P1419100

Onderweg in mijn bezoek aan de geschiedenis kom ik weer in contact met de Ieperse jaarboeken. Ze hebben me al geloodst tot aan het fameuze beleg van Ieper. 1383. De vijfde 'cronicke' ligt te wachten op een vervolg. De harde schijf van mijn pc brengt nog een andere schat aan de oppervlakte. Drie boekdelen van de jaarboeken van Brugge, 'behelsende de gedenckweerdigste geschiedenissen' die zich in deze stad hebben afgespeeld en die in 1765 voor de tweede keer worden uitgegeven.

 

De histories van de goede steden van Ieper en Brugge komen ongetwijfeld uit de buik van beide steden. Brugge staat in 1384 aan de vooravond van zijn meest bloeiende eeuw. Ieper echter is al een flink eind gevorderd in zijn dramatische neergang. De geschriften ogen erg uiteenlopend. De taal en de stijl vallen niet met elkaar te vergelijken. Ik geef het toe, ik weet aanvankelijk niet goed hoe ik deze teksten op een geschikte manier kan transformeren tot een tekst die voor de geschiedenisliefhebber van vandaag aantrekkelijk en leesbaar kan zijn.

 

Geschiedenisboeken en kronieken kan je best vergelijken met ondoordringbare tropische regenwouden waar exotische teksten zich als wild verschuilen in de duisternis van de geschiedenis. Ik wil best mezelf eens verrassen met een andere aanpak en besluit om beide jaarboeken met elkaar te laten versmelten. Een literair duel tussen Brugge en Ieper. Waarom zou ik niet, ten persoonlijken titel, de scheidsrechter kunnen worden in de confrontatie van deze bonte cocktail van teksten?

 

Ik geloof er rotsvast in dat de dualiteit van de kronieken samen met mijn spielerei nieuwe inzichten zullen verschaffen in de gebeurtenissen van de 15de eeuw. En zo pak ik mijn koffers en vertrek ik naar 1384. 'Doodt van den Graeve', lees ik. Ik probeer de teksten zo goed en zo kwaad mogelijk in de taal van vandaag op papier te zetten. Maar, vergeef me, soms zijn de oude teksten zo geniaal onverbeterlijk dat ik die met plezier kopieer naar de 21ste eeuw.

 

Brugge 1384. Dood van de graaf dus. In deze tijd zijn de Ierse kooplieden zich hier komen vestigen. Het land van Boulogne behoort in die dagen tot het territorium van de hertog van Berry terwijl het bovenliggende graafschap van Atrecht leengebied is van graaf Lodewijk. Op 6 januari 1384 heeft Lodewijk een ontmoeting met de hertog en eist hij dat de man van Berry zijn manschap als leenheer tegenover hem zal afleggen.

 

'Den Hertog zich te groot kennende, en door gramschap ontstoken zijnde, heeft aen den Graeve aanstondts eenen poignaert in het lijf gestoken.' Drie dagen later sterft graaf Lodewijk van Male. Het is geschiedschrijver Meyer die dat weet te vertellen. Maar in Brugge hebben ze weet van een ander scenario. Dat van Fabert in de geschiedenis van de Bourgogne. De hertog van Orleans zou de graaf zodanig tussen 'een bedde en den muer gepraemt hebben, dat hy ten derden dage daer van stierf'. Ik heb enige moeite om me dat laatste scenario voor de geest te halen.

 

Nog anderen vertellen dat de graaf in St.-Omer ziek is geworden en daar in januari overleed. Hoe dan ook, zijn lichaam wordt met grote pracht en praal begraven in de Sint-Pieterskerk te Rijsel. In tegenwoordigheid van de bisschoppen van Parijs, Doornik, Kamerijk en Atrecht. Hij laat maar één wettig kind na. Ik moet ietwat monkelen met wat er tussen de lijntjes gesuggereerd wordt. Dat kind heet 'Margariete van Vlaenderen, de huisvrouwe van Philippus van Bourgogne'. Filips is de broer van de bewuste hertog van Berry en hij zal dus wel niet gehaast zijn om de moord op zijn schoonvader te wreken. Hij is er wel als de kippen bij om de fijne erfenis in ontvangst te nemen: de graafschappen van Vlaanderen, Artesië, Bourgondië, Nevers en Rhetel.

 

In Ieper schrijven ze ook over de moord op hun graaf. Maar enkele dagen voor de aanslag, is er nog sprake van een ander overlijden. De abt van Sint-Bertijns overlijdt op 2 januari 1384. 'Joannes van St. Berten was geboortig van Ypre, den welken soo vroom van lichaem was, dat hem de voeten niet en konden dragen. Hij en konde nooit rusten of slapen, ten zij zittende in eenen zetel'. Een corpulente man moet het geweest zijn. Met longoedeem, buitengewoon kort van adem en veel te veel vocht in de onderbenen. Maar hij laat wel zijn kronieken met de geschiedenis van zijn abdij tot in 1294 na.

 

Op hun beurt verhalen de Ieperse jaarboeken over de moord op de graaf. 'Anno 1384, den 23 januarius is door order van den hertog van Berry omgebracht geweest den graef Loduwijk binnen St. Omaers in het huys daer zij te saemen vergaedert waeren wegen het verschil dat sij 't saemen hadden, te weten om dat den graef geen manschap doen en wilde aen den hertog over het graefschap van Buenen het welke hij getrouwt hadde met de dochter van den graef van Buenne. Dezen hertog daerom zeer gestoort zijnde, gaef order aen sijn volk dat sij den graef Loduwijk in de kaemer daer zij waeren hem zouden dood droomen tusschen den meur en spondebedde die daer stond zoo dat hij den derden dag daer naer stierf.' De tijding van de dood van Lodewijk brengt droefheid onder de goede lieden van Ieper. Margariete wordt in Ieper betiteld als 'Marguerita'.

 

De Ieperse kronieken hebben het over de blijde intrede van het nieuwe gravenkoppel in Brugge de 26ste april van het jaar 1384 waar de stadsprivileges zoals gebruikelijk worden bevestigd en verlengd. Filips de Stoute wordt door de Ieperse geschiedschrijver de hemel in geprezen. 'Dezen voornoemden Philip den Stouten was een prince van groote discretie en weerdigheyd en goeden raed, alle zaeken van verre overleggende en voorziende, door welkers wijsheyd en voorzigtigheyd Vrankerijk langen tijd wel en gelukkiglijk regiert is geweest.

 

Hij heeft den naem van Stouten in den slag van Poitiers bekomen als eenen strijdbaeren held oud zijnde 16 jaeren. Hij was zijnen vaeder Jean koning van Vrankerijk zeer behulpzaem. Hij heeft gewonnen bij zijne huysvrouwe Margerita van Maele 4 soonen te weten Jan van Valois bij genaemt Jan zonder Vreeze etcetera en 4 dogters.' De gebruikelijke verlenging van de Brugse stadsprivileges komt er wel mits enkele voorwaarden. De stad dient ingedeeld te worden in 6 wijken die elk afzonderlijk door een hoofdman zullen worden bestuurd. Een connestabel. Wie in de toekomst door de schepenen schuldig bevonden wordt aan oproer, zal zijn eigendommen moeten afstaan aan de graaf.

 

De goederen die via de haven van het Zwin binnen komen, dienen voor de verkoop eerst naar Brugge te worden verscheept. De haven van Damme behoudt zijn uitzonderingen. De lokale kooplieden mogen er wijnen, vis en vlees opslaan. Ik stoot trouwens op een woord dat ik nog niet ken. 'Penewaerde' blijkt alles wat men zich voor de waarde van een penning kan verschaffen en ook die 'Penewaerden' mogen opgeslagen worden in Damme. Zoals haring in tonnen. Vetwaren zoals boter en 'roedt'. Er zijn uitzonderingen: zo moeten de oliën, siropen en azijn naar Brugge verhuizen.

 

Die van Damme, Hoeke en Monnikerede krijgen de toestemming om eveneens droge vis, pek, teer, masten, kromhout en scheepstoebehoren in hun magazijnen op te slaan. En de lokale schippers krijgen het recht om op hun schepen zeevis, koren en zout te verkopen. Vooral Sluis wordt in zijn werking en uitbouw geblokkeerd. Het valt op.

 

De Sluizenaars mogen geen lakens opslaan, laat staan getouwen of apparatuur om te weven. En ook geen verven om de lakens een ander kleurtje te geven. 'Die van Sluys vermochten oock niet te hebben een gewichte boven de 60 ponden swaer, nochte oock eenigen wissel te houden, of smittinge van silver te doen. Het was aen een ieder verboden binnen Sluys eenig hout te stapelen, het welcke allegaeder naer Brugghe komen moeste.' Filips de Stoute stelt de Brugse ambachtslieden nog meer op hun gemak.

 

Zolang de lokale keuren gerespecteerd worden, mogen er zich geen nieuwe concurrenten komen vestigen binnen de stad. Als maatstaf om te meten moeten de Damse maten gehanteerd worden, 'en niemand mochte binnen Sluys iet meten, als gezworen meters van Damme, Houcke, ofte Meunickreede.' Er komt een formeel verbod om de stadspoorten te verstevigen om of andere versterkingen te bouwen. De buitenbevolking van Brugge krijgt ook beperkingen opgelegd en die zijn alweer in het voordeel van de stedelingen. De inwoners van het Brugse Vrije worden in de jaarboeken nog met oorspronkelijke benaming omschreven als 'Vrylaeten'. Het wordt de Vrijlaten expliciet verboden om zelf een lakenmarkt te organiseren.

 

De straf bij overtredingen is niet mals: een boete van 50 Parijse ponden en het aanslaan van de koopwaar. De burgemeester van Brugge krijgt de autoriteit om de nodige baljuws en berijders er op uit te sturen om controle uit te oefenen in het Brugse Vrije. De Vrijlaten krijgen de toelating om binnen hun parochies elk hun eigen getouw te bezitten, samen met een 'Com en een Raeme', zodat ze de wol van hun eigen schapen kunnen aanwenden om er kleding van te weven. Zolang ze het weefstuk maar niet aan de man proberen te brengen. Het verven van de wol wordt formeel verboden. Alleen de saaien van Gistel vormen hier een uitzondering op en er zijn blijkbaar nog andere gevallen die door de Bruggelingen toegestaan worden.

