P1437100

We hebben Brugge verlaten in het najaar van 1436 wanneer graaf Filips de Goede in het gezelschap van 700 Picardische soldaten orde op zaken komt stellen. De hoofdrolspelers van die dagen zijn kapitein Vincent de Scheuteleere en schout Bartholomeus de Vooght, het mannetje van de graaf zelf. Het zijn zij die Filips verzocht hebben om in te grijpen en een einde te maken aan de anarchie en het geweld in Brugge.

 

Alles is begonnen bij de gilden en de ambachten die het niet konden verkroppen dat Sluis wegens zijn strategische ligging allerhande voordelen krijgt en dat die van Sluis blijkbaar geen kwaad kunnen doen voor de Raad van Vlaanderen en de graaf. Laat ons nog eens terugkeren in de tijd: Bruggelingen, Gentenaars en Sluizenaars moesten zij aan zij gaan vechten om Calais te bevrijden van de Engelsen, maar die van Sluis hebben hun kat gestuurd. Zeer tot ongenoegen van de Brugse ambachtslieden die tot overmaat van ramp hard op tafel moeten slaan om betaald te worden voor hun krijgsprestaties.

 

Het ongenoegen heeft zich vertaald in een raid op Sluis, maar de lokale kapitein Roelandt van Uutkerke had het lef om de Bruggelingen hard en zonder compassie aan te pakken. Tijdens de hete zomer en het al even warme najaar komen de gilden van de vrije werkenden van zowat heel de Westhoek en het Brugse Vrije op om het Brugse ongenoegen te ondersteunen. De rebellie, de stakingen en het geweld houden Brugge nu al maanden in de ban. De Brugse baljuw Stassaert Brisse bekoopt het met zijn leven wanneer hij op 26 augustus 1436 door een woedende meute wordt geliquideerd. Het verzet van de Bruggelingen onder leiding van Coppin Edelinc is bepaald gewelddadig.

 

Na de ingreep van de graaf, we spreken over begin september 1436, wordt Maurits van Varsenare aangesteld als nieuwe burgemeester. Hij behoort tot de intimi van de graaf en zo komt het Brugse stadsbestuur weer 'on speaking terms' met het bestuur in Vlaanderen. Maar met zijn benoeming is de onrust in Brugge ver van verdwenen en blijft de opstand en het revolutionair denken latent aanwezig. De situatie in Sluis blijft de gemoederen beroeren. Weken van intense diplomatie zorgen voor een voorzichtige doorbraak.

 

De graaf blaast warm en koud tezelfdertijd, maar bestraft onder andere kapitein Roelandt van Uutkerke met een verbanning uit Vlaanderen. Maar daarmee is de kous niet af en het verzet blijft aanhouden, waarop Coppin Edelinc opgepakt wordt en zeer tegen de zin van het Brugse middenveld door de vierschaar veroordeeld wordt. En dan is er nog de provocatie van de graaf als hij het Brugse Vrije uitnodigt als volwaardige partner van de Raad van Vlaanderen, zeer tot ongenoegen van Brugge zelf, dat zich met hand en tand tegen die beslissing verzet.

 

Op economisch vlak probeert de lakennijverheid in Vlaanderen zich met vallen en opstaan te herstellen van de voorbije wolcrisis. Het gaat echter ontzettend traag en dat zorgt voor alweer nieuw onvrede bij de Brugse ambachtslieden. Tussen de rijke notabelen en de rest van de werkende bevolking botert het van geen kanten en het feit dat de adel wel wil onderhandelen met het Brugse Vrije, werkt in als een rode lap op een stier. En dan is er uiteraard nog het eerder aangehaalde probleem met Sluis dat maar geen oplossing krijgt en als een baksteen op de Brugse magen blijft liggen.

 

In deze periode van intense onvrede is burgemeester Maurits van Varsenare in Rijsel hulp gaan zoeken bij de graaf en de Raad van Vlaanderen; 'om dat hij ducht ende vreese hadde dat de prinche hem vergrammen mochte up de stede van Brugghe van desen moyte ende laetster wapeninghe'. De intrede van het grafelijk leger zal einde 1436 inderdaad wel indruk gemaakt hebben op die van Brugge, maar of daarmee de vrede en rust teruggekeerd zijn bij het gemeen, valt erg te betwijfelen. Die vraag wordt al beantwoord op de tweede paasdag van het jaar van onze Heer 1437.

 

Op 1 april wil een of andere kleermaker Jacob Adoorne, de kopman van de ambachtsgilde van de garnierders, de kop in slaan omdat die veel te gematigd is. Er is geen nood aan rust en overleg, maar wel integendeel aan harde actie. De radicale ambachtslieden beginnen zich meer en meer te profileren en worden door de gematigden en de notabelen omschreven als 'crijsschers'. De moordaanslag kan maar op het nippertje verijdeld worden en de 'schepper' wordt voor 50 jaar 'op het hoofd' verbannen uit de landen van Vlaanderen.

 

Ook in Gent wordt de sfeer onrustig. Een week later zullen de Gentenaars hun invloedrijke ambachtsleiders Ghijsbrecht Pateel en Jacob de Zaghere vermoorden. Vorige zomer zijn de Gentenaars op verzoek van de graaf opgetrokken tegen de Engelsen die Calais bezet houden. Ze hebben het allemaal wat onderschat, 120 Gentenaars laten het leven waarop Pateel en de Zaghere het bevel geven om de schoppen af te kuisen en terug te keren naar Vlaanderen. Dat 'lelijke' vertrek van de Gentenaars heeft er voor gezorgd dat ze nu nog elke dag het verwijt mogen horen van de schepenen en de bestuurders van de stad van wie ze er trouwens ook al enkele 'te koelen hebben gelegd', een blijkbaar bizar synoniem van 'vermoorden'.

 

Sinds 1380 is er in Brugge een gezelschap van gegoede poorters actief met het jaarlijks steekspel van 'De Witte Beer' en wordt de winnaar van het tornooi uitgeroepen als forestier van de stad, een eretitel die herinnert aan de grote forestiers die Vlaanderen bestuurden nog voor er sprake was van een of andere graaf.

 

In 1437 schopt Jacob (Eloy) Metteneye het tot forestier na een intense strijd tegen kapitein Jan Parlant, Jan van de Vagheviere, Joos de Witte, Maerten Hoonin en Jan Gheerwout. Het is een harde strijd waarbij Jacob Metteneye dus aan het langste eind trekt en de ijzeren spies als hoofdprijs in ontvangst neemt. Jan Parlant krijgt de hoorn en een of andere Rijselnaar gaat lopen met de beer. Het tornooi van de 'beau monde' van Brugge, hoewel het dit jaar bescheiden en zonder eretribune gehouden wordt, moet ongetwijfeld de afgunst wekken van de ambachtslieden. De rijke burgerij en de adel steken hen met hun 'Witte Beer' de ogen uit van de neringen en de arbeidersklasse.

 

Het is geen verrassing als de donderdag na het tornooi, plots de gilde van de smeden op dezelfde plaats opduikt 'omme er ooc met alle die ambochten ende neeringhen van ghelijcken te doene'. De achtergrond wordt al gauw duidelijk. 15 april 1437. Gent. De arbeiders en het gemeen komen eindelijk op straat, er komt een grote 'wapenloopynghe, de ghemeente jeghens de heeren'. Ze willen welvaart en een redelijk leven. Ze gaan op zoek naar de lafaards die de ambachtslieden in de steek hebben gelaten daar voor Calais. Vooral Ghijsbrecht Pateel is kop van jut en hij wordt door de opstandige arbeiders effectief gelyncht. Enkele dagen later is het nieuws van de 'wapenloopynghe' in Gent al doorgedrongen tot in Brugge. De dekens van de vele gilden, komen samen en vragen zich steeds luider af: 'waer bliven wy?'

 

Zoals ze zo braaf en zo te goeder trouw blijven doorgaan, zal er weinig veranderen. Zullen ze voor altijd die minachting van de patriciërs moeten ondergaan? De notabelen hebben zich verzekerd van hun postjes in het stadsbestuur en hebben er netjes voor gezorgd dat zij de lakens uitdelen in de stad. Sommigen onder hen hebben het wat al te bont gemaakt en worden opgeschrikt door de oproerige woorden en voorstellen van de ambachtslieden. Ze muizen er stilletjes van onder naar Antwerpen, Mechelen en andere steden. Met die 'uytsinnighen ghemeente begheereden zy niet meer te doen thebbene'.

 

Het schepencollege ziet de ernst van de situatie in en beslist dat de burgemeester zich voortaan te allen tijde moet laten vergezellen van een lijfwacht van 30 man. Die beslissing dringt zich acuut op na een moordaanslag van timmerman Jan Taerwin die er in geslaagd was om door te dringen tot aan de vergadertafel. Maurits van Varsenare onderhoudt uitstekende relaties met de graaf en hij verdwijnt om de haverklap uit Brugge om op zijn eentje overleg te plegen met Filips de Goede. 'Hij vult goed zijn zakken' wordt er in de volksmond gefluisterd. En daar zal wel wat van aan zijn, want de Varsenares blijken de ene heerlijkheid na de andere toegestopt te krijgen van de graaf. 'Het is van je eigen familie dat je het moet hebben', luidt het spreekwoord.

