P1431100

Frans-Vlaanderen 1853. In Hazebrouck wordt het 'Comité Flamand de France' boven de doopvont gehouden. Veel inwoners hier voelen zich nog met hart en ziel verbonden met Vlaanderen, het land waar ze ooit echt deel van uitmaakten. Politiek, twisten en oorlogen hebben ervoor gezorgd dat hun deel van Vlaanderen in Frankrijk is beland. Het comité, onder leiding van zijn voorzitter Edmond de Coussemaker, wil zich inzetten om de geschiedenis en de cultuur van Vlaanderen op passende wijze te promoten.

 

Onderweg in zijn lange geschiedenis, het comité bestaat nog altijd anno 2013, stuiten we in het achtste deel van hun annalen op een verhandeling die ons onmiddellijk intrigeert. Hier willen we even halt houden. 'Tome VIII van 1864-1865' verrast ons met een studie van een zekere Alexandre Desplanque: 'Troubles de la Chatellenie de Cassel sous Philippe-le-Bon (1427-1431)'. De man is vermoedelijk één van de archivarissen van Rijsel en hij stoot per toeval op een afrekening van 31 december 1429 tussen graaf Filips de Goede en Michel Paelding, zijn baljuw van Sint-Winoksbergen. De rekening heeft het over het in die tijden niet onaardige bedrag van 648 ponden. Het document leidt Desplanque rechtstreeks naar het heftige Cassel van de jaren 1400. Wat heeft er zich daar in die dagen afgespeeld?

 

In het eerste deel van de 'Kronyk van Vlaenderen', hebben we kunnen lezen dat er in 1429 inderdaad groot tumult ontstaan is in Cassel en in Cassel-Ambacht. Het volk verzet zich tegen zijn baljuw en zijn stadsbestuur. In de 15de eeuw schrijft een Vlaamse kroniekschrijver; 'om dat de bailli van Cassele meer boeten wilde hebben van den gheenen, die vochten oft twisten dan hare privilegien, costumen ende wetten in hadden, ende om dat Mer Colardt Van den Clyte, de upperbailli van Cassele, dien van Cassele te hardt was, ende dat hy by exactien meer nam van boeten dan hare costumen ende wetten inhilden, daeromme worpen sy te Ruerschuere sijn castiel omme ter eerden.'

 

Meteen staan we op één lijn met de onbekende Rijselse archivaris. We willen allebei wel wat meer weten over de incidenten van die dagen op en rond de Westhoekse Casselberg. Over de schouder van Alexandre Desplanque heen, kijken we gepassioneerd binnen in zijn verhaal en in zijn geest. De gebeurtenissen spelen zich af in de vallei rond de Casselberg. Morbecque, Renescure, Belle, Hazebrouck.

 

In het land dat Gwijde van Dampierre ooit schonk aan zijn zoon Robrecht van Cassel en dat met de dood van Jan zonder Vrees in handen is gevallen van graaf Filips de Goede, de hertog van Bourgondië. Cassel-Ambacht is onder het beleid van Robrecht van Cassel en later onder dat van de feeks Yolande van Vlaanderen, zijn dochter, jaren een buitenbeentje geweest. De regio is letterlijk en figuurlijk een grensgeval tussen Artesïe, Frankijk en Vlaanderen gebleven.

 

648 pond krijgt Michel Paelding dus van diezelfde hertog van Bourgondië. Een afrekening voor de kosten die veertig mannen paardenvolk maken tussen 29 november en 7 december van het jaar 1429. Blijkbaar zijn de mannen zwaar bewapend en in vol ornaat en er wordt er ook gezorgd voor honderd tot op de tanden gewapende mannen voetvolk.

 

Het legertje wordt uitgedost op dringend bevel van de graaf zelf en wordt nu uitgestuurd naar Belle om de hoogbaljuw van Vlaanderen te helpen. Een executiepeloton is het. Er moet afgerekend worden met de 'désobéissans et rebelles en nostre chastellenie de Cassel'. Het oprukken van een zwaar bewapend leger op rechtstreeks bevel van de graaf zelf, duidt aan dat het hier zeker niet gaat om een roofpartij of om een of andere baldadigheid die in die tijden zowat elke dag schering en inslag zijn. Er is meer aan de hand. Het gaat duidelijk om politieke rebellie van het volk van Cassel. Desplanque wil wel eens meer weten wat daar van aan is en gaat snuisteren in de geschiedenisboeken en in de kronieken.

 

D' Oudegherst en Jacques Meyer kunnen één en ander ongetwijfeld al verduidelijken. En hoe zit het met de lokale archieven? Via Kervyn de Lettenhove, komt hij te weten dat zijn Ieperse collega Lambin een werk heeft afgeleverd dat gebaseerd is op de handschriften van de gewezen Ieperse schepen Olivier van Dixmude. Via zijn vriend, de Ieperling Jules Cordonnier, slaagt hij er in om een exemplaar van de bewuste kronieken in handen te krijgen. De vermaarde Brugse historicus, baron Kervyn de Lettenhove, bezorgt Desplanque een kopie van een Franse kroniek, of althans een passage uit die kroniek, waarvan het origineel zich in Firenze bevindt.

 

Pieter d' Oudergherst begint zijn verhaal met te vertellen dat hij eigenlijk zelf niet goed weet welke de aanleiding moet geweest zijn. Waarom en wanneer hebben de duizenden boeren en de landarbeiders in en om Cassel eigenlijk zo gerebelleerd tegen hun graaf Filips de Goede? Maar wat later komen we plots te weten dat alles te maken heeft met de extreme strengheid van hun baljuw Colard van de Clyte. De Casselnaars die het ook maar aandurven om te protesteren krijgen zowat elke dag te maken met een bloedige repressie die zich afspeelt tot aan de binnenkant van hun woningen. Die zelfde van de Clyte geneert zich trouwens allerminst om te tornen en te prutsen aan hun stedelijke voorrechten die ze al zo veel eeuwen geleden van hun graaf mochten hanteren.

 

De bevolking van Cassel-Ambacht protesteert hevig bij het Parijse parlement. Goede en waardevolle wetten die al zo lang ingeburgerd zijn in de kasselrij, worden aangevallen door de vertegenwoordiger van Filips de Goede. Meer weet d' Oudegherst niet. Laten de andere manuscripten meer los? Sommige barbaarse rechtsprincipes, ooit nog in werking bij de Franken, sluimeren nog altijd bij de bevolking, en geven de mensen nog altijd het intuïtieve alibi om zelf het recht in handen te nemen wanneer iemand hen onrecht aandoet. Primitief tot en met.

