen nu ten minste niet meer naar Gent moeten trekken om hun paasplicht te vervullen.

 

De stadsrekeningen van 1405-1406 hebben het vaak over pastoor Bouden Scare. Het moet geen gemakkelijke mens geweest zijn. Het ene probleem na het andere komt aan de oppervlakte. Een en ander zal vermoedelijk wel te maken hebben met de meningsverschillen tussen de magistratuur en de geestelijkheid rond de keuze van de paus. Pastoor Scare stemt er op dat moment in toe dat een zelfmoordenaar op het kerkhof mag begraven worden, waarop prompt het hele kerkhof in de ban van de kerk geslagen wordt. Pas in augustus zal de deken de begraafplaats opnieuw wijden.

 

De oude teksten tonen in detail hoe die kerkelijke nonsens op de spits worden gedreven. 'De deken wyen 't kerchof dat te banne was bi causen dat de prochiepape der in ghedelven hadde Martin Staline verwaten'. De tekst werd opgesteld door de stadsdiensten die opzettelijk het woord 'ghedelven' gebruiken in plaats van het reguliere 'begraven'. Veel compassie moeten ze niet gehad hebben met de handelswijze van pastoor Scare. Tien jaar later is de wind van het kerkelijk schisma helemaal gaan liggen. De stadsrekeningen van 1416-1417 hebben het over de kosten die gedaan werden betreffende de inhuldiging van de nieuwe parochiepriester, de tekst; 'Jan van Brugghen nieuwe prochiepape, 't syne wellecome', verraadt de neergedaalde rust. In 1421-1422 lees ik: '2n daghe van Mey; den Heer Jan de Madre eerstwerf comen(de) als prochiepape'.

 

In 1409 onderneemt de magistraat de nodige stappen bij het bisdom van Terwaan om een draagbaar altaar te mogen opstellen in de Nieuwpoortse gevangenis die in deze dagen van onze geschiedenis omschreven staat als het 'ghizelhuus'. De toestemming van de bisschop volgt op 24 juli van 1409. Hiermee worden trouwens de kerkelijke voorschriften gevolgd. Ze stipuleren dat er in de gevangenis een kamer dient te worden ingericht waarin een speciaal aangestelde priester de goddelijke diensten in volle waardigheid kan uitoefenen zonder daarbij de rechten en de autoriteit van de parochiekerk aan te tasten of te schenden.

 

Veel jaren later, in 1435 komt er ook een gelijkaardig altaar in het schepenhuis en in de gerechtszaal. Waarom dat allemaal nodig was, blijft een open vraag. De parochiekerk ligt op een boogscheut van het stadhuis en dan nog twee altaren in één en hetzelfde gebouw lijkt me van het goede te veel.

 

Er ontstaan trouwens geregeld moeilijkheden tussen de stad en de parochie. Zo bijvoorbeeld in 1432 is er dat dispuut rond de rechten van de kerkbedienaars en vooral die van de koster. Die laatste is een geestelijke, in werkelijkheid een monnik aangesteld door de Sint-Niklaasabdij. Op 24 januari 1432 komt er een akkoord uit de bus die zijn rechten vastlegt. Maar dit moet blijkbaar niet naar de zin zijn van de ene of de andere, want de kwestie komt in 1476 opnieuw te berde met betrekking tot de 'collatie' van het kosterschap. De mensen vinden het blijkbaar doodnormaal dat de kerk belastingen heft op consumptiegoederen. In Nieuwpoort is dat geen btw, maar een belasting op gezouten vis. De parochiekerk krijgt daarvoor de toelatingen van de hertog zelf.

 

Op 30 juni 1470. Dit gebeurt op vraag van de vissers en de visverkopers die geld in het bakje willen brengen voor godsdienstige doeleinden. De man in de straat zal wel betalen. Die belasting raakt trouwens bekend als het 'heilig geld'. Ik mag trouwens niet vergeten dat er ook al haringtienden bestaan. Het bisdom van Terwaan voelt zich bij de visbelastingen wat opzij gezet omdat deze afspraak er gekomen is tussen de kerk en het stadsbestuur en de bisschop er niet bij betrokken is geweest.

 

Hij zal wel geen graantje hebben kunnen meepikken, veronderstel ik. Maximiliaan van Oostenrijk moet op 23 juli 1476 persoonlijk ingrijpen om de sterke man van Terwaan een halt toe te roepen in zijn arrogantie, bemoeizucht en zijn ambetantigheid.

 

De 15de eeuw is bij uitstek de glorietijd van het gildeleven. In onze actuele tijd kennen we de grote invloed die belangengroeperingen uitoefenen op de politiek en op de maatschappij. Syndicale organisaties, christelijke, socialistische en liberale clubs. Consumentenverbonden en vele tientallen federaties bundelen de kracht van hun leden om invloed uit te oefenen op het beleid van regeringen. In de middeleeuwen wordt het bundelen van de krachten stilaan een geplogenheid. In die tijd is de leest natuurlijk geschoeid binnen de organisatie van het stadsleven en dat maakt natuurlijk een groot verschil uit met de tijd van de 21ste eeuw.

 

Belangrijke gilden behartigen de belangen van hun leden. Zo bijvoorbeeld de neringen, ambachten en de diverse beroepen die elk op zich gesloten verenigingen zijn. Alle goederen worden nog op ambachtelijke wijze vervaardigd en hersteld. Dat betekent dat een flink aandeel van de werkende bevolking wel tot een of andere gilde behoort. Nieuw is echter de groei en bloei van 'ghemeene' gilden die openstaan voor iedereen.

 

Ze hebben culturele doelstellingen (retorica), of ze gaan voluit voor vermaak en ontspanning. Schuttersbonden bijvoorbeeld. En tot slot zijn er ook de broederschappen die geestelijke ambities nastreven. Ook Nieuwpoort volgt die tendens. De gilde van de retorica verschijnt voor de eerste keer in de stadsrekeningen van 1443. Ik maak uit de oude teksten op dat het hier gaat om een theatergroep die een voorstelling geeft in de buurt van de gevangenis: 'Den XVIIsten daghe van Maerte den ghesellen van deser stede alsoe hebben ghespeelt voer tghiselhuus een spel van misterien'. Een of ander passiespel dat meestal opgevoerd wordt ter gelegenheid van of bij de H. Sacramentsprocessie.

 

De stedelijke cultuurgezellen organiseren evenementen waarbij hun collega's uit andere steden kunnen meedingen naar prijzen en trofeeën allerhande. Dat wordt al duidelijk in hetzelfde jaar 1443. 'Den ghesellen van dese stede treckende ter Sluis ten pryze van esbatemente ende oec eeneghe prise aldaer ghewonnen hebbende.' De Nieuwpoortse gilde beleeft een topjaar. De naam 'retorica' geraakt stilaan verouderd en wordt gaandeweg vervangen door de gilde van de 'Doornne Kroon'. Er staat een deken aan het hoofd van de 'ghemeene geselscepe vande dorinne croone', een naam die we vanaf 1490 leren kennen.

 

Bij het begin zijn het allemaal kerkelijke onderwerpen die de klok slaan. Andere culturele topics komen om het hoekje kijken. De kamers worden gestimuleerd door de lokale stadsbesturen die de prijskampen stimuleren en zorgen voor de prijzenpot zodat vreemde gilden kunnen worden aangetrokken.