 

De vrije scherpe regelgeving heeft blijkbaar één en ander te zien met de voorbije opstand en de controverse tussen die van Brugge en het Brugse Vrije. De Brugse archieven verraden het: 'ende om alle moetwilligheden en oorzaecken van oproer te voorkomen, was aen iedereen scherpelijk verboden in het toekomen te roepen Brugge, Brugge, ofte Vrye, Vrye; gelijk men voor dezen in eenige oploopen geplogen hadde. Voorders en vermochte niemandt eenige klocken ofte schellen te trecken langs het landt om het volck by een te vergaederen.'

 

Ik krijg voor het eerst iets te horen over de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, waar Vlaanderen natuurlijk betrokken partij is en waar vooral de Gentenaars meezeulen met de Engelsen. Ieper kon het vorig jaar nog aan den lijve ondervinden. De wapenstilstand die afgesproken werd eind 1383, wordt in oktober 1384 verlengd tot aan het begin van mei 1385. De 15de december van 1384 arriveert Filips de Stoute in Ieper. En zijn huisvrouw, de gravin, met hem.

 

De geestelijke en wereldlijke leiders van de stad beloven in de schepenkamer om hen beide trouw te blijven en om 'de stad en het gemeente in peys en vrede te behouden'. Het is een hele ceremonie waarbij ook de graaf zijn deel van de beloftes maakt. De volgende dag wordt de wet vernieuwd en mogen de heren Joris, Jacob en Francis van Belle, Jan van Lo, Andries Paelding, Segers de Vroede, Michiel de Bam en Jan van Merkem hun eed van wethouder declameren.

 

Zo duiken we het jaar 1385 binnen waar er onmiddellijk sprake is van een grote vondst in de Boterstraat. Er zal een nieuw stenen huis gebouwd worden en bij het verwijderen van oude funderingen wordt een marmeren trap blootgelegd die de ongetwijfeld verbaasde bouwvakkers leidt naar een gewelfde kelder die geschraagd wordt door 6 pilaren, ook al van marmer. Ik schakel over naar de antieke taal van de jaarboeken om de vondst te omschrijven.

 

'In desen kelder lag een groot silveren afgodts beeld, representerende den afgodt Pan, den godt der herders, met menigvuldige silver kandelaers, wierook vaeten, etca. Met eenige metaelen potten vol gouden maidallien, goude ketens, ende een vergulde kiste, met drij slote; dese sloten opengebroken sijnde, wiert daer in gevonden, een silveren herders staf ofte macke, met een instrument van seven buysen goud gedorreert, ende verciert met dierbaere gesteenten.'

 

Daarnaast vinden de mannen een perkament dat dateert van het jaar 57 waarop in het Latijn geschreven staat dat de inboedel van de kelder eigenlijk schatten zijn die afkomstig zijn van de tempel ter ere van Pan die op de vlucht is geslagen voor de vervolging en de tirannie van Nero, de keizer van Rome. Het is ondertussen dus 1328 geleden dat Ieper voor de eerste keer verwoest werd, laat de kroniekschrijver weten.

 

De realiteit van het jaar 1385 wordt gekleurd door de oorlog. De wapenstilstand wordt geschonden. Er is geen houden aan. De Engelsen sturen al tijdens januari versterkingen naar Gent. Een hoop volk van Brugge, Sluis, Aardenburg, Kortrijk en de omliggende steden voelt zich geroepen om de Gentse buitengebieden te treiteren en te verwoesten, 'alles verdervende wat aen den vyandt toebehoorde: soo dat geheel het Landt wederom in oorlog getreden was.'

 

Het is de voorbode van nog meer onheil. Rond half mei arriveert er een vloot van zowat 100 Engelse schepen ter hoogte van Cadzand en 'hadde aldaer eene landinge gedaen, verbrandende en roovende alles waer zij ontrent konden geraecken. Op het einde van dezelfde maand rukken enkele Gentenaars onder leiding van François Ackerman op naar Aardenburg. Hun intenties liegen er niet om: ze willen de Fransgezinde edelen aanpakken. Hun vis braadt niet zoals ze dat wensen. De eersten die de vestingen willen opklimmen, ondervinden het aan den lijve.

 

De tegenstand is kloek en het zou beter zijn als ze zich terug trekken om deel te nemen aan het beleg van Biervliet, samen met de rest van hun gezellen. Onderweg wordt het plaatsje Oostburg geplunderd. 16 juli 1385. Ackerman zweert bij zijn vertrek uit Gent dat hij niet zal terugkeren vooraleer hij een stad op de Fransen zal hebben veroverd. De verovering van Biervliet is de voorbije maanden op een sisser afgelopen en deze keer moet het anders en beter. De mannen van Ackerman krijgen de tip dat Rogier van Gistel, de gouverneur van Damme, met een deel van zijn garnizoen naar Brugge vertrokken is. Dat is de reden waarom hij tijdens de nacht van de 16de met al zijn volk opstapt richting Damme.

 

Bij de Damse vaart kunnen ze enkele schepen buitmaken die daar aan de Lieve aangemeerd liggen en via die schepen geraken ze aan de overkant waar ze de Friese poort van Damme kunnen openbreken. Ze overrompelen het stadje zonder veel moeite. De buit die ze er aantreffen, is best interessant te noemen.

 

Ze treffen er ook zeven dames van stand aan die op bezoek zijn bij mevrouw de gouverneur en die worden, zij het in stijl, gevangen genomen en weggevoerd naar Gent. De verovering van Damme is schitterend nieuws voor de Gentse baljuw Jacob de Scheutelaere. Hij begeeft er zich met een bende krijgsvolk en met enkele Engelse soldaten naartoe om het bezit van de stad te consolideren. Dat blijkt niet veel voor tijd geweest te zijn, want ze zijn amper binnen als de Bruggelingen, gesteund door de 'Oost-Vrylaeten' Damme benaderen in de hoop om het stadje terug in te nemen.

 

Ze hadden gedacht enkel te moeten afrekenen met de militie van Ackerman, maar nu blijkt dat er zich al een flink Gents leger heeft meester gemaakt van Damme en zo 'waeren zy genoodtzaeckt 'thunder schaede en schande af te trecken'. 'Groot verlies' blokletteren de Brugse jaarboeken. Damme betekent voor de Bruggelingen de sleutel tot de zee en nu de vijand de plek heeft ingenomen mogen ze hun koophandel op de buik schrijven. De vaart is dicht. Bovendien is Damme op zichzelf 'zeer kooprijck en machtig, waer door die van Gendt eenen grooten schat behaelt hadden.'

 

Blijkbaar bevindt zich onder die schat ook een grote partij wijnen en die vindt gretig zijn weg naar de gulzige Gentenaars die er zich te goed aan doen en 'zig in den dranck vergetende, door onachtzaemheyt eenen grooten brandt veroorzaeckten, waer door het vierde deel van de Staden verslonden wierdt.' De reactie op de strubbelingen in het noorden van Frankrijk, Brugge dus, volgt zoals gewoonlijk met wat vertraging. Een leger opbouwen kan inderdaad niet in een twee drie, maar nu is de koning van Frankrijk op komst met 80.000 soldaten.

 

Het wordt menens. Bij hun aankomst in het Brugse, vervoegen ze zich met de stedelijke milities en met de Vrijlaten van het leger. Goed voor nog eens 20.000 soldaten die onder het bevel staan van de heer van Simpy en van Rogier van Gistel. Honderdduizend mannen vertrekken in het begin van augustus naar Damme waar ze de stad van alle zijden omsingelen. 'Die van Brugge bewaerden de noordzyde, ende wisten door behendigheyd het water uyt de vesten af te tappen, terwylen dat de Franschen dweers door de haven eenen dijck geschoten hadden, om de belegerde alle gemeens met de zee af te snijden.'

 

De volgende situatie doet me wat denken aan de gasoorlog in de Westhoek van 1915. Het vers water, het drinkwater veronderstel ik, waar de inwoners van Damme over beschikken, vindt zijn oorsprong in de vijver van Male. 'En om het zelve te bederven, wierdt daer in vele vuyligheyt geworpen, waer door onder de belegerde groote zieckten opgerezen zijn.' Hulp uit Engeland moeten de Gentenaars niet verwachten. De wind zit verkeerd. Ze verdedigen zich zo goed en zo kwaad mogelijk tegen deze overmacht.

 

Na een tijd zitten ze door hun voorraden heen en worden ze zelfs genoodzaakt om zelfs de honden en de paarden op te eten. Weer zo'n titel! 'Ziekte in het leger'. Oorlog is altijd en overal synoniem van menselijke ellende. Geschiedenisboeken hebben het er zo weinig over. Zowel bij de belegerden als bij de belegeraars breken er ziekten uit. Het is niet geweten of de Franse koning ook één van de ziekteslachtoffers wordt. Diarree, schijterij zonder ophouden, koorts? Wie kan het weten? In elk geval vertrekt de Fransman richting het kasteel van Male en trappen verscheidene edelmannen het af naar Brugge, de rest van de belegering over latend aan hun krijgsvolkeren. Er komt een wapenstilstand. Maar die wordt kort daarna weer verbroken.

 

Een deel volk van Sluis heeft het uiteraard niet erg begrepen op de Bruggelingen en op de Fransen. De maatregelen van de graaf zullen hier niet vreemd aan zijn. Ze spreken af dat ze hun stadspoorten zullen openen voor een leger dat vanuit Gent zou kunnen oprukken.

 

Ze willen van de gelegenheid gebruik maken om dan samen de Franse vloot aan te vallen en hun leger aan te pakken. 'Doch dit wierdt niet uytgewerckt; want door eenen van de Bontgenoten ontdeckt zijnde, wierden alle de andere gevangen en met de doodt gestraft.' Het beleg van Damme sleept zich ondertussen nog altijd voort. We naderen het einde van augustus. De hongersnood binnen de vestingen is moordend. Letterlijk en figuurlijk.

 

Ackerman beseft dat een algemene aanval niet meer veraf is. 27 augustus 1385 zijn we. De vrouwen, kinderen en de zieke mensen worden in de kerk opgesloten zodat ze niet voor de voeten zullen lopen en hij posteert alle militairen op de vestingen. 'En daer-en-tusschen vluchte hy met de aanzienelyckste stillekens naer Gendt.' In ons Westhoeks van vandaag zouden we dat vertalen in 'en hij scheurde zijn puuste.' De vlucht moet in de nacht hebben plaatsgegrepen, want als de rest van zijn soldaten in de vroege ochtend vaststellen dat hun leiders het hebben afgetrapt, gaan ze ook op de loop. Je zou voor minder. 'Maer verscheyde wierden achterhaelt, en wel zes hondert gedoodt'.