 

Neem nu het plegen van een moord. Als een inwoner opgepakt wordt wegens manslag, dan kan de moordenaar elke procedure tegen hem blokkeren door een schild en een muntstuk op te hangen voor de hallen van Cassel en allen die de dood van het slachtoffer willen wreken uit te dagen tot een tweegevecht of een kruis-of-munt duel waar gerekend wordt op de hulp van God. Het 'navia aut caput' van de Romeinen bestaat nog altijd. Veertig dagen krijgen de mensen de kans om de dood van een geliefde of van een ondergeschikte te wreken. Na die datum volgt automatisch de vrijspraak voor de moordenaar en wordt hij vergeven van al zijn zonden.

 

De voorzitter van het 'comité Flamand' weet ons te vertellen dat de praktijk van 'schild en muntstuk' zeker al uit de wetgeving moet verdwenen zijn voor het jaar 1276 omdat er in de 'Vièses coustumes de Cassel' van dat jaar al geen sprake meer is van die walgelijke oog om oog en tand om tand praktijken. De typische klassenjustitie die heerst over Vlaanderen, geeft aan de lokale burggraven steeds grotere macht en een eigen jurisdictie om de scepter te zwaaien over de simpele mensen. Moordenaars die geen nagel hebben om aan hun achterste te krabben en die bij hun geboorte niet de minste status hebben meegekregen, worden aan de wrede wil van de lokale adel onderworpen. Folteringen, pijniging, ophanging zijn vaste ingrediënten van de lokale willekeur.

 

En een tijdelijke verbanning uit Vlaanderen geldt zowat als de lichtste straf. Wat een contrast met een moordenaar die ook maar de minste adellijke status kan voorleggen. Die wordt om te beginnen al niet opgepakt. Het enige wat hij dient te doen, is zich te komen verantwoorden voor de 'franches vérités', een soort assisenproces dat één keer per jaar gehouden wordt. En daar wordt hij natuurlijk bijgestaan door een bende gewapende medestanders en ondergeschikten om uiteindelijk achteraf de rechtbank 'quitte et absous' te kunnen verlaten. De nieuwe wetgeving van 1276 heeft getracht om wat te doen aan die schandalige ongelijkheid.

 

De gewone man heeft gelukkig wat meer bescherming gekregen van de baljuw die hem een vrijgeleide biedt en hem beschermt tegen eventuele wraak van zijn slachtoffers. Maar de oude Germaanse bloedwraakjustitie is hoe dan ook hardnekkig blijven hangen in de schoot van de Westhoek. De revanche op een moord van vrije mensen, hoort toe aan zijn nabestaanden en is in de harten nog altijd geen zaak van de overheid. De autoriteiten stellen zich meer op als getuigen dan als rechters. Alexandre Desplanque doet ietwat meewarig over de Vlaamse gebruiken van die dagen en prijst de graven van toen, dat ze willen afrekenen met die oude, vaak stedelijke wetgevingen en gebruiken.

 

In de nasleep van de slag van Westrozebeke in 1382, willen de rechtsheren van graaf Lodewijk van Male, drastisch ingrijpen in de lokale gebruiken van Vlaanderen. Het centrale bestuur van Vlaanderen moet absoluut de lokale stadswetgevingen domineren en stroomlijnen. De tijd dat de steden konden doen wat ze wilden, is voorbij. Ook de keure van Cassel wordt aan hun oordeel onderworpen. De nieuwe graaf, Filips de Goede, de zoon van Jan zonder Vrees, stelt zich vrij sceptisch op ten opzichte van al die vroegere Germaanse gewoontes die gemeenzaam als 'Franke waarheden' worden bestempeld.

 

In 1428 komt Filips de Goede zelf naar Cassel. De lokale wethouders zijn ontevreden dat hun lokale wetten zomaar op een eenzijdige manier worden vervangen door nieuwe exemplaren. Het doordrukken van een nieuwe wetgeving komt in de vallei van de Casselberg in ieder geval harder aan dan in de andere regio's van Vlaanderen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de wetenschap dat de kasselrij zo lang heeft toebehoord aan Robrecht en zijn dochter Yolande, terwijl ondertussen de graaf van Vlaanderen zijn Raad van Vlaanderen had ingeschakeld om meer structuur te geven aan de rest van Vlaanderen en om zijn Bourgondische 'maniertjes' in het Vlaamse land te installeren.

 

'Twelke den ghemeenen volke grootelicx dochte jeighem hem gaen'. Klachten dus bij het parlement te Parijs en de graaf die één en ander wil komen verduidelijken. Zijn boodschap aan de Casselnaars is maar al te duidelijk: de oude Merovingische reglementen en gebruiken zijn verschrompelde vehikels uit het verre verleden en volledig illegaal. Vlaanderen moet uitgezuiverd worden. Zijn geweten gebiedt hem 'à oster du pays ces mauvaises coutume, en usant de raison et de justice'. Baljuw Colard van de Clyte is de vertegenwoordiger van de graaf in Cassel en dient dan ook de grafelijke wensen uit te voeren.

 

De oude en slechte gewoontes moeten er uit en vervangen worden door een structurele wetgeving. Zeer tegen de zin van allen die natuurlijk de stedelijke autonomie in het vaandel dragen en die natuurlijk de onrust in de stad als een kostbaar goed cultiveren.

 

En de mensen weten niet beter. Had de graaf bij zijn intrede niet beloofd om hun vrijheden en privileges te zullen respecteren? De gewelddadige confrontaties en bloedige gevechten blijven maar aanslepen in de stad en in heel Cassel-Ambacht. Veel heeft natuurlijk te zien met het boetesysteem dat zijn ingang gemaakt heeft in het rechtssysteem. Doorheen alle echelons van de rechterlijke structuur kunnen de boetes variëren tussen de 62 cent en de 60 pond. De boetes zijn niet alleen een ferme inbreuk op de stedelijke autonomie, maar ze hebben een ook vies fiscaal kantje.

 

De baljuw profiteert van de escalerende onrust om de boetes voortdurend de hoogte in te jagen. Zijn provocaties hebben natuurlijk een averechts effect op de landarbeiders. Colard van de Clyte 'nam meer dan hij sculdich was te nemene', vertellen de kronieken. De oorlog tussen Frankrijk en Engeland is nog altijd aan de gang. De overheid zoekt, net als vandaag trouwens, halsstarrig naar elke cent die ze kan vangen bij de mensen.

