P1384100

De euforie van de overwinning tegen de Engelsen en de Gentenaars houdt enkele dagen aan. Het duurt nog een tijdje vooraleer de Ieperlingen echt beginnen te beseffen in welke lamentabele toestand hun stad achtergebleven is. In het heetst van de strijd had er niemand enige tijd of aandacht besteed aan de verwoestingen en de vernielingen. Vooral de buitenwijken bevinden zich in een schrijnende toestand. De gebieden waar enkele maanden geleden nog het vlijtigste en actiefste deel van de bevolking woonde, zijn nu veranderd in een uitgestrekte wildernis die bezaaid is met ruïnes.

 

Her en der in dit desolate gebied verrijzen de door het vuur verwoestte torens die klaar staan om in te storten. De kerken van het Heilig Kruis en van Sint-Michiel zijn volledig vernield. Die van Sint-Jan en van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen zijn zwaar beschadigd maar blijven uiteindelijk toch overeind staan. Verscheidene kloosters met onder andere dat van Sint-Christina, dat van de begijnen en van Sint-Thomas hebben zodanig te lijden gehad, dat er niet veel meer anders te doen valt dan die af te breken. Van de duizenden arbeidershuisjes resten alleen stapels puin. Een snelle wederopbouw van de buitenwijken ligt blijkbaar moeilijk want vooral hertog Filip de Stoute is de reeks van opstoten die vanuit die grauwe arbeiderskwartieren opborrelden, niet vergeten.

 

Ook in de binnenstad is de schade substantieel. De vestingen zijn zwaar beschadigd. Veel vestingmuren zijn stuk. Het hele systeem van waterleiding dat de stad van zoet water moet voorzien, is kapot. Het kanaal en de vaart waarlangs de goederen de stad binnen moesten komen, zijn onbruikbaar geworden. De vijandelijke stenen ballen en de duizenden brandende projectielen hebben aanzienlijke schade toegebracht aan de gebouwen in het centrum.

 

Het dak van de lakenhalle moet helemaal vernieuwd worden. Zelf de draak die al die tijd hoog boven het belfort uit torende, moet gedemonteerd en naar beneden gehaald worden. Het aantal doden en gewonden blijft een raadsel. De kronieken minimaliseren het aantal dodelijke slachtoffers, maar laten toch een massaal aantal gekwetste burgers uitschijnen. De vernieling van de buitenwijken zorgt voor een sterke daling van de inkomsten voor de stad. Net op het moment dat de fondsen broodnodig zijn om de waterleiding te herstellen, om de kanalen weer bevaarbaar te maken en om de vestingmuren weer op te bouwen.

 

Het stadsbestuur ziet zich verplicht om leningen aan te gaan en de gebruikelijke jaarlijkse toelagen en rentes op een later tijdstip uit te betalen aan alle Ieperlingen die daar recht op hebben. De burgers die het gewoon zijn van te leven van de handel en de nijverheid zijn na het beleg zo goed als geruïneerd. De reden is niet ver te zoeken: de meesten hebben maanden aan een stuk geen enkel contact gehad met hun zakenpartners buiten de stad.

 

Naar het einde van 1383 wordt het sinister plaatje van het voorbije beleg meer en meer duidelijk: de financiële toestand van de stad en zijn burgers is zwaar verstoord. In december 1383 verleent de hertog van Bourgondië uitstel van betalingen van een schuld die de inwoners contractueel moeten betalen aan de stad Antwerpen. En dat is blijkbaar hoognodig. De Ieperlingen durven zich haast niet meer te tonen in Antwerpen omdat ze vrezen dat ze er in de gevangenis zullen belanden en dat hun koopwaar in beslag zal worden genomen. Ook de Franse koning Karel VI geeft financieel respijt Allen die de komende 5 jaar naar Frankrijk reizen om er zaken te doen, kunnen gebruik maken van betalingsgunstige wisselbrieven.

