P1383100

De inwoners van de stad Ieper leven al een hele tijd in het onzekere besef dat ze wel eens zouden kunnen belegerd worden door de Engelsen en hun Gentse kompanen. De krijgsmannen die de heer van Simpy hebben vergezeld tot voor Duinkerke, druppelen opnieuw binnen in hun haardsteden. Ze vertellen over de zegepralen van de Engelsen. Hun vijanden. Iedereen beseft dat het gevaar nu wel erg nabij is en dat het verdomd nodig zal zijn om de krachten te bundelen. Hun graaf Lodewijk en zijn schoonzoon, de hertog van Bourgondië, hebben wel hulp beloofd. Maar wanneer kunnen ze die verwachten?

 

Nee, het is duidelijk: Ieper staat er alleen voor! De stad wordt op dat moment in de tijd omringd door een dubbele omwallinglijn. Twee omheiningen. De oude Ieperse omwalling die het rijke centrum moet beschermen en de uitgestrekte omheining die er gekomen is in 1325 door toedoen van de illustere Westhoekrebel, wijlen Nikolaas Zannekin. De man die enkele jaren later, in 1328, zijn leven zou laten op de Kasselberg. Zannekin dacht aan de gewone man die totaal aan zijn lot overgelaten was in de onbeschermde buitenwijken en hij zorgde er voor dat vele tienduizenden mannen en vrouwen ook hun beschermende gordel kregen.

 

De omheining is werkelijk uitgestrekt! Het buitengebied van de stad bestaat uit vier flink uit de kluiten gewassen parochiegemeenschappen die al decennia lang in het bezit zijn van hun eigen kerken. De kerk van Sint-Michiel in het zuiden en de kerk van Sint-Kruis in het westen. In het noorden liggen de kerken van Onze-Lieve-Vrouw van Brielen en wat verderop de kerk van Sint-Jan. In dat uitgestrekte buitengebied vinden we trouwens nog de kloosters van de heilige Clara, de Karmelieten en de Augustijnen, en de begijnhoven van Sint-Christina en Sint-Thomas.

 

Het is precies die kilometerlange vestingsgordel die de Ieperlingen zorgen baart. Alleen al om die te verdedigen is een aanzienlijk leger van manschappen essentieel. Een onmogelijke opgave. Het wordt snel duidelijk dat de enige oplossing kan gevonden worden door het opgeven van die onverdedigbare centuur en dat Ieper zich moet focussen op de verdediging van de eigenlijke stad. De omwalling van de welvarende stad Ieper heeft zelf zo al een geschiedenis die terugloopt tot in de 10de eeuw en zelfs vroeger in de tijd.

 

De eigenzinnigheid van de Vlaamse steden versus de Vlaamse graven en opperleenheer Frankrijk hebben al eeuwen gezorgd voor uitbreidingen en noodgedwongen afbraken of afslankingen van de beschermende wallen. De laatste wijzigingen kwamen er in 1329 wanneer de Franse koning Filips van Valois, de overwinnaar op de Kasselberg, als represaillemaatregel van de Ieperlingen eiste dat de wallen zouden verdwijnen. Maar in 1333 werden ze zonder veel poespas terug opgebouwd. Het typeert de eigenzinnigheid en vooral de drang tot onafhankelijkheid en zelfbestuur van de toenmalige poorters.

 

De stad telt negen poorten en een onderaardse toegang. We tellen de Antwerppoort, de Steendampoort, de Mesenpoort, de Tempelpoort, de Boterpoort, de Elverdingepoort, de Boezingepoort, de Diksmuidepoort en de Torhoutpoort. Het zijn de enige delen van de wal die in steen opgebouwd zijn. De toegang door de respectieve poorten wordt geregeld door een stel slagbomen of door staketsels die men in die tijd als 'balies' omschrijft.

 

De versterkingen worden vervolledigd door een gracht die in het midden verdeeld wordt door een dijk met een bovenrand die op het zelfde niveau staat als het waterpeil in de gracht. Die dijk fungeert als beschermingslinie. We zien er hele rijen van spitse, puntige palen die er als een hek staan opgesteld. Achteraan het tweede gedeelte van de wal verheft zich een aarden wal waarvan de helling naar het lager gelegen talud beplant is met een brede haag van levende sparren die beschut worden door een schutting van puntige palen. Ze vormen een haast ondoordringbare hindernis van ongeveer 2 meter breedte.

 

Alle weerbare mannen zullen naar de wapens grijpen. De milities ontvangen allemaal nieuwe rode kappen en hun banieren met het wapenschild van de graaf. Vlaggen en vaandels worden vernieuwd. Duizenden pijlen, in die tijd worden ze 'sagetten' genoemd, worden op enkele dagen tijd uit het beste hout gesneden. En er wordt ook gezorgd voor het aanmaken van de 'yschots', de pijlen voor de kruisbogen. Er zijn een aanzienlijk aantal kanonnen gegoten. Een deel ervan is bestemd om ijzeren bollen af te vuren, de anderen zullen de stenen bollen afvuren, gemaakt van de gebruikelijke Brabantse steen. Ieper maakt gebruik van een 'maître-canonnier' van Oudenaarde.

 

Hij zorgt voor de vervaardiging van de kanonnen maar hij zal ook de bewapening leiden tijdens de komende belegering. Er dient zich al vlug een probleem aan. Door de recent gestreden strijd bij Westrozebeke is de voorraad van het poeder, het buskruit, uitgeput. De magistraten sturen ijlboden uit. Henri Cantin en François Hughes trekken naar Parijs, Rijsel en Brugge om een flinke voorraad poeder op te slaan. Uiteindelijk kunnen de Ieperlingen hun espringalls en de kookketels bovenaan de stadspoorten positioneren. De ketels worden gevuld met een mengsel van sulfer, pek en olie. De vervaarlijke cocktail staat klaar om uitgekieperd te worden voor het geval dat iemand het zou wagen de verschansingen te beklimmen.

 

Al dat werk is maar precies op tijd klaar. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuur! De Engelsen hebben zich van verscheidene West-Vlaamse steden meester gemaakt en rukken nu op naar Ieper. De bewoners van de voorgeborchten krijgen het bevel om zich met al hun bezittingen binnen de beveiligde stadswallen te begeven. Het is de enige manier om aan de plunderingen en de dood te kunnen ontsnappen. Er wordt trouwens meer gevraagd aan het gemeen van de buitenparochies. De magistraten gelasten hen om de deuren en vensterblinden van de huizen af te haken en samen met alles wat hout is, tafels, balken en planken, mee te brengen binnen de stad.

 

Met al dat materiaal zal op de vestingen nog een aanvullende barricade worden opgeworpen. In de volksmond wordt die barricade trouwens omschreven als een 'thuyn'. De barricades moeten het mogelijk maken dat de, sinds 1302 erg vermaarde, lokale boogschutters er hun pijlen kunnen afschieten zonder door die van de vijand geraakt te worden. De hekkens die de toegang tot de stad regelen, worden voor alle zekerheid nog eens vernieuwd. De inwoners verwachten dat ze wel eens lang zouden kunnen belegerd worden en willen te allen prijze voorkomen om zonder voedsel te vallen. Ze voorzien zich rijkelijk van proviand en levensmiddelen die hun in staat moet stellen om het gedurende vier maanden uit te houden zonder één enkele levenslijn met de buitenwereld.

 

De magistraten hebben het bevel uitgevaardigd dat het voor de handelaars strikt verboden is om tijdens deze periode van noodtoestand de prijzen van de eetwaren te verhogen. Al wat zich in de buitenwijken bevindt, wordt als verloren beschouwd. Binnen de stad worden er drie rosmolens gebouwd die zoals de naam het laat vermoeden, in gang worden gehouden door paarden. De nieuwe rosmolens komen in de plaats van de exemplaren die er stonden in de buitengebieden. Ze zijn er op gericht om de taak van de watermolens over te nemen in het geval de vijand moedwillig het waterpeil van de Ieperlee zou verlagen.

 

De voorzorgsmaatregelen zijn eindelijk afgewerkt. Het Ieperse magistraat inspecteert het geheel nog een laatste keer en wil zich veiligheidshalve nog eens vergewissen hoe het staat met de moraal en de paraatheid van de stadsbewoners. Ze laten twee van de klokken aan het belfort luiden als teken van alarm. Het is voor ieder verzamelen geblazen. Op naar de Grote Markt. De krijgslieden en alle burgers snellen toe. In tijden van oorlog wordt er geen onderscheid gemaakt in ouderdom of stand. De burgers weten wie hun militaire oversten zijn en voelen zich bereid om zich voor het volle pond aan hen te geven om zo de verdediging van de stad en van hun eigen wel en wee te garanderen.

 

Vanuit het balkon van het belfort spreekt de voogd de mensen toe en hij stelt onomwonden voor om de doodspraak op te leggen aan allen die niet aan hun verplichtingen tegenover de stad Ieper voldoen. Het volk reageert enthousiast en met toejuichingen. Met zijn allen zweren ze trouw aan de graaf en verklaren ze liever te willen sterven dan te verzaken aan hun eigen plichten. Vreemd toch die eensgezindheid in het Ieper van 1383. Waar is die verdomde tweespalt gebleven? Zijn alle Gentsgezinden in Ieper plots in rook opgegaan? De kronieken zwijgen er over als vermoord. Op veel hulp moeten de Ieperlingen niet rekenen!

 

Het Franse garnizoen en de andere ridders die Karel VI van Valois onder het bevel van de heer van Simpy had achtergelaten in Ieper, zien de nakende belegering van de Engelsen absoluut niet zitten. In plaats van te helpen in de verdediging van de stad, kiezen ze er voor om de wijk te nemen naar het veilige Rijsel. Het is notabene Simpy zelf die het initiatief neemt voor de algemene desertie. Volgens de kroniekschrijvers blijft er één Franse ridder paraat. Het gaat om een zekere Renaud Dauphin die, samen zijn persoonlijke schildknaap, het wel en wee zal blijven delen met de Ieperse poorters.

