P1405100

Halle. Op 27 april van het jaar 1404 sterft graaf Filips de Stoutmoedige. De Bourgondische stamvader die we kennen als Filips de Stoute, heeft de leeftijd van 62 bereikt. Een jaar eerder is er een geschil ontstaan tussen de goede lieden van Ieper en Jan van den Kerchove, de baljuw. Voor alle duidelijkheid: we bevinden ons opnieuw in de kronieken van Jan van Dixmude. Van den Kerchove heeft gemorreld aan de privileges van de burgers en houdt zich niet aan zijn eed om te allen prijze de Ieperse wetten te respecteren.

 

De gegoede Ieperse burgers kunnen er absoluut niet mee leven dat de vertegenwoordiger van de graaf een loopje neemt met het allerbelangrijkste dat er voor hen bestaat. Ze hebben de Ieperse voorrechten al eeuwen met hand en tand verdedigd en zullen niet toestaan dat er vanuit grafelijke zijde zal aan geprutst worden. De Ieperse schepenen verklaren dat zij geen orders te ontvangen hebben van Jan van den Kerchove waarop de baljuw gaat klagen bij Margaretha, de dochter van de overleden graaf Lodewijk van Male en de echtgenote van de hertog van Bourgondië. Maar die van Ieper trekken ook al naar Margaretha en krijgen het voor elkaar dat er een nieuwe baljuw wordt aangesteld. De nieuwe sterke man wordt Nicolais Schaeck die trouwens al eerder deze functie heeft bekleed. Schaeck heeft al snel door dat er iets niet klopt in het schepencollege.

 

Hij veinst vriendschap met enkele goede lieden die zetelen in het stadsbestuur en komt daardoor op het spoor van misbruiken in de lakenweverij. Er is gefoefeld met de kwaliteit van het Iepers laken, grote partijen ondermaatse textielproducten zijn versjacherd en nu regent het klachten. De nieuwe baljuw meldt aan mevrouw de gravin dat de drapperie van der steide bedorven is ende de steide daer mede al te nieten ghinc. Het succes van de Ieperse lakenen is na het beleg van Ieper in 1383 steil naar beneden gedonderd en nu komt die malaise er nog bovenop. De schepenen die perfect op de hoogte waren van de misbruiken, worden vervangen door andere goede lieden.

 

Hertogin Margriete zal het allemaal niet meer meemaken. 'Ende bin desen jare in de vastene, den 16e Maerte 1405, so staerf myn vrauwe van Bourgoingen, graefnede van Vlaendren ende licht te Ryssele, by myn heere haren Vader Lodewyc.' De voorbije jaren is van het van kwaad naar erger gegaan met Vlaanderen. De druk van de Engelsen om baas te worden over Vlaanderen en medewerking hierbij van vooral de Gentenaars, hebben grote kosten veroorzaakt voor de graaf en de gravin 'omme tland van Vlaendren neutrael thebbene' in de grote oorlog die Frankrijk en Engeland met elkaar aan het uitvechten zijn.

 

Die tweespalt in Vlaanderen is nog altijd latent aanwezig, maar de goede lieden proberen zich zo goed als mogelijk te schikken naar hun graaf. Hoe dan ook; de oorlog heeft er voor gezorgd dat Vlaanderen nog slechts een schim is van zijn succesvolle verleden. Gravin Margaretha van Male en haar echtgenoot Filips de Stoute laten 9 kinderen na. Bij haar dood komt hun 34-jarige oudste zoon, Jan zonder Vrees aan het bewind in Vlaanderen. De term 'zonder Vrees' dankt bij aan zijn onverschrokken inzet tijdens een kruistocht die hij als jonge twintiger onderneemt.

 

Nieuwe graaf Jan maakt zijn opwachting in Rijsel waar de Vlaamse ridders en hun knapen zich in rijen aanmelden om hem manschap te doen. Zijn moeder heeft hem de voorbije jaren actief betrokken bij haar onderhandelingen met de Vlaamse steden. Hij weet dus hoe ingewikkeld het politieke landschap er bij ligt in Vlaanderen. Ook de figuurlijke mijnenvelden in Frankrijk heeft hij al aan den lijve ondervonden. Na de pompeuze begrafenis van zijn moeder te Rijsel, komt Jan naar Arras. Ondertussen nemen zijn officieren contact op met de Vlaamse onderdanen.

 

De blijde intrede van de nieuwe graaf wordt besproken. Een deel edelen en gezagsdragers van Gent en van andere steden vertikt het om naar Rijsel te reizen. 'De grave quamn jeghen hem te Meenine, dats ten pale van den lande.'

 

De 13de april 1405 komt Jan zonder Vrees inderdaad aan te Menen. Een delegatie van de Raad van Vlaanderen heet hem welkom en biedt hem de rouwgroet aan voor zijn overleden moeder. Dat de Vlamingen de stad Menen kiezen om de nieuwe graaf te ontvangen, is geen toeval. Menen is de laatste stad waar er nog 100% Vlaams gepraat wordt. Zijn voorganger Filips de Stoute wilde Vlaanderen systematisch verfransen. Het is meteen een eerste signaal dat het Vlaams door de graaf zal moeten gerespecteerd worden.

 

Jan zonder Vrees is nu de nieuwe graaf van Vlaanderen. Zijn broer Antoon erft de graafschappen van Limburg en Brabant. Hun schoonbroer Willem komt aan het hoofd in Holland en Henegouwen. Jan probeert net zoals zijn vader de bestuurlijke macht te grijpen over Frankrijk. Met wisselend succes trouwens, want de Armagnacs proberen een stokje tussen de wielen van het Bourgondische machtsbastion te steken.

 

De nieuwe graaf heeft de boodschap begrepen en besluit om naar Gent te trekken waar de Vier Leden van Vlaanderen, Gent, Brugge, Ieper en het Brugse Vrije, hem bij zijn blijde intrede meteen een forse klachtenbundel voorschotelen. Jan zonder Vrees moet eens leren om meer aanwezig te zijn in Vlaanderen. De graaf zou potverdorie in Vlaanderen moeten wonen in plaats van te Nevers. 'De neringen en de koopmanscepen lijden zwaar onder het feit dat myn heere altoos buten lande gheleigen hadde, daer of dat tland groot ghebrec heift ghehadt.' En als de graaf weg moet naar Parijs, dan kan zijn vrouw hem toch vervangen in Vlaanderen?

 

'Ze verzochten hem scerpelike ende eendrachtelike dat myn heere soude remedyeren ende resideren bin sinen lande ende elker steide hare vryheden soude houden.' En wat de Vlamingen al evenzeer willen is dat er opnieuw handel kan gedreven worden met die van Engeland. En wanneer kan Vlaanderen eens bestuurd worden met Vlaamstalige wetten en door een Vlaamstalig bestuur? 'De jurisdictie te doene handelne in Vlaemsche bi den heeren van uwen rade, ende daer u gelieft camer te houdene in Vlaendren binnen der Leyen, in vlaemscher tonghen.' Jan zonder Vrees belooft dat hij voortaan de Vlamingen zal respecteren in hun taal.

 

De Vlamingen kunnen ongetwijfeld hun eigen oren niet geloven. 'Hi vortan sine audiencie doen houden soude in vlaemscher tonghen, ghelyc dat van ouden tiden ghecostumeirt was.' De nieuwe graaf belooft dat hij bij de Franse koning zal lobbyen om een handelsakkoord met de Engelsen er door te krijgen zodat handel en nijverheid weer kunnen heropleven in Vlaanderen. 'Ende hier up worden zy alle wel ghepayt, ende myn heere zwoer grave van Vlaendre ende al de goede lieden van Ghent ende al tghemeene zwoeren hem daer na trauwe ende obedientie ende was daer ghedaen groote feeste ende rykelike gheghift.' Als teken van goodwill zal hij vanaf 1 augustus de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtsorgaan van het land, verhuizen van Rijsel naar Oudenaarde.

 

Het ziet er naar uit dat de Vlamingen eens een graaf zullen hebben die hen zal respecteren. Van Gent gaat hij naar Brugge waar zich hetzelfde scenario afspeelt. De stad wordt bevestigd in al zijn vrijheden. Rond die tijd wordt Brugge bestuurd door Jan Ovin, Jan Camphin, Nicolas Barbezaen en Joris Braderic. De rijke burgers aan de macht vallen erg in de smaak van kroniekschrijver Olivier van Dixmude. Het zijn volgens hem de meeste wijze en subtiele mensen, lieden die men zelden ontmoet. 'Ze regierden de steide van Brugghe so wel dat de steide zeere verbeiterde ende hilden Brugghe zeere wel in payse, maer tghemeene hadden hare banieren ende hare deikenen also zy plaghden thebben.'

 

Het viertal krijgt af te rekenen met een ongenadige oppositie van de ambachten en het werkvolk onder leiding van Lambrecht de Scuetelaere. Op 30 april van het jaar 1405 staat Jan zonder Vrees in Ieper en worden ook hier alle hare vryheden, wetten, costumen ende usagen bevestigd. We mogen niet vergeten dat het Engelse leger zich nog steeds op Franse bodem bevindt en dat de troepenbewegingen rond Calais en St.-Omer vervaarlijke proporties beginnen aan te nemen. En het mooie weer laat opnieuw oorlog toe. De graaf van Vlaanderen maakt van zijn aanwezigheid in Ieper gebruik om samen met Valerand, de hertog van Saint-Pol, een aanval uit te voeren op een Engels regiment ter hoogte van Marck bij Calais.

 

500 ruiters, evenveel boogschutters en 1000 Vlaamse geniesoldaten, 'sappeurs', klaren de klus en zorgen er voor dat de Engelsen in Marck het onderspit moeten delven. De Engelsen hebben natuurlijk nog altijd een flinke poot aan de grond in de havenstad Calais die ze al decennia lang als hun eigen grondgebied bezetten. Ze beantwoorden de vijandelijkheden van Valerand met een massale uitbraak vanuit Calais waar de graaf van Saint-Pol zich van zijn kleinste zijde laat zien. 'Toen de grave van Saintpol de vyanden sach zoo vloo hy scandelike wech, ende liet die goede ruddren ende cnapen daer.' Ondanks een numerieke meerderheid laat hij zijn troepen stikken waardoor een pak ridders en knapen worden gedood of gevangen worden genomen.

