P1450100

Enkele jaren geleden, bij het schrijven over de geschiedenis van Diksmuide, heb ik het pad gekruist van dat van het klooster van Hemelsdale te Esen dat op een bepaald moment met man en macht verhuist naar Zillebeke. Een vluchtige ontmoeting die nu plots weer erg actueel wordt als ik het vergeelde boek 'De Abdij 's Hemelsdale 1237-1796' van 'Fr. Desideratus, o.c.r. Westvleteren' uit 1949 in handen krijg en ik plots volop zin krijg om dit oude boek in een nieuw en actueel kleedje van onze latere dagen te vertalen.

 

Ik wil wel eens weten wie die broeder Desideratus eigenlijk is. Zijn volledige naam blijkt Odiel Marie Desideratus Slembrouck te zijn. Geboren te Werken in 1898, beleeft hij zijn jeugdjaren dus op een boogscheut van de plek waar zich ooit dat klooster heeft ontwikkeld. Odiel Slembrouck is een puber van zestien als de eerste wereldoorlog uitbreekt en hij, net zoals zo veel lotgenoten, moet uitwijken naar Frankrijk waar hij aanvankelijk werk vindt in het klein seminarie van Versailles. Op zijn achttien wordt hij gemobiliseerd en krijgt hij aan den lijve te maken met de gruwel van die vuile en eindeloze oorlog. De jongen moet dan al grote affectie hebben voor het kloosterleven.

 

Vanuit zijn standplek Alveringem kijkt hij begerig naar de naburige abdij van Sint-Sixtus te Westvleteren. Na de oorlog belandt hij echter niet daar, maar bij de Witte Paters van Boechout, in de buurt van Antwerpen. Ik haal deze boeiende informatie uit het jaarboek van het abdijmuseum van Koksijde. Odiel moet als jonge novice ongetwijfeld nog de knepen van het monnikenbestaan leren. Zoals de jongeren vandaag dwepen voor FC Barcelona of voor een of andere rijzende ster in de popwereld, blijkt onze broeder zich grotendeels te interesseren in het leven en de biografie van de Tongerense Lutgardis uit de jaren 1200, patrones van het Vlaamse volk en Cisterciënzerin van het eerste uur.

 

In 1924 slaagt broeder Desideratus in zijn doel en kan hij toetreden tot de stilte van de Sint-Sixtusabdij. Google toont zich weer eens erg behulpzaam. Ik stoot op een menukaart van 9 juni 1930 (2de Pinksteren) waarbij er in zijn thuisparochie Werken blijkbaar een plechtige eremis en dito viering doorgaat om zijn priesterwijding te vieren. De spijskaart achteraf toont een zesgangenmenu waarbij de 'sneukelingen' en de cognac niet ontbreken. Op een zeldzame foto uit 1935 zien we onze man voor de eerste keer in beeld.

 

Aan de Paterhoek te Westvleteren maakt Desideratus deel uit van de toneelvereniging 'Omver en Erover'. We maken kennis met een bonkige en baardige man in witte pij. Ik zie datzelfde gezicht op zijn doodsprentje uit 1963. Odiel Slembrouck, eerwaarde Pater Desideratus, Cisterciënzer, monnik en priester van Sint-Sixtus blijkt op zijn vijfenzestig overleden in zijn geliefde abdij. Zijn boek over Hemelsdale krijgt hij afgewerkt in 1948. Op de 850ste verjaardag van de stichting van de abdij van Cîteaux, geeft hij aan.

 

Anno 2013 maak ik voor de eerste keer echt kennis met de ziel en de taal van pater Desideratus. Het wordt een ongetwijfeld boeiende ontmoeting tussen mijn nihilistische ziel en de mans godsovertuiging. Hoe zal ik dat in hemelsnaam aanpakken? Of is dat laatste een vingerwijzing in mijn richting? Voor de Franse revolutie telt West-Vlaanderen nog altijd vier vrouwenkloosters van de Orde van de H. Bernardus: Groeninghe in Kortrijk, Guldenberg in Wevelgem, Spermalie en 's Hemelsdale in Brugge. Hier zijn doorheen onze geschiedenis zo veel jonge meisjes naar toe getrokken om hun leven te slijten binnen de muren van die kloosters. Ik krijg er warempel een claustrofobisch gevoel bij.

 

Onze pater-monnik gaat op zoek naar de levens van de vrome kloostervrouwen die ooit lotgenoten waren van het klooster van Hemelsdale. Het begint bij de Orde van Cîteaux. Maar eigenlijk nog veel eerder. Namelijk bij een zekere Benedictus die zich in het jaar 494 op 14-jarige leeftijd in het Italiaanse Subjaco terugtrekt om zijn leven in eenzaamheid te slijten in de hoop om één te worden met de oorsprong en de existentie van het leven op aarde.

 

Best vergelijkbaar eigenlijk met het boeddhisme, met alleen dat verschil dat Benedictus zijn oerbronnen bestempelt als 'God', what's in a name? Vanuit die soberheid en ongetwijfeld louterende eenzaamheid van veel tientallen jaren contemplatie wordt hij de voorloper van duizenden monniken die zijn weg zullen volgen en vooral zijn regels die daar in Subjaco rond 540 tot stand komen. De wijsheid druipt er van af en de 'Regula Benedicti', een proloog met 73 hoofdstukken reglementen, worden in 590 opgepikt door de kersverse paus Gregorius de Grote die bepaald onder de indruk is van die vreemde monnik en diens 'Regel van Benedictus' en die als standaard procedure gaat invoeren in zijn kerk. Dat resulteert in een algemene verspreiding ervan over het westen van Europa.

 

Rond de jaren 800 bevestigt Karel de Grote, de grote heerser over Europa, dat de 'Regula Benedicti' de enige kloosterregel zal zijn in zijn rijk. Zo ontstaat in 910 als eerste het klooster van Cluny die op zijn beurt er voor zorgt dat Cîteaux in 1098, dank zij het toedoen van een groep witte monniken, het levenslicht ziet. Tot zover een stuk geschiedenis. Maar wat houdt die harde en bittere regel eigenlijk in? In plaats van zonde en hoogmoed komt er een ootmoedig leven van gehoorzaamheid en het zichzelf wegcijferen om terug te keren tot de essentie van het leven.

 

Of zoals Benedictus het omschrijft: alles hier beneden moet geprepareerd worden om de latere terugkeer naar God te vergemakkelijken. Desideratus heeft het over de roemrijke geschiedenis van een heel geslacht heiligen daar in Cluny en later in het nieuwe klooster van Molesmes, maar hij geeft in dezelfde zinnen ook aan dat het allemaal niet van een leien dakje loopt daar in dat klooster en dat die strakke regel in de praktijk met de voeten wordt getreden. Het vlees van de mens is natuurlijk onweerstaanbaar zwak.

 

Waarom anders zou Cîteaux zich van de 'moerbrank' afscheiden om de 'Regel' in zijn oorspronkelijke strengheid te kunnen beleven? Op 21 maart 1098 trappen 21 monniken, onder leiding van een zekere Robertus, een Bourgondische edelman, het af daar in Molesmes. Ze hebben de gouden en zilveren bekers en borden gepikt, het heilig vaatwerk van die dagen. Samen met de koorboeken en één of andere stichtingsakte die nog afkomstig is van de bisschop van Châlons. De dissidenten vatten een tocht aan van 20 uur stappen.

 

Een mars die hen leidt tot aan de wildernis van Cîteaux, Cistercium, vijf uur ten zuiden van Dijon. In onze hedendaagse termen is de afstand tussen Dijon en Cîteaux in werkelijkheid 24 kilometer. Hier beginnen de eenvoudige monniken aan hun jaar nul. Een nieuw klooster in de brousse van Bourgondië bouwen is ongetwijfeld geen sinecure, maar deze plek zal later de bakermat blijken van de Cisterciënzerorde. Ze leven een hard en ruw leven waar het gezelschap meer dan eens dreigt om er onderdoor te gaan. Gelukkig zijn er de humor en de menselijkheid van Bernardus van Fontaines die vanaf zijn intrede in 1115, met een stuk tederheid en flegma, er voor zorgt dat de abdij plots aantrekkelijk wordt voor tientallen nieuwe monniken die Cîteaux plots gaan bekijken als een hippe plek, vooral in de context van een jeugd die toen blijkbaar al even rusteloos en losbandig is als die van nu en die enkel via de strenge boetedoening in het klooster in het gareel kan gehouden worden.

 

Onze priester-pater van Westvleteren heeft het in zeer lovende termen over zijn Bernardus van Fontaines die aan de basis ligt van de stichting van een klooster in Clervaux en zo bekend geraakt als Bernardus van Clairvaux. Wie zijn wij om daar wat van af te doen? Feit is wel dat de man in wezen een Bourgondische edelman is die er met een stuk of wat familieleden de scepter gaat zwaaien over de grondgebieden van de abdij en de veel nieuwe abdijen die nu plots over heel Europa als paddenstoelen uit de grond schieten.

 

Bij zijn dood in 1153 telt de orde meer dan 300 kloosters. Onder het mum van het eenvoudig en primitief leven in de vele kloosters, meestal gelegen in onherbergzame gebieden, openbaart zich in de achtergrond een geniale financiële strategie. Met Bernardus van Clairvaux aan het hoofd van dit indrukwekkend imperium. De postulanten stromen inderdaad in groten getale toe en de aanvragen zijn zo talrijk, dat er volgens Desideratus in 1134 als 77 Cisterciënzerkloosters zijn, waaronder de Bourgondische adel schuil gaat.