 

Graaf Lodewijk van Male stelt zijn vertrouwelingen aan om de leiding te nemen over de verdediging van de belegerde stad. Het zijn allen stuk voor stuk mannen die de graaf trouw en toegenegen zijn en in wie hij een grenzeloos vertrouwen stelt. Een goede leiding is van het grootste belang en er moet goed op gelet worden dat de goede moraal en de gretigheid van de Ieperlingen niet aangetast wordt door het toch wel vervelende vertrek van het Franse garnizoen. Jean van Oultre, de heer van Weldene, is op dat moment de burggraaf van de stad.

 

Hij is de opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hij deelt dit bevel met zijn zoon Baudouin, de heer van Elverdinge, maar verder ook met verschillende heren die hij verkiest onder de Ieperlingen. Maar er zijn ook afgevaardigden bij van graaf Lodewijk en van de hertog van Bourgondië. Het zijn messire Pierre Vanderzype (moult sage et aime chevalier), de heren van Izegem, Harelbeke, Rollegem, Staden en van Moorslede, messire Jean Blanckaert, Jan Hauwel, Nicolaas Francis en George Belle. Jan Vanderzype, de neef van messire Pierre Vanderzype en verscheidene andere adellijke heren vervolledigen het leidinggevend team.

 

Ze hebben allemaal de opdracht om te waken over de gemoedsgesteltenis bij de bevolking en ervoor te zorgen dat er geen onlusten uitbreken. De mankracht waarover Ieper kan beschikken, kan onmogelijk luxueus genoemd worden, maar zou op zich wel voldoende moeten zijn. Er is geen enkel authentiek document beschikbaar dat ons kan vertellen hoeveel volk er aanwezig is om die gedenkwaardige belegering te weerstaan. Het blijft gissen. De bevolking bestaat op dat tijdstip uit meer dan 80.000 inwoners. Als we er van uitgaan dat 1/5de van hen in staat is om de wapens op te nemen, dan bekomen we een getal van 15.000 strijders.

 

Die worden toegewezen volgens een goed afgelijnd plan. De stad is onderverdeeld in 16 secties of kwartieren. Elk kwartier staat onder het gezag van een kapitein. Hij heeft de taak om iedereen die tot zijn militie behoort of die in zijn sectie woont in geval van nood op te roepen en te commanderen. Dank zij de geschiedschrijver Adriaan van Schrieck (1560-1621) weten we nog de namen van de respectieve kapiteins. Het zijn Marcel Florisoone, Florentin Cornette, Baudouin Camerlinck, Michel van Wynckel, Eloi la Rivière, Pierre Schoonaert, Jean Vandenbossche, Lambert Moerman, Jacob Volbaut, André Paeldinck, Jean Van Beselaere, Olivier Lap en Allard Beaugrand. Verder zien we ook Victor Dubois, Joseph Vancostenoble en een zekere Wauthier van wie de familienaam onbekend blijft.

 

Bij deze strijdkrachten dienen natuurlijk ook de gilden te worden toegevoegd. De handboogschutters van Sint-Sebastiaan, de zwaardvechters van Sint-Joris, de buksschutters van de Heilige Barbara, de kruisboogschutters van Sint-Michiel zijn op dat moment in de tijd door de overheden en door de magistraten officieel erkende organisaties. De gilden zijn niet militair van aard maar toch wordt van hen verwacht dat ze bij elke omstandigheid in staat zijn om de stad te verdedigen. Elke gilde wordt geleid door een hoofdman, of indien deze afwezig is door één of andere hoogwaardigheidsbekleder van het broederschap.

 

Naast de 15.000 burgers beschikt de stad trouwens nog over verdere verdedigers. Het zijn niet alleen de bewoners van de buitengemeenten die binnen de vestingmuren van de stad hun schuiloord gevonden hebben maar de Ieperlingen beschikken ook nog over een bezoldigd ruiterijregiment onder de leiding van de heer van Falkenbourg (of Faucquemont). Later zal blijken dat dit regiment een vrij onbeduidende rol zal spelen tijdens het beleg. We zien hen nergens uitblinken. Er is geen sprake van opzienbarende wapenfeiten. We vinden ze enkel terug onder de rubriek 'uitgaven' aan dappere strijders, in de stadsrekeningen van die tijd. En zo is de toestand binnen de stad Ieper in juni 1383 op het moment dat de Engelsen volop aan de gang zijn met het plunderen van het nabijgelegen Poperinge.

 

Maandag 9 juni 1383. Bij het krieken van de dag heeft de werkklok aan het belfort, zoals gewoonlijk, geluid en zijn de Ieperlingen aan het werk getogen. Maar ze hebben amper de hand aan het werk geslagen als de grote en de kleine klok aan het belfort in de prille dageraad weerklinken. Het is al bij al een luguber geklingel dat de poorters waarschuwt voor nakend gevaar.

 

André Paeldinck, burger van Ieper en eveneens kapitein van de Boterpoort, heeft de voorhoede van de Engelse en Gentse legers opgemerkt. Ze zijn op komst langs de weg die leidt van Poperinge tot Ieper. Hij slaat vliegensvlug alarm. De nadering van de vijand gebeurt zo plots dat enkele bewoners van de Ieperse buitenwijken er door verrast worden. Een zekere Braem De Meule krijgt niet eens de tijd om zich terug te trekken in de stad. De buitenlieden die zich met hun kudden op weg bevinden en hopen om nog over voldoende tijd te beschikken om zich achter de stadsmuren in bescherming te brengen, zijn er aan voor de moeite.

 

Ze vinden de stadspoorten onvermurwbaar gesloten. Samen met hun goederen en beesten vallen ze in de handen van de Engelsen. Ondertussen missen de alarmklokken hun effect niet binnen in de stad. De bewoners lopen uit hun werkplaatsen en hun huizen. Een bonte en nerveuze wemeling door de straten. Ze verzamelen zich voor de hallen waar de standaarden ontvouwd worden en waar ze zich presenteren voor hun respectieve kapiteins. Daarna begeven ze zich naar hun aangewezen plaatsen. In een oogwenk worden de poorten en vestingen nu voorzien van de nodige verdedigers. De kanonnen worden opgesteld. De Engelsen walsen zonder slag of stoot door de buitenwijken. De schaarse burgers die ze ontmoeten, worden gedood.

 

De uitgestrektheid van die eerste omheining werkt verwarrend. Het grote aantal straten en de rijke kerken laten vermoeden dat ze zich hier al in de stad zelf bevinden. Ze vermelden aan hun thuisbasis in Calais dat de plaats Ieper al ingenomen is. De inname van de resterende vesting is gewoon nog kwestie van een drietal dagen belegering. Dat is in elk geval wat de Gentenaars voorhouden. De eerste Engelsman die de binnengordel van de stad benadert is Guillaume Feltier (anderen beweren dat het Tharinson is). Hij berijdt een witte merrie en wordt gevolgd door zowat duizend krijgslieden. Ze willen zich via de Boterpoort toegang verschaffen tot de binnenstad.

 

Een eerste poging om zich meester te maken van Ieper. Maar ze worden teruggeslagen door het kanonvuur dat losbreekt vanuit de hoogte van de vestingen waar de Ieperlingen een prima uitkijk hebben op de belegeraars. De avond valt na de eerste dag vol belegering. De Engelsen trekken zich terug tot op respectabele afstand van de stad. Morgen is een nieuwe dag. Tijdens de nacht organiseren de Ieperlingen een verrassende uitbraak richting buitengebieden die ze zonder medelijden in brand steken. Ze moeten absoluut verhinderen dat de vijand er zich zou kunnen verschansen. De kloosters worden met pijn in het hart in de as gelegd. Enkel de kerken van Sint-Jan en Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen worden gespaard.

 

Bij dageraad zijn de Ieperse 'suburbs' veranderd in een desolate smeulende puinhoop. Deze stoutmoedige uitval brengt de Engelsen toch wat aan het twijfelen. De beschuldigingen tegenover de Gentenaars vliegen in het rond. De Engelsen voelen zich bedrogen. De Ieperse poorters zouden toch op de vlucht slaan bij hun nadering zoals die van Gent voorspeld hadden? Het tegendeel blijkt waar. De stedelingen leggen een onverzettelijke moed aan de dag. Zie ze daar staan midden in die eerste nacht. Met de wapens in de handen, dicht bij het belfort, klaar om bij het eerste signaal naar de vestingen te snellen.

 

De woekerende brand in hun voorsteden werpt een sinistere gloed in de hemel. De lucht gloeit als hete steenkolen. Hun thuis staat in brand en toch komt er geen klacht over hun lippen. Ze blijven trouw aan hun eed en verkiezen de vernietiging van hun eigendommen en de plundering van hun bezittingen boven de onderwerping aan de Engelsen. Onder de belegeraars bevinden zich Gentenaars en Ieperse wevers die destijds uit Ieper verbannen waren wegens hun sympathie met de vijand.

 

Ze hebben allemaal wel een broer, een buur of een vriend binnen de stadsmuren. Zouden die hun niet goedgezind zijn? Hier en daar wordt er geroepen op die van de stad. 'Doodt uw heren, denk aan de tijd die voorbij is. We zullen u helpen en we zullen samen goede vrienden zijn!' Maar de poorters wankelen niet bij die verraderlijke smeekbeden. Ze hebben getrouwheid en onderworpenheid gezworen aan de voeten de Franse koning Karel VI en zullen die trouw blijven respecteren. Of durven ze niet anders? De voorhoede van het leger van de Gentenaars en de Engelsen staat nu opgesteld voor het deel van de versterkingen die we de 'Leemput' noemen. Later zal die plek de 'Boterplas' worden genoemd.