 

Een aanzienlijke Engelse vloot met de prins van Wales ligt voor de haven van Sluis. Een peloton Engelsen weet zich met een handigheidje, zeg maar vrijgeleidebrieven, aan wal te hijsen in Vlaanderen. Sluis wordt verwoest. De weg naar Brugge ligt open. De zoon van de koning claimt nog altijd de troon in Vlaanderen en onderneemt verwoede pogingen om die van Brugge opnieuw aan zijn zijde te krijgen, maar die van Brugge zijn meer bezorgd om de integriteit van hun stedelijke vrijheden en geven niet thuis.

 

Maar de druk op de stad houdt aan. Hertog Jan, graaf van Vlaanderen, bevindt zich op dat moment nog altijd in Ieper. Het nieuws uit Brugge baart hem zorgen. Hij begeeft zich met een groep ruiters naar Brugge, maar de vorst is niet voorzien op zoveel Engelsen daar rond Brugge. Hij keert onverrichterzake terug naar Ieper. Dag en nacht lang probeert hij hulp uit Frankrijk te krijgen. Het zijn vergeefse pogingen. 'Uiteindelijk bad hy der steide van Ypre omme hulpe ende troost, ende omme een ghedeel lieden van wapenen, omme met hem te Brugghe waert te varene.' De schepenen kijken wat ze kunnen doen en sturen uiteindelijk 20 poorters mee met de graaf.

 

De mannen begeven zich dadelijk richting Brugge maar nog voor ze in Torhout arriveren, horen ze dat de Engelsen druk in de weer zijn om zich meester te maken van het Brugse Vrije. Jan zonder Vrees richt zich in allerijl tot die van Gent en Brugge. Hij heeft meer hulp nodig. Het gezelschap spoedt zich naar Brugge waar de mensen met een klein hartje de gebeurtenissen afwachten. Hij roept de burgemeester en de schepenen van Brugge op om volk op te trommelen en zich in de buitengebieden rond de stad tegen de vijand te verweren.

 

Maar de Bruggelingen aarzelen. Brugge achterlaten en dan zo maar onbewaakt op een presenteerblaadje aanbieden aan de Engelsen? Brugge weigert. Ze moeten hier blijven en nergens anders naar toe trekken. Er zijn nogal wat Duitse kooplieden in Brugge aanwezig en die reppen zich naar de haven van Sluis om zich op hun schepen in veiligheid te brengen.

 

In diezelfde haven liggen trouwens drie Vlaamse karvelen vol met gewapende mannen en schutters aangemeerd. In Male zien we de graaf met zijn bescheiden groepje Ieperlingen. Op zijn hulp moeten de Bruggelingen niet rekenen. Een menigte van het Brugse Vrije spoedt zich naar de stad en smeekt de stedelingen om hulp, 'maer die van Brugghe ne wilder niet inlaten.' De volgende morgen komt een voorpost van vernielzuchtige Engelsen aan wal 'ende trocken ter Mude (Sint-Anna-ter-Muiden) ende toten Houcke. Maer daer quamen eene quantiteit Vlaminghen ende wederstoetse daer ende sloeghen drie of viere doot.'

 

Er ontstaat een gevecht in regel 'twelke zeere scoone was te siene, ende men scermutsere ende scoot van beeden zyden.' Rond de middag worden de Engelsen achteruit gedreven tot aan de haven van Sluis waar plots de Duitse kooplieden een handje helpen en samen met de bemanningen van de karvelen de Engelsen in de tang nemen. Op 22 mei 1405 ontstaat er een gevecht in regel om het kasteel van Sluis in te nemen, en uiteindelijk moeten de Engelsen wijken. De averij die hun schepen hebben opgelopen, is aanzienlijk en verplicht het gros van de Engelse strijdkrachten om het zeegat te verlaten en aan land te komen. De invasie van het Brugse zal via een grondoffensief moeten gebeuren. En eindelijk komt er nu beweging bij de mensen van Gent.

 

Uit de kasselrij komt nu een troepenmacht van 8.000 man opzetten. Aan het hoofd van de Gentenaars staan Jan Danckaert van Ogierlande en Arnold Degrave. Ze posteren zich in Aardenburg en die van 'Ypre met eenen scoonen hoope quamen legghen tOudenbuerch, ende daer so quamen veile lieden van wapene, ende tlant vergaderde alomme, ende myn heere die voer sien tHerdenbuerch twelke een scoone volc was te siene, ende myne bedanketse ende deide maken alle ghereedscaepe omme dingelschen te vechten.'

 

In plaats van de gebruikelijke versterking te krijgen van de Gentenaars, stellen de Engelsen tot hun verbijstering vast dat die blijkbaar de kant hebben gekozen van de graaf van Vlaanderen. Het is een verrassing die kan tellen. In deze toestand kunnen ze onmogelijk vechten. Na enkele dagen trekken ze zich terug richting 'kust in hare sceipen ende trocker weider ter zee waert in.' Het is geweten dat de graaf bijzonder ontstemd is over het gebrek aan hulp vanuit Brugge. Wat bezielt de Bruggelingen om hun graaf niet te willen helpen?

 

Echt verstandig is dat natuurlijk niet. 'Une sourde rancune naquit dans le coeur de Jean sans Peur' schrijft de auteur Paul Colin in zijn boek 'Les Ducs de Bourgogne', een boek dat ons begeleidt door het leven van Jan zonder Vrees. Maar de hertog is een echte diplomaat. Hij zal zijn gram wel halen, maar nu besluit hij om zich in stilzwijgen te hullen. Hij zwaait met complimentjes naar die van Gent en Ieper en geeft hen de toestemming om naar huis terug te keren. 'Myn heere' reist nu naar Oudenaarde waar hij de Raad van Vlaanderen de opdracht geeft om het bestuur over Vlaanderen in goede banen te leiden en vandaar trekt hij nu te Vrankerike waert.

 

Het platteland en de steden van Vlaanderen verarmen met de dag, vertelt de Ieperse kroniekschrijver. De aanhoudende onrust in Vlaanderen zorgt er voor dat de koopvaardijschepen andere horizonten opzoeken. Een zware slag voor de economie en de nijverheid. Het gaat van kwaad naar erger. De grote Vlaamse steden hebben hun vrijheden terug en de rijke burgerij beschikt weer over haar privileges. En wat hebben de mensen op den buiten en in de kleine steden en gehuchten? Honger en armoede zorgen voor een toenemende radeloosheid en vooral immense mistevredenheid over de gang van zaken. De wetten zijn allemaal geschreven voor en door de grote heren. En wat hebben zij?

 

Velen zoeken hun soelaas bij de Raad van Vlaanderen in Oudenaarde. Het regent er klachten dat de steden hun wil willen opleggen aan die van de buitengebieden. Het gerechtshof spreekt zich trouwens van langs om meer uit in het voordeel van de kleine steden. Een extra frustratie voor de grote steden. De bevolking van de Westhoek en van de zeekant, wordt tot overmaat van ramp geplaagd door voortdurende speldenprikken vanuit zee waar Engelse roversbenden te pas en te onpas grote malheuren aanrichten. Wat de mensen natuurlijk niet weten is dat die speldenprikken er niet zomaar komen, maar in werkelijkheid deel uitmaken van een verdeel en heers strategie van het Engelse hof.

 

Waar blijven de grafelijke soldaten om hun dijken te beschermen? De Vlamingen vragen het zich in hun onwetendheid af. Maar de kamer van Oudenaarde blijft stoïcijns bij de massa klachten. En waar blijft de beloofde rechtspraak in het Vlaams? De unie van de Vlaamse steden wankelt. Ook Gent voelt zich in de steek gelaten door de gemeenschappelijke raad die de graaf heeft ingesteld. Het gemis aan Engelse kooplieden weegt zwaar op hun welstand. De neringen willen koopmansschepen en die dagen niet op. De tweespalt 'voor of tegen de Engelsen' hangt als een zwaard van Damocles boven de stad. Dissidentie loert om de hoek.

 

De meningen worden van langs om meer verdeeld. Waar blijven trouwens die beloofde Franse handelsschepen met textiel en graan en voeding? De onrust escaleert en noopt de graaf om terug te keren. Het is en blijft altijd iets met het graafschap Vlaanderen! 'Als myn heere dit verhoorde, ende hy mochte, soo quam hy tOudenaerde, daer so quam al tgemeene land ende daer so hadde twoord een hiet Jacob Sneevoet, een backere, die zeere wel tser tale was, over hemlieden alle, daer so gaf hy scerpelike te kennen de ghebreiken die tland alomme hadde, ende specialike up tfait van den coopmanscepe.'

 

'Twelke hy belooft hadde vreide te maken ende residencie bin zinen landen te houdene, ende vele andere pointen die hy hemlieden belooft hadde, twelke al contrarie was ghedaen, by den welken tland uut ghinc ghelyc eene kersse.' Wat de leider van de Gentse bakkersgilde vertelt, vat de situatie perfect samen. Er is veel beloofd. Maar er komt niets van in huis. De koopmansschepen blijven weg. De plaats van de graaf is in Vlaanderen en niet in Frankrijk.

 

Hier moet hij orde op zaken stellen. Door zijn schuld dooft Vlaanderen uit als een kaars. Sneevoet geeft de graaf zijn ongezouten mening. De inwoners van Gent willen niet op die manier bestuurd worden. De Raad van Vlaanderen moet veel alerter handelen en moet trouwens uitgebreid worden. En als de graaf wat doet om de economie weer tot leven te brengen, dan pas zullen de Gentenaars goede lieden zijn die hun graaf altijd zullen respecteren. De vroegere graven zouden dergelijke uithaal van burgers zeker niet hebben getolereerd. Maar de nieuwe is een diplomaat en laat het achterste van zijn tong niet zien. De vier heren van de raad proberen te begrijpen wat hij verklaart.

