P1400100

Met het jaar 1400 in het verschiet, breken nieuwe tijden aan voor de Westhoek. We hebben de 13de en de 14de eeuw beleefd in Ieper, Veurne, Poperinge, Nieuwpoort en Diksmuide. Tijd voor nieuwe horizonten. De nemen met de 'Kronieken van de Westhoek' de horde van het jaar 1400. Samen met Olivier van Dixmude en oude getrouwe Jean-Jacques Lambin. Olivier van Dixmude is de zoon van Pieter van Dixmude en de kleinzoon van de Ieperse Denis van Dixmude en Catherine Paeldinck. Zijn grootouders speelden een vooraanstaande rol in Ieper.

 

Denis van Dixmude heeft het geschopt tot voogd van de stad en Catherine is een afstammeling van de hoogste burgerij die de voorbije 100 jaar voortdurend schepenfuncties heeft gehad in de stad en actief heeft meegewerkt aan de uitbouw van de stad. Haar broer Denis deelde de lakens uit bij de Sint-Maartensproosdij, het machtige imperium van de Ieperse kerk. Zijn familienaam verwijst naar zijn voorouders, de familie de Bevere. Arnulf de Bevere is in 940 op vraag van de graaf van Vlaanderen vanuit Engeland aangetrokken om de beveiliging van de kritieke Vlaamse bastions op zich te nemen.

 

Het is Arnulf die onder andere de burcht in Diksmuide heeft gebouwd. Hij is de voorvader van een hele reeks burggraven die Diksmuide honderden jaren op rij besturen. Het bloed van de illustere Arnulf de Bevere stroomt nog steeds door het lichaam van onze kroniekschrijver Olivier van Dixmude. Het is geweten dat Pieter van Dixmude, zijn vader dus, in 1380 samen gevochten heeft aan de zijde van Lodewijk van Male. Met die achtergrond valt het niet te verwonderen dat Olivier van Dixmude op de voorgrond zal treden in het bestuur van Ieper. In die tijd wordt het schepencollege jaarlijks vernieuwd.

 

Tussen 1423 en 1456 is hij bijna niet weg te branden uit het bestuur van de stad waar hij zelf drie keer verkozen wordt als voorschepen. In die functie is hij bijzonder goed geplaatst om de regeringen van de graven Filips de Stoute, Jan zonder Vrees en Filips de Goede te evalueren. Olivier schrijft zijn ervaringen neer in een stapel kronieken die in 1835 opgemerkt worden door een attente archivaris Lambin die de vierhonderd jaar oude geschriften herschrijft en van commentaar voorziet. Het is eigenlijk Lambin die de handgeschreven kronieken toeschrijft aan Olivier van Dixmude.

 

Een aantal geschiedschrijvers, zoals bijvoorbeeld Pirenne, twijfelen of de geschriften effectief van de hand zijn van Olivier. Maar eigenlijk is dat irrelevant. Het is in elk geval zeker dat ze uit de bestuursmiddens van de stad Ieper komen en vooral ook dateren van het begin van de jaren 1400. De jaloezie tegenover de andere steden, vooral tegen Gent, druipt van de teksten. Het geheel is geschreven vanuit de bril van het dominante Ieper dat wil heersen over het gemeen en over de gemeenten uit zijn hinterland.

 

Het laat zich raden dat de pogingen van de opeenvolgende graven om het centraal Vlaams gezag te verstevigen allerminst stroken met de machtsgeile ambitie van de Ieperse burgerij. Ook hier is de geschiedenis dus gekleurd. Jean-Jacques Lambin doet in 1835 dus eigenlijk wat wij in maart 2013 doen. We nemen de teksten van Olivier van Dixmude over en laten die vergezellen van de opmerkingen van de Ieperse archivaris, samen met hopelijk een flinke portie eigen gezond boerenverstand.

 

Wat Lambin aantreft in de Ieperse archieven draagt geen titel. Hij besluit om het geheel uit te brengen onder de naam 'Merkwaardige gebeurtenissen, vooral in Vlaanderen en Brabant, en ook de aangrenzende landstreken, van 1377 tot 1443' We laten de inleiding van Lambin voor wat die waard is en beginnen met zijn verhaal dat we trouwens aanpassen aan onze eigentijdse taal. Gaandeweg zullen jullie leren hoe ondergetekende aan de titel zal komen van de nieuwe episode. Op 15 september 1377 zijn de wethouders vervangen.

 

Kort daarop begint het gemeen zich te roeren. Hannin de Werd stelt zich aan het hoofd van de ontevreden arbeiders en roept luidop dat ze in staking zullen gaan maar het nieuwe stadsbestuur laat de man oppakken en onthoofden. De mannen gaan noodgedwongen weer aan het werk, maar de colère groeit met de dag. De schepenen blijven alert. De wet is scherp en genadeloos. Het gerecht heeft volop zijn werk en zo blijft de toestand min of meer onder controle. Op 5 september van het jaar 1379 breken er rellen los in Gent. Rogier van Outrive arresteert zonder inspraak van zijn stadsbestuur een Gentse wever en gaat hiermee frontaal in tegen de stedelijke privileges.

 

Het hek is onmiddellijk van de dam. De ontsteltenis van het broederschap van de wevers is groot. De grafelijke gerechtsofficier bekoopt zijn euvele daad met zijn leven. Het geweld sleept ettelijke dagen aan. Grote ambras met de baljuw die hardhandig optreedt. De stoottroepen van de Gentenaars, de Witte Kaproenen, trekken gewapend naar het huis van de graaf in Wondelgem dat ze in brand steken. Met vijfduizend woeste wevers trekken ze nu naar Deinze en naar Vijve en van daar naar Kortrijk. De 16de september staan ze in Menen.

 

Overal houden de mensen zich gedeisd, bang voor het brute geweld van die Gentse arbeiders. De graaf reageert. Hij roept een hele schare edelen op om naar Ieper te komen. Hendrik II van Beveren, de burggraaf van Diksmuide en de kamerheer van Lodewijk van Male, trekt de kar voor zijn graaf. Hij arriveert in de stad met een flinke tot op de tanden gewapende militie uit Veurne-Ambacht, Bergen-Ambacht en uit Poperinge. Er is ook volk van de kasselrij van Ieper en uit de kleine stadjes van het Ieperse opgetrommeld. Ieper zal weerstand moeten bieden tegen die van Gent. Zoveel is zeker. Maar niet iedereen in Ieper is opgezet met al dat volk in de stad.

 

De arbeiders voelen zich ongemakkelijk met al die grote mijnheren in de stad. De graaf, de rijke burgerij en de adel. Wat hebben zij er aan om te vechten tegen hun Gentse lotgenoten die in opstand gekomen zijn tegen hun povere levensomstandigheden? Kijk nu naar de prijs van het brood. Op enkele weken tijd is die prijs gestegen van twee denieren tot liefst twaalf denieren voor één enkel brood. En binnen enkele dagen zal er zelfs met goud geen meer te kopen vallen. Veel tijd is er niet om na te denken. Het is zaterdag 17 september van het jaar 1379. Kort na de middag staat de Gentse meute voor de Komenpoort.

 

Een zekere Stuviuc beukt ongenadig met een zware smidsehamer de sloten van de poort aan diggelen. In de kortste tijd staan de Gentenaars binnen de stad. Hendrik en zijn edelen hadden zich verzameld op de Grote Markt en ze sturen nu een divisie naar de Komenpoort om de weg voor de tegenstanders te beletten. De goede lieden van de stad hebben zich eveneens achter de grafelijke banier geschaard. Ze laten zich verrassen door de agressiviteit en de numerieke meerderheid van de razende indringers. Er wordt heen en weer geschoten. Vier of vijf Ieperlingen worden een kopje kleiner gemaakt en die van Gent rukken ongegeneerd op naar het centrum van de stad.

 

De rest van de edelen en de burgers maken dat ze uit de weg zijn en verschuilen zich paniekerig voor de woede van dat volk. De stad ligt nu open en bloot voor de Witte Kaproenen. Vooral de paarden en de wapens zijn een ideale buit. De volgende dag staan ze met zijn allen zwaar bewapend op de Grote Markt. De kronieken vertellen het. 'Zo batelgierden hem die van Ghent up de maerct ende tcommun quam van allen zyden van buuten poorten in ende met luude clocke ende scelle, ende Jacob Van der Berst stelden voort ende riepen aleens Vlaendre en Leeuwe onse vryhede behoudende.' Wat te verwachten viel, gebeurt.