 

Binnen 600 jaar zal de Leemput plaats maken voor de parking aan het station. Hoe dan ook; in 1383 situeert de Leemput zich tussen de Boterpoort en de Elverdingse poort. We laten de kroniekschrijvers aan het woord die in hun vertelsels wel een heel naïeve lichtgelovigheid aan de dag leggen en schrijven over het grote mirakel dat zich aan de Leemput voltrekt. Binnen onze 'Kronieken van de Westhoek', maken we graag plaats voor sagevorming als onderdeel van de geschiedenis. Een jong meisje van nauwelijks 14 jaar, wordt net voor ze de stad wil binnenglippen, opgemerkt door de Engelse soldaten en opgepikt. In die tijd is er bij soldaten geen enkel besef van moraliteit of ethiek.

 

Huurlingen in dienst van hun bevelhebbers zijn precies varkens. Vrouwelijk schoon riskeert de meest brutale verkrachting. Nonnen, boerinnen, allen die een rok dragen, hebben bij de diverse militaire strooptochten van het verleden vaak dat wrede lot ondergaan. De jonge Ieperlinge riskeert op haar beurt verkracht te worden door de soldaten. Ze wil nog liever sterven dan die oneer te moeten ondergaan en werpt zich in het water van de gracht aan de Leemput.

 

Het meisje dweept al een tijd met de Onze-Lieve-Vrouw van Nieuwkerke voor wie ze een bijzondere godsvrucht koestert. Terwijl ze de naam van haar maagd Maria prevelt en het teken van het kruis maakt, drijft ze biddend af naar de inham waar het water op zijn diepst en breedst is. Maar in plaats van onder het wateroppervlak te verdwijnen, blijft ze drijven op het water. Legende.

 

André Paeldinck die zich op de dijk bevindt, bekijkt het bizarre tafereel en geeft opdracht aan zijn ondergeschikten om een boot te nemen en het zwalpend meisje ter hulp te snellen. Ze wordt veilig en wel aan wal gebracht midden een haag van omstanders die de maagd Maria uitvoerig bedanken voor haar heilige bescherming. De legende van de redding van het jonge meisje levert de nodige stof op voor een historische roman met de titel 'Thuyndag' en voor het schilderij van Jos Van Sevendonck welk men nu nog kan bewonderen in de zaal van het stadhuis.

 

Voor de Engelsen wordt het stilaan menens. Ze willen zich meester maken van de stad en vallen nu aan vanuit verschillende kanten. De Ieperlingen hebben tijdens de nacht niet stilgezeten en hebben ononderbroken gewerkt aan een verdere versteviging van hun hekken (barrieren) en vestingen. Ze beantwoorden de aanvalslust van de vijand nu met een regen van pijlen. De belegeraars zien zich uiteindelijk, na een hele reeks van vruchteloze aanvallen, genoodzaakt om zich terug te trekken. De volgende dag ondernemen de Engelsen een nieuwe aanvalspoging op de plekken waar de stad het toegankelijkst lijkt.

 

Maar het scenario van de vorige dag herhaalt zich. Maar dan wel in een sneller tempo. Heel wat krijgers bezwijken onder de regen van pijlen. De derde dag van de belegering, 12 juni 1383, wordt het vijandige leger vervolledigd. De voorste gelederen worden aangevuld met mannen van de bisschop van Norwich en van de graaf van Beaumont. Naar verluidt staan er nu 15.000 mannen voetvolk en 2.000 ruiters te drummen om Ieper binnen te vallen. Hoe kwalitatief die 17.000 uitgerust zijn, is een open vraag. Een groot aantal onder hen is nauwelijks gewapend. Soldaten? Ze kennen het woord 'tucht' niet eens. Het nieuws van de vele successen van hun bisschop lijkt voor de leeglopers en schooiers interessant om een graantje mee te pikken.

 

Het zijn ordinaire fanatieke avonturiers die hopen om te kunnen plunderen en alles mee te grissen wat maar kan in dat beloofde land Vlaanderen. Sommigen dragen een kruis op hun kledij. Precies alsof ze tegen heidenen moeten optrekken. Anderen zijn gekleed als pelgrim en dragen een stok mee als enig wapen.

 

Onder de heren die het leger vergezellen, zien we bekende namen. De graven van Arundel en Buckingham. De heren van Newcastle en Beaumont, Hugues de Cavrely en Hugues Spencer de neef van de bisschop. We herkennen Guillaume Helman, Jean de Ferriere, Mathieu Brandeman, Thomas Trivet, Thomas de Percy, David de Pellingsem, Thomas de Taillebourg, Gauthier Ruet, de heer van Waterlox, Jehan Sion, Richard de Burlay, de heren van Molay, de Mombay en verschillende anderen. Allemaal vechten ze onder het gezag en het vaandel van Henri Spencer, de bisschop van Norwich. Een oorlogszuchtige prelaat die notabene door de paus zelf werd aangeduid om de kruistocht te leiden tegen de ongelovigen.

 

Henri Spencer, voorvader van een roemruchte Engelse dynastie waar veel later in de tijd figuren als Winston Churchill en de prinses van Wales, Diane Spencer van zullen voortspruiten, had zijn gewelddadige aard als generaal al bewezen door het neerslaan van opstanden in de graafschappen van Norfolk, Cambridge en Huntington. De kerkelijke waardigheid die hij bekleedt, is niet van dien aard dat hij zijn taak als legerleider zou moeten opgeven. Waarom zou hij? Hij is als de Drievuldigheid zelf: generaal, rechter en priester.

 

Van kop tot teen bewapend, staat hij aan het hoofd van zijn troepen. Hij zelf oordeelt over het lot van de krijgsgevangenen en vooraleer ze geëxecuteerd worden, heeft hij nog de arrogantie om de ter dood veroordeelden te troosten met de zegening van de kerk. Spencer is het gewend om overal in Vlaanderen ordeloze en amper georganiseerde tegenstanders aan te treffen. Zonder discipline, zonder chefs en zonder cavalerie. De meeste stadjes hebben geen garnizoen geposteerd en zijn niet voorzien van stadswallen.

 

Hij is uitermate verbaasd om niets van dit alles aan te treffen in Ieper dat zich met hand en tand verdedigt. Na drie opeenvolgende aanvalspogingen is het Engelse leger nu vastgelopen in een volledig geblokkeerd beleg. Hij beschuldigt de Gentenaars van hun zware onderschatting van de toestand in en rond Ieper. Hier is er effectief veel meer weerstand dan voor Grevelingen en Duinkerke. De Gentenaars doen er alles aan om de toorn van Henri Spencer te milderen en beloven extra manschappen uit Gent om hun legers bij Ieper te versterken. In afwachting wordt het grote leger opgedeeld in vier afzonderlijke korpsen.

 

Het eerste legerkorps valt onder het bevel van de bisschop zelf en dat van de heer van Beaumont. Het slaat zijn tenten op aan de zuidkant van de stad. Daar waar de kerk van Sint-Michiel zich bevindt. De tweede en derde divisie, onder het bevel van de heer van Newcastle, positioneren zich meer westelijk en oostelijk tussen de poorten van Hangewaard en Komen enerzijds en de Leemput anderzijds. De Gentenaars vormen het vierde deel van het leger. Onder leiding van de onverschrokken Ackerman bezetten ze de terreinen tussen de kerken van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen en Sint-Jan. Het vierde korps ziet trouwens zijn mankracht fors toenemen tot circa 20.000 man met de komst van de Bruggelingen en van talrijke poorters die verbannen werden uit de andere steden van Vlaanderen. De kloosters van de Augustijnen en van de begijnen die tot nog toe gespaard waren gebleven, worden nu door de Engelsen getransformeerd in paardenstallen.

 

Vrij dicht bij de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen wordt een soort versterkt kasteeltje, Ter Stove, door de Engelsen bezet gehouden. Ter Stove wordt als een fort ingezet en zal voor de Ieperlingen een voortdurende bedreiging vormen. 37.000 man omsingelen nu de stad Ieper, zelf volgepropt met 17.000 strijders waar zelf een hond problemen zou ondervinden om er uit te ontsnappen. Dat van die hond wordt omschreven door de geschiedschrijver Meijer maar vermoedelijk is dat één van die typische overdrijvingen die gehanteerd worden als er over de lokale geschiedenis wordt geschreven. De stadsrekeningen van 1383 scheppen een ander beeld.

 

Er gaat bijna geen dag voorbij zonder dat boodschappers de stad verlaten om de graaf van Vlaanderen, de graaf van Bourgondië en zelf de heer van Simpy op de hoogte te houden van de stand van zaken in en rond de stad. En zoals al eerder aangegeven, zijn het de belegerden zelf die zich wagen aan nachtelijke uitbraken buiten de muren van de stad. De vijand is nu zeker meer op zijn hoede en pakt het beleg sluwer aan. In plaats van holderdebolder aan te vallen, proberen de Gentenaars Ieper via de noordelijke kant te benaderen. Dicht bij de Boezingepoort graven ze allerhande greppels om het water uit de vestinggrachten af te leiden.

 

De plekken waarin het water verdwijnt, worden opgevuld met aarde zodat ze op zijn minst met droge voeten het midden van de dijk kunnen bereiken. De Ieperlingen zien de actie van de Gentenaars niet graag gebeuren en willen een uitbraak forceren in een poging om de sabotagewerken aan hun grachten te verijdelen. Hun kapiteins oordelen echter dat dergelijke uitbraakpogingen zeer veel risico inhouden gezien het volk dat daar allemaal buiten staat.

 

Er wordt besloten om de mankracht aan de noordelijke vesting op te drijven. Ze willen zo de vijandelijke overmacht neutraliseren wanneer die een tweede reeks greppels zou willen aanbrengen om nog meer water uit de vestinggrachten te laten lozen. Het blijkt een succesvolle strategie. De Ieperlingen verliezen de vestingen, de muren en de grachten geen ogenblik uit het oog. Alle boten en sloepen die zich nog op het water bevinden, worden als voorzorgsmaatregel in brand gestoken. Zowel hun eigen vaartuigen als die van de vijand.