 

'Hij sprak met groote subtylhiden ende ghebondene woorden, by den welken eenighe dochten dat al goet zyn zoude, ende andre dochten contrarie.' Politiek is een kunst die Jan zonder Vrees bijzonder goed meester is. Spreken zonder iets te zeggen, daar draait het om. En ondertussen wordt er tijd gewonnen. De vier leden van de Raad van Vlaanderen vertrekken samen met hun graaf naar Parijs. In augustus van het jaar 1405 komt er beweging in de zaken. Er wordt een commissie opgesteld om te onderhandelen over een handelsakkoord tussen Vlaanderen en Engeland.

 

De Fransen zijn nog altijd in oorlog met de Engelsen, dus staat het buiten kijf dat de graaf met dergelijk initiatief een risico neemt. Vooral nu het in Frankrijk absoluut helemaal geen koek en ei is. Koning Karel heeft niet zo maar de bijnaam 'de zot'. Sinds hij in 1392 tekenen van krankzinnigheid heeft vertoond, heeft zijn familie eerder sluiks de macht overgenomen en is het in feite zijn jongere broer Lodewijk van Orleans die bestuurt over Frankrijk. Koning Karel mag dan wel gek zijn, maar in 1405 heeft hij al 11 kinderen verwekt. Vijf zonen en zes dochters. Er zal trouwens nog een zoon volgen in 1407.

 

Eén van die zonen, Lodewijk de hertog van Guyenne, is de echtgenoot van het dochtertje van Jan zonder Vrees. De graaf van Vlaanderen en hertog van Bourgondië, is dus de schoonvader van de zoon van de Franse koning en dat brengt hem natuurlijk op het voorplan voor wat betreft de opvolging van het Franse koningshuis. Een pikant detail is dat dochter Margaretha van Bourgondië op 12-jarige leeftijd al degelijk getrouwd is met de 8-jarige koningszoon. Bij zijn terugkeer in Parijs, heeft Lodewijk van Orleans het aangedurfd om Margaretha te ontvoeren uit Parijs en haar weg te voeren naar zijn kasteel in Orleans. Dat is niet naar de zin van zijn neef Jan zonder Vrees die zich met een gewapende militie ter plekke begeeft en er in slaagt om het meisje te bevrijden en terug te brengen naar Parijs, 'omme twelke volc al binder stede blyde was.'

 

Van de broer van de koning moeten ze in Parijs niet echt weten. Zijn hofhouding is decadent en spilziek in deze tijden van oorlog. De belastingen zijn ondraaglijk en welke successen kan Lodewijk eigenlijk voorleggen tegen die van Engeland? Wat een verschil met die verfijnde graaf van Bourgondië. De bitse vijandschap tussen de clans komt door deze schermutselingen allengs meer en meer aan de oppervlakte en Jan zonder Vrees spint natuurlijk garen met de aversie van de Parijzenaars tegen die van Orleans.

 

De machtstrijd in Frankrijk zorgt er wel voor dat de graaf grotendeels afwezig blijft in Vlaanderen. De onrust is niet veraf. 'In desen tyden zo stond tland in grooter onrusten zoo lanc zo harder ende worden de castellerien jeghen de steiden schillende.' De bevolking van de buitengebieden pikt de dictatuur van de goede steden van Vlaanderen niet langer en diezelfde steden zouden elkaar de nek afbijten, moesten ze de mogelijkheid krijgen.

 

Tussen Brugge en het Brugse Vrije zit het er bovenarms op en nu zo waren 'ooc die van Ypre in grooten ghescille tjeghen der castellerie van Ypre, want de castellerie die pinde haer altoos omme der steide te verminderne hare wetten ende hare vryheden ende also met seide zo warer ooc tYpre van den uppersten die meest al stillekin waren metten castelrie, ende dit was aldus al Vlaendre duere, de castelrien jeghen de steiden.' Het stadsbestuur blijft zijn stedelijke wetten handhaven over de volledige kasselrij van Ieper en dat wordt van langs om minder geaccepteerd door de bevolking van de buitengebieden.

 

Een van de sterke figuren in de kasselrij is een zekere Jan van Medem. De familienaam Medem is nauw verbonden met de rijke burgerij van Ieper in de 14de eeuw. Andries, de vader van Jan, was trouwens nog schepen in de stad ten tijde van het beleg van Ieper, in 1383 en later nog in 1384 en in 1386. Jan van Medem heeft het geschopt tot leider van de raad van de Ieperse kasselrij en staat bekend als een 'uutnemende scalc ende subtyl man.' Maar nu hebben de schepenen van Ieper het aangedurfd om Jan van Medem voor zes jaar te verbannen en met hem worden nog vijf andere personen enkele jaren weggestuurd uit de streek.

 

'Omme dat zy bevonden waren dat zy tjeghen de wetten ende der vryheit van der steide ghedaen hadden.' Maar die verbanning breekt de goede lieden van Ieper zuur op. Van Medem heeft een pak vrienden en relaties in 'myns heeren rade' die de zaak te berde brengen bij de Raad van Vlaanderen te Oudenaarde.

 

Jan van Medem pleit er voor dat Ieper niet langer heer en meester mag spelen over haar buitengebieden en zich moet beperken binnen haar eigen stadsmuren. De graaf adviseert de raad om zeker niet te raken aan de voorrechten van die van Ieper en er wordt weer gepaaid en gefleemd tot dat de meesten hier in 'ghepayt waren, maar corts hier na so gheviel weider dat de castelrie ende officyers begonden der steide weider an te gaen omme hare vryheide te breikene.' Maar de oppositie van de buitengebieden houdt aan.

 

In zover zelfs dat de graaf zijn Raad van Vlaanderen voorzichtig aan het kneden is om toch een proces te beginnen tegen die van Ieper en vooral de scherpe kantjes van de Ieperse dictatuur er af te halen. Maar de stad wilde 'bliven up tgund dat zy eendrachtelike ghesloten hadden.' Ook baljuw Gherbode speelt het spel mee met het stadsbestuur. Gherbode, die de grafelijke macht van de graaf in de stad vertegenwoordigt, speelt in realiteit een hoogst bedenkelijke rol. Sinds 26 september 1404 is Pieter Gherbode inderdaad aangesteld als nieuwe baljuw. De functionaris is een afstammeling van een rijke Ieperse familie en het is bekend dat een van zijn voorvaderen, Eloi Gherbode, nog schepen is geweest in het jaar 1278. Eén pot nat dus.

 

En zo omschrijft de kroniekschrijver het ook. 'Pieter Gherbode deide vele aercheiden in dit stie.' Met de wetenschap in het achterhoofd dat de term archi-slecht, dus 'zeer slecht', afstamt van die oude Vlaamse term 'aercheid', komen we dus te weten dat de Ieperse baljuw voor Olivier van Dixmude gewoonweg een gewetenloze smeerlap is die de mensen uit de buitengebieden opzet tegen de stedelingen. Hij bekijkt Gherbode natuurlijk door de bril van de Ieperse schepenen. De nieuwe baljuw stookt ruzie en zorgt voor verdeeldheid. Voor de mensen van den buiten is dat prima, maar zijn attitude betekent een complete ramp voor het stadsbestuur.

 

Hij 'drouch altoos de castelrie jeghen de steide ende dede dusstaene dinghen zo waert dese goede steide, die so ryke en so moghende ghesyn hadde hier voormaels, aldus van jare te jare te nieten te gane.' Het enige waar het in die tijd om gaat is macht, 'omme tregement te hebbene'. Ooit werd Ieper omschreven als de goede 'stede' die het zich kon permitteren om op te staan tegen Parijs. In 1405 is er vooral nijd, armoede en verdeeldheid. In oktober 1405 bevindt graaf Jan zonder Vrees zich in St.-Omer waar hij druk bezig is met het samenstelling van een leger in opdracht van de Franse koning.

 

Nog voor de winter invalt, wordt er hard gewerkt aan de constructie van een fort in de nabijheid van Calais dat sinds 1347 door een massa zwaarbewapende Engelse soldaten wordt bezet. De troepenmacht van de graaf is 8.000 soldaten sterk en daar zijn zelfs de boogschutters niet bij gerekend. Eigenlijk is het gek wat Jan zonder Vrees van plan is, want wie voert er nu oorlog in wintertijd? Het gekonkelfoes om de macht zorgt er voor dat de hertog van Orleans opgezocht wordt om een stokje te steken voor de plannen van de graaf, die niet zijn beste vriend is. 'Eenige droughent toe den Hertoge van Orlyens omme mynen heere aldus te bedervene, want het ne was gheen saisoen omme dat te doen.'

 

Lodewijk van Orleans profiteert van de afwezigheid van Jan zonder Vrees en trekt naar St.-Omer waar hij de soldaten de opdracht geeft zich te ontwapenen en naar huis te trekken. Die campagne tegen de Engelsen in Calais is nergens voor nodig. 'Doe soo schieden de lieden van wapenen sonder eenich assaut of eenighe riese up dIngelschen te doene, maer dIngelschen die quaemen up die nacht als there begonste sceeden ende leiden alle de sloten van den Vransschen ende quamen toter poorte van Sint-Omaers ende sloughen de lieden doot die zy vonden, ende de Fransoises die binnen waren trocken niet uute omme de donkerheit van den nacht, ende de Ingelschen trocker weider te Calais in sonder weiderstoot ende bornen (roofden) dat zy vonden ende vinghent ende brochtent al vry te Calais.'

 

De perikelen van Jan zonder Vrees verplichten de graaf om afwezig te blijven uit het graafschap van Vlaanderen. Oorlog voeren kost natuurlijk handenvol geld en Parijs weet naar gewoonte de weg naar Vlaanderen goed te vinden als het er op aankomt om taksen op te leggen. 'Men begonste de lieden in Vlaenderen taxeren.' Het regent klachten bij de Raad van Vlaanderen die weinig anders kan dan het groeiend ongenoegen van de bevolking te signaleren bij de graaf. 'Maer daer ne was gheene remedie of ghedaen.' Het gepeupel van Gent begint zich te roeren. Op kerstnacht 1406 breken rellen uit op de Vrijdagmarkt.

