P1382100

Op het einde van de 14de eeuw heeft Ieper veel van zijn oude pracht en praal verloren. Het is al lang niet meer de weelderige stad die ze ooit geweest is. De burgeroorlogen die al een kleine honderd jaar woeden, hebben Vlaanderen lelijk aangetast. De Ieperse poorters hebben altijd een prominente rol gespeeld in die gebeurtenissen. De voornaamste drijfveer, eigen stedelijke macht en onafhankelijkheid, is nooit veraf geweest. Maar de eeuw van politieke turbulentie ligt wel aan de basis van diepgaande veranderingen en zorgt er voor dat de bronnen van welvaart en rijkdom stilaan aan het opdrogen zijn.

 

Het verbod om Engelse wol te importeren zorgt voor het verval van de lakennijverheid en brengt mistevredenheid, onrust en miserie in de stad. Maar er is een andere onderliggende oorzaak die het sociale weefsel van de stad door elkaar schudt. De gewone mensen koesteren een diepe haat tegen de adel en de begoede burgerij. Water en vuur leven zij aan zij in één stad.

 

Het volk voelt, tot in de toppen van de tenen, een diepe afkeer voor de politieke aspiraties van zijn prominenten die vooral ingaan tegen de belangen van het land van Vlaanderen. Hun onbeschaamd en pervers luxeleven en hun buitensporig ontspoorde zeden vormen regelmatig onderwerp van publieke discussies bij het gewone volk dat zelf hardnekkig probeert om de eeuwenoude tradities van hun stad in stand te houden. Politieke en sociale onrust woekeren als een kanker door de straten, pleinen en huizen van de stad Ieper.

 

Schrijver en historicus Lucien Antoine Diegerick (1812-1885) concentreert zich 160 jaar geleden op de feiten die zich afspelen in Vlaanderen. In de tijd van graaf Lodewijk van Male. Diegerick keert terug naar Ieper tussen de jaren 1379 en 1384. De gebeurtenissen van die dagen liggen zonder meer aan de basis van de desastreuze teleurgang van de industriële macht van de stad.

 

70 jaar geleden kon het Iepers textiel vlot wedijveren met die van de grootsteden Gent en Brugge. De buitenwijken van de stad waren als paddenstoelen uit de grond geschoten en waren eigenlijk belangrijker geworden dan de oorspronkelijke stad. In 1247 werd nog een bewonersaantal van 200.000 zielen gemeld aan de paus. In 1379 zijn hiervan nog ongeveer 80.000 inwoners overgebleven. Het overgrote deel ervan zijn wevers en volders die in de buitenwijken van de stad wonen.

 

De arbeiders zijn vaak rusteloos. Ze zorgen voor moeilijkheden, ophef en opruiende gedachten bij de hele bevolking. Diep onder de huid van die buitengebieden sluimeren ononderbroken gevoelens van rebellie. Wraakgevoelens tegenover de elitaire kaste die er nauwgezind op toe ziet dat tienduizenden verpauperde arbeiders hun hele leven niet het minste uitzicht zullen krijgen op een betere toekomst. De situatie in de andere stedelijke agglomeraties van Vlaanderen is eigenlijk niet anders. Het is wachten op alweer een nieuwe sociale uitbarsting.

 

Gent, 6 september 1379. Na de dood van de Engelsgezinde volksleider Jan Hyoens (de vroegere kompaan van Jacob van Artevelde) kiezen de Gentenaars hun nieuwe leiders. Nieuw bloed. Het wordt een team van vier mannen die een onvoorstelbare energie, durf en vrijmoedigheid aan de dag leggen voor hun respectieve ambachten. Niets of niemand kan hen afleiden van hun taak. Jan Pruneel, Jan Bolle, Raes van Herzele en Pieter Van den Bossche zijn partizanen, volksstrijders in de pure zin van het woord.

 

De politieke agenda van graaf Lodewijk van Male, Fransgezind in hart en nieren, om de belangen van de Engelsen terug te schroeven in Vlaanderen staan haaks op de economische realiteit van elke dag. Gent is zowat de belangrijkste textielstad van Europa en dankt die status aan de hoge kwaliteit van zijn basisgrondstoffen, schapenwol die sinds jaar en dag wordt geïmporteerd uit Engeland.

 

De Gentenaars zien elke grafelijke boycot als een aanslag op hun zakenpartners. Het risico dat de Engelse lakenhandelaars zullen afhaken, stijgt met de dag. En wat dan? Het volk van Gent is door die constante dreiging veroorzaakt door de leiding van het graafschap Vlaanderen een oprechte afkeer van Lodewijk van Male en zijn Franse kliek. Het volk wil een onafhankelijk Vlaanderen, los van de koning van Frankrijk. Het wil een land dat bestuurd wordt door zijn eigen mensen die keuzes maken voor de welvaart van zijn eigen ambachten en niet tegen die welvaart zoals dit nu het geval is.

 

Ze hechten zich onmiddellijk aan hun nieuwe leiders en willen hun volksgedachte doordrukken doorheen de rest van Vlaanderen. Hun succesvolle wervingstocht leidt hen langs Brugge, het Vrije, Kortrijk, Torhout en Roeselare. Uiteindelijk biedt een Gents volksleger van 12.000 man zich op 23 november 1379 aan bij de Ieperse Torhoutpoort.

 

Aanvankelijk worden ze niet binnengelaten in de stad. In Ieper is de interesse voor een volksleger van officiële zijde maar magertjes. Dat is het geval bij de "goede lieden": de magistraten, de notabelen en de kleine neringen. En natuurlijk ook bij het volk van het garnizoen van Lodewijk van Male dat onder leiding van de heer van Antoing kazerneert in de stad. Met zijn allen hebben ze gezworen om de autoriteit van hun graaf te verdedigen tegen de "kwade lieden".

 

Aan Gentse zijde, bij die "kwade lieden", zien we jonge krachtige mannen die willen gaan voor hun zaak. Het zijn vooral de wevers en volders onder leiding van de energieke en welbespraakte Jacques Van der Beerst die in het oog springen. De ridders van de graaf willen vermijden dat de stadspoorten door de bende zouden worden geforceerd en begeven zich buiten de stadspoort. Ze krijgen het onmiddellijk aan de stok met Jacques Van der Beerst en zijn manschappen die er op aandringen dat de poorten zouden worden geopend voor hun "goede vrienden en buren uit Gent".