 

Ter Duinen en Orval zijn er al in ons land. Hij vraagt zich terecht af hoeveel jonge Vlaamse edelen Bernardus tijdens zijn reizen door onze gewesten eigenlijk niet meelokt naar Clairvaux? Wat hij er niet bij vertelt, is natuurlijk het feit dat er enkel kan toegetreden worden na afstand van eigendommen en gronden aan de abdij van zijn keuze. Die Bernardus moet ongetwijfeld een speciale en vooral erg machtige man zijn. Een persoonlijkheid tot en met. Bij de lage landen aan de zee worden de kloosterlingen omschreven als 'Bernardijnen'. En ook de oude kronieken die het hebben over onze Vlaamse gewesten spreken over de orde van de Heilige Bernardus. Maar wat heeft het vrouwenklooster Hemelsdale te zien met dat mannenbastion van Bernardus?

 

Het strenge kloosterleven blijkt ook vrouwen aan te trekken. In 1123 zien we een eerste vrouwenklooster van de Orde van de Cisterciënzers tot stand komen in Tard, ook al in de buurt van Dijon. Centraal in de Bourgondische bakermat. Van dan af gaat de ontwikkeling snel en komen er meer vrouwenkloosters dan abdijen. Desideratus spreekt zijn bewondering voor het zwakke geslacht niet onder stoelen of banken. Dat zo veel vrouwen aangetrokken worden tot het strikte kloosterleven en dan nog dat van de strenge Orde van Cîteaux, gaat zijn petje te boven. Wat kan er anders achter schuilen dan de Goddelijke Voorzienigheid, schrijft hij. Zo veel zielen die geroepen worden om een volmaakt leven te leiden.

 

Er komt al snel een andere reden aan de oppervlakte. De eerste kloosters worden vooral bevolkt door jonge weduwen die hun man zijn kwijtgespeeld in de aanhoudende oorlogen en de tochten naar het heilig land. Het potentieel aan jonge mannen is flink uitgedund en met al die jonge weduwen op de markt is het aanbod van mannelijk libido bepaald schaars. En dat in combinatie met de ruwe zeden van het volk van die dagen.

 

De geestelijken proberen met harde hand de christelijke regels op te leggen, maar kunnen natuurlijk niet verijdelen dat jeugdige vrouwen en maagden zowat overal gevaar lopen om geschaakt te worden. De keuze van de dames voor de kuisheid en de vrede voor hun God is uiteraard vaak een vlucht naar veiligheid en geborgenheid. Een ooggetuige van de vloed naar de kloosters omschrijft het in het begin van de jaren 1200 als volgt: 'jonge dochters lopen er met hopen naar toe, weduwen snellen er heen. Kloosterzusters verlaten het kleed dat zij droegen, ten einde de voordelen van een strenger en volmaakter leven te genieten. Edele vrouwen doen afstand van hun goederen en bezittingen en gaan zich ootmoedig verbergen in 's Heren huis, liever dan te blijven wonen in de tenten der zondaars.'

 

Van het aanpraten en de pure indoctrinatie van schuldgevoelens door de clerus, lezen we vanzelfsprekend niets. De zusters dragen een witwollen kleed, een zwart scapulier met daarboven een lederen riem om de lenden. Het hoofd is bedekt door een zwarte sluier. De dames moeten natuurlijk aan het werk. Gratis en onbezoldigd. Eerst alle eigendommen afstaan aan de kloostergemeenschap om vervolgens een leven pro Deo te werken. Onder het voorwendsel van Goddelijke devotie zien we het lucratieve concept van onze Bernardus doorschemeren. Als de juffrouwen niet moeten werken en niet slapen, dan dragen ze boven hun kleed een witte koormantel. Met wel erg lange mouwen, want als de handen naar omlaag gehouden worden, reiken de mouwen tot kniehoogte.

 

Meisjes die in hun proefperiode zitten, novices dus, zijn helemaal in het wit gekleed. Habijt, scapulier, gordel en mantel zijn allemaal wit. Met dat verschil dat hun mantels niet dichtgemaakt kunnen worden en niet voorzien zijn van mouwen. En dan zijn er nog de kloosterlingen die de hele dag moeten werken, de lekenzusters. Werken in de keuken en op het land. Zorgen voor de zieken, onderhoudswerk, het voederen van de dieren.

 

De lekenzusters lopen gemakshalve in het bruin gekleed rond en dragen daarbij een zwarte sluier. Hoe lager de inbreng bij de toetreding, hoe donkerder de mantels wel zullen zijn. Aan het hoofd van het klooster staat een abdis die door de zusters zelf voor het leven verkozen werd. Die staat onder supervisie van de abt van een of andere grote mannenabdij. In West-Vlaanderen is dat meestal de vader-abt van Clairvaux, die dan de prelaat van een nabijgelegen abdij belast met een jaarlijks bezoek aan de zusters. De abt-visitator controleert ter plekke of de vrouwen nog leven volgens de geest van de orde en de regels van Benedictus. De geestelijke zorgen van de dames worden onder handen genomen door paters van een dichtbij gelegen mannenklooster. Kerkelijke diensten.

 

Het toedienen van de heilige sacramenten. Er staat een pater-biechtvader ter beschikking. Hij alleen mag de biecht afnemen van de zusters die in ruil zorgen voor zijn volledig levensonderhoud. Het organogram van het klooster leert ons nieuwe namen en functies kennen. We maken kennis met de assistente van de abdis, de priorin of de onderpriorin die moet waken over de orde en de tucht bij de dames. De novicenmeesteres zorgt voor de geestelijke zorgen van de nieuwelingen. Dan zien we nog de kelderwaarderes die zorgt voor de aankopen en het onderhoud, de refterzuster, de ziekenzuster en de portieres. Er loopt ook een 'boursiereghe' rond, de boekhoudster van het klooster die de inkomsten en de uitgaven van de instelling nauwkeurig registreert.

 

Ik wil wel eens een vlieg zijn en het leven in zo'n klooster meemaken. Pakweg 800 jaar geleden. De klok roept de zusters op om twee uur in de nacht en kondigt de nachtgetijden aan. Op feestdagen worden die nachtgetijden trouwens nog een uur eerder gehouden. Opstaan op dit onmogelijk uur is niet moeilijk, schrijft Odiel Slembrouck. De zusters slapen op hun strozak en blijven hierbij volledig gekleed. Beelden van pijnlijke ledematen verschijnen me voor de geest maar ik kan me amper een beeld vormen hoe de toestand van hygiëne en geuren moet zijn. 'Hard voor het lichaam maar vreugdevol voor de ziel.

 

Een uurtje van volmaakte ingetogenheid. Terwijl Gods schepping nog slaapt, kunnen de meisjes hier hart en ziel uitstorten bij hun almachtige Heer en de uiteindelijk uitgesproken Ave Maria giet licht over de nieuwe dag en biedt volharding aan het arbeidsvermogen.' Gebed en nog eens gebed tot 3 uur en dan geeft de overste teken om te beginnen met de Metten en de Lauden die in de week zowat één uur duren en op zon- en feestdagen kunnen uitlopen tot 5 uur in de morgen. Rond 4u30 begint de misviering, de 'Beata', opgedragen aan Onze Lieve Vrouw om drie kwartier later, om 5u15, eindelijk te beginnen aan het ochtendgebed, de Primen, waarbij de leden van het kapittel voorlezen uit het martelaarsboek van Benedictus en zich focussen op elke dag één regel uit dat boek.

 

Eindelijk volgt het ontbijt. Een homp brood van 180 gram voor ieder. In de vastentijd wordt dat gereduceerd tot 60 gram. Van toespijs is er geen sprake, hoewel choco vermoedelijk nog niet bestaat. Daarna volgt de Hoogmis, maar we vergeten nog bijna de Officie der Tertiën. De rest van de voormiddag besteden de zusters hun tijd aan 'geestelijk' lezen, studie en handwerk. Iedereen moet trouwens ook de handen uit de mouwen steken. Werken in de gemeenschappelijke zaal, of in de tuin, of in de kerk aan de voeten van de grote baas.

 

De Sexten gaan het middagmaal vooraf. De stilte is en blijft dominant aanwezig. In de refter staat een sober maal klaar om verorberd te worden. Nooit vlees. Nooit vis. Die zijn alleen beschikbaar op de ziekenafdeling. Ook eieren zijn verboden. Soep, pap, aardappelen, bonen of andere groenten, kaas en fruit worden geruisloos naar binnen gespeeld. Daarna schuifelen de dames processiegewijs naar de kerk terwijl ze het Miserere zingen en God bedanken voor zijn milde gaven. Miserie, ja. Dan volgt er eindelijk wat rust. Wat rusten in de slaapzaal of wandelen in de tuin en na het middagdutje wordt de tijd weer verdeeld tussen gebed, arbeid, studie en geestelijke lezing.

 

Bij het zakken van de zon is de tijd aangebroken om in de kerk de Vespers te zingen en te gaan bidden vlakbij het tabernakel. Met de Completen neemt de blanke stoet afscheid van de dag en weerklinkt het 'Salve Regina' uit alle monden. Gesterkt door wat gewijd water van moeder abdis, leggen ze 'hun vermoeide leden op den strozak te rusten om in een zachten slaap nieuwe krachten op te doen', zo beschrijft Desideratus het slapengaan van zijn zusters. Dat is nu het echte Cisterciënzerleven. Op het eerste zicht een weerzinwekkend leven, vindt onze priester-pater zelf. Een blinde onderwerping, vernederende oefeningen, onthouding, vasten en nachtwaken die in principe zouden moeten sublimeren in een ultieme vrede voor de zielen.

 

De afgestompte, gekraakte en gebrainwashte geesten van onze zusters kunnen waarschijnlijk niet eens meer het onderscheid maken tussen vrede en dit wrang smakend geluk. Waar zijn ze toch aan begonnen? Die identieke dagen worden aan elkaar geregen in dit blijkbaar eeuwig schema van bezinning, arbeid en gebed waar niemand kan aan ontsnappen. Zich buiten het klooster begeven, is uiteraard taboe, het kloosterslot weet je wel, en buitenstaanders hebben natuurlijk ook niets te zoeken in het klooster of in de kloostertuin. Eventuele gasten worden verwelkomd of te slapen gelegd in een afzonderlijk gebouw dat zelfs beschikt over een afzonderlijke keuken.