 

De aanstoker is Pieter Schoonaert. De nachtelijke samenscholing wordt bijzonder hardhandig aangepakt door de heren van de wet en de goede lieden van Gent. De oproerkraaiers worden opgepakt en in de gevangenis gestopt waar ze hun straf zullen ondergaan. Die van Gent hebben een hele tijd aan het zelfde zeel getrokken maar de brutaliteit van de eigen goede lieden tegenover het gemeen komt over als een schok. De eendracht is ver te zoeken bij de Gentenaars. En het nieuws dat Jacob Sneevoet, de man waar het volk zo naar op keek, de zijde van de graaf heeft gekozen, komt als een mokerslag aan bij de arbeidersklasse en de lokale ambachtslieden.

 

Ook in Ieper rammelt het aan alle kanten. We bevinden ons op één week van de vernieuwing van de heren van de wet. De schepenen en de voogd. Ondanks de grote druk vanuit de kasselrij om iets te doen aan de stringente wetgeving die Ieper toelaat om heer en meester te spelen over haar buitengebieden, is er op één jaar tijd niets, maar dan ook niets veranderd.

 

Nicasius de Reuse is, op één week van de herverkiezingen, de burgemeester van de stad. Hij vindt de situatie welletjes en gaat de confrontatie aan met zijn baljuw Pieter Gherbode. Hij gaat zich rechtstreeks inmengen in de rechtbank, bij uitstek het territorium van Gherbode. Waarom zijn al die straffen niet uitgesproken tegen diegenen die inbreuken hebben gepleegd op de stedelijke wetgeving? 'Men hadde niet ghedaen correctie up de ghone die jeighen de vryheit van der steide ghedaen hadden.' Burgemeester de Reuse gaat zelf voor rechter en aanklager spelen om alsnog gerechtigheid te forceren.

 

Nu gaat de voogd 'zelve deise lieden ter vierscare indaghen van rove, also hy seide, ende hadden daeromme haer lyf verbuert, of zulke punicie als scepenen wysen zouden, ende hier omme zo was de bailliu gram op deisen vooghd.' Natuurlijk is baljuw Gherbode uitzinnig van woede om de actie van het Ieperse schepencollege. De voogd en de schepenen hebben onaanvaardbare inbreuken gepleegd op hun eigen stedelijke wetgeving.

 

Maar de meeste rijke burgers van de stad kunnen zich vinden in de acties van hun voogd. Wetten zijn er om gerespecteerd te worden. Waarom heeft de baljuw zo getalmd? Pieter Gherbode bevindt zich in een hoogst ongemakkelijke positie. De wetgeving is voor hem niet meer dan een vod papier gebleken. Ieper zit in een knoop en moet een manier vinden om die te ontwarren. De Ieperlingen worden opgetrommeld om zich naar de Grote Markt te begeven.

 

'Hy ne deide meest al tcommun vergaderen up de dhalle, ende daer so was eendrachtelic ghesloten dat men soude maken twee brieven daer in so zoude staen al de wetten, vryheden ende costumen ende usagen van de stede van Ypre.' Het gaat er sinds lang weer eens democratisch aan toe in Ieper. Nieuwe wetten en nieuwe reglementen waar de mensen zelf hebben kunnen aan meewerken. De mensen zweren dat ze de nieuwe wetten voor eeuwig zullen respecteren en dat iedereen die zich niet houdt aan de afspraken zal worden gestraft en verbannen zal worden 'uuten lande van Vlaendren, ende zo wie in de wet of buiten wet poorter van der steide ware.'

 

Dat laatste is een flinke vingerwijzing naar diegenen die in het stadsbestuur zetelen, want ook zij zullen gestraft worden als ze de wet overtreden. De nieuwe stedelijke raad zal voortaan uit 27 leden bestaan die zelf de keuze zullen maken wie voogd en schepenen zal worden in de stad. Alle neringen en de belangrijkste notabelen kunnen allemaal hun mannetjes aanduiden die zullen zetelen in de raad van 27. Het akkoord wordt bezegeld met de grote stadszegel en met de zegels van de ambachten en neringen.

 

Het akkoord is natuurlijk een stedelijk akkoord, waar de graaf geen inspraak in heeft gehad. En dat is niet naar de zin van baljuw Gherbode die hier natuurlijk functioneert als grafelijke vertegenwoordiger. 'De baillieu was zeere hier tjeghen ender zeider veile toe, maer het was aldus ghedaen ende was ooc ghesloten by eere vryheden die de clerken voortbrochten.' Maar het kwaad is geschied. Alleen de Raad van Vlaanderen kan dit nu nog ongedaan maken. Jan zonder Vrees komt er zich mee bemoeien. Hij heeft al sinds zijn aantreden zo zijn bedenkingen over de autonomie die de grootste steden van Vlaanderen opeisen.

 

Hij heeft al lang zijn bekomst van de eeuwige geschillen en twistpunten die heersen tussen de Vlaamse steden onderling en met de plattelandsdistricten. Meer en meer is hij overtuigd dat de Raad van Vlaanderen de rol van wetgever moet overnemen van de steden. Maar dat zullen Brugge, Gent en Ieper natuurlijk niet zo maar laten gebeuren. Het twistpunt in Ieper biedt natuurlijk een perfect excuus om eens aan de boom te schudden en de Ieperlingen er van bewust te maken dat Vlaanderen en hijzelf niet zomaar buitenspel kunnen gezet worden. Het staat ook zo geschreven in de kronieken van Olivier van Dixmude: 'myn heere was gram up de goede lieden van der steide omme dit bezeighelen ende hy zende zine commissarissen tYpre omme de wet te vermakene.'

 

Hij krijgt daarbij de steun van de uittredende burgemeester Nicasius de Reuse die door de Ieperlingen opzij werd gezet. De voornaamste struikelblok blijft de manier hoe de schepenen zullen worden verkozen. Er moet een manier gevonden worden waarbij de ambachten op een democratische manier kunnen vertegenwoordigd worden in het stadsbestuur. De graaf komt uiteindelijk met een compromis op de proppen. Elke uittredende schepen zal de naam van een lakenwever op papier zetten. Het kunnen niet zo maar de eerste de beste drapiers zijn, want ze dienen 'perchenaer' te zijn. Dat betekent concreet dat ze de autoriteit moeten hebben om lakens te persen want met dit procédé staat of valt de kwaliteit en de eindafwerking van het Ieperse textiel.

 

'Item elc sceipen coos eenen drapier die hem dochte dat werd was van percenare te sine ende deise waren al ghescreiven elcx name in brievekin ende waren ghewoorpen in eenen hoed ende aldus gheloot, ende welke zesse die eerst uut quamen, die waren ghedaen zweren perchenaers te zine ende dit was ghedaen al spade eer sceipenen van de halle quamen, ende deise bleiven dat jaer duere percenaers.' Voor de graaf is de kwestie nu opgelost, maar blijkbaar lusten de Ieperlingen er geen pap van. 'Nu voort an zo begon de nyt alomme ende elc die best mochten pynden andere te derne.' De strijd om de schepenpostjes heeft een bedenkelijk en ordinair allooi bereikt. Valt het dan ook te verwonderen dat Ieper al lang niet meer de goede stad is die ze ooit claimde te zijn?

 

In Brugge is het al niet veel beter. Ook hier is er sprake van grote nijd. De clan van de wethouders Jan Ovin en Jan Camphin is voortdurend in conflict met de kliek van Lambrecht de Scuetelare en de zijnen. De macht in Brugge, daar gaat het om. De graaf komt in de sporkelmaand, in februari 1407, nog eens naar Vlaanderen waar hij Gent aandoet.

 

'Hy zach dat Vlaendren aldus stoet alomme in ghescille.' In Gent is het trouwens ook al niet beter. De schepen Jacob Sneevoet probeert als vertegenwoordiger van het stadsbestuur aan zijn hertog uit te leggen dat de Gentenaars niets liever zouden willen 'dat myn heere ende myn vrauwe altoos hare residencie houden zullen in de steide van Ghent, ende haere kinderen, ende de camer van myn heere daer ghehouden zoude zyn, ende dat myn heere by hemlieden gherne berechten zoude, ende elker steide houden haerlieder vryheden.' Sneevoet bindt de kat de bel aan. Gent vindt het niet kunnen dat het vanuit Oudenaarde bestuurd wordt.

 

Graaf Jan zonder Vrees laat het bestuur over aan de Raad van Vlaanderen die zijn belangen vanuit Oudenaarde behartigt. Gent staat niet alleen met die verzuchting. Brugge en Ieper worstelen al evenzeer met dat nieuwe bestuursniveau dat ongevraagd en beetje bij beetje de lakens aan het uitdelen is. Tot zelfs binnen hun eigen stadsmuren. Het is opnieuw opvallend hoe rustig de graaf blijft bij de subtiele kritiek die Sneevoet uit op zijn bestuur. Hij begrijpt dat Jacob Sneevoet onder immense druk staat van de goede lieden van Gent.

 

Na een tijd trekt Jan zonder Vrees naar Brugge, de haard van het verzet tegen de graven van Bourgondië over Vlaanderen. De graaf zou een einde willen maken aan het geschil tussen Brugge en het Brugse Vrije. Hij zoekt zijn sympathisanten, de gewezen machtshebbers Jan Ovin, Jan Camphin en Clais Barbesaen op en smeekt hen alles in het werk te stellen dat Brugge wilde 'te hemwaert' blijven. Wat hij te horen krijgt is verre van aangenaam. Zowel het gemeen als de notabelen stellen zich op tegen Jan zonder Vrees en zijn Oudenaardse raad.

 

Het gaat van kwaad naar erger. Tijdens een conferentie met die van Brugge verwijt de graaf de Bruggelingen dat ze hem in de steek hebben gelaten als de Engelsen enkele jaren geleden in Sluis stonden. 'Myn heere was zeere gram up de upperste' van Brugge en vertrekt zwaar gefrustreerd terug naar Gent. De hele discussie tussen Brugge en het Vrije zal nu worden verder gezet in aanwezigheid van de Raad van Vlaanderen en vertegenwoordigers van Gent en Ieper. Maar de Bruggelingen weigeren elk mogelijk oordeel te ondergaan en sturen hun kat. En ondertussen flemen de vertegenwoordigers van het Brugse Vrije dat 'zy gherne houden zouden tghond dat hy ghewyst heeft.'