 

Het grootste gevaar is nu voorlopig geweken. Zondag 15 juni 1383. De geallieerden nemen nu hun toevlucht tot de artillerie. Ze stellen twee batterijen op. Pal voor de Mesenpoort. Elk van die batterijen bestaat waarschijnlijk uit een steenmortier of een soort kanon met zandsteenbollen. De kanonnen, zeg maar steenwerpers, staan gericht op het hekken van de poort. Dag en nacht horen de stedelingen nu het losbranden van de tuigen, voorafgegaan door het schel geklingel dat de mannen van de artillerie waarschuwt voor het gevaar van hun eigen tuigen. De twee batterijen beschieten de stad nu voor de rest van het beleg.

 

Ze lanceren zowat elk uur één grote stenen bal op de binnenstad. Van zodra die ergens beland zijn, worden de projectielen door de bewoners naar de binnenplaats van het stadhuis gebracht. Tijdens de acht weken van het beleg zullen er in totaal zowat 450 stenen ballen ingezameld worden. Ze zullen er blijven liggen tot diep in de 18de eeuw en dan gebruikt worden bij de constructie van de overwelvingen van de Ieperlee.

 

De ballen zorgen nu en dan voor de nodige vernielingen. Wees er maar zeker van. De poort en de toegangsdeur worden aan flarden geschoten. Tot twintig keer toe moeten de Ieperlingen de stuk geschoten houten borstweringen boven de Mesenpoort vernieuwen. Op zondag 22 juni wordt het houten kruisbeeld op de poort getroffen. Heiligschennis in het kwadraat! De bijgelovige (of zijn het diepgelovige?) Ieperlingen beschouwen het vernietigde kruis als een signaal van God dat ze nog hardnekkiger hun stadsmuren moeten verdedigen.

 

Nu zullen de Engelsen heel zeker hun gerechtvaardigde straf van de Heer ondergaan. De kronieken stipuleren dat er geen menselijke slachtoffers vallen door de kanonballen. Een zekere Denys Sauvage schrijft dat een in het water terechtgekomen projectiel drie vissen doodt en dat er ook een kip gedood wordt door de inslag van een steen. Maar er is volgens hem geen sprake van andere dieren of mensen. Maar laat ons wel wezen: het lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk dat 450 loodzware projectielen over een periode van 8 weken geen inwoners in de overvolle binnenstad zullen hebben getroffen. Terwijl de steenwerpers het zuiden van de stad bestoken en ze de nodige energie vergen van de verdedigers ter plekke, blijft de vijand natuurlijk over de hele lijn actief.

 

De Engelsen van de heer van Newcastle vallen op vrijdag 27 juni de stad aan via de Tempelpoort. Ze stuiten er op de onversaagde Ieperse kapitein André Paeldinck en zijn mannen die alle aanvallen vakkundig afslaan en meerdere Engelsen om het leven brengen. Daarna verkiezen de Engelsen om het wat rustiger aan te doen. Het is misschien toch beter om te wachten op de beloofde hulp van de Gentenaars. Op 1 juli verlaten inderdaad 20.000 Gentenaars de Gentse stadspoorten. Ze marcheren richting Ieper onder de leiding van hun kapiteinen Pieter de Winter en Pieter Vandenbossche.

 

Ze behoeden zich er voor om onderweg eventuele schermutselingen aan te gaan. Ze trekken voorbij Kortrijk dat verdedigd voor door Jean de Jummont, een trouwe aanhanger van de hertog van Bourgondië en de graaf van Vlaanderen. De versterking bereikt uiteindelijk de Ieperse stadsmuren op maandag 3 juli 1383. De 20.000 Gentenaars voegen zich onmiddellijk bij de soldaten van Ackerman. Ze slaan hun tenten op naast deze van hun wapenmakkers, tussen de Boezinge- en de Diksmuidsepoort.

 

Het leger van de vijand is nu toch wel imposant geworden. Een nieuwe aanvalsgolf kan nu elk moment losbreken. De Ieperlingen wachten met een klein hartje. De belegering is al een kleine maand aan de gang en de vijandelijke troepen zwellen aan met de dag. Wanhoop en ontmoediging kijken om het hoekje. Zouden ze zich niet beter overgeven? Of zouden de vreemdelingen die hun schuiloord binnen de stad hebben gezocht, misschien kunnen vertrekken? De bewindvoerders van de stad verzetten zich te allen prijze tegen welke toegeving dan ook.

 

De belofte dat de troepen van de koning van Frankrijk en van de hertog van Bourgondië op komst zijn om Ieper te bevrijden, is voldoende om de rust en de eendracht bij het volk enigszins te herstellen. En dat is nodig ook, want de vijand is herbegonnen met zijn graafwerken in een nieuwe poging om het water uit de stadsgrachten te laten afvloeien. Ze slagen er in om het water opnieuw te laten wegstromen naar de Ieperlee. Maar de Ieperlingen zijn erg alert en hebben de verdedigingsgordel verdubbeld.

 

De berm middenin de stadsgracht is nauwelijks beschadigd en Ieper blijft vooralsnog beschermd door de binnenste dijk. De schrik slaat echter aan hun hart als ze vernemen dat de vijand de mensen van de kasselrij van Ieper en van het Brugse Vrije, op straffe van lijfstraf, verplicht om per gezin twee gevlochten matten aan te brengen bij de Ieperse vestingen. De massaal aangebrachte matten zullen zo de toegang tot de binnengracht eenvoudiger maken. Er volgt nog meer slecht nieuws voor de Ieperlingen. De hertog van Bourgondië heeft besloten om het garnizoen van Kortrijk te versterken met 60 lansiers onder de leiding van de heer van Saint-Léger en van Yvonnet de Taintiniac.

 

Op een vrijdagmorgen, 11 juli 1383, verlaat deze kleine groep de stad Rijsel om zich naar Kortrijk te begeven. Aan de Leiebrug te Komen stuiten ze op een peloton van 200 Engelsen, die zich op het platteland aan het bevoorraden zijn. Het komt tot een treffen. De Bretoenen worden verslagen en achtervolgd tot halverwege Rijsel. De heer van Saint-Léger wordt bij deze confrontatie gewond en overlijdt enkele dagen later. Vijf van zijn schildknapen schieten er ook het leven bij in. De wanhoop slaat opnieuw toe bij de arme Ieperlingen als ze het nieuws van het Engelse succes vernemen. Het volk begint te morren en wordt opstandig. Zullen zij ooit de beloofde hulp zien van hun graaf? Er is al veel beloofd door hun magistraten.

 

Maar zijn het niet allemaal loze beloften? Zoethoudertjes? De voorbije weken zijn er bijna dagelijks boodschappers vertrokken naar Rijsel met smeekbedes aan het adres van Lodewijk van Male. Niets, maar dan ook niets is tot op dit moment verwezenlijkt! Enfin. Deze keer wordt er nu wel besloten om een onderhandelingspoging te ondernemen. Er zullen afgevaardigden gestuurd worden naar het kamp van de Engelsen met de vraag om het beleg te laten ophouden. Jean Vanderzijpe, één van de hoofdmannen van de burgerij, en Denis Paeldinck, aanvankelijk monnik en in latere tijden proost van Sint-Maarten, worden met de opdracht belast.

 

Vertrouwend op de bestaande mensenrechten, begeven Paeldinck en Vanderzijpe zich op woensdag 16 juli naar de tent van de bisschop van Norwich. Ze verklaren dat ze altijd paus Urbanus VI als hun paus hebben erkend en dat ze de Engelsen nog nooit enige schade hebben berokkend en dat ze uiteindelijk zelfs hun bondgenoten zijn. Ze beroepen zich in naam van de goedertierenheid en gerechtigheid een einde te maken aan deze belegering van een onschuldige stad en zijn troepen terug te sturen. De onderhandelaars tonen zich zelfs bereid om een aanzienlijke som te schenken om de kosten van de Engelse expeditie te vergoeden.

 

De hooghartige prelaat weigert. Hij blijft doof voor hun vragen en voorstellen. Wat had je anders gedacht? De Ieperlingen zijn en blijven in zijn ogen Clementisten en dus a priori aanhangers van de Franse paus Clemens. Spencer zal geen voet wijken tot dat de stad Ieper zal gevallen zijn. De onderhandelaars keren onverrichterzake terug en brengen verslag uit over hun mislukte opdracht. De minachting die de bisschop van Norwich heeft getoond ten opzichte van de Ieperlingen, schiet hun in het verkeerde keelgat. De Ieperse verontwaardiging en trots zijn sterker dan de angst. Als de Engelsen willen vechten, dan zullen ze dat ook doen.

 

Alles liever dan zich over te geven aan dit verwaand sujet van een Spencer. De belegering wordt langs beide kanten met vernieuwde ijver hervat. De belegeraars verdubbelen hun inspanningen. De energieke Ieperlingen bieden verbitterd weerstand en verhinderen elke vooruitgang. De stad behoort hun toe. De opgeëiste matten van stro worden op 21 juli geleverd. Beschermd door de duisternis van de nacht, bouwen de Gentenaars een soort binnenbrug over de drooggelegde buitengracht. Ze maken gebruik van de matten samen met wollen biezen en andere lichte voorwerpen.

 

Hier, vlakbij de Diksmuide- en Boezingepoort, zullen ze binnen de kortste tijd een nieuwe aanval wagen. Maar de Ieperlingen van hun kant zitten ook niet stil. De vestingen worden verstevigd. De borstweringen worden versterkt met de hulp van tafels, ramen en andere voorwerpen. Tijdens de nacht van 22 juli wagen ze zich zelfs aan een uitbraak en verdrijven ze de Gentenaars die werken aan hun noodbrug. Ze steken het vuur aan enkele legertenten, breken hun geïmproviseerde bruggen af, en vernielen alle graafwerken die het water uit hun vestingen willen laten wegvloeien. Maar al bij al maken hun inspanningen vrij weinig indruk want de volgende dag hebben de Gentenaars alles wat vernield is al hersteld en de gracht opnieuw drooggelegd.