 

De toegang tot Damme ligt nu wijd open en zo trekken de belegeraars het stadje binnen. Alles en iedereen moet nu natuurlijk wijken. 260 Gentenaars en Engelsen worden gevangen genomen en naar Brugge gevoerd. Het merendeel van de sukkelaars wordt onthoofd en buiten de Boeveriepoort op het Magdalendaveld begraven. Op 30 september verhuist het Frans leger naar de regio van Gent en naar de streek van de Vier Ambachten. De vaststelling dat Gent niet zomaar in te nemen valt, doet de Franse koning van mening veranderen. Met het winterseizoen in aantocht is het veel beter om terug te keren naar het zuiden en de situatie in Vlaanderen te laten zoals die is. Hertog Filips de Stoute en zijn 'gezelnede' zetten nu alles op alles om de Gentenaars op andere gedachten te brengen.

 

'Met soetigheyt te overwinnen', staat er geschreven. De partijen besluiten uiteindelijk om in november voor één simpele maand een 'stilstandt van wapenen' af te sluiten om de onderhandelingen niet verder te verstoren. Met succes trouwens, want er is sprake van de vrede van Doornik op 18 december. De oorlog heeft in Vlaanderen alleen al de voorbije twee jaar gezorgd voor 200.000 doden. In Ieper valt er de hele periode geen nieuws te melden en ook in het begin van 1386 blijven de geschiedschrijvers zwijgen. Brugge speelt de hoofdrol.

 

Of beter gezegd: Sluis. De stad van Sluis was tot dan toe een leengebied van de graaf van Namen. En daar komt nu verandering in. Graaf Filips beseft het strategisch belang van de haven van Sluis. De orders komen ongetwijfeld vanuit Frankrijk. Sluis wordt geruild tegen Bethune waardoor Sluis nu het speerpunt kan worden van Vlaanderen in de Franse strijd tegen Engeland. In Brugge zien ze de bui ongetwijfeld al hangen, maar vooralsnog blijven de kronieken discreet. 'Dit alzo gedaen zijnde, dede Filips aanstonds een kasteel bouwen, het welcke daer naer, ten tyde van Keyser Carel, afgeworpen wierdt: niet tegenstaende dat met verzekert, dat het veel kloecker was, als het groot kasteel, het welcke tegenwoordig aldaer noch gezien wordt; en ontrent dezen tydt, ten koste van den Koning van Vrankrycek, gemaeckt was, om het Landt voor de Engelschen beter te beschermen.

 

Dit kasteel dede den Prince bouwen van zijn eygen geldt, maer hy liet ten zelven tyde, ten koste van het landt, de voorseyde stede met mueren en nieuwe fortificatien omringelen.' De stad Diksmuide krijgt nieuwe poorten aangemeten. Er staan ook grote werken op het programma in Nieuwpoort dat door de Engelsen in brand werd gestoken. Er komen nu vestingen en stadsmuren en een nieuwe parochiekerk die opgedragen wordt aan de Heilige Maagd. Voortaan hoeven de Nieuwpoortnaars niets meer te vrezen.

 

De oorlog tussen Frankrijk en Engeland woedt in 1386 ongestoord verder. Vanuit Sluis en Blankenberge vertrekken 1287 Franse schepen met de opdracht om een landing op de Engelse kust uit te voeren. 'Voldoende schepen om een brug tussen Engeland en Frankrijk aan te leggen', mijmert onze geschiedschrijver. Ik leer een stuk geschiedenis kennen die voor mij totnogtoe onbekend was gebleven. Veertig jaar geleden hebben de Engelsen tijdens hun succesvol beleg van Calais een houten stad gebouwd op enkele meter van hun doelwit.

 

De bouw van Villeneuve-la-Hardie heb ik al eerder beschreven in mijn geschiedenis van de Westhoek. Nu willen de Fransen revanche nemen en eveneens een houten stad bouwen langs de Engelse kustlijn. 'Vele schepen waeren gelaeden met gewerckt timmer-hout, allegaeder zoodanig in malkander passende, dat men daer van, zo haest men in Engelandt zoude zyn, aanstonds vele huyzen maecken konde, om de soldaeten daer in te woonen. Niets was er in Europa alsdan ruchtbaerder als de houte stadt, die tot Sluys bereydt was, om naer Engelandt over te voeren.' Terwijl de Sluizenaars naarstig aan het timmeren zijn, zit het er bovenarms op in de Westhoek.

 

De 15de juni van het jaar 1386 wordt het leengoed dat Lauwereins Velle door de hoogbaljuw van Veurne in beslag genomen omdat Velle schuldig zou zijn aan de moord op Boudewijn van Stavele. De voogd en de schepenen van Ieper protesteren bij Godevaert de Heilt, de baljuw in kwestie. Joris Belle en Gillis van Lo merken op dat het onwettig is om eigendommen van poorters te confisqueren zolang er geen bewijskracht is van een misdaad. Ze gaan zelfs nog een stuk verder door Velle vrij te pleiten van de moord. De Heilt kan er niet om lachen.

 

Ieper mag dan wel de nodige privileges hebben, maar ze moeten zich niet mengen in zijn zaken. De zaak wordt ten berde gebracht bij de soeverein-baljuw van Vlaanderen, meneer Capelle, die beide partijen aanhoort op 15 juli en uiteindelijk de baljuw van Veurne in het onrecht stelt. De inbeslagname van het goed van Lauwereins Velle moet ongedaan gemaakt worden.

 

Op 31 juli 1386 doet er zich een voorval voor in Ieper dat ik van geen kanten kan omschrijven in mijn eigen taal. Ik mis de finesse van dat oud Vlaams. 'Den 31 julius quaemen drie vremde gezellen binnen Iper en gingen eten, drinken en wandelen met eenen vremden man die van vegten tot Iper gekomen was om beschut te zijn en alzoo sij te saemen in gezelschap giengen, zoo sloegen deze drie hem van agter verradelijk dood en vlugtenden alle drie in de kerke van de Predikheeren. Dat is gekomen tot kennisse van de heeren van de wet. Den bailliu bij raede van de schepene heeft hun uytgehaelt bij force uyt de kerke en geleyd ter walle en daer naer in de gevangenisse en zijn alle drie aldaer gepijnigt geweest dat sij het feyt bedreven hadden, hebben sij het bekent om winste en uyt nood en uyt deze bekentenisse wierden sij bij de schepene gevonnist en tot Iper met de dood gestraft.'

 

Groot bezoek op 18 oktober. Karel, de 6de koning van Frankrijk komt naar Ieper. Met in zijn gezelschap Filips van Bourgondië, natuurlijk onze graaf Filips de Stoute. Ik verheug me om de precisie waarmee dit bezoek omschreven wordt. De koning logeert in de woning van Wouter van de Pitte en de graaf in het klooster van Sint-Maartens. Blijkbaar zijn de hertogen van Bourbon en Berry al eerder op bezoek geweest en zijn ze daags voor de intrede van de koning vertrokken. De Ieperlingen staan te dringen om de nodige attenties en geschenken over te maken aan de Fransman.

 

Zes snoeken, een vat wijn van Poitou, een 'keuwe Franschen wijn', en drie lakens, te weten een scharlaken, een wit en een groen laken en nog dezelfde avond arriveert de heer van Nevers, de oudste zoon van de graaf met in zijn zog koning Leo van Armenië. De nieuwe gasten worden te slapen gelegd in het huis van Hendrik Floquies en ook zij krijgen hun deel van de lakens, de snoeken en de Franse wijn. Een week later zit het hoog gezelschap nog altijd in Ieper.

 

De 25ste oktober stellen de koning en de graaf een nieuwe opperbaljuw aan die hen moet vertegenwoordigen in de kasselrij van Ieper en die de 9 schepenen zal superviseren in hun rechtspraak. Ieper bezit inderdaad de totale jurisdictie over de hele kasselrij en de gemeenten die daar onder vallen, worden eens bij naam genoemd. 'Dezen casselrie de welke het bestrek heeft op Boesing, Bixschote, Brielen, St. Jans, St. Jacob, Nederwaesten, Ondercomen, Onderbussche, Geveld, Languemarke, Rosebeke, Rousselaere, Zonnebeeke, Hollebeeke, etecetara.' De opperbaljuw en de 9 Ieperse schepenen heersen over de vernoemde gebieden.

 

En als er zicht echt belangrijke zaken voordoen, dan zijn er nog de lokale leenheren, de vazallen, zeg maar enkele edelmannen die in het bezit zijn van de nodige gronden in de respectieve parochies en op basis daarvan natuurlijk ook hun rechten claimen. De opperbaljuw luistert naar de naam Jan Slijpe en hij zetelt samen met 32 edelen in het Zaelhof. Drie van die vazallen worden bij naam genoemd: Francois Wijdebrouk, Geraet de Fannery en Woutre Mersiaen. De vonnissen worden geveld in het Zaalhof, 'alwaer men plagte de misdaedige voor de poorten te straffen en te kastijden aen de boome gelijk eenige oude memorien uytwijsen maer deze boomen zijn 't jaer 1670 door eenen stormen wind weggerukt en als nu is de justitie volbragt op de markt voor het stadhuys voor d'heeren.'

 

Ondertussen valt er in Brugge weinig plezier te beleven. Terwijl de Franse koning in Ieper vertoeft, delen zijn adjudanten de lakens uit in Brugge. De Brugse jaarboeken geven het ook aan. 'De Franschen, naer noch meerder macht wachtende, bleven aldaer tot in het midden van november; en middelertydt quaemen verscheyde van hun binnen Brugge; die aldaer zoo beestachtig leefden, dat het zelve aen de inwoonders onverdragelijk was.'

 

Wat de Fransmannen er uitrichten staat er niet bij. Maar de term 'beestachtig' figureert hier niet zo maar. De revanche van de Bruggelingen laat niet lang op zich wachten. Het gemeen begint weer samen te hokken, 'bijeen te rotten', en een deel van hen zijn al gewapend naar de markt gestormd om de Fransen mores te leren. De adjudanten vluchten in de huizen als ze de meute zien aanstormen. Gelukkig grijpt Jan van Gistel in. 'Beseffen de mensen hier wel hoe het voor hen zal uitdraaien als ze het aandurven om de Fransen in de stad aan te pakken?' Buiten de stadsmuren staat een aanzienlijke Franse troepenmacht en dit op zich is voldoende om de gemoederen voorlopig tot bedaren te brengen.