 

Tijdens de bijeenkomst in Gent, komt ook de ongevraagde wetsverandering ter sprake die de Ieperlingen zonder zijn medeweten hebben gearrangeerd. 'Mynheere was ooc zeere gram up de goede lieden van Ypre, omme den brief die beseighelt was ende liet hemlieden weiten dat zy den brief te nienten daden of soude hemlieden berauwen.' De Ieperlingen weten zich moeilijk raad met hun houding. Ze wilden de graaf goed informeren over wat er met de baljuw was overeengekomen en hebben dat met deze ook gedaan.

 

Vertegenwoordigers van Gent en Ieper besluiten om eens te gaan praten met hun Brugse collega's. Wat de graaf beslist heeft i.v.m. het geschil met die van het Vrije is toch zo slecht niet? Waar gaan ze in Vlaanderen eigenlijk naartoe als de rechtspraak niet meer wordt gerespecteerd? Gent en Ieper proberen Brugge weer in het gelid te krijgen, maar ze krijgen de bal terug gekaatst.

 

De stedelijke voorrechten worden keer op keer aan banden gelegd door de raad en de graaf. Er zijn zo veel beloftes gedaan bij het aantreden van de hertog. Het is doodnormaal dat Brugge ageert en zelfs eigenaardig dat Ieper en Gent Jan zonder Vrees als schoothondjes achterna lopen. Als het gaat om de vrijwaring van de stadsrechten, zal Brugge natuurlijk aan de zijde blijven staan van Gent en Ieper. In Brugge zelf zijn de meningen natuurlijk ook verdeeld. Een groot deel van de burgerij blijft natuurlijk voorzichtig aan de zijde van de graaf staan. De weerstand van de stad tegen de Vlaamse Raad en de graaf is ronduit gevaarlijk! Er volgt een vergadering waarbij Lambrecht de Scuetelaere de baljuw en de ambachten uitnodigt.

 

En nu komt er wel schot in de zaak. Ze zijn tot het besef gekomen dat ze op vele vlakken bedrogen werden door de schepenen Jan Ovin en Jan Camphin. Ze komen overeen dat de ambachten hun aangeslagen banieren terug mogen hebben en dat de dekens en de hoofdmannen als vanouds hun rol mogen spelen in het stadsbestuur. 'Ende men soude kiesen twee personen uut elke neringhe, ende die souden varen te Ghent an mynen heere metgader den schoutheeden ende eenighe van de wet, ende dat so souden zy myn heere bidden oodmoedelike ende hem assenteren dat zy tvonnesse houden zouden gherne, ende dit was aldus ghedaen.' In Gent porren ze de graaf aan om eveneens orde op zaken te stellen in Ieper. Blijkbaar doet hij dat met tegenzin. De kronieken geven het aan: 'hy had in sine gramschap daer ghecommen het hadder wonderlike ghevaren met zomighe goeden lieden, also met seinde.'

 

Er wacht hem een aangename verrassing in Deinze, eentje die het grafelijk humeur doet opklaren. Een hele delegatie van Brugge meldt zich aan. So quamen die van Brugghe met grooter menichte tjeghen hem ende vielen hem daer te voete. Er zijn wel degelijk schepenen, heren van de wet meegekomen naar Deinze. Lambrecht de Scuetelaere natuurlijk. De Bruggelingen proberen zich in alle mogelijke bochten te wringen om hun gedrag van de voorbije jaren goed te praten.

 

Het gemeen heeft zich laten ompraten door opstokers en dat vinden ze spijtig. Maar Jan zonder Vrees herhaalt nog maar eens dat het gebrek aan Brugse hulp bij de bezetting van Sluis nog altijd zwaar op zijn maag ligt. Er volgen een reeks van al dan niet terechte beschuldigingen aan het adres van Ovin en Camphin. Wat wil je? De klieken in Brugge kunnen elkaar niet zien of luchten. Hier in Deinze krijgt de aanhang van de Scuetelaere een uitnemende kans om de macht te grijpen in Brugge en de vijand in diskrediet te brengen.

 

De details van de beschuldigingen zijn niet bekend, maar hoe dan ook, 'myn heere reet grammelike ende haestelike te Brugghe als als hy in Brugghe quam so zach men wel dat myn heere vergramt was.' De graaf arriveert in Brugge op 23 mei van het jaar 1407. We gaan verder in het oude Vlaams. 'Myn heere reedt haestelike voor de halle ende ghinc zelve boven ter veinstre, ende hilt de roede zelve in de hand en deide de clocke slaen, ende al tvolc quam ter maerct.'

 

Graaf Jan leest een brief voor. Hij beschuldigt de wethouders Jan Ovin, Jan Camphin, Clais Barbezaen, Zegher van den Walle, Gerard van Sint-Omaers en Victor van Lisseweghe van financieel gesjoemel. En 'hy deide dese zes personen uutsegghen van mueten uut alle zinen landen ende syvants hem ende slants van Vlaendre.' De zes worden uit het land gezet, een middeleeuwse gewoonte waarbij gestraften een tijd uit de samenleving moeten verdwijnen. En dan knielt de aanstoker, Lambrecht de Scuetelaere voor zijn heer.

 

De voorbije jaren is het er bits aan toegegaan in de stad. Veel diefstallen en brandstichtingen. De verbannen wethouders hadden veel magen, vertelt Olivier van Dixmude. Velen hebben mee geprofiteerd en hebben Brugge in een staat van anarchie en wetteloosheid gebracht. 'En niement diere tot vandaghe toe dorste zegghen.' De tijd is nu gekomen om al die kwaaddoenders en aanstokers op te pakken. 'Up die tyt als dit aldus ghedaen was so ghinc men dese lieden al de steide dore zouken omme te vanghene.' De graaf heeft een lijstje met de namen van de goede lieden bij zich en laat die allemaal bij zich roepen. Brugge moet afdokken voor de jaren van rebellie.

 

'Een voor een moesten ze composeren jeghens mynen heere ende gheiven hem eene groote somme van ghelde.' Jan Biese, een man van bescheiden afkomst, wordt aangesteld als burggraaf, hoofd van 'tregement', en zal samen met Lambrecht de Scuetelaere de stad leiden. En ook de ambachten en de arbeiders krijgen een boete opgelegd. De graaf moet voortaan een vijfde hebben van alles wat er in Brugge wordt verdiend. 'Ende mynen heere was gheassenteert tvyfste thebben alle jare van alle revenuwen van der stede!' Jan zonder Vrees heeft veel geduld, charme en begrip opgebracht voor de Vlamingen. Maar die tijd is voorbij. Er is te veel dissidentie geweest. Hij heeft kordaat ingegrepen in Brugge.

 

En nu is hij op komst naar Ieper. Hier hopen ze dat zijn woede wat gekoeld zal zijn, maar als ze vernemen wat de graaf allemaal heeft uitgericht in Brugge, kiezen ze het zekere voor het onzekere. De fameuze brief met de nieuwe wetten zouden ze beter opgeven. 'Als die van Ypre dit verstoeden dat myn heere gram ooc up hemlieden was, so droughen zy al over een dat men den brief scuerde ende te nienten deide die hier te vooren gheseighelt was.' Ze besluiten hun kwade graaf niet af te wachten en hem proactief op te zoeken waar ze hem meedelen dat alle nieuwe wetten en plannen op hun eigen verzoek werden geannuleerd.

 

Ze verontschuldigen zich nogmaals dat ze wetten hebben gemaakt en hun eigen zegels er op hebben aangebracht zonder te wachten op de grafelijke goedkeuring en bezegeling. 'Ende myn heere was hier mede ghepayt ende quam tYpre ende vergaeft al zinen goeden lieden, maer Willem Rugghevoet, die clerc van de steide was, wart zes jaer ghebannen omme deiser cause.' Na een kort verblijf in Frankrijk is de graaf al opnieuw terug in Gent. En blijkbaar is de rust nog niet helemaal teruggekeerd in Ieper. 'Ende doe so was so verre ghedaen by eenighe van de steide van Ypre.'

 

Het blijkt te gaan om de voormalige burgemeester Nicasis De Reuse die zich nog altijd roert. 'Myn heere zende tYpre an de wet, dat al up dat zy van hem hilden dat zy niet laten zouden zine souden correctie doen over Nicasis de Ruse die vooghd van de steide te vooren gheweist hadde.' Zijn weerspannigheid komt hem nu duur te staan want De Reuse wordt voor een termijn van zes jaar verbannen uit de stad.

 

'Aldus zo vermeesterdet myn heere alomme, en men deide al zinen wille, ende hy versochte te makene eene nieuwe munte ende het was hem gheassentiert.' De puntjes worden nu trouwens doorheen heel Vlaanderen op de i gezet. Er komt een subventie over het hele land en de mensen gaan er noodgedwongen mee akkoord want er is nu echt niemand meer die 'nee' durft te zeggen. Maar 'tghemeene alomme was qualike ghepayt.' Jan zonder Vrees zoekt nu weer de richting van Parijs en laat het bestuur over aan zijn echtgenote Margaretha van Beieren.

 

Dat nieuwe geld waarvan sprake is, betekent een opwaardering van de Vlaamse munt en dat is in deze beroerde tijden echt wel het laatste dat mag gebeuren. Het ingevoerde graan en de wol worden misschien wel goedkoper, maar de lakenindustrie staat of valt met de export en nu worden de geproduceerde textielproducten een flink pak duurder. De graaf heeft met zijn revaluatie maar één doel voor ogen: zijn financiële noden stillen in Frankrijk. Dat die maatregel een catastrofe betekent voor de burgers, lezen we letterlijk in de kronieken: 'maer als deise munte ghegaen hadde eene cleene tyd, so wart tvolc in Ghent in roere ende worden vergarende, ende seiden dat zy die munte niet langher houden wilden.'

 

De handelaars smeken hun sterke man Jacob Sneevoet om iets aan die toestand te doen en die beslist om op eigen houtje de vroegere munt terug in te voeren en niet langer gebruik te maken van de nieuwe geldstukken van de hertog van Bourgondië. Het herinvoeren op stedelijk niveau van een eigen munt, toont nog maar eens hoe sterk de Vlaamse steden hun eigen onafhankelijkheid wel achten. Vergelijk eens die Gentse maatregel van 1407 met wat er zich 600 jaar later zal afspelen waar zelfs de Belgische frank in rook zal zijn opgegaan in de eenheidsmunt van Europa. Maar in Gent was 'tvolc in payse ghestelt ende aldus so ghinc weider de oude munte al Vlaendren duere.' In Brugge en in Ieper zijn ze echter schuw geworden.