 

De drooglegging gaat trouwens een flink stuk verder nu. De vijand sluit de beken af die het water van de vijvers van Zillebeke en Dikkebus naar Ieper brengen. De inwoners dreigen nu slachtoffer te worden van een tekort aan water. Een potentiële ramp is het. Niet min en niet meer. Twaalf heldhaftige en plichtsbewuste burgers ondernemen de volgende nacht een nieuwe uitval en slagen er in om de aangebrachte sabotage ongedaan te maken. Het wisselen van de scenario's. Vrees, succes, angst, de herhaalde aanvallen en tegenaanvallen 's nachts, het vernietigen en terug herstellen, gaan gedurende zowat de hele week door zonder dat er enig voordeel kan bereikt worden voor zowel de aanvallers als de belegerden.

 

Ook aan de westkant wordt het front actief. De Gentenaars proberen nu de gracht achter het klooster van de minderbroeders droog te leggen. Het betreft de vestinggracht tussen het Zaalhof en de Tempelpoort. Een respectabel aantal rieten matten wordt uitgespreid. Verdeeld over 8 bruggen, laten ze de mannen van Gent nu toe om de buitengracht over te steken. Maar alle inspanningen stuiten voortdurend op een hardnekkige weerstand van de Ieperlingen.

 

De belegering sleept zich voort. De graaf van Vlaanderen die de volharding van de bisschop van Norwich kent, twijfelt of de stad Ieper het zal volhouden. Want blijkbaar staat er nieuwe versterking te trappelen voor de Engelsen. Guillaume de Beaucamp en William de Windsor houden zich met hun troepen bij de kusten van Engeland klaar om bij het minste signaal de Noordzee over te steken. Lodewijk van Male wil de nederlaag absoluut vermijden. Maar hij voelt de bui hangen. Hij stuurt afgevaardigden naar Arnold de Hornes, de bisschop van Luik die bekend staat als een overtuigd Urbanist. Zou de bisschop niet willen optreden als bemiddelaar tussen de Engelsen en de graaf van Vlaanderen?

 

Arnold de Hornes aanvaardt de delicate opdracht. Nadat hij de nodige instructies heeft gekregen van de graaf, vertrekt hij naar het kamp van de Engelsen waar hij door de bisschop van Norwich minzaam verwelkomd wordt. Arnold verzoekt Spencer om het beleg op te geven omdat hij eigenlijk bezig is om in Ieper echte Urbanisten te bevechten. In naam van de graaf van Vlaanderen biedt hij in ruil voor een terugtrekking een leger aan van 500 lansiers die voor drie maand voorzien zijn van de nodige soldij. Het voorstel valt in goede aarde bij de Engelsen. De legeraanvoerders zonderen zich af om er over te beraadslagen. Zullen ze akkoord gaan met dergelijk gunstig aanbod?

 

De Gentenaars haasten zich om tussen te komen bij hun weifelende collega's. De Engelsen zouden beter geen geloof hechten aan de beloftes van een prins die zelf zijn persoonlijke eden niet respecteert. De tussenkomst van de Gentenaars zorgt er voor dat de bisschop van Luik teruggestuurd wordt met de boodschap dat ze Ieper niet zullen verlaten vooraleer de stad zal zijn ingenomen. Arnold de Hornes neemt onverrichterzake afscheid. Verdere onderhandelingen hebben geen zin. Hij keert terug naar Rijsel waar hij verslag uitbrengt bij Lodewijk van Male. De graaf beseft nu volop dat de tussenkomst van de Franse koning essentieel is om het belegerde Ieper te redden. Hij richt zich in allerijl tot Filips, de hertog van Bourgondië.

 

Met succes. Er wordt een grote bijeenkomst gepland waarbij de koning van Frankrijk zijn edelen de opdracht zal geven om zich te bewapenen en op 15 augustus vanuit Arras op te rukken voor de bevrijding van de stad Ieper. Voor de poorten van de belegerde stad hebben de Engelsen ondertussen al nieuwe graafwerken uitgevoerd en staan ze klaar om op vrijdag 25 juli 1383 (Sint-Jakobsdag) een nieuwe aanval te wagen. Een heel peloton tot op de tanden gewapende Engelsen stelt zich in de vroege morgen op voor de gracht van de Diksmuidepoort. Ze steken de buitengracht over en slagen er deze keer wel in om de middenberm te bezetten.

 

Hun in de hoogte gestoken lansen worden verwelkomd door een regen van pijlen. Maar de Engelse harnassen doen de pijlen afketsen zodat ze geen schade aanrichten aan de krijgers. De Ieperse artillerie wordt er noodgedwongen bij geroepen. De kanonmeesters van de Boezinge- en Diksmuidestraat stellen hun batterijen samen op. Ze openen synchroon het vuur op de vijand. Met succes! De belegeraars bezwijken onder het energieke verweer van de Ieperlingen en spatten in allerijl achteruit terug naar hun tenten. Maar velen kunnen zich niet redden onder het geweld van de kanonschoten.

 

Veel Engelsen blijven dood of gewond achter. De Gentenaars en Engelsen revancheren zich nu door de vuurkracht van de al wekenlang opgestelde batterijen te verdubbelen. De burgers beleven nu ononderbroken stress en vrees voor hun leven. Vrouwen en kinderen durven hun woningen nu zeker niet meer te verlaten. En wat de geschiedschrijvers ook mogen beweren, ditmaal moeten er zeker burgerslachtoffers zijn. Denys Sauvage spreekt wel over een aantal wonderbaarlijke reddingen bij de inslagen. Zo bijvoorbeeld de vrouw met een projectiel aan de voet van haar bed, een verpleegster die een kanonbal ziet vallen tussen zichzelf en de wieg van haar kind.

 

Een fruithandelaar van wie zijn etalage in flarden wordt geschoten te midden zichzelf en zijn klanten. Zonder dat ze hierbij ook maar één schrammetje oplopen. Hij geeft nog meer voorbeelden. Maar het is duidelijk: als we die getuigenissen van Sauvage voor waarheid aannemen, dan zijn de gevaren die de mensen oplopen bijzonder groot en is het zo goed als zeker dat die kanonballen wel degelijk de nodige slachtoffers veroorzaken. De verwoestingen in de binnenstad zijn aanzienlijk. Het zijn enkel de stenen ballen, uitgespuwd door de balschieters, die zorgen voor materiële schade.

 

De vijand lanceert nu tijdens de nacht een reeks ontvlambare projectielen, brandende kogels, op de daken van de huizen en in het midden van de straten met de bedoeling om overal brand te stichten. De poorters krimpen maar plooien niet. Waar er brand ontstaat, wordt die geblust. Slachtoffers worden verzorgd, wonden gelikt. Maar de poorten van de stad blijven hermetisch gesloten. Dat die verdraaide poorten dicht blijven, frustreert de belegeraars natuurlijk van langs om meer. Als de stenen ballen en de brandende kogels niet helpen, dan zullen er nog grotere middelen moeten worden ingezet. Ondertussen heeft de vijand tuigen gemaakt die vergelijkbaar zijn met het paard van Troje.

 

Drie voertuigen met elk vier wielen worden aangereden voor de stadspoorten. Twee staan opgesteld bij de Diksmuidepoort en de andere bij de Komense poort (nu de Rijselse poort). Op de tuigen zitten een aanzienlijk aantal soldaten en ze proberen nu, met man en macht geduwd door de vijand, met alle geweld tegen de vestingen aan te rijden. Maar die primitieve manier van aanvallen levert geen noemenswaardige successen op. Ze zijn nog maar net opgesteld aan de omheiningen als de Ieperlingen hun posten hoog boven de Diksmuidepoort verlaten, de stad verlaten en de machines aanvallen.

 

Ze maken zich gemakkelijk meester van de tuigen die ze vernietigen. En ze nemen talrijke gevangenen. Die successen doen de burgers zichtbaar deugd. Maar het nijpend gebrek aan voedsel laat zich meer en meer gevoelen. Patrouilles vertrekken overnacht opnieuw vanuit de stad. De Ieperlingen wordt stoutmoediger met de dag. Het is niet langer een zaak van de stadsmuren te verdedigen, maar nu ook om levensmiddelen en dieren afhandig te maken van de vijanden die in de kampen naast de stad staan opgesteld.

 

De Engelsen willen zulke verliezen voorkomen en bevelen hun manschappen om weg te trekken van bij de omheiningen van de buitengemeenten. Ze worden nu verspreid in de velden rond de stad waardoor het erg moeilijk wordt voor de Ieperlingen om toe te slaan. Op de torens van de kerken van Sint-Jan en van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen worden nu bewakers geplaatst die een oogje in het zeil moeten houden en die alarm moeten slaan indien de belegerden verdere uitvallen overwegen. Maar ondanks die voorzorgsmaatregelen houden de Ieperse uitvallen niet op. De burgers zijn inventief en sluw en verlaten op de meest onmogelijke tijdstippen de stad om hun vijanden tot aan hun legerkamp op te jagen en te achtervolgen.

 

Ondertussen zijn die buitengebieden veranderd in ruïnes. De lelijk toegetakelde huisjes, de hovingen en de hagen van de voorgemeenten dekken de Engelsen in hun vlucht voor de driftige Ieperlingen en zorgen er meer dan eens voor dat ze kunnen ontkomen aan een zekere dood. 'Zonder die hindernissen', zegt de kroniekschrijver, 'zou het aantal gedode Engelsen zeker opgelopen zijn tot vijfhonderd'. Maar die kleine succesjes veranderen niets aan de hachelijke toestand van de stadsbewoners. De stad blijft belegerd en de hongersnood laat zich van dag op dag meer voelen. De mensen beginnen te morren en het aantal mistevredenen zwelt aan tot een heuse oppositiegroep die het stadsbestuur met klachten overlaadt.