 

De poorten blijven echter dicht. Opdracht van de graaf. Het duurt niet lang voor dat beide partijen met elkaar op de vuist gaan. "Ter dood" roepen de woedende volders, "jullie zullen nooit de heren worden van onze stad". Met 12.000 man tegen een kleine groep ridders is het natuurlijk niet moeilijk om dan te winnen. Het gevecht is al even snel afgelopen als het begonnen was. Vijf ridders worden gedood. Onder hen de heren Robert en Thomas de la Hovarderie. De heer van Antoing en enkele anderen kunnen ternauwernood aan de dood ontsnappen als ze door enkele notabelen uit de handen van de Gentenaars worden weggesleurd.

 

De Gentenaars dringen nu binnen in de stad Ieper. De overgebleven ridders verlaten Ieper in alle haast. Jacques Van der Beerst wordt door de Ieperse wevers en volders spontaan verkozen tot deken van hun gilde. Het is het begin van een heksenjacht die zes volle dagen aanhoudt. Iedereen die het aandurft om zich te verzetten wordt vervolgd. De woning van burggraaf Jean van Oultre wordt vernield. De Gentenaars proberen tevergeefs om binnen te geraken in het kasteel van de graaf. Het Zaelhof. Beladen met buit verlaten de Gentenaars de stad en verspreiden ze zich verder over het Westkwartier waar ze nu Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort aan hun wil onderwerpen.

 

De belegering van Oudenaarde wordt aangevat. Zesduizend mannen uit de reeks veroverde Vlaamse steden stappen mee met die van Gent. Maar nog voor het eerste geweld kan losbreken, op woensdag 1 december 1379, besluit graaf Lodewijk van Male dat hij beter eieren voor zijn geld kiest. In Mechelen sluit hij de zogenaamde "vrede van Mechelen" waarbij hij alle Vlamingen pardonneert voor al hun misdaden en aankondigt dat alle stedelijke privileges intact blijven.

 

De aangekondigde vrede oogt dubbelzinnig. "Une paix à double visage" schrijft Diegerick. Ze wordt al snel gebroken. Gent staat weer op en de graaf ziet zich verplicht om op de vlucht te slaan naar Parijs. Een gruwelijk voorval steekt de lont aan een reeks vijandelijkheden. Olivier de Hauterive en enkele andere heren leggen beslag op 40 Gentse boten en verminken de respectieve schippers. Ze steken hun ogen uit, hakken hun handen af en sturen ze als menselijke wrakken terug naar Gent. Een algemene verontwaardiging om deze gruwelijke feiten is nu natuurlijk een logisch gevolg.

 

De revolutie escaleert. Overal in de steden wordt er naar de wapens gegrepen. De leliaards proberen de gilden wat te sussen. Maar het nieuws dat Jan Pruneel in opdracht van de graaf te Rijsel wordt onthoofd, wakkert het geweld verder aan. In Ieper lijkt de situatie kalm en onder controle. Maar dat is schijn. In februari 1380 komen de wevers en volders samen voor de kerk van Sint-Maarten. Ze besluiten om onder het bevel van Jacques Van der Beerst hulp te gaan bieden aan hun Gentse vrienden.

 

Maar in datzelfde Ieper blijven hoogbaljuw Olivier van Steenlant, de baljuw Frans Van Daele en de burgerij pal achter de graaf staan. Ze zitten met die steun natuurlijk in nauwe schoenen tegenover de volksmassa en verzoeken de graaf om troepen te zenden die de stad moeten beschermen tegen zijn vijanden.

 

De tweespalt in Ieper kan niet duidelijker zijn. De stad is verdeeld in twee vijandelijke kampen. De graafsgezinden denken dat ze in de meerderheid zijn en komen samen voor de lakenhalle. Ze voelen zich beschermd door de bevriende en loyale deken die aan het hoofd staat van 4 kleine Ieperse ambachten. De samenkomst voor de lakenhalle is nog maar net begonnen als Jacques Van der Beerst en zijn aanhang zich rumoerig aanmelden in de Diksmuidestraat. Met in hun zog zowat de hele bevolking van buitengemeente Sint-Jan. Het komt tot een bloedig treffen. Het gevecht blijft lange tijd onbeslist. Als een deel van de kleine gilden onder leiding van Coppin en zijn zoon Jan plots de zijde kiezen van Jacques Van der Beerst is de strijd beslecht.

 

De nederlaag van de Ieperse leliaards betekent een regelrechte boost voor de Vlaamse zaak in zowat alle steden van het land. Lodewijk van Male is ondertussen terug in Brugge en wil zich revancheren. Hij stuurt zijn troepen herhaaldelijk naar het Westkwartier om er vernielingen aan te richten. Ook de oevers van de Leie worden regelmatig geteisterd. Enkele ridders worden ter hoogte van Poperinge verslagen door Jacques Van der Beerst.

 

De lokale notabelen, zeg maar de begoede burgerij van het centrum, zien het allemaal niet meer zitten, en trekken naar Brugge waar ze de graaf om vrede verzoeken. Op 27 juni 1380 komt Lodewijk van Male naar Ieper. Hij denkt van zichzelf dat hij voldoende autoriteit bezit om een vrede af te kondigen. Het is natuurlijk een eenzijdige beslissing. Vooral het feit dat die dag 400 wevers en volders verbannen worden uit de stad en verplicht moeten verhuizen naar Douai en Orchies, doet bij velen de wenkbrauwen fronsen.

 

Het is niet meer dan normaal dat deze vrede een kort leven is beschoren. Er kondigt zich nu een strijd van een heel ander kaliber aan. In Brugge werd totnogtoe warm en koud geblazen. Eerst had het stadsbestuur zich aangesloten bij het volk, maar wat later hebben ze opnieuw de zijde gekozen van de graaf. Maar ze zitten altijd weer geprangd tussen hun eigen volk en die van Gent. De vrede die Lodewijk van Male aankondigde in Ieper, was dus een poging van de Brugse magistratuur om te ontsnappen van de tweespalt in eigen rangen.

 

Maar de graaf is niet goed wijs. Die verbanning van de Ieperse wevers en volders was een dwaze zaak. Ook de Brugse textielarbeiders worden nu vervolgd als revolutionairen. Heeft hij dan werkelijk niets geleerd hoe het zijn voorgangers de voorbije eeuw is vergaan met hun agressie tegen het gewone volk? Als Vlaanderen op de hoogte wordt gebracht van de moedwillige moord op 14 Brugse wevers, is de maat vol. We zijn 1 augustus 1380. De oorlog is nakend. Gent, Ieper, Kortrijk, Rijsel, Deinze en Roeselare sluiten zich officieel aan bij de volksbeweging.