 

Daarbij komt nog dat Colard van de Clyte als een verlicht despoot regeert over Cassel. De graaf heeft zijn handen vol aan zijn oorlogen in Holland en Frankrijk en bekommert zijn niet al te veel om het stijgend ongenoegen in de vallei van de Casselberg. De baljuw heeft dus vrij spel. In plaats van de vertegenwoordigers van de stad en de kasselrij te betrekken bij de gewijzigde regels en afspraken, verkracht hij integendeel met zijn eigengereid optreden, de zo gekoesterde stedelijke vrijheden.

 

Toch verschuilt de baljuw zich altijd bijzonder handig achter het lokale bestuur. De wet is de wet. Hoe meer verouderd en hoe barbaarser de gebruiken zijn, hoe hardnekkiger hij die met de letter van de wet probeert te bestrijden. Met de geestelijken en met de mensen van adel, zijn er allerminst problemen. Het gewone volk echter draait zichzelf op tegen de bruuske veranderingen die hun worden opgelegd. De opstand is vooral het werk van de boeren. De graanoogst is slecht geweest en toch zijn de cijnzen op de schaarse opbrengsten alleen maar de hoogte in gegaan.

 

Vroeger hadden ze het recht om vrijuit sprokkelhout te verzamelen, waardoor ze enigszins door de koude winters heen konden, maar ook dat recht is nu aan banden gelegd. En daarbij komt nog dat de buitengebieden geteisterd worden door leeglopers van soldaten en schurken. Wees maar gerust: de boeren koesteren een grondige haat tegenover de adel en de baljuw. De kasselrij van Cassel telt in die tijd niet minder dan 52 dorpen en eigenlijk kan er bij het ontstaan van het conflict enkel wat onvoorzichtigheid verweten worden aan de baljuw. Een gebrek aan ellebogen en diplomatie en natuurlijk veel en veel 'te stranghe', staat er neergeschreven. Maar langzaam zal het volkstumult ontaarden en degenereren in een antisociale revolutie en in uitspattingen die alleen maar in de schoenen van Colard van de Clyte mogen worden gelegd.

 

Het begint met 500 ontevreden boeren die samenkomen in de stad van Terwaan en die bij het Parijse parlement een klacht indienen tegen graaf, de hertog van Bourgondië. Het parlement waarvan sprake, bestaat op dat moment uit Engelse afgevaardigden die de hoofdstad van Frankrijk bezet houden. Boudewijn van Bavinchove, is de leider van de protestbeweging. Hij en Jacques Lotten begeven zich naar Parijs om als appelanten te verschijnen voor een scheidsrechterscommissie.

 

Maar zo ver komt het niet. Zich wenden tot de Engelsen ligt ongetwijfeld zeer gevoelig. De graaf heeft zich sinds 1420 wel geallieerd met de Engelsen, de grootste schande die de Fransen zich wel kunnen indenken, maar het is al bij al een bedenkelijk huwelijk dat uiteindelijk op een mislukking zal uitlopen. Enkele mannetjes van de graaf grijpen de twee Casselnaars bij de kraag en samen met enkele van hun gezellen worden ze terug gevoerd naar Vlaanderen. Ze worden er, samen met een zestal andere actievoerders, voor de vierschaar gebracht die het gezelschap veroordeelt tot een verbanning uit Vlaanderen. Weg voor 10 tot 50 jaar.

 

Het conflict is daarmee natuurlijk niet van de baan. Integendeel. Alleen maar olie op het Casselse vuur. De vier leden van de Raad van Vlaanderen proberen zich ondertussen officieus te mengen in de discussie tussen de graaf en zijn Vlaamse onderdanen van Cassel-Ambacht. 'Vertegenwoordiger Gent laat zich opmerken door een zekere animositeit tegenover de rebellen', schrijft Olivier van Dixmude in zijn kronieken. De Gentse schepenen hebben al wat ervaring met rellen in hun eigen streek waar ze zelf bijzonder hardhandig hebben ingegrepen om er hun lokale autoriteit intact te kunnen houden.

 

Gent staat in elk geval bekend als aanstichter van de verbanningen die uitgesproken worden in naam van de graaf en van de Staten van Vlaanderen. Graaf Filips de Goede legt nu de bal in het kamp van zijn Raad van Vlaanderen om te onderzoeken of de klachten van de 'opposans' eventueel gegrond zijn. En zo begeven een reeks afgevaardigden van de 'Vier Leden' zich naar Cassel-Ambacht om de klachten aan een onderzoek te onderwerpen. Filips de Goede heeft al wel wat ervaring met onrust en mistevredenheid. Cassel-Ambacht is zeker niet de enige regio waar het rumoerig aan toe gaat. Eerst de standaardprocedures dus.

 

De graaf speelt het dus aanvankelijk inderdaad volledig conform de Vlaamse wetgeving maar als de Casselnaars zich allesbehalve bereid tonen om ook maar op één punt toe te geven, vallen de maskers af. Het volk wil zijn privileges terug en blijft er bij om deze eis af te dwingen voor een parlementaire commissie. De zogezegd 'Goede' graaf verpopt zich tot een kleinzielige geïrriteerde alleenheerser. Naar verluidt tiert de despoot, 'zeere vergramt', tijdens één van zijn driftbuien dat hij en niemand anders baas is over zijn land en zijn onderdanen!

 

Hij geeft het bevel aan zijn soeverein-baljuw Jean de Comines, de broer van Colard, en aan alle baljuws van Vlaanderen om zich gewapend naar Cassel-Ambacht te begeven 'pour faire justice des rebelles, confisquer leur biens et sévir contre leurs personnes'. Vijfduizend mannen, voetvolk en ruiterij, begeven zich onder de respectieve banieren van hun baljuws naar de opstandige regio. We noteren 4 december 1427 als datum. Zowat 3.000 boogschutters sluiten zich aan bij het leger. De mankracht van de rebellen is beduidend groter. 8.000 mannen houden zich verschanst op vier of vijf strategische plaatsen in de kasselrij.

 

Hun kampen zijn gevuld met levensmiddelen en met munitie. Vanuit hun egelstellingen moeten ze er voor zorgen dat de grafelijke troepen niet binnendringen in Cassel-Ambacht. Een zenuwslopende periode breekt aan. Terwijl de baljuws hun posities innemen in de buurt van Vieux-Berquin en Merville, voeren de vier Leden van Vlaanderen de druk op Cassel-Ambacht verder op om tot een onderhandelde overeenkomst te komen. Ze stuiten daarbij op de koppigheid van de Casselnaars die op geen enkel punt willen afstappen van hun vroegere vrijheden.