 

Het simpele volk van Ieper, het gemeen, onder leiding van de roekeloze Jacob Van der Berst, sluit zich aan bij de Gentenaars. Wat ze op dat moment nog niet kunnen bevroeden, is dat diezelfde Van der Berst op Sint-Bartolomeüsdag van 1380 door de gemeente zal aangesteld worden als nieuwe voogd. Maar daar zijn we nog niet aangekomen. We keren terug naar september 1379. De massa vernielt de versterking van de burggraaf Jan van Oultre en trekt nu op naar het Zaelhof, 'myns heeren huus', maar dat blijkt niet open te breken. Vermoedelijk wordt het zwaar verdedigd door de gevluchte milities. Na zes dagen houden de Gentenaars het in Ieper voor bekeken.

 

Ze stellen Jacob Van der Berst aan als sterke man in Ieper en trekken op vrijdag naar Diksmuide en vandaar naar Veurne waar opnieuw paarden en waardevolle goederen buit worden gemaakt. Nu is Nieuwpoort aan de beurt. Brugge en Sluis sluiten het rijtje af. Het volk heeft de macht gegrepen in Vlaanderen. Na enkele dagen rust in Gent, trekken ze nu op naar Oudenaarde waar de graaf zich met 1.500 edelen en de hoge pieten heeft verschanst.

 

De mannen van Ieper rukken op naar Oudenaarde. Met bij zich een reusachtige slingerarm, de 'blyde', die omschreven wordt als een 'zeere groot engien', en die nogal wat ravage aanricht binnenin de stad. De wurggreep op Oudenaarde houdt aan. Het proviand van de belegerden begint te slinken: 'hare provantse begonste zeere dinnen', zodat ze genoodzaakt waren om spoorslags om hulp te gaan zoeken. Die hulp vinden ze bij de schoonzoon van de graaf, de 'coming man' Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië.

 

Het beleg van Oudenaarde houdt aan van midden oktober tot 3 december 1379. De geduchte Filips de Stoute stelt zijn omvangrijk leger op ter hoogte van Pontterone en wacht hier af wat er zal gebeuren. Eigenlijk moet zijn schoonvader zelf zijn boontjes maar zelf doppen. December betekent het begin van de winter. En in het winterseizoen wordt er geen oorlog gevoerd. Geen gras en voer voor de paarden. Er wordt onderhandeld over een tijdelijk bestand. De graaf vergeeft de Gentenaars en allen die met hen meezeulden voor hun wandaden en belooft de stedelijke privileges in stand te houden. Het beleg wordt afgebroken.

 

De Witte Kaproenen trekken tijdens de Sint-Andriesdagen naar huis. De brief met de grafelijke intenties wordt de 4de december voorgelezen voor de arbeiders van Sint-Maartens. De gilde van de ambachtslieden hoort dat Lodewijk van Male hen ongestoord zal laten en dat ze kunnen blijven genieten van hun stedelijke voorrechten. Blijkbaar wordt er ook inspraak beloofd in het beleid want de graaf zal 25 afgevaardigden uit de drie goede steden van Vlaanderen één keer per jaar uitnodigen in de Raad van Vlaanderen. Negen van Gent, acht van Brugge en acht van Ieper. Mynhere van Vlaanderen houdt zich voor de rest voorlopig gedeinsd in Rijsel. Hij beseft ook wel dat de rust tijdelijk is. En dat blijkt effectief ook zo in mei 1380. Na de Ieperse marktdag trekt een hele groep Ieperlingen naar Gent en sluiten ze zich aan bij de mistevreden Gentse poorters.

Samen haasten ze zich opnieuw naar Oudenaarde, waar ze de Waelpoorte openbreken. Ze slaan en moorden en vandaar gaat hun tocht verder naar Aalst waar ze her en der zware schade aanbrengen. Rond de 7de mei arriveren ze voor Dendermonde. De 9de mei schrikken de Ieperlingen op als een groep ruiters zich aankondigt bij de stadspoorten.

 

Een boodschapper van de graaf en enkele van zijn sergeanten brengen een brief van de graaf. De brief wordt aan de Lakenhalle voorgelezen. De teneur van de boodschap is duidelijk: kan de graaf van Vlaanderen eigenlijk nog rekenen op de Ieperlingen? Jacob Van der Berst en zijn arbeiders hebben toevallig de hele morgen te Sint-Maartens vergaderd rond de vraag van de Gentenaars om hen ter hoogte van Dendermonde ter hulp te komen en te steunen bij de opstand van het werkvolk. De keuze ligt nu bij de Ieperlingen. Onder welke standaard zullen ze postvatten?

 

Zullen ze meestappen onder de grafelijke banieren of kiezen ze voor de opstand? Olivier van Steenbrugghe, de baljuw in Ieper, kiest natuurlijk de zijde van zijn graaf, maar Jacob Van der Berst roept luidop dat er moet worden gekozen voor solidariteit met hun Gentse broeders. Het 'goede' volk roept 'ja' aan de oproep van de graaf en blijft de baljuw steunen. De grote meerderheid van de mensen tiert en buldert 'nee', 'nee','nee'. 'Ende hier huut rees eene groote wapeninghe ende men luude clocke ende scelle ende quam de balliu ende donderbailliu Franse Dale ter maerct by den trooste van eenighe goede lieden ende daer ghebatelgiert zynde worden moghenst de weverie ende de vullers.'

 

Het zit er bovenarms op tussen de partijen. De poorters en de ambachtslieden dreigen er mee de woning van de baljuw aan te vallen. Eén iemand heeft zich nog niet uitgesproken voor welke kant hij zal kiezen. Het is Jan Coppin, de deken van vier kleinere neringen. De burgerij kijkt vertwijfeld naar Jan Coppin. Copin Coppin, zijn zoon, maant Jan aan om de kant van de wevers te kiezen. Diens rechterhand Frans van den Ghilthuuse slaat met zijn zwaard de ramen van het huis stuk en roept 'te wapen'.

 

Opnieuw luiden de klokken in de stad. De vier ambachten hebben de kant gekozen van de wevers en de volders. Jacob Van der Berst en het volk van de Sint-Jansparochie vervoegen nu de massa. Van alle kanten stromen de mensen toe en groeit de meute uit tot één uitzinnige kolk van frustratie. Er volgt een moordpartij in regel. De gegoede burgers en de finefleur van Ieper krijgen er van langs. Tien onder hen worden dood geslagen. Het aantal gewonden valt amper te tellen. Hun eigendommen worden door de opstandigen aangeslagen. De graaf waagt zich enkele dagen later in Wervik in een poging om de gemoederen in Ieper te bedaren en orde op zaken te stellen.

 

Want ook in Brugge en in het Westland is het één en al chaos en rebellie die de klok slaat. De Gentse Kaproenen beseffen dat de graaf kwijlt om te kunnen ingrijpen en zakken met 4.000 à 5.000 man af, 'rechtevoort tYpre'. Lodewijk van Male kiest het hazenpad en keert terug naar Frankrijk. De Gentenaars slaan in de Ieperse binnenstad vijftien poortershuizen kort en klein. De furie van de Witte Kaproenen raast verder doorheen het hele Westland waar veel woningen van graafsgezinden er moeten aan geloven.

 

Ze dreigen er nu ook mee om het bolwerk van Veurne aan te vallen. Maar die van Brugge en het Brugse Vrije willen niet dat ze schade zullen berokkenen in Veurne en ze proberen met die van Gent in Nieuwpoort te onderhandelen. In Brugge is de tweespalt tussen voor- en tegenstanders van de graaf goed te vergelijken met de toestand in Ieper. Hoewel een meerderheid toch graafsgezind is. Het botert al jaren niet tussen Gent en Brugge. De Gentenaars willen kost wat kost vermijden dat die van Brugge het kanaal tussen beide steden willen afwerken en dat steekt in Brugge.

 

De rijke burgerij vreest de agressieve Gentenaars, maar vooral de massa Brugse wevers kiest de zijde van hun Gentse lotgenoten. Een militie van Gentenaars, Ieperlingen en Kortrijkzanen komt na de gesprekken in Nieuwpoort opstomen naar Brugge waar ze de binnenstad binnendringen. Aan de Vrijdagmarkt staan de Brugse textielarbeiders te drummen om zich aan te sluiten bij de opstandelingen. Maar de gehate Leliaards, de Fransgezinde burgers en de rest van de neringen proberen het gepeupel, 'het quaet beleet', met man en macht en met bruut geweld aan te pakken. Er ontvouwt zich een ware slachting.