 

Zo komen we dan bij Hemelsdale terecht. Waar komt die speciale naam toch vandaan? Het klooster wordt in 1237 te Esen gesticht door Elisabeth, de weduwe van Boudewijn van Steenvoorde en verhuist in 1270 naar Zillebeke bij Ieper, geven de geschriften aan. Pas in Zillebeke krijgt het klooster zijn specifieke naam. Pater Jozef Canivez schrijft het neer: 'trente ans après sa fondation le monastère est transféré à Zillebeke, près d'Ypres, dans un lieu nommé Hemelsdaele'. Andere bronnen hebben het al over Hemelsdale in Esen zelf. De zusters beschouwen zich daar al als dochters van Bernardus van Clairvaux, de man die de dalen beminde.

 

Het lijkt me ver gezocht. De Esense locatie wordt in de schenkingsactie 'Hieth' genoemd en de nieuwe stiching wordt omschrijven als 'del Heed', een naam die verwijst naar heidegrond. Meer niet. Diederik van Beveren, de burggraaf van Diksmuide, bezorgt ons het antwoord. Hij heeft het in 1244 over de 'vallis celi, locum del Heed in parochia de Esna.' In 1268, twee jaar voor de verhuis naar het Ieperse, hebben de abten van Clairmarais en Ter Duinen het over de naam 'Vallis Coeli'. In diezelfde periode worden er in onze contreien een reeks kloosters gesticht en hier vinden we tekst en uitleg over het waarom van de naam Hemelsdale.

 

Een mix tussen God en hemel met de natuur op aarde. Hemelsdal in Opheven, Godsdal, Mariëndal, Paradijsdal of Valparayso, Heiligdal. Odiel Slembrouck denkt terug aan zijn jeugdjaren voor 14-18 in zijn geboortedorp Werken. Hij herinnert zich nog de herberg 'in 's Hemelsdale' op de weg tussen het centrum van Werken en de Kruisstraat. Wat is het toch spijtig dat dit verdwenen café zowat het enige is dat nog herinnert aan zijn klooster. Buiten die naam is er nog wel sprake van een kloosterstuk en een kloosterwegel en voor de rest is er niets.

 

De stichtingsakte van Hemelsdale overleeft de tijd. Elisabeth van Steenvoorde en haar dochters Margareta en Aleydis hebben zich in december 1237 laten vangen aan de mooie praatjes van de abdis van het jonge klooster van Marquette bij Rijsel en schenken hun hele hebben en houden, de landerijen die ze in leenbezit hebben van Diederik van Beveren, en hun renten aan de Cisterciënzerorde. Die laatste is in dat jaar nog niets eens meerderjarig waardoor zijn moeder in samenspraak met gravin Joanna, in maart 1238, hiervoor de toestemming moet geven en er een voorwaarde aan toevoegt dat er effectief op 'Hieth, in parochia de Esna', in de buurt van Diksmuide, een klooster moet gebouwd worden. Esen staat bekend als een oude parochie die al het leven ziet in 961.

 

De eerste kapel van Diksmuide staat trouwens onder het gezag van Esen en ook de kapellen van de omliggende dorpen Woumen, Klerken, Kaaskerke en Sint-Jacobskapelle ressorteren onder Esen. De parochie paalt aan Diksmuide, Vladslo, Werken, Zarren, Klerken en Woumen. De ligging van het klooster staat nauwkeurig omschreven in het boek van Odiel Slembrouck en dank zij hem ben ik er enkele jaren geleden in geslaagd om de plek effectief te bezoeken en op foto vast te leggen. In datzelfde 1237 wordt ook het klooster gesticht.

 

Dat schrijft Carolus de Visch in elk geval. 'Dit clooster van Onse Lieve Vrouwe van Hemelsdaele, is eerstmael ghefundeert int jaer ons Heeren 1237, in de parochie van Eessene, op het goedt ghnaemt: Hiedt, door de edele vrouwe Elizabeth, weduwe van den heere Boudewyn van Steinfort, welcke hier toe liberalick haer goedt opgedreghen heeft in de handen van d'eerw. Abdisse van Markette, van wien sy verkreghen heeft eene abdesse, prieuse, bourchierige, met noch eenighe andere religieusen, om dit nieu clooster te bewoonen, ende aldaer in alles te leven naer het uutwysen der ordonantien van de orden van Cisteaux, gelyck die van Markette waeren levende.'

 

De prieuse waarvan sprake hebben we daarnet al betiteld als 'priorin' en de bourchierige is de non die aangesteld is om het stoffelijk beheer waar te nemen. Hemelsdale mag dan wel bewoond worden in 1237, maar is op dat moment wel niet nog in de Orde van de Cisterciënzers opgenomen, vertelt pater Desideratus. Hij vergeet trouwens dat er in de winter van 1237 alleen sprake is van landgoed, maar dat de bouw van het klooster vermoedelijk pas vanaf 1238 kan aanvatten. Via een lokale bron kan hij de hand leggen op een manuscript dat aangeeft dat alles pas helemaal rond komt in juni 1242 en het klooster van Hemelsdale nu inderdaad een officieel Cisterciënzerklooster geworden is. Het blijkt trouwens de gravin zelf die het verzoekschrift heeft ingediend om Hemelsdale te laten opnemen in de Orde en uit haar brieven leren we trouwens dat de abdij maar pas opgetrokken wordt in 1241.

 

Blijkbaar moet mevrouw van Steenvoorde in Esen een soort hoeve gehad hebben waar de eerste kloostergemeenschap zijn optrek had om vervolgens over te gaan tot de bouw van een echt klooster. Het duurt niet lang vooraleer Elisabeth van Steenvoorde tot het besef komt dat ze in de zak gezet is. Desideratus komt tot dezelfde ontdekking, maar hij blijft voorzichtig met zijn woorden: 'er ontstaat een geschil tussen de Abdis en Mevrouw van Steenvoorde over schillende aangelegenheden die niet te achterhalen zijn'. Elisabeth zal vermoedelijk blijven wonen zijn naast de nieuwe abdij en het zal haar waarschijnlijk ergeren dat de nieuwe abdis een eigengereid beleid voert zo vlak naast haar deur en de schenkster daarbij compleet negeert.

 

De vrouwen kunnen elkaar wel in de haren vliegen en er is een tussenkomst van de gravin van Vlaanderen nodig om de gemoederen wat te bedaren. Er komt een vergelijk uit de bus en daaruit blijkt inderdaad dat mevrouw van Steenvoorde zich ongetwijfeld moet bedacht hebben en geweigerd heeft om de 500 pond opbrengsten van haar gewezen gronden over te maken aan het klooster. Die zal ze nu toch afgeven, maar er moet wel een deel van dat geld overgemaakt worden aan haar zonen, die er van rechtswege recht op hebben als erfgenamen van hun overleden vader.

 

De akte bevestigt dat de grond voortaan toebehoort aan het klooster, maar regelt wel dat Elisabeth de beschikking krijgt van 15 gemeten grond, in onze actuele landmaten komt dit neer op zowat 6 hectare. Voor dat gebruik van die grond dient ze wel jaarlijks 50 Artesische ponden huur te betalen aan de abdis. Onze mevrouw van Steenvoorde moet trouwens ook gerommeld hebben met het water van de beek die naar het klooster loopt. En dat wordt haar nu uitdrukkelijk verboden: de waterloop die langs haar huis loopt moet zijn vrije weg volgen en het water mag niet opgehouden of vertraagd worden.

 

De schuren en de gebouwen van Hemelsdale zijn voortaan ook officieel eigendom van het klooster, maar de weduwe mag, in afwachting van de bouw van een eigen schuur, wel nog tijdelijk haar oogst opslaan in de loodsen van haar buren. De laatste clausule geeft haar trouwens een flinke veeg uit de pan. Alles wat ze geschonken heeft aan het klooster, blijft geschonken en alles wat ze nu opnieuw ter beschikking krijgt, is er enkel dank zij de goodwill van het klooster. Ze moet er eigenhandig voor zorgen dat alles intact blijft zodat het geheel bij haar overlijden ongeschonden kan terugkeren naar Hemelsdale. De verzoeningsakte wordt ondertekend door de Vlaamse topfiguren van die dagen: gravin Joanna en de abt van het klooster van Ter Duinen.

 

Kerk staat synoniem met macht en de ongebreidelde groei van de abdijen in het Vlaamse en Europese landschap verstoort de tot dan toe exclusieve machtspositie van de gevestigde proosdijen. De kloosters en de kerk mogen dan wel de zelfde God als patroon hebben, maar dat belet hen niet om te vechten om de bonus die de geestelijke macht over de mensen hen oplevert. In het cartularium van de Sint-Maartensproosdij zien we hoe ver de geestelijken in de 13de eeuw gaan om hun macht te consolideren in de kloosters, abdijen, godshuizen en verpleeghuizen die zowat overal de kop op steken.

 

En ook in Esen zien we identieke toestanden opduiken. Het is best grappig om de lust voor macht en geld vanuit het helikopterzicht van de 21ste eeuw te duiden en de vinger te leggen op de valse en achterbakse voorwendselen die zich achter de maskers van het christelijk geloof verbergen. Als Jezus Christus daadwerkelijk zou bestaan hebben en zoals geclaimd ook teruggekeerd is naar het universum, wel dan moet hij zich daar blauw ergeren aan het feit dat zijn naam zo misbruikt wordt. Enfin, we gaan terug naar Hemelsdale van het jaar 1242. Desideratus schrijft dat er eucharistievieringen mogen worden opgedragen: 'In datzelfde jaar 1242 kreeg abdis Machteld vanwege Petrus, bisschop van Terenburg of Terwanen, de vereiste oorlof om in haar klooster de goddelijke diensten te laten celebreren'.