 

Er lopen nogal wat moedeloze soldaten rond in het stadje Cassel. Ze zijn naar hier gekomen met de idee om een gemakkelijk klusje te klaren en tot hun verbazing zien ze zich geconfronteerd met een vijand die de zaken zeer ernstig neemt en tegen wie ze zullen moeten vechten. Soeverein-baljuw Jean de Comines is er ondertussen met zijn entourage gearriveerd en probeert er de gedemotiveerde soldaten op te monteren.

 

Een gerucht verspreidt zich als een lopend vuurtje binnen de Casselse stadsmuren. 'De rebellen die zich op het platteland ophouden, zijn op komst naar de stad en zullen die de volgende nacht in groten getale aanvallen en innemen'. Het gerucht zorgt voor algemene opwinding en onrust bij de soldaten en bij de graafsgezinden. 'Une panique générale'. De mannen van Jean de Comines maken dat ze nog voor 4 uur in de namiddag weg zijn uit de stad.

 

Ze slaan op de vlucht naar Sint-Winoksbergen, Poperinge en andere plaatsen waar ze even tot rust kunnen komen. Alleen de heer van Hornes durft het aan om in Cassel te blijven waar hij de nacht doorbrengt in het gezelschap van twee baljuws, onder wie die van Veurne. De volgende morgen gaan de gesprekken met de opstandelingen gewoon door. Ze komen geen stap verder. Tenzij dat er een afspraak komt dat een delegatie van een tiental rebellen naar Brugge zal trekken om de vastgelopen gesprekken verder te zetten met de dichte entourage van de graaf.

 

De afgevaardigden van Cassel-Ambacht eisen in Brugge dat ze verder willen praten op voorwaarde echter dat hun gevangen genomen medestanders in vrijheid worden gesteld en dat alle bannelingen weer naar huis mogen terugkeren. Het antwoord is kort en bondig. Twee keer 'neen'. Ze komen terug naar hun thuisstad. Auteur Desplanque gaat schijnbaar achteloos over de jaren 1428 en 1429. Wat gebeurt er op het veld tijdens die twee jaar?

 

De vijandelijkheden stokken enigszins vertelt hij. En dat heeft vooral te maken met het gebrek aan militaire mankracht van de graaf die zich op een bepaald moment zelf genoodzaakt ziet om zijn bezettingsleger ter hoogte van Cassel terug te trekken en te versassen naar Holland. Hij heeft wel wat beter te doen dan zich bezig te houden met die boeren hier in Cassel-Ambacht. Het moeten diffuse en bevreemdende dagen zijn voor de buitenmensen. Wachten op de wraak van een graaf die niet eens een teken van leven geeft en dan nog die smeerlap van een baljuw die van geen wijken wil weten.

 

Maar de bronnen blijven stil tot in het najaar van 1429 wanneer die van Cassel-Ambacht besluiten om nog eens naar het parlement van Parijs te stappen. Een actie van de boeren die nu onmiddellijk gevolgd wordt door een reactie van Filips de Goede. Op 8 december 1429 stuurt hij een nieuw leger van 80 ruiters en 8.000 man voetvolk om wat orde te brengen in deze regio waar het gemeen er nog altijd mee dreigt om een bloedbad aan te richten onder de graafsgezinden.

 

De Raad van Vlaanderen adviseert Filips om hoe dan ook het conflict niet op een gewelddadige manier te beslechten maar integendeel te starten met onderhandelingen. Maar veel zin om te luisteren heeft de graaf blijkbaar niet. De Franse politici blijven ondertussen doofstom voor wat zich afspeelt in het noorden. De Engelse regering in Parijs is altijd al wat afgunstig geweest van de automatische macht die het huis van Bourgondië zich toe-eigent in Frankrijk. Ze kunnen hoewel niet echt zonder de steun van het oude geslacht van de Bourgondiërs.

 

Vooral met de oude monarchie die nog steeds om de hoek ligt te loeren om de macht weer te kunnen grijpen. Ja. Zo veel mogelijk profiteren van hun vriend de hertog. Dat willen ze. Maar eigenlijk zouden ze niets liever zien dan dat hij op zijn bek gaat. De problemen die Filips de Goede ondervindt in Vlaanderen zijn voor de Engelsen uiteraard een geschenk uit de hemel. De Engelse regering steekt dus geen vinger uit om hem te helpen een einde te maken aan het oproer in het noorden van Frankrijk. Integendeel.

 

De demarche van de rebellen naar het Parijse parlement, blijkt succesvol te zijn geweest. De dubieuze relatie tussen de graaf en de Engelsen wordt nog maar eens geïllustreerd op 13 januari van het jaar 1430. Jean Le Maistre, een koninklijke sergeant van het baljuwschap van Amiens, begeeft zich die dag naar het centrum van Terwaan. Het is marktdag. De samengeroepen menigte hoort hem met luide stem verkondigen dat het parlement op 24 september van vorig jaar beslist heeft dat vier personen op 10 februari 1430 zich in Parijs dienen te komen aanbieden voor het parlement.

 

Het zijn Colard van de Clyte, de hoogbaljuw van Cassel en zijn drie luitenanten, Pieter van Delft, Dirk van Hazebrouck en Filip Coornhuyse. De bewuste mannen moeten zich verantwoorden voor de gewelddadige uitspattingen en de aanslagen op de vrijheden van de inwoners van de kasselrij van Cassel. Vooral de inbreuken tegen de parochianen van Hazebrouck, Hondeghem, Eblinghem, Sercus, Renescure, Haveskerke, Vieux-Berquin, Neuf-Berquin, Flêtre, Strazeele, Pradelles, Morbecque, Borre, Wallon-Cappel en van Lynde worden met naam genoemd. Colard van de Clyte en zijn brigades moeten hier dus lelijk huis gehouden hebben in 1429.

 

Als ze niet komen opdagen de 10de februari, dan zullen al hun eigendommen geconfisqueerd worden en zullen ze verbannen worden uit Frankrijk. Het is een 'statement' dat kan tellen. Enerzijds begrijpelijk, want uiteindelijk had de bevolking op legale manier een klacht ingediend bij datzelfde parlement. Hoe dan ook; dat de bekendmaking plaats vindt in Terwaan, zegt veel over de gewaagde zet van de Engelsen. Het religieuze Terwaan, behoort tot Cassel-Ambacht en is zowat het enige stadje waar men gemakkelijk binnen en buiten kan geraken. Maar er tellen nog andere redenen mee. Terwaan is de thuisstad van de intelligente bisschop Louis van Luxemburg, de kanselier van koning Henry VI, de Engelse koning van Frankrijk.