 

'Zo ne dorste niemant spreken omme trechte te houden.' Iedereen is bang om de voorrechten te verliezen en om de gramschap van de graaf op de hals te krijgen. In Gent doen ze voorlopig hun zin, maar Olivier van Dixmude vat de situatie in Vlaanderen ongetwijfeld perfect samen: 'aldus zo stoet dit land in dustane scalkernie ende armoede, ende van jare te jare zo lang zo armer.' Nochtans heeft Jan zonder Vrees er voor gezorgd dat de Engelsen Vlaanderen niet langer ambeteren over zee en te land. Maar hun broodnodige koopmansschepen blijven achterwege.

 

De Vlaamse kooplieden zien zich verplicht om naar Calais te varen om zich met de Engelse wol te bevoorraden, 'maer lettel neringhen quammer of, want de armoede was in tvolc te groot, ende al dit ander last twelke myn heere den lande deide bedarf al tland, ende de coopmansceipe ende tvolc moeste veile rumen de goede steiden by armoeden.' En zo is de toestand ook binnen de stadsmuren van Ieper. Armoe troef. Geen commerce, geen productie, geen voeding. In zover zelfs dat het er nu een pak beter aan toegaat in de buitengebieden.

 

'Aldus so ghinc de goede steide van Ypre te nienten ende de doorpen ende castelrie rees boven der steide.' Het regiment van de baljuw zorgt daarenboven voor een ongeziene repressie in de stad en 'deide dustane dinghen zo rees int volc groot nyt, maar niement dorster toe zegghen.' Olivier van Dixmude heeft het wat lastig met data. En ook Jean-Jacques Lambin corrigeert hem niet als hij 23 november 1406 aanstipt als datum van de moord op Lodewijk van Orleans. 1407 moet het zijn. 'Den 23ste dach in Novembre 1407 was de heere van Orliens, sconincx van Vrankeryke broeder, ende regent van de crone door toedoen van onze graaf Jan zonder Vrees doot ghesleighen.'

 

De hertog van Bourgondië kondigt zich tussen zeven en acht aan in Parijs waar ze maar al te blij zijn met de dood van de plaatsvervangende koning. Een 'plaag van God' noemen de Parijzenaars de man, een kwade prins die leefde tegen de wet. De aanslag op zijn rivaal maakt een einde aan enkele tumultueuze maanden waarbij op het einde een echte burgeroorlog de enige uitweg leek. Wat gebeurt er eigenlijk op 23 november 1407?

 

De nieuwsgierigheid van de schrijver is gewekt. We lezen meer in ons boek 'Les Ducs de Bourgogne' dat geschreven werd in 1943 door een zekere Paul Colin die zijn mosterd haalt bij de Franse kroniekschrijver Enguerrand de Monstrelet. Jan zonder Vrees is, zoals zijn naam het aangeeft, voor niets of niemand bang en zijn opponent, de hertog van Orleans is een schoolvoorbeeld van corruptie en machtsmisbruik. Een man die voor niets of niemand terugdeist om zijn gram te halen. Op een bepaald moment wordt de grond aan de oevers van de Seine te heet onder de voeten van de graaf van Vlaanderen en ziet hij zich verplicht om zich naar de relatieve veiligheid van Gent te begeven waar hij besluit om stilaan het net te sluiten rond die gemene vent van Orleans.

 

Hij en zijn medewerkers werken zorgvuldig aan een coup. Begin september komt hij terug naar Parijs waar hij vrij bescheiden gaat logeren in het 'Hôtel d'Artois'. Zijn entourage is klein want hij wil Lodewijk van Orleans niet onnodig bruskeren. Heel Parijs houdt de adem in, want het conflict tussen die van Orleans en die van Bourgondië, speelt zich al tientallen jaren af en lijkt nu in zijn definitieve plooi te gaan vallen. De minutieus voorbereide afrekening speelt zich uiteindelijk af op woensdag 23 november. De vrouw van de regent, Isabeau de Bavière, is net bevallen van haar twaalfde kind dat dood ter wereld is gekomen.

 

Ze bevindt zich in het hotel 'Barbette' in de Parijse Marais. Haar echtgenoot Lodewijk logeert op dat ogenblik ergens niet ver vandaan in een hotel aan de Notre-Dame, waar hij beschermd wordt door 18 lijfwachten. Hij begeeft zich naar het kraambed van zijn echtgenote in het gezelschap van twee schildknapen en vijf bedienden die de toortsen dragen. Tijdens zijn aanwezigheid in het hotel 'Barbette' komt een dichte medewerker van de gekke koning Karel, Thomas de Courtehouse, binnengelopen met de boodschap dat de hertog zeer dringend bij de koning wordt geroepen voor een zaak die hem uitermate aanbelangt.

 

Die Thomas is natuurlijk een medeplichtige van Jan zonder Vrees. Maar Lodewijk koestert geen argwaan tegen de medewerker van de koning. Hij neemt afscheid van zijn Isabeau, springt op zijn muilezel, en rept zich met zijn mannen door het donker van de nacht. Richting het Louvre. Aan de herberg 'L'imaige Nostre-Dame', staat een meute mannen hem op te wachten. Eén van hen slaat met een goedgemikte slag van de hakbijl de linkerhand af van de opgeschrikte Lodewijk. Zijn helpers willen verder onheil voorkomen maar worden ter plekke geliquideerd.

 

'Maar ik ben de hertog van Orleans' roept hij nog in paniek, maar één van de moordenaars antwoordt dat het precies dat is wat ze willen. De regent wordt van zijn lastdier gesleurd en vreselijk toegetakeld. Het moet een verschrikkelijk zicht geweest zijn. Zijn hoofd wordt werkelijk afgehakt waarbij zijn hersenen op de straatstenen van Parijs neerspatten. Als de bedienden van Isabeau de Bavière komen aangesneld, zijn de daders al lang uit het beeld verdwenen. Het verschrikkelijk toegetakelde kadaver van de broer van de koning wordt naar de kerk 'Des Blancs Manteaux' gedragen in afwachting van zijn begrafenis bij de Celestijnen.

 

Vooral de hoge adel en de aristocratie zijn hard geschrokken van de moord op Lodewijk van Orleans. Voor hen functioneerde de overleden hertog als een grote veilige paraplu onder dewelke zij al die tijd bescherming en soelaas hebben gevonden. Ze leefden vooral in de overtuiging dat opponent Jan van Bourgondië er nooit zou in slagen om zich werkelijk te meten met hun beschermheer. Ze dachten dat ze voor de sterkste hadden gekozen en zijn vooral bedrogen uitgekomen. Voor het volk komt de dood van hun regent Lodewijk over als een echte bevrijding. 'Une délivrance!' Vreugdemanifestaties trekken door Parijs. De broer van de koning betekende de reïncarnatie van het kwaad. Zijn misprijzen voor de gewone man was gewoon schandalig.

 

Nee nee; Jan zonder Vrees wordt als een echte bevrijder gevierd in de stad Parijs. De toonaangevende Parijzenaars blijven echter hun rol spelen. Er wordt een onderzoek ingesteld. Proost Guillaume de Tignonville beschuldigt Jan zonder Vrees, de neef van de koning, van de moord op Lodewijk van Orleans. Maar ondanks het onderzoek van de autoriteiten, kan er geen enkele van de moordenaars gevat worden. Ondanks de beschuldigingen, begeeft Jan zich ook naar de kerk van de Witte Mantels waar het lijk van de overleden regent ligt opgebaard om neer te buigen voor de man die hij liet liquideren.

 

Je moet maar durven. Ieperling Olivier van Dixmude heeft het er ook over. 'Myn heere quam ten palyuse waert, navens tusschen den zeiven enden achsten huere te Parys, twelke was een tmeeste wonder dat noyt niet vele ghehort was, ende hadde niet akdus moghen syn en hadde ghedaen de rechte plaghe van Gode, want hy hiet alomme een quaet prince ende leefde tjeghen de wet, also men seide, ende was begraven te Celestinen.' Beide bronnen bevestigen elkaar. Het volk is verrukt dat de hertog van Bourgondië de plaats van de vermoorde wil innemen en het hooggerecht voelt zich geschandaliseerd. De volgende dag geeft Jan zonder Vrees aan enkele collega's in de hof toe dat hij effectief achter de aanslag zit in de volle overtuiging dat er een halt moest worden toegeworpen aan de duivelse plannen van Lodewijk.

 

De hertogen van Berry en Anjou houden zich discreet bij de bekentenis van Jan, maar als hij zich de volgende dag aanbiedt bij het hof, vindt hij er alleen maar gesloten deuren. De grond in Parijs wordt nu echt te heet onder zijn voeten. Zonder aarzelen laat hij de stad achter zich en kiest hij het hazenpad naar Rijsel en daarna naar Gent. Van Dixmude schrijft het ook. 'Sanderdaechs so trac de hertooghe van Borgoegnen uut Parys ende quam haestelike te Vlaendere waert, ende ontboot te Ryssele zine drie steiden ende tVrye ende vele ruddren ende cnapen uut Vlaendre.

 

Daer so deide hy tooghen dat een dustaen fait ghedaen was te Parys, twelke hem lief was omme de blame ende de scande die de hertoghe van Orlyens dickent de crone ghedaen hadde.' Steun heeft hij nodig. Zoveel is zeker. Hij beschuldigt de vermoorde hertog van acht of negen zware misdrijven en dan houdt hij er nog een vijftal zware gevallen achter de hand. Die inbreuken zijn nog veel onbetamelijker maar die wil hij eerst bespreken met de koning van Frankrijk. Hij stelt de vraag of Vlaanderen zich pal achter haar graaf wil zetten in deze kwestie. 'Daer bad hy zinen lande dat zy ghewillike hem te goede wilden syn.'