 

De hertog van Berry bezoekt in die dagen Sluis en hij adviseert zijn koning om de gevechten met de Engelsen op te schorten tot na de winter. Zo valt het besluit om zich terug te trekken uit Sluis. Ook hier is het weer opvallend dat de inwoners opnieuw de pineut zijn van het crapuleuze gedrag van de Franse bezetter. 'De Franschen van Sluys vertreckende, beroofden vele van de inwoonders. Zij meenden het zelve oock binnen Brugge te doen, maer verscheyde wierden doodt gesmeten.' Die van Brugge wagen het zelf om de hertog van Berry persoonlijk een lesje te leren. Op een bepaalde avond wordt hij aan de Carmersbrug aangevallen en gewond. De daders blijven onbekend.

 

In 1386 komen er zich Schotse en Portugese kooplieden vestigen in de binnenstad van Brugge en in de lente van het volgend jaar komen daar nog eens enkele vanuit de Algarve bij. Van de rest van 1387 is niets geweten. Daar komt verandering in tijdens het voorjaar van 1388. De Engelsen vallen een Vlaamse vloot aan bij het binnenvaren aan de kust. De schepen komen van La Rochelle en hebben onder andere 9000 kruiken wijn aan boord. De oorlog is weer eens bittere ernst voor de inwoners van Blankenberge en Sluys die het momenteel moeten stellen zonder een Frans garnizoen en die als een vogel voor de kat liggen te wachten om opgepeuzeld te worden door de Engelsen.

 

Het enige wat de Engelse huurlingen tegenhoudt om Sluis binnen te halen, is hun vrees dat ze zullen worden ingesloten door de Bruggelingen en die van het Brugse Vrije. Aan schermutselingen is er geen gebrek. 'Zij vonden alleenelyck sommige kleyne scheepkens met krijgsvolk, de welcke aengelandt zijnde, Mude, Oostburg, Houcke, Meunickreede en Coxyde berooft en verbrandt hebben, alzoo met den genomen buyt wederkeerende.' Ieper staat er in die dagen wel beter voor. Hun relatie met de Fransen en met de graaf is stabiel en daar oogst de stad de vruchten van. De Ieperse kronieken hebben het over een nieuwe stadsomwalling.

 

'Anno 1388 op den 6de april heeft den edelen heere Elooi Ludovicus van Dixmuyde, alsdan voogdt der stadt van Ypre, den eersten steen geleydt van de eerste nieuwe stadts meuren ende vestingen. Desen eersten steen wiert geleydt aan de Torroutpoorte, tusschen het geklank van trommels, trompetten, walthorens, schalmeyen, minnetruls alias vyolons, met een algemeyne blijdtschap der borgers, want de stadt te vooren maer omcingelt was, met aerden vestingen, met doornen haegen en thuynen, die door het voorgaende beleg der Engelsche merkelijck geschonden waeren.

 

Dese nieuwe steenen stadts meuren, wierden gebauwt op de kosten van het geheel gemeente; maer aengaende de vier voorsteden, die door de Engelsche soldaeten verwoest waeren en wierden niet meer erbauwt, maer de inwoonders der selve, wierden gesonden naer Poperinge, Meenen, Comen, Wervick ende ander plaetsen, om de wolleweverie te erstellen. Ieper heeft dus definitief afgerekend met het gepeupel dat niet eens de kans kreeg om binnen de stadsbescherming te wonen en altijd maar weer aan de basis lag van grote vernielingen en problemen in de stad.

 

'Want uyt de inwoonders der voorborgten, waeren dikwils oorsaeken gesproten ofte aldaer eerst begonst, van grote beroerten, ende onbeschrijvelijcke tumulten.' '1388. Het H. Bloedt wederom vloeybaer'. Als krantenkop kan dit tellen. Ik houd wel van mirakels, van die goede ouderwetse mirakels zoals we die op vandaag niet meer meemaken. Ik vertaal de tekst van de Brugse kronieken in een artikel dat zo in de 'Krant van West-Vlaanderen' kan verschijnen. 'Op 29 april 1388 is het dierbaar 'Bloed van Onze Lieve Heer' dat hier in Brugge rust en zowat 78 jaar onveranderd is gebleven nu plots enigszins roder van kleur geworden.

 

Van het bloed zijn er zelfs enkele druppels vloeibaar geworden en die hebben zich miraculeus van de rest afgezonderd. De druppels konden zelfs in een nieuw kristallen vat worden vergoten. Het vat zelf zit nu ingekapseld in een omhulsel van een kilo goud en versierd is met edelstenen. Allemaal in opdracht van het magistraat van Brugge. Het spektakel, ' een wonder teecken van de bermhertigheyt Godts', speelt zich af in tegenwoordigheid van de bisschoppen van Ancona, Terwaan, en Lincoln. Ook de abten van Clairvaux, Ter Duinen en Ter Doest zijn aanwezig samen met het voltallig Brugs stadsbestuur.

 

De kerk van Sint-Donaas mag je in 1389 stokoud noemen. Het is er aan te zien. Door haar hoge ouderdom dreigt ze elk dag te kunnen instorten. De kanunniken zullen er veel geld moeten tegenaan gooien om het gebouw weer in zijn vroegere glorie te herstellen. Een deel van de fondsen komt van de verkoop van het goud en het zilver dat in vroegere tijden werd geschonken door Gunildis, de vrouw van de Duitse keizer Hendrik de derde. Kronieken die oude koeien uit de gracht halen. Fijne roddels. Hendrik zou zijn vrouw van ontrouw en overspel hebben beschuldigd waardoor Gunildis zich in Brugge gaat afzonderen tot aan haar dood op 21 augustus van het jaar 1042.

 

De meest uiteenlopende zaken doen de ronde over die Gunildis. Onze schrijver wil een en ander best eens uitpluizen en komt na een lang verhaal tot de slotsom dat niemand precies weet hoe de vork in de steel zit en dat het goed mogelijk is dat er sprake is van een naamsverwisseling en dat de Brugse Gunildis mogelijk geen uitstaans heeft gehad met enige Duitse keizer. Ik ga er niet verder op in en vertrek liever eens naar het bruiloftsfeest van Anastasius van Outrez, de zoon van de Ieperse burggraaf Johannes.

 

De vader van de bruid heeft een hoofdrol gespeeld bij het beleg van Ieper nu al zes jaar geleden. Hij was commandant van de burgerwacht en nu zijn alle kapiteins die onder hem hebben gediend ook uitgenodigd op het huwelijksfeest. Ze hebben allemaal gevochten tegen de rebelse Gentenaars en hebben zich hiermee onsterfelijk gemaakt. Met 16 zijn ze en 'onder deze 16 capiteynen was den heldaedigen heer Lambertus Heyse den welken met de 16 cantons van Iper quamen gewaepent met trommels en vendels om deze bruyloft feeste te vereeren met tournoyen en stekspeelen.

 

De princelijke gilde van St. Anna verthoonden op eenen theater de blijgeestige trouwfeeste van de schoone Rachel met den patriarch Jacob.' Het is niet enig stuk toneel dat opgevoerd wordt. Ook het trouwfeest van koning David met de voorzichtige Abigail en dat van koning Assuerus met de godvruchtige Ester wordt door de diverse gilden opgevoerd. Tijdens die dagen wordt Lambertus Heyse klaarblijkelijk aangesteld tot schatbewaarder, tresorier van de stad Ieper waardoor de feesten nog aan glans en intensiteit winnen.

 

De Ieperse jaarboeken vertellen het in geuren en kleuren en tot in de kleinste bijzonderheden. Geschiedenis om van te smullen. Heyse is zodanig tevreden met zijn benoeming, dat hij besluit om achteraf ook een feestje te bouwen met zijn tafelgenoten. Ik zie het zo voor me. Het hele gezelschap met een stuk in de voeten breien er nog een afterparty aan. De tekst van de jaarboeken geeft uiteraard de gekuiste versie van het verhaal.

 

'Want naer dat de bruylofts daegen geeyndigt waeren heeft d'heer Lambertus de Heyse alle de zelfste persoonen zoo heeren als de damen ter taefel genoot en des avonds hebben de gilde broeders van St. Anna op t'verzoek van d'heere Heyse hun gezyd spel wederom vertoont voor alle de genoode in een groot en onbewoond huys het welke aen d'heer Heyse toebehoorde.' Tot mijn verrassing kom ik nu terecht op enkele honderden meters van mijn eigen woonplaats.

 

Dichtbij de plek waar het Egliseum zo moeizaam een nieuwe toekomst probeert op te bouwen in het Ieper van 2014, de 'Paters'. Het kan maar daar zijn: 'aen de westzijde van de Mondstraete regt over de Paterstraete alwaer de kerke der Jesuiten nu staet.' Het feestje loopt slecht af. 'In dit onbewoond huys moesten zij hun spel vertoonen ter oorzaeke van het quad weder mits het gedeurig regende.

 

Dit spel nu voltrokken zijnde, zijn de aensienders en spelders vertrokken. Des nagts ontrent den 2 heuren is dat gezeyd huys in vier gekomen door eene keerse de welke veronagtzaemelijk was niet uytgeblaesen en mogelijk door eene ratte al brandende hadde weggeslept geweest.' Brand dus en ik laat de kronieken verder hun relaas doen. 'Mits daer niemand in en woonde zoo stond het binnen vol vier en vlamme eer den brand zig uytwendig vertoonde waer door dat het huys is onblusschelijk geworden, welken brand ontsteken heeft een kleen agter huysken ontrent de vesten alwaer dat'er woonde een arm huysgezin en de vrouwe was over 4 daegen in het kinderbed gekomen de welk met haer kind levende zijn verbrand.'

 

Lambertus Heyse moet zich best schuldig hebben gevoeld. En dat is waarschijnlijk ook het geval met de Ieperse beau monde. 'Dog onsen burggraef Outrez met den heer Lambertus tresorier van Iper en nog ander capiteyns hebben uyt medelijden aen dien armen man met naeme Lauwen Schote, hebbende 6 kinders, elk eene somme uytgeleyd van 20 guldens. De andere heeren en genoode gaven ook eenige giften om dezen Lauwen Schote en sijnde kinderen te herstellen zoo dat zij eene beurse van de vergaederde penninge bedroeg 420 guldens het welke eene groote somme van in diene tijd.'

 

Tijdens diezelfde periode komt het tot een akkoord tussen het Brugse Vrije en de stad Sluis. De graaf gaat er mee akkoord. Het valt op dat de term 'graaf' stilaan plaats ruimt voor 'prins'. De prins van Bourgondië stemt dus in met de deal. De vrijlaten mogen een schuilplaats zoeken in Sluis moest de oorlog weer gaan oprispen. Ze moeten daarvoor geen 'ongeld' betalen.