 

Zo leren we een verrassend nieuwtje bij. Het is de bisschop zelf die achter de onlusten in de regio zit. De bisschoppelijke stad is zowat het centrum van de oppositie tegen het Bourgondisch beleid van graaf Filips de Goede. Jean Le Maistre is best tevreden over de impact van zijn verschijnen in Terwaan. Hij snelt nu naar St.-Omer waar hij verder wil werken aan zijn officiële communicatieopdracht. Hier stoot hij op onvoorziene problemen. De belangrijkste poorters van de stad scharen zich achter de luitenant van de afwezige hoogbaljuw, de heer van Rabodenghes.

 

Er kan geen sprake van zijn dat de boodschapper hier allerhande verordeningen zal uitspreken tegen de officiële instanties van de graaf. Er zit voor Le Maistre weinig anders op dan te wachten tot dat Rabodenghes zelf terug is in St.-Omer. Eén van zijn collega's, Jean de Font, is op weg naar Nieuwendijk in de parochie van Arques. De 18de januari van 1430 staat er bijzonder veel volk voor de woning van een zekere Thomas Galien in Nieuwendijk.

 

De dagvaarding die eerder uitgesproken werd door Jean Le Maistre, wordt ook hier herhaald. Colard van de Clyte en zijn medebeschuldigden vertikken het om te verschijnen voor de 'marmeren' tafel van het Parijse parlement die de wegblijvers prompt in gebreke stelt. Op 4 april wordt de ingebrekestelling voorgelezen in St.-Omer, Terwaan en hun buursteden in de kasselrij. Tot nog toe heeft de Engelse overheid in Frankrijk zich beperkt tot juridische maatregelen. Maar daar komt nu verandering in. De meeste beschuldigden houden zich koest in hun huizen.

 

Henri Walins en Jan Coornhuyse, allebei nauw verwant met de baljuw van Belle, en de luitenant van Cassel worden met de hulp van enkele opstandelingen opgepakt, maar kunnen, net voor hun uitlevering aan de Engelsen, toch weer uit hun klauwen ontsnappen. Het is pas het begin van een heuse heksenjacht. De rebellen voelen zich gesterkt door de politieke steun vanuit Parijs. De bende die Walins en Coornhuyse kon vangen, richt nu zijn pijlen op de belangrijkste burgers en officieren van Belle. Een eerste poging mislukt omdat ze wat te loslippig zijn geweest over hun missie. De tweede keer gaan ze slimmer en discreter te werk. En vooral razendsnel.

 

Op een avond dringen ze binnen in de toren van het burgkasteel waar Gilles Walins, de baljuw van Belle aan het souperen is met enkele magistraten. De baljuw kan zich op het nippertje uit de voeten maken en vlucht naar herberg 'De Engel'. De opstandelingen hebben zich verspreid over heel Belle en krijgen lucht van de schuilplaats van Walins. De deuren van de taverne worden ingestampt. Ze vinden er de gewapende baljuw die er verstopt zit in een goot en grijpen hem vast. Die wordt nu naar Hazebrouck, het zenuwcentrum van hun operaties, overgebracht. Van ontkomen is er deze keer geen sprake.

 

In een tweede fase verhuist de baljuw van Belle nu naar Amiens waar hij wordt uitgeleverd aan de Engelsen van de hertog van Bedford, die aangesteld is als regent over Frankrijk. Bij de arrestatie van Walins werd ook een zekere Jacques Vroede opgepakt en die wordt nu uitgeleverd aan de proost van Montreuil-sur-Mer. Jan van Bedford, ook wel 'Plantagenet' genoemd, speelt een vuile rol in zijn relatie met de Vlaamse opstandelingen. Dat wordt wel erg duidelijk. Dit ogenschijnlijk lokaal conflict is, als puntje bij paaltje komt, een ordinaire politieke afrekening op staatsniveau. Filips de Goede kan het bloed van Plantagenet wel drinken. Hij geeft opdracht aan zijn adviseurs Pierre Boffremont en Jehan de Fressy om een klachtennota op te stellen tegen de regering van Henri VI.

 

Hoe halen ze het in hun hoofd om de zo ongehoorzame Vlamingen te steunen en de medewerkers van de graaf buiten de wet te stellen? 'Lesdits de Cassel sont et persévèrent de pis en pis, en prenant et emmenant les officiers et bons subgiez de monditseigneur, et leur faisant beaucoup d'autres maulx, outrages et violences.' Zelf in die oude Franse taal lees je de hevige verontwaardiging over wat de Vlaamse rebellen allemaal uitspoken en dan nog met de hulp van de Franse overheid!

 

De kanselier-bisschop van Terwaan vangt geruchten op dat er een kwade brief vertrokken is naar het parlement. Hij aarzelt niet om te reageren. Dat is alleszins wat de Ieperse kroniekschrijver Olivier van Dixmude weet te vertellen. De bisschop verwijt graaf Filips om de zaken op hun kop te zetten. Het zijn niet die van Cassel-Ambacht die de graaf aanvallen. Ze moeten zich verdorie al maanden schrap zetten tegen zijn vijandelijkheden en zijn ongehoorde wraakzucht. Hij is verantwoordelijk voor het onweer dat hij losgelaten heeft boven de hoofden van de bevolking van Cassel! De woorden van Louis van Luxemburg hebben zo hun impact op de revolutie.

 

Niemand hoeft zich nog schuldig te voelen om te ageren tegen de graaf. Want alles is zijn schuld. Wat kunnen zij daar nu aan doen? En zo ontstaat er een klimaat van algemene straffeloosheid. Brutaliteit alom. De plunderingen en baldadigheden volgen zich in een steeds sneller tempo op. Wat begon met enkele honderden mistevreden boeren, is nu al uitgegroeid tot een opstandige bende van 30.000 mannen en zwelt nog verder aan omdat volk van buiten de kasselrij ongevraagd de rebellen komt versterken. Voor mensen die het niet eens zijn met de oorlog tegen de graaf en de baljuw, is er eigenlijk geen plaats meer in Cassel-Ambacht.