 

Valse geruchten worden verspreid, desinformatie, gevolgd door oproerige geschriften en die zorgen voor een sterk stijgende tweedracht onder de burgers. De pamfletten sporen de Ieperlingen aan om afstand te nemen van de graaf en zich bij de Gentenaars en bij de rest van Vlaanderen aan te sluiten. De bisschop van Norwich ziet die interne verdeeldheid maar al te graag gebeuren en gooit zelf nog wat olie op het vuur. Hij laat een pijl afschieten in het middengedeelte van de stad. Aan die pijl is een bericht voor de Ieperlingen vastgehecht. De boodschap komt goed terecht en wordt spoedig voorgelezen.

 

Maar de aanmatigende, zeg maar hautaine toon van de Engelse generaal, heeft een omgekeerd effect en werkt de algemene verontwaardiging op van de Ieperlingen. De stem van de misnoegden verdwijnt onder de koppige 'niet over mijn lijk' mentaliteit van de meeste stedelingen. Henri Spencer is duidelijk geërgerd om het falen van zoveel pogingen om de stad binnen te raken. Dat zijn bericht tot zijn algemene verrassing opnieuw de rust veroorzaakt, maakt hem meer dan woedend. Het moet nu gedaan zijn met die veinzerij. Hij stuurt een boodschapper naar de stadspoorten met een bevel dat iedereen zich nu onvoorwaardelijk moet overgeven.

 

De bedreiging is niet mis te verstaan: indien het volk zich niet overgeeft, zal hij de stad in brand steken en iedereen die nog langer weerstand biedt, zal hij aan zijn degen rijgen. De Ieperse magistraten laten zich niet intimideren door die bedreigingen en sturen de boodschapper terug met een antwoord. Ze laten de bisschop weten dat ze geen rekening kunnen houden met zijn aanmaningen en dat ze zich, zoals ze eerder gezworen hebben, tot het uiterste zullen verdedigen. Spencer zit nu toch wel in een ongemakkelijke positie gemanoeuvreerd. Zijn soldaten zijn al dat getalm beu en willen vechten.

 

Maar vooraleer opnieuw over te gaan tot nieuwe bestokingen, wil de bisschop nog een laatste diplomatieke poging ondernemen om de Ieperlingen te onderwerpen. Hij stuurt zijn boodschapper terug naar het stadsbestuur en vraagt dat er een delegatie zal gestuurd worden om te onderhandelen. Het verzoek wordt deze keer wel ingewilligd door de schepenen. Enkele stadsnotabelen stappen naar het kamp van de Engelsen waar ze door Henri Spencer met alle respect ontvangen worden. Maar ondanks dat wederzijds respect levert de onderhandeling niets op. De volgende morgen beginnen de belegeraars de stad opnieuw aan alle zijden te bestoken.

 

Tijdens die gesprekken heeft de graaf van Vlaanderen Jan zonder Grond en Jan vander Meulen met 40 Franse lansiers en 60 boogschutters naar de versterkte kerk van Menen gestuurd met de opdracht om die versterking te vernielen. Hij wil ten alle prijze verhinderen dat de Engelsen er een garnizoen oprichten en vanuit Menen hun standplaats zouden gebruiken om het platteland te verwoesten. Maar het plan van Lodewijk van Male mislukt. Het legertje wordt tijdens hun opdracht aangevallen door een beduidend grotere groep Engelsen die op de hoogte werden gebracht van de sabotageopdracht. Het gevecht tegen de Fransen draait uit in het voordeel van de Engelsen. Ze nemen beide leiders en enkele soldaten krijgsgevangen. De rest neemt de wijk naar Rijsel en meldt het noodlottig resultaat van hun opdracht een de graaf.

 

De Ieperlingen willen Jan zonder Land en Jan vander Meulen vrijkopen en sturen een bode met een aanzienlijke som geld naar de bisschop van Norwich om de transactie te regelen. De prelaat aanvaardt het geld maar weigert botweg om de gevangenen uit te leveren. Hij claimt dat het geld wel uit zijn eigen schatkist vandaan komt gezien het geleverd werd door de stad Ieper. Maar ondanks die tegenslag is Ieper verre van onderworpen. Tot nog toe hebben alle geleverde gevechten nog niet het minste resultaat opgeleverd voor de Engelsen en de Gentenaars. Het wordt tijd om nieuwe methodes toe te passen. De vijand nadert nu de stadspoorten en steekt er grote vuren aan. Maar de burgers zien het gevaar en snellen uit de stad om de vuurhaarden te blussen en zorgen zo voor een nieuwe nederlaag voor de belegeraars. Maar die pogingen tot brandstichting herhalen zich nu wel vaker. Target is meestal de Boezingepoort, maar elke poging van de Engelsen om het vuur aan te steken, mislukt keer op keer.

 

De kroniekschrijvers benadrukken nog maar eens de heldhaftige volharding welke de Ieperlingen aan de dag leggen en hoe ze met een ongeziene heftigheid alle aanvallen op de stad beantwoorden. Hun situatie binnen in de stad is nochtans helemaal niet rooskleurig. Lastig. De Engelsen verhinderen de invoer van gelijk welk voedsel. Er is geen drinkbaar water in de binnenstad. De toevoer vanuit Zillebeke en Dikkebus is opnieuw onderbroken. Tot overmaat van ramp is het brak en stilstaand water van de Ieperlee bedorven en wasemt het een onuitstaanbare stank uit.

 

Het stinkend water komt de Ieperlingen letterlijk en figuurlijk tot aan de lippen. Het begint er nu toch sterk op te lijken dat de belegering van de Engelsen zal leiden tot de overgave van de stad. De belegeraars weten maar al te goed in welke wanhopige toestand de Ieperlingen zich bevinden en ze brengen nu een deel van hun troepen aan pal naast de stadsmuren waar ze de soldaten van wacht ononderbroken intimideren en ontmoedigen. Ze roepen zo van die dingen zoals, 'wel waar blijft uw graaf nu om u te verdedigen?'

 

Het blijft de vraag of de Ieperlingen op de hoogte zijn dat Lodewijk van Male wel wil ingrijpen, maar dat hij gewoonweg onvoldoende troepen heeft om dat te doen. De burgers laten zich niet vangen aan de smerige propaganda en de oorlogslisten. Ze voelen en hopen dat de bevrijders er ooit komen en putten zo de nodige krachten om zich verder te verdedigen als duivels in een wijwatervat. Zo sleept het beleg aan tot de 27ste van de maand juli 1383. Een zondag om precies te zijn. Het Engelse voetvolk laat opmerken dat ze aan de 50ste dag van de belegering aangekomen zijn zonder dat er ook maar enig resultaat werd behaald.

 

De bisschop van Norwich negeert de opmerkingen van zijn vertrouwenspersonen en zijn soldaten en start nog maar eens een nieuwe onderhandelingsronde. Hij nodigt enkele hoogwaardigheidsbekleders van de stad uit en stuurt een vrijgeleide om hen op te halen. Ze worden prinselijk en met alle egards ontvangen. Ze mogen aanzitten aan de tafel van de prelaat die zich al graaf van Vlaanderen waant. Hij probeert alle trucs van de foor om hen tot onderhandelingen en overgave te bewegen, maar de Ieperlingen wijken niet van hun standpunt en keren terug naar hun thuisbasis. Ze worden er met open armen ontvangen door hun eigen volk. Nooit zullen ze opgeven!

 

Op 30 juli wordt de onderaardse gang aan de Steendam voor het eerst geopend. Terwijl de aandacht van de vijand precies op dat stadsgedeelte geconcentreerd is, profiteren de burgers ervan om soortelijke onderaardse uitgangen te graven bij drie andere stadspoorten.

 

Ze proberen via deze pijpen buiten te geraken en zelf de Engelse kwartieren aan te vallen. Op hun weg ontmoeten ze een schildknaap die ze een kopje kleiner maken en zo brengen ze het escorte volledig in de war. Tijdens die laatste julidagen verliest het leger van de geallieerden een deel Gentenaars, die onder de leiding van Pieter Van den Bossche, het beleg verlaten. Ze vervoegen zich bij hun wapenbroeders in Gent, die op hun beurt voortdurend lastig worden gevallen door de graafsgezinde inwoners van Dendermonde. Henri Spencer begint te panikeren en probeert om tijd te winnen. Hij verzoekt om een tijdelijke wapenstilstand.

 

Maar die is van korte duur want we vinden Pieter Van den Bossche en zijn mannen al vanaf de derde augustus terug aan de muren van Ieper. Bovendien heeft hij nieuwe tuigen met zich meegebracht. Die zullen het beleg absoluut moeten aanwakkeren en nieuw leven in blazen. De bisschop is de situatie spuugzat. Hij probeert het nog maar een keer om de Ieperlingen te overhalen. Hij laat in Ieper 4 leden van elke stand ophalen. Vier geestelijken, vier burgers en vier edelen. Maar het scenario van de vorige keer herhaalt zich opnieuw in de bisschoppelijke tent. Een 'njet' over de hele lijn vanwege de twaalf Ieperlingen.

 

De bisschop van Norwich gooit woedend de handen in de hoogte omdat al zijn voorstellen worden afgeketst. De handen ten hemel houdend, veroordeelt hij de Ieperse onderhandelaars als Clementisten en schismatieken. Christophe de Dixmude, de proost van Sint-Maarten, maakt eveneens deel uit van de delegatie. Hij protesteert tegen de onwettigheid van deze impulsieve excommunicatie en roept uit: 'als het van God afhangt, hebt u niet de autoriteit en de macht om ons te veroordelen. We zullen dit feit zeker aanhangig maken bij de paus van Rome!' Vanaf dat moment beschouwt het Engelse leger de expeditie tegen Ieper als een ware kruistocht. De Ieperlingen zijn niet meer dan Joden, Sarazijnen, ongelovigen die ze met zwaard en vuur moeten vervolgen.