Vrij in en uit in Sluis met als tegenprestatie dat enkele schepenen zich vrij kunnen vestigen in de buitengebieden van Brugge zonder daarbij lasten of taksen verschuldigd te zijn en dat de Sluise poorters 'aldaer neeringe zouden mogen doen'. Op de 15de oktober van 1389 verdwijnt de legitieme paus Urbanus de 6de van Rome van het toneel. Voor alle duidelijkheid: hij sterft. Hij wordt opgevolgd door Bonifatius de 9de die zal meegaan tot de eerste oktober van 1404. Het is de voorbije jaren wat geweest met die pausenhistorie.

 

De Ieperlingen hebben er hun beleg aan te danken en de kwestie blijft ook na de dood van Urbanus voor beroering zorgen. Zowel in Brugge als in Ieper hebben ze het er uitgebreid over. De kardinalen in Rome kiezen naar eer en geweten hun nieuwe sterke man Bonifatius als 'wettigen paus van de Roomsche Kerke, zoo gehouden dat wij zonder vreeze van te doolen hem insgelijkx den waeren opvolger van St. Petrus mogen naemen.

 

De Fransen weigeren nog altijd om het gezag van de paus van Rome te erkennen en beschikken over een eigen exemplaar. Clemens, die vanuit Avignon claimt dat hij de enige leider is van de katholieke kerk. Filips de Stoute behoort dus tot de adepten van de Clemens en stelt zich daarmee diametraal op tegenover de Vlamingen die de paus van Rome hardnekkig blijven steunen. In een tijd van facebook- en twittertoestanden zou er best wat mee afgelachen worden met die twee kadetten. Maar vergeet niet dat we nog leven in de 14de eeuw en dat die verplichte keuze tussen de twee pausen een zeer gevoelige materie is.

 

Vooral in de Westhoek die deze keer volop de zijde van de Fransen en de prins kiest tegen de Engelsen, moet de keuze van de mensen voor de Roomse paus verre van evident zijn. Filips de Stoute doet wat hij kan om de Vlaming te overtuigen van het tegendeel. 'Anno 1390 praemde den hertog de Vlaeminge op verscheyde wijzen om hun aen Clemens te onderwerpen.

 

Zij, om van de quellinge vrij te zijn, offerden hem eene groote somme geld voor welke hij hun gerust liet tot het volgende jaer wanneer hij meerder geweld gebruykte als te vooren, zoodaeniglijk dat veele uit vreeze schismatiek wierden.' Wat een toestand toch. De mensen proberen de graaf te paaien met geld om wat gerust gelaten te worden en dat resulteert eigenlijk in nog meer geweld en repressie. De Brugse kronieken geven de prijs bloot die betaald wordt om tijdelijk van het gezaag van de graaf van af te zijn: 'den hertog Philips van het zelve gevoelen zijnde, trachte de Vlaemingen daer oock in te wickelen, maar deze om hier af bevrijdt te zijn, gaven aen den prince eense somme van zestig duysent guldens.'

 

Het zou best eens waar kunnen zijn wat de geschiedschrijver Meyer schrijft over die van 'Iper en van de bijliggende plaetsen'. Ze hebben paus Bonifacius 'met den mond verlaeten.' Ze hebben voor een stuk gelijk in hun argumentatie. Filips kan niet in hun ziel kijken. 'Zij meynden dat men niet kan sondigen door de woorden en dat het genoeg is onwendiglijk te gelooven zonder uytwendige belijdenisse te doen van zijn geloof.' De priesters in Vlaanderen trappen het in deze periode één voor één af. Ze gaan naar Brabant, Luik of naar andere plekken waar ze wel ongestoord het evangelie volgens Bonifatius kunnen belijden. De enige priesters die in Brugge overschieten zijn allen 'Clementinen'.

 

De Bruggelingen weigeren koppig om naar de 'Franse' missen te gaan en gaan naar Gent om hun 'Paesschen te houden' bij de priesters Urbanisten. 'Veele wereldlijke persoonen verlieten ook hun vaderland wegen de kerkscheuringe.' De mistevredenheid in Vlaanderen groeit met de dag. Het kasteel dat de Fransen hebben gebouwd in Sluis, wordt tot ieders verrassing niet bemand door de Vlamingen, maar door een Frans detachement soldaten die Sluis enkel en alleen bekijken vanuit militair strategisch oogmerk en de verdediging van het noorden van Frankrijk niet meer overlaten aan de Vlamingen.

 

Gelukkig is er sprake van de terugkeer van een deel Duitse kooplieden die door de voortdurende oorlogen er al van onder gemuisd hebben in 1382, maar die nu door het grote geld (meer dan 11.000 pond) verleid, opnieuw bereid zijn om zich in Brugge te komen vestigen. De kwestie van de pausen blijft voor beroering zorgen. '1392, oproer in Brugge ter oorzaecke van Clemens' vatten de Brugse jaarboeken de situatie samen.

 

'Hier naer begonde in Vlaenderen eenen grooten tweedracht tussen de geestelijcken op te reysen, ter oorzaecke dat verscheyde, zoo door gaven als dreygementen, van den prince aengelockt wierden om Clemens te gehoorzaemen.' De haat tussen de 'believers' van beide kerken neemt ongeziene proporties aan. Meester Jan van Waes, de priester van Sint-Walburgis en meester Jacob van Oostburg, priester en theoloog binnen Brugge, prediken allebei openlijk dat alle Clemensgezinden in de ban van de kerk zullen worden geslagen. Het resulteert in wat ik al eerder heb geschreven. De mensen slaan op de vlucht voor de dreigende vervolging van de prins.

 

'tEynden welcken zy om het vervolg van den prince te ontgaen, met vele goetgeloovige borgers uyt de stadt gevlucht zyn: treckende ten deele naar Luyck en Keulen, alwaer Bonifacius zonder tegenzeg herkent was.' De geestelijke verlaten hun 'beneficien'. Er zal best wel angst leven bij de bevolking. Filips de Stoute aarzelt niet om dissidente gelovigen aan te pakken. Kijk maar naar Pieter van Rousselaere, een treffelijke poorter in de stad Brugge die het aandurft om openlijk te kiezen voor de paus van Rome en dat met het verlies van zijn hoofd en dus van zijn leven bekoopt. 'Hy wierdt naer Rijssel gevoert en onthalst, alwaer den ridder m'Her Jan van Heyle ter zelver oorzaecke oock in de vangenisse gestorven is.'

 

Van het jaar 1392 wordt er weinig nieuws op ons losgelaten. Alleen dat er in Brugge op 11 maart een groot tornooi wordt georganiseerd. Jan van Gruuthuuse en Wolfhart van Gistel nemen het op de grote markt tegen elkaar op, bijgestaan door elk een bende van 50 ridders. Wie als overwinnaar uit de bus komt, is niet geweten, maar wel dat de Bruggelingen hoog bezoek krijgen op de pinksterdag van 1393. Filips de Stoute komt op bezoek met de Clementijnse bisschop van Doornik die luistert naar de naam van Lodewijk de Tremouille.

 

Ze willen enkele nieuwe priesters wijden in de Sint-Salvatorskerk. Maar er komt geen luis naar de bewuste kerk waardoor het gezelschap beslist om door te reizen naar Sluis om daar de wijding te houden in de lokale O.L.-Vrouwkerk. Die zal doorgaan op 31 mei en, geloof het of niet, 'maer alzoo ten zelven tijde binnen de voornoemde kerke eenen grouwzaemen brandt ontstondt, moeste hij oock onverrichterzaeken vertrecken, alle de inwoonders hem vermaeledydende, en luyde op roepende, dat dit een straffe van Godt was, om dat zij eenen schismatyken bisschop in hunne kerke hadde willen gedoogen.'

 

Daar komen de schutters. In het begin van de julimaand van 1394 wordt er een groot schiettornooi georganiseerd in Doornik. 387 ervaren schutters uit 48 steden nemen deel aan de wedstrijd. Al mijn beschikbare kronieken brengen het relaas van het gebeuren. Ieper stuurt een team van 10 man, met onder andere Jacob de Vos en Francis de Gomme. En ze winnen nog ook zeker! Twee zilveren bekers van elk een kilo of drie zijn prijzen om u tegen te zeggen. 'Die van Brugge verkregen den prys van met de schoonste magnificentie hunnen intrede gedaen te hebben, en die van Parys, van verst gekomen zijnde, behaelden hier door oock eenen prijs.' Het feest duurt daar zo lang dat de Brugse schutters pas op 8 augustus terugkeren.

 

Of het feest lang verder gaat daar in Brugge is zeer de vraag. De sfeer is er bijzonder explosief. Eind augustus staat een wisseling van het stadsbestuur gepland. Een aantal mistevreden Bruggelingen onder leiding van een wever met de naam Pieter vander Schelle (anderen noemen hem Pieter van Belle) hebben het snode plan opgevast om de wethouders die in de vierschaar zetelen met zijn allen om het leven te brengen. Ook Wouter Schaeck en een zekere kuiper, Pieter van Sijsele, behoren tot de samenzweerders, of ze doen alsof, want de 28ste informeren ze de wet over de geplande aanslag. Vander Schelle bekoopt het met zijn leven.

 

'Hij wordt met zeven en zijnen aenhang gevangen, en op den dertigsten daer naer op de groote marckt onthooft terwijl alle de andere ontvlucht zijnde.' Jan zonder Vrees komt voor de eerste keer in beeld. Ik laat de tabloids van 1396 aan het woord. 'Jan van Bourgogne graeve van Nivers, en apparenten erfgenaem van den hertog Philips van Bourgogne, was ten jaere 1396 met vele van den Franschen en Vlaemschen edeldom naer Hungarien vertrocken, om de Turcken te helpen beoorlogen: doch in den slag voor Nicopolis, den welcken ontrent october geschiede, vocht hij zoo ongeluckig, dat hij met vijf en twintig van zijne edelen aldaer gevangen wierdt.'

 

Er worden onderhandelingen opgestart om de mannen vrij te krijgen. Donaes de Rapondis is blijkbaar een erg invloedrijke commerçant. Hij is afkomstig van Luca maar verdient zijn sporen (en zijn centen) in Brugge. Hij is het die de leiding neemt over de gesprekken met de Turken. Er zal losgeld aan te pas moeten komen. Voor een som van 200.000 dukaten kunnen Jan van Bourgondië en zijn ridders vrij komen. Deze enorme som wordt bijeen geharkt in Gent, Brugge en Ieper. Als de gevangen mannen een jaar later terug keren naar Vlaanderen, blijkt dat Jan van Varsenare er niet bij is. Dat gebeurt pas enkele jaren later verneem ik. Bij die terugkomst zal hij trouwens door Filips de Goede aangesteld worden als hoogbaljuw van Brugge.