 

De graaf van zijn kant heeft de steun van het volk van het Brugse Vrije. Hij begeeft zich nu naar Diksmuide waar hij de hulp inroept van de ridderlegers van Henegouwen en Artois. Lodewijk van Male is de Gentse aanslag op zijn garnizoen aan de poorten van Ieper nog niet vergeten. Hij stuurt aan op wraak. Hij besluit eerst en vooral om op te rukken naar Ieper. Het nieuws van de komst van een nieuw grafelijk leger boezemt de bewoners grote schrik in. Ze kunnen zich onmogelijk verweren tegen dergelijke overmacht en sturen brieven en boodschappers naar Gent. De Ieperse vraag om hulp wordt er op een genereuze manier verleend en enkele dagen nadien stappen 5.000 man onder leiding van Jan Bolle en Arnould Declercq de stadsmuren van Ieper binnen.

 

De Gentse legerleiding beschouwt die 5.000 bovendien als een eerste legerkorps dat snel gevolgd zal worden door andere milities. Als ze in Gent vernemen dat de graaf aangekomen is in Poperinge, vertrekken nog eens 9.000 mannen op zoek naar de confrontatie. Het tweede leger staat onder het bevel van Pieter Van den Bossche, Raes van Herzele, Pieter De Winter en Jan Lannoy. Via Kortrijk arriveren ze in Roeselare. Ze sturen een boodschapper naar Ieper met de opdracht om te hergroeperen en die van Ieper mee te nemen in het grote ééngemaakte volksleger.

 

Na een flink uur marcheren, ontmoeten de eerste Gentenaars en de Ieperlingen elkaar op een plek waar de wegen zich splitsen richting Roeselare en Torhout. Jan Bolle is zinnens om de weg in te slaan richting Torhout maar ze lopen in een hinderlaag. Iemand heeft hen verraden. Het kan niet anders. Zonder zich maar enigszins te verdedigen, slaan de geallieerden op de vlucht. Velen zoeken hun toevlucht richting Ieper. De anderen vluchten her en der over de velden.

 

De soldaten van de graaf zetten de achtervolging in. 1.200 Gentenaars en evenveel Ieperlingen worden gewelddadig neergeslagen en gedood. Lodewijk van Male profiteert van deze overwinning om nu de confrontatie aan te gaan met het grote Gentse leger. De graafsgezinden vallen de Gentenaars aan ter hoogte van Woumen en slaan hen uiteen.

 

Ondertussen is Jan Bolle met zijn vluchtelingen aangekomen in Kortrijk waar hij beschuldigd wordt van verraad. "Hoe konden die van de graaf nu weten dat hun legers zinnens waren te hergroeperen halverwege tussen Roeselare en Ieper?".

 

De teruggekeerde Ieperlingen wachten de afloop van de strijd in spanning af. De volgende morgen weten ze voldoende. We spreken over dinsdag 15 augustus van het jaar 1380. Lodewijk van Male, vergezeld van een imposant leger van 60.000 mannen, biedt zich aan in de periferie van de stad. De Ieperlingen willen een militaire confrontatie aan hun stadsmuren te allen prijze vermijden en sturen een delegatie van 325 vooraanstaande burgers uit de cité richting graaf. Het zijn natuurlijk allemaal graafsgezinden en wat de rest van Ieper denkt, doet er op dit moment niet toe! Ze werpen zich gedwee voor zijn voeten, danken hem uitgebreid voor zijn hulp, betuigen hun onderdanigheid aan zijn gezag en bieden hem tot slot de sleutels van de stad aan.

 

Lodewijk van Male gunt ze geen blik waardig. Hij begeeft zich zonder veel tamtam in de binnenstad. Zijn wraak zal drie weken aan één stuk duren. 700 inwoners worden van hun families weggerukt. De helft wordt ter dood veroordeeld. Hun lichamen worden begraven buiten de Tempelpoort dicht bij de poterne, de onderaardse gang. De rest wordt in de kettingen geslagen en naar Brugge gestuurd. Allen die verdacht worden van misdaden of rebellie worden volgens de bestaande rechtspraak berecht.

 

Pas naar het einde van het jaar toe begint de graaf weer enig mededogen te tonen. Er is op kerstdag 1380 sprake van de "vrede van Diksmuide". De Ieperlingen krijgen eindelijk een beperkt deel van hun stadsrechten en vrijheden terug.

 

Wel te verstaan dat er vanaf nu geen sprake meer kan zijn van het heffen van aanvullende belastingen zonder voorafgaande grafelijke toestemming. De stad moet trouwens een boete van 50.000 Parijse ponden betalen. De gijzelaars komen vrij. Als ze ten minste instemmen met de nodige voorwaarden.

 

De handschriften uit die tijd hebben het opnieuw over de wevers en de volders die natuurlijk bijzonder mistevreden zijn met wat er de voorbije maanden is voorgevallen. De vrijgeleide die de graaf heeft gekregen om velen onder hun te straffen, gevolgd door die financiële straffen, liggen zwaar op de maag. Op 14 februari lopen de potjes nog maar eens over. Moegetergd door de beperkingen van hun vrijheden, weigeren ze de belastingen te betalen die er nu nog eens dreigen bij te komen.

 

Terwijl de officieren, de magistratuur en de stadsbewakers in Besant (een plaats tussen de d'Hondtstraat en de Rijselstraat) overleg plegen hoe ze de onrust kunnen bedaren, worden ze in volle vergadering overvallen en verjaagd door een meute rebellen. Een aantal onder hen loopt hierbij verwondingen op. Maar enkele dagen later is de onrust gekoeld en wordt er ingestemd met de voorwaarden van de graaf.

 

Nu Ieper weer rustig is geworden, wordt het tijd voor Lodewijk van Male om zijn pijlen te richten op de stad Gent. In september 1380 slaat hij zijn legerkamp op voor de stadspoorten. Maar Gent is een heel ander paar mouwen. Duizenden mensen uit het Brabantse en het Luikse steunen de Gentse kapiteins en zijn gekomen om Jacques Van der Beerst bij te staan. En vergeet niet dat er zich nog duizenden Ieperse wevers bevinden in Gent. Gent blijkt een niet te overwinnen obstakel voor de graaf.