 

Het antwoord is verrassend positief. Iedereen die hem en de Franse kroon kwaad wil doen, zal af te rekenen krijgen met de Vlamingen. 'Aldus so was de andworde van den lande.' Het zijn natuurlijk de gezagsdragers die zich beschermend opstellen tegenover Jan zonder Vrees. Wat kunnen ze trouwens anders? Bij het volk zal de situatie ongetwijfeld minder begripvol zijn. 'In desen tyden rees int volc van Vlaendere groot nyt.' Er wordt gegeten en gedronken met mensen die eigenlijk liever elkaars hart zouden opvreten. Uiterlijk is er niets aan de hand, maar alles gebeurt achter de ruggen. Een achterbaksheid die van alle tijden is natuurlijk.

 

Vooral in Brugge zit het spel weer op de wagen. De nieuwe machtshebbers zijn nu Jan Biese, Clais de Zoutere, Lambrecht de Scuetelaere, Jan Bortoen en Lieven van Milaenen. Die belasting van 20% op alle inkomsten worden nu hardhandig opgelegd aan de Brugse poorters. De vijf rijkste Bruggelingen moeten elk 40 ponden ophoesten. 'Pointen ende gaderen.' Vrij vertaald: belastingen en geld pakken waar het mogelijk is. Zelfs de gewone mensen moeten 3 pond betalen. 'Uut den welke natuurlijk groote murmuracie rees onder tvolc.' Wie niet betaalt of protesteert 'wart rechtevoort ghebannen uuten lande wegens contrarie minen heere.'

 

De sfeer bij de arbeiders en ambachtslieden is onder een dieptepunt gezakt. Hoe men ook smeekt of fleemt, de belastingen blijven overeind. Onze kroniekschrijver vergeet hierbij te vertellen dat de graaf enkele maanden geleden het zevende deel van de Brugse inkomsten voor zijn persoonlijke rekening heeft opgeëist . Die eisen werden destijds genoteerd op een groot kalfslederen document, dat tot op vandaag nog bekend staat als het 'Calfvel'. De derde januari, de lauwmaand, van het jaar 1408 komt de heer van Bourgondië terug naar Ieper.

 

Van hieruit zal hij over en weer reizen naar Amiens waar hij de koning van Frankrijk zal ontmoeten in verband met de moord op de hertog van Orleans. Er doet zich een grappig voorval voor in het klooster van Sint-Maartens waar Jan zonder Vrees de nachten doorbrengt. Overdrijvingen, fantasie, sprookjes en mares horen nu eenmaal bij ons gemeenschappelijk verleden. En hebben natuurlijk weinig te maken met realiteit of waarheid. Maar toch willen we die wonderlijke historie kwijt in onze kronieken. De verschijning van een draak aan de hemel, vertellen we in de Vlaamse taal die Olivier van Dixmude 600 jaar geleden hanteerde.

 

'Den 4n dach in Lauwe so lach myn heere in den cloostere van Sinte Martins ende sliep, snachts als de canoneken mattende ghesonghen hadden, zo quamen eenige in den ommeganc. Die daer saghen groot licht ende hadden vaer oft vier hadde ghemoghen zyn, ende zy riepen den deiken ende ghinghen in de plaetse, daer saghen zy eene figure staen an den hemele, boven de camer daer myn heere lach, twelke was te siene als oft hadde gheweist eene drake ende scoot vier also hemlieden dochte, by den welken het also licht was in de plaetse als offer ghebornen hadden vyftich tortsen, ende het gheduerde aldus wel dat met gheleisen hadde eene zeven zallem, ende int hende so wart de stert drayende ontrent thooft ende wart alsoo al ront, ende daer so verghinct rechtvoort ende wart al te nienten.'

 

De winter van 1407-1408 is gevuld met vorst en kou. Men ging zeven volle weken over het ijs en dat is al de tweede koudeaanval want voordien was er ook al een hele maand bittere vrieskou geweest. 'Dese vorst was zo hard dat veiler armer lieden storven van rechte coude.' De zee vervroor en men kon van Vlaanderen naar Zeeland stappen over het ijs. De schepen die aangemeerd liggen in Sluis slaan op drift als de kabels breken door de vrieskoude.

 

'By den welken de sceipen drefdich worden ende scuerden, ende eenighe dreiven in sulker plaetse daer men hem niet te goede mochte commen ende storven by dien alle die er in waren, dat zeere compasselic was te sienne, ende dus geschiedet alomme in de havene groot meskief van lieden ende van sceipen.' De 20e januari arriveren Jan zonder Vrees en een delegatie van 25 ruiters te Amiens. De pairs arriveren twee dagen later. Zijn collega's parlementsleden van de hoge raad van Frankrijk zijn in het gezelschap van de koning van Frankrijk.

 

Ze zitten samen tijdens een groot diner. Ook de koning van Sicilië is aanwezig. De hertog van Berry voelt dat Jan zonder Vrees de nieuwe sterke man zal worden in Frankrijk en blijft opvallend vriendelijk voor de hertog van Bourgondië. De aanwezigen doen zich bijzonder galant voor tijdens het avondmaal. 'En daer so stelde de hertoghe van Berry sanderdaechs den hertoghe van Borgoengen ten eitene ende toochde hem zeer vriendelike samplant, ende daer worden zy emmer zo van accorde dat de hertoghe van Borgoengen trecken zoude te Parys ende was daer toe eene dachvaert genomen.' Wordt dit de blijde intrede van Jan zonder Vrees te Parijs?

 

De zoon van Filips de Stoute krijgt gratie. Hij komt er nu trouwens openlijk voor uit dat hij zijn dodende handlangers ingehuurd en vergoed heeft. Amper drie maand na de aanslag op zijn rivaal, maakt de nieuwe regent zich klaar om met een schitterend gevolg zijn rentree te maken in de hoofdstad van Frankrijk. De Ieperse kroniekschrijver weet trouwens wat meer over die blijde intrede in Parijs. Die wordt vermoedelijk uitgesteld wegens het deksels strontweer. 'Een verwoestende winterstorm geselt Frankrijk op het einde van februari 1408.

 

Ende ghesciede te Parys groot messchief, want zom van Grant Pond ende veile andere brugghen vloten metten storme wech ende al Vrankerike duere so vloten de watermuelens al wech ende braken metten strome, ende deide overgaende vele meskiefs, want daer storven overgaende vele lieden van den coude van den grooten vorste, ende deise vorst was zo groot ende so hart dat de visschen int ondiepe van de zee storven grooten nombre, ende also ooc noch meer nombre van versschen visschen.'

 

De blijde intrede van Jan te Parijs gebeurt op de maandag voor vastenavond. Een delegatie van duizend man vergezelt de nieuwe sterke man. De graaf van Vlaanderen drijft het trouwens ver. Na zijn publieke bekentenis, wil hij openlijk vrijgesproken worden voor de moord. Vooraanstaande theologen, advocaten en rechters gaan op zoek naar voorbeelden in de geschiedenis die de aanslag wettigen als een noodzakelijk kwaad en als de daad van een 'goede huisvader' om zijn land te beschermen. De uitspraak komt er ook. Jan zonder Vrees wordt geroemd en gezegend om zijn loyauteit ten opzichte van het koninkrijk Frankrijk.

 

Zijn daden werden ingegeven door niemand minder dan God. 'Jean sans Peur, qui est benedictus in secula seculorum'. De hertog van Bourgondië zetelt zich als een president in Parijs en al 'tcommun van Vrankerike duere waren metten hertoghe van Borgoignen met herten toe.' De grote verzoeningsceremonie gaat door in het hotel 'Saint-Paul' op 8 maart 1408. De hele beau monde is er. Ook het Parijse gepeupel heeft een vertegenwoordiger gestuurd. Koning Karel VI kan niet aanwezig zijn op de adembenemende plechtigheid. Zijn gezondheidstoestand laat dit niet toe. De hertog van Bourgondië lijkt meester te zijn over de toekomst van het koninkrijk.

 

Maar veel is schone schijn. Onze Jan zonder Vrees zit met zorgen die hem beletten om echt gelukkig te zijn met zijn openlijk eerherstel en zijn leiderschap over Frankrijk. Uit Vlaanderen komt alarmerend nieuws. De steden hebben de vlag van de revolutie bovengehaald. De gemoederen zijn verhit geraakt door de ongeziene belastingen en zoals schrijver Paul Colin het aanstipt, door een 'incident linguistique'. Het rommelt niet alleen in het graafschap Vlaanderen, maar ook in Luik, het land van Ludeke, loopt het verkeerd met de schoonbroer van Jan zonder Vrees.

 

Die schoonbroer is Jan, de hertog van Beieren en ook wel Jan zonder Genade genoemd, zijn bijnaam zegt voldoende over de man, is prins-bisschop van Luik. Op zijn zeventiende werd hij op de bisschopsstoel gedropt. Dat was in 1389. Er was trouwens heel wat gesjacher en gefoefel nodig geweest om de puber als bisschop te laten benoemen. Meer bepaald een canonieke uitzondering ondertekend door paus Bonifatius IX, toen nog dubbelpaus in Avignon. De man is niet eens priester. 'He niet priester werden noch misse doin enwoulde.' Absoluut geen affectie met de kerk, maar des te meer met wapens.

 

De eerste tien jaar van zijn bewind gaan voorbij in een sfeer van decadentie, geweld en repressie en dat leidt natuurlijk tot een ongeziene mistevredenheid in de regio van Luik en een blijkbaar niet te stoppen reeks van conflicten. Die mistevredenheid wordt gevoed door Hendrik van Horne, de heer van Perwijs, Perwez in de buurt van Louvain-la-Neuve, en hoofd van een van de nobelste families uit de streek. Die een 'groot gheboren heere was in Brabant, ende zeer moghende van lande ende van goede', preciseert Olivier van Dixmude.

 

In juli 1403 ontstond er een volkspartij die komaf wilde maken met de bisschop. De Hédroits wilden Jan zonder Genade van de troon verwijderen maar dat werd toen in allerijl verijdeld door toedoen van paus Innocentius VII die een wapenstilstand kon tot stand brengen via de aansteliing van kardinaal Jan Gilles als nieuwe kerkleider in Luik. De relatieve rust bleef een jaar of drie maar rond 1406 maken de Hédroits van de afwezigheid van Jan van Beieren gebruik om Dirk, de zoon van Hendrik van Horne, aan te stellen als prins-bisschop van Luik. De gemoederen laaiden op. De twintigjarige Dirk van Horne had al evenmin de autoriteit om bisschop te zijn. De ene terreurzaaier heeft gewoonweg de andere vervangen.