 

In 1397 krijgen de Vlaamse handelaars wat meer ademruimte en mogelijkheden om zaken te doen, als de Franse koning een aantal tolrechten afschaft. Dat Jan zonder Vrees de 'coming man' is in Vlaanderen, wordt zondermeer duidelijk. De 16de april van 1398 komt hij op officieel bezoek naar Ieper. De Ieperse archieven hebben het ook over zijn gevangenschap. Nu komt hij op bezoek en ze kijken niet op een frank om hun toekomstige graaf welkom te heten. Ook Filips de Stoute, zijn vader en zijn broer Antoon, de hertog van Brabant, vergezellen hem. Joris Belle en Seghers de Vroede staan klaar met een welkomstgeschenk in de vorm van zilveren schalen. 120 mark in totaal en via het internet kom ik te weten dat dit ongeveer 30 kilo zilver moet geweest zijn.

 

De oude geschriften zijn weer eens erg precies in hun omschrijving van het gebeuren. Ik zie het zo voor me gebeuren daar aan de Torhoutstraat waar de grafelijke delegatie vanuit Brugge binnen komt gereden. De hele straat is - tot bij de Munt en het gasthuis, waar zich anno 2014 het gerechtshof bevindt - aan weerszijden volgehangen en versierd met blauw laken waar de wapenschilden van Bourgondië en Vlaanderen rijkelijk op beschilderd staan.

 

Ik duik de jaren 1400 binnen. In Brugge sticht Nicolaes Pagant het Godshuis van de heilige Nicolaas. Ook in Ieper is er sprake van een nieuwe stichting. 'Anno 1400 op den 3den mey zijnde de feestdag van H. Cruys verheffinge, heeft mijn heere Laurentius vanden Moeren, ingestelt ende gefondeert de rederijcke gulde onder de bescherming van het h. Cruys, de welke volgens hunnen insteller wiederen genoemt de 'Moeren' zijnde de vijfde redenrijcke Camer binnen Ipre. De relatieve rust van rond de eeuwwisseling wordt bruusk verbroken wanneer de Engelsen in 1402 opnieuw de oorlog tegen Frankrijk activeren.

 

De eerste gevolgen laten zich al zien voor de Vlamingen wanneer een Vlaamse vloot met schepen gevuld met Franse wijnen en afkomstig van La Rochelle, onderweg op de Noordzee kapen. Het is het begin van een blokkade van onze kusten die zo onveilig worden als de pest. De koophandel over zee valt hierdoor zo goed als stil. Deze toestand treft Brugge als eerste.

 

Ze sturen aan afvaardiging naar de Franse koning om een oplossing te zoeken voor hen. De situatie is natuurlijk complex. De Engelsen viseren natuurlijk Frankijk en voor hen maakt Vlaanderen natuurlijk deel uit van Frankrijk. De Vlamingen van hun kant wensen niet als Frankrijk beschouwd te worden in deze vele oorlog, maar willen integendeel als onafhankelijke staat handel te drijven met Engeland. Zo staat het ook geschreven: 'Ze wilden de koning verzoecken, dat hij de Vlaemingen in een volkomene onpartydigheyt laetende, zij alzoo hunnen vrijen koophandel met d'Engelschen zouden mogen vervolgen.'

 

In 1403 is er sprake van de bouw van een tuchthuis op het einde van de Ieperse Vleesschauwersstraat. Dicht bij de vestingen. In mijn jeugdjaren spraken de mensen van een verbeteringsschool. In de jaren 1400 is dit dus een tuchthuis. Op kosten van de gemeente. 'Om alle deugenieten, doorbrengers van hun goedt, ook wederspannige aen hun ouders, leegloopers, en ander diergelijcke daer in te stellen, om te werken ende gekastaeydt te worden.' Filips de Stoute wordt onwel in Brussel. Zijn entourage wil hem laten terugbrengen naar Frankrijk, maar hij overlijdt bij zijn doortocht te Halle. 26 april 1404 en op de 19de november van hetzelfde jaar is er sprake van alweer een grote storm.

 

'Op den 19de november van het zelve jaer was wederom een groot tempeest opgerezen, welcker weerga men in Vlaenderen noyt gezien en hadde: de zee was wel drij mijlen verre overgevloyt, en vele dycken doorgebroken. De grootste schaede geschiede tot Sluys, Damme, Aerdenburg, Oostburg, en meer andere aenliggende plaetsen.' Vijf maand later, op 16 maart volgt Margariete haar man in de dood. Ze wordt in Atrecht van een 'apoplexie overvallen'. Google leert me vliegensvlug dat onze gravin sterft door een hersenbloeding of een beroerte.

 

Ze is dus overvallen geweest door een 'attakske'. Haar oudste zoon Jan van Nevers, de man zonder vrees dus, is nu de officiële hertog van Bourgondië en heerser over het graafschap van Vlaanderen en al de 'groote erfdeelen van zijne moeder'. Anno 1405, zo schrijven de Ieperse jaarboeken toch, doet de nieuwe graaf zijn triomfantelijke intrede in hun stad, waar 'Jan van Digion, geseydt Jan Sonder Vreese, met vele vreugdeteekens treffelijck wiert onthaelt.' Op 21 april 1405 wordt hertog Jan in Gent gehuldigd als nieuwe graaf van Vlaanderen. Bij die gelegenheid worden er door de Vlamingen echter een aantal pijnpunten op tafel gelegd.

 

Als graaf hoor je in Vlaanderen te wonen en niet in Frankrijk. Oudenaarde wordt de nieuwe woonplaats en dat zal die van de goede steden Brugge, Gent en Ieper het voorhoofd doen fronsen. Oudenaarde verdorie? En de goede steden dan? De graaf wordt aanbevolen om de bestaande privileges en landsgebruiken te bevestigen zoals zijn voorgangers dat hebben voorgedaan. Wat de oorlog tussen Frankrijk en Engeland betreft, willen de Vlamingen verder in vrede leven en zaken doen met de Engelsen. Jan stemt toe in de voorwaarden die de Vlamingen hem stellen.

 

Alleen de rechten van het Brugse Vrije krijgen een deuk. In 1393 had zijn vader de schepenen van het Vrije voor het leven benoemd, maar met de nieuwe graaf valt dit voorrecht weg en worden er nieuwe bestuurders aangesteld. De Bruggelingen krijgen een extraatje: de verbeurdverklaring van eigendommen bij opstand en rebellie wordt afgeschaft. 'Op den 22ste mei daer naer quam eene groote menigte van Engelsche schepen voor Sluys, beroovende aldaer tot binnen de haven alle de oostersche en andere koopvaerdye schepen'. Het nieuwe kasteel wordt bestormd, 'maer door den kloecken tegenstandt waeren sy genoodtzaeckt af te trecken; ende beroofden en verbranden alsdan alle het landt daer ontrent liggende'.

 

De parochie van Heysvliet, ook Coudekercke genoemd, en ook de kerk van Mude worden geplunderd. Eigenlijk zou de kerk in brand moeten worden gestoken, maar die wordt gespaard omdat de Engelse admiraal van de vloot, een zekere graaf van Pembroke gesneuveld is bij de belegering van Sluis. Hij wordt nu begraven in de kerk van Mude. De tegenreactie van hertog Jan blijft niet uit. Een leger Gentenaars en Bruggelingen rukt op richting Sluis.

 

De Engelsen reageren nogal paniekerig en vluchten halsoverkop de zee op en laten hun buit hierbij achter voor de aanstormende Vlamingen. En zo zijn ze 'ten vijfden dage naer hunne aenkomste met groote schatten wedergekeert, oock medenemende de doode lichaemen van den Graeve van Pembroke en andere, die zy ter Muden reedts begraven hadden.' Wouter Janssens, een energieke zeekapitein, zet met zijn relatief klein zeeschip en 40 man de achtervolging in. Hij slaagt er in om één van de vijandelijke schepen nog voor de kust van Engeland te enteren en terug te doen varen richting Vlaanderen.

 

Tot zijn verrassing vindt Janssens een stuk van het altaar van de kerk van Mude aan boord. De Brugse jaarboeken blijven de actualiteit beheersen. Van Ieper krijg ik momenteel geen verder nieuws binnen. De eerste Venetiaanse kooplieden komen zich nog tijdens het jaar 1405 in Brugge vestigen. Eind 1406 is er sprake van een verbond met de Engelsen waarbij de Vlaamse schepen weer vrij handel kunnen drijven. Jan zonder Vrees houdt woord. Het is het minste wat je kan zeggen. Datzelfde jaar komt er (nog maar eens) ruzie tussen die van Brugge en de inwoners van hun buitengebieden. Het Brugse Vrije dus met zijn 'Vrylaeten' die het groot Brugse privilege van 1322 en een ordonnantie van 1384 aan hun laarzen lappen. 'Zij hadden wederom begonst langs het landt de wolleweverye te exerceren.'

 

De Bruggelingen willen dat beletten en 'liepen zelfs te lande, ruinerende alle de getouwen, zoo dat den Hertog, alsdan in Vranckryck zijnde, genoodzaeckt was in het begin van den Vasten naer Vlaenderen te komen, om den voortgang van dezen oproer te beletten.' Kort na Pasen arriveert hij in Brugge en grijpt hij in. Die van het Vrije mogen verder aan hun draperie werken, mits een reeks voorwaarden. Het gevolg laat zich raden: nu zijn zowel die van Brugge als die van het Vrije malcontent, 'zoo dat de Bruggelingen andermael de wapenen aengenomen hebben.' De hertog slaagt er dan toch in om orde op zaken te stellen.

 

Zes van de 'treffelijkste' figuren die de stad rijk is, worden uitgewezen. Het blijken de schepenen te zijn. Het magistraat vliegt buiten, 'uyt het landt verbannen'. En hun eigendommen worden aangeslagen. Het lijken toch wel drastische maatregelen van onze nieuwbakken graaf. We krijgen de namen van de pineuten te horen; de burgemeesters Geeraert van St. Omaers en Jan Camphin. De schepenen Joris Braderyck en Jan Honin. Tresaurier Nicolaes Barbesaen en eerste hoofdman Seger van Walle.