 

Jaloezie en afgunst zijn gevaarlijke ingrediënten als de zaken al op springen staan. De clan van de Scheuteleeres, verwant met de familie van de burgemeester, en al decennia lang toonaangevend in de stad, kan het maar moeilijk verkroppen dat hertog Filips enkel maar de Varsenares blijkt te kennen en hun familie negeert. In 1437 is Lieven de Scheuteleere de kapitein die Brugge militair onder controle moet houden. Hij en zijn zuster Geertruide die trouwens getrouwd is met de eerste schepen Lodewijk van de Walle, zagen ijverig de stoelen van de burgemeestersstoel doormidden. En wat kunnen ze beter doen dan de al bestaande onrust bij de meest radicale ambachtslieden, 'de quaetste crijsschers' op te stoken tot een volwassen vuur?

 

Het echtpaar speelt al de hele tijd hoog spel. Zo hadden ze voorgesteld aan Filips de Goede dat zij beiden de macht zouden overnemen over de stad en dit onder zijn rechtstreeks gezag. Ze zouden de hertog met 'live ende met goede ende met maechscepen' bijstaan en er vooral voor zorgen dat 'de vier gevaerlycke neeringhen' aan banden zouden worden gelegd. Hier hebben ze het over de ambachtslieden van de lakennijverheid die dus blijkbaar als de grootste bedreiging worden beschouwd voor de rust in stad. Filips gaat aanvankelijk mee in het verhaal van Geertruide en Lodewijk, maar wanneer hij de zaak bespreekt met Maurits van Varsenare, beseft die laatste natuurlijk dat een machtsgreep niet meer veraf is.

 

Het is in de eerste plaats de plicht van de burgemeester om de gemoederen in Brugge rustig te houden en zo leggen de kronieken de woorden 'Ic wil de quade corregieren, dus zyet dat ghij mij ghehelpich zijn' in de mond. Maurits van Varsenare weet nu van waar de wind komt. Het komt trouwens kort daarna tot een bitse woordenwisseling met zijn schoonbroer, die trouwens ook zijn neef is. 'Ach neve, wat hebdij ghebrauwen dat ghij de stede van Brugghe verderven wilt bij den rade van uwen wive, uwen zone ende Vincent de Scutelare? Ic duchte ons zal der groot quaet of commen!'

 

Van de Walle gaat natuurlijk bleiten bij zijn Geertruide. Van dan af worden een dertigtal amokmakers onophoudelijk opgestookt met geruchten dat Maurits van Varsenare de stad op een verderfelijke manier aan het verraden is bij de hertog. De opstokerij mist zijn effect niet. De temperatuur stijgt tot ongekende hoogtes. Een explosie kan niet meer veraf zijn.

 

Burgemeester Maurits en zijn broer Jacob zijn nog eens thuisgekomen na één van die trips naar de hertog. We staan aan de vooravond van 18 april 1437. Ze zijn er nog eens alleen vanonder getrokken en het lijfwachtencorps heeft nog niet eens de tijd gehad om zich bij hun beschermeling te voegen. Op de markt is er onder impuls van de 17 Brugse gilden een massa volk samengetroept. 'Alle manne comme ter maerct, want onze broeders van Ghendt zijn in de wapene'.

 

Het mag dan zo vaak moeilijk lopen tussen Brugge en Gent, maar als het er op aan komt, dan blijken de ambachtslieden telkens weer solidair te zijn met elkaar. Geen tijd voor 'Witte Beer' gedoe. Ooit hebben ze de graaf het vuur aan de schenen gelegd met de Gentse volksleiders Jacob en Filips van Artevelde. Waarom zou het dit keer niet slagen vanuit Brugge? Bittere ernst dus. Burgemeester van Varsenare houdt zich aanvankelijk gedeisd als 12 'quaetwillende' zich bij zijn woning aanbieden in een poging om hem op de grote markt te krijgen. Maar uiteindelijk weten de mannen hem te overtuigen om toch af te komen en er het volk toe te spreken. Ook zijn broer Jacob zal van de partij zijn. Dus staan Maurits en Jacob nu oog in oog met de zelfverklaarde vierschaar van de uitzinnige ambachtslieden.

 

Het gaat er buitensporig lelijk en hatelijk aan toe, geven de kronieken prijs. Lodewijk van de Walle en zijn echtgenote Geertruide hebben zich samen met kapitein Vincent de Scheuteleere aan de kant van de gilden geschaard. In de tijden dat zij aan de macht waren in Brugge, hadden de gilden wel inspraak. De neringen hadden in hun tijd nog wat te zeggen, maar nu is die nieuwe burgemeester een voetveeg van de prins, Filips de Goede. Geertruide schoffeert Maurits van Varsenare op de meest agressieve manier. 'Waarom is de burgemeester zonder medeweten van de goegemeente naar Rijsel, Atrecht en Brussel gereisd om het gat te likken van de graaf en daar op de meest achterbakse manier een mes in de rug van de Brugse ambachtslieden te steken?'

 

Door zijn verraad moesten verscheidene van hun kompanen voor de vleesbank verschijnen. Voor alle duidelijkheid betekent de term 'vleesbank' hier hetzelfde als een executieplaats of een foltersessie. De beschuldigingen en de hakbijlen vliegen in het rond. Jacob kan de onverdraaglijke aanklachten tegen zijn broer niet langer aanhoren. Hij wenst één en ander recht te zetten, maar veel kans krijgt de man niet. Hij 'wiert van stonden an ter stede doot ghesleghen'. Jacob Adoorne, de hoofdman van het 'Scaermers zestedeel', zowat de enige die probeert de rust te bewaren, doet nog wat hij kan om de aanslag te voorkomen, maar zijn tussenkomt 'wiert belet' staat er geschreven, 'ende Morissus van Vassenare vloot binnen Groenevoorde in een gote, tusschen twee daken'.

 

Zijn vlucht op het dak van huize Groenevoorde, aan de westzijde van de markt, is van korte duur. 'Hy wiert foortselinghe metter spoet uytgehaelt ende rechts voor die Halle, nevens tdoode lichame van zijnen broeder, zeer compasselick versleghen ende vermoort.' 10 uur in de avond is het als de 'crijsschers hebben toegeslagen'. De losgeslagen menige pakt ook strodekker Jan Loys aan. Zijn stadsuniform werkt als een rode lap op een stier. Zijn livrei zorgt ervoor dat de arme man gewond en verminkt wordt.

 

Hij verliest een oog en blijft kreupel achter voor de rest van zijn dagen. Lodewijk van de Walle, 'de Judas van dienst' neemt natuurlijk niet persoonlijk deel aan de slachting, maar blijft onbewogen staan tussen de aanwezige dekens van de 17 gilden. Baljuw Claeys Uyttenhove en schout Bartholomeus de Vooght zijn er allerminst gerust in. Ze maken dat ze weg zijn uit Brugge. En ze zijn niet alleen: heel wat notabele poorters en kooplieden zorgen er voor dat ze zich uit de voeten maken. Met alles wat ze bezitten, vluchten ze weg; 'want zij merckten wel dat de coe varre over de waghen ghesprongen was'.

 

De vluchtende notabelen worden trouwens bij naam genoemd, Daniel de Height, de hoofdman van St.-Donaes en Joris van de Vlamingpoort. De gematigde Jacob Adoorne is er ook bij. Net zoals alle wethouders. Het nieuws van de slachting geraakt natuurlijk binnen de kortste tijd bij de hertog van Bourgondië die onmiddellijk beslist om Brugge te isoleren van Sluis. Ter hoogte van het Zwin wordt er een barricade van staketsels opgetrokken zodat de Bruggelingen nu verplicht worden om hulp te gaan zoeken bij hun Gentse broeders, maar ook hier zijn ze niet erg happig om openlijk partij te kiezen voor de moordenaars van hun eigen burgemeester.

 

Maurits en Jacob van Varsenare zijn dood. Lodewijk van de Walle is nu weer voorzichtig buiten beeld verdwenen en de wethouders zijn op de vlucht geslagen. Het is het volk dat nu regeert over Brugge, 'ende was de wet litel ghelooft of niet', geven de geschriften prijs. De grote raad van Brugge neemt op 22 april een loopje met de wet door de feitelijke macht over de stad toe te vertrouwen aan de ambachten die een soort vetorecht krijgen op belangrijke beslissingen. Er wordt ook een nieuwe burgemeester aangesteld, een visverkoper uit een respectabele en rijke familie. Jan van Aartrijke is trouwens in functie als deken van de visverkopers. Zijn profiel past perfect in het nieuwe revolutionaire scenario.

 

De nieuwe burgemeester en de kersverse raadsleden komen naar buiten met grote verklaringen om de schuldigen van de moord op de van Varsenares te straffen. Zuivere propaganda en mooipraterij is dit natuurlijk. De boter op eigen hoofden is altijd dichtbij en van enige bestraffing blijkt er natuurlijk in de realiteit geen sprake. De derde mei paradeert de Heilig Bloedprocessie door de straten van Brugge. Met in zijn zog een geharnaste Eloy Metteneye. De nieuwe forestier in vol ornaat is, na de vlucht van de schout, nu de belangrijkste militaire gezagsdrager van de stad. Met in zijn gezelschap de 'principaelste van der stede'.