 

Op 11 november 1380 doet de graaf een vredesvoorstel, maar dat is allemaal niet gemeend. Wintertijd weet je wel. Als de lange dagen en de zon van 1381 zijn aangebroken, beginnen de vijandelijkheden opnieuw. Op 13 mei rukt een leger van 20.000 man op naar Gent. Onder hen marcheren opmerkelijk genoegen een peloton Ieperlingen onder de leiding van ridder Van Medem.

 

De Gentenaars onder het bevel van Raes van Herzele en van Jan de Lannoy marcheren hun stad buiten en gaan in Nevele de confrontatie aan met de troepen van Lodewijk van Male. Na een beklijvende veldslag worden de Gentenaars verslagen. In Gent rouwen ze om de dood van hun geliefde en illustere kapiteins. Na zijn succes keert de graaf terug naar Brugge. Die van Gent nemen de stad Geraardsbergen in, maar die inname is van korte duur want de heer van Enghien herovert het stadje en de Gentenaars worden naar hun thuisstad verdreven waar ze in de tang komen te zitten van enkele grafelijke legereenheden.

 

Een nieuwe winter is aantocht. De Gentse muren en vestingen hebben het zo goed als begeven onder de druk van de maandenlange belegering. De tijd van een nieuwe ronde onderhandelen lijkt aangebroken. De adellijke Albert de Bavière wordt aangesteld als bemiddelaar. Maar ze zijn niet stupide in Gent. Ze hebben ook wel gezien welke menselijke ravage de graaf heeft aangericht in Ieper. Nee nee, geen onderhandelingen. Verzet. Ze kiezen een nieuwe chef. En wat voor een? Filip van Artevelde, de zoon van zijn onvergetelijke vader en gewezen ruwaard Jacob, wordt op 25 januari de nieuwe sterke man van de geteisterde Gentenaars.

 

De situatie in Gent is ondertussen verre van schitterend. De bevolking zit zonder voeding. Geen eten op de tafels. Velen sterven door hongersnood. In die toestand moeten ze de meedogenloze woede van de graaf ondergaan die er in is geslaagd om zijn troepen uit het Vrije, Ieper en zowat het hele Westkwartier te hergroeperen in Brugge en nu klaar staat om het rebelse Gent de genadestoot toe te brengen. De Gentenaars zijn de wanhoop nabij maar ze vinden desondanks de moed om alle weerbare mannen tot een laatste slag te overhalen.

 

In plaats van hun lot af te wachten in hun geteisterd thuisbastion, beslist Filip van Artevelde dat een verrassingsaanval op Brugge misschien wel de betere strategie kan zijn. Op de feestdag van het Heilig Bloed, 2 mei 1382, houden ze halt in de buurt van Oedelem, aan de uitgestrekte heide van Beverhoutsveld.

 

De graaf heeft ondertussen zelf een leger opgetrommeld. Een aantal toegewijde burgers en enkele lokale edelen vergezellen het leger om de confrontatie aan te gaan met de oprukkende Gentenaars. Maar dat loopt niet goed af. Hun aanval wordt gemakkelijk weerstaan. Van Artevelde en de zijnen verjagen de Bruggelingen tot aan en zelfs binnen in hun thuisstad. Lodewijk van Male die had deelgenomen aan de aanval, kan aan de dood ontsnappen door zich te verbergen op de zolder van een oude vrouw. Bij zonsopgang van de volgende morgen slaat hij, vermomd als een eenvoudige soldaat, op de vlucht naar Rijsel.

 

Ruwaard Filip van Artevelde is de ster. Dank zij zijn overwinning kan hij nu de steun opeisen van de diverse Vlaamse steden. Allen sluiten ze de Gentse bonk in hun hart. Alleen Oudenaarde en Dendermonde weigeren toe te treden tot de Vlaamse alliantie. Ook Ieper dat zich sinds de vrede van Diksmuide gedeinsd had gehouden onder de dominantie van de graaf, laat zich overhalen tot de groepering van het volk. De Gentse soldaten die vanuit Brugge de stad Ieper binnenkomen, worden er door de mensen met open armen ontvangen. De ridders die er de belangen van de graaf verdedigen vinden het raadzaam om hun vluchtende baas in Rijsel te gaan vervoegen.

 

De vreugde-uitbarstingen in zowat heel Vlaanderen na de overwinning in Beverhoutsveld zouden wel eens faliekant kunnen aflopen voor die van Ieper. Terwijl de mensen zich hand-in-hand met de uitzinnige Gentse soldaten uitleven in een roes van triomfantelijke vreugde, smeedt al het in Rijsel toegestroomde grafelijk volk al plannen om het verloren Ieper opnieuw in te nemen.

 

En zie! Enkele dagen na de festiviteiten staan plots en zonder enige verwittiging 300 mannen voor de stadsmuren. De concentratie is blijkbaar afwezig want er staan geen wachten aan de Ieperse poorten. De mannen van Lodewijk van Male kunnen zonder slag of stoot de stad binnen stappen. Nog voor dat de Ieperlingen naar hun wapens kunnen grijpen, lopen de indringers door de straten en tieren ze; "dood aan de partizanen van Gent". Twaalf rebellen worden vermoord en één van hun leiders, Salomon Van Leenen wordt krijgsgevangen genomen en naar Rijsel overgebracht waar hij in opdracht van de graaf wordt onthoofd.

 

Het nieuws van de succesvolle aanval op Ieper verspreidt zich als een lopend vuurtje tot bij Filip van Artevelde die het belangrijk genoeg vindt om zelf orde op zaken te gaan stellen. De 300 bezetters maken dat ze weg zijn als ze vernemen dat ze in de tang zullen worden genomen door een op komst zijnde Gentse overmacht. Op 24 mei 1382 trekt de ruwaard inderdaad met 4.000 mannen de stad Ieper binnen. De mensen zijn benieuwd om hun redder te zien en haasten zich om hun huizen te verlaten en om Filip van Artevelde toe te juichen en te verwelkomen. Het lijkt er op dat ze voor de eerste keer in hun geschiedenis nu eens een leider hebben die de hunne is. Een ruwaard van het volk.