 

Ik blijf verder gaan in de taal van 1948, onze pater beschrijft het eenvoudig. Hij verbloemt de zaken niet en hij beschuldigt niemand maar toch kunnen u en ik zo perfect de nodige conclusies trekken: 'Nu zouden we kunnen menen dat de jonge communiteit van Esen rustig van wal kon steken, doch dat was het geval niet. De parochie-herder van Esen, Diederik genaamd, vernam niet zonder spijt dat er een klooster op het grondgebied van zijn parochie zou opgericht worden, met een kerk daarbij, en vooral dit laatste drukte hem zwaar op het hart. Hij zou het echter ook niet zo goedsmoeds laten gebeuren.'

 

Pastoor Diederik en zijn parochie maken deel uit van de proosdij van Sint-Donaas te Brugge. In die tijd is kerkgang voor de mensen een verplichte zaak. Wie niet geeft en schenkt aan de kerk, riskeert de eeuwige verdoemenis in de hel en de vrede van het eeuwig leven kan perfect verdiend worden hier op aarde, zolang er maar zaad in de offerandebakjes en de offerblokken komt. Met de opbrengsten van de missen, de begrafenissen en de giften van de mensen, bouwen de proosdijen stelselmatig hun eigendommen en landerijen uit, die dan op hun beurt zorgen voor nieuwe inkomsten. De Franse revolutie zit nog erg ver weg verscholen in de toekomst en de opbouw van het 'zwarte goed' is volop aan de gang.

 

De proost van Sint-Donaas pikt het natuurlijk niet dat er in Esen onder zijn duiven geschoten wordt. En er komen vodden van. De ergernis loopt uit op een proces. Op 21 juni 1242 volgt de uitspraak. Het gaat vlug. Egidius van Bredene, de proost van het Sint-Pieterskapittel van Douai en Jacob Futchelare, de kanunnik van Sint-Donaas zijn de scheidsrechters. Eerstgenoemde staat bekend als beschermer van de Cisterciënzers en zal vermoedelijk aangeduid geweest zijn van de zusters van Hemelsdale. We buigen ons over hun uitspraak. Geen enkele Esenaar mag begraven worden in het klooster, zonder dat zijn stoffelijk overschot voorafgaand de parochiekerk is binnengedragen. De offeranden van de uitvaartdiensten en de jaargetijden moeten afgestaan worden aan de pastoor en voor al de voordelen die de nonnen krijgen in de parochie, moeten ze jaarlijks een som van 40 schellingen Vlaamse munt afstaan aan de dorpspastoor.

 

Abdis Machteld legt in 1257 haar functie en haar hoofd neer na een verdienstelijk leven, schrijft Odiel Slembrouck. Ze heeft aan haar dochters de weg geleerd van de zelfverloochening en de vereniging met God, zonder daarom de stoffelijke vooruitgang te verwaarlozen. In haar plaats komt Maria van Harelbeke aan het roer van de kloostergemeenschap. Ook zij is in 1242 overgekomen van Marquette. Het klooster heeft de voorbije jaren kunnen genieten van enkele bijkomende schenkingen en beheert nu een stuk grond van een kleine 10 hectare.

 

Niets laat aan de zusters vermoeden dat hun leven enkele jaren later grondig zal veranderen. Buiten hun wil trouwens, want het zijn vreemde gebeurtenissen in de stad Ieper, die aan de basis liggen van de veranderingen. Een familieruzie tussen vooraanstaande Ieperse families eindigt op een drama. Margaretha Medem vermoordt in 1262 haar man Michiel van Torhout en wordt voor de rest van haar leven in de gevangenis opgesloten.

 

Het hele verhaal hebben we vanuit de Ieperse context verteld en we citeren nog eens wat toen geschreven werd: 'In maart 1267 komt de gravin van Vlaanderen plots op de proppen met de religieuzen van Hemelsdale die hun klooster hebben te Esen bij Diksmuide. Ze schenkt de nonnen het buitengoed en alle grond van de vermoorde Ieperling. De omwalde woning, de motte (heuvel), de tuin en het erf, de grachten en de omliggende gronden beslaan in totaliteit meer dan 8 hectare. En dan komt er nog een stuk grond van 4 hectare akkergrond bij die gelegen is op de Dunehauwe richting Zonnebeke.'

 

Het moet een schok zijn voor de zusters. De gravin verlangt van hen dat ze hun klooster in Esen opgeven en dat ze zich komen vestigen aan de oostelijke zijde van Zillebekevijver, in de buurt van de Maaldestedestraat, tussen de Kruiskalsijde en Zillebekedorp. Na akkoord van het superviserend kapittel van Cîteaux mogen de zusters in 1270 verhuizen naar Zillebeke dat door Desideratus omschreven wordt als een bevallig dorp gelegen op een mijl afstand ten zuidoosten van de stad Ieper. Een plaats waar men beboste heuvels vindt met heerlijke dalen, vruchtbare landerijen en een grote vijver die de stad vroeger van water voorzag.

 

Minder bevallig zijn de reacties van de heren kanunniken van het patronaat van de Sint-Maartensproosdij van Ieper. Daar gaan we weer. De geestelijken zien zich bedreigd in hun inkomsten en eisen een vergoeding voor het verlies dat ze mogelijk zullen ondergaan. Het woord 'mogelijk' verraadt veel. Er worden drie scheidsrechters aangesteld om de zaak te regelen. De eerste is vermoedelijk een familielid van de abdis zelf. Het is Pieter van Harelbeke en die is aartsdiaken van Kortrijk. Ieper vaardigt kanunnik Willem Peinart af en de derde is Walter van Veurne, de proost van Sint-Winoksbergen.

 

Op 1 april 1270 beslissen ze dat de nonnen van Hemelsdale jaarlijks 16 Vlaamse ponden dienen te betalen aan Sint-Maartens en dit als vergoeding van het verlies die de proosdij zal lijden op de offerandegiften die aan de kerk van het klooster zullen worden geschonken. Kloosters kan je in de 13de eeuw een beetje vergelijken met de ngo's van onze tijd. Op vandaag zijn de giften aan ngo's aftrekbaar van de belastingen, in de jaren 1200 worden giften aan kloosters vergoed met het eeuwig leven in de hemel en dat verklaart waarom de nieuwelingen van Hemelsdale weer in de prijzen vallen. Salomon Morin wil ook wel langer leven dat wat hij hier op aarde toegewezen heeft gekregen en schenkt nog in datzelfde 1270 zowat 8 hectare grond, 3 hoeden haver, 15 kapoenen en een rente van 35 stuivers. Allemaal boter bij de vis voor de nieuwe kapelanij die hij sticht in Hemelsdale.

 

Misschien voor alle duidelijkheid betekent dit in wezen dat er een kapelaan wordt toegekend aan de kapel die er voor zal zorgen dat er op regelmatige tijdstippen een misviering kan worden opgedragen. In de context van het sterk stijgende bevolkingsaantal in de stad van Ieper, heeft het de voorbije decennia kapelanijen geregend en nu valt Zillebeke in de prijzen. Het blijft trouwens niet bij die ene kapel daar op Hemelsdale. Walter Boom en zijn huisvrouw Catharina schenken er ook eentje aan onze abdis Maria. De proosdij van Sint-Maartens is betrokken partij want die moet er voor zorgen dat de renten en de 150 Vlaamse ponden die bestemd zijn voor het betalen van de kapelaan, correct worden uitbetaald.

 

Het kwijtschrift dateert van 26 februari 1279. De verschillende bronnen spreken elkaar niet tegen. Maria van Harelbeke bestuurt haar klooster tot aan haar dood in 1298. Een periode van 41 jaar en wat we nog niet weten is dat ze 5 jaar voor haar dood nog eens een verhuis moet zien te overleven. Na een verblijf van 20 jaar in Zillebeke, vraagt de abdis inderdaad toestemming aan het algemeen kapittel van Cîteaux om te mogen verhuizen naar Werken en wordt de 'pater-abbas' aangesteld om haar vraag te onderzoeken. We leven dan in het jaar 1291.

 

Pater Desideratus piekert zich suf. Waarom verhuizen? Heeft de kloostergemeenschap in Zillebeke onvoldoende ruimte? Hij gaat terug naar zijn geboortedorp Werken waar graaf Gwijde van Dampierre en zijn madame Isabella van Luxemburg daar een klooster laten bouwen voor de Rijke Klaren, toen nog Urbanisten of Clarissen genoemd. Tja, een klooster, is het niet eerder een Goddelijke gevangenis? Hoe kan je anders volgende zin interpreteren? 'De Clarissen werden aldaar in hun klooster opgesloten op Sint Michielsavond in september van het jaar 1287, in tegenwoordigheid van Graaf Gwijde, zijne edele gemalin en veel andere edellieden'.

 

Er zal wel een flinke geur van godsvruchtige decadentie achter zitten als graaf Gwijde en vrouw Isabella enkele jaren later de toelating vragen en krijgen om een klooster te bouwen in het buitengebied van hun goed Beaulieu te Petegem en om de nonnen van Werken te doen versassen naar Petegem. In wezen betekent de verkassing een ordinaire aankoop van het klooster dat leeg zal achtergelaten worden. En voor dat laatste moet de gravin een oplossing zien uit te dokteren. Het klooster moet absoluut uitgebaat worden, de lokale belangen zijn te groot om filiaal Werken zomaar te sluiten.