 

Ondertussen is Lodewijk van de Walle ontboden in Atrecht waar hij zich in alle bochten probeert te wringen om zijn aandeel in de liquidatie van Maurits en Jacob van Varsenare te verdoezelen. Bidden om gratie en genade en zich op de knieën gooien voor Filips de Goede, de gebruikelijke trucs, slaan deze keer allerminst aan. De graaf heeft nog een robbertje uit te vechten in Holland en pas dan zal hij zich verwaardigen om naar Brugge af te zakken en daar de rekening te presenteren, 'omme zijn stede in rechten ende in wetten te stellene ende de quaede te corregierene.'

 

De dinsdag van de sinksendagen, de 21e mei, is het zover. 'Hertog Filips komt naer Brugge met 3.000 Walen' staat er als kop in de kronieken. Huurlingen uit Artesië, Picardië en Henegouwen. Inderdaad; 'van Rijssele te Rousselare met an den cant van drie duysent mannen, wesende meestal archiers (boogschutters) uytten walschen quartiere'. Met in hun zog al het schoon volk van Vlaanderen. Jan van Bourgondië, de eerder verbannen en blijkbaar in eer herstelde Roelandt van Uutkerke, de man die de Bruggelingen al eerder aanpakte, is opnieuw van de partij. Een waslijst van burgemeesters en heren met ronkende namen. Ook Colaert van der Clijte, de soeverein van Vlaanderen, behoort tot de grafelijke delegatie.

 

Om 3 uur in de namiddag van 'de vreeslike woensdach', die van de 22e mei, houden ze halt voor de Boeveriepoort. De opdracht van de hertog is duidelijk: 'maect ulieden ghereet omme dees rebellighe Brugghelinghen te gaan bestrijdene.' Jan van Villers, de burgemeester van het Franse L'Isle-Adam, staat nogal kritisch tegenover die brute plannen. Hoe kunnen ze die meute onder de controle krijgen? Verloren arbeid is het. Lodewijk van de Walle wordt in stelling gebracht. Hij mag nu eens bewijzen aan wiens kant hij staat. Iedereen weet dat hij op de hoogte was van de moorddadige feiten en er vermoedelijk zelf aan heeft deelgenomen.

 

Van de Walle trekt als boodschapper de stad binnen. De hertog zal uiteraard de schuldigen straffen en als de Bruggelingen dat aanvaarden zal slechts een kleine delegatie de stad binnenkomen, terwijl de rest van het leger zich kan gaan ravitailleren in Male om dan verder op te rukken naar Sluis en Holland waar de hertog andere eitjes te pellen heeft. Vooral de geestelijken dringen er op aan om het voorstel te aanvaarden. Ja, en daar komen ze uiteindelijk processiegewijze de poort buitengestapt. De hele Brugse clerus. Zelfs de begijnen van het prinselijk begijnhof 'Ten Wijngaerde' zeulen mee en volgen Lodewijk van de Walle richting Filips de Goede.

 

Met in hun zog, als geslagen honden, zien we zoon van de Walle, momenteel schepen, en al de dekens van de neringen en de ambachten die daar 'eendrachtelick die prince zeer hertelicke wellecomme' en 'hem in de alderreverentie vermaenden dat hem zoude ghelieven binnen te commene, ten fine dat men die poorte slote ende dat die reste van zijne lieden der buyten bleven'. Maar nu blijkt dat de belofte van een kleine grafelijke delegatie enkel zand in de ogen strooien was van de verraste Bruggelingen. Filips antwoordt dat hij niet van zijn mannen wil scheiden voor 'die laetste man van zijnen volcke binnen ware'. Charles van Rochefort en Jan, de bastaard van de Dampierres, krijgen de opdracht om zich heimelijk meester te maken van de Boeveriepoort waarop het grafelijk leger vlot de stad zal kunnen binnen dringen.

 

Die intrede blijkt allesbehalve geslaagd. Nog voor het leger halverwege de toegangsstraat is, slagen de ambachtslieden er in om de poorten weer te sluiten. Filips kijkt vreemd op nu het merendeel van zijn Waalse gendarmerie noodgedwongen verstek moet geven in de binnenstad. Op de Vrijdagmarkt staan de oude bakker Rachen Yweyns en kuiper Maerten van der Smesse in hun klompen klaar om de prins te begroeten 'ende wellecommen te hieten'. Dat hadden ze beter niet gedaan want beiden overleven hun begroetingsavontuur niet als de hertog in persoon zelf met twee welgemikte zwaardslagen hun hoofden afslaat.

 

Hoe komen de schrijvers van de geschiedenisboeken er in hemelsnaam bij om deze graaf in latere dagen als 'Filips de Goede ' te bestempelen? Zijn Picardische en Waalse huurlingen zien dat allemaal al evenmin zo beleefd en pakken het welkomstcomité hardhandig aan. Ze roepen en tieren: 'die stede is onze, slaet al doot'. Uit hun handbogen vertrekken honderden pijlen richting de Bruggelingen die het gebeuren vanuit hun vensters gadeslaan.

 

Tien of twaalf onder hen worden meteen gedood en nog veel anderen worden gewond door de onverwachte pijlenregen. 'Men zach alomme in die ghevels ende daken van de huysen veel pijlen ende schichten steken'. De Bruggelingen zijn meteen wakker en alert. Het is een bruusk ontwaken. De graaf wil het dus wel degelijk hard spelen. 'Wel zij ook dus', en zo vervolgen de kronieken: 'elc liep om eerste ende snelst thuysewaert en vloghen om haerlieder wapenen ende andere gheweer ende daerentusschen stelde die prince, zittende in een zwart harnasch up eenen moor (een Arabisch volbloedpaard), met een bloot mes in dhandt alle sijn volck in zeer goede ordonnantie.'

 

Hij stuurt Joos van Huele, de heer van Lichtervelde naar de grote markt om poolshoogte te nemen van de toestand. Blijkbaar is daar niet veel volk samengetroept en wie er is, hoort de man roepen dat Brugge eigendom is van de prins en dat hij naar de markt zal komen als hem dat belieft. Een oude poorter merkt fijntjes op dat het betreden van de grote markt voor Filips de Goede niet zonder gevaar is. 'Het is niet omdat er geen volk te zien is, dat dit automatisch betekent dat de kust veilig is.' De Brugse woningen zijn omgetoverd tot één grote hinderlaag met honderden burgers in aanslag. De plannen om op de markt te komen, worden dus veiligheidshalve opgeborgen.

 

Het gemeen stroomt ondertussen toe aan de Noordzand- en de Zuidzandbrug waar slag geleverd wordt met de indringers en 'bedrivende daer zulcke uytnemende foortse ende ghewelt werde daer zeere gruwelicke ghevochten ende veel walsch bloet ghesturt wiert'. Hertog Filips wil geen risico nemen en probeert via de Boeveriepoort terug buiten de stad te raken, maar die is natuurlijk gesloten. Zo ontstaat nu een gevecht in regel ter hoogte van het Godshuis van Sint-Juliaan waar de blijkbaar vermaarde kapitein Jan van Villers sneuvelt. De protserige gulden vlies ketting wordt van zijn hals gerukt en verhuist van eigenaar. Jan van Luxemburg, de bastaard van St.-Pol en heer van Haubordin revancheert zich en slaat de zoon van Jan van der Haghe dood.

 

Lodewijk van de Walle heeft eindelijk een smid, Jacob van Ardoye, 'een mensche van binnen die mijn heere lief hadde', te pakken die bereid is om de sloten van de Boeveriepoort open te breken 'deur de welcke die prince zeer haestelick die vlucht te Rijssele waert nam' met in zijn zog Roelandt van Uutkerke en de rest van de geschrokken beau monde. 'Ende meer andere edelen slands van Vlaenderen, tzamen vergheselscipt met diversche notablen ende cooplieden, die hemlieden niet langher binder stede betrouwen en dorsten.' Er moet daar trouwens grote paniek heersen in de Brugse binnenstad.

 

'Daer was er ooc een goet ghedeel die van grooter haeste pijnden over die vesten te zwemmene'. In grote paniek het sop van de vestingen inspringen om te ontkomen aan de Brugse colère en dan 'versmoorden zy zeer miserabelick'. En nog is de volksfurie niet uitgewoed. Nu wordt er van herberg naar herberg getrokken op zoek naar overgebleven Walen, 'in der maniere dater bet dan hondert Picaerden ofte Walen ter stede doot bleven ende wierden alle ghelijck, al zo wel deene als dandere, in St-Janshuys begraven.' 12 Bruggelingen hebben de clash van die vreselijke sinksenwoensdag niet overleefd en zelf hebben ze 170 tegenstanders gevangen.

 

Onder hen 30 officieren en leden van het hof van Bourgondië die trouwens onmiddellijk worden vrijgelaten. Zo ondermeer Simon, de biechtvader van prinses Isabelle van Portugal, de echtgenote van de hertog. De vrijdag van diezelfde week worden 22 mannen terechtgesteld, 'den hals of ghehouwen' op een schavot dat opgesteld staat voor de stadshalle. De rest van de gevangenen staat al zijn beurt af te wachten om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen. Dank zij de tussenkomst van enkele prelaten en vooraanstaande kooplieden die zorgvuldig en blootshoofds ten teken van respect van banier tot banier trekken, gaat de massale executie uiteindelijk niet door.