 

Dichters en voordrachtkunstenaars spelen hierbij hun prominente rol. De rederijkers worden een kenmerkende culturele elite in het stadsleven van de jaren 1400. Die nieuwe wind waait ook bij de 'Doorne Kroon'. Kerkelijke plechtigheden worden opgeluisterd door toneelopvoeringen. 'Mysteriespelen', worden ze genoemd, fictie en non fictie gebaseerd op de gewijde geschiedenis. Zo bijvoorbeeld speelt de Nieuwpoortse retorica te Veurne de 'legende van het mysterie van Tobias'. Pas veel later zal men er niet voor terugdeinzen om stukken als 'het zotte' of 'het amoureuze' te berde te brengen.

 

'Daar komen de schutters!' Nieuwpoort bezit drie schuttersgilden: Sint-Andries, Sint-Joris en Sint-Sebastiaan. Veel staat er niet neergeschreven over deze verenigingen. Een akte van 11 augustus 1423 waarbij hertog Filips de leden van de schuttersgilden vrijstelt van vervolging als ze collega's doden of verwonden tijdens hun oefensessies. Goede schutters komen trouwens goed van pas in Vlaanderen. De beteren worden uitgekozen om deel te nemen aan een elitekorps dat klaar staat om de veiligheid van de stad te garanderen.

 

In 1467 toont de Sint-Sebastiaansgilde haar ledenlijst aan Karel de Stoute. Met 66 zijn ze. Het zou René Dumon geen beetje verbazen moest deze handbooggilde al zou dateren van de 12de eeuw. Hoewel hij daarvan geen bewijzen van terugvindt. Vanaf 1446 mogen de leden op hun tuniek het kenteken van het huis van Bourgondië dragen. Dat embleem legt hen geen windeieren want al het volgend jaar winnen ze de eerste prijs bij een schietwedstrijd in Ieper. De mannen komen naar huis met elf zilveren bekers. De leden van de Sint-Andriesgilde staan bekend als 'busschieters' en hun verenigingen zal dus te maken hebben met kanonschieten. De schutters van de Sint-Jorisgilde specialiseren zich in het oefenen van de kruisboog. Er zullen in latere tijden ook nog schermers en 'zweerdspelers' aangetroffen worden. Of die laatsten zich organiseren in gilden, blijft een open vraag.

 

Het nieuws van de ambachtelijke gilden in de 15de eeuw is al bij al vrij mager. Dumon heeft het over de gilde van de vissers, de Sint-Jacobsgilde. De heilige Jacobus is hun patroon. Zo. Dan weet ik meteen waar de naam 'cocquille Saint-Jacques' of 'Sint-Jacobsschelp' vandaan komt. De Nieuwpoortse vissersgilde bestond vermoedelijk al in 1120 want toen al werd een deel van de opbrengst van de haringvisserij afgestaan aan de kerk. Die godsdienstige taks zal er vermoedelijk een generatie eerder gekomen zijn naar aanleiding van de eerste kruistocht. De schippers zullen trouwens ook met flink wat tegenzin de heffingen op de vangst van hun witvis moeten hebben geslikt.

 

De beenhouwers hebben ook hun eigen vereniging. De Sint-Bartholomeusgilde staat bekend als de gilde van de 'vleeschhauwers'. Een document van 3 januari 1414 alludeert op de vernietiging van hun keure tijdens de Engelse aanval van 1383. Het zal vermoedelijk niet de enige keure zijn die door de vlammen verteerd wordt. In 1414 blijkt dat de slagersgilde nog altijd niet opnieuw in het bezit is gekomen van zijn oorspronkelijke voorrechten. Dank zij een interventie van de staatsambtenaar Jan van Harnes krijgen ze alsnog enkele privileges van de hertog.

 

Het valt op dat de stad Nieuwpoort zelf niet meer zwaait met voorrechten voor zijn gilden. De tussenkomst van de hertog is een bron van ergernis voor de lokale autoriteiten die dan ook in woede ontsteken. Waar bemoeit het graafschap Vlaanderen zich eigenlijk mee? Dit is toch lokale materie? Er wordt een vervolging ingespannen tegen Jan van Harnes. Ook de gilde van de beenhouwers wordt op de vingers getikt. Hoe konden ze hun eigen magistratuur zo links laten liggen in deze kwestie?

 

Op 29 maart, een maand of twee later dus, plooien die van Sint-Bartholomeus naar de wensen van het eigen stadsbestuur. Het proces tegen van Harnes zal aanslepen tot in 1418. De gilde van de slagers kan beschikken over een eigen bidplaats. Een eigen kapel in de kerk. De 'vleesschauwerscapelle' staat trouwens vermeld in de kerkrekeningen van 1463. Er wordt hier in 1482 trouwens uitdrukkelijk verwezen naar de gilde zelf. Er komen zodanig veel gilden in Nieuwpoort dat de geestelijken zich in 1510 verplicht zien om een vierde beuk bij te bouwen aan de kerk zo dat de vraag naar extra privé kapellen kan worden ingevuld.

 

De Sint-Christoffelsgilde herbergt de metsers. Ook de 'teghelaers' en de pannendekkers sluiten zich aan bij deze gilde. De kerkrekeningen van 1481 maken er melding van. Ook eerder in 1466 is er al sprake van de metsersgilde. Jacob Boudesseune draagt op dat moment een pak kapeldiensten over aan de Sint-Christoffelsgilde. Het is zowat het enige geboekstaafde wapenfeit dat herinnert aan het bestaan van de Nieuwpoortse aannemersvereniging.

 

De verscheidenheid van de ambachten in de middeleeuwen is groot. Ik heb er ooit een hele lijst van opgesteld. Ze maken ongetwijfeld deel uit van de magie die deze tijden uitstralen op de dag van vandaag waar alles uitbesteed wordt aan buitenlandse, spotgoedkope en onbekende werkkrachten. Vroeger maakten onze mensen alles zelf en werden ze hiervoor betaald. De schoonheid van het werk had toen nog iets van een 'savoir-vivre'.

 

De tuiniers – die zijn er ook al – laten zich beschermen door het heilig Kruis. De 'Cruyscapelle' in de kerk wijst me aan dat de gilde al bestaat in 1419. De leden ervan nemen ongetwijfeld actief deel aan de plechtigheden van Goede Vrijdag en aan de reeks van processies. Later, zelfs na de Spaanse tijden, waken ze tijdens Witte Donderdag in de kerk. Ik ontdek sporen van de broederschap 'den heleghen Cruce' in de kerkrekeningen van 1481-1482.

 

Het zijn niet enkel de ambachtslieden die zich groeperen. Ook de arbeiders verenigen zich in de gilde van de arbeiders. De acv en de abvv van eeuwen geleden. De mensen hebben het over de 'orbeiers'. Het lidmaatschap is voorbehouden aan mannen die de schepen laden en lossen en die sjacheren met de koopwaar van en naar de kaai. Hun club zal zeker al bestaan in de jaren 1300.

 

Teksten uit 1401 maken me attent op het bestaan van 'een cuere ghemaect van de kinsbedden'. Het stadsbestuur moet dus de gilde geofficialiseerd hebben onder het label van de gilde van 'Onze-Lieve-Vrouwe Kindsbedde'. Hoe komen ze in hemelsnaam aan deze idiote naam? Ik weet niet wat ik moet denken over de 'Onze-Lieve-Vrouweviskopersgilde'. Deze organisatie is een laatbloeier en komt pas boven de oppervlakte ergens op het einde van de 15de eeuw. De visverkopers en de mandendragers maken er deel van uit. Rond 1400 worden er initiatieven ondernomen om een 'viskoperskapel' in te richten, een bidplaats die gedeeld wordt met de vissers.