 

In januari 1386 zijn de herstelwerken aan de vestingmuren nog altijd niet afgerond. Om de magistraten in staat te stellen om het restauratiewerk verder te zetten, krijgen ze de toelating van de Filips de Stoute om gedurende de volgende vijf jaar een aanvullende belasting te heffen. De talrijk aanwezige religieuze gemeenschappen hebben al evenzeer te lijden gehad. Het klooster van de Sint-Maartenskerk is tot puin herleid. De monniken zien hun bezittingen verwoest. Van wat moeten de kloosterlingen nu leven? De schepenen van de stad tonen zich vrijgevig en in ruil voor die gulheid engageren de geestelijken zich om elke zaterdag na de vespers het 'Salve Regina' te zingen en onder het klokkengelui van de grote klokken een processie te houden rond de Sint-Maartenskerk.

 

Moeilijk gaat ook. De Ieperlingen laten zich uiteindelijk niet kennen tijdens de jaren, dat het financieel moeilijk loopt. We herhalen wat Diegerick in 1853 schrijft over de Ieperlingen: 'alles wat de mensen in die periode op materieel vlak hebben verloren, hebben ze uiteindelijk toegevoegd aan hun eer en glorie'. Ieper wordt, met uitzondering van de buitenwijken die niet worden heropgebouwd, opnieuw de stad die ze was voor het beleg. De Ieperlingen blijven hardnekkig hun trouw betonen aan de Heilige Stoel van de paus in Rome. Ondanks de tegenstand en het verzet hiertegen van de hertog van Bourgondië die zijn schoonvader Lodewijk van Male is opgevolgd als nieuwe graaf van Vlaanderen. Ieper ziet zijn verzet tegen de paus van Avignon in mei van het jaar 1386 beloond met een pauselijke bul van erkentelijkheid. Maar wat koop je daar nu mee?

 

Hoe heldhaftig, glorievol en prestigieus het volk van Ieper de belegering van 1383 ook mag hebben aangepakt, we kunnen niet onderuit aan de droge vaststelling dat het beleg de finale genadeslag toebrengt aan de Ieperse economie en een brutaal einde maakt aan de pracht, uitstraling en de overvloedige rijkdom van de stad. De gewelddadige aanvaring tussen Engeland en de stad van Ieper heeft er voor gezorgd dat de stad zich nu definitief ontgriefd ziet van de kwalitatieve Engelse wol die de voorbije eeuwen zo goed gezorgd heeft voor de vitaliteit van haar lakennijverheid.

 

De Ieperse magistraten proberen met man en macht de neergang van hun textielnijverheid tegen te gaan. Tegen beter weten in geloven ze nog altijd in een wederopstanding van hun economie en proberen ze hun wol nu vanuit Spanje te betrekken. Maar het zijn vergeefse inspanningen. De minderwaardige kwaliteit van de zuiderse wol haalt de topkwaliteit van het Ieperse textiel onderuit. Vooral in de wetenschap dat Engeland nu zelf de eigen wol gaat verwerken in eigen hogekwaliteits eindproducten die nu de concurrentie aangaan met de Vlaamse textielhandelaars. Die concurrentie speelt zich zo verdraaid hard af dat ze uiteindelijk de hele Ieperse lakennijverheid onderuit haalt.

 

De zieltogende Ieperse lakennijverheid zal nog anderhalve eeuw in stand worden gehouden. Een aaneengesloten doodsstrijd die met de dag pijnlijker zichtbaar wordt. Hele families arbeiders vertrekken met hun hebben en houden naar Engeland en Holland om er te gaan werken in diezelfde textielbranche die nu definitief afgelopen is in hun thuisstad.

 

Maar laat ons nog even terugkeren naar de gebeurtenissen die zich in Vlaanderen afspelen wanneer de Engelsen en de Gentenaars beslissen om het beleg te staken. Terug naar vrijdag 8 augustus 1383. De partijen scheiden zich van elkaar. Ackerman en de rest van de Gentse kapiteins trekken naar Gent terwijl de bisschop van Norwich zich met een groot deel van zijn troepen terugplooit bij Grevelingen. Hugo de Cavreley en de rest van het Engelse leger settelen zich voorlopig binnen de stadsmuren van Sint-Winoksbergen.