 

Eén figuur moet er nog aan voor de moeite. De smid die de euvele gedachte had om de Boeveriepoort open te breken voor de graaf, wordt op vrijdag, de vijfde van de wedemaand van juni 1437 als een verrader van het volk en met het zwaard de dood in gejaagd. De graaf is via Roeselare teruggekeerd naar Rijsel en zo bevindt de hele regio rond Brugge zich nu in een gevaarlijk niemandsland waar de Brugse opstandelingen, ongetwijfeld met grote overmoed, er dan nog op uittrekken en her en der vernielingen aanrichten.

 

Het kasteel van de graaf in Male wordt onder de voet gelopen en hier en daar worden de 'ogen uitstekende' patriciërswoningen geplunderd. Nadat het Brugse gerecht zijn werk gedaan heeft, is het hoogtijd om extra versterkingen aan te brengen in en rond de stad. De geschiedenis heeft al te veel keer aangetoond dat de opeenvolgende graven van Vlaanderen wraakzuchtige figuren geweest zijn en met deze zal het niet anders zijn. Werk aan de winkel dus in Brugge. Het stadsbestuur beslist om extra soldeniers aan te trekken die de stadsmuren nu dag en nacht moeten bewaken. Er worden 4 nieuwe hoofdmannen aangesteld. Het zijn smid Pieter de Burchgraeve, wijnscrooder Christoffel Mijnghere, Andries van Rooden en Jan van Steenburgh.

 

De vesten worden uitgediept, de stad wordt, waar mogelijk, versterkt en er worden verscheidene nieuwe bolwerken gebouwd. Met hout gekapt uit de beste bomen van de omliggende boerderijen, eigendom van gevluchte poorters die nog eens getrakteerd worden op een boete van 100 dukaten of gouden rijders zoals ze worden omschreven. De vier kapiteins trekken er met een keurgroep van 150 soldaten op uit in de regio van Brugge waar ze bij de graafsgezinden beslag leggen op een flinke provisie van koren en tarwe om die dan met de hulp van een sterk beveiligd konvooi terug te voeren binnen de stadsmuren. Ook de Brugsgezinde boeren, moeten verplicht hun graanvoorraden verkopen aan die van Brugge tegen de prijs die de hoofdmannen voorstellen.

 

Grote militaire transporten voeren Zeelands graan aan vanuit Aardenburg. Want ter hoogte van Sluis is de toegang tot de zee nog altijd dicht met dat staketsel van staken. Het Zwin van Sluis blijft dus nog altijd hermetisch gesloten en dat laat zich natuurlijk sterk voelen bij de commerçanten die actief zijn in de binnenstad van Brugge. Veel 'mescontendemente van de natien van de cooplieden als doen te Brugghe residerende, dat zy zom begonsten te sprekene van te vertreckene' richting Gent en Ieper. De graanprijzen swingen de pan uit en de economische context waarin Brugge zich bevindt moet bedroevend zijn.

 

Het valt in die context dus niet te verwonderen dat de kooplieden weg willen uit Brugge en dat ze koekeloeren naar de steden die wel in het grafelijk gareel lopen. Weg geraken uit Brugge zal niet gaan. Filips de Goede is al begonnen met zijn wraakoefeningen op het vermetele Brugge. Het is gebleken dat er geen orde op zaken kan gesteld worden door middel van geweld. Dit keer wordt de stad nu volledig afgezonderd van de rest van Vlaanderen. Geen slag of stoot zal er nog vallen. De toegang tot de voedselvoorraden, de Vlaamse 'vitaylgie', wordt doorgeknipt. Wat zullen de rebellen per slot van rekening uitrichten als ze zonder eten komen te zitten? Er komt een formeel verbod voor Nieuwpoort en Diksmuide en de omringende steden en parochies om nog iets te leveren aan Brugge.

 

En als de Bruggelingen zelf opduiken op zoek naar levensmiddelen dan moeten ze dat 'bij fijnder foortse wederstaen ende beletten'. Het stadsbestuur van Brugge is ondertussen flink afgeslankt en acteert bijzonder radicaal. Amper een handvol wethouders dirigeren de stad. Een pak onder hen hebben het zekere voor het onzekere gehouden en zijn verdwenen. De dubieuze en met gespleten tong sprekende eerste schepen Lodewijk van de Walle is het op 2 juni afgetrapt en vervangen door de fanatieke Claeys Caneele. Het valt op dat de vier kapiteins verregaande autoriteiten krijgen over de stad.

 

Er heeft zich zonder twijfel een militaire dictatuur geïnstalleerd, waar velen het niet mee eens zijn. Vooral gegoede burgers willen weg uit Brugge maar dat wordt al gauw door de junta verboden. Wie vertrekt moet binnen de 5 dagen terug zijn, zoniet wacht een boete van 100 dukaten en wie na 2 weken niet terug is, wordt onvoorwaardelijk ter dood veroordeeld. De vijandelijkheden nemen hand over hand toe. De internationale handel van Vlaanderen heeft natuurlijk zwaar te lijden onder deze blokkade van de zeehaven van Sluis. Het graafsgezinde Ieper dringt er bij de Raad van Vlaanderen te Gent op aan dat er een einde gemaakt wordt aan die vrijpostige toestand in Brugge. Niet door Picardiërs, Walen of andere buitenlanders. Maar door de Vlamingen zelf.

 

In Gent besluiten ze dat er nog ruimte moet bestaan om te onderhandelen met die van Brugge en zo worden een aantal geestelijken uit de eigen rangen aangesteld als bemiddelaars. Veel verandert er echter niet aan de gespannen toestand. Het komt er op neer dat Brugge de kwijtgespeelde zeggenschap over Sluis, terug wil. Maar daar wil de graaf van Vlaanderen natuurlijk absoluut niet van weten en zo blijven de radicale standpunten in Brugge ongewijzigd. De temperatuur van de revolutie loopt verder op in juni 1437. Filips de Goede heeft een klein leger gezonden naar Biervliet waar het strategisch op post blijft. De Bruggelingen werken onderverdroten verder aan hun militair apparaat. Het graan wordt duurder en duurder

 

En tot overmaat begint het er naar uit te zien dat de oogsten dit seizoen wel eens magertjes zou kunnen uitvallen. Wat natuurlijk nog verder de prijzen de hoogte injaagt. De volgehouden blokkade van het Zwin maakt de Gentenaars bepaald zenuwachtig. De macht van Sluis op de overzeese graantoevoer zorgt voor grote verdeeldheid onder de buitenbevolking van de Vier Ambachten die trouwens in toenemende mate het slachtoffer worden van plunderingen en diefstallen van zowel die van Brugge, Gent en Sluis. De druppels die de emmer doen overlopen, zijn deze keer enkele propvolle Duitse graanschepen die in Sluis worden gelost en waarvan de inhoud op transport wordt gezet naar Aardenburg.

 

Dat nieuws veroorzaakt grote tumult bij de hongerige Bruggelingen. 'Ter Sluus moeten ze gaan' en zo rukken 5000 boze Bruggelingen tijdens de maandagnacht van de eerste van de hooimaand op naar Sluis om er komaf te maken met die gehate Roelandt van Uutkerke. De Bruggelingen doen de ene poging na de andere om Sluis binnen te dringen, maar dit wil vooralsnog niet echt lukken. Willem Carre, de lokale burgemeester, ligt wel al dood aan hun voeten en ook de Westpoort ligt al aan diggelen, maar die van Brugge waren 'niet stout ghenouch' staat er te lezen. Ze laten de kans liggen om Sluis te veroveren. Wat later beletten een massa toegestroomde Sluizenaars de toegang tot hun stad en is de kans verkeken.

 

Hertog Filips is al gewaarschuwd en is al onderweg met een troepenmacht om zijn strategisch gelegen havenstad te komen ontzetten. De oude handschriften geven de impressie dat de aanval op Sluis voorkomt als een 'one night event' van de Bruggelingen, maar dat kan het natuurlijk niet zijn. Het beleg moeten ongetwijfeld dagen aan een stuk doorgaan, de tijd 'omme met machte derrewaert te commene, ende die gheassiedgierde ontset te doene'. Of Filips dat ook werkelijk doet, lijkt onduidelijk. Hulp bieden kan natuurlijk niet in een-twee-drie en de andere Vlaamse steden zijn er voor beducht dat de hertog weer al die buitenlandse soldaten zal loslaten. Er kan alleen maar 'grote rommelinghe' van komen als al dat Picardisch krijgsvolk vanuit Sint-Omer zou oprukken naar Vlaanderen. Ieper en Gent halen uiteindelijk hun slag thuis, iets wat ze in Brugge en Sluis niet schijnen te beseffen.

 

De Gentse diplomaten proberen te onderhandelen met de Brugse gezagsdragers maar blazen koud en warm tezelfdertijd en veel komt er op neer dat er wat tijd moeten gewonnen worden tot dat de Sluizenaars hun westelijke poort weer hebben hersteld. De Brugse gendarmerie zit natuurlijk niet te wachten op de grafelijke versterkingen en de mannen drijven hun inspanningen nog verder op. Gruwelijke gevechten. Aan beide zijden vallen er slachtoffers bij de vleet, maar vooral die van Sluis krijgen klappen. De Brugse heren van wapenen Willem Moreel en Claeys Caneel maken het verschil en de 18de dag van diezelfde julimaand keren de Brugse troepen weer naar hun heimat terug. Het beleg van Sluis heeft al met al weinig opgeleverd.