 

Een hardhandig treffen tussen twee bataljons Bruggelingen en die van Gent. De Gentenaars vallen eerst aan, maar kunnen niet vermijden dat ze uit de stad worden gedreven. 'Op dicendach den 29ste dach van Meye int jaer 1380', verliezen 70 opstandige wevers hun leven. De 8ste van de Wedemaand (juni) nemen een groepje medestanders van de graaf Poperinge zonder enige weerstand in. Maar dat breekt hen zuur op. Jacob Van der Berst en achthonderd van zijn lieden komen orde op zaken stellen in de Ieperse buurstad. Zeker 100 graafsgezinden worden geliquideerd terwijl de rest halsoverkop moet vluchten. Paarden, karren en alles wat enigszins waardevol is, wordt door de Ieperlingen buitgemaakt.

 

Drie dagen later, op Sint-Barnabasdag, wordt er opnieuw een bestand afgesproken. 'De Graeve van Vlaendre' komt naar Brugge en vergeeft alle 'maufaitteurs ende alle rebelheit ghedaen tote deisen daghe.' Hij bevestigt nog een keer de bestaande vrijheden, wetten en gebruiken van de mensen. In Brugge willen ze alles doen wat mogelijk is om verzoenende taal te spreken en hun graaf weer vast in het zadel te plaatsen. Lodewijk maakt gebruik van zijn versterkte machtspositie om in de week van de 19de augustus zestien of achttien wevers wegens insubordinatie op te pakken. Het gemeen van Gent is verbijsterd om de vijandelijke reactie van de graaf. Een menigte verlaat de stad met de bedoeling om terug af te zakken naar het Brugse bastion.

 

De omvangrijke menigte Gentenaars besluit om eerst naar Ieper te trekken en op 'de 27e dach van Oust stoeden zy al de nacht tYpre in de wapens ende trocken voor den daghe uutte te Dixmude waert metten vierendeele van den commune van Ypre.' De graaf bevindt zich net in Diksmuide samen met die van Brugge en het Vrije en heeft er geen vermoeden van dat de rebellen op komst zijn. De goede lieden van Ieper sturen in allerijl twee gezellen naar Lodewijk van Male om hem te verwittigen. Maar die worden op ongeloof onthaald in Diksmuide.

 

Maar als kort daarna, boven de hemel van Woumen, de reusachtige gloed van vuur te zien is, weten ze hoe laat het is. 'Zeere te wapen', roept de graaf, maar die van het Vrije kunnen wel eens traag van reactie zijn, schrijft Olivier van Dixmude. Lodewijk zit al goed en wel en zwaar bewapend op zijn hengst en trekt met die van Brugge te velde. 'Zy quamen buuter de stede van Dixmude ende batelgierden an beeden zyden van de straete, ende scoten bussen in de rechte straete daer die van Ghent quamen.'

 

De opstandelingen zijn verrast door de plotse uitval van de graaf en roepen 'velt, velt', maar tijd om te vluchten in de velden is er niet meer. Ze worden compleet overrompeld. Wat nu volgt is een bloedbad. In de buurt van Woumen worden minstens 3.000 Gentenaars of Ieperlingen vermoord. Nog diezelfde nacht walsen de grafelijke troepen verder naar de stadsmuren van Ieper en vluchten alle kwaadgezinden van Gent en van Ieper halsoverkop naar Gent en geven zo de macht over de stad weer in handen van de goede lieden. De dinsdag daarop komen Lodewijk en zijn troepen triomfantelijk de binnenstad binnen.

 

Ieper krijgt de grafelijke absolutie en er worden op donderdag 300 gijzelaars gevangen genomen. De meesten onder hen zijn wevers en volders. Ze moeten hun wapens inleveren en vliegen allemaal naar Brugge. Dezelfde dag vertrekt de graaf met een grote bende van gewapende medestanders richting Gent en bivakkeert hij in de buurt van Drongen om daarna met groot machtsvertoon de 'stede' van Gent in de tang te nemen. Lodewijk van Male zoekt versterking bij die van Mechelen. Maar er rijzen verwikkelingen. De wevers en de volders van Mechelen zijn solidair met die van Gent en weigeren de graaf te helpen. De goede lieden van Mechelen sluiten zich daarentegen wel aan bij de grafelijke troepen. Buiten de stadsmuren komt het tot een zwaar militair treffen tussen voor- en tegenstanders.

 

Het is de laatste dag van september 1380. De Gentse ambachtslieden die niet behoren tot de wevers of de volders, kiezen de zijde van de graaf. Er wordt geslagen en gevochten en gemoord. De kwaden van Gent en Ieper moet het onderspit delven. Minstens zeshonderd doden. De kapitein van de Witte Kaproenen wordt gevangen genomen, onthoofd en ostentatief op een rad gebonden en geshowd voor de stadsmuren van Gent. Binnen de stadsmuren likken 5.000 ambachtslieden hun wonden of die van hun medestanders. Hier blijven, heeft weinig zin, want als de grafelijke troepen de stad binnentrekken, zullen ze kop van jut zijn. Ze besluiten in groep de stad te verlaten en naar Ename te trekken en zich te vervoegen bij de 2.000 opstandelingen die daar gepositioneerd zijn onder de leiding van sergeanten van Ieper en van het Westland.

 

Ze komen er oog in oog te staan met een bataljon van 1.500 man afkomstig van Rijsel en Douai. Maar die Fransen zijn geen partij voor de Gentenaars; 'die van Ghent wonnen tvelt ende sloughen eenen grooten hoop doot.' Voor Oudenaarde houden nog altijd een aantal graafsgezinde pelotons en hun sergeanten van Brugge en van het Brugse Vrije de stad geblokkeerd. Als ze vernemen wat er zich in Ename aan het afspelen is, besluiten ze zich te mengen in de strijd. De legers treffen elkaar in de Zwalmstreek, 'Zwalme', waar zeker 2.000 opstandelingen worden neergeslagen. Van daar gaat het naar Geraardsbergen en dan naar het nog altijd zwaar bestookte Gent waar het overgebleven gepeupel de strijd voor bekeken houdt.

 

Maar de strijd is nog niet voorbij. De 6de dag van november komen de Gentenaars in Langherbrigghe waar ze Tristan van Halewijn, baljuw van Aalst en de heer van Utkerke en een grote bende uit het Brugse treffen. Tristan en een aantal invloedrijke poorters uit Brugge vinden de dood in het barbaars onderonsje. Die van Gent winnen het veld en zeker 60 graafsgezinden blijven achter op de winterse aarde. Het blijkbaar niet te stoppen geweld heeft het Vlaamse landschap diep besmeurd. Of zoals de kroniekschrijver het neerpent: 'zo waer by sinte Martins avonde in Novembre was ghemaect een besmuedert pays, men seide dat an beeden zyden van nooden was ende myns heeren volc was moede van daer te ligghene.'

 

De winter is gearriveerd en die van Gent, Ieper, Brugge en het Vrije trekken huiswaarts. De graaf van zijn kant zorgt dat de vrijheden van de steden weer hersteld worden maar geeft geenszins een vrijgeleide aan de vele moordenaars die voor de rechtbank zullen moeten verschijnen. Het is nu al het derde vredesbestand op rij. Maar wie op de vlucht is voor de graaf, keert nergens terug. En die van Gent bekommeren zich al helemaal niet om die onnozele vrede.

 

De lente is nog pril en ontluikend op 'Onze-Vrauwenavonde in Maerte', 25 maart, als Gentse milities zwaar bewapend naar Eeklo trekken. De graaf en zijn achterban zien het niet graag gebeuren en versassen alvast de 400 gegijzelde Ieperse wevers en volders, potentiële oproerkraaiers, naar Douai. De zesde dag van mei 1381 proberen die van Gent tevergeefs Kortrijk in te nemen en richten dan opnieuw hun vizier op Brugge. Ze slaan hun kamp op in Nevele en het is op die plek dat de graaf opnieuw een krachtmeting aangaat met de bende onruststokers. Een leger van Ieperlingen en van het Brugse Vrije valt de Gentenaars op 13 mei in alle hevigheid aan en trekt het laken naar zich toe. De leider van de Gentenaars, Raes van Herzele, wordt gedood.