 

Een aantal Engelse en Gentse benden trekken nergens naartoe. Het enige wat die haveloze mannen willen, is buit en plunderen. Nu trekken ze door de Westhoek. Ze laten een spoor van vernieling en brandstichting achter in de stadjes en de kastelen. Vooral de inwoners van Nieuwpoort zijn kop van jut. Enkele tijd geleden hadden ze de Engelsen nog aangevallen en nu betalen ze de rekening hiervoor. Ze worden verrast door de brutale mannen die de stad overleveren aan het ijzer en het vuur. Naar verluidt blijft er tijdens die vergeldingsactie niet één huis overeind.

 

Bisschop Henri Spencer probeert zich te verontschuldigingen bij zijn achterban van ridders. Ze hadden hem nochtans gewaarschuwd rond de gevaren van dergelijke belegering. Hij probeert natuurlijk de schande van zijn eigen nederlaag te verdoezelen. Zijn eigen troepen zijn het slachtoffer geworden van mogelijk verraad van enkele van zijn aanvoerders. Onder andere worden de namen van Guillaume Helman en Nicolas Trivet als verraders worden naar voor gebracht. De Franse koning Karel VI, de jongen is 15 jaar in 1383, ontmoet zijn vazallen in Arras.

 

Ook meerdere buitenlandse heren met naam en faam zijn er present. Ze staan aan het hoofd van een strijdkracht van 16.000 tot op de tanden bewapende ridders of schildknechten die het bevel voeren over 60.000 man voetvolk. Het leger verplaatst zich langzaam naar St.-Omer en naar Kassel waar de Engelse divisie, die de stad belegert ondertussen het hazenpad heeft gekozen richting Sint-Winoksbergen. De stad wordt nog maar eens zwaar beschadigd door de Fransen. De hele streek wordt gescreend op overgebleven Engelsen.

 

Ze treffen die bijvoorbeeld in Eringhem of in allerlei kastelen. Aanvoerder Olivier geeft de opdracht om ze met zijn allen zonder pardon om het leven te brengen. Uiteindelijk komt het flink uit de kluiten gewassen Franse leger op 7 september aan bij de stadsmuren van Sint-Winoksbergen. Een Engelse heraut schrikt zich een bult als hij de omvang ziet van dat vijandelijk leger dat zich aanbiedt bij de stad. Hij haast zich om verslag uit te brengen aan zijn overste Hugo de Cavreley. Maar die wil hem niet geloven. Maar als enkele ogenblikken later in alle hoeken van de Bergense vestingen alarm wordt geslagen en de bevelhebber toegesneld komt, kan hij niet anders dan het grote gelijk van zijn heraut te erkennen.

 

De Engelsen verlaten de stad halsoverkop. Ze trekken zich terug naar Broekburg. De stadspoorten staan wagenwijd open als de Fransen aankomen en ze nemen Sint-Winoksbergen zonder slag of stoot in. De burgers van de stad zijn de pineut. De vrouwen kunnen ontsnappen aan de wreedheid van de soldaten en ze worden weggestuurd naar St.-Omer. Alle mannen worden geëxecuteerd en het stadje wordt nu overgeleverd aan het vuur en de vlammen. De Fransen rukken nu verder op naar Broekburg die ze van alle kanten in de tang nemen.

 

Op diezelfde dag verlaten 400 Gentenaars hun stad onder leiding van François Ackerman. Midden in de nacht verrassen ze die van Dendermonde en nemen ze de stad bliksemsnel in. Ze vinden er grote voorraden proviand en legermateriaal waar ze gretig van profiteren. De magazijnen die toebehoren aan vreemde handelaars laten ze veiligheidshalve ongemoeid. Ondertussen, zo'n 150 km verder in het westen, is de strijd om Broekburg losgebarsten.

 

De Franse artillerie richt aanzienlijke schade aan. Brandende projectielen steken de brand aan op meer dan 40 plekken in de stad. De Engelsen vechten voor wat ze waard zijn als de bestorming begint. Maar Hugo de Cavreley en de andere kapiteins hebben door dat ze geen partij zijn voor dergelijke overmacht. Dank zij de bescherming van de hertog van Bourgondië, kunnen ze onderhandelingen starten met de Franse koning. De Engelsen bieden aan om weg te trekken uit Broekburg en niet verder te vechten. Met de goedkeuring van de Fransen, trekken ze zich op 19 september met pak en zak terug richting Grevelingen.