 

De grafelijke troepen kunnen nu zo goed als op elk moment opduiken en met die Gentse bemoeials lijkt de Brugse bestorming zo iets als de processie van Echternach. De bestorming heeft dus inderdaad bijna 3 weken aangesleept. De situatie is nu opnieuw precies zoals een maand geleden. De schroeven op Brugge worden nu wat verder aangehaald. Grafelijke garnizoenen komen Sluis, Oostburg en Nieuwpoort bezetten 'omme die van Brugghe zo cortere thoudene ende endelinghe ooc te verhongherene, indient doenelick ware'. Met het mes op de Brugse kelen, starten de onderhandelingen terug op. Zowat dagelijks reizen er delegaties naar Brugge.

 

Onderhandelaars voor vrede vanuit Rijsel, Kortrijk, Dendermonde en Aalst, maar 'daer en quamen gheen vruchten of'. De graaf is de situatie met het onverbeterlijke Brugge werkelijk spuugzat en stuurt einde juli 1437 een ultimatum. Niets nieuws onder de zon, het is aan de Bruggelingen om een vredesverzoek in te dienen en voor de rest moet alles blijven zoals het is. Eigenlijk valt het niet te verwonderen dat het volk in Brugge zich categoriek en fanatiek opstelt tegenover de buitenwereld. Het rondje pesten met de buren verziekt de sfeer. Officieren van de graaf en de rijke heren van Sluis organiseren sluikse roofpartijen op Bruggelingen die de stad ontvlucht zijn en gaan zo ver dat ze de buitengebieden van Brugge terroriseren met hun gewelddadige raids.

 

Het ergste is dan nog dat ze vaak schijnen te opereren vanuit het kasteel van Tillegem op nauwelijks enkele kilometer van de stad. Er lijkt maar geen einde te komen aan de zomer van 1437. De maand augustus is er een van uiterste verwarring. De graanoogst is mislukt. De voorspelling is meer dan uitgekomen. Woekerprijzen voor het graan zijn het gevolg, schaarste en wat er beschikbaar is, moet trouwens met hand en tand verdedigd worden tegen de plundertochten en verrassingsaanvallen van de graafsgezinden.

 

Ieper en het Brugse Vrye zijn de hele tijd aan de kant van de graaf blijven staan. Het zijn echter vooral de Gentenaars die zich actief beginnen te engageren bij het uitroken van het Brugse regime. De partijen proberen tot onderhandelingen te komen maar bij het aanbreken van de septembermaand is de blokkade van Brugge nog altijd even intact. Filips de Goede zit in een luxueuze zetel. Met Bruggelingenhaters als Roelandt en Jan van Uutkerke, heeft hij de Vlamingen waar hij ze wil. De stad Brugge is nu totaal geïsoleerd, kan geen kant meer uit, en dat vertaalt zich in een verregaande arrogantie van de graaf. Brugge moet en zal plooien.

 

Ook in september is er van rust voorlopig geen sprake. De schermutselingen en confrontaties rijgen zich aaneen. De inwoners en de boeren van Heyle, Maldegem, Moerkerke, Ramskapelle, Oostkerke en Muide krijgen het ongewenst bezoek van die van Sluis die alles wat ze op hun weg vinden stelen en ontvreemden. Een aantal rijke landslieden, of die nu pro of contra het nieuwe stadsbestuur zijn, worden gevangen genomen en de Sluizenaars 'staken tvier in Muyde'. De Bruggelingen op hun beurt vallen de burcht van Tillegem aan en herleiden die tot puin. Ook het Tillegembos moet er aan geloven wanneer de bomen één voor één gekapt worden. Als Jan van Uutkerke, kapitein van Nieuwpoort en zoon van Roelandt, het nieuws van de aanval op zijn kasteel in Tillegem verneemt, gaat hij op zijn beurt buurstadje Gistel aanvallen.

 

De handschriften liegen er niet om; allemaal 'rooven ende pijlgieren int quartier van Ghistele daer hy eenichsins by gheraken conste'. Jan van Uutkerke beperkt zijn revanche niet alleen tot een aanval op Gistel. Met een leger van 130 manschappen valt hij op de zaterdag na Sint-Baafsdag, we zijn dus al oktober, de boeren aan die, zoals ze dat gewoon zijn, voedsel en vee willen binnenbrengen in de Smedepoort van Brugge, 'injurierende die van binnen zeer gruwelick ende leelick, ende rijdende van stonde an weder haerlieder veerden, met schoffierlicke veel coeyen, calven, schapen ende allerande vitaylgien, die welcke die landslieden van daer omtrent, naer costuyme, ter stede waert brochten'.

 

Als de Brugse poorters de aanval aan de Smedepoort bemerken, zijn ze furieus. Met 1.200 komen ze naar buiten gestormd en nu zetten de aanvallers het op een lopen, 'zonder hooft ende zonder staart'. De Brugse meute slaagt er in om het gestolen voedsel te recupereren maar de mannen ruiken bloed. De achtervolging heeft hen geleid tot in Koekelare waar ze enkele van de mannen van Roelandt van Uutkerke bespeuren in het kasteel van jonkheer Pieter van Belle dat op dat moment de woonplaats is van de lokale parochiepriester Hendrik van Reigersvliet die trouwens ook nog deken is van de christenheid van Oudenburg.

 

De ruiters voelen zich veilig en overmoedig aan de binnenkant van de slotgracht en ze zijn zo vermetel om de spot te drijven met de Bruggelingen daarbuiten. En zelfs schieten durven ze. Een ferme misrekening is het. De Bruggelingen vallen het kasteel met fors geweld, boomstammen en buskruit binnen en ook hier is het al 'pijlgieren en verbarnen' die de klok doen slaan. Plunderen en platbranden. Nog dezelfde dag worden de geestelijke en de 10 verschanste soldaten teruggevoerd naar het Steen in Brugge. Onder hen onder andere Laureins, de bastaard van Belle, Joos de Brune en Philip van Langhemeersch.

 

De mislukte graanoogst zorgt niet alleen voor hongersnood in Brugge. De mensen in heel Vlaanderen worden er mee geconfronteerd en vooral in Gent is de situatie af en toe schrijnend. Zelfs de honden worden geslacht en opgegeten. De staketsels aan het Zwin hebben veel kooplieden afgeschrikt en de geblokkeerde bevoorrading baart grote zorgen. Honger en miserie zijn in het verleden al diverse keren een fatale cocktail geweest om de Gentenaars tot actie en revolutie te verplichten. Halfweg oktober lopen de potjes over door toedoen van 2 smeden; 'deene ghenaemt Jan Cachtele ende dandere Pieter Huereblock'.

 

Met zesduizend verzamelde ambachtslieden trekken de Gentenaars weg uit hun stad en gaan ze richting Sluis om die blokkade ongedaan te maken. Ze stellen de 30-jarige Rachen Onredene aan als kapitein van het ambachtenleger dat met grote ambities de Vrijdagmarkt achter zich laat op zoek naar actie en vergelding en vooral naar een doorbraak waardoor er weer eten op tafel kan komen en er weer een vrije handel kan bestaan. Ze kennen de pijnpunten maar al te goed. Die van Sluis hebben de hele boerenregio van de Vier Ambachten geteisterd met hun aanvallen en plunderingen. De Bruggelingen krijgen ook een veeg uit de pan.

 

Hoe hebben ze het zo ver kunnen laten komen om in deze onhoudbare situatie te belanden en op die manier zowat de welvaart van heel Vlaanderen te hypothekeren? Het leger van Cachtele en Huereblock trekt eerst naar Mariakerke en dan naar Aardenburg, waar ze gesprekken willen beginnen met die van Brugge. 'Kunnen Gentenaars en Bruggelingen de handen in elkaar slaan om die staken te gaan verwijderen aan het Zwin?' Maar die van Brugge hebben geen zin om te praten met die van Gent. Die kapitein Onredene is precies hun beste vriend niet, een gatlikker van het grafelijk hof, een valsaard die de Gentse ambachtslieden een rad voor ogen draait.

 

De Gentse armee druipt af. Enfin, armee is een groot woord, ongetwijfeld is het een zootje ongeregeld dat nu zelf de boeren op het platteland gaat lastig vallen en afpersen. De kronieken vertellen het relaas; 'zo keerden die Ghendtenaers weder thuysewaert, bedwingende daer haerlieder voorscreven capiteyn zo varre met woorden ende andersins, dat hy Lodewijck van der Holle, Lieven de Jaghere, Gillis de Clerck ende Jacob de Jaghere zelve in vanghenesse leeden, met meer andere oude schepenen, tresoriers ende overdekenen (die zy levereters hieten) der zelver stede.' Na de verwijdering van de ongewenste sujetten, trekken ze verder naar het kerkhof van Eeklo om opnieuw gesprekken aan te gaan met de Brugse gedeputeerden. Er moet nu echt eens gepraat worden over de algemene welvaart in Vlaanderen en over de rust in het land.