 

Ze zweren om hem trouw en onderdanig te zijn. Er komen nieuwe stedelijke wetten, het stadsbestuur wordt vervangen en al de mensen die verjaagd en verbannen werden, kunnen nu zonder vrees terugkomen naar hun thuisstad waar ze hulp en bescherming aangeboden krijgen. Hele delegaties uit Kassel, Sint-Winoksbergen, Broekburg, Veurne, Nieuwpoort en Poperinge komen hun toewijding zweren aan van Artevelde die zich nog steeds in Ieper ophoudt.

 

De natuur roert zich. Terwijl de stroom sympathisanten in Ieper maar blijft toekomen, breekt er volgens de kronieken een orkaan los die zes uur zal duren en die gepaard gaat met een aardbeving. Van de vroege morgen tot aan de middag. De mensen zijn in die tijd zo bijgelovig en zo naïef als maar mogelijk is. Het lijkt erop dat de graaf zich op die manier wil wreken voor wat het volk hem heeft aangedaan. Maar storm of geen storm, de Gentenaars maken werk van de zuivering in de stad. Zeg maar blinde woede. Een aantal fanatieke graafsgezinden worden opgejaagd door een woedende meute. Broeder Jan Rovers die aangesteld was als bewaker van de Recoletten, van Hildebrant de celebrant van de Augustijnen en van twee broeders van de Dominicanen worden door het gepeupel gedood.

 

De ruwaard verlaat Ieper na een verblijf van acht dagen. Hij reist nu naar Kortrijk. Op 7 juni trekt hij van daar naar Oudenaarde die zijn gezag nog steeds niet heeft erkend. Graaf Lodewijk van Male heeft de verdediging van Oudenaarde toevertrouwd aan heer Daniel Hallewyn. Het volledige volksleger is ondertussen toegestroomd voor de poorten van het grafelijk bastion. We zien die van Brugge, Ieper, Kortrijk, Poperinge, Kassel en van het Brugse Vrije. Deze keer is het menens. Er wordt een blokkade aangelegd op de Schelde met de bedoeling om het volk daarbinnen te laten verhongeren. Filip van Artevelde is zelfverzekerd en vastbesloten. Hij zal Oudenaarde niet verlaten vooraleer alle ridders van de graaf gedood zullen zijn onder de slagen van zijn zwaard.

 

Lodewijk van Male van zijn kant laat alle gijzelaars die Kortrijk aan hem had uitgeleverd om het leven brengen. Wat voor een laffe en zinloze wraakoefening is dit? De Ieperlingen die hij in 1379 verbannen had naar Douai, worden eerst naar Bapaume overgebracht en later naar Hesdin. Zo te zien is hij bevreesd dat de Vlamingen zullen doordringen tot Douai en er de Ieperlingen zullen bevrijden. De ridders die aan de zijde vechten van Daniel Hallewyn, bieden tijdens die dagen een heroïsch verzet tegen de belegeraars. Het is een eindeloze uitputtingsslag. Filip van Artevelde, vermoeid door de duur van het beleg, ziet zich genoodzaakt om een deel van zijn leger te sturen naar Dendermonde. Maar zowel in Dendermonde als in Oudenaarde zijn de geleverde inspanningen niet succesvol.

 

De Gentenaars raken meer en meer geïrriteerd door de obstakels die ze maar niet kunnen innemen. Hier en daar beginnen benden van het leger rond te zwerven op het platteland waar ze kastelen in brand steken en eigendommen van de adel vernietigen. Hun strooptochten leiden hen zelfs tot aan de poorten van Rijsel waar ze in aanvaring komen met Franse legereenheden. Onderweg verwoesten ze de stad en het kasteel van Helkijn waar enkel de muren nog overeind blijven staan.

 

Het wel en wee van de oorlog is niet altijd in het voordeel van die van Gent. Vanuit Rijsel vertrekken een groep soldaten en ridders met de bedoeling om de bezetting van Kassel te breken. Ze slagen er in om tijdens de nacht de heuvel te beklimmen en binnen te dringen in de stad. Zowat het hele garnizoen wordt geliquideerd. Het zijn bijna allen Ieperlingen waar van de leiding door van Artevelde toevertrouwd was aan kapitein Boterman. Ook die laatste wordt trouwens om het leven gebracht.

 

Lodewijk van Male zou niets liever willen dat er een einde komt aan deze vuile oorlog. Hij probeert nog maar eens een keer de steden te overhalen maar die weigeren opnieuw om zijn gezag te erkennen. Hij zoekt zijn heil bij zijn schoonzoon, Filips de Stoute (op dat moment 40 jaar), een krachtige nazaat van de Valois-dynastie, één van de regenten van de koning Karel VI van Frankrijk en hertog van Bourgondië. Een machtige man en feitelijk nu al de baas over Frankrijk want koning Karel VI is in 1382 pas 14 jaar. Kan die machtige man de Vlaamse volksopstand neerslaan? Uiteindelijk heeft zijn schoonzoon er alles mee te winnen want Lodewijk van Male heeft maar één dochter en dus kan zijn schoonzoon beter nu zijn erfdeel vrijwaren.

 

Filip van Artevelde van zijn kant is de wanhoop nabij. Hij mag de inname van Dendermonde en Oudenaarde vermoedelijk op zijn buik schrijven. Hij vreest dat de graaf een alliantie zal aangaan met de Franse koning en dat alle Vlaamse gijzelaars zullen overgedragen worden aan de Fransman. Hij beslist om eens te vissen of er geen onderhandelingen mogelijk zijn. "Moult douce et moult aimable" betitelt hij de puber Karel VI in een brief waarbij hij vraagt of de koning niet zou willen tussenkomen in het conflict tussen de Vlaamse steden en de graaf en om de vrede te herstellen.

 

Zijn vader Jacob van Artevelde en de Engelse koning Edward III zijn de voorbije decennia een hechte alliantie aangegaan die heel positief was voor de Vlaamse textielnijverheid. Maar die natuurlijk de Fransen altijd voor de borst heeft gestoten. Want de Engelsen zijn hun aartsvijanden. In het verzoek van Filip van Artevelde zien ze een ideale gelegenheid om een stok tussen de deur van die alliantie te steken en de Engelsen buiten te bonjouren uit Vlaanderen. Ze sturen een delegatie naar Doornik in een poging om overeen te komen met de Vlaamse ruwaard.