 

Ze komt in contact met de abdis van Hemelsdale in Zillebeke en vraagt de zusters of ze niet zouden willen verhuizen naar het beter geschikte klooster van Werken. De gravin speelt het deze keer op zeker. Ze heeft gezien tot welke problemen nieuwe kloosters kunnen leiden als ze in conflict komen met de bestaande kerkelijke hiërarchie. Werken staat onder het patronaatschap van de abt van Noyon en bij hem wordt dus vriendelijk gevraagd of hij bezwaar zou hebben tegen de verhuizing van de Zillebeekse geestelijken naar zijn territorium. Het is voor u lezer wat verwonderlijk dat de lakens in Werken uitgedeeld worden door een abdij die 200 km verderop is gelegen.

 

We gaan dus even terug in de tijd om het plaatje te vervolledigen. In 641 heeft Sint-Elooi ooit de eerste steen gelegd van de eerste kerk en Benedictenabdij van Ourscamp bij Noyon. Elooi is op dat moment de bisschop van Doornik en Noyon. Het is Elooi zelf die de tiendenrechten van Werken toekent aan de nieuw te bouwen abdij. Blijkbaar moet de kerstening van de Werkense bevolking niet van een leien dakje lopen. Desideratus is er vrij zeker van dat er in datzelfde jaar 641 al een kerk of ten minste een kapel moet gebouwd zijn in Werken die noodgedwongen opgetrokken is in de onmiddellijke buurt van de heidense offerplaats van de 'Hoogen Adjoen'.

 

Het is een interessante brok streekgeschiedenis. In 1861 worden er 'delvingen' gedaan in de 'Hogen Adjoen', een van de drie moten die zich situeren vlakbij de dorpplaats van Werken aan de kant van de 'Broeken'. Op zowat anderhalve meter diepte worden asresten, houtskool, een massa beenderen en koeien, schapen, hoorns van geiten, tanden van varkens, resten van kruiken en nog veel ander moois opgedolven. De geleerden zijn het roerend eens: hier hebben onze heidense voorouders offerceremonieën ter ere van hun goden opgevoerd. Odiel Slembrouck veronderstelt dat de eerste geloofsboden van Sint-Elooi vermoedelijk de bestaande wegen gebruikt hebben om vanuit Brugge af te zakken naar het zuiden.

 

Eerst de aardeweg tot aan Wijnendale en vandaar via de Steenstraat, zowat de enige begaanbare weg, naar Werken waar ze geconfronteerd worden met die heidense offerplaats. De 'Hogen Adjoen' ligt dus vlakbij de Steenstraat en vlak ernaast, op een andere mote wordt een alternatieve offerplaats opgericht die deze keer bestemd is om de ware God te eren en opgedragen wordt aan Sint-Maarten, de bisschop van Tours die in 397 gestorven is. Maar genoeg met de heidense geschiedenis. We keren terug naar de realiteit van de jaren 1200. Abt Johannes van Noyon en de bisschop van Doornik zien geen graten in de verhuis naar het leegstaande klooster.

 

Maar onze gravin moet natuurlijk nog toestemming krijgen van de abten van Cîteaux en Clairvaux. En hier voel ik nattigheid. In de hele vroege geschiedenis van Vlaanderen is de vermenging tussen landsbestuur en abdijen zeer wazig geweest. De graven hebben de hand gelegd op de abdijen na de era van de Noormannen rond 900 en sindsdien zijn kerk en staat één pot nat geworden. Vandaar mijn scepsis: onze gravin heeft niet gevraagd of de zusters van Zillebeke wilden verhuizen. Het is een kwestie van moeten geweest! In 1293, op de zaterdag na de octaaf van de Heilige Drievuldigheid, vertrekt er een brief die aan de religieuzen van Hemelsdale toestemming verleent om te verhuizen naar Werken.

 

Op het eerste zicht een vriendelijke brief. Zo van geliefde zusters alhier en kloosterlijke volmaaktheid aldaar, maar als puntje bij paaltje komt is er sprake van een gebod en een bevel om te verhuizen op straffe van de ban. Genadeloze kost is het. We citeren een fragment uit de bewuste brief: 'We geven u toelating en gezag om met uw klooster naar de genoemde plaats Werken (ad villam de Warquines) over te gaan, daar te wonen en er volgens de regel der Orde en het Algemeen Kapittel verleend, gebieden en bevelen wij uit kracht der heilige gehoorzaamheid en op straffe van de ban, na deze brief gezien, gehoord en aanvaard te hebben, u tot het voorzeide gereed te maken en tot die voornoemde plaats over te gaan.

 

En zo heeft de gravin haar klooster in haar achtertuin en een goed bevolkt klooster in Werken. Ze legt er 1000 Vlaamse ponden voor neer om het klooster te kopen en graaf Gwijde laat nu officieel weten dat de abdis van Beaulieu op de Schelde, nu Petegem bij Oudenaarde, ongedwongen, de gebouwen en al de landerijen welke zij aan Willem de Kien en Daniel van Bovekerke gekocht had, overlaat aan de abdis van het convent van Werken, die vroeger te 's Hemelsdale bij Ieper woonden. We laten Zillebeke noodgedwongen achter ons en trekken mee naar Werken.

 

De grond beslaat ruim 42 gemeten, zowat 17 hectare, het resultaat van verschillende transacties uit het verleden. De abdij zelf werd gebouwd op de 6 gemeten die gekocht waren aan Daniel van Bovekerke. Het leeuwendeel, het 12 hectare tellende 'Muelevelt' Ter Walle wordt gekocht aan Willem de Kien. De rest is een schenking van de graaf zelf. De abdis van Hemelsdale te Werken mag deze landerijen ten eeuwigen dage gebruiken en moet er niet de minste renten, cijnzen of andere lasten op betalen.

 

Die 17 hectare zijn slechts een aanwinst daar in Werken. De abdij wordt in 1294 bevestigd in al zijn eigendommen. De gronden, goederen en renten situeren zich over de hele Westhoek. Zo zien we in het boek een lijst van eigendommen met hun locaties. Een hele bladzijde eigendommen. Van Diksmuide tot Woumen, over Vlamertinge en Lampernisse. Van Mannekesvere tot Zonnebeke, Alveringem en Adinkerke. 153,5 hectare grond, dat wil al iets zeggen, en drie jaar later heeft onze abdis Maria van Harelbeke er nog een stuk grond van 4 hectare gekocht in Kaaskerke, waar de hofstede 'Ter Keynghe' uit de grond wordt gestampt.

 

Maria van Harelbeke sterft op 10 september 1298. Ik krijg een sterk vermoeden dat pater Desideratus in wezen een romanticus is. Hij mag dan wel een kop als Streuvels hebben en een baard als Leopold II, maar met wat houdt hij zich bezig in zijn boek over Hemelsdale? Hij vertelt over de weg die de zusters hebben gevolgd om van Zillebeke naar Werken te verhuizen. We begeven ons met hem en met de zusters op die weg. Hoe boeiend kan geschiedenis toch zijn! We laten hem graag zelf aan het woord: 'van Ieper over Boezinge naar de Steenstraat, bij de huidige wijk Lizerne, zo vermaard geraakt tijdens de oorlog van 14-18.

 

Dan de Steenstraat gevolgd over Merkem en Woumen, vervolgens een eindwegs op de grens Esen-Klerken, op een tiental minuten ten zuiden van hun eerste stichting te Esen, dan verder voort langs de Steenstraat, over het grondgebied van Esen, naar Werken. Die Steenstraat, die oude Romeinse weg, loopt van Watene over Cassel, Poperinge, Elverdinge (het noorden van het dorp), vandaar bezuiden Zuidschoote, maar Merkem, Woumen, enz.'

 

Slembrouck gaat op zoek naar de exacte plek waar Hemelsdale zich situeert in Werken. Op de hoek van de Steenstraat met de weg die naar het dorp leidt. Aan de kruising van de Steenstraat met de Vladslostraat dus. Aan de hand van een kaart van Pieter Pourbus uit 1560 komen we te weten dat het klooster zich wel langs de Steenstraat zelf bevindt.

 

Een eeuw later wordt het kloosterstuk omschreven als 'eene groote plaetse van lande daer eertyden het clooster plachte te staene, met drye strynghen garsynghen neffens elckanderen suutoost ten suuden daeran, misghaeders noch een groote partye brouck ten suutwest-hende vande selve strynghen, maeckende al t'samen een groote plaetse waeraf den brouck deurschietende is ten suutwesthende tot jeghens den brouck Mr Jan van Wel met consoorten, van Noortwesten de Steenstraete, van Noortoosten de voornoemde Noorthilstraete, beede 1/3 roets daerin ghemeten, de suutoostzyde de voornoemde beke, ghenaempt ten halfven ghemeten, ende metten suutwesthende vant voornoemde cloosterstick 'tleen van Mr Jan van Wel, de haeghe ende boomen hiermede ghemeten, groot t'samen hierinne begrepen het hof vanden handtboghe: xvij g. i lyne, lxi roen.' Ik haal de Ferrariskaarten van rond 1779 erbij.

 

Het valt me onmiddellijk op dat Werken twee centra heeft. De uitloper van een stuk land dat hier als 'De Puyckel' wordt omschreven. De hele hoek van het Kruispunt Steenstraat-Vladslostraat ligt enkele honderden meter duidelijk afgescheiden verwijderd van het centrum met de kerk die zich opvallend situeert binnen één van de twee verbazingwekkende cirkels in het landschap. Werden hier de afgoden vereerd? Aan de hoek van De Puyckel staat nogal wat bewoning. Zelfs een molen, die van Bussche leer ik. Hier op deze plek vindt de Cisterciënzerabdij van Hemelsdale dus eeuwenlang zijn thuis.

 

Desideratus legt zijn oren te luisteren bij bejaarde inwoners van zijn geboortedorp. Die weten hem te vertellen dat er rond 1880 grondwerken werden verricht op het kloosterstuk en dat daarbij een gemetseld graf werd ontdekt. Een andere bewoner herinnert zich dat hij een muur heeft afgebroken waarvan de bakstenen zongebakken tegels waren. De hardware van Hemelsdale is hoe dan ook volledig uit het zicht verdwenen en heeft plaats gemaakt voor enkele schaarse herinneringen. Veel zullen de kloosters van de 13de eeuw niet hebben voorgesteld, overpeinst pater Desideratus. Een onderbouw in steen en de rest in hout. Planken en vlechtwerk met leem bestreken. Pracht en luister worden verbannen uit de kloosters.