 

Er wordt verteld dat er maar liefst 6.000 van zijn medestanders verbrand, verdronken en dood geslagen worden. Wie kan vluchten, rept zich naar Deinze. Er is voor de eerste keer sprake van de Gentenaar 'myn here tAerdevelt', Filip van Artevelde, die in het begin van juni 1381 gaat praten met de bevelhebbers in Brugge. In afwachting probeert hij zijn achterban in bedwang te houden. Ze hebben ondertussen Geraardsbergen ingenomen, maar op 'sint Pieters avonde in Wedemaent', 29 juni, vindt Lodewijk van Male het welletjes en omsingelt hij het stadje waar die van Gent het zekere voor het onzekere kiezen en het proberen af te trappen richting Gent.

 

De milities van Ieper en van het Westland zien de Gentenaars onder hun banieren de stad Geraardsbergen verlaten en verjagen de bezetters die niet anders kunnen dan halsoverkop te vluchten. De goeden hebben opnieuw gewonnen van de slechteriken vertelt de schrijver. 'Die van Ghent vloon husewaart.'

 

Maar nu beginnen de grafelijke troepen met het beleg van Gent. De 9de juli bivakkeren de manschappen op zowat een mijl van de stad. Nog dezelfde avond beginnen de stenenwerpers zware projectielen af te schieten op de binnenstad. De jonkheer van Hedinghe waagt zich iets te ver bij de stadsmuren en wordt door de Gentenaars gedood. Het nieuws van zijn dood betekent een teleurstelling voor zijn manschappen. Het is hoogzomer en de mannen uit het Vrije willen hun oogsten gaan binnenhalen en verlaten het leger. Tot grote spijt van de graaf. Het beleg wordt dan maar stopgezet. De mannen druipen huiswaarts en die van Gent zijn er niet kwaad om en de volgende dag al staat Lodewijk al in Brugge waar hij zijn kamp opslaat.

 

Zo breekt de herfst aan. De wonden hebben wat tijd om te helen. De moraal wordt opgekrikt. De mensen van Gent rechten de ruggen, 'die van Ghent, die altoos wacker waren, trocken uut sinte Symoensdaghe (28 oktober) ende quamen voor Doinsen (Deinze).' De vijandelijkheden zijn inderdaad weer begonnen en de slachtoffers vallen al weer bij bosjes. Het komt weer tot een confrontatie met de legers van Ieper en van het Westland, maar een onverwachte hagelstorm maakt een einde aan de gevechten. De mannen van de Westhoek gaan nu op beurt naar Aardenburg en Ter Lieve waar ze de troepen van de graaf gaan versterken.

 

'Den 14e dach in sporcle (februari, de sprokkelmaand) of daer omtrent bin desen jare 1381', werd Filip van Artevelde verkozen tot nieuwe leider van Gent. De zoon van de illustere Jacob leidde tot dan toe het leven van een flierefluiter, 'eenen lollaert', maar zijn familienaam klinkt nog altijd als een klok en van zodra hij het leiderschap op zich heeft genomen, ontpopt hij zich als een vurige aanvoerder die te allen prijze de eer van Gent en de Gentenaars hoog wil houden.

 

Een van zijn eerste beleidsdaden, is het samenstellen van een keurleger van 3.000 arglistige en roekeloze vrijbuiters, de 'reisers', dat onder de leiding geplaatst wordt van François Ackerman. Ze krijgen de opdracht om het land af te schuimen, en Vlaanderen onophoudelijk te destabiliseren, mannen te ronselen en vooral om de mensen op te zetten tegen hun graaf. Filip slaagt er verrassend genoeg in om op enkele maanden tijd orde te scheppen binnen de stad. In het voorjaar van 1382 liggen de reisers voor Oudenaarde. Rond deze tijd krijgt de graaf het bezoek van zijn dochter Margaretha van Male. De mannen van François Ackerman besluiten om op 28 maart af te zakken richting Roeselare.

 

Op 6 april sterft Margaretha van Frankrijk, de moeder van de graaf. Een week later verneemt Lodewijk dat Filip van Artevelde met een aanzienlijke troepenmacht Gent verlaten heeft en dat hij op drieste wijze de streek van Oudenaarde en Kortrijk plat aan het lopen is. Overal sluiten zich medestanders aan bij de Gentenaars. Lodewijk kan moeilijk anders dan reageren op de verwoestingen die zijn graafschap ondergaat. Hij laat de leiders en hun medestanders van Ieper, het Vrije en van het Westland naar Brugge komen. Nog nooit heeft zich zo veel volk gemeld, weten de kronieken te vertellen. Er moet opgetreden worden tegen die van Gent. Maar die van Brugge willen ontslagen worden van elke militaire opdracht, want het feest van het Heilig Bloed staat voor deur.

 

Lodewijk moet dat echter allemaal niet weten. 'Hij lietse niet rusten, nemaer deide een ghebot dat alle die hem wel wildet becorten ende wilder voor sterven of hemlieden zo beleeden dat zy alle ryke weisen zouden.' De aanwezigen roepen dat 'zy zeere wilden al met hem avontueren lyf ende goet.' In Brugge zijn ze op de hoogte van ernstige voedseltekorten te Gent. De enigen die tot nog toe voedsel wilden leveren waren die van Brabant, maar graaf Lodewijk heeft zijn relaties aangesproken en die bronnen drooggelegd.

 

Filip van Artevelde weet dat er geen andere keuze opzit dan opnieuw uit de stad te vertrekken. De vredesonderhandelingen die aan de gang waren in Doornik, lopen einde april af op een sisser. De graaf stelt zich onverzoenbaar op. Voor de Gentenaars zit er nog maar één zaak meer op: ze moeten het pleit militair beslechten. De tweede dag van mei 1382 is het zo ver: Artevelde en 8.000 van zijn mannen vertrekken richting Brugge. Op 3 mei, hemelvaartsdag, stationeren ze zich op het Beverhoutsveld, op de grens van Beernem, Assebroek en Oostkamp, op drie mijl van hun doelwit. Bij het gehucht 'Het Vliegend Paard'.

 

Die van Brugge hebben ondertussen hun 'Heilig Bloed' toestanden gehad en tonen zich paraat om de confrontatie met hun belagers aan te gaan. De graaf zou eigenlijk graag nog diezelfde morgen de stad uittrekken maar zijn raadgevers raden hem aan om dat niet te doen, want het leger van de Gentenaars is deze keer niet te onderschatten. 'Na der noene quam mare dat die van Ghent quamen ter steide waert.' 'Te wapen, te wapen' roepen de Bruggelingen. 'Daar galoppeert mynhere de graaf al.'

 

Zwaarbewapend op zijn paard richting markt. Zijn leger is ferm. 12.000 man en daarbij zijn de talrijke edelen en de grote heren nog niet eens bij geteld. De sergeanten en de mannen blijken al de hele dag gedronken te hebben. Dat vertellen de bronnen toch. Onnozel dronken zijn ze, het gevolg van een te goed gevierde Bloedprocessie. Diezelfde bronnen vragen zich af of dit opgezet spel is. Er blijkt ook dat Lodewijk de Haze, een onwettige zoon van de graaf, de zijde gekozen heeft van de Gentenaars en dat die de boodschap heeft overgemaakt dat de Gentenaars eigenlijk niets liever zouden hebben dan vrede te sluiten met de graaf en met de stad van Brugge.

 

Maar de overmoedige en beschonken Bruggelingen willen van geen liefde weten. Velen onder hen zitten nog in de herbergen rond de Meersen waar ze nog volop wijn en bier bijtanken om wat extra moed op te doen en natuurlijk ook om wat te doen aan die vervelende nadorst. Ze willen hun woede koelen op die van Gent die de graaf zo'n groot onrecht hebben aangedaan. Ze besluiten om over 'tpaskin', het kanaal Gent-Brugge, te trekken, maar dat blijkt niet zo'n goed idee te zijn. De duisternis is ondertussen ingevallen en waar ze dachten dat ze de Gentenaars met hun verrassingsmaneuvre konden verrassen, staan ze plots oog in oog met het parate leger van Filip van Artevelde.

 

De graaf wordt geflankeerd door manschappen van het Vrije en van Brugge. Als de strijd losbarst, wordt het snel duidelijk. De Gentenaars hebben duidelijk lessen getrokken uit de voorbije debacles en overrompelen de tegenstand. De graaf kan met de grootste moeite van de wereld ontsnappen aan het bloedbad en daarna trekken de opstandelingen moordend en plunderend door de stad Brugge. De rijke burgers en de graafsgezinde ambachtslieden moeten het ontgelden.