 

Maar Filip van Artevelde weigert te praten over een vrede met Frankrijk zolang Oudenaarde en Dendermonde zijn autoriteit weigeren te erkennen. De Koninklijke onderhandelaars vertrekken onder vrijgeleide naar Parijs en verklaren dat ze dergelijke voorwaarden onmogelijk kunnen aanvaarden. Op 20 oktober laat van Artevelde een manifest verspreiden waarbij hij de houding van de Vlaamse steden legitimeert. Als Karel VI (zeg maar Filips de Stoute) weigert om de Vlamingen een vredesgezinde onderhandeling aan te bieden, waarom zouden de Vlamingen dan angst moeten hebben voor zijn macht en zijn troepen.

 

De zelfverzekerde arrogantie van het Vlaamse antwoord verbaast en irriteert de omgeving van de koning. Het zou inderdaad geen slecht idee zijn om Lodewijk van Male te ondersteunen met Franse troepen? Van Artevelde had de reactie van de Fransen al verwacht voor hij zijn manifest liet verschijnen. Een week voor de publicatie ervan (op 14 oktober 1382) vertrekt een Vlaamse delegatie naar Londen om een nieuwe alliantie af te spreken tussen Engeland en Vlaanderen. Ongelukkig genoeg voor de Vlamingen is er geen Edward III meer om toe te happen en wordt zijn zoon Richard II gechaperonneerd en gedomineerd door de adel. Er komen daardoor alleen maar beleefde, nietszeggende en ontwijkende antwoorden op de vragen van de Vlamingen. Vlaanderen staat plots alleen en zal moeten terugvallen op zijn eigen kracht.

 

Aan Franse zijde lopen de militaire voorbereidingen bijzonder gesmeerd. De koning heeft de heilige banier (de auriflamme) van de abdij van Saint Denis bovengehaald en zal zelf aan het hoofd van de militaire expeditie staan. Hij heeft alle heren en ridders van zijn koninkrijk, zelfs die van de verst verwijderde provincies, gesommeerd om aanwezig te zijn Arras. Filips de Stoute eist van zijn onderdanen in Bourgondië goud en zilver om de schulden die hij aangaat voor deze oorlog te milderen. Lodewijk van Male brengt in naam van zijn graafschap Artesië en in aanwezigheid van alle Franse pairs een passend eerbetoon aan zijn koning. Hij heeft zijn financiële middelen zwaar aangesproken om een leger van 16.000 te laten marcheren onder de Artesische banieren.

 

Nu alle eenheden verzameld zijn, telt het leger van Karel VI maar liefst 80.000 manschappen. De hele Franse adel is ingegaan op het verzoek van de jonge koning en tekent present in Arras. Opmerkelijk is ook de aanwezigheid van hele benden ongedisciplineerde Bretoenen die op zoek zijn naar avontuur en goedkoop profijt. Filip van Artevelde is zich heel bewust van de machtsontplooiing van de Fransen. Hij blijf niet bij de pakken zitten. Hij laat Oudenaarde voor wat het waard is en trekt naar Brugge om zich ervan te verzekeren dat ze hem nog steeds trouw zijn. Van Brugge gaat het naar Ieper waar de ruwaard zeker ook zijn autoriteit moet zien te bewaren.

 

Hij beseft maar al te goed dat er in Ieper een harde kern zit die buitengewoon graafsgezind is. Het is een kleine minderheid. Maar hoe dan ook; ze wachten de gebeurtenissen af en ze speuren naar kansen om zich opnieuw openlijk achter Lodewijk van Male te scharen. De ruwaard vraagt de Ieperlingen om zich te verzamelen op de grote markt. Staand op een platform neemt Filip van Artevelde het woord. De man enthousiasmeert zijn aanhoorders. Hij spoort hen aan om aan zijn zijde te strijden tegen de vijand en vertelt over de vergeefse moeite van de Fransen om te proberen de Leie over te steken. Hij spoort de mensen aan om zich verder bij hem aan te sluiten. Maar hij stelt de zaken rooskleuriger voor dan ze zijn. Hij verbloemt de waarheid.

 

Dat de Engelsen de Vlamingen te hulp zullen komen in geval van nood, zal wel een leugen om bestwil zijn. Hij eindigt zijn emotionele toespraak met de woorden; "blijf trouw aan de eed die jullie gezworen hebben aan mezelf en aan de goede stad van Gent die zich zo veel opofferingen heeft getroost om de rechten en de vrijheden van de Vlaamse steden intact te houden." "Diegene onder jullie die van plan zijn om met mij te strijden, vraag ik om nu de handen in de lucht te steken als jullie teken van loyauteit."

 

De Ieperlingen zijn door het dolle heen. De handen gaan massaal in de lucht, een denderend applaus breekt los. Met zijn allen zweren ze liever sterven dan hun leider in de steek te laten. Het is een loze belofte, een blinde eed zoals de komende gebeurtenissen al snel zullen aantonen. Nadat hij Ieper achter zich heeft gelaten, reist van Artevelde naar Kortrijk. Ook hier moedigt hij het volk aan en krijgt hij volop signalen van trouw en toewijding.

 

Het leger dat Vlaanderen op poten wil zetten om de Fransen te bestrijden zal dus bestaan uit milities van Brugge, Gent, Ieper, het Vrije en van alle andere Vlaamse steden. Met uitzondering van Oudenaarde en Geraardsbergen. Er zitten zelfs een aantal Engelse boogschutters bij. Het grootste deel van het leger ligt nog steeds voor Oudenaarde. De Leie wordt vanaf nu goed in de gaten gehouden. Twee van zijn kapiteins worden met enkele duizenden mannen naar de belangrijke grensrivier gestuurd. Pieter Van den Bossche kampeert voor Komen en Pieter De Winter voor Waasten.

 

Alle andere oversteken zijn kapot gemaakt of waardeloos. Nergens is er een doorwaadbare plek beschikbaar waar een leger de rivier zou kunnen oversteken. De bewoners van het vlakke land (ten zuiden van de Leie) haasten zich om hun kuddes weg te drijven naar de rijke weiden van het Westkwartier, verder in veiligheid in de richting van Ieper.

 

De Fransen zijn in beweging gekomen. Van Arras gaat het richting Lens, Rijsel en Seclin. En dan naar de abdij van Marquette. Nu trekken ze naar Komen waar ze zullen proberen de Leie over te steken. Maar het enige wat ze vinden hier is een kapotte brug en Pieter Van den Bossche die hen aan de andere kant opwacht aan het hoofd van 10.000 man.