 

Het kan trouwens goed zijn dat het gebouw enkel opgericht werd als een tijdelijk kloostertje in afwachting van het vertrek van de eerste zusters naar hun nieuw klooster in Petegem. De aandrang om zich terug te trekken uit het gewone leven en zich te wijden aan het kloosterleven, wordt in het jargon een 'roeping' genoemd. In de beginjaren van Hemelsdale te Werken komen de roepingen vooral vanuit middens van de gegoede burgerij met af en toe een voorval in adellijke kringen. Een roeping die vooral jonge meisjes treft. Twaalf. Dertien zijn de slachtoffers. Kinderen. Ik denk spontaan aan het prachtige liedje van Paul van Vliet. 'Meisjes van dertien, niet zo gelukkig, meisjes van dertien, d'r net tussenin, te groot voor de poppen, te groot voor de merels.' Wel, het zijn vooral die meisjes die door die eerste kloosters worden opgeslokt.

 

Roeping? Mijn voeten. De meisjes worden zodanig jong in het klooster opgenomen dat het algemeen kapittel van Cîteaux moet ingrijpen en bepaalt dat er binnen de kloostermuren geen sprake kan zijn van het 'onderwijzen der letteren' aan kinderen van jonger dan 15 jaar. Maar eigenlijk is het onzin wat Desideratus hier beweert. Het concilie van Trente halfweg de 16de eeuw bevestigt de gewoonten dat de meisjes minstens 12 jaar moeten zijn om tot de novicenkleding toegelaten te worden en pas vanaf hun 16 geprofest mogen worden. Pas eeuwen later zal die leeftijd opgetrokken worden tot 21. Het beeld van die slaapzaal met die stinkende strozakken en de geestelijke slavernij roepen in mijn geest beelden op van kinderarbeid en geestelijke mishandeling.

 

Het domein van Hemelsdale in Werken spreekt tot de verbeelding van onze schrijver. Hier aan de rand van die uitgestrekte weilanden en korenvelden die samen versmelten in de vallei van de Krekelbeek, waarlangs die oude Romeinse 'diverticulum' loopt. Ooit aangelegd als verbindingsweg tussen twee hoofdheirbanen en in de schaduw van de oude Romaanse dorpskerk met tussen beide de 'Hogen Adjoen'. Hier zijn er in het geboortejaar van Odiel Slembrouck (1898) volop Romeinse muntstukken uit de glorieperiode van de Romeinen opgegraven.

 

Maar we mogen ons niet vergissen. Veel is schijn. Het gaat er allemaal niet zo rijkelijk aan toe zoals in de andere grote abdijen. Het klooster heeft bij zijn vestiging in Werken slechts het onontbeerlijke gekregen om in het onderhoud van de kloostergemeenschap te voorzien. Het klooster mag zich wel eigenaar noemen van 153 hectare landerijen, maar die strekken zich erg verspreid uit over de Westhoek. De slotmuur en de gebouwen binnenin liggen op een stuk grond van nog geen halve hectare. Om u een beter beeld te geven: nog geen half voetbalveld. Wat verderop ligt een stuk weide dat amper groter is dan die halve hectare. Verderop richting Wijnendale, tussen de Steenstraat, de Watermolenstraat en de Colvebeek beschikken de zusters over een perceel van 12 hectare. Vooral zaaigrond omringd door de beek en een meers. Het is het 'Muelenvelt'.

 

De haven van Lombardsijde is nog niet zo lang verzand en nog maar pas enkele decennia geleden waren de Ijzer en zijn zijstromen nog onderhevig aan eb en vloed. Het water van de Colvebeek die door Werken stroomt draagt in het begin van de jaren 1900 nog altijd de naam van 'RoOzee', wat volgens Desideratus een afgeleide is van 'Ter hooge zee'. Hier slaat hij opnieuw de bal verkeerd. Bij het schrijven van de kronieken van de Westhoek, zijn we al eerder op de term gestoten. 'RoOzée' is eerder afgeleid van Orotsee. Lombardsijde staat effectief bekend onder de naam 'Orot' en de bewoners in het hinterland van Lombardsijde benoemen hun gronden aan het water als Orotseinde en Orotsveld.

 

Op de Colvebeek staat er inderdaad een watermolen, vandaar de Watermolenstraat uiteraard. Het molenveld zal met verloop van tijd genoemd worden naar de bewalde hofstede die er op gebouw zal worden, Ter Walle of 'ons goet ter walle'. De abdij in Werken zal waarschijnlijk een brouwerij runnen. Net zoals bijna elk klooster zijn eigen brouwerij bezit. In hun stallen zien we koeien, schapen en varkens. Het neerhof is rijkelijk voorzien van kuikens en kapoenen die vaak gebruikt worden als betalingsmiddel om cijnzen en renten te betalen. In de oorkonden van Hemelsdale lezen we dat de kloosterlingen tot aan de Woumenbroeken gaan om het hooi op te halen.

 

De schapen zijn er natuurlijk voor hun wol. Alle Cisterciënzerkloosters kweken schapen om wol te winnen en die te weven tot stukken textiel waar ze dan op hun beurt 'fourruren' van maken. Die 'fourruren' hebben niets te maken met de elitaire pelsen mantels die zo vaak gedragen worden door de rijkere dames in de jaren 40, countert Desideratus onmiddellijk. Het zijn niet meer dan dubbele stukken stof die 'gefourreerd' of 'gevoerd' worden met wol en die dienen om zich te beschermen tegen de winterkoude.

 

Dat zal wel nodig geweest zijn want bij de nonnen zal er wel een kacheltje staan in de keuken waarbij ze zich af en toe eens wat kunnen opwarmen tijdens de vele koude dagen, maar voor de rest lopen ze er verkleumd bij en zullen hun 'fourruren' dus bittere noodzaak zijn. Odiel Slembrouck schetst een beeld van een noeste en hardwerkende kloostergemeenschap die het niet gemakkelijk heeft om de eindjes aan elkaar te knopen en overeind blijft dank zij de inbreng van gronden en eigendommen van nieuwe nonnen. De belastingen en de verwoestingen van de oorlogen zullen wel hun impact hebben gehad. Het kadaster van 1662, in die dagen een 'Ommeloper' of 'Ommeloop' genoemd, spreekt hem tegen.

 

Op enkele honderden jaren tijd heeft de abdij de hand gelegd op meer dan 30 hectare grond in Werken zelf. Zo lezen we onder andere over een 'lanch smal stick lant, ghenaemt de Cloosterdreve, streckende metten suutoosthende opde Steenstrate'. In 1510 lezen we in het register van kerk- en dislanden dat er zich een mannenabdij moet hebben gevestigd in Werken. 'Een ghemet, vier en veertich roeden landts ligghende inde prochie van Werken, veere noort vander kercke, noortwaert by de Steenstraete, palende van westen aen de dreve van het voordesen duyneclooster, gheseit Nazareth'.

 

Na wat research komen we inderdaad te weten dat het hier om een klooster van de Duinheren gaat, ook al gelegen aan de Steenstraat, ter hoogte van een wegeltje dat als de 'Schuddebeurze' bekend staat. De kloosterdreef en zijn omgeving gaan al snel door het leven als het 'Nazareth' en tot in 1978 zal er zelf een 'Nazareth-kapelle' overeind blijven in de onmiddellijke nabijheid van een ook al verdwenen hofstede met dezelfde naam. De Duinheren zullen vermoedelijk niet lang in Werken gebleven zijn, want in het begin van de 14de eeuw komt het klooster in het bezit van de gronden van de paters en wordt die kloosterdreef nu pas echt een kloosterdreef.

 

In 1350 koopt abdis Catharina van Aerdenburg met de erfenis van 3 nonnen een stuk van 2,5 hectare weidegrond, 'de gemeene weê', in de buurt van de heerlijkheid 'Ter Gote'. Rechtover hun eigendom 'Ter Walle' en het molenveld slagen de zusters er in hun handen te leggen op een boerderij van 3 hectare. Inclusief een woning met stallen en omgeven door wallen. De eigenaar van het goed overlijdt op 20 juli 1489 en schenkt zijn eigendommen aan abdis Petronelle Mattheus van Hemelsdale. De tegenprestatie is van geestelijke en godsvruchtige aard: 'een verplichting om elk jaar een mis op te dragen in de abdijkerk, tot lafenis der ziel van den gever, Jan Muuls, alias Braem, en elke non moest 's Zondags een 'De Profundis' voor hem bidden.'

 

De nonnen slaan niet enkel hun slag in hun thuisgemeente. Hun hof 'Ter Keynghe' in Kaaskerke groeit aan met 2,5 ha landbouwgrond. De fondsen hiervoor komen van drie nonnen, vrouwe Barbara Sknuts en de zusters Cornelia en Anna Boytacx. Desideratus focust zich op de schenkingsakte, zeg maar testament, van de religieuzen en leert er dat de levenswijze van de Cisterciënzerinnen niet meer diezelfde strengheid vertoont als het pleegde te zijn.

 

'So es de wille ende uterste begherte vande vornomde Barbele Sknuts, byden assente, wille ende octroye van Vrouwe Catelijne Smols in desen tyden abedesse vanden zelven cloostre, dat zoe myn vornomde vrouwe als abdesse vorseid over ende inde name vanden vornomden cloostre ende hare naercommers, abdesse wesende… of deghonne die dadministracie ende gouvernement van den zelven cloostre hebben sal, dat met van nu vordan, eewelycke ende ervelijcke gheduerende doen zal deelen ende distribueeren de parcheelen vande provende, aelmoesenen ende goddelycke diensten ter eere van Gode, ten coste vande zelver abdye…zo hiernaer vollecht, te wetene: alle witten donderdaghe, elken aerme mensche inde vornomde abdye commende omme de aelmoesen van diere, eenen drooghen haring boven de tween die men van ouden tyden ghecostumeert es elcken aerme meinsche te ghevene.'