 

De kronieken van Olivier van Dixmude vertellen het in onze prachtige taal van toen: 'in Brugghe geschiede groot jamer ende groote plaghe up tvelt, want daer bleef menich goed man doot. Myn heere die quam met cleenre menichte van zinen edelen bin Brugghe, die van Ghent ne rusten niet zy ne sloughen tvolc doot ende volghenden tot Brugghe ende wonnen ooc de steide.'

 

'Myn heere van Vlaendren quam weder ter maerct waert met lichte omme weider hooft te maekene. Daer wonnen die van Ghent de steide ende daden daer grooten jamer in slainghen van vele goeden lieden ende in rove, ende omme dit wilt men segghen dat eenighe van Brugghe myn heere aldus verrieden. Myn heere ontquam in grooter armoede ende met grooter zoorghe aldus ende quam te Rysele daer hem volgheden groote multitude van goeden lieden.' Brugge is gevallen. Die van Gent blijven acht dagen in Brugge en doen er al wat ze willen.

 

De graaf en zijn brigade zijn het land uitgevlucht dat nu als een rijpe vrucht klaar ligt om geplukt te worden door de wevers. In Brugge komt er een Gentsgezind stadsbestuur onder leiding van gouverneur Pieter van den Bossche en zijn kapitein Pieter de Winter. Vierhonderd Bruggelingen vliegen als gijzelaar naar Gent dat nu eindelijk weer kan ademen. De blokkade is voorbij en er kan weer volop voedsel aangebracht worden. De 7de mei vertrekken de goede lieden van Ieper naar Rijsel waar ze vergaderen met de graaf. Excellent nieuws hebben ze niet te melden. De overwinning van de Gentenaars heeft grote invloed op de kwaden in Ieper die met een bende van 300 man nogal wat ravage aanrichten.

 

De graafsgezinden hebben zich verweerd. Zo goed als ze konden. Twaalf wevers werden gedood en ze slaagden er in om de aanstoker Salomon van den Leene te vangen. Ze hebben hem richting Rijsel gestuurd waar hij onthoofd werd en tentoongesteld op een rad. Maar wat konden ze anders doen dan uit te wijken naar Rijsel als de Gentenaars zich aanmelden om hun stad binnen te vallen? Oudenaarde is nog niet gevallen en de graaf wil dat absoluut zo houden. Hij stuurt ridder Daniël van Halewijn, de heer van Lichtervelde en Drongen er op af. Ende daer trocken vele goeder frissche ghesellen met hem. Hij wordt ook vergezeld door een garnizoen goede Ieperlingen. Diegenen die op de vlucht zijn geslagen zijn in hun thuisstad.

 

De schrik slaat op 21 mei 1382 velen om het hart, wanneer de aarde in volle hevigheid beeft en drie dagen later staat Filip van Artevelde in Ieper. Hij heeft nu met uitzondering van Oudenaarde en Dendermonde, de volledige controle over het graafschap Vlaanderen. De poorters van Ieper zijn volop puin aan het ruimen als van Artevelde de stadsmuren binnen komt gereden. Nogal wat gelovigen beschouwen de aardbeving als een teken van de Heer. Een straf voor het meezeulen met de kwaden. Veel hebben lijf en goed verloren en dan volgt er nog een nieuwe aardschok die nog heviger is dan de voorgaande.

 

'Het is warempel de schuld van een aantal geestelijken die zo graafsgezind zijn dat ze notabene gebeden hebben tot God dat de aarde zou beven.' De lichtgelovige massa besluit in te grijpen en neemt een bewaarder van de Recolletten, de proost van de Augustijnen en twee Predikheren gevangen. Zij zijn het dus die met hun toverkracht zware schade hebben laten aanrichten. De vier geestelijken worden zonder veel show onthoofd. Filip van Artevelde, Lippe de Loddere voor zijn mannen, trekt nu met een flink uit de kluiten gewassen strijdkracht richting Oudenaarde die ze in de tang nemen. De hele omgeving van de stad moet er aan geloven.

 

Vrienden van de graaf worden gedood. Filip wil kost wat kost de macht grijpen in heel het land en afrekenen met alle grafelijke wetten en verordeningen. Heel wat onschuldigen worden gevangen genomen en als gijzelaars naar Gent overgebracht. Pasgeld voor de honderden gijzelnemers, Ieperse wevers die de graaf nog altijd gevangen houdt in Douai en Orchies. Artevelde speelt hoog spel. De graaf moet vervangen worden door de Engelse koning. Hij stuurt twaalf gedeputeerden naar de koning die Vlaanderen aan hem zullen overhandigen. Lodewijk van Male is na de dood van zijn moeder nu ook graaf van Artesië geworden.

 

Het is daar dat hij zijn schoonzoon Filips de Stoute ontmoet. 'Er moet ingegrepen worden om de Engelse machtsgreep in Vlaanderen te verijdelen.' De hertog van Bourgondië krijgt de steun van zijn neef, de jonge Franse koning, om een omvangrijke Franse troepenmacht naar het opstandige graafschap te sturen. De schermutselingen in de grensstreek nemen hand over hand toe. In oktober 1382 'begonsten een groot volc van wapenen neider te commene.' Ze krijgen hulp uit de Westhoek. 'Nu namen die goede lieden eene reise die gherne ghesien hadde dat tland an myn heere terug ghekeert hadde ende trocken eene groote menichte Vlaminghen te Comene waert ende wonnent vechtender hant.'

 

In Ieper wordt er heftig gereageerd op de interventie van de graafsgezinden. 'Ze trocken met grooten volke daerwaert ende jagheden myns heeren volc weider te Ryssel waert ende slougher eene menichte doot ende wonnen veile perden ende daer verdronken eene menichte goede lieden in de Leye. Toen mynen heere dat sach was hy rauwich ende ontboot mynen heere van Bourgoingen zinen (schoon)zone ende bad dat hy zoude doen spoeden.'

 

Rond Sint-Maartensdag 1382, 11 november dus, komt een paraat Frans leger kamperen rond Rijsel. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje door Vlaanderen: de Fransen staan met een grote legermacht klaar om de 'cummune van Vlaendren' binnen te vallen! Filip van Artevelde vraagt versterking aan de Engelse koning. Hij laat het beleg van Oudenaarde voor wat het is. Iedereen in Gent die een wapen in de hand kan houden, wordt gemobiliseerd. Met een leger van 25.000 man trekken de opstandelingen richting Roeselare.

 

De 16de dag van november ligt de Franse koning nog in Seclin, maar dan acht hij het welletjes. Zijn troepen komen in beweging. De volgende dag arriveren ze bij het zwaar bewaakte Komen. 'Ze scoten ende storemden der up, ende de lieden van wapene trocken in cleene sceipkinne ende wonnen by fortsen up de Vlaminghen de Leye.' Het is een relatief kleine groep verkenners die onder leiding van de Franse hertog van Simpy de overkant van de Leie te Komen heeft ingenomen. Wat verderop, aan de Vlaamse zijde van het water, staat het garnizoen van Pieter van den Bussche klaar om de Franse opmars tegen te houden.

 

'Pieter van den Bussche lach met eenen grooten here ontrent Meenen ende hadde verhoort dat de Fransoisen dus overcommen waren, ende quam snachts ontrent middernacht te Comene ende deide sine voorloopers met subtylhede de brugghe van Comene verbernen omme dat men niet te helpen commen souden die daer over waren ende quam treckende up den heere van Sempy.' Maar de Fransen hebben zich verdorie goed georganiseerd en de mannen van van den Bussche worden gevangen genomen en verslagen in de 'donkerheit van den nacht.'

 

De volgende dag herstellen de Fransen de vernielde brug en kunnen de koning en zijn achterban Vlaanderen binnen komen. Ze houden enkele dagen halt en daarna nemen de Fransen Waasten in waar het eerder al tot een confrontatie gekomen was tussen de goede en de slechte lieden en waar de goede lieden in de Leie verdronken waren. De kwaden (diegenen die de zijde kiezen van Artevelde) kiezen het zekere voor het onzekere: het hazenpad. Als het nieuws van de komst van de Fransen en de vlucht van de slechte lieden in Ieper komt overgewaaid, 'zo vloo tqadie der uut te Philips waert.'