 

De Fransen lijken ietwat besluiteloos. Hoe moeten ze nu verder? Enkele jonge soldaten vinden een doorwaadbare plek op enige afstand van de brug en slagen er in de oversteek te maken. Ze worden gevolgd door een kleine divisie onder leiding van de hertog van Simpy. Bij het aanbreken van de avond staan ze al uitdagend klaar om de strijd aan te gaan met de Vlamingen. Pieter Van den Bossche vindt het aangewezen om de nacht af te wachten. De oevers van de Leie zullen vermoedelijk erg drassig zijn door de gietende regen. Het enthousiasme van zijn soldaten is door het ondermaatse weer al flink gezakt.

 

Als ze de volgende morgen bij het eerste ochtendkrieken de Fransen benaderen, stellen ze vast dat die verrassend genoeg goede vaste grond onder de voeten hebben. De vijand is beter bewapend en hun numerieke meerderheid biedt natuurlijk een immens voordeel. Pieter Van den Bossche geraakt gekwetst. Twee kwetsuren dan nog. Zijn soldaten willen eerst op de vlucht slaan maar dan komen ze beschaamd om hun eigen zwakheid toch terug met vernieuwde wil om hoe dan ook de overwinning te behalen. Tot er plots vanuit de rangen van het Franse leger een triomfantelijk geschreeuw losbarst! De bevelhebber van het Franse leger is er in geslaagd de brug te herstellen. Er werden planken en rieten netten aangebracht op de halfverwoeste pijlers.

 

Er wordt zelfs afval van wapenschilden gebruikt om de brug opnieuw functioneel te maken. De voorwacht is al bezig met de oversteek, gevolgd door de ridders van de graaf van Vlaanderen. Vanaf dat moment is het een ongelijke strijd voor het kleine Vlaamse legertje dat nu in de pan wordt gehakt. Komen, Wervik en Menen worden in de as gelegd. De bewoners worden afgeslacht. De brug bij Waasten wordt hersteld. Lodewijk van Male die de abdij van Marquette heeft verlaten, positioneert zich nu op de St.-Elooisberg, zowat één uur verwijderd van Ieper.

 

Vanaf dit ogenblik is het alleen maar plundering en verwoesting die de klok slaat. De Fransen maken een overvloed aan goud en zilver buit op hun strooptocht. Zo veel zelf dat ze kostbaar laken noodgedwongen moeten achterlaten voor de Bretoenen die er op hun beurt en met grote gretigheid hele karren van vol laden. De kostbare buit wordt via de Leie overgebracht naar Rijsel, Doornik en Douai waar ze voor een habbekrats verkocht worden aan de lokale inwoners.

 

Koning Karel VI heeft Jean de Vienne, "Amiral de France", afgevaardigd om naar Ieper op de rukken waar een deel van de gevluchte troepen van Pieter Van den Bossche naartoe is gevlucht na hun nederlaag bij Komen. Er is nu sprake van een hergroepering bij de Vlamingen. Ze wagen zich aan een uitval tegen de Fransen maar dat blijkt een fatale vergissing. Ze worden zo hard aangepakt dat ze niets anders kunnen dan zich in allerijl terug te trekken binnen de stadsmuren nadat 300 man onder hen dood achterblijven op het slagveld. Of is het slachtveld?

 

De Ieperlingen zijn verschrikt. De daver op het lijf weet je wel. Wat nu? Er moeten dringend maatregelen genomen worden om erger te voorkomen. Het volk verzamelt zich voor de lakenhalle. De notabelen en de begoede inwoners die volgens de kroniekschrijvers altijd het meeste gezond verstand gebruikten (voor zover ze het durfden tonen), stellen voor om afgevaardigden toe te sturen naar de Franse koning. Om de Ieperse dankbetuigingen over te maken en om de sleutels van de stad te overhandigen.

 

Maar dat is niet naar de zin van Pieter Wancelaere, de kapitein die de Ieperlingen toegewezen hebben gekregen van Filip van Artevelde. "Onze stad is voldoende sterk" antwoordt hij. "We hebben voldoende voedsel om een langdurig beleg te doorstaan. En dat beleg komt er hoe dan ook. Ondertussen zal onze ruwaard aan het hoofd van zijn troepen de strijd aangaan met de Franse koning. Hij zal die strijd winnen en ons dan bevrijden". Maar de Ieperlingen werpen hem voor de voeten dat noch Filip, noch die van Vlaanderen kans maken tegen het Franse leger zonder de hulp van de Engelsen die in de verste verte niet te zien zijn. De valse belofte van de ruwaard keert zich nu tegen zich.

 

De woordenwisseling tussen beide kampen wordt met het moment bitsiger. Ze geraken met elkaar slaags. Deze keer trekken de mistevreden Ieperlingen wel aan de langste koord. Kapitein Wancelaere wordt afgeslacht en de Ieperlingen verjagen de overgebleven Gentenaars buiten de stad. Ze vluchten in paniek naar hun leider Filip van Artevelde die zich op dat moment in Kortrijk bevindt. De Ieperlingen sturen twee Minderbroeders naar het Franse opperbevel en naar Karel VI. Er wordt ingegaan op de Ieperse vraag om onderhandelingen te starten. "Op voorwaarde dat die van Ieperse zijde zullen gevoerd worden door zijn 12 voornaamste burgers. Met inbegrip van de abt van Voormezele".

 

Beide Minderbroeders komen terug naar Ieper en brengen er verslag uit van hun missie. De gevraagde delegatie wordt nu gekozen onder de notabelen van de hele stad. Ze vertrekt naar de Sint-Elooisberg waar de twaalf geknield en onderdanig de sleutels van hun stad aanbieden aan de Franse monarch en hem in naam van allen in Ieper zweren hem te gehoorzamen. "Sans nul moyen ni réservation".

 

De overgave van de stad Ieper is natuurlijk een buitenkans voor de Fransen en voor de graaf. Karel VI aanvaardt dan ook de aangeboden overgave en trouw van de Ieperlingen. Wel te verstaan met de voorwaarde dat ze hem een ruime schadevergoeding van 60.000 frank betalen om de kosten van de oorlog te dekken. De monarch belooft nu om de Ieperlingen en hun eigendommen te respecteren en niemand meer binnen te laten binnen hun stadsmuren. De delegatie keert terug naar Ieper. De twaalf worden enthousiast onthaald door hun stadsgenoten die de schadevergoeding met de glimlach betalen. Het moet nu voor eens en voorgoed gedaan zijn met die tweespalt. Gedaan met al dat Gents gedoe. Vanaf nu zal Ieper een trouwe partner zijn van de koning van Frankrijk en van zijn graaf Lodewijk van Male.