 

Dit keer komt er wel een positieve respons vanuit Brugge. De 9de november 1437 reizen Jan de Payere en Adriaan Zchbroek, de dekens van de ververs, naar Eeklo. Ze zijn in het gezelschap van Jan Welghereet, de deken van de smeden, Joris Wouters, de opperste van de timmerlieden. Marck van Aricourt, de deken van de bakkers is er ook bij. Ook de dekens van de schoenmakers (de cordewaniers), scheepslieden, kaarsengieters, leertouwers en die van de volders zijn mee opgekomen om te praten met hun Gentse evenknieën. Tijdens de debatten wordt er alvast één belangrijk onopgeloste kwestie opgelost.

 

De Bruggelingen hebben zich lang verzet tegen de aanwezigheid van het Brugse Vrije als vierde lid van de Raad van Vlaanderen, maar ze laten nu hun weerstand hiertegen varen. De Brugse ambachtslieden spelen met vuur. De voorwaarde om het Brugse Vrije toe te laten tot 's lands bestuur staat wel tegenover een opheffing van de blokkade van het Zwin, maar druist helemaal in tegenover de mening van het stadsregime. De meeste dekens hebben er een goed oog in dat de Grote Raad in Brugge wel akkoord zal gaan en het ligt nu aan hen om in eigen gelederen een doorbraak te forceren. Om te tonen dat het hen menens is, worden er 16 leden van de delegatie achtergelaten bij het Gentse leger in Eeklo en trekt de rest opnieuw naar Brugge.

 

Eén persoon is tegen de deal. Jacob de Messemakere, 'Meskin', vindt het achterlaten van die 16 gijzelaars nonsens. Zijn advies wordt echter genegeerd en de mannen gaan op weg naar Brugge. Het kost trouwens moeite om terug te geraken in Brugge. Net zoals dat de voorbije weken het geval was, laten de Gentse nietsnutten, hele sporen van geweld en overlast na in de streek van Eeklo. Dat zorgt op zijn beurt voor represaillemaatregelen vanuit de kasselrijen van Kortrijk en Oudenaarde en op een bijna open oorlog met het leger van Gent. Die van Brugge 'eschapeerden ende deur veel busschen, grachten ende haghen, en ten tweeden daghe daer naer gherochten zy weder te Brugghe'.

 

De Sluizenaars roeren dan op hun beurt nog eens in dat stinkend potje. De 28ste oktober, 'up St.-Simoens ende Judedach trocken eeneghe Sluysenaers, om stelen ende roven, in die prochie van St.-Laureyns, by Benthille, aldaer der VIII van hemlieden ghevangen wierden'. De acht worden naar Brugge gevoerd waar ze onthoofd worden. Hendrik van Borseele, de heer van Veere, wil zich revancheren voor die executie en rukt op naar Sluis met een bende Zeelanders.

 

Daarna laten ze een spoor van roof en moord achter in Heist, Blankenberge, Oostkerke en Lissewege. Begin november ondergaan Lapscheure, Hannekenswerve (een nu verdwenen dorp op zowat 3km van Sluis) en Moerkerke het zelfde lot, waarop er op zijn beurt een revanche komt met een aanval op het Leestgie-kasteel te Zoetendale en het kasteeltje van Claeys van de Velde bij Aardenburg. Wat er zich daarna precies afspeelt tijdens deze novemberdagen, is niet helemaal duidelijk. De Vlaamse en de Franse kronieken spreken elkaar de hele tijd tegen. Over één zaak zijn ze het eens: het regime in Brugge schiet de actie van de dekens af.

 

Die toegeving om het Brugse Vrije toe te laten tot de Raad van Vlaanderen kan niet op enig meeval rekenen. De verwijten vliegen in het rond. Niemand wil nog verder kijken dan zijn neus lang is. Bij de poorters en het gemeen zijn de meningen totaal verdeeld. Sommigen keuren de gezamenlijke actie met die van Gent absoluut goed, terwijl anderen afkomen met gore verhalen zoals die dat de Brugse dekens daar in Eeklo werden omgekocht door die Gent. Om een lang verhaal kort te maken: de dekens worden als verraders gearresteerd en achter de tralies gezet.

 

Die botte weigering vanuit Brugge, stuit op ongeloof bij de Gentenaars die de 13de november opstomen naar Aardenburg en de Brugse gijzelaars met zich meevoeren. Vooral de Brugse buitenpoorters worden het slachtoffer van hun aanwezigheid. De hele tijd door hangt het wel of niet samenwerken aan een gezamenlijke aanval op Sluis als een jojo boven de hoofden bengelen. Vooral de Gentse smeden en kleermakers zoeken de samenwerking, maar ze kunnen op zich niet voorkomen dat hun collega's drie Brugse oproerkraaiers lynchen en dat er zelfs sprake is bij hun leiders om een aanval op Brugge te ondernemen. Twee weken later gooien de koude winter en het gebrek aan voedsel roet in het eten.

 

De 27ste november keren de Gentse ambachtslieden op hun stappen terug naar Eeklo met in hun zog nog altijd de 16 Brugse gijzelaars. Weer zijn er die lokale baldadigheden die voor de nodige reactie zorgen in de diverse Gentse kasselrijen waardoor het op de markt van Eeklo tot een hevige confrontatie komt. Er wordt maar op het nippertje een bloedbad vermeden, twee doden dat wel en veel gewonden. De Brugse gevangenen profiteren van de gevechten om er van onder te muizen. De hele Gentse actie mag gerust bestempeld worden als één grote flop. Nog voor het einde van het jaar wordt kapitein Onredene trouwens door Filips de Goede ontslagen uit zijn functie en verbannen naar andere oorden.

 

De revolutie in Gent is een stille dood gestorven. Het blijft een open vraag hoe lang die in Brugge nog stand zal houden. De winter, de gesloten doorgang aan het Zwin en de graanprijs zorgen voor grote twijfels in de Brugse binnenstad. 'Groote dierte door het toesluyten van het zwyn' staat er in de rand geschreven. 'Die prijs van den grane beghonste zo over al te rijsene, ende namentlick te Brugghe, dat men tcoorne XXXVIII grooten thoet cochte, omme dieswille dat die oostersche ende andere coopvaerders van grane die stede van der Sluys niet passeren en mochten, overmids tstoppen van den zwijne.'

 

De Gentenaars hebben hun troeven verspeeld en de Bruggelingen komen tot rede. Het lijkt er op dat er mogelijk een einde kan komen aan de impasse. Graaf Filips de Goede blijft hoe dan ook verstoord op die van Brugge na zijn smadelijke aftocht in de pinksterweek en bovendien geeft hij uiteraard de nodige prioriteiten aan zijn oorlog tegen de Engelsen. Zijn gramschap op de Bruggelingen zal vermoedelijk wel een flink stuk theater zijn, want het kan geen toeval zijn dat zijn echtgenote Isabella van Portugal nu plots een rol gaat spelen in de onderhandelingen. De hertogin gaat zich nu met charme en vriendelijkheid met de zaken bemoeien.

 

Haar aanwezigheid op zich zorgt al voor tevredenheid in Brugge waar de geest van revolutie al een tijd omgeslagen is in een gematigde houding. De Bruggelingen willen onderhandelen en krijgen dit keer een vrijgeleide om bij Isabella van Portugal te geraken. Jacob de Zweertvaghere, Pieter de Burchgrave, Bauden vander Leene en Willem Gheerolf worden afgevaardigd om het woord te voeren voor de stad Brugge. Begin december komt er een wissel in de Raad van Vlaanderen waarbij zonder veel woorden wordt aangetoond dat een aantal wethouders ook wel boter op het hoofd hebben gehad met hun houding tegenover Brugge en met hun overdreven hand- en spandiensten in het voordeel van het wisselvallige Gent. De nieuwe 24 notabelen komen uit alle lagen van de gilden en brengen hoe dan ook rust en overleg in de atmosfeer.

 

Isabella van Portugal focust zich op de gebeurtenissen rond de moord gepleegd op burgemeester van Varsenare en zijn broer. Als Brugge vrede wil, zullen alle aanstichters van die slachtpartijen uit de stad moeten verdwijnen; 'als zy emmers in toecommende tijdens paeys begheerden, ende zendende met eenen te Vilvoorde, in Brabant, in vanghenesse Vincent Scheutelare, den capiteyn van Brugghe, metsghaders ooc Loys van den Walle, den burchmeestere van den Course, ende joncvrau Geertruyt Scheutelare, zijn wijf, ter cause van der verradelicker conspiratie by hemlieden ende haerlieder complissen ghemachineert, te laste van wijlent, zaligher memorie, Morissus van Varsenare.'

 

Ze zorgt er voor dat de niet uitgevoerde verbanning van Roelandt van Uutkerke weer actueel wordt en er is ook sprake van het wegsturen van Gheeraert van Maldegem, Jan van Papenghem, Pieter Goetghebuer, Pieter Bricx, Joos Beys en anderen. Lodewijk van der Hole mag de gevangenis verlaten, samen met Lieven de Jaghere, Gillis de Clerck en Jacob de Jaghere. Het water staat trouwens tot aan de Brugse lippen, de nood is hoog, de voedselvoorraden zijn zo goed als op, 'zy ignoreerden niet dat tzelve niet langhe ghedeuren en mochte.' De Brugse gedeputeerden wentelen zich vol zelfbeklag voor de voeten van hertogin Isabella. Jacob de Zweertvaeghere, Willem Geerolf, Pieter Burchgrave en Boudewijn van den Leene.