 

'De Geschiedenis van Nieuwpoort' gaat verder met een opsomming van het vroegere gildeleven. Een hele rist ervan passeren de revue. De Sint-Jansgilde van de schippers. Een pak sinten lenen hun naam voor Nieuwpoortse ambachtsverenigingen. Sinte Pieter voor de kleermakers. Sinte Nicholaes voor de winkeliers en de kruideniers. Sinte Loy voor de smeden, Sinte Marten voor de kuipers. De lakensnijders kiezen Sinte Lauwereyns en de schoenmakers prefereren Sinte Crispijn. Ik rond af met Sinte Pauwel die de patroonheilige is van de lijndraaiers, de mandenmakers, schrijnwerkers en de schaliedekkers. Sinte Haubert sluit als laatste het rijtje voor de bakkers.

 

René Dumon houdt het niet bij mijn lijstje. Hij tikt me op de vingers omdat ik onvolledig ben. Ik hoor het hem vragen. 'Heb je al de kerkrekeningen geraadpleegd?' Die van 1481-1482 lossen nog veel meer informatie. 'Je ziet er nog meer over het hoofd!' 'Sint Anne, Sinte Marie Magdalene, Sint Gillis, Sint Huberts, Sint Elwout, Sint Anthonis, Sinte Ledenaert.

 

De Sint-Hubertsgilde doet inderdaad een belletje rinkelen. Dat zal wel de gilde van de jagers en de jachtopzieners zijn. In Nieuwpoort zal het aantal leden niet zo indrukwekkend zijn. Ik vraag me af hoe lang ze in leven zal zijn gebleven. Er komen nog nieuwe gilden boven water: de molenaars laten hun wieken draaien onder het logo van de Sint-Victorsgilde. De herbergiers schenken geestrijke dranken geïnspireerd door de St. Marthagilde en de brouwers heulen samen bij de St Arnoldusgilde. De apothekers en de 'chirurgyns' kiezen voor de St Cosmas en de Damiaangilde. De advokaten kennen hun eigen St Ivogilde.

 

Ik verander bruusk van onderwerp en concentreer me op het onderwijs van de 15de eeuw. Veel belang hechten de oude geschriften niet aan de lokale educatie. Van de 12de tot de 15de eeuw zijn er geen directe getuigenissen. Alleen enkele zinspelingen. Zo bijvoorbeeld in 1425 wanneer er sprake is van de herstellen van de kasseien voor het schoolgebouw. Ik laat het lokale nieuws van toen even haar gang gaan in zijn oude taal.

 

'Piet Lyvis van eene last canchiede steenen by hem gheleit hier 't haven omme te vermaecken en repareeren van de straeten bachten de halle voor de scole, £ 14-8-0'. De school staat dan nog altijd op dezelfde plek waar die stond in 1314. Ergens achter de stadshalle aan de westkant van de Sint-Sebastiaanstraat.

 

De tekst op een grafzerk uit 1419 verschaft nieuwe inzichten. Hier liggen Claes De Dromere en zijn vrouw begraven. 'Den schoolmeester zal met de vier kinderen' deelnemen aan sommige plechtigheden in de kerk. Zou er dan maar één schoolmeester rondlopen in 1419? Onmogelijk, zegt Dumon en hij voelt zich gesterkt door verdere informatie. Naast de schoolmeester en die kinderen nemen er nog andere personen deel aan die jaarlijkse kerkelijke verplichtingen: de parochiale geestelijkheid, de koster, de 'biddeghe' en de Grauwe Zusters krijgen hiervoor allemaal een vergoeding van de Dis.

 

Die fameuze Dis is de ocmw van de middeleeuwen. De rijkere burgers denken dat ze voor zichzelf een stukje zielzaligheid kunnen verwerven als ze zich tijdens hun leven bekommeren om het lot van de schamelen en de armen. De toenmalige Dis is dus een lokale organisatie die zich bezig houdt met de mensen die het financieel moeilijk hebben. Claes De Dromere, zijn naam indachtig, schenkt voor zijn dood enkele landbouwgronden aan de Dis in ruil dus voor een eeuwige zielzaligheid. De verbintenis wordt trouwens afgesloten in het bijzijn van de stadsmagistratuur.

 

Het engagement van de Dis duidt er op dat de onderwijzer, de kinderen en de zusters nauw verbonden moeten zijn aan deze organisatie. De conclusie is eenvoudig: de kinderen zijn leerlingen van de armenschool, het wezenhuis en worden onderwezen door de schoolmeester en de zusters die allemaal in dienst zijn van de Dis. Die bewuste school achter de halle zal dus die wezenschool geweest zijn.

 

De 'armenschool' wordt volgens een zekere historicus Reynhoudt beheerd door 'een Hoofdman, vier regierders en een ontvanger'. In de 15de eeuw zijn er 40 arme kinderen ingeschreven. Onder deze kinderen bevinden zich de weeskinderen. Op een grafzerk van latere datum (1679) lees ik; 'sepulture van Pieter de la Vallee fs Jacques, schoolmeester deser stede'. De specifieke verwijzing naar de functie van 'stadsschoolmeester' laat vermoeden dat er in Nieuwpoort nog andere schoolmeesters waren die voor eigen rekening onderwezen. De verwijzing naar de stad slaat ongetwijfeld op een leraar in dienst van de Dis. De armenschool zal dus wel de officiële stadsschool zijn. De stedelijke boekhouding uit 1410 heeft het over een 'clusseneghe' die gelegen is in de kluis ergens bij de kerk. De schrijver gaat wat achteloos voorbij aan de betekenis van het woord 'kluis'.

 

Ik wil wat meer te weten komen en zoals zo dikwijls biedt mijn zoekmachine me wat ik wil weten. Een kluis is een primitieve locatie waar kluizenaar zich terugtrekken. Vandaar trouwens het woord kluizenaar. In dat Nieuwpoorts geval hebben verscheidene 'kluizenaars en kluizenaarsters' zich door de tijden heen teruggetrokken.

 

Kluizenaars en kluizenaarsters die 'metter bevelinghe der heiliger kercken' een kluis binnentreden, mogen hun kluis nooit meer zonder toelating verlaten. Vrijwillige gevangenschap, maar de term 'bevelinghe' insinueert dat er geestelijke druk van pas komt. Wie zich laat vangen aan zo'n kluis, mag nooit met andere mensen praten, tenzij door 'een cleyn vensterken met een swert ende doncker doeken behangen, in het spreekhuys'. Een vrouwelijke of mannelijke voorganger zorgt voor al hun levensnoodzakelijkheden. Alle spijzen moeten voor zonsondergang opgegeten zijn, zoniet worden ze verdeeld onder de armen.

 

Bidden. Dat moet er zeker gebeuren. En veel. Eigenlijk een vreemde bedoening dat bidden. Praten met iemand die niet bestaat, komt er eigenlijk op neer dat je praat tegen jezelf. Eigenlijk zou het woord 'mediteren' een betere woordkeuze zijn. Een mens moet echter sterk zijn om alleen maar in eenzaamheid te kunnen leven. Bidden en mediteren. Mijn kloten ja. Wegkwijnen en wegteren met alleen maar jezelf om mee te praten. Verschillende kluizenaars ondervinden het aan den lijve wat het betekent om dood te gaan in dit destructieve isolement. Zuster Grietken krijgt er aanvallen van waanzin.

 

Haar geest illustreert perfect wat de kluis doet met een mens. De kloostercel wordt gelukkig maar afgebroken in 1505. Ziek zijn is van alle tijden en zal wel nooit aangenaam zijn voor mens en dier. In Nieuwpoort is er tijdens de 15de eeuw zeker geen gebrek aan instellingen die zorg dragen voor de armen, wezen, behoeftige reizigers, zieken en bejaarden. De klinieken en de ziekenhuizen worden vaak 'gasthuizen' genoemd.