 

De sympathisanten van Artevelde worden de stad uit gegooid. 'Ende men brochte de slotels van der steide te Comene den conynck up.' Waarom zou de graaf en de koning iets belegeren en beschadigen wat hem toebehoort? Het nieuws van de overgave van Ieper is natuurlijk prima nieuws voor de graaf en de Fransen. Van Waasten trekken ze nu richting Ieper en slaan ze hun bivak op aan Zillebekevijver. Lodewijk van Male stuurt een delegatie de binnenstad van Ieper in, waar ze de stadsmuren zullen bewaken en de stad van verdere invallen zullen behoeden. De volgende dag is de stad van Ieper in grote nood.

 

Vierduizend gewapende mannen in de Westhoek staan klaar om een aanval op de grachten en de muren te beginnen. De goede lieden alarmeren de graaf die onmiddellijk met een fors leger ter plekke komt en hardhandig een einde maakt aan de belegering. De Fransen hebben nu het Westland ingenomen en beroofd. Nu stormen ze verder op richting 'Roozebeke' waar Artevelde halt heeft gehouden. Die nacht schallen de trompetten als nooit tevoren.

 

De mannen van Artevelde zijn in beweging gekomen en hebben de wapens ter hand genomen. Het zal er om spannen. Iedereen zet zich schrap voor het gevecht. De strijd zal plaatsvinden tussen Passendale en Westrozeke, op het grondgebied van Westrozebeke. Op de weg naar Brugge, op zowat drie mijl van Ieper. In de buurt van de huidige 's Graventafelstraat. 'Zo riep men te wapene, want zy waren commen up eenen sconen couter bezyder kerke.' En daar trekken de Fransen nu naar toe. 'Daar zo stond eene beike ende een helst.

 

Ende doe sach men staen die van Ghent met Philips wel gheordineert in drien grooten bataelgen ende hadden vele ribaudekinne (kanonnen) waer zy vele scaden mede deiden mynen heere.' Filip van Artevelde berijdt een wit paard en voert zijn manschappen met hart en ziel aan. 'Ende doe men aldus ghescoten hadde ende ghestaen wel twee heuren of meer, so sach men Philips beeten te voet in de vorderste bataelge.' Het ziet er niet goed uit voor de Vlamingen, de flanken van Filips leger worden geteisterd. 'Men begoste te porren an elke zyde ende dan quam an myn heere van Vlaendre ende dor wart daere zeere ghevochten, ende de achterhoede van den Vlaminghen worden vluchtich.' Het onderspit komt in zicht.

 

En daar komt de auriflamme, de koninklijke banier ten tonele. De koning van Frankrijk in hoogsteigen persoon. Dus won 'de conynck en myn heere de victorie up desen dach te Rosebeke.' Filip van Artevelde sneuvelt op zijn veld van eer. 'Daer bleef Philips zelve ende alle zine stoutste doot in de voorbataelge. Daer zaten up wel vyf hondert glavien (gewapende mannen) enden daden grooten moort int volc van Ghent. Zo bleever een ghedeel lieden van wapenen doot, daer of een was myn heere van Waverin ende her Roeger van Moerkerke ende andere.' Langs alle zijden worden er Vlamingen doodgeslagen. Een deel onder hen probeert te vluchten en zich te verschuilen in een schuur, maar die wordt in brand gestoken en de mannen worden genadeloos aan de vlammen opgeofferd.

 

Franse schrijvers menen te weten dat er 25.000 en zelfs 40.000 mensen sneuvelen in Westrozebeke. Onze kroniekschrijver Olivier van Dixmude komt af met een meer bescheiden aantal doden. Hoewel. 'Te deisen wyghe bleeven wel doot twaelf duizend of meer also men zeide ende deise wych was int jaer 1382, den 17sten dach in Novembre.' Het beleg van Oudenaarde wordt opgeheven. De overlevenden van Westrozebeke strompelen hun thuisstad Gent binnen. De rouw is hevig en intens. Iedereen heeft vrienden of familie verloren. De mensen leven in het ongewisse.

 

Waar blijven hun geliefden? Maar die komen niet meer terug. De Fransen slaan hun tenten op in Kortrijk en de graaf trekt naar Harelbeke. 'Ende de Fransoysen voeren al tland duere rooven ende namen al dat zy vonden.' De stad Brugge paait de koning met een grote som geld en de goede lieden van de stad engageren zich opnieuw in het team van Lodewijk van Male. De steden van Vlaanderen hebben niet veel keuze: als ze niet met geld over de brug komen, zullen ze verwoest worden. Nadat de Franse koning een week verbleven heeft in Kortrijk, trekt hij naar Ieper. Ook hier wordt gedreigd dat alles kort en klein zal geslagen worden als er geen afkoopsom zal worden betaald.

 

De goede heren trekken naar de graaf om hun beklag te doen over de hebberigheid en de dreigementen van de Franse vorst. Maar Lodewijk staat met zijn rug tegen de muur. De Ieperlingen kunnen er niet onderuit. Vijftienduizend frank moet er op tafel worden gelegd. En liefst onmiddellijk. Gebeurt die betaling wel tijdig? Het zou wel eens kunnen zijn van niet, want archivaris Lambin, de man die de kronieken van Olivier van Dixmude herwerkt, vindt in zijn archieven sporen van de komst van een Frans leger naar Ieper op 18 november 1382.

 

Blijkbaar willen de inwoners van Ieper weerstand bieden tegen de Fransen en verliezen 300 poorters hierbij het leven met daar bovenop nog vele gevangenen en gewonden. De Franse koning vertrekt in elk geval zes dagen voor midwinter, 15 december, uit Kortrijk richting Doornik. Als afscheidsgeschenkje laat hij de stad Kortrijk aan alle kanten in brand steken.

 

'Ende myn heere van Vlaendre trac tOudenaerde ende van Oudenaerde te Dorneke, daer hilden de heeren hare medewinter.' Lodewijk van Male is nu opnieuw baas in Vlaanderen. De graafsgezinden komen weer aan de macht in Ieper. De wevers van Gent blijven weerbarstig. De Fransen hebben amper hun hielen gelicht als de Gentenaars op midwinternacht Aardenburg, 'Herdembourcht', overvallen, beroven en vernielen. De graaf kan de macht opnieuw in handen krijgen, maar het illustreert de blijvende onrust in Vlaanderen. 'Den 27e dach in Lauwe (januari) quamen zy weider ende wonnent vichterderhant' en ook de Engelsen mengen zich weer in de debatten. Op 20 mei 1383 nemen ze Grevelingen in en drie dagen later staan ze in Duinkerke. Die van het Vrije en van Veurnambacht zien dat het gevaar op komst is en stellen Jan Hauweel, de heer van Haezebroek en raadgever van de graaf, aan als hun kapitein.

 

Ze gaan de confrontatie aan met de voorhoede van de Engelsen in Duinkerke. 'Daer worden zy vichtende ende de Vlaminghen wonner tvelt ende slougher wel twee hondert doot, ende dander vloon in in haren sceipen.' Ongetwijfeld moeten de Westhoekers ontzet toegezien hebben hoe ze slechts te maken kregen met een voorpost wanneer 4000 boogschutters, 'archiers', en een flinke Engelse troepenmacht aan land komen. Nu pas is er sprake van een algemene mobilisatie in het graafschap. En dan gaat een groot Vlaamse leger de Engelsen tegemoet.

 

Die van den Vryen riepen 'an den man, an den man ende liepen also ongheordineert up dingelschen die daer stoeden wel gheordineert, ende eer zy half toe quamen zoo quamen van bezyden uuten dunen alle ghone archiers also zy gheordineert waren ende duerscoten ons lieden dat zy by grooten hoopen ter neider doot vielen. Doe worden zy alle ghesconfiert ende vloon alle ende verdronken hem veile in pitten, in dyken en sloughenre veile doot. Daar bleiven also men seide wel zes duizent of meer doot.' Zesduizend Vlaamse doden vallen er in Duinkerke te betreuren op 25 mei van het jaar 1383.

 

Het verbijsterend nieuws sijpelt nog diezelfde nacht binnen in Ieper. De goede lieden zien de bui al hangen. De Engelsen zijn op komst naar Ieper en het zal er op aan komen om de stad zo goed als mogelijk uit hun klauwen te houden. De stad zal moeten versterkt worden. De graaf van Vlaanderen stelt Pieter van den Zype aan als de nieuwe kapitein van de stad en hij zal er moeten voor zorgen dat zijn Ieper overeind blijft. Jullie hebben het hele verhaal van het beleg van Ieper pas kunnen lezen. De kronieken van Olivier van Dixmude zijn er een welgekomen aanvulling van. De opbouw van de verdediging gebeurt met man en macht.