 

De Bretoense soldaten zijn woedend omdat de Engelsen hun voorraden mogen meenemen en wreken zich op de lokale bevolking die ze trakteren op grondige plunderingen en een onvervalst bloedbad. Onze bisschop Henri Spencer haast zich om zich terug te trekken naar Calais als hij zijn resterende troepen ziet binnendruppelen in Grevelingen. De Franse koning Karel VI rouwt niet echt om de terugtrekking van de Engelsen. De reusachtige expeditie kost stukken van mensen en zijn schatkist kan onmogelijk de soldij van al zijn soldaten betalen.

 

Het geroezemoes onder de diverse pelotons heeft trouwens nu al zijn invloed op de desorganisatie die zich voordoet in het groot Frans leger. Dat de Fransen het hier voor bekeken houden en de Engelsen de vrije terugtocht bieden tot Calais, is een opsteker van formaat voor onze vriend Henri Spencer, legergeneraal en bisschop tezelfdertijd. 'Nooit eerder', schrijft hij aan de Engelse koning, 'zijn de Fransen zo dicht genaderd van Calais. Het moment is aangebroken om het uiteengevallen Franse leger aan te vallen.'

 

De hertog van Lancaster krijgt het bevel van de Engelse koning om deze onderneming te leiden. In Calais valt Henri Spencer door de mand. De Engelse versterkingen laten allemaal veel te lang op zich wachten. Wat als de Fransen alsnog aanvallen? Hij kiest het zekere voor het onzekere. Hij durft echt niet langer meer wachten op hulp en hij besluit Calais achter zich te laten en in te schepen in de richting van de vertrouwde Engelse kusten. Safety first.

 

In Engeland krijgt Spencer een armtierig onthaal. De hertog van Lancaster distantieert zich misprijzend van de kerkleider. Hij schudt wel heel opvallend de hand van diens rechterhand Hugo de Cavreley die zich gedurende de hele expeditie ten minste dapper en ridderlijk gedragen heeft. Henri Spencer krijgt er in volle parlement duchtig van langs. Hij had een overeenkomst met de koning om zijn belangen in Vlaanderen en Frankrijk gedurende één vol jaar te behartigen. Waarom is hij eerder teruggekomen? Zijn terugtrekking uit Calais is een regelrechte schande en enkel het gevolg van zijn slordigheid en onvoorzichtigheid.

 

De parlementsleden blokkeren al zijn kerkelijke eigendomstitels in afwachting dat hij alle veroorzaakte schade zal terugbetalen aan koning Richard II. Vier andere ridders met onder andere Nicolas Trivet en Guillaume Helman die verdacht werden van de verkoop van een grote hoeveelheid levensmiddelen aan de vijand, worden veroordeeld tot het terugbetalen van de ontvangen sommen aan de kanselier van de schatkist. In afwachting vliegen ze in de gevangenis. Zowel Engeland en Frankrijk hebben hun bekomst van alle die catastrofale oorlogen die ze nu al tientallen jaren met elkaar uitvechten. Er wordt afgesproken om met elkaar te onderhandelen over een mogelijke vrede.

 

De hertogen van Berry en van Bretagne vertegenwoordigen Frankrijk, de hertog van Lancaster en de graaf van Derby zullen onderhandelen voor Engeland. De Engelsen zijn nog altijd heel respectvol voor de jaren van steun van de Gentenaars. Ze eisen dat de Vlaamse steden betrokken worden in een vredesverdrag. Lodewijk van Male wil de Gentenaars kost wat kost uit de gesprekken weren. Maar dat is buiten de waard gerekend van de hertog van Lancaster die geboren werd in Gent. Hij koestert zijn bijnaam 'Jan van Gent' en hij stelt zich dan ook aan het hoofd van Gent tijdens de onderhandelingen. De hertog van Berry wordt ongeduldig omdat de onderhandelingen niet opschieten.