 

Wie voldoende middelen heeft investeert in de lokale ziekenzorg. Dé garantie op een eeuwig leven. Zoals bij de Dis. De stadsrekeningen halen enkele mecenassen aan: Jan Schelewaert en Jan De Ledeghe. In het kadaster van 1314 komt Schelewaert naar voor als de stichter van een 'aalmoezene huuze' in de Hoogstraat. Hij en Jan De Ledeghe 'cochten up dese stede in voorleden tijden IIII p. ervel rente tsjaers hemlieden hier verschenen van eenen jaere ende betaelt IIIIlb.' Vier pond per jaar krijgen de melaatsen. Ze leven in totale afzondering van de maatschappij en kunnen dat geld vermoedelijk best gebruiken om enigszins en met mondjesmaat te overleven.

 

In de 15de eeuw komt er een nieuw gasthuis bij. Dank zij poorter Willem de Ram, een afstammeling van die De Ram die zijn zoutkete verbeurd zag door zijn steun aan de Engelsen in 1383. Vooral de pest is een groot zorgenkind in Nieuwpoort. Dat zal wel in elke stad een delicate materie zijn, vrees ik. Willem de Ram laat testamentair vastleggen dat hij een grote som geld opzij legt voor de bouw van een gasthuis waar de pestlijders zullen kunnen worden verpleegd. Andere zieken zijn er trouwens ook welkom.

 

De stichtingsakte dateert van 5 mei 1469, maar die akte is eerder een formaliteit want het gasthuis is op dat moment al volledig in werking. De bediening van het nieuwe gasthuis wordt toevertrouwd aan zeven zusters van de 'Derde Regel van Sint Franciscus' in Nieuwpoort beter bekend als de 'Grauwe Zusters'. De eerste zuster-overste is Maria van Komen, een telg uit het adellijk geslacht van de 'van Komens'. Ze krijgt van de stad een jaarlijkse toelage van 108 Parijse ponden.

 

De zusters vestigen zich in een gebouw in de Pottersstraat dat vermoedelijk een onderdeel vormt van de in 1383 vernielde burg. Ze raken bekend als 'de nieuwe grauwe zusters der burch'. Het instituut wordt als het 'Onze Lieve Vrouw Gasthuis' omschreven, maar die naam raakt moeilijk ingeburgerd onder de bevolking. In 1489 krijgen ze van de abt van de Sint-Niklaasabdij te Veurne de toelating om een kapel te bouwen. De bidplaats krijgt een torentje waar een klok van 100 pond wordt opgehangen.

 

Het gasthuis kent zijn ontstaansgeschiedenis ergens rond 1469. Op 3 juli van dat jaar wordt een akte opgesteld die dit doet vermoeden. Er wordt grond afgestaan ten voordele van de nieuwe organisatie. De Nieuwpoortnaar Pieter Stemaers en zijn vrouw Marie Bauwarts officialiseren dat de 'religieuses, maitresse et soers du tierch ordre de Sainte Franchoys et de la maison et hospital de Nostre-Dame au bourg nouvellement fondé et mis sus en ladicte ville de Neufport.' Nog voor de ondertekening van de schenking is er al een kapelaan aangesteld. Secretaris Martin Gerard functioneert als 'presbitre recepteur desdites soers et hospital'. In naam van het gasthuis aanvaardt hij de grond die Stemaers vrijwillig wil afstaan. De 'Nostre-Dame' is nummer twee in de rij van gasthuizen.

 

Er ligt immers al een exemplaar op de kruin van Hoogstraat. Ook al bediend door diezelfde Grauwe Zusters. De mensen hebben het al snel over 'de Grauwe zusters boven' en 'de Grauwe zusters der Burg'. Sommigen hebben het over de oude en de nieuwe 'Grauwe Zusters'. Het oude gasthuis hangt nochtans niet af van de stad en ook niet van de Dis. Samen met het Sint-Janshuis vormen ze afzonderlijke instellingen. Precies zoals dat het geval is met de 'almoezene huuzen' van Schelewaert, Langhemaries en Vrouwe Straenge en met het melaatsenhuis. In 1419 werken er zowel 'broeders' al 'susteren' in het oude gasthuis. Het zullen dus ongetwijfeld geestelijken zijn.

 

René Dumon borduurt nog een heel stuk verder aan zijn hoofdstuk over de Grauwe Zusters. De politieke realiteit onderbreekt hem plotsklaps. 'Het Beleg van 1489' als kop oogt bepaald dreigend. Ik laat de Nieuwpoortse instellingen aan hun lot over en focus me (nogal benieuwd) op alles wat de kuststad nu weer te wachten staat.

 

In 1482 ontstaan de problemen die aan de basis liggen van het bewuste beleg van 1489. De Staten van Vlaanderen vertikken het om Maximiliaan van Oostenrijk te erkennen als regent tijdens de minderjarigheid van zijn zoon (Filips de Schone) die om dat moment nog een kind is van vier jaar. Ik heb de bewuste periode al eerder in geuren en kleuren verteld. De Nieuwpoortse kant van het verhaal vind ik zonder meer boeiend en verrijkend. Er komt een regentenraad. De meningen in Vlaanderen over de kwestie zijn erg verdeeld en leiden tot oproer. Nieuwpoort en de Westhoek blijven aan de kant van Maximiliaan staan. De rest van Vlaanderen heeft een ander gedacht en komt in opstand tegen het bewind van de weduwnaar van Maria van Bourgondië.

 

Een toestand die zal aanslepen tot in 1493. De eerste jaren ondervindt Nieuwpoort nauwelijks hinder van de politieke malaise. De stad heeft een van de sterkste vestingen van het land en wordt amper verontrust door rebellie of mogelijke aanvallen. Wie zou het aandurven om hier een aanval te wagen?

 

In 1488 verergeren de zaken. Vlaamse en Franse troepen in dienst van de opstandelingen lopen het platteland af. Ze worden hierbij aangepord door de steden Gent, Brugge en Ieper. De weerstand (dus de Maximiliaansgezinden) wordt geleid door Vlaamse troepen uit de Westhoek die de steun krijgen van een Duitse krijgsmacht. Die Duitsers hebben natuurlijk alles te maken met het feit van Maximiliaan de zoon is van de keizer van Duitsland. Die vindt de rebellie in Vlaanderen onaanvaardbaar en hij heeft dus militair ingegrepen.

 

De leiders van de opstand beseffen dat de Westhoek niet zal plooien zolang de machtige vesting van Nieuwpoort zich in vijandelijke handen bevindt. Er wordt dus besloten om een poging te wagen om de stad in te nemen. Op 12 augustus 1488 verschijnen 10.000 Vlaamse opstandelingen voor de stadspoorten. Ze eisen de overgave van Nieuwpoort. Die 'ze' zijn vooral mannen uit de buurt van Brugge.

 

Nieuwpoort dat flink gestoffeerd is met Vlaamse en Duitse strijdkrachten weigert formeel om zich over te geven. 'Een geweldig vuur werd op de belegerde troepen gericht', schrijft René Dumon. Er worden echter geen directe pogingen ondernomen om de stad in te nemen omdat dit op dat moment niet realistisch is. Na een poos trekt het leger verder en richt het zijn pijlen en kanonkogels op Duinkerke, Bergen en Broekburg die allemaal worden ingenomen.