 

'Deze persoonen waeren allegader zeer bemint van het gemeente, en hadden vele voor het welvaeren van de stadt gedaen; hebbende oock onder andere bezorgt, dat de Cruys-poorte, Gendt-poorte, en S. Catharine-poorte, naer dat de zelve door die van Gendt afgebroken waeren, wederom herstelt en opgemaeckt wierden.' De meeste Bruggelingen zijn over het algemeen erg verbaasd over de uitwijzing van hun bestuurders. Ze treffen niet de minste schuld. Een deel inwoners kijkt met beschuldigende vinger naar een kliek die achter de valse beschuldigingen zit met de bedoeling om zelf de macht over de stad te grijpen. Geef me dan maar de dorpspolitiek van vandaag. De verbale stemmingmakerij blijft op zijn minst vreedzaam. Ik keer weer terug naar de kronieken van die dagen.

 

'Sommige zeggen dat dit gebeurde door de valsche betichtinge van eennige persoonen, die trachten in hunne plaetse te komen, als waeren: Niclaeys de Zoutere, Lieven de Scheutelaere, Jan Biese, Jan Bortoen en Lieven van Milaenen; gelijk oock gebeurde.' De zes halen warempel hun slag thuis. De 27ste maart vliegen de oude bestuurders buiten en kort daarna nemen zij hun plaatsen in. Er hangt echter een serieuze angel aan hun verkiezing. Ze hebben hun postjes verdiend mits de afstand van een zevende deel van alle stadsinkomsten aan de hertog.

 

Met daarbovenop nog de goedkeuring van nog verdere belastingen voor de inwoners. Met onder andere een 'last dat zeer haetelyck was, en de Calliote genaemt wierdt; waer over de inwoonders voor elck hoedt graen een stuyver moesten betaelen.' De prins en zijn trawanten spelen een gevaarlijk spel hier in Brugge. Zakkenrollers van het volk zijn ze. En om de vrede enigszins te verzekeren krijgen de ambachten en de neringen eindelijk hun standaarden en banieren terug die ze al lange tijd geleden hadden moeten inleveren.

 

Op het plein voor de halle wordt een wapenstilstand van een jaar tussen Frankrijk en Engeland uitgeroepen. Blijkbaar moeten de Bruggelingen problemen ondervinden met een ongecontroleerde invoer van schoenen, want 'eyndelinge verboodt hy, dat in het toekomende niemant meer binnen de stadt zoude mogen brengen eenige gemaeckte leerzen, schoenen ofte pantoffelen.' De 4de november 1407 valt de regen met bakken uit de lucht in Brugge. De laarzen zullen ze dus best wel hebben kunnen gebruiken. Op de laagste plaatsen in de stad, rond de Braamberg en Wijngaerde staan de straten onder water waardoor de mensen zich verplicht zien om elf dagen op hun zolders te blijven.

 

Anno 1410 keer ik terug naar Ieper waar ze 'zeer schoone previlegien verkregen voor hunnen getrouwen dienst die zij in voorlede tijden van oorlog hebben betoont en onder andere deze naervolgende'. We laten de graaf zelf even aan het woord. 'Ik, Jean zonder Vreeze, hertog van Bourgogne, graef van Vlaenderen, doen te weten aen alle tegenwoordige en toekomende als dat in voorlede tijden de wetpoorters en inwooners van onze stad Iper gelegen in onze landen van Vlaenderen hebben geleden veel verlies, ontaelijke kosten, schaede en interesten zoo door het feyt van oorlog het welke geschied is binnen onse voorzeyde landen en gedeurende den zelven zij belegert hebben geweest in onze voornoemde stad van de Engelsche en andere quadwillige onser vijanden.'

 

De graaf komt dus nog eens uitdrukkelijk terug op de belegering van Ieper 27 jaar geleden en de zware tol die de stad hier voor heeft moeten betalen. De schade in de stad is nog ver van hersteld, het stadsbestuur zit ongetwijfeld op zwart zaad en na een litanie van een halve bladzijde 'stroop aan de baard smeren', komt Jan eindelijk ter zake.

 

Hij zal gedogen 'hun lieden toe te staen, alle jaere tot onderhouden wegen de noodzaekelijkheden van de gebouwen, fortificatien, en andere noodige vercieringe de welke deze voorzeyde stad schuldig is te doen gelijk in voorlede tijden, laeten wy toe zeker impositie te stellen op de wijnen, bier en andere koopmanschappen die gebragt of gesleten zijn in de stad, voorsteden en in de limiten van het schependom zonder aen hunnen heer reekeninge te geven of te financieren, alles laetende voor hun eygen gebruyk.' Er moeten zich ongetwijfeld nogal wat problemen voordoen met slechte herbergen in het omliggende. De hele buitenomgeving van Ieper ligt er sinds het beleg verloederd bij en een aantal malafide personen maken gebruik van de heersende wetteloosheid om er met een café te beginnen.

 

De autoriteiten werpen de praktijken een halt toe daar in Ieper. 'We bevelen het zelve te willen onderhouden aen onze naerkomelingen ten eeuwigen daegen aengezien dat'er zedert de laeste oorlogen die geschied zijn in onzen land veele die gehouden hebben en nog houden zonder permissie slegte herberge genaemt taverne hantierende dikwils volk van quaed leven die veele injurien en affronten doen aen kooplieden of andere goede menschen uyt welke veele swaerigheden en onheylen uytspruyten alzoo wij geregtelijk en behoorlijk geïnformeert zijn.'

 

Er komt een formeel verbod om wijn, biere of andere dranken te slijten binnen een mijl van de stad zonder de toelating van de schepenen. Voor een goed begrip betekent een middeleeuwse mijl zowat 5 kilometer. Enkele herbergen krijgen al direct een toelating en hier aan mijn pc ga ik nu plots slenteren doorheen de middeleeuwse streek van Ieper. 'Uytgenomen de plaetsen hier naer verklaert te Pilkem Lindeke op den weg van Iper naer Dixmude, te Wilkem gaende van Iper naer Brugge, St. Eloys huyseke van Iper naer Waesten en alle kerhovens houdende aen prochien op peinde van de boete van thien pond paresys te verbeuren d'een helft aen onsen baillieu en d'ander helft aen de wetporters.'

 

In september 1410, meer bepaald op de 24ste, krijgen die van het Brugse Vrije vanuit Parijs, een brief waarbij hij de geplande confisquaties laat vallen. Met uitzondering van diegenen die te maken hebben met samenzweringen tegenover de persoon van de graaf zelf. Er hangt wel een tegenprestatie aan vast voor de Vrijlaten. De mensen beseffen het waarschijnlijk niet, maar Jan zonder Vrees moet fortuinen besteden aan zijn persoonlijke milities en legertjes om zijn positie in Frankrijk enigszins te handhaven en de uitstraling van zijn entourage op peil te blijven houden. Dit alles heeft dus ook zijn prijs daar rond Brugge.

 

Jan beschouwt zijn toegeving als een privilege dat alleen maar kan behouden worden mits een jaarlijkse erfelijke rente van 500 Parijse ponden met daar bovenop nog een eenmalige som van 10.000 gouden Franse kronen en de kwijtschelding van een openstaande schuld van 2.000 van diezelfde kronen. Jan van Bourgondië leeft inderdaad een turbulent leven daar in Frankrijk. In 1407 heeft hij zijn voornaamste tegenstander, de hertog van Orléans, op beestachtige manier laten vermoorden en sindsdien escaleren de zaken in Frankrijk.

 

In de teletijdmachine van de Westhoek staat de gebeurtenissen vrij gedetailleerd omschreven. Vooral de jaarboeken van Brugge brengen een verfrissend nieuwe inkijk in diezelfde periode. In september 1411, tijdens het beleg van de stad Ham in de Vermandois, houden de meegereisde Gentenaars het plots voor bekeken en 'ze hebben hunne tenten en bagagie by een gepackt, zeggende dat zij niet langer verplicht waeren in het veldt te blijven.' Het Vlaamse leger neemt natuurlijk ook deel aan de militaire campagne van hun graaf.

 

Die wordt trouwens al van bij het begin ontsierd door een ruzie tussen die van Ieper en het Vrije. De Bruggelingen marcheren op kop van het leger en de Vrijlaten zijn van mening dat zij, als 'subalterne' bevolking, ik herken hier het Engelse woord 'suburbs', onmiddellijk na de Bruggelingen mogen mee opstappen. De Ieperse deelnemers vertikken het om die tweede plaats af te staan. De tweespalt loopt zodanig de spuigaten uit dat prins Jan moet ingrijpen. De 6de september ordonneert dat ze om de beurt een dag mogen oplopen op de tweede stek.

 

Er doet zich trouwens nog een tweede dispuut voor. Alle kleine steden in het noorden van West-Vlaanderen willen meestappen met die van het Vrije en niet met die van Brugge. Maar de graaf ziet dan anders. 'Op den 17de Ougst binnen Brugge zijnde heeft hij verklaert, dat zonder eenige prejuditie die van Sluys, Damme, Houcke, Meunickreede, Muyde, Blanckenberge, Oostende, en Dixmude met de Bruggelingen uyttrecken zouden. De gene van Yzendijcke, Oostburg, Aerdenburg, Oudenburg, Gistel, Thourout, Eecloo, Caprycke en Lembeke, met de Vrylaeten gaende.'

 

Nu de Gentenaars het plots aftrappen, zit onze Jan natuurlijk met een probleem. Met al die onderlinge problemen en disputen in het achterhoofd, wil de rest van de Vlamingen het voorbeeld volgen van de Gentenaars. 'Wat richten wij hier eigenlijk uit in een oorlog waar we in wezen niets mee te maken hebben?' De graaf doet wat hij kan, de ene belofte volgt de andere, maar de Vlamingen 'wilden nergens naer luysteren, zoo dat alle het exempel van de Gentenaers achtervolgende, in het beginsel van October binnen hunne steden wedergekeert zijn.'

 

Nu ja, dat 'binnen' hun steden teruggekeerd is voor wat betreft de Bruggelingen niet helemaal het geval. Als ze bij de Smedepoort arriveren, weigeren ze om hun stad binnen te treden. Ze blijven er ostentatief liggen op het veld tussen Sint-Baafs en Sint-Andries. Ook de soldaten van Diksmuide, Sluis, Damme, Oostende, Oostburg, Aardenburg, Monnikenrede en Hoeke volgen hun voorbeeld. De graaf heeft al tijdens de campagne gesproken over de afschaffing van bepaalde tolgelden, maar de Bruggelingen willen meer. De lasten van de gehate 'calliote' die in 1407 genoteerd werden op een kalfsvel, het fameuze 'Calfvel', moeten afgeschaft worden en zolang dit niet gebeurt, zullen ze hun stad niet opnieuw binnentreden.