 

'Item voort alle jaeren up den zesten dagh van april, doen eene lezende messe van requiem, ende daerof gheven den priestere dese doen zal, over de ziele van haren vader ende moeder, vier grooten vlaemscher munte. Item voort alle jaeren, up den dagh dat dezelve vrouwe Baerbele deser werelt overlyden zal, ooc eene messe van requiem, ende danof gheven den pirestere diese doen zal, vier grooten voorseide munte. Item noch alle jare up zinte Barbelen dach zestienden van decembre, eene lesende messe vanden officien vanden daghe, danof gheven den priestere diese doen zal, vier groten als boven'.

 

En zo vervolgt de akte van het testament. Er is plots sprake van wijn, gemberbier en kruidenkoek: 'Upden zelven dagh, elke vrouwe religieuze wezende inden zelven cloostre, eene pinte wyns, mer vrouwen der abdesse ende confessor dobbele, ende den capellaen mids dat er een binder abdye woenende eene pinte wyns, ghelyck den anderen vrouwen. Item alle jare, palmezondagh omme scouvents pureye mede te makene, een half vierendeel ghinhebeers pouder ende twee pont dinne crudekouckx.'

 

'Item alle jare, goedenvriedaghe, achter de dood vande zelve vrouwe Baerbele, stellen eene warsinne kerse van eenen halven ponde als men theilighe cruus ontdect en al sgelyckx ende inde voornomde manieren als boven, soo begheeren vrouwe Cornelye ende vrouwe Tanne Boytacx, ghezusteren, die de andre drie ghemeten landts betaelt hebben ghedeelt te hebbene up den zelven witten donderdaghe elcken aermen meinsche commende ter aelmoesen als boven, een taerwin brood, alzoo groot als men daghelycx ghecostumeert es den religieuzen te ghevene.'

 

'Item upden zelven dach, goedenvriedaghe ende paesche avende, eene kerse van eenen pondewas, bernende ter Laude voor den graet, gheduerende totter zalme Benedictus Dominus Deus Israël over de kerse die men van ouden tyden ghecosumeert es danne te doen bernene. Item tremenant dat blyven zal vander zelver kerse, niet al verbornen wesende, zal men doen bernen up alle ghetyden vanden daghe die men doen zal alle jare up zinte Annen dach, xxvij van Hoymaent, ende up zinte Cornelis dach, xiiijsten van Cctobre.'

 

'Item up elcken vanden zelven daeghen, elcke vrouwe religieuze een pinte wyns, mer vrouwe ende confessoir dobbele, als boven. Item den capelaen als boven. Item inde paesche weke ende up beede voorseide twee zinte daghen, een sermoen, dannof den priester die tvoorseide sermoen doen zal, upden voorseide drie daghen, van elcken sermoene gheven xij grooten, vermanende den sermoeneur te doen biddende ende lesende eenen Pater noster, over de zielen, vanden zelven vrouwen als boven.'

 

Ik moet lachen met de reactie van onze pater Desideratus. Hij verdenkt sommige van zijn lezers om misschien gemeesmuild te hebben bij de passages over die pinten wijn. In de vroege dagen van de orde zal wijn wel taboe geweest zijn, maar wijn staat in de middeleeuwen nu precies ook niet bekend als een weelde-artikel. De herbergen tappen wijn en volgens de geschiedschrijvers bezit West-Vlaanderen zelfs her en der zijn eigen wijnvelden. Brugge heeft er een en er zijn voldoende plaatsnamen die ons er aan herinneren. Wijnendale bij Torhout en in Hooglede.

 

De Wijnberg in Langemark en de Wijnberghoek in Wevelgem zijn vermoedelijk overblijfselen van de wijnvelden in onze regio. Op Hemelsdale is het dus een gewoonte om op Witte Donderdag aan elke behoeftige die aanklopt aan de kloosterpoort een roggebrood te schenken. Dank zij de laatste wilsbeschikking van die twee religieuzen zal dat roggebrood nu vervangen worden door een tarwebrood. De broden worden trouwens zelf uitgespaard door de nonnen zelf. Tijdens een indrukwekkend lange vastenperiode die begint op 14 september en buiten een pauze rond Kerstmis aansleept tot Pasen.

 

Hoeveel broden er precies uitgedeeld worden is niet bekend. We weten wel dat het gaat om 'conventebroden' die nu niet bepaald bekend staan als kleine broodjes. De teller van de abdij van Clairmarais bijvoorbeeld staat op 1600 broden. Het aantal acquisities blijft aanzwellen voor Hemelsdale. De techniek blijft onveranderd. Zo bijvoorbeeld de boerderij op het Gistelse Steendamme. Drie hectare met huizen en bomen, alles incluis. Een schenking van Jacob Balfels ter gelegenheid van de professie van zijn dochter Anna in het klooster. Abdis Petronella koopt in Gistel, op het domein Reyvoorde nog voor de som van 25 ponden trouwens nog een hofstede en er niet ver vandaan, in Zevekote, volgen er twee schenkingen van boerderijen als Elisabeth Vardebouts en jonkvrouw Margaretha van Konincxberghe hun intrede doen in het klooster te Werken.

 

Ook te Handzame, in de wijk 'De Varent' komt Hemelsdale in het bezit van 6 hectare 'landts, elst of busch'. Jonkvrouw Agniete van Hoorne schenkt 1 ½ gemet meers 'ten oorboore ende profyte vanden voornomden cloostre van Werkene, ende dat om alle de ghetyden vanden advente, die men met kersen zingen moet, die te zingen met wassine kersen'. Pater Slembrouck vraagt zich af hoe de zusters dat klaarspelen om al die gronden uit te baten. De afgelegen percelen worden aan leken verhuurd en zorgen dus voor inkomsten.

 

De grond van Ter Walle zelf en ook stukken in Esen en Woumen worden door de kloosterlingen zelf bewerkt en vermoedelijk ook door broeders. Dat van die broeders komen we te weten bij een geschil dat plaats vindt in het jaar 1324. Een dispuut betreffende een uitweg. Het volk van Hemelsdale moet hier telkens voorbij op het eigendom van weduwe Aernoulds om 'brouckewaerts te vaerende' en dat terwijl de weduwe zelf over abdijland moet stappen om vanuit haar woning de straat te bereiken. Tijdens het proces getuigt Laurens de Duic dat in de 20 jaar tijd dat hij er woont er nog nooit iemand bezwaar heeft tegen gehad tegen het feit dat de knechten van de abdij met ladingen hooi over het eigendom van Aernould reden, en zo besluiten de scheidsrechters trouwens dat de situatie moet blijven zoals ze is.

 

Knechten aan het werk dus op de verafgelegen landerijen. Ze worden 'cnapen' genoemd en staan onder toezicht van een of andere broeder. Op Ter Walle, het Molenveld en de Gemeene weê zullen de zusters zich wel moeten vuil maken. Hooien, oogsten. Hoeden over koeien en schapen in de nabijgelegen meersen. We vangen een glimp op hoe Hemelsdale aan zijn inkomsten geraakt. De gronden die verpacht worden leveren op zich niet altijd geld op maar in de plaats hiervan een cijns. Een stuk van wat de natuur op de gronden heeft voortgebracht. Dat kan gaan van graan tot hoenders, vruchten tot kapoenen.

 

Het kan moeilijk anders dan dat de renten de belangrijkste inkomsten betekenen voor de zusters. In de middeleeuwen is het een frequent gebruikt financieringsmiddel. Wie geld nodig heeft verkoopt een deel van de toekomstige jaarlijkse opbrengst van zijn land aan iemand die daarvoor kapitaal ter beschikking heeft. Het recht op een jaarlijkse opbrengst wordt in het Latijns 'redditus' genoemd en bij ons dus doodgewoon 'rente'. Het komt er dus op neer dat iemand zich wel de eigenaar kan noemen van partijen land, maar dat de renten wel eigendom zijn van anderen. Meer zelfs: er ontstaat een drukke handel in bestaande rechten. Kopen en verkopen en ook schenkingen zijn schering en inslag. Hemelsdale weet in de loop van zijn geschiedenis een aantal van die renten te kopen of te krijgen.

 

In zijn cartularium vinden we rond de dertig oorkonden van 'al de ervelycke renten ende cheynsen, leenen tclooster toebehoorende'. Die erfelijke rente is een vaste rente die blijft bestaan na de dood van de geldschieter. Cijnzen verschillen dan weer ven renten. Die worden door de eigenaar aan een derde partij betaald terwijl de renten van dezelfde eigendom naar die zelfde eigenaar worden uitgekeerd. Op de lange duur is het bezit van cijnzen en renten een mengelmoes van rechten geworden zodat er geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen beiden. Het klooster van Werken bezit ook zijn eigen vrijdommen.

 

Dat zijn geen echte inkomsten, maar wel belangrijke fiscale voordelen. Al van in de begintijd hadden de nonnen vrijdommen van tollen voor alles wat ze kochten en verkochten in Diksmuide. Die hadden ze gekregen van de slotvoogd Diederik van Beveren. Die vrijdommen kunnen in onze dagen eigenlijk perfect vergeleken worden met een vrijstelling van btw. Graaf Gwijde van Dampierre geeft aan het nog jonge Hemelsdale in 1297 'brieven van sauvegarde, byden welcken hy neempt tvoornomde cloostere met allen dier in woonen in zyne protectie ende bewaernisse. Ende hy gebiedt allen zyne onderzaeten, principaelyck de guene die de passagien bewaeren, dat zylieder mervrouwe dabdesse ende haer convent, alle haer goet ende allen haer volck of lieden zouden laeten paysivelyck passeeren, gaen ende commen duer tgheel graafschap van Vlaenderen, zonder haer ofte den heuren eenighe molestatie ofte grieve te doen.'