 

De leider van de verdediging in Bergen en Broekburg kan ontkomen en biedt zich aan te Nieuwpoort. Ik heb het over Daniël van Praet, de heer van Moerkerke en Merwede. Hij wordt er onmiddellijk in functie gesteld als gouverneur van de Nieuwpoortse vesting en als opperbevelhebber van de regeringstroepen uit de Westhoek.

 

Een nieuwe poging om Nieuwpoort in te nemen, zal niet lang op zich laten wachten en dus besluit van Praet om hulp te zoeken bij Maximiliaan. Vanuit Zeeland wordt er een vloot van 20 Duitse schepen richting de haven van Nieuwpoort gestuurd. De schepen zijn afkomstig uit de Baltische zee en hebben troepen, gereedschap en voedingsmiddelen aan boord. Dat is erg tegen de zin van de heer van Ravestein, de aanvoerder van de opstandige troepen. Hij stuurt direct een bericht naar het stadsbestuur van Nieuwpoort. Een dreigbrief zonder meer: hij waarschuwt dat hij de haven zal 'doen vullen ende te nieten doen' als de vloot zich zou wagen in de lokale haven.

 

Wat de bevolking wenst, is niet altijd een weerspiegeling van wat het bestuur in de praktijk realiseert. Ik heb het al zo dikwijls gezien in het middeleeuwse Ieper. Het verbaast me niets dat de bevolking bang is van het dreigement en eigenlijk tegen de komst van de Duitse schepen gekant is. De magistraat laat zich door de mening van de mensen echter helemaal niet op andere gedachten brengen. Hij legt de waarschuwing naast zich neer. Als de stad de volgende morgen ontwaakt, weet iedereen hoe laat het is. Het gros van de Duitsers is in de stilte van de nacht ontscheept en al voor het opkomen van de zon vertrokken richting Veurne en Diksmuide om er de garnizoenen te versterken. De rest van hen blijft in Nieuwpoort.

 

De herfst is al in het land, de zomer voorbij. De vijand zal vermoedelijk niets meer tegen Nieuwpoort ondernemen voor de komst van de volgende lente. Die van 1489. In afwachting wordt het hoofdkwartier van de Maximiliaangezinden ingericht te Oudenburg. Er is ook sprake van Franse hulptroepen in de Westhoek. Voor de rest is het betrekkelijk rustig. Maar de kalmte is vals en de lente wordt deze keer niet afgewacht. Er wordt in wintertijden nooit oorlog gevoerd. Dit keer zal dat wel degelijk het geval zijn.

 

In januari van 1489 vertrekt een deel van de Vlaams-Duitse regeringstroepen vanuit Nieuwpoort om er assistentie te verlenen aan de strijdkrachten die proberen Grevelingen, Bergen, Broekburg en Sint-Omer terug te winnen. Duinkerke is al in hun handen gevallen. Een maand later zijn al de vermelde steden gevolgd. Maximiliaan van Oostenrijk moet wat doen aan de groeiende dreiging vanuit Frankrijk en sluit op 14 februari te Dordrecht een verbond met de koning van Engeland. Die heeft Kales nog altijd als belangrijk landhoofd in zijn bezit. Kales zal voortaan een machtige steunpilaar worden in de strijd tegen Frankrijk en tegen de opstandige Vlamingen.

 

Het verdrag met Engeland zorgt voor een schokgolf bij de opstandelingen. De vissers van de Westkust kunnen nu weer rijkelijk vissen tot voor de oevers van Engeland. Maar hun collega's van de Vlaamse oostkust die zich tegen Maximiliaan hebben gekeerd, staan nu als vijand van de Engelsen aangeschreven en zijn dus niet langer veilig op zee. Van Ravestein is zich bewust van de risico's dat al diegenen wel eens van kamp zouden durven veranderen als hun broodwinning in het gevaar komt.

 

Brugge, Gent en Ieper steken de koppen bij elkaar en treden in onderhandeling met de koning van Engeland. Op 3 april 1489 komt er een akkoord uit de bus die een vrije visvangst garandeert voor alle Vlaamse vissers zonder onderscheid. Ook de Engelsen, Ieren en Kalesianen kunnen voortaan ongehinderd hun beroep op zee uitoefenen.

 

De opstandige Vlamingen, vooral die van Brugge en het Vrije, blijven verwoede pogingen ondernemen om de Fransen in het bad van de revolutie te gooien en hen te laten optrekken tegen die van de Westhoek. Ik heb het al vroeger gehad over de ongemene smerigheid van die oorlog daar op de drempel van de jaren 1500. Omdat er maar geen antwoord komt, besluiten ze dan maar op eigen initiatief in het offensief te treden. Vanuit Frankrijk wordt er uiteindelijk dan toch een divisie van 800 man beloofd die de Bruggelingen zal bijstaan bij hun offensief.

 

Op 31 mei 1489 nemen ze Nieuwendamme in. Ramskapelle wordt een week later in brand gestoken. De revolutionairen slaan nu hun kampen op in de buurt van Diksmuide die ze zullen proberen in te nemen. In Nieuwpoort slaat code 'rood' aan. Er vertrekken ijlboden naar alle Westhoeksteden. Ook gouverneur Daniel van Praet wordt verwittigd. Die bevindt zich op dat moment in St.-Omer. Er wordt besloten om hulp te zoeken bij de Engelsen van Kales.

 

Die sturen onmiddellijk 3000 man naar de Duinenabdij bij Koksijde. Onder hen bevinden zich 300 ruiters. Er is sprake van 16 kanonnen. Hier bij de abdij wordt het hoofdkwartier van de alliantie ingericht. De overheden van Veurne en Nieuwpoort begroeten ze met grote vreugde. Er zijn trouwens nog 8 grote schepen met krijgsvolk en oorlogstuig op weg naar Nieuwpoort. Het bataljon van Kales krijgt versterking van 2000 strijdkrachten uit Veurne-Ambacht. Daarnaast melden zich eveneens Duitse en Bourgondische detachementen in Diksmuide.

 

Het leger van de Bruggelingen, zowat 4000 man sterk, en de 800 Fransen hebben eveneens hun kamp opgeslagen in de buurt van Diksmuide. Ze zien een confrontatie met de Engelsen niet direct zitten en plooien zich terug op Beerst. Maar de krachtmeting komt er toch. Op zaterdag 13 juni 1489 ontvouwt zich een hardnekkige strijd waarbij de Engelsen en de Nieuwpoortnaars aan het langst eind trekken. De Bruggelingen krijgen er een totale nederlaag te verwerken en zo goed als niemand van de Fransen overleeft de veldslag.

 

De Engelsen komen in triomf naar Nieuwpoort waar ze de aangekondigde schepen helpen binnenvaren. De grote Nieuwpoortse 'roybaerse' (roeibarge) wordt direct naar Zeeland gestuurd met de boodschap van de zege in Beerst. Ook van Praet heeft deelgenomen aan de clash. Hij begeeft zich twee dagen later naar Oostende dat zich gewillig overgeeft. Ook Oudenburg wordt ingenomen. Het werk voor de Engelsen zit er op en ze keren de volgende dag terug naar hun standplaats in Kales.

 

De Kalesanen zijn amper vertrokken als het bericht binnenloopt dat het Frans leger dat al een hele tijd rustig verblijft in de buurt van Poperinge, in beweging is gekomen. De dood van 800 Fransen daar in Beerst heeft hen schielijk wakker gemaakt. De Fransen willen ingrijpen. Zoveel is duidelijk. Veurne, Diksmuide en Duinkerke voelen zich onmiddellijk bedreigd en proberen de nodige maatregelen te treffen. Weer volgt er die vraag om bijstand aan Kales dat onmiddellijk reageert met het sturen van 1200 manschappen naar de drie vermelde steden.