 

Hij besluit om de oppositie van de graaf van Vlaanderen te fnuiken en hij laat zijn neef weten dat hij deels de schuld draagt voor de oorlog en dat het nu hoog tijd is om zijn kwaadheid achter zich te laten. Hij moet zijn gedrag aanpassen en aanvaarden dat de Gentenaars betrokken partij worden. De graaf voelt zich vernederd door die verwijten en trekt zich terug in St.-Omer. Nog voor dat de onderhandelingen zijn afgelopen. Het is hier dat hij op de hoogte wordt gebracht van een vredesverdrag tussen de Fransen en de Engelsen, afgesloten te Lolinghem op 26 januari 1384. Een verdrag waar de Gentenaars hun aandeel hebben gehad en waar de mening van de graaf van Vlaanderen plots niet meer van belang was.

 

Drie dagen later organiseert Lodewijk van Male een samenkomst voor zijn aanhangers in de abdij van Sint-Bertijns. Hier rusten de resten van zijn illustere voorgangers Boudewijn met de Ijzeren Arm en Willem van Normandië. Aanwezig zijn de heren van Gruuthuse en van Stavele, de deken van Sint-Donaas, Willem Vernachten, Jan van Heusden, de proost van Onze-Lieve-Vrouw van Brugge, die trouwens ook zijn dokter is. De dappere Robert Maerschalck, Nikolaas Bonin en enkele andere personaliteiten tekenen present op de meeting in de abdij. Ook de hertog van Bretagne is er. Er volgt een langdradig en diepchristelijk dankwoord gericht aan Onze-Lieve-Vrouw en aan Jezus Christus. Het komt er op neer dat hij de pijp aan Maarten geeft. Hij geeft aan zijn schoonzoon Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, de opdracht om al de pijn en smarten die hij aan de Vlamingen heeft bezorgd, ongedaan te maken en te herstellen.

 

Die 'pijp aan Maarten' mag je wel letterlijk opvatten. De volgende morgen, die van 30 januari 1384, blaast Lodewijk van Male zijn laatste adem uit. Als we de geschiedschrijvers van de 14de eeuw mogen geloven, barst er in de nacht van zijn dood een afgrijselijke storm los die overal in Vlaanderen de aan de galgen opgeknoopte lijken door elkaar schudt. Precies alsof er nu afgerekend wordt met de demonen die nu al een hele eeuw over Vlaanderen heersen. En er zijn ook de kroniekschrijvers die zich vermoedelijk laten beïnvloeden door de tabloids van die tijd en schrijven dat de hertog van Berry een hand heeft in die verrassend snelle dood van graaf Lodewijk.

 

Er is al zo veel bloed verspild in hun ogen dat ze overal doorheen de levens van de graven van Vlaanderen intriges insinueren. 'De graaf is niet overleden als een uitgebluste, moegeleefde en diep ontgoochelde man, maar door toedoen van een dolk of een mes. Lodewijk van Male vervolledigt hiermee het rijtje van zijn voorvaderen. Een hele dynastie afkomstig van het huis van dappere en edele ridders uit de Champagne die boet voor het Avesnes-overspel van Margaretha van Constantinopel. Na Gwijde van Dampierre die gestorven is tijdens zijn gevangenschap, kwamen Robrecht van Bethune en zijn zoon die allebei vergiftigd werden.

 

Daarna was het de beurt aan kleinzoon Lodewijk van Nevers die tijdens de slag van Crécy doodgeslagen werd door de hertog van Alençon. En nu was het dus de beurt aan Lodewijk van Nevers om door de hertog van Berry vermoord te worden in de abdij van St.-Bertijns.' De stoffelijke resten van Lodewijk van Male worden overgebracht naar de abdij van Looz. De uitvaartdienst voor de dode graaf gaat door in de Sint-Pieterskerk van Rijsel. Een hele rij notoire Leliaards groeten hun oude graaf en betuigen nog een laatste keer hun trouw en toewijding.

 

De heren van Halewijn, van Masmines en van Noyelles gaan voor in de adellijke rouwstoet. In hun zog komen Pieter van Belle, Lamsin van Loo, de heren van Béthencourt, van Quinghien en van Izegem. François van Haveskerke, Matthieu van Humières en Goswin de Wilde dragen de banieren. Onder de vooraanstaanden zien we ook de heer van Hollebeke, van Lendelede, de burggraven van Veurne, Ieper, Diksmuide en St.-Omer. Ze begeleiden met zijn allen de laatste prins van het Dampierre-geslacht naar de drempel van zijn graf.