 

'Ze hadden haestelike ghesellen te Parys ghesent omme salpeter, ende hadde dat niet in tyd ghekommen men hadde de steide niet moghen houden, zoo het quam twee daghe, ende niet meer eer dinghelschen voor de steide quamen of gerochten. De 10de dag van de Wedemaand (juni) beginnen de Engelsen aan de belegering van de stad Ieper. Ende ontrent vespertyt up den zelven dach, zoo quamen die van Ghent ooc voor de steide.' De Engelsen gaan in alliantie met de Gentenaars en proberen om Ieper, het bastion van de graaf, in te nemen en zo weer de macht te grijpen in Vlaanderen. De stad wordt nu omsingeld. De manschappen slaan hun kampementen op in de 'voorgeborchten van der steide'.

 

Tijdens de nacht wagen enkele Ieperse durfallen zich met toortsen buiten de stadsmuren en steken ze de tenten van de slapende Engelsen en Gentenaars in brand en slagen ze er nog in ook om ongeschonden terug te keren bij hun juichende stadsgenoten. 'Dese stede van Ypre was beleit alomme tot in de grachten van de steide, ende daden de vyanden menich zwaer assaut up de steide van den welke zy altoos groote scade namen ende somwyls trac met huut ende men deide hemlieden groote scade.'

 

De brutale aanvalspogingen van de vijand worden door de Ieperlingen beantwoord met venijnige tegenprikken. Het spel duurt twee maand! 'Ende dit gheduerende toten 8n dach van Oust. De Engelsen moeten en zullen Ieper innemen en wagen die dag een alles-of-niets poging. Doe quamen zy by vorsienichede up eene tyd an alle canten de steide bestryden ende stormen, ende dat was tvreeselicst ghemoet dat men ghesien heeft.' De ultieme aanval duurt bijna vier uur. De Ieperlingen geloven er rotsvast in dat hun stad door 'Ons Heere God' beschermd wordt. Hij zorgt er persoonlijk voor dat de vijanden grote averij oplopen en dat er veel edelen sneuvelen. En vooral dat de mensen in Ieper gespaard blijven.

 

Er vallen in die twee maanden slechts twee dodelijke slachtoffers te melden. En er zijn al bij al weinig gewonden. Dus moeten ze wel hun beschermer eren en loven. En het werkt opnieuw. De lucht gaat dicht, de wolken trekken zich samen en 'dan vlogher also dicke als thaghel ware uuten hemele.' Een dessert aangeboden door de Heer. En in Ieper worden van der Zype, Frans Belle en zijn zoon Joris, Jacob Belle, Olivier van Loo, Olivier de Reuse, Jan Rycasseis en enkele anderen tot ridder geslagen. De Engelsen krijgen er nog een plaag bovenop. 'Nu was buten zo groote plaghe onder dingelschen van eere siechede dat men heet troode menisoen. Het blijkt om buikpijn, buikloop en dysenterie te gaan.' Hele zwermen groene vleesvliegen teisteren de zwalpende soldaten.

 

Tot anderhalve centimeter lang zijn de vleesvliegen die tijdens deze hoogzomerdagen van 1383 natuurlijk perfect gedijen in dit landschap van opengereten lijken en van rottend vlees. Kan je eigenlijk deze ellende goed omschrijven? De Engelsen houden het beleg voor bekeken. De geruchten worden sterker met de dag dat de koning van Frankrijk onderweg is met een leger. De 11de augustus verlaten ze uitgeteld en met stille trom de diep opgeluchte stad van Ieper.

 

En nu trekken de Engelsen het Westland in. Dat gebied moeten ze absoluut in handen houden. Sint-Winoksbergen, Broekburg en Grevelingen. De Franse koning quam te Cassele in Vlaendren, metten meesten here dat men zeide dat noit bin hondert jaren conync hadde van zo veile groote heren ende alle eidel volc.' Vanuit Cassel rukken de Fransen nu op naar Sint-Winoksbergen en 's nachts vliegen de Engelsen er buiten. De volgende dag gaat het richting Broekburg waar ze aankomen rond de vespertijd.

 

Vijf uur in de namiddag. 'Ende daer ghinghe, de heren logieren ende al de wyle stont there al ghebatelgiert up een scone velt voor de steide met ontwondene banieren ende al met wapinrocken. Welce was tscoonste volc te siene dat men ghesien heeft, ende men seide datter wel waren twee hondert duust perden of meer.' Het zal wel een lichte overdrijving zijn van de schrijver. De Engelsen binnen de muren van de stad weren zich als duivels in een wijwatervat. Ze worden van alle kanten bestookt. Een regen van vuurpijlen richt grote schade aan, maar de Engelsen wijken niet. Het beleg duurt zes dagen. Maar dan besluiten de Fransen niet langer hun energie te verspillen aan Broekburg.

 

Die vuile smerige bisschop van Norwich moeten ze hebben. De aanvoerder van de Engelsen die Ieper zo lang in de tang hebben gehouden. Norwich heeft gemoord en gebrand op Frans grondgebied en die zit nu opnieuw in Grevelingen. Met zijn leger van duizenden gewapende mannen en met zijn getrainde boogschutters. Olivier van Dixmude stelt er zich geen vragen bij. In plaats van Grevelingen in te nemen en de Engelsen definitief de les te lezen, stelt de Franse legerleiding zich tevreden om in te gaan op de vraag van Norwich en te onderhandelen. Wat de kroniekschrijver niet weet, is dat de bisschop tijd wil winnen in afwachting van de komst van overzeese hulp en dat de Franse koning van zijn kant in grote financiële nood is geraakt om de soldij van zijn mannen te betalen.

 

De Fransen willen niet meer vechten en in Engeland laten ze Norwich doelbewust aan zijn lot over want de kritiek over zijn mislukte aanpak in Ieper is helemaal niet mals. De partijen onderhandelen dus. Jan de Montfort, de hertog van Bretagne zorgt voor een akkoord. De Engelsen mogen ongestoord vertrekken naar hun thuisland. Vijftienduizend frank moeten ze afdokken om de schade in Grevelingen te vergoeden. De bezetting van Broekburg en Grevelingen wordt afgebroken. De verrassende implosie van het Franse leger en de aftocht van de Engelsen bezorgt de Gentenaars, met uitzondering van de Westhoek, plots weer een dominante positie in Vlaanderen.

 

Die van Gent, die maandenlang Ieper hebben gegeseld, trekken nu bruut en genadeloos terug naar hun thuisstad van waaruit ze Vlaanderen blijven teisteren. Frans Ackerman rukt op met een menigte naar het zwaar versterkte Oudenaarde dat hij na een beleg van drie maanden en dito hongersnood uiteindelijk op de knieën krijgt. Maar graaf Lodewijk van Male blijft zich onverzoenlijk opstellen tegen de Gentenaars en omsingelt op zijn beurt het Gentse Oudenaarde.

 

De patstelling is nu compleet. Op 21 december 1383 riskeren de Gentenaars een verrassingsaanval op Wervik. En die mislukt. 'Ende ontrent midwinter daden de reisers van Ghent eene reise met eene groote menichte ende quamen te Werveke ende myns heeren lieden stelder hem jeghen ende bleiven daer die van Ghent meest alle doot ende verdronken. Ende corts hierna, den 22n dach in sporcle 1384 (22-2-1384), zo staerf myn heere van Vlaendre de goede grave Lodewyc, wies siele God hebben moete, ende men seide dat hy te Buenen (Boulogne) hadde zulke woorden jeghen den hertoge van Berry, dat hy tbloet daeromme beroerde ende quam tsint Omaers ende daer staerf hy.'

 

Lambin komt tussen. Graaf Lodewijk van Male overlijdt niet op 22-2-1384 maar wel op 9 januari. Hij krijgt ruzie met de hertog van Berry die hem met een dolk neersteekt. De' goede graaf', zoals Olivier van Dixmude hem pleegt te noemen, is de laatste tien jaar van zijn leven grotendeels persona non grata geweest in zijn eigen Vlaanderen. Alleen in Ieper en in het Westland kon hij zijn positie min of meer handhaven. De laatste graaf van het geslacht van de Dampierres sterft een roemloze dood en wordt net zoals zijn voorgangers bewust om het leven gebracht.