 

De Fransen hebben het nu gemunt op Oostende. Het gaat allemaal erg snel in die week. De 19de geeft de stad zich opnieuw over aan de Fransen. Wat kunnen ze anders? Ook de situatie in Oudenburg wordt in de vroegere toestand hersteld. De Franse ogen richten zich nu op de vesting van Nieuwpoort: hier zit de bron van alle kwaad in het Westland.

 

De hertog van Vendôme is opperbevelhebber van de Franse strijdkracht. In het veld is het maarschalk de Crèvecoeur die de scepter zwaait. Zekerheid rond de getalsterkte bestaat er niet. Sommige bronnen hebben het over 20.000 manschappen. De Vlaamse opstandige troepen, vooral volk uit de streek van Brugge sluit zich aan bij de Fransen. Ik stel ook de aanwezigheid vast van hele pelotons Zwitserse huurlingen. Vanuit de regio van Brugge en Oostende walst het leger nu op naar de muren van Nieuwpoort waar het zich op zaterdag 20 juni 1489 aanmeldt.

 

De polsslag van Nieuwpoort slaat op dat moment in overdrive. Binnen de stad logeert een bescheiden Duits garnizoen dat bijgestaan zal worden door Westhoekse mannen uit de omgeving. Er wordt met man en man gewerkt aan de allerlaatste verbeteringen van de versterkingen. Zowat heel Nieuwpoort springt in de bres om mee te helpen. De burgemeesters Jan Turpin en Jacob Meegoet geven het goede voorbeeld. De drie schuttersgilden tekenen eveneens present. De verdediging van de stad staat onder het bevel van Daniël van Praet, de commandant van de Vlaamse strijdkrachten in het Westland.

 

Op zondag 21 juni barst de strijd los met een hevig bombardement van de stad. Van 2 uur in de morgen tot 22 uur in de avond. Het tempo van de beschieting zorgt er voor dat enkele kanonnen de geest geven. Een ervan explodeert zelf in het gezicht van de Crèvecoeur. Na die opener beginnen de Fransen met het graven van tunnels onder de muren. Misschien kunnen ze zo binnen de stad geraken en het plaatsen van springladingen onder de vestingen zal deze in elk geval vernielen.

 

'Het garnizoen rook lont en mijnde tegen. Veel Fransen verstikten onder de grond' citeert Dumon. Ik kan het zoveel jaar later niet beter formuleren. Ik vraag mezelf trouwens af of de schrijver opzettelijk zijn 'rook lont' heeft gebezigd in de bewuste passage. Het bombardement doet drie torens ineen stuiken en slaat een bres in de vestingsmuur. Een drijvend ponton, een houten constructie op tonnen en vaten, wordt nu op de vestingsgracht aangebracht. Het voetvolk kan zich nu via die brug een toegang tot de stad te forceren. Het is een werkje voor de Picardische en de Boulonese soldaten.

 

Maandag 22 juni. Het gaat er gewelddadig aan toe. Kroniekschrijver Nicolas Despars omschrijft de stormloop als 'zo afgriselicke gruwelick dat men van diergelycke noyt vele en hoorde'. En toch geraken de Fransen niet binnen. Hun taak wordt overgenomen door de Zwitsers maar ook zij slagen niet in hun opdracht. Niets of niemand kan de weerstand breken van de onverzonnen mannen daar op de bres in Nieuwpoort.

 

Tussen de stormlopen in, kan van Praet een bode naar Diksmuide sturen met een dringende vraag om bijstand. Diksmuide moet Veurne en St.-Omer hetzelfde verzoek voorleggen. Diezelfde dag vertrekt ook een Engelse pater Dominicaan naar Kales 'omme assistencie te hebbenen jeghens de vianden aldoe voor dese stede zinde.' De volgende dag vertrekken er weer boden met een herhaalde boodschap om 'assistencie thebbene jeghens myn heere Desquerdes aldoe stormende op dese stede' en ook 'omme te bringhende pouder, schichten ende andere artillerie.'

 

Erg waterdicht zal de belegering van Nieuwpoort wel niet zijn als zoveel boodschappers doodleuk kunnen op- en aanrijden. Ook de haven blijkt de hele tijd bruikbaar. De aanvallen vinden plaats op de Noord- en de Oostvesten. Aan de verbindingsroutes in het westen wordt er door de Fransen nauwelijks aandacht besteed. Die nalatigheid kan de Crèvecoeur wel eens zuur opbreken.

 

De weerstand van Oostende kan zo zorgen voor de aanvoer van nieuwe kanonnen in het belegerde Nieuwpoort. De manschappen worden van voedsel en drank voorzien. De 'lieden van oorloghen... die dach ende nacht te neuren waren', worden de hele tijd door van kogels en munitie voorzien. Overal in de stad wordt het beschikbare lood ingezameld. De loodgieters maken er kogels van. De stedelijke boogmaker werkt zich in het zweet bij het maken van nieuwe koorden en pezen.

 

De kasseileggers breken de straatstenen uit en sleuren die 'op de veste en de dycken ten assaute'. Het werk en de verdediging gaan dag en nacht door. Tijdens de nacht worden de vesten verlicht door vuur uit toortsen, vetkaarsen en stallichten. Hoog op de kerktoren bespiedt een wachter alle gebeurtenissen van binnen en buiten de stad.

 

De stormlopen en de bombardementen blijven elkaar opvolgen. Binnen de stad wordt angstvallig gehoopt op hulp. Na twee dagen hebben de belegeraars nog geen vermaledijde voet in de stad gezet. Binnen de stadsmuren groeit hoe dan ook de twijfel. Hoe zullen ze het hier uithouden tegen deze Franse overmacht? Burgemeester Jan Turpin bemerkt het dipje bij de bevolking en roept de mensen bijeen. De man moet erg overtuigend kunnen spreken, vermoed ik. Historicus Molinet heeft het er ook over: 'ils promirent eux tous ensemble vivre et mourir pour la querelle et tenir poied ferme jusques a ce qu'ils seroient ou vainqueurs ou vaincus'.

 

Ook zijn collega Jacob Meegoet engageert zich verder. In naam van de magistraat belooft hij dat hij 'ter heeren God ende zyner Moederen eene singie (dat is een kaars)' zal laten maken, 'also lanc als de stede groot is int rhonde ghemeten', in het geval de stad deze belegering zou weten te overleven. De twee burgemeesters hebben gesproken. We beleven Sint-Jansdag van 1489, woensdag de 24ste juni.

 

Het zwaar bombardement begint opnieuw. Deze keer wordt de zuidelijke kant van de stad als doelwit gekozen. Dat wordt door geschiedschrijver Molinet enigszins gerelativeerd: de Fransen blijven schieten vanuit hun noordelijke posities. Het schroot vliegt over de stad in de richting van het zuidwesten waar de meeste doelwitten worden gemist.

 

Er is in elk geval sprake van frustraties binnen de Franse gelederen. Hoe kan het toch dat die stormlopen keer op keer mislukken? De klagers krijgen de kans om het deze keer op hun eigen manier te doen, maar ook hun pogingen lopen uit op evenveel mislukkingen. De hertog van Vendôme zoekt nu soelaas bij zijn eliteruiters die een charge te paard wagen en er warempel in slagen om de bres te bemachtigen waar ze hun standaarden op de vestingen kunnen plaatsen.

 

Maar in plaats van verder binnen te breken, gaan ze over tot het consolideren van hun stek. Deze beslissing geeft de Nieuwpoortnaars de kans om van hun verrassing te bekomen en zich te reorganiseren. Burgemeester Turpin, zelf een ingeweken Fransman notabene, richt zich opnieuw tot zijn burgers. Hij kijkt naar de vrouwen. De mannen zijn moe. Hij richt zich tot hun echtgenotes en moeders.