 

Zie ze daar staan voor de vrouw van Filips de Goede. 'Biddende ende supplierende zeer oodmoedelick dat haer zoude ghelieven van paeyse te wesene, tusschen den hertoghe Philips, haren man, ende hemlieden.' Het spijt hen dat ze zich weerbarstig en opstandig opgesteld hebben tegen hem en contra de Raad van Vlaanderen in Gent. Ze smeken haar om een goed woord te doen zodat de verstandhouding met de graaf kan hersteld worden. Brugge onderwerpt zich nu officieel aan zijn wil. Sluis blijft voorlopig nog een heet hangijzer. Begin december hebben de Sluizenaars nog een massale raid ondernomen op Damme, maar al bij al blijkt ook dat hier het geloof in de 'goede zaak' wat verdwenen is.

 

Op 8 december zijn ze er in geslaagd om een ontmoeting te hebben met de graaf in Arras, waar ze te horen krijgen dat een aantal Sluizenaars en Bruggelingen zullen gestraft worden voor de voorbije vuile oorlog in het noorden van West-Vlaanderen en voor die ongeoorloofde blokkade. Er wordt zelf een getal gekleefd op dat aantal. 40 onder hen zullen in ongenade vallen en onder huisarrest geplaatst worden. Voorlopig worden hun namen niet bekend gemaakt uit angst voor nieuwe rellen en oproer. Ook de 16 Bruggelingen die bereid geweest zijn om als gijzelaar met het Gentse leger mee te stappen zullen nu voor de wet moeten verschijnen en hun straf krijgen.

 

Het blijft wachten tot begin 1438 vooraleer Filips de Goede klaar is met zijn verdict. Een groep van 14 vooraanstaande Bruggelingen wordt half januari afgevaardigd om het in naam van heel de stad te gaan aanhoren. Dat ze ingaan op die uitnodiging, bewijst dat alle weerstand gebroken is en dat de grootsprakerige Brugse revolutie volledig in de lappenmand ligt. De 12de januari worden de namen van de 40 hoofdschuldigen officieel en per brief meegedeeld. Nicolas Despars heeft het in zijn kronieken zelfs over 42 personen.

 

'Alle die persoonen, met name ende toename, totten ghetalle van XLII, de welcke die prince themwaerts behouden wilde, omme naermaels zijn goede wille ende gheliefte daer mede te doene, te wetene: eerst, Vincent Scheutelare, die capiteyn van Brugghe, Loys van den Walle, joncvrau Geertruyt Scheutelare, zijn huysvrau, Joos van den Walle, die zuene van Loys vorzeit.' De lijst gaat verder. Isemast de Pape, Jan van den Walle, Adriaen Zechbrouck, de deken van de ververs, Jan Welghereet, de deken van de smeden.

 

Ook de dekens van de vulders, de scheerders, de timmerlieden worden met naam genoemd. Broeder Jacob van de Franciscanen, kapelaan Jan van der Matte, de makelaars Pieter Thente en Victor de Wale. Maar ook ambachtslieden zelf. Timmerlieden, smeden, scheerders.

 

De kronieken hebben het over enkele terechtstellingen die al uitgevoerd werden de 7de december. Daags voor het eerste bezoek aan de graaf in Arras, rekent het stadsbestuur af met vier individuen die op eigen houtje met de Gentenaars deel hebben genomen aan de raids in Eeklo. Waarom die vier nu al op het schavot moeten verschijnen, kan te maken hebben met het tonen van enige goede wil ten opzichte van de hertog. Maar het kan evengoed een voorafgaande eis geweest zijn van Filips de Goede of zijn vrouw Isabella.

 

Onze kroniekschrijver is heel exact en precies: 'zo deden die van der wet te Brugghe ten VIIe daghe van der maent van decembre, naer die noene, up een schavot op den burch, viere van de voorscrevene persoonen den hals of hauwen, te wetene: Adriaen Zeghbrouck, den deken van de vaerwers, Jan Welghereet, den deken van de smeden, Jan de Swarte, scheerere, ende Jacob de Messemakere, omme dieswille dat zy uyt haerlieder zelfs eyghen authoriteit ter ontbiedinge van die van Ghendt, met meer andere laetst tEecloo ghecompareert hadden.'

 

De 7de januari 1438 wordt er een nieuw schepencollege geïnstalleerd met daarbij vooral de notabelen en de wethouders die vorig jaar de stad zijn ontvlucht. Het komt er nu op aan om de plooien met officieel Vlaanderen en met de hertog glad te strijken. Die laatste begint trouwens aan een kat-en-muis spel dat waarlijk doet denken aan het schaakspel dat Filips de Schone ooit speelde met Robrecht van Bethune en zijn vader Gwijde. De Brugse delegatie moet eerst nog mee in het bad met de graaf vooraleer die zijn vonnis zal bekend maken.

 

De Brugse privileges en de stedelijke rechten moeten drastisch ingekrompen worden vooraleer er van een herstel van de relaties sprake kan zijn. Enkele jaren geleden zou dergelijke vraag synoniem gestaan hebben met een oorlogsverklaring. Wie durfde te raken aan de stadsrechten, raakte aan het hart van de stad en zijn poorters. Maar nu liggen de zaken anders. De mensen willen vrede. Vrede en voedsel. Stabiliteit ook, vriendje zijn met de graaf van Vlaanderen. En zo worden de voorstellen van de graaf aanvaard en sust de goegemeente zichzelf dat wat ze nu moeten afgeven, ze ooit wel in betere tijden zullen terugverdienen.

 

De onderhandelingen slepen aan tot in maart. De graaf heeft alle tijd terwijl Brugge naar zijn pijpen moet dansen. Het zal hem een goed gevoel van macht geven. De 3de maart is het eindelijk zo ver. De 14 van Brugge komen naar Arras in het gezelschap van de abten van de regionale abdijen met in hun zog een aantal geestelijken en ook de 21 poorters die eerder uit Brugge waren weggevlucht, zijn van de partij. We zien de Vlaamse hoogwaardigheidsbekleders en vooral de afgevaardigden van de drie Staten van Vlaanderen. De uitspraak wordt eerst mondeling voorgelezen, pas een kleine twee weken later zal alles op papier staan.

 

De officiële afkondiging ervan voor de halle in Brugge, zal volgen op 14 maart. Na de bekendmaking van het vonnis, worden de beschuldigden nog even ongemoeid gelaten. Het in één keer oppakken van de 40 kopstukken, zal ongetwijfeld niet evident zijn in dit wispelturige Brugge. Heel verstandig is dat natuurlijk niet, want de helft van de veroordeelden kiest het zekere voor het onzekere en vlucht weg uit de stad wat dan een kwade reactie oplevert van hertogin Isabella die meteen ingrijpt en de stadspoorten laat bewaken en de Bruggelingen verbiedt om nog onderdak te bieden aan de geviseerden. Nog voor het einde van de meimaand worden de vonnissen uitgevoerd. Wie effectief opgepakt is, wordt onthoofd.

 

De vele galgen tussen Brugge en Sluis, exposeren ostentatief de ontzielde lichamen van de omgebrachte 'booswichten'. Allen voorzien van hun opgespieste en afgehakte hoofden. De kraaien varen er wel bij. De 19 die zijn kunnen ontkomen, worden nu officieel verbannen uit Vlaanderen en als ze ooit nog opgemerkt worden in het land, zullen ook zij hun onthoofding niet ontlopen. Het is opmerkelijk dat heel wat schepenen en functionarissen uit het stadsbestuur van 1437 de straffendans ontspringen. Dat is echter helemaal niet het geval voor de personen die aan de basis hebben gelegen aan de moorden op Maurits en Jacob van Varsenare.

 

Broer en zus Lieven en Geertruide de Scheuteleere en haar man Lodewijk van de Walle die de ambachtslieden zo smerig en onderhuids tot over de rand hebben opgehitst met hun jaloezie en afgunst. Ook hun zoon Joos van de Walle wordt met de vinger gewezen. 'Kapitein Lieven de Scheuteleere eindigt zijn leven op een trieste manier' lezen we. 'Zo brocht men Vincent Scheutelare ghevanghen van Vilvoorde, in Brabant, binder stede van Brugghe, daer hy, ghedeurende die voorleden beroerten, capiteyn of gheweest hadde, ten tweeden daghe daer naer, voor die noene up tschavot onthalst.'

 

Zijn zus Geertruide wacht hetzelfde lot. Net zoals haar man en haar zoon. De adviesraad rond Filips de Goede oordeelt aanvankelijk dat 'Loys van den Walle ende joncvrau Geertruyt Scheutelare, zijn overmoedich, quaet, valsch ende verraderlick wijf', terechtgesteld moeten worden en dat vooral zij op het midden van de markt moet begraven worden onder een grafsteen met de tekst: 'hier licht die felle Geertruyt, die by harer hoverdye ende valschede den prince in dangiere van zijne lijve ghebrocht heeft, ende alle die van der stede van Brugghe in haerlieder uytterste qualickvaert ende miserie.'