 

Een demagogische terreur heerst nu al jaren over het vorstendom. De terechtstellingen zijn elkaar in steeds hoger tempo opgevolgd. De burgerstrijd is uitgegroeid tot een regelrechte oorlog. De eerste militaire confrontatie duurde zes weken, tussen 24 november 1407 en 7 januari 1408. De afgrijselijke winter verplichtte de partijen om zich terug te trekken, terwijl Jan zonder genade er nog van profiteerde om grote ravages aan te richten in de streek van Hesbaye en het hertogdom van Looz. Op 30 mei 1408 beginnen de partijen aan de tweede veldslag.

 

Jan zonder Vrees, de graaf van Vlaanderen, hertog van Bourgondië, en recent de sterke man geworden in Frankrijk, krijgt een dringende vraag om hulp te bieden aan zijn schoonbroer. 'Als myn heere van Borgoengen zach dat Jan van Beyeren lach in dus groote nood, ende myn vrauwe zyn wyf hem altoos anlach met beiden om haren broeder, zo ontboot hy al zine lieden van wapenen uut Borgoengen, uut Artois ende uut Vlaendren, ende hy leide vorooghen zinen steiden ende bad hemlieden omme zes duust serianten, omme met hem te trecken, twelke die van Ghent hem ontseid zouden hebben, also men besief, omme twelke myn heere van zinen versouke achter bleef, ende dit was ontrent thalfs der maend van Septembre.'

 

Jan van Bourgondië slaagt niettemin in zijn opzet om een leger van 35.000 getrainde soldaten te laten oprukken tegen een volksleger van tienduizenden Luikse burgers en ambachtslieden die opkomen voor hun privileges. Sommigen spreken van 50.000 man. 24 september 1408: in de open ruimte van Othée en Herstappe bekopen 20.000 Luikse partizanen hun vurig verzet met de dood. Ze blijken uiteindelijk geen partij tegen de militaire suprematie van Jan zonder Vrees, die op diezelfde dag trouwens zijn roepnaam 'zonder Vrees' extra glans geeft. Ik heb er mijn bedenkingen bij.

 

De leiders van de Luikenaars zijn Jan van Rochefort en Jan Sarange. Samen met nog 25 andere burgers van Luik, worden ze onthoofd. 48 kanunniken en veel vrouwen die beschuldigd worden van de oproer, worden in het water van de Maas gegooid. De graaf van Vlaanderen keert triomfantelijk terug naar Brabant en van daar reist hij door naar Gent waar hij als een held wordt verwelkomd. Op 20 oktober worden te Rijsel zware straffen uitgesproken tegen die van Luik. Een boete van 240.000 kronen in baar geld wordt geëist, 'ende voort alle hare previlegen ende vryheden eeuwelike al te nienten.'

 

De machtsontplooiing van Jan zonder Vrees heeft opzien gebaard in Frankrijk en in de Lage Landen. In Vlaanderen hebben ze al enkele eeuwen geen hoge pet op van hun weifelende en machteloze graven. Hertog Jan, dat is andere koek. Vlaanderen heeft een grandioos bewijs kunnen meemaken van de macht van het huis van Bourgondië. Voldaan met de indirecte les die hij aan zijn onderdanen geleerd heeft, trekt Jan zonder Vrees nu terug naar Parijs. De perceptie van de Vlamingen maakt een bruuske ommezwaai.

 

'Ende daer so was hy wel ontfangen ende al Vlaendren duere was gheboden dat hem elc voorsien zoude omme uute te trecken also myn heere ontbieden zoude.' Jan van Bourgondië is ondertussen zes maand weg gebleven uit Parijs. Tijdens zijn afwezigheid is het gewoel en de oproer niet uit de stad verdwenen. Leugens en opstokerij vanuit de hoek van de vermoorde hertog van Orleans. De Franse koningin zorgt voor de nodige stokebrand en Valentine Visconti, de hertogin van Orleans, laat zich evenmin ongemoeid in de rellen.

 

Maar het mag gezegd worden dat de entourage van Jan zonder Vrees de hele tijd kalm en diplomatisch blijft. Het grootste gevaar komt van een zekere Jean Petit, vooraanstaand theoloog en een populaire professor aan de universiteit van Parijs. Die Jean Petit is het hoegenaamd niet eens met de 'justificatie' van de moord op de hertog van Orleans. De aanslag was geen daad die ingegeven was van God, maar een ordinaire en laffe moord. Hij publiceert een pamflet, 'une seconde justification' dat vrij vlug een flinke opmars maakt in Parijs en betekenisvol wordt in de vooruitgang van het 'Orléanisme'.

 

Al tijdens zijn afwezigheid gaan er al stemmen op in het Franse parlement om Jan zonder Vrees voor de rest van zijn leven overzees te verbannen. En nu is de grote overwinnaar op komst naar zijn Parijs. De adel en de rijke burgerij bekijken hem met steeds schevere ogen. Het gepeupel danst op straat en is door het dolle heen om zijn terugkeer. De koningin heeft zich teruggetrokken bij haar echtgenoot die weer eens met een nieuwe opstoot van dementie aan het worstelen is. Haar schoonzus Valentine Visconti is haastig vertrokken naar haar kasteel in Blois. En als klap op de vuurpijl overlijdt de ontroostbare weduwe Isabeau van Orleans precies op de vooravond van de triomfantelijke en bij momenten delirische herintrede van de hertog van Bourgondië te Parijs.

 

Begin 1409 is er sprake van een mogelijke verzoening tussen de clans van Orleans en Bourgondië. Charles, de 15-jarige zoon van de vermoorde hertog, deelt mee aan de koning dat hij de spons wil vegen over de hele historie en over wil gaan tot de orde van de dag. Er volgen maanden van onderhandelingen om tot een vergelijk te komen. In Ieper schrijven ze: 'cort na paesschen int jaer 1409, so was een pais ghemaect by den coninc tusschen myn heere van Borgoingen ende der kindren van Orlyans, ende de coninc zeide; neiven van Orliens myn begheren is dat ghyt al vergheift, ende syt voordan in goeden payse teeuweliken daghen.'

 

'Ende omme dit wel te houdene zo was ghemaect eene alyantse van huwelike, dats te wetene, dat myn heere van Borgoingen sal gheven de zone van Orlyans syn dochter, te weten den middelsten zone van den drien, ende daer mede twee hondert duust cronen.' Er worden nog meer huwelijken gearrangeerd om de vrede te smeden en dat leidt tot een wellicht ongewilde humoristische uitspatting van Olivier van Dixmude: 'twelke aen menichen in Vlaendere zeere verwonderde ende niement ne wiste waeromme.'

 

Het moeten harde tijden zijn voor de mensen. 'Ende wart rysende groote sterefte al Vlaendre duere.' Vooral Gent wordt getroffen. En het graan is duur. Het koren wordt nu geïmporteerd vanuit het oosten en onze kroniekschrijver wijt dit aan de gratie van God. Het kan allemaal wel zijn, maar op twee jaar tijd heeft hij er dan wel voor gezorgd dat de prijs van het graan verviervoudigd is. Een 'havot corens hadde ghegolden vier en twintich vlaemsche grooten, twelke men daer te vereu over twee jaer hadde in Vlaendren omme zes grooten.'

 

En nu we het toch over God hebben. Op 26 juni 1409 wordt Pieter de Candia door de kardinalen verkozen tot paus Alexander V. Het is de bedoeling van de kardinalen om een definitief einde te maken aan de legislatuur van de twee bestaande pausen. De ene zit en Rome en de andere in Avignon. En allebei claimen ze de goddelijke waarheid in pacht te hebben. Met dank natuurlijk aan de aartsvijanden Frankrijk en Engeland die elk met één van hen meezeulen.

 

Tijdens het concilie van Pisa proberen de kardinalen beide pausen aan de kant te schuiven en hun Alexander als enige paus te laten erkennen. Maar ondanks het feit dat zowat heel Europa dit idee steunt, blijven de kamphanen aan de Noordzee hun geestelijke leiders trouw en zitten we in 1410 opgescheept met drie pausen.

 

De graaf zien ze niet veel meer in Vlaanderen. Hij heeft zijn besognes in Parijs. Maar dat lijkt aanvankelijk allemaal wel mee te vallen. Hij geniet met volle teugen van zijn status en vergeet hierbij allerminst om wraak te nemen op de hoogwaardigheidsbekleders en de hovelingen die er op uit waren om hem te verbannen. Vooral de terechtstelling van Jean de Montaigu, grand maître d'hôtel van de koning, zorgt voor een alsmaar sterker wordend revanchegevoel.

 

Het gepeupel vindt het fantastisch maar achter de schermen van de rijke burgerij kunnen ze daar niet echt om lachen en er gaat een en ander al bewegen. De jonge Charles van Orleans die er op uit was om Jan zonder Vrees vergiffenis te schenken, treedt in 1410 op 16-jarige leeftijd in het huwelijk met Bonne van Armagnac. Het is trouwens al zijn tweede huwelijk want hij was eerder getrouwd met de dochter van de koning van Frankrijk. Hertog Jan van Bourgondië ziet aanvankelijk niet veel kwaad in het tweede huwelijk van Charles. Bonne is de dochter van Bernard VII, de graaf van Armagnac, en die krijgt plots veel in de pap te brokken.

 

De jonge Charles beslist om het hele politieke gedoe toe te vertrouwen aan zijn schoonvader. En die is er van het prille begin al op uit om wraak te nemen op het huis van Bourgondië en natuurlijk heel speciaal op Jan zonder Vrees. De dood van Montaigu zal niet onbestraft blijven want ook vanuit koninklijke hoek komt het verzet op gang. Op 15 april 1410 besluiten de verzamelde tegenstrevers van Jan zonder Vrees dat de tijd is aangebroken om van start te gaan met een kruistocht tegen die van Bourgondië. 'Une croisade antibourguignonne', de oorlog van de Armagnacs begint.