 

Zij zullen toch op dit kritieke moment hun 'mannenvolk' niet in de steek laten? Turpin bespeelt hun emoties: ze moeten godverdorie alles vastgrijpen en slaan met wat ze kunnen. De madams moeten de vijand zeer doen. Deze vrouwelijke variante van de oorlog is ook voor mij een primeur. De Fransen moeten raar en verbouwereerd hebben opgekeken als ze plots te maken krijgen met een bende van woeste zottinnen. Het moet gezegd worden: ze vliegen er in. De dames verschijnen op de vesten met een rijke en gevarieerde voorraad aan munitie. Dumon beschrijft hun aanval als die van een troep brullende leeuwinnen. Uitgedost met harnassen met ijzeren hoeden op de hoofden en daarbij verder ondersteund door hun mannen. Deze bonte bende burgers gaat de Fransen krijsend te lijf.

 

Ik ben geen Fransman en hoef zelf niets te vrezen van deze furie. Ik kan me amper voorstellen wat er allemaal over de hoofden van de aanvallers wordt heen gekieperd. Het heetste, het vuilste en hetgeen er meeste 'plakt'. Zelfs bijenkorven worden naar beneden gebonjourd. De Fransen op de pas veroverde stelling wordt door de mannelijke Nieuwpoortnaars brutaal uit elkaar geslagen terwijl hun vrouwen er met hun 'ammunitie' voor zorgen dat er geen ladders meer kunnen worden beklommen.

 

Aanvankelijk is er nog de twijfel en de onzekerheid bij de bevolking. Die weifelende gedachten smelten als sneeuw voor de zon als het nieuws wordt rondgestrooid dat er 200 Engelse soldaten aangekomen zijn binnen de stadsmuren. Ze komen uit Veurne en Duinkerke en zijn onder de leiding van Denis van Moerbeke via Ramskapelle in hun belaagde stad gearriveerd. De inbreng van de vrouwen en de komst van de Engelsen moet ongetwijfeld gebeurd zijn op donderdag 25 juni.

 

Nieuwpoort spaart de komst van de Engelsen nog eventjes als een verrassing voor de Fransen. Pas op vrijdag zullen die worden losgelaten op de vijand. Er staat een uitval op het programma. De magistraat regelt dat de 'hoftman van den Ingelschen' 48 schellingen overhandigd krijgt door de lokale man Pieter vander Eeke, koopman in 'buspoudre' zodat ze direct 'gaen zoude ten assaute'. Het brein achter de uitval is Daniel van Praet. Na een beleg van een week, wordt het tijd om zelf eens wat machtsvertoon te etaleren. De Fransen zullen hierdoor misschien de hopeloosheid van hun opdracht inzien.

 

De stadsrekeningen tonen zwart op wit dat die uitval er ook gekomen is. Nadat ze de Fransen bestormd en besprongen hebben, staat in het vroegere Vlaams genoteerd als 'ten tyde als dingelschen hier laghen naer tstoormen'. De Franse bevelhebbers reageren in elk geval geschokt op de reeks van onverwachte initiatieven van de dappere Nieuwpoortnaars. 'Bedrog', roept een Franse officier die zwaar gewond wordt bij de tegenaanval. 'De Bruggelingen hebben ons een rad voor ogen gedraaid met hun bewering dat er zo goed als geen krijgsvolk zat in de stad'. 'Nieuwpoort zou zich overgeven van zodra het vuren zou worden geopend'.

 

De frustraties druipen er van af. Nieuwpoort is veel beter versterkt en bemand dan oorspronkelijk beweerd was. De hertog van Vendôme weet het wel. Hier komen ze niet binnen. Met zijn morrende mannen als excuus, breekt hij het beleg op. Het leger verhuist naar Oostende op de vooravond van zaterdag 27 juni 1489. Die van Nieuwpoort wrijven zich waarschijnlijk eens flink in de ogen om zeker te zijn dat ze het allemaal goed zien. Het beleg heeft 8 dagen geduurd.

 

Heel Vlaanderen verbaast er zich over dat Nieuwpoort het heeft uitgehouden. Er kan maar één reden zijn: de miraculeuze tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw. Ze heeft het al eerder gefikst 100 jaar eerder in Ieper en nu doet ze het opnieuw. De Nieuwpoortnaars geven zich over aan een ultieme dankbaarheid. De faam van de stad is ondertussen met stip gestegen. Gouverneur Daniël van Praet krijgt een beloning van 300 Parijse ponden 'omme den goeden ghewillighen dienst, jongste ende affectie.' De man heeft wel eerst nog 6 jaar moeten wachten op zijn centen want eerst moest de geleden schade nog hersteld worden. De Vlaamse Kroniek van Duinkerke spendeert aandacht aan de slachtoffers van de belegering.

 

De belegeraars noteren de dood van een kleine duizend manschappen. In Nieuwpoort zelf heeft broeder Bernardin het niet overleefd en er zijn verschillende 'sciplieden' omgekomen op het schip van Jan Hellincx. Gossin de Sceppere krijgt een wekelijkse vergoeding van zes schellingen als tegenprestatie voor opgelopen verwondingen. De stad betaalt de begrafeniskosten inclusief een plechtige gezongen rouwdienst. 'Metten tweesten gheluude'. De Engelse soldaten worden getrakteerd op taksvrije wijn want de wijntappers mogen hen bedienen 'quite van assizen'. Er wordt niet gevierd. Daarvoor zijn er te veel doden gevallen. Gelukkig zijn de Fransen voorgoed vertrokken. In de nasleep van het beleg blijven de Bruggelingen aan de mouw van de Fransen trekken, maar de Crèvecoeur ziet nieuwe aanvalspogingen niet langer zitten.

 

Brugge blijft insisteren. Op 12 juli stellen ze voor om eerst Diksmuide te bemachtigen. Duinkerke mogen ze afschrijven. Er volgt opnieuw een 'non' van de Crèvecoeur. Op 14 juli kuist hij zijn schup af. Zijn leger vertrekt via Koekelare en Ieper naar Frankrijk. Op 16 juli heeft hij in Ieper nog een laatste ontmoeting met de Bruggelingen die vurig en vruchteloos pleiten voor een terugkeer naar Nieuwpoort.

Op 14 augustus stuurt Maximiliaan een zekere Jan vanden Dondt naar Nieuwpoort met de officiële boodschap dat hij een wapenstilstand heeft afgesloten en dat er gerekend mag worden op een algemene wapenstilstand tegen het einde van het jaar. Op 29 december 1489 is het zo ver.

 

Of de vrede lang zal meegaan, is zeer de vraag. Brugge en sommige andere steden hebben het er in elk geval moeilijk mee. Sluis weigert om zich neer te leggen bij het fameuze verdrag. Maximiliaan kan weinig anders dan de rebelse havenstad achter slot en grendel te laten zetten door garnizoenen Waalse en Duitse soldaten.

 

De periode tussen 1490 en 1493 mag best als schizofreen omschreven worden. De vrede is er. En toch is ze er niet. De toestand in Sluis is er te veel aan. De mensen willen verlost zijn van de voorbije jaren van oorlog en willen de vrede vieren. Zelfs de gewone mensen in Brugge kunnen zich niet langer inhouden. Sluis zal wel inbinden, het voornaamste feit is dat er weer rust en vrede heerst in Vlaanderen. Dat moet hoe dan ook gevierd worden.