 

Er komt een massale emigratie op gang. Veel Casselnaars vluchten naar Motte-au-Bois, De Walle, bij Hazebrouck, naar Ieper of naar andere plaatsen. De revolutionairen van Cassel-Ambacht werpen zich nu op de stad en de kasselrij van Sint-Winoksbergen waar ze grote schade aanrichten. Die van Bergues worden zwaar onder druk gezet om hun zijde te kiezen. En als dat gebeurt, zal de revolutie nog verder escaleren. Filips de Goede moet kost wat kost ingrijpen, zoveel is duidelijk. Hij heeft de schijt aan het legaal pretext die de Casselnaars krijgen vanuit Engelse hoek. Er vertrekt een brief naar Sint-Winoksbergen waar de bevolking opgeroepen wordt om de kapiteins van de baljuw te helpen tegen de aanvallen van de vijanden van Vlaanderen.

 

Die van Cassel worden bestempeld als 'maulvais et ennemis de nous et de notre païs de Flandres'. De soldaten die zich in Bergen bevinden, krijgen de opdracht om alle geweldenaars op te pakken en zonder veel poespas in de gevangenis te gooien. Baljuw Colard van de Clyte bruist van de energie. Een 'enigszins wilde energie', schrijft auteur Alexandre Desplancque. De baljuw laat zich helemaal niet ontmoedigen door de burgeroorlog die nu in alle hevigheid woedt. In Terwaan pakt hij een vijftal rovers op, onder wie een zekere Arnold Kieken, een van de meest gevreesde aanvoerders van de revolutionairen. Als de opstandelingen het nieuws van zijn arrestatie vernemen, komen ze met vijf à zeshonderd man afgezakt naar Renescure, een mooi plaatsje dat bewoond wordt door onze man Colard van de Clyte.

 

Aan de toren van het versterkt kasteel van Colard, wapperen de grafelijke banieren. De soldaten binnenin hebben opdracht gekregen om zich met man en macht te verzetten tegen de inname van het kasteel door de Casselnaars. Er zal moeten gevochten worden. Aan beide zijden worden de meest gesofisticeerde wapens ingezet, lezen we. Musketten en geperfectioneerd oorlogstuig. De overmacht is natuurlijk veel te groot en na een heroïsch verzet, kunnen de mannen die onder leiding staan van Filip van Coornhuyse, moeilijk anders dan capituleren. Als ze maar hun vege lijf kunnen redden en hun eigendommen niet zullen kwijtspelen.

 

Hun overgave heeft trouwens veel te maken met de vrouwen die zich in het belegerde kasteel bevinden. Smeekbeden en vrouwentranen om er mee op te houden, zaaien twijfel in eigen rangen. Een aantal belegerden weigeren trouwens effectief te vechten als ze vaststellen dat ze het moeten opnemen tegen eigen ouders en vrienden. Hannin Mettenbaerde en Simon de Bats, de twee kapiteins van de verenigde revolutionairen, nemen de versterking van Renescure in hun bezit in naam van hun kopman Jan Gavare, die trouwens niet heeft deelgenomen aan de aanval. Van zodra ze zich meester gemaakt hebben van de plek, is het trouwens hoog tijd voor de traditionele afbraak- en plunderwerken.

 

Ze 'wierpen 't omme' vertellen de oude handschriften. De maat is vol voor graaf Filips de Goede. Gedurende 1429 en 1430 kon hij onmogelijk militair ingrijpen omdat zijn prioriteit natuurlijk moest gaan naar militaire confrontaties in Calais en Compiègne.

 

Vergeet niet dat de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland nog volop woedt. De graaf vaardigt een besluit uit dat einde 1430 verspreid wordt door zijn landen van Vlaanderen, Brabant en Artesië. Hij vraagt aan al zijn vazallen dat ze hem op 6 januari 1431 zullen vervoegen ter hoogte van Sint-Winoksbergen. Het water moet blijkbaar tot aan de lippen van de hertog van Bourgondië staan, want tijdens de winter wordt er haast nooit oorlog gevoerd. Hoe dan ook: er wordt een algemeen alarm afgekondigd.

 

De heren en de edelen sloven zich uit om massaal antwoord te geven op de vragen van hun graaf. De voorbereidende werken slepen wat langer aan dan voorzien en de planning wordt een klein weekje vooruitgeschoven. De vier Leden van Vlaanderen, maken van die extra dagen gebruik om nog even op bezoek te komen bij Filips de Goede die na zijn verblijf in Brussel even komt afgezakt naar Gent. Ze smeken hem om geen overhaaste gewelddaden te plegen op zijn revolterende onderdanen. Ze blijven ervan overtuigd dat het beter zou zijn dat ze zelf naar hem toekomen en hem om gratie te verzoeken. Gratie en vergeving.

 

Ondertussen gaan we even naar Ieper. Naar Robrecht van Vlaanderen. Hij is de heer van Vlamertinge en Elverdinge, en de zoon van de overleden graaf van Lodewijk van Male, van wie hij trouwens de beide heerlijkheden gekregen heeft. Robrecht is om dat ogenblik de burggraaf van Ieper na zijn huwelijk met Anastasia van Oultre, de burggravin van Ieper en weduwe van Eulaard van Poeke.

 

Robrecht besluit een onderhandelingspoging te starten met de rebellen en hij trekt naar Hazebrouck. De burggraaf wordt vergezeld door de proost van Sint-Maarten, de Ieperse baljuw en verschillende magistraten. Het lijkt er op dat de poging vanuit Ieper een maat voor niets zal zijn, want nog voor hun aankomst heeft de graaf al laten weten dat hij op geen enkele van de voorwaarden van de opstandelingen zal ingaan en weigeren de Casselnaars vastberaden om verdere gesprekken aan te gaan. Al snel zullen ze zich hun wat nonchalante overmoed beklagen.

 

Ze schrikken zich ongetwijfeld een hoedje bij de aankomst van het omvangrijk leger van de graaf. De revolutionaire plannen worden inderhaast afgelast. Er is geen sprake meer van een 'Kasselvaert'. Een schrik die overlaat in paniek. De eenheid onder de bende is meteen verdwenen. Hele bendes volk slaan op de vlucht en anderen zien geen andere mogelijkheid dan zich ter beschikking te stellen van de graaf. Filips de Goede is ondertussen al sinds 11 januari 1431 in St.-Omer waar nogal wat Casselnaars toestromen om hem hun totale onderwerping aan te bieden. 'Le bon duc déploya une extrême sévérité' staat er geschreven in de geschiedenis van St.-Omer.