 

De afbeelding van luipaarden op de legerstandaard wordt vervangen door een azuurblauwe banier met de afbeelding van een Christusfiguur. De banier blijft nu steeds centraal bij eender welke aanval op de stadsmuren. De afbeelding van Christus, hoe crapuleus het misbruik van het geloof ook mag wezen, betekent wel het gevaarlijkste aanvalswapen dat de geallieerden tot nog toe in de strijd hebben geworpen. De burgerij die tot op vandaag altijd vrij onverschillig is gebleven tegen alle gevaren en bedreigingen, is nu diep geraakt door de goddelijke banier die ontvouwd wordt vlak voor de muren van hun stad.

 

Hun weerstand smelt als sneeuw voor de zon. 'Ils pleuroient moult tendrement', vertellen de kronieken. De Ieperse geestelijken hebben werk aan de winkel om de neerslachtigheid van de poorters te herstellen. Niet zij, maar de Engelsen zijn goddeloos. De ene processie na de andere wordt gecelebreerd. De vijandelijke banier moet intens bestreden wordt door een algemene boetedoening en gebed. Op de derde augustus 1383 is het opnieuw zondag. De zoveelste van de belegering. Vandaag ontsnapt de stad aan een groot gevaar dank zij het alert optreden van zijn verdedigers. Het is een slaperige middag.

 

Enkel de schildknechten bevinden zich op de vestingen. Plots slaat de vijand toe op vijf verschillende punten aan de stadsrand. De bewakers slaan alarm. De klok van de beiaard aan de lakenhalle luidt vervaarlijk. Alle inwoners grijpen naar de wapens en snellen in allerijl naar de vestingen. En dat is niet veel voor tijd want de vijand staat op het punt om de binnenste gracht over te steken en de verschansingen te beklimmen. Boogschutters en kruisboogschutters trakteren de aanvallers op een hagelstorm van pijlen en dwingen ze tot een wanordelijke terugtrekking. Maar de belegeraars worden fanatieker met de dag.

 

De maandag en de dinsdag worden gebruikt om de bruggen opnieuw op te bouwen. Ze willen kost wat kost de vestingen beklimmen, buiten het zicht van de Ieperse bewakers. Bij het krieken van de woensdagmorgen slaan ze toe. Maar de Ieperse wachten merken de tuigen op en haasten zich om hun bevelhebbers er over te informeren. De belegerden springen als gekken in het rond om hun verweer te organiseren.

 

Energiek als altijd, planten ze de grafelijke standaard aan de Boezingepoort waar de aanval verwacht wordt. Want het lijkt er op dat de Gentenaars met al hun ondervinding het verst gevorderd zijn met de constructie van hun aanvalstoren. Maar er is nog een tweede front. De geallieerden hebben besloten om de stad langs twee kanten aan te vallen. Voor de ingang van de onderaardse gang van Steendam wordt een oorlogsmachine op vier wielen aangebracht. Het vervaarlijk tuig zit vol met gewapende mannen.

 

Maar de Ieperlingen slagen er moeiteloos in om de vijand terug te dringen aan de tunnel. Terwijl de Engelse passagiers van het rijdend fort proberen om de bewakers van de Steendamtunnel te verschalken, worden ze van bovenaan de poort bestookt door de burgers. Het oorlogstuig ondergaat zware beschadigingen. Kapitein van Roy en 14 van zijn lansiers worden gedood omdat ze weigeren om zich over te geven. Drie Engelse schilknapen ondergaan hetzelfde lot. Het tuig wordt in de as gelegd. De burgers komen in een uitgelaten stemming terug in de stad.

 

Ook aan de Boezingepoort is het koekenbak. De verdedigers hebben eveneens een uitbraak geforceerd, de vijand teruggedreven en ze achtervolgd tot aan het fort 'Ter Stove'. De Gentenaars hebben op Ter Stove de draak gestoken met de vlag van de graaf en hebben die uitdagend omvergeworpen. Die van Ieper kunnen hier absoluut niet om lachen en ontsteken in hevige woede. Ze vallen zonder aarzelen het door de Gentenaars bezette fort aan.

 

Deze laatsten bieden al bij al vrij weinig weerstand. Het fort wordt overrompeld en ingenomen. De verdedigers worden in bosjes gedood. Hun kanon wordt in beslag genomen. De overwinnaars komen juichend terug naar de stad met in hun zog de veroverde artillerietuigen en het herstelde grafelijk vaandel. En met een rijke oorlogsbuit natuurlijk. De bisschop van Norwich wordt op de hoogte gebracht van beide nederlagen en van de dood van de heer van Roy die bekend stond als één der dapperste ridders van het Engelse leger. Meer en meer gaat hij beseffen hoe moeilijk zijn situatie is hier aan de voet van de poorten van het vermaledijde Ieper.

 

En dan is er nog het aanzwellende gerucht over een Frans leger dat op komst is. Bovendien weet hij vanaf nu ook dat hij niet zal moeten rekenen op een in Dover verzameld Engels legerkorps. De hertog van Lancaster steekt er een stokje voor. Hij werd geaffronteerd door het Engelse parlement en waarom zou hij zijn aartsrivaal daar in Vlaanderen helpen met zijn leger? Henri Spencer mag zijn eigen boontjes doppen. Spencer vangt aan met het lijk van de omgekomen heer van Roy op te vragen bij de Ieperlingen. De Engelsen bewijzen hun ridder de laatste eer in een sfeer van verslagenheid. Om het gemoed van zijn soldaten op te monteren, beveelt de bisschop voor de volgende dag een aanval op de poort van Mesen (nu de Rijselpoort).

 

Aan de voorbereidingen te zien, zal die aanval niet zonder gevaar zijn voor de stedelingen. Overal langs de boorden van de grachten duiken karren op voorzien van ladders. En de Engelsen zijn nu blijkbaar voor het eerst in het bezit van platte schuiten waarmee ze de middengracht kunnen oversteken. Inderdaad. De volgende morgen bevinden de Ieperlingen zich voor de poort van Mesen. De geheimzinnige karren zijn er ook. Ze voeren zwavel, wol en allerhande ontvlambare stoffen aan. Allemaal eersteklas materiaal om de poort in brand te steken. De Ieperlingen lossen de eerste pijlensalvo's en raken de bestuurder van één van die karren.

 

Zijn strijdmakkers zien zich verplicht om eerst zijn lijk weg te brengen. Maar dat houdt hen niet tegen om grote hoeveelheden zwavel en wol tegen de Mesenpoort op te stapelen. Een kritiek moment voor de belegerden! Maar een zekere Laurent Belle springt op gevaar van eigen leven naar buiten en verijdelt het vijandelijk plan. Zijn poging is niet gespeend van gevaar want Engelse boogschutters snellen hun makkers ter hulp en richten hun pijlen op de dappere Ieperling. Maar Belle aarzelt niet en met de degen in de hand stort hij zich onversaagd op de vijand. De Engelsen slaan op de vlucht en laten een trits van doden en gekwetsten achter.

 

Het nieuws van alweer een nieuwe mislukking valt samen met het nieuws dat een Frans leger op komst is en duchtig door marcheert naar de stadswallen van het uitgeputte Ieper. De aankomst van de Fransen is voorzien voor de volgende morgen. Onze bisschop ziet zich nu geprangd tussen twee alternatieven. Hij kan op de vlucht slaan voor de naderende troepen of hij moet er voor zorgen om zich in een uiterste krachtinspanning van de stad meester te maken. Een snelle beslissing dringt zich nu toch wel op. Dan maar een ultieme algemene aanval. In géén tijd is het hele leger verwittigd van wat er te doen staat. Er is maar één kans meer over om over het lot van Ieper te beslissen. Ook in de binnenstad worden de wenkbrauwen gefronst.

 

Hun spionnen hebben de situatie klaar en duidelijk gebrieft. Ze weten dat het nu alles of niets wordt voor beiden. De Engelsen en de Gentenaars spreken elkaar de nodige moed in. En hetzelfde gebeurt onder de Ieperse burgers. De hele nacht wordt er gelabeurd om zowel aanval als verdediging zo goed als mogelijk te organiseren. Bij de dageraad worden alle krijgers, alle Engelsen en alle Gentenaars, zonder uitzondering, bijeengroepen op het appèl. Bisschop Henri Spencer verheft zijn handen ten hemel. Wat een stuk theater!

 

Hij smeekt zijn God om de wapens van de belegeraars te willen zegenen en hen de overwinning te schenken. Wanneer al zijn manschappen zijn neergeknield, verleent hij de algemene absolutie aan allen die strijden voor de heilige zaak van paus Urbanus VI. Niet zo ver vandaan nemen alle weerbare Ieperlingen afscheid van hun families. Ze hebben gezworen om als overwinnaar terug te keren naar huis. De mannen trekken nu naar hun respectieve posten op de vestingen. Een belangrijk deel van de burgers stelt zich gewapend op bij de lakenhalle, klaar om naar potentieel bedreigde punten te snellen. Oudere mensen, vrouwen en kinderen trekken zich terug in het ruime aanbod van kerken en kapellen om er van de Heilige Maagd kracht en bescherming af te smeken tijdens deze benarde tijden.

 

De algemene en te duchten aanval die zowat 24 uur zal duren, is nu niet meer veraf. De Engelsen hebben hun kwartieren zodanig opgesteld dat ze de belegerden van alle mogelijke kanten kunnen verontrusten. De pelotons van de bisschop van Norwich en van de heer van Beaumont zetten de aanval in op de poort van Mesen die in brand wordt gestoken. De burgers verlaten de muren en doven de brand. De Engelsen bestoken de stad nu ononderbroken met elk mogelijk geschut. De Ieperlingen overwegen om een tegenaanval te ondernemen om de stad te ontlasten.