 

Te Nieuwpoort worden er in 1490 op kosten van de stad grote feestelijkheden georganiseerd. De kanonnen bulderen van plezier Vreugdevuren worden aangestoken, de mooiste en origineelste vuurarrangementen zullen beloond worden met prijzen. De Sint-Jansgilde van de vissers kaapt hier de winnaarstrofee weg, de marktbewoners krijgen de tweede prijs en Jan Weytssone wordt verdienstelijk derde.

 

De Rederijkers tonen zich ook van hun best zijde. De Gilde van de retorica wint met een kluchtspel de eerste prijs voor het 'best ende ghenoughelicst esbatement' en met een mysteriespel. Jooris van Huten en zijn gezellen winnen de tweede en de derde prijzen voor hun mysteriespelen. Het magistraat omschrijft de feestviering als een 'feeste binnen deser stede gehouden te eere van Gode ende den paise.'

 

De beloofde kaars van burgemeester Meegoet komt er eveneens. Ze moest 'alzo lanc' zijn 'als de stede groot is int ronde ghemeten'. Dat is natuurlijk wel erg groot en niet realistisch, maar de kaars wordt toch wel een joekel van vanjewelste. De exacte afmetingen krijg ik niet meer doorgegeven van mijn geschiedenisbronnen, maar wel het gewicht ervan: meer dan 200 kilo. 418 pond om precies te zijn.

 

Gillis Barbier uit Brugge werkt de wassen bougie af. De kaars wordt opgehangen in een kunstige houten omlijsting. Er dient zelfs een trapladder vervaardigd te worden om de kaars naar behoren te kunnen aansteken of uit te blazen. Kostprijs van het batje: 228 ponden en 9 schellingen. Enkele Nieuwpoortnaars komen deels tussen in de kosten, de stad betaalt de rest. Het geval wordt in de kapel geplaatst. Voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van de Nood Gods. Ik vraag me af wat er met die 'Nood Gods' bedoeld wordt, maar mijn bronnen zwijgen als vermoord en zo blijf ik in het ongewisse.

 

De magistraat regelt ook een besluit dat er jaarlijks een dankprocessie zal rondgaan. Een zusje van de O.L.V. Ter Thuyne processie in het nabijgelegen Ieper. Die van Ieper paradeert op 15 augustus van elk jaar. In Nieuwpoort zal dat voor de eerste keer gebeuren op zondag 27 juni 1490, de verjaardag van de ontzetting. Omdat het beleg plaats vond in de week van Sint-Jan, wordt de ommegang prompt omgedoopt tot de Sint-Jansprocessie. Rond 1970 doet deze processie nog altijd zijn toer. Of dat anno 2015 nog altijd het geval is, kan ik niet direct ontwaren.

 

Ondanks de geestelijke verrukking, laat het beleg een zuur nasmaak achter bij de stad Nieuwpoort. De schade aan de vestingen, de poorten en de torens is niet te overzien. Verschillende gebouwen in het centrum liggen er troosteloos bij, de haven heeft slaag gekregen. De Crèvecoeur heeft het in zijn hoofd gehaald om de havendijk te doen doorbreken en nu staat de hele omgeving onder water. De verzanding dreigt voor de havengeul. Het financieel plaatje zal niet min zijn. Timmerlieden en metsers vliegen al direct in juli 1489 op de sluizen en de poorten. Er komt een nieuw bolwerk aan de oostvesten met een gloednieuwe poort en dito valbrug.

 

De bouw ervan ligt in handen van Loys Dadier. Tussen september en december wordt er hard gewerkt aan de beschadigde poorten en aan de Vierboete. De rest van de werken wordt uitgevoerd in 1490 en 1491: zo onder andere herstellingen aan het 'aweythuus' bij de Zuidpoort, aan de duiker en aan de 'stampit' bij het kasteel.

 

De pronkerige torens hebben zware averij opgelopen. Toch hebben de Nieuwpoortnaars geen haast om die te herstellen. De meeste torens staan netjes opgelijst met hun respectieve namen. De lijst zal vermoedelijk niet helemaal compleet zijn. Dumon is er zeker van dat er zich ten minste 15 torens bevinden in de groot ringmuur rond de stad. Het bewuste stuk muur en aanbelendende toren, waar een bres werd ingeslagen, wordt voortaan de 'Crèvecoeurtoren' genaamd. De toren zelf wordt niet meer hersteld. Het litteken moet de stedelingen er in de toekomst doen aan herinneren dat hier hard werd gevochten in de zomer van 1489. In 1580 zal de Hollandse bevelhebber van Nieuwpoort het bouwwerk tot op de grond afbreken.

 

Nieuwpoort heeft hulp nodig. Op 17 januari hebben de twee burgemeesters een ontmoeting met de graaf van Nassau, de gezant van Maximiliaan. Het gesprek gaat door in Brugge. Of ze hulp kunnen krijgen om de schade te herstellen? Ook bij de bevolking wordt gebedeld om geld en leningen. 106 burgers schrijven zich in in een volkslening van in totaal 2322 pond.

 

Het valt op dat er slechts 2 van de stadsmagistraten bereid zijn om met persoonlijk geld over de brug te komen: Jacob Meegoet en Jan de Dromere. Er zal wat afgeroddeld zijn in de stad. De weerspannigheid van Sluis staat ondertussen een echte vrede in de weg. Begin juli 1490 gaan de poppen opnieuw aan het dansen in Brugge en in de andere Vlaamse steden. De Westhoek en Nieuwpoort blijven trouw aan Maximiliaan die hier en daar wel met wat voorrechten heeft gezwaaid in het nadeel van de steden die zich tegen hem hebben opgesteld. De voordelen vloeien naar Nieuwpoort. Vooral de kooplieden en de markt halen er zo hun profijten uit.

 

Nieuwpoort heeft zich ook kunnen onttrekken aan de wettelijke jurisdictie die Brugge op haar uitoefent. Maximiliaan kondigt zijn beslissing af in een decreet van 18 oktober 1489. Nieuwpoort wordt gescheiden van Brugge dat zo gestraft wordt voor de volatiele houding van zijn inwoners. Brugge verliest meteen ook elke autoriteit over de streek van De Vier Ambachten van het Brugse Vrije. Die wordt onder de jurisdictie van Nieuwpoort gebracht. Het moet voor Brugge ongetwijfeld een harde klap zijn.

 

René Dumon preciseert nog even welke steden en parochies er onder de invloedssfeer van Nieuwpoort worden geplaatst: Gistel, Westkerke, Ettelgem, Roksem, Bekegem, Zevekote, Sint-Pieterskapelle, Moere, Zande, Mariakerke, Bredene, Zandvoorde, Oudenburg, Middelkerke, Leffinge, Stene, Wilskerke, Westende, Slijpe, Mannekensvere, Snaaskerke, Vladslo, Leke, Keiem en Beerst. Nieuwpoort plukt de vruchten van zijn trouw aan Maximiliaan en Oostende baalt.

 

De vrede wordt uiteindelijk toch getekend op 23 mei 1493. Een paar jaar later krijgt Nieuwpoort er een tweede jaarmarkt bij en wordt de havenstad in een decreet beschreven als 'la principale et meilleure ville de nostre Westpais de Flandres, est scituee et assise sur la frontiere de la mer, pour quoi elle est la cle de tout le westpais.' De officiële benaming van 'le Westpais' geeft een onbestemde allure aan wat we plegen de Westhoek of het Westland te noemen. Fijn. Nieuwpoort heeft nu de sleutel van het trouwe Westland in handen en is niet van zins om die in de toekomst af te staan.