 

Ook Olivier van Dixmude vertelt over de reeks grafelijke vergeldingsmaatregelen en over de bijzonder harde toon die gevoerd wordt. De Casselnaars ontmoeten de graaf ter hoogte van de Nieuwe Dijk, de plek waar ze een tijd geleden besloten om klacht in te dienen bij het Parijse parlement. De mannen zijn ongewapend. Met vierduizend zijn ze. Ze houden hun handen gevouwen en dragen geen kappen en geen riemen. 'Ils vindrent nudz pieds et sans cheinture' lezen we in de kronieken. Nochtans is het die dag slecht en berekoud weer en hun blote voeten verzinken in de modder. Het geheel moet ongetwijfeld een hallucinante aanblik geven als de sukkelaars, sommigen onder hen sterven zelf van de koude die dag, in deze omstandigheden ootmoedig op hun knieën gaan zitten om het verdict van graaf Filips de Goede te aanhoren.

 

Meester Henri Utenhove, een ingezetene van Gent, voert het woord voor de neergeknielde mannen. 'Of ze barmhartigheid kunnen krijgen voor hun wandaden?' Vergeving voor hun misdaden tegen de goede mensen van Cassel-Ambacht en vooral tegenover hun zeer geëerde graaf, zijn rechters en zijn officieren.

 

Ze smeken om vergeving en ze leggen hun lijven en goederen in de handen van hun goede graaf om hiermee hopelijk het vertrouwen te herstellen. André de Toulongeon en meester Jean Tarent, allebei dichte medewerkers van de graaf, zijn goed op de hoogte van wat er allemaal voorgevallen is, en vragen op hun beurt dat Filips wat schappelijk zou zijn met zijn straffen. Voorts komen de nobelen en de afgevaardigden van de vier Leden van Vlaanderen één voor één op hun knieën neerzakken voor hun graaf. De ene smeekbede na de andere. 'Kan hij dan echt geen gratie geven aan de mensen van Cassel-Ambacht?'

 

Ook de abten van Sint-Bertinus en Clairmarais en nog meer schoon volk nemen het op voor de simpele zielen die daar staan te klappertanden in de winterse kou. Filips neemt uiteindelijk het woord. Hij wil de zaak op een fatsoenlijke en snelle manier afronden. De opstandelingen hebben een aantal gijzelaars als borg voor verdere vrede aangeboden. De graaf vindt hun aantal onvoldoende en wil meer gijzelaars. En daarbovenop wil hij alle beloften op papier. Nu komt het openbaar ministerie op de proppen met de lijst van misdaden die op de kerfstokken staan. Het is een hele waslijst. De inwoners van Cassel-Ambacht hebben de wet genegeerd en zich onbetamelijk gedragen tegenover de heer en zijn medewerkers.

 

Ze hebben zich bewapend en opruiende meetings georganiseerd. Ze hebben het aangedurfd om mensen die trouw bleven aan hun graaf, uit hun huizen te verjagen. Hun kastelen ingenomen en hun eigendommen verbrast. Ze hebben de veiligheid van de streek aangetast en grote schade aangebracht aan de eigendommen van de graaf. De opsomming van de 'méfaits et villenies', de slechte wil van de Casselnaars, gaat haast eindeloos verder.

 

Hun soeverein, natuurlijk staatshoofd over Vlaanderen, heeft het noodzakelijk gevonden om de vrede in zijn land van Vlaanderen te bewaren en om zijn autoriteit te herstellen. Hij heeft zich moeten herbewapenen om zijn persoonlijke eer te doen herstellen. En dat heeft allemaal veel financiële middelen gevergd van zichzelf en van zijn onderdanen. Het is dan ook logisch dat de Casselse lijven en eigendommen aangeslagen worden. De graaf neemt opnieuw het woord. Uit respect voor God en uit liefde voor de gravin, zijn echtgenote, zal hij een fair oordeel vellen.

 

Hij wil dat ook doen voor de edelen en de gedeputeerden van Vlaanderen en van Artesië. Hij spreekt van zijn gevoelsmatige affectie met zijn land van Vlaanderen en voor zijn onderdanen. Als heer en meester is hij bereid gratie te verlenen aan de delinquenten hier voor hem in de modder. Hij hoopt dat ze de rest van hun dagen trouwe en gehoorzame onderdanen zullen blijven en dat ze zich nooit ofte nimmer nog zullen inlaten met geweld. En dan komt het uiteindelijk. De amnestie kan er komen als de Casselnaars zich akkoord verklaren met een reeks voorwaarden. We houden ons hart vast.

 

Eerst en vooral moeten de geconfedereerden binnen de drie dagen al hun wapens binnenbrengen bij het kasteel van Motte-au-Bois waar een inventaris zal worden opgesteld. De verbanningen die een tijd geleden werden uitgesproken door de Raad van Vlaanderen, blijven gehandhaafd. Wie zich niet gehouden heeft aan die verbanning, thuis gebleven is op het platteland en zelfs binnen de stadsmuren van Cassel, krijgt een extra straf. Er is voor hen geen plaats in Vlaanderen, Brabant en Artesïe.

 

De mensen die wel vertrokken zijn, moeten de rest van hun periode wegblijven uit Vlaanderen, maar ze behouden wel de gratie van hun heer. Hoe moeten ze hun leven nu opnieuw aanvatten? De graaf zwaait ermee om hen later nog bijkomende eisen op te leggen, maar dat hij zich zal onthouden van wraakzucht en zal proberen geen schade te berokken aan de stad en de omgeving van Cassel en dat hij hieromtrent te allen tijde overleg zal plegen met de adel en met de Raad van Vlaanderen. Filips van Bourgondië trekt nu effectief zelf naar Cassel. Met in zijn spoor de leden van de Raad en een grote schare gewapende mannen.

 

Onmiddellijk na zijn aankomst in de stad laat hij vijf of zes oproerkraaiers die geen amnestie hebben gekregen, onthoofden en op het rad plaatsen. Geschiedschrijver Meyer spreekt onder andere van Arnold Kieken en Jacques Lotten. 300 anderen, vooral diegenen die zich verscholen hebben in het kasteel van Motte-au-Bois, worden nogal discreet opgepakt en als gijzelaars weggeleid naar St.-Omer, Arras en Aire aan de Leie. Boudewijn van Bavinchove, de auteur van de brief aan het parlement, verliest al zijn eigendommen. Wat zou hij er trouwens nog mee doen? Hij ziet zich veroordeeld tot een levenslange opsluiting in de gevangenis van Douai. De graaf trekt nu naar Ieper waar de uit Brussel afgereisde gravin hem komt vervoegen. Hier beslist hij om een onderzoekscommissie in te stellen om het geheel van de feiten aan een onderzoek te onderwerpen.