 

Jean Boddart van de gilde van de volders trekt er nog maar een keer op uit aan het hoofd van enkele vastberaden strijdmakkers. Hij doet de vijand wijken. Hij zal zich de rest van zijn leven kunnen beroemen om zijn heldendaden. De Ieperse artillerie slaat nu bressen in de rangen van de belegeraars en drijft hen op de vlucht. De eerste aanval aan de Mesenpoort is mislukt.

 

De achteruit gedreven vijanden blazen verzamelen en sluiten zich nu aan bij de troepen van de heer van Newcastle. Er volgt een tweede aanval. De vijandelijke focus ligt nu op het stadsgedeelte achter het klooster van de Minderbroeders. Hier bevinden zich in- en uitsprongen, verbonden door een reeks van bruggen die naar de middendijk leiden. Er wordt nu van weerskanten hevig gevochten. De Engelse adel onderscheidt zich door haar moed. Eén van hun belangrijkste leiders is een zekere Louis Lin. Hij wordt door een projectiel van zijn paard geslagen en dodelijk gewond. De belegeraars aarzelen enkele ogenblikken en deinzen eventjes terug, maar gaan dan verder door met het afvuren van pijlen en stenen kogels richting belegerden.

 

Er is nu ook sprake van nieuwe aanvallen aan de kant van de Tempelpoort waar een team onder leiding van drie ridders ladders en beweegbare bruggen in stelling brengen. Ze proberen de dijk in de nabijheid van de onderaardse gang, de Steendam, te bereiken. De ridders vallen op door hun fabuleuze uitrusting en hun opvallende wapenschilden. Drie leeuwen op een veld van azuur, een gouden harp en een gouden Sint-Andreaskruis op een zwart veld. Hun banieren zijn volledig ontvouwd en schitteren in de zonnestralen. Hun manschappen staan op de meeste disciplinaire manier opgesteld. Alles laat vermoeden dat dit wel eens de meeste beduchte aanval van de hele reeks zou kunnen worden.

 

Maar de belegerde Ieperlingen zijn perfect op elkaar ingespeeld. Ze stellen hun batterijen zodanig op dat zij de aanvallers in het centrum van de aanval kunnen treffen. Verscheidene Engelsen worden bij het vuren gedood. Terwijl hun lichamen in de stadsgrachten terechtkomen, wordt de rest van de groep op de vlucht gedreven. De Gentenaars zitten ondertussen niet al te goed in hun vel. Ze hebben hun Engelse partners een gemakkelijke zege voorspeld. Maar het tegendeel is waar. De Engelsen voelen zich nog steeds verraden door die van Gent. De voorbije weken zijn allerhande beschuldigingen van meineed en ontrouw niet uit de lucht geweest.

 

Redenen genoeg voor de Gentse brigades om deze keer nu eens voorgoed hun heldhaftigheid en goodwill te bewijzen. Ze zetten nu alle beschikbaar tuig en mankracht in en nemen de Diksmuidepoort voor hun rekening. Hier aan deze poort staat heel ostentatief de vlaggenmast met de vlag van de graaf opgesteld. De vlag wappert er als symbool, een bloedig verwijt van de Ieperlingen tegenover de Gentse rebellen die haar bestrijden. De strijd breekt los en zal urenlang aanhouden. Rond diezelfde tijd valt een deel van de Engelsen de Torhoutse poort aan. Hier strijden Olivier van Loo met zijn mannen voor wat ze waard zijn.

 

Terwijl de Engelsen ononderbroken pijlen afvuren op de belegerden, laten de Ieperlingen tonnen kokende olie en water samen met brandend pek aanvoeren. Gecombineerd met alles wat niet te zwaar en niet te groot is, wordt de hele zooi over de hoofden van de Engelsen heen gekieperd. De hete smurrie zorgt voor grote verliezen bij de Engelsen die niets anders kunnen dan zich terug te trekken. En de Gentenaars hebben het aan de Diksmuidepoort ook al niet beter getroffen. Ook zij moeten wijken onder druk van de tot op de tanden bewapende Ieperlingen.

 

Er volgt nu een pauze van enkele uren. Maar dan komen de belegeraars opnieuw opzetten. De Engelsen en de Gentenaars bundelen hun krachten en ontwikkelen een nieuwe frontlinie langs de grachten van de Diksmuidepoort. Beschermd door hun schilden naderen ze dicht genoeg tot bij de stadsmuren om er bij de inham van het Vijverhuis twee mobiele bruggen, gemaakt van matten en wol op te werpen. Bij het weerklinken van het aanvalssignaal wordt Ieper nu massaal aangevallen. De Ieperlingen zijn vooral beducht voor de aanval van de Gentenaars aan de Diksmuidepoort.

 

De heftigheid waarmee ze strijden, maakt ze bang. De bewalling wordt zwaar geteisterd, de dijken worden zwaar beschadigd en voor de eerste keer tijdens het maandenlange beleg komen de belegeraars tot onder de verschansingen die nu toch wel lijken te bezwijken onder de Gentse druk. Wanneer de aanval op zijn hevigst is, vuren de bevelhebber van de kanonnen van de Torhout- en Diksmuidepoort op de vijand.

 

Ze verijdelen hun ultieme poging om de verschansingen bij het Vijverhuis over te steken. Ondertussen gaan de Engelse boogschutters door met het afschieten van hun bogen. Tot diep in de nacht zwiepen de pijlen onafgebroken op het verdedigingskordon. De burgers ondervinden de grootste moeite om nu nog present te blijven op de vestingen. In de stad zelf waagt niemand zich nu buiten zonder een beschermend schild. De straten zijn nu werkelijk bezaaid met pijlen. De volgende dag zullen ze allemaal verzameld worden in grote tonnen.

 

Na een strijd van 24 uur trekken de aanvallers zich terug. Eindelijk. Ze laten hun vele dode krijgsmakkers roerloos achter op de dijk of in de stadsgrachten. De strijd is voorbij. Ieper is gered. Met dank aan zijn inwoners die zich staande hebben gehouden tegen deze overmacht. De volgende dag verlaten de ontmoedigde Engelsen en Gentenaars de stad Ieper. Ze druipen af na een beleg dat 9 weken lang heeft aangehouden. De overgave is een scenario waar geen van de partijen ooit rekening had durven mee te houden. Het is best grappig om enkele handschriften er op na te lezen die melding maken dat de opgave gebeurd is na een aanval van een zwerm groene muggen. Die van Gent zorgen er wel voor om hun logementen en hun voedselvoorraden in brand te steken en laten een hoop puin achter voor de overwinnaars.

 

De stad zelf zit op haar tandvlees. Iedereen is tot het uiterste gegaan, de limieten zijn bereikt. Van de hele verdedigingsgordel is er amper nog iets overgebleven. De eerste vrouwen verlaten al de stad op zoek naar wat er overgebleven is in hun buitenwijken. Wanneer ze beseffen dat de vijand zijn beleg heeft gestaakt, breekt een uitbundig feest los in de stad. De mensen geven zich nu wel over. Wel te verstaan aan vreugde en plezier. De klokken luiden triomfantelijk. Voor het eerst in 2 maanden. Niet het lugubere geluid van de alarmklokken maar volop tintelende klanken die de Ieperse lucht vrolijk en victorieus bezwangeren. Het respect van het stadsbestuur voor de mannen die de verdediging hebben volgehouden is immens.

 

De zelfde dag, vlak na het einde van de strijd worden 9 onder hen tot ridder geslagen door de burggraaf Jean van Oultre. Het zijn Pieter Vanderzype, de heer van Dentergem, Olsene en Wazière. Ook Olivier van Loo de heer van Voormezele en François Belle de heer van Boezinge. George, Jacques, Jan Belle en zijn zoon Laurent worden onderscheiden, net zoals Jan Ricasseis en Olivier de Reuse.

 

Edward Jordaen, Gilles Landrien van St.-Nikolaas, Jacques Scoonbeen van Hondschote en Chrétien de Blessy krijgen volledige burgerrechten van de stad Ieper en behoren nu tot het kransje van de gegoede burgerij omdat ze zich zo dapper hebben gedragen. De vrouwen en wie niet kon strijden, hebben bij de laatste aanval de hulp van de Maagd afgesmeekt en willen nu de overwinning een feit is, hun erkentelijkheid tonen.

 

Ze stichten de gilde van de blinden, kreupelen en arme lieden die trouwens voorgoed zichtbaar zal blijven in de naam van de Ieperse Blindeliedenstraat. Voor het klooster van de Minderbroeders wordt een beeld van de Heilige Maagd, de patrones van de stad Ieper onthuld. Ze wordt omringd door een soort haag, een thuyn, symbool van de al met al zwakke versterkingen die hen uiteindelijk gered hebben. De 'thuyn' wordt uiteindelijk uitgeroepen tot het leidmotief en zal voortaan de basis vormen van de naam Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne. Het staat in elk geval zo neergepend in de archieven van de Minderbroeders.

 

Enkele dagen na de belegering wordt er in de stad een plechtige processie georganiseerd waar alle bewoners aan deelnemen. De mensen kunnen maar zo dankbaar zijn voor hun redding. De Ieperse magistratuur zal in 1384, één jaar na de illustere feiten, een decreet uitvaardigen, dat er vanaf dat moment jaarlijks een processie zal uitgaan op de eerste zondag van de maand augustus. De Thuyndagfeesten zijn nu definitief gesticht.

 

De herinnering aan de evenementen van 1383 wordt vastgelegd in een opmerkelijk schilderij dat aan de ene kant de belegering en aan de andere kant de Thuyndagprocessie afbeeldt. Het werk is van de hand van een onbekende meester die het vermoedelijk schildert in 1483. Het wordt aanvankelijk opgehangen in de kerk van de Recoletten. In 1657 wordt het gerestaureerd door een zekere Liebart die zijn handtekening zal nalaten bovenaan het kunstwerk. Later zal het schilderij verhuizen naar de kerk van Sint-Maarten, waar het zich rond 1850 nog steeds bevindt..