 

Vergeet niet dat de calliote, de taks op het graan, ingevoerd werd na de machtswissel waarbij de onderkruiper-vriendjes van de graaf in het Brugse stadsbestuur zijn geraakt en dus ondertussen in 1411 nog altijd aan de macht zijn. Een graafsgezind belastingsbestuur binnen de stad en de meest ambachtslieden buiten de stad. En ondertussen wordt er niet gewerkt, geen geld verdiend en amper handel gedreven. Het lijkt wel alsof de tijd aan het stilstaan is. We maken een confrontatie mee die kan tellen. Ik zie het zo voor me.

 

De machtsstrijd sleept 12 dagen aan tot dat het stadsbestuur uiteindelijk bezwijkt onder de druk en het calfvel aflevert aan het Brugse volksleger waar het, ongetwijfeld onder groot gejuich, in stukken wordt gescheurd. Ik duik weer onder in de taal van toen. 'Het leger wierdt alsdan gescheyden, en die van Brugge quaemen met opene vendels binnen hunne stadt, treckende aenstonds naer de Kooren-marckt, alwaer het ontfanger huyseken stondt, in het welcke het meergezeyde recht betaelt wierdt, het gene zij tot den grondt afgeworpen en gebroken hebben. Eyndelinge hebben zij noch den zelven dage de uytvinders van dit nieuw last uyt den lande gebannen; waer mede alles in zijne voorige ruste erstelt is.' Tijdens diezelfde periode beleven ze in Ieper een eigenaardige historie.

 

Joannes van Pouke is aangesteld als de lokale burggraaf en de man woont langs de westzijde van Zuidstraat, in onze moderne dagen de Rijselstraat, rechtover de Oude Kleermarkt. Van Pouke heeft twee dochters. 'Eén van deze laeg ziek te bedde 4 daegen zonder kennisse', in de coma dus, 'zoo dat de doctooren haer voor dood raeken, daer aen niet meer twijffelende. Men laeg haer op een bedde van parade om haer te zien van een ider zoo dat alles gereed was om haer te gaen begraeven in de kerke van St. Pieter.' Het meisje ligt dus al enkele dagen opgebaard, wanneer ze finaal in haar doodskist wordt gelegd en men zo tot de ontdekking komt dat het meisje zich in een coma bevindt en dus feitelijk nog in leven is.

 

Joannes van Pouke ziet het al zo voor zich. Hij heeft zich eigenlijk onsterfelijk belachelijk gemaakt. De burggraaf ruikt al de spot van de Ieperlingen. Waarom zou hij anders volgende acties ondernemen? 'Zoo heeft onzen burggraef verboden aen geheel zijn huysgezin van de zaeke kenbaer te maeken, integendeel het geheel stille te houden. Hij heeft zijne dogter doen transporteren bij zijne nigte die eene devoote was, heeft eenen brief geschreven, den zelven geslotene in eene looten dooze en geleyd in de doodkiste en zoo laeten begraeven gelijk zijne dogter waerlijk dood hadde geweest.'

 

De wenkbrauwen zullen nogal opgetrokken zijn daar in Ieper als diezelfde comateuze dochter al lang weer bij bewustzijn gekomen er in het huwelijk treedt. Het dood gewaande en zogezegd begraven meisje gaat trouwen. 'Eenige tijd daer naer is de zelve dogter getrouwt tot verwondering van iedereen met d'heer Staelens waer op d'heer van Pouke een groot en kostelijk banket gaef om bruyloft te houden in de welke genood was d'heer Alexander Heysen, zijnen neef van den burggraef van Iper.' Die laatste staat ook op trouwen want 'anno 1412 trouwde den zelven heer Alexander Heyse met jouffrouw Isabelle Bossuit.

 

Ten eynde van deze bruyloft gaf hij eene gifte aen 32 arme dogters om te trouwen, hun te voorzien van huysraed, beddinge, kleederen, kooren, boter en vleesch met andere omstandigheden.' Brugge wordt tijdens de zomer van 1412 opgeschrikt door een hevige brand. Niet zomaar één huis gaat in de vlammen op. Tussen de Oliebrug- de Noordzand- en de Zuidzandstraat worden er 1500 huizen door het vuur verteerd. Ook Sluis krijgt zijn deel van de ellende als op 9 september de O.L.-Vrouwkerk van Sluis door de bliksem getroffen wordt en voor een deel verwoest wordt. Zou het weer de schuld zijn van de Clementinen? Ik vraag het me af.

 

In 1414 morrelt de graaf weer aan de wetgeving van het Brugse Vrije. Opnieuw een transactie die geld in het bakje moet brengen. De Vrijlaten hebben er 7000 gouden kronen voor over om het griffierschap van hun vierschaar af te kopen. Het maximum aantal schepenen wordt om financiële redenen beperkt tot zevenentwintig. Wie verbannen wordt uit Brugge, mag voortaan vrij gaan wonen in het Vrije en de Vrijlaten mogen voortaan ook vrij in en uit Brugge komen zonder het risico te lopen om gearresteerd te worden. En in 1415 verbranden 'tot Brugge, zoo in de Smede-straete als in de Laene, luttel min dan twee-en-twintig hondert eerdt-steden.

 

De Ieperse kroniekschrijvers geven er geen reden bij waarom het graaf- en dus Fransgezinde Ieper in 1415 beroofd en geplunderd wordt door een Frans leger. Ik ga even snuisteren in de geschiedenis en moet één en ander rechtzetten. Ieper krijgt niet te maken met een regulier of een officieel leger, maar eigenlijk met hele benden crapuul, bannelingen en uitschot dat enerzijds slachtoffer is van de vuile oorlog die onze hertog Jan voert tegen de Orléansgezinden en die er van profiteren om de grensstreek van de Westhoek te vereren met gewelddadige bezoeken in zijn land.

 

Ik snap meteen de context van wat er geschreven staat: 'Anno 1415 heeft het leger der Franschen over al in Vlaender seer geweldig geplundert en gerooft, ende komende in de voorste van Ijpre hebben onder ander het klooster van de begijnen teenemael verwoest ende verbrandt, ende nonnen onbetaemelijck mishandelt.' Wat kan een mens zich eigenlijk voorstellen bij het onbetamelijk mishandelen van kloosterzusters? Ik word een beetje geholpen door de volgende alinea in de Ieperse kronieken. Nog tijdens datzelfde jaar worden er in Ieper onderhandelingen gevoerd tussen gezanten van de Engelse koning en met een Vlaams-Bourgondische delegatie onder leiding van Jan zonder Vrees rond een eventuele combine tegen hun gezamenlijke Franse vijanden.

 

Er wordt gepraat 'omme oorlog te voeren tegen de Franschen, die korst te vooren, dese omliggende plaetsen hadde berooft, de kercken en cloosters verdelgt, de vrouwen geschoffiert in het aensien van hun mans, de dochters in het aensien van ouders ende de nonnen verkracht, met alle onmenschelijcke vreedheydt.' De Brugse beau monde is er bijzonder op verkikkerd om elk jaar opnieuw hun steekspelen, tornooien en andere vreugdefeesten te organiseren. Waar komt die gewoonte vandaan? De geschiedschrijver Meyer breekt er zijn hoofd mee maar blijft het antwoord schuldig.

 

Zo is er onder andere het notoire gezelschap van 'De Witte Beer' dat hun jaarvergadering houdt in de abdij van Eeckhoute om dan achteraf, 'alsdan te peerde in volle harnas naer de marckt quaemen, en aldaer met lancier tegen malkanderen liepen.' De 13de maart van 1417 wordt er opnieuw een vergadering voorzien en krijg ik wat meer zicht op de deelnemers en hun beweegredenen.

 

'Anno 1417 den 13de van Maerte vergaederden tot Brugge, ten dry uren naer noene op de Poorters Logie, de burgemeesters, schepenen, raeden, tresoriers, hoofdmannen, en andere notabele van deze stadt, met die van het gezelschap van den witten Beer, resolverende aldaer eenpaerlyck, dat men het forestierschap ofte steeck-spel van den witten Beer (t'anderen tijden by hunne ouders ter gedachtenisse van de oude forestieren van Vlaenderen ingestelt) wederom onderhouden, en met gewoonelijcke pracht vieren zouden; hetwelcke alzoo gedaen wierdt.' Mijn gedachten dwalen weg naar Liederik de eerste forestier van Vlaanderen die tijdens de jaren 600 door de Vlaamse bossen moet gezworven hebben. De volgende editie staat gepland op de zondag van 'Beloken Pasen' van 1418. De organisatie valt dit jaar onder de verantwoordelijkheid van Jan van Milaenen, de forestier van de Witte Beer.

 

Daags voordien zien we hem al actief bezig 'in de Maene op de groote Marckt'. Op zondag komen ze allemaal op de baan. Jan van Milaenen in het gezelschap van Jan Geerewout, Pieter Adornes, Andries van Themseke, Jacques Boonin, Parent Fave, Jan Zwyn de jonge, Willem Geerolf, Jacques Metteneye, Jacques van Milaenen de jonge, Jacques Breydel, Jan van Aertrycke, Jan Hoste de jonge, Jacques van de Walle, en Michel van Deerlicke. Anno 2014 zou het gebeuren ongetwijfeld rechtstreeks op tv komen, al dan niet onderbroken door publiciteitsboodschappen en gevolgd door de commentaren in de krant de volgende morgen.

 

De kronieken van 1418 zijn korter van stof maar tegelijk heerlijk boeiend met hun liederlijke omschrijving van het gebeuren. 'Zy deden aldaer, geheel den na middag geduerende, op hunne peerden zittende, vele vroome daeden van wapenen: zoo dat Pieter Adornes, den spiet gewonnen hebbende, alzoo forestier voor de naeste jaerschaere geworden is: Jacques van Milaenen, de jonge, hadde den hoorne gewonnen, en Jacques vander Stichelen kreeg den beer, waer toe de ordinaire pryzen gestelt waeren.'

 

In 1419 wordt Jan zonder Vrees vermoord. Daar op die brug in het Franse Montereau. Ook in Brugge schrijven ze er over, 'onsen graeve, ter goeder trouwe gekomen zijnde tusschen de stadt en het kasteel wordt aldaer verraederlyck vermoordt'. Zijn zoon Filips de Goede, op dat moment 23 jaar, wordt wat later in Gent gehuldigd als de nieuwe graaf van Vlaanderen en van daar reist hij naar Brugge waar hij naar goede gewoonte de stadsprivileges voor wat hem betreft opnieuw bevestigt. Vlaanderen staat klaar om een nieuwe bladzijde in zijn geschiedenisboek te schrijven.