 

In het jaar 84 (1384) slaagt ridder Gijsbrecht Van Leeuwergem er in om het bolwerk Oudenaarde te heroveren. De 27ste mei komt het overdag tot een bloedig gevecht met de Gentenaars die het onderspit moeten delven. De oorlog lijk in een definitieve plooi te vallen. De heer van Bourgondië, Filips de Stoute, de schoonzoon van de overleden Lodewijk, is nu de nieuwe graaf van Vlaanderen. 'Ende myn heere van Borgoingen ende myn vrauwe zyn wyf onse graefneide quamen te Vlaendre waert in deisen tyde, te Brugghe, tYpre ende al tlant duere uute ghesteiken te Ghent, ende was ontfanghen over heere in cause van mer vrauwe zinen wive.'

 

Lambin vertelt nog enkele extra details: het bezoek van Filips de Stoute en Margaretha van Male aan Ieper vindt plaats op 15 december 1384. 'Ze waeren vergezelschapt door mevrouw van Nivers en de stad deed hun kostelyke geschenken.' Na hun passage door Vlaanderen zijn de graaf en zijn madam weer vertrokken richting Frankrijk. De vijandelijkheden laaien opnieuw in volle hevigheid op. De Gentenaars zijn volledig geïsoleerd maar hebben het voorbije jaar keer op keer geprobeerd om hulp te krijgen vanuit Engeland. Nu en dan komen er Engelse wolschepen naar Gent. De pogingen van Gent lijken succes te hebben wanneer er in november 1384 sprake is van enkele oorlogsschepen voor de Vlaamse kust en er uiteindelijk een eerder bescheiden troepenmacht landt tijdens de winter van 1384-1385.

 

Die van Gent willen een doorgang tussen Gent en de kust forceren. Een bruggenhoofd zal de Engelsen toelaten om Vlaanderen en vooral het verzwakte Frankrijk binnen te dringen. Er zijn al eerder pogingen ondernomen om Aardenburg, Sluis en zelfs Brugge in te nemen. Maar die zijn allemaal op een sisser afgelopen. Rond Sint-Jansmesse, half juni 1385, trekken de rebellen van Frans Ackerman op naar Biervliet dat ze met succes veroveren. Van daar gaat het naar bastion van Damme dat door een garnizoen Ieperlingen onder leiding van de heer van Simpy wordt bezet.

 

Tijdens de nacht van 16 juli breekt het gevecht los. Damme moet er aan geloven en dat maakt graaf Filips de Stoute deze keer wel zenuwachtig. De havens van Sluis en het Zwin zijn cruciaal in de verdediging van Frankrijk. De mannen van Ackerman 'hildens so langhe dat de conynck van Vrankerike ende myn heere van Bourgoingen neider quamen ende belaghen den Dam mitsgaders den goeden lieden van den lande, ende dit was den anderen dach van Oust, ende sinte Augustyns daghe was de steide ghewonnen by dat de capitain daer uut vloo by miede, also men seide.' Deze keer loopt de rebellie van de wevers nu echt wel op zijn laatste beentjes.

 

Het hinterland van Gent, De Vier Ambachten, wordt door de goede lieden onder de voet gelopen. Het hele bevoorradingsgebied van de stad loopt zware averij op. De eindeloze oorlog heeft alle partijen moe gemaakt. Het was 'de meeste plaghe die Vlaendre oyt hadde, so worden de meeste menichte van Ghent moede en droughen over een dat zy pays wilden versoeken.' De meeste Gentenaars willen eindelijk rust en kalmte en vrede en drukken de harde radicale kern in het defensief. Onder druk van zijn vrouw, voelt de graaf zich uiteindelijk bereid om gesprekken aan te knopen met die van Gent. Wat als hij nu eens de spons zou vegen over het hele godverdomse verleden? Zelfs de privileges en de stedelijke vrijheden zouden kunnen behouden blijven.

 

De gematigde Gentenaars, de mensen die hun commerciële activiteiten in elkaar hebben zien stuiken de voorbije jaren, snakken naar een heropleving van de vrede en van hun zaken. De opstandelingen blijven zich echter verzetten tegen de grafelijke voorstellen. Maar het einde is in zicht. 'Ende quam so verre dat mer Jan Van Heile ontboden was in Ghent ende de maniere voor oghen gheleit, de welke trac tot mer vrauwe van Vlaendre ende liet haer voor oghen, ende soe myn heere van Bourgoingen haren man, ende badt voor de steide van Ghent.

 

Was zo verre ghedaen dat myn heere ende myn vrauwe te Dorneke quamen daer die van Ghent blydelike met grooten state quamen al meest de beleeders van Ghent.' We leven in het jaar 85. December 1385. De conferentie van Doornik maakt op Sint-Thomasdag een einde aan de vuile oorlog tussen Gent en de graaf. De vrijheden zijn terug. De gevangen Gentenaars mogen uit hun ballingschap terugkeren en alle geconfisqueerde eigendommen worden teruggegeven aan hun respectieve eigenaars.

 

De Gentenaars worden verplicht de koning van Frankrijk als hun koning te erkennen. En dat is ongetwijfeld de zuurste appel van de vrede. Het opgeven van de alliantie met de koning van Engeland, betekent een bocht van 180 graden. Filips de Stoute heeft zijn slag thuis gehaald. En dat terwijl er de voorbije 50 jaar in wezen niets fundamenteel veranderd is aan de geschillen die geleid hebben tot die tot deze burgeroorlog uitgegroeide volksopstand.

 

'Aldus navolghende dat alle quaetdoenres hem alle vergheeven was, also wel ballinghen als andre fugitive, ende alle maufaitteurs mochten commen in hare steiden ende in haer goet also zyt vonden, nader voorme ende coudicie van den vorseiden pais, daer of dat lettren zyn groot ende overgaenede lanc.' De vrede is er! In 1386 wordt het stilaan tijd voor een officieel staatsbezoek aan het graafschap Vlaanderen. De grote heren verwaardigen zich om op visite te komen. De koning van Frankrijk, myn heere van Bourgoingen, de here van Berry ende groote menichte van andren princhen quam neidert waert in Vlaendre.

 

Vooral de term 'neidert waert' spreekt na al die tijd nog boekdelen. Ieper krijgt op 17 oktober de dubieuze eer om het luisterlijk gevolg van koning Charles le Fou te mogen verwelkomen. In de maand november is er sprake van een troepenconcentratie in Sluis en ontvouwen de plannen zich om een invasie van Engeland te organiseren. Maar nog binnen diezelfde novembermaand keren alle soldaten onverrichterzake terug. Dat de oorzaken van de mistevredenheid in Gent niet zijn weggenomen, kunnen we uitmaken uit het vervolg van de kronieken van Olivier van Dixmude: 'Item als men screef 92 (1392) soo waeren te Ghent in de wapene omme cause van eenighen wetten of costumen ende vryheden die men hemlieden of breiken wilden by toedoene van eenighen officyers in Vlaendre, twelke de wet ende de goede lieden so paisierden dat sy ghingen uuter wapene.'

 

De gedragsdragers in Gent mogen zich komen verantwoorden bij de graaf te Rijsel waar ze allesbehalve vriendelijk worden ontvangen. Is het weer van dat geweest? Die van Gent merken op dat ze alleen maar opgekomen zijn voor hun stedelijke rechten. Maar die dreigen ze alsnog te verliezen. De macht van Filips de Stoute is veelbetekenend. De Gentse delegatie moet door het stof kruipen: 'zy baden mynen heere dat men hem hilde dat hy hemlieden ghezwooren hadde, zy zouden altoos themwaert doen als goede lieden.' Ze zweren op hun eerstecommuniezieltje dat ze voortaan goede lieden zullen zijn.

 

Het jaar 1400 breekt aan. Weg zijn die honderd rebelse jaren van de jaren 1300. Weg is de zelf uitgeroepen autoriteit van de Vlaamse steden. De macht van Gent is gebroken. Ieper is nog een schim in vergelijking met zijn exuberante status ergens halfweg de jaren 1200. Het huis van Bourgondië dicteert nu de wetten in het land. De kronieken van Olivier van Dixmude gaan verder tot 1447, maar de eeuwovergang is meteen ook een stap in de nieuwe wereld van Vlaanderen. En die zullen we ongetwijfeld in een volgende episode toelichten.