 

Er zal wel wat lobbywerk bij te pas zijn gekomen, maar het doodsvonnis van Geertruide en haar Lodewijk wordt door toedoen van prinses Isabella (ter ere van alle vrouwen) omgezet in een levenslange opsluiting in het kasteel van Wijnendale. We zijn begin mei 1438 en de processie van het Heilig Bloed staat weer op stapel. 'Princesse Isabelle, die welcke die van der wet, met alle van die clergie van der stede, zeer weerdelick binden zelven daghe ter Smedepoorte inhaelden, omme sanderendaechs die processie van den weerdighe helighe bloede te ziene.' De volgende dag zorgt Colaert van der Clijte, de soeverein van Vlaanderen, nog voor een dessert in Oostkamp.

 

De terechtstelling van Wouter Bets, de eerste ambachtsman van het Brugse Vrije die vorig jaar met zijn standaard was afgezakt naar Brugge om er mee te doen aan de opstand. En dat zal hij geweten hebben op de 4de dag van mei 1438: 'Sondaghs up den iiijden dach in Meye, doen dede de souverain onthoefden Wouter Bets ter Steenbrugghen, by den Siekenlieden te Orscamp waert, ende dedene daer stellen up een wiel, ende dede an 't wiel hanghen eenen rozenen hoet, omme dat Wouter Bets, de eerste man was van den Vryen, die gewapent quam met sinen standarde van den ambachte van Orscamp te Brugghe, up de marct. Brugge moet zich ook officieel en publiekelijk onderwerpen aan zijn graaf.

 

Op 22 mei 1437 moeten de dekens van de ambachten en de schepenen van de stad door het stof kruipen voor Filips de Goede. Op blote voeten, uiteraard blootshoofds, vallen ze op hun knieën voor de hertog. Nu de schuldigen hun straf hebben ondergaan, kan gekeken worden naar de maatregelen die zullen genomen worden. De Boeveriepoort moet dicht en dient vervangen te worden door een kapel. De boete van 50.000 pond is astronomisch. De bepalingen van het vervloekte Calfvel worden weer ingesteld en de graaf komt weer af met de vroeger afgeschafte belasting van de 'zevende penning'. Meer bepaald één zevende van alle stadsinkomsten.

 

De boete is onhaalbaar. De crisis en de honger hebben het inkomen van zowat iedereen drastisch naar beneden gehaald. De terugbetaling de volgende jaren, zal met horten en stoten verlopen en de hertog zal zichzelf verplicht zien om een stuk van het bedrag kwijt te schelden wegens 'niet realistisch'. Niet al dat geld is trouwens voor de hertog zelf. Een belangrijk stuk gaat naar slachtoffers van de Brugse repressie. Een flink pak gaat naar de erfgenamen van Jan van Villers en die van Maurits en Jacob van Varsenare. Roelandt van Uutkerke, nochtans zelf veel boter op het hoofd, krijgt een schadevergoeding van 1.000 pond.

 

Ook de stad Sluis krijgt 750 pond. Die bedragen tonen nog maar een keer hoe Brugge en Brugge alleen de rekening en de schuld krijgt voor zijn conflict met Sluis. De taksen en de belastingen schieten de lucht in. 'in zulcker wijs dat zy, naer langhe deliberatie, endelinghe eene dobbele assijsse up die wijnen voortstelden, augmenterende met eenen ooc die bierassijssen, ende ordonnerende bet voorts noch zekere nieuwe cayljoote up tzout ende allerande soorte van graen, bestiael ende barninghe (brandstoffen), metsghaders ooc up meer andere etelicke ende slijtelicke ware, beghinnenede te Lichtmesse, ende vier jaer lanck.' Brugge verliest elke juridische en strafrechterlijke autoriteit op Sluis. De stad kan geen enkele militaire macht op de haven van Sluis meer claimen.

 

De lokale gilden worden nog het hardst aangepakt. Veel vroegere vrijheden worden prompt geannuleerd. Adieu tolvrijheden en bescherming van de ambachten. De poorters worden met een reeks beperkingen en reglementen opgezadeld. Staken wordt voortaan ten strengste verboden. Geen sprake meer van de 'ledichganc'. De Brugse slechte gewoonten moeten er eenvoudigweg uit. De stedelijke macht over de Brugse buitengebieden en het Brugse Vrije wordt verder ingekrompen. De stad moet zich, net zoals alle andere steden in Vlaanderen, schikken naar de macht van het huis van Bourgondië. De maatregelen die Filips de Goede neemt, zullen ook een blauwdruk vormen voor verdere reorganisaties zoals in latere tijden te Gent.

 

Ondertussen spelen honger en ellende de hoofdrol in Brugge. Velen van de circa 40.000 à 50.000 inwoners zien zwarte sneeuw. De marktprijs van de tarwe is de zaterdag na die terechtstelling in Oostkamp, opgelopen tot 34 pond per korenmaat. Daar in Sluis blijven de staken onveranderlijk de doorgang van levensmiddelen tot in Brugge tegenhouden. Als ze van de hertog het verzoek krijgen om die te verwijderen, zullen ze dat zeker doen. Maar het verzoek komt niet. Dus blijven ze in Brugge met de gebakken peren zitten.

 

Brugge moet er echt alles voor doen om weer op een goed blaadje te komen. Een stukje show komt er de volgende dag bij het eerherstel en het in memoriam van de gedode Jan van Villers, de heer van L'Isle-A-Dam en drager van het elitair gulden vlies. Een vliesridder dus. De Orde van het Gulden Vlies werd 8 jaar geleden opgericht in Brugge door toedoen van Filips de Goede zelf en dat op de datum van zijn huwelijk met Isabella van Portugal. Alleen de ridders die behoorden tot de intieme vriendenkring van de graaf van Bourgondië, konden aanspraak maken op deze onderscheiding. De moord op Jan van Villers moet dus grote beroering hebben veroorzaakt bij Filips en zijn Isabella.

 

Vandaar dus het stuk theater dat levensnoodzakelijk is om het paar weer op andere gedachten te brengen. We gaan weer over op de taal van de kronieken; 'zo ghinghen die van der wet met alle die collegien ende vier ordenen der stede van Brugghe, tsanderdachs sachternoens processie wijs in St.-Janshuys, halende daer tdoode lichame van Jan van Vilers, heere van Lilleadam ende van den gulden vliese, ende draghende tzelve binnen der kercke van St.-Donaes, aldaer zijt anderwarf, met grooter solemniteit ende weerdichheit, ter eerden deden, celebrerende voorts daechs daer naer zijnen uytvaert, zoot betaemde, ter presentie ende jeghenwoordicheit van zeer veel prelaten ende edelen.'

 

Het verplichte nummertje van de Bruggelingen levert niet het gewenste resultaat op; 'maer dies niet jeghenstaende zo en quam er noch gheen openinghe van den zwene'. Het Zwin blijft potdicht en de volgende dag is het graan nog maar eens 2 pond duurder geworden. De toestand is schrijnend. Hoe kunnen we die fysieke ellende eigenlijk tot in de goede details omschrijven in onze taal van vandaag?

 

Hoe kunnen we in ons beter in de huid van de mensen van toen verplaatsen, dan nog een keer de kronieken aan het werk te laten: 'in der maniere dat tcoorne allevot wiert twee ponden grooten thoet gheldende, twelcke cause was dat mer veel broots van aerweten, boonen ende gheerste bacte.' Erwten- en bonenbrood. 'Zommeghe schamele lieden aten de coucke die van de olymuelens commen, ende zommeghe verghinghen zy van honghere ende ghebreke, dat claghelick was, die dien dat zy tot die backers geen broot en vonden'. Er ligt gewoonweg geen brood meer bij de bakkers.

 

De malaise beperkt zich blijkbaar niet tot Brugge. 'Uyt welcker aermoede ende famine successivelick al Vlaenderen duere zulc een moordadighe pestilentie causeerde dater (byder rechtvaerdigher handt Godts) bet dan XXIIII duysent personen, tusschen jonck ende oudt, alleenlick binder stede van Brugghe storven, tusschen Sinxen ende Sinte Maertemesse'. De helft van de stadsbevolking is gedecimeerd nog voor het aanbreken van de winter van het illustere jaar 1438. Een straf van God noemen ze de pest. Andere geschriften spreken niet over de helft van de bevolking, maar over een vierde of een vijfde ervan. Nog meer dan voldoende. Gemiddeld 100 doden per dag op het hoogtepunt van de pestepidemie, benadrukken op zich al voldoende de macabere zomer van dat jaar.

 

Wat een contrast toch met de grote feesten die de koning van Frankrijk in juni organiseert in Cambrai. 'Feesten te Kameryk in de Wedemaand' lezen we. Zijn zevende dochter, Catharina van Valois trouwt met Karel, de zoon van Filips de Goede. Er trekt behoorlijk wat schoon volk naar 'Camerijcke'. De aartsbisschop, graven, edelmannen, vrouwen en jonkvrouwen, een hele bladzijde gevuld met namen en ronkende titels. In Brugge zelf worden de wonden gelikt. Met de opgraving van Maurits en Jacob van Varsenare en een plechtige uitvaartdienst in de kerk van Sint-Walburga wordt symbolisch eveneens het weelderige en machtige Brugge van destijds begraven.