 

Zo vertrekt er in 1332 van de Franse koning Filips de Schone een brief aan de ontvanger der accijnzen in de streek van Werken waarbij hij schrijft dat de abdis en het convent van 's Hemelsdale zich bij hem beklaagd hebben dat ze verplicht worden om tienden te betalen, terwijl ze dat in het verleden nog nooit hebben moeten doen. De koning heeft dit laten nazien in het register van de rekenkamer van het bisdom en komt tot de slotsom dat de nonnen inderdaad niet verplicht zijn om belastingen te betalen en geeft hij dus het bevel aan de ontvanger om de zusters niet langer lastig te vallen.

 

Die vrijstelling van belastingen is een recht dat op het niveau van de orde van Cîteaux wordt toegekend in 1187. In de tijd dat klooster en staat nog één pot nat zijn, ontslaat graaf Boudewijn de orde van alle tollen. Die tolgelden zijn in die periode een niet te onderschatten bron van inkomsten voor de lokale landheren. Bijzonder populair zijn de tollen die gelegd worden op alle goederen die te water of over het land worden vervoerd.

 

De geschiedschrijver Warnkoenig haalt een voorbeeld aan in zijn 'Histoire de la Flandre'; een schipper die in 1271 van Oudenaarde de Schelde af vaart naar Rupelmonde dient tollen te betalen aan de heer van Oudenaarde, de abt van Ename, de heer van Rode, aan de abten van Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, aan de slotvoogd van datzelfde Gent, aan de heer van Dendermonde en tot slot ook nog eens aan de graaf van Vlaanderen in Rupelmonde. We komen iets nieuws te weten over ons Hemelsdale. De geschiedschrijver Gramayus laat het van zijn tong rollen in zijn werk 'Antiquitates Flandriae'.

 

In het Latijn heeft hij het over het bedevaartsoord van het klooster in Werken, 'et olim Hospitalarium peregrinorum ob vicinam instituti Cisterciensis Abbatiam Werkenensem'. In mensentaal schrijft Gramayus dat er zo veel vreemdelingen naar het klooster in Werken trekken, dat het de moeite loont om in het naburige Vladslo (Vlaertsloa) een gasthuis voor vreemdelingen op te richten.

 

Odiel Slembrouck is nieuwsgierig om te weten wie of wat er vereerd wordt in dat klooster. En wij zijn dat eigenlijk ook wel. Waarschijnlijk een miraculeuze kaars schrijft hij. Carolus de Visch schrijft in zijn kroniek van 's Hemelsdale dat mevrouw Christoffelyne de Barbason in het begin van de jaren 1500 de scepter zwaait over zowel het klooster van Groeninghe bij Kortrijk als dat van Hemelsdale in Werken.

 

Het was deze abdis die 'de mirakuleuze keerse hier heeft gebrocht, die alsdan in onze kerke is rustende, als wesende een stuk van de keerse van Groeninghe; waerom dat ze oock altyds is ghenaemt geweest de keerse van Groeninghe, door de welke Godt almachtigh oock nogh hedendaeghs dierghelycke miraekelen is doende, als door de keerse van Groeninghe, binnen Kortryck syn gheschiedende.' 'Waarschijnlijk zullen die bedevaarten ook iets opgebracht hebben voor het klooster.' Die kurkdroge opmerking komt van pater Desideratus zelf. Ik kan ze best smaken. De mensen die niet beter weten wat op de mouw spelden om er dan geld uit te kloppen. Maar hoe halen ze het verdorie in hun hoofd om een kaars te vereren?

 

In Kortrijk beschikken ze al van in de heel vroege middeleeuwen over een verzameling relikwieën dat het daar zeker niet op een mirakel min of meer zal steken. De kazuifel van de heilige Thomas van Canterbury. De schedels van de heilige maagden van Sint-Ursula. Liggen die trouwens niet in de Sint-Maartenskerk in Ieper? Een stukje heilig haar van Christus zelf. En dan inderdaad ook de heilige kaars van Atrecht lees ik. En zo trekken we naar het Arras van rond 1100 waar Maria in eigen persoon een kaars schenkt aan de ruziënde minstrelen Ythier de Brabant en Norman de Saint-Pol-en-Termis. De kaars blijkt een helende werking te hebben die er voor zorgt dat de mensen van Atrecht verlost geraken van een gruwelijke ziekte, de pest, die de stad al een hele tijd in de ban houdt.

 

Desideratus weet een aantal details te vertellen. De miraculeuze kaars is inderdaad afkomstig van Atrecht waar ze in 1105 op wonderbaarlijke wijze geschonken wordt door de hemel en in 1130 bezocht en vereerd wordt door onze vriend Bernard van Clairvaux. Waarom zijn we niet verrast dat precies die man achter de truc van de kaars zit. Ze wordt voortaan 13 keer per jaar ontstoken. Telkens voor 2 uur en de afgedropen was wordt gebruikt om er nieuwe kaarsen van te gieten, zoals die van Groeninghe.

 

Als de Franse revolutie aanbreekt in 1789 heeft de kaars als 17.940 uren gebrand en nog is ze niet opgebrand, vertelt hij. Ze groeit voortdurend terug. Ik frons mijn voorhoofd. Alle kaarsen die ooit gegoten werden uit het moederexemplaar bezitten dezelfde wonderlijke kracht 'door dewelcke Godt almachtich oock noch hedendaeghs dierghelycke myraekelen is doende' staat er geschreven in de kroniek van Hemelsdale. Tot zo ver de schone geschiedenis van onze kaars. Ik ga verder in zijn typische wervelende taal.

 

'Hetgene we hebben gezien nopens den eigendom en de renten van 's Hemelsdale mag ons niet doen denken dat het beheer van al die goederen maar kinderspel was, en dat de brave nonnekens zo maar onbekommerd hun godzalig leventje te leiden hadden, dat de inkomsten zo maar op het vertoon van een handteken in de kas vlogen, en dat de boursiereghe, dus de non die de financies beheerde, die we ons nogal graag voorstellen met haar eeuwigen liefelijken glimlach aan haar winket gezeten, niets anders te doen had dan haar trouwe klienten te bedanken, en voor de rest veel geluk en voorspoed in hun ondernemingen te wensen'.

 

Zo was het dus helemaal niet, schrijft hij. Er komt veel bij kijken. Het aantal rechtzaken om achterstallige pachten te recupereren is niet te tellen. Die moeten tijd, geld en energie hebben gevergd. Het cartularium puilt uit van de gevallen waarbij Dom Benedictus Colaert, de biechtvader van Hemelsdale in de bres moet springen om het klooster weer in het bezit te stellen van 'verdonkerde' renten. Het telkens weer hebben moeten verdedigen van hun eigendommen moet de nonnen veel kommer, zorg en slameur bezorgd hebben.

 

Na een korte passage bij de biechtvaders van het klooster komt Desideratus terecht bij de lijst van de abdissen die het klooster hebben bestuurd. Na Maria van Harelbeke zien we een zekere Agatha de revue passeren die na haar dood in 1334 opgevolgd wordt door Catharina van Aerdenburg. In 1351 volgt Mathilde Vastoel. Maria de Cortracto die trouwens zorgt voor nieuwe gronden in Lampernisse en Steenkerke staat aan het roer tussen 1360 en 1390 en zal net zoals al haar voorgangers in de kapittelzaal begraven worden.

 

In de jaren 1400 zien we opeenvolgend Anna van Isendycke, Paschasia Scranens en vooral Daniela de Monte (zeg maar Van den Berghe) werken aan de verrijking van het klooster. Catharina Smols of Mols wordt de tiende abdis en zij wordt in 1455 opgevolgd door Amelberga Brandins, maar die houdt het niet lang vol. De nieuwe abdis, Petronella Mattheus weet vanaf 1482 het klooster met vaste hand te besturen beweert Desideratus. Het moeten verwarrende jaren geweest zijn. De Bruggelingen stellen vast dat de Duitse bezetters van Diksmuide voortdurend naar het Brugse Vrije trekken en daar veel schade berokkenen aan de bevolking.

 

In 1488 willen ze daar punt en paal aan stellen en het Nieuwpoort en Diksmuide betaald zetten. Ze vallen, onder de leiding van Joris Picavet, beide steden aan met de bedoeling om die 'ten gronde af te breken'. Vooraf willen ze afrekenen met de Duitse bezetters die zich verschuilen in het kasteel van Handzame. De belegering sleept een hele week aan. Nadat het kasteel geplunderd is, trekken de Bruggelingen nu naar Esen en Werken waar ze hun kamp opslaan in een kasteel, een soort versterking bij Ter Gote aan de Handzamevaart vlakbij de Steenstraat en het klooster. Hier worden ze geconfronteerd met een reeks dagelijkse uitvallen van de Diksmuidse bezetters.

 

De Bruggelingen willen natuurlijk Diksmuide zelf belegeren maar de winterregens en het hoog water zetten de broeken nu al maanden onder water, waardoor de Bruggelingen zich af en toe zelfs nog verder moeten terugtrekken. De onrust zal jaren aanhouden. Met Hemelsdale centraal in de miserie. De lokale bevolking en de zusters krijgen heel wat te verduren. Plundering, diefstal, brandstichting, gevangenneming, maar Petronella weet stand te houden. Na een bestuur van bijna 20 jaar komt ze zachtjes in de Heer te ontslapen op 5 januari van het jaar 1501. Er staan nieuwe tijden voor de deur. Maar voorlopig sluiten we de nis van deze boeiende hap streekgeschiedenis.