 

Op 1 mei 1431 is het onderzoek afgelopen. Filips weet voldoende. Hij verplaatst zich nu naar Rijsel en eist dat de Casselnaars zich bij hem komen aanbieden waar ze zijn instructies moeten aanhoren. De arme mensen krijgen het één en ander te horen. De graaf wikt en beschikt. In overweging van hun buitensporige uitspattingen, hun gemeende vraag om vergeving en hun vaste wil om zich voortaan als goede burgers te gedragen, heeft Filips besloten om de Casselse bevolking gratie te verlenen en hun straffen om te zetten in 'une amende civile'.

 

De boete kon echt niet langer meer uitblijven. De som van 50.000 Vlaamse pond wordt uitgesproken, 80% ervan zijn voor de graaf persoonlijk en 10.000 pond dienen om Colard van de Clyte en andere vazallen schadeloos te stellen. Het is een immens bedrag dat in drie keer zal dienen vereffend te worden aan de Gentse schepenen die trouwens zullen vergoed worden voor de ophaling van de boetebedragen. Het blijft trouwens niet bij die 50.000 pond. Blijkbaar hebben de geweldenaars grote schade aangericht aan hun kerk in Cassel, 'qui a estée, à l'occasion desdiz excès, arse', en daar mogen ze nu 1.200 Parijse ponden voor ophoesten.

 

De betalingsdata worden vastgelegd op Allerheiligen 1431, 1432 en 1433. De priesters en de geestelijken worden vrijgesteld van betaling en ook allen die voor de 8ste december van 1429 uit Cassel-Ambacht vertrokken zijn. Dat de straffen eigenlijk puur aftroggelarij zijn van de graaf, blijkt droogjes uit het feit dat, hoewel die laatsten dus niets met de gewelddaden te maken hebben, toch getaxeerd worden tot respectievelijk 3.000 en 6.000 Parijse ponden omdat ze zogezegd nog niet alle belastingen van de voorbije jaren hebben betaald.

 

Onze Filips de Goede blijft maar eisen op tafel leggen. De Casselnaars moeten bij wijze van een officieel schrijven het parlement van Parijs op de hoogte brengen dat ze afzien van alle klachten die ze in het verleden hebben geuit. De hele bevolking moet trouwens nog eens flink door het stof kruipen voor baljuw Colard van de Clyte. Voor de feestdag van Sint-Jan moeten alle dorpen en steden van Cassel-Ambacht elk een delegatie van vier inwoners sturen naar de kerk van Renescure, waar ze publiekelijk om vergeving moeten smeken aan Colard en zijn echtgenote.

 

'Ils doivens prier mercy et pardon des injures et offenses.' De ex-geconfedereerden dienen tien van hun meest notabele mensen te kiezen om zich te gaan verontschuldigen voor de malheuren die ze aangedaan hebben aan de gravin van Namen, de dame van Belle, die trouwens een nicht is van de graaf. Al dat gepardonneer geeft allerminst de garantie dat de Casselse zonden met de mantel der liefde bedekt zullen worden! Zowel de dame van Belle als de baljuw kunnen weigeren om vergeving te schenken.

 

Alle aangeslagen oorlogsmaterieel moet verhuizen naar Nieppe en naar Ariën aan de Leie waar het zo interessant mogelijk moet worden verkocht en de opbrengst ervan dient terug te keren naar de voormalige eigenaars van wie het materiaal ontvreemd werd. Het blijft strikt verboden voor allen om nog wapens te dragen tot dat de graaf daar weer toestemming voor geeft. Alle grafelijke eisen worden op 1 juni 1431 in een eerste verordening gegoten en voorzien van een officieel zegel. Daar blijft het trouwens niet bij. Er moeten nog maatregelen genomen worden om te vermijden dat er nog eens onrust de kop zou opsteken in de regio. Filips wil voorkomen dat hij nog eens al zijn energie moet aanwenden om een nieuwe burgeroorlog neer te slaan.

 

Een tweede verordening volgt dus. Wie het aandurft om nog te revolteren, zal onmiddellijk terechtgesteld worden en al zijn familieleden zullen in dat geval uit het land verbannen worden. Filips de Goede bevindt zich tijdens de julimaand van 1434 in Rijsel waar hij nog een laatste keer terugkomt op de hele zaak van Cassel. De 50.000 pond zijn keurig op de vastgelegde data betaald. Er zijn echter klachten gekomen van huurders uit het bos van Nieppe en uit Watten en Nieuwerleet die eigenlijk ondergeschikt zijn aan de Sint-Donaasproosdij van Brugge.

 

Net zoals de inwoners van Rubrouck, Zermezeele, Zuytpeene en Noordpeene. Ze hebben in de verste verte niets te zien gehad met wat er zich in Cassel-Ambacht heeft afgespeeld en toch hebben ze moeten afdokken. Ze vragen om terugbetaling van de boetes. '50.000 pond is 50.000 pond' redeneert de graaf. Hij wil de sommen terugbetalen aan de indieners van de klacht, maar wat hij terugbetaalt moet eerst worden gerecupereerd bij de rest van de bevolking van Cassel-Ambacht.

 

Drie jaar na datum wordt dus nog eens aan de deuren geklopt om een extra boete te laten vereffenen en dat zorgt blijkbaar wel voor enig rumoer en onbegrip bij de mensen. Eén en ander blijft nog verder rommelen tussen de officieren van de graaf en de Casselnaars. Een aantal ex-geconfedereerden blijkt daarenboven niet alle voorwaarden van de amnestieregeling te hebben ingevuld.

 

Er is sprake van een man of tien. Ze hebben het aangedurfd om tijdens hun verbanning toch aan het werk te blijven. De overtreders hebben op vreemde manier en via sluikse wegen de voeten geveegd aan hun straf. En er zitten er ook bij die niet al hun wapens hebben ingeleverd en al evenmin hun tien notabelen naar Belle gestuurd hebben om er vergeving te vragen aan de dame van Belle. Het juridisch verslag is bijzonder lang.

 

Volzinnen in een bombastische middeleeuwse Franse taal waar je tussen de regels in kan lezen dat de graaf en de baljuw er eigenlijk er de buik vol hebben van die hele burgeroorlog van enkele jaren geleden. Wat voor zin heeft het nog om de mensen weer op stang te jagen en de laatste weerbarstige citroenen uit te persen? Het is beter om iedereen nu definitief 'rémission, pardon en quitance' te verlenen. Vanaf die dag in juli 1434, is de verzoening tussen de graaf en zijn Casselse onderdanen nu compleet. De Cassselse rebellie behoort definitief tot het verleden.