 

Karel VI komt enkele dagen later volgens afspraak aan in de buurt van Ieper. Hij slaat zijn kamp op aan Zillebekevijver. Zijn soldaten blijven ongestoord oorlogsbuit binnen rijven. Tijdens één van de eerste nachten vertrekken ze van hun kamp en rijden ze onder leiding van de heer van Neuillac naar Poperinge die ze om een uur 's nachts bereiken. Ze verrassen de wachtposten die zich van geen kwaad bewust zijn en absoluut geen aanval van de Fransen verwachten. De helft onder hen wordt gedood en de rest slaat op de vlucht.

 

Wat nu volgt is barbaars. De Franse ruiters galopperen dreigend en onheilspellend door de straten van Poperinge. Overal worden de deuren van de huizen ingebeukt. 4.000 bewoners (ja, vierduizend!) worden gedood. De juwelen van de vrouwen, zilverwerk, kostbaar laken en alles van waarde wordt geroofd. Tegen dageraad zijn de Fransen al terug bij Zillebekevijver waar ze gefeliciteerd worden door hun koning. Het nieuws van de slachting in Poperinge bereikt Kassel, Sint-Winoksbergen, Broekburg, Duinkerke en Belle. De toorn van de graaf dreigt ook hen te treffen. Ze sturen afgevaardigden naar Ieper om er vergiffenis af te smeken bij Lodewijk van Male.

 

Het prijskaartje voor het pardon van de graaf bedraagt gemiddeld 60.000 florijnen per stad. En er is nog een bijkomende eis. Alle Gentse kapiteins die zich in hun centra bevinden moeten geketend uitgeleverd worden aan de graaf waar ze, in opdracht van Karel VI, onmiddellijk zullen worden onthoofd. Waar is de tijd gebleven dat diezelfde kapiteins triomfantelijk werden onthaald?

 

Terwijl het hele Westkwartier zijn kar keert en de Fransen ongestoord de Leie zijn overgestoken, is van Artevelde naar Gent gereisd. Van hieruit vertrekt hij nu naar Brugge met leger van 10.000 mannen waar hij Pieter Van den Bossche en Pieters De Wintere als kapiteins van de stad installeert. De ruwaard spoort de bewoners aan om hevig weerstand te bieden tegen de Fransen. En dan gaat het opnieuw richting Oudenaarde waar hij een nieuw leger van 20.000 manschappen samenstelt. Samen met nog andere milities zullen ze nu de confrontatie aangaan met Karel VI. Aan Vlaamse zijde worden er nu zowat 50.000 à 60.000 soldaten geteld.

 

In Zillebeke vernemen ze dat een ontzaglijk Vlaams leger zich aan het verplaatsen is van Kortrijk naar Roeselare. Deze troepenbeweging zet ook de Fransen aan tot bewegen. Een Frans leger, vergezeld van 5.000 Ieperlingen, start nu een mars richting Vlamingen. Via Ieper bereiken de Fransen de streek van Westrozebeke. Ze kunnen de aanwezigheid van de Vlaamse troepen bijna letterlijk ruiken. In beide kampen worden koortsachtig de laatste voorbereidingen worden getroffen voor een confrontatie die nu niet meer lang op zich zal laten wachten.

 

Filip van Artevelde slaat zijn kamp op tussen de heuvel en de stad van Westrozebeke. Het lijkt een ideale locatie tussen een sloot en een bos en de berg staat vol met hagen zodat ze amper zichtbaar zijn voor de vijand. Beide legers zijn nu tot stilstand gekomen tegenover elkaar. Plaats van de ontmoeting is de Goudberg, op vrij korte afstand van de Graventafelstraat in Passendale. Het is al laat in het jaar om nu nog oorlog te voeren. December is in aantocht. Het is koud en het regent voortdurend. Hartje winter. Dat is ook te zien die woensdagmorgen 27 november 1382. Er hangt een dichte mist over de twee kampen. Precies erwtensoep waar beide partijen geen meter voor zich uit kunnen zien. Rond acht uur stellen de Vlamingen zich in gevechtspositie op aan de Goudberg. Een eerste aanval van de Fransen wordt met succes teruggeslagen. Hier en daar wordt er al gelachen en gejuicht.

 

Er volgt een nieuwe aanval waarbij de hertogen van Berry en Bourbon de Vlamingen bestoken vanuit de twee zijden in een poging om ze in te sluiten. De flanken van de Vlamingen zijn niet beschermd De Franse ridders onder leiding van hun bevelhebber Olivier de Clisson beuken in als gekken. Met hun aanzienlijke lansen en speren en zaaien ze wanorde en paniek en brengen ze zware verliezen aan bij de troepen van Filip van Artevelde.

 

De achterhoede slaat op de vlucht. Er zit voor de hoofdmacht niets anders op om zich in een cirkel op te stellen en te vechten tot het bittere einde. Van Artevelde probeert wanhopig zijn manschappen te hergroeperen maar raakt daarbij door zijn eigen mannen vertrappeld ergens aan de voet van de Keyaertsberg (de Keiberg) te Staden. De vertwijfelde ruwaard doet wat hij kan maar strategisch heeft hij natuurlijk geblunderd door de strijd aan te gaan zonder de flanken van zijn leger afdoend te beschermen.

 

De strijd is verloren nog voor ze amper begonnen is. Het gevecht gaat de hele godse dag door. Als de avond valt is het doek gevallen over de Vlamingen. Er blijven 25.000 dode mannen achter op het slagveld van Westrozebeke. Al met al een roemloos einde voor de illustere Filip van Artevelde die zelf nooit in staat was om te vechten tegen zijn Franse opponenten. Velen slaan op de vlucht. Vooral de Gentenaars leveren nog een hele reeks moedige maar vruchteloze achterhoedegevechten op de weg terug naar hun thuisstad. Maar de Fransen achtervolgen iedereen en komen uiteindelijk aan in Kortrijk. De aanblik van de gulden sporen van de veldslag aan de Groeningebeek, 80 jaar geleden, en nu nog steeds ostentatief opgehangen in de Onze-Lieve-Vrouwkerk, ergert hen mateloos. Die Franse colère zorgt er voor dat Kortrijk overgeleverd wordt aan de vlammen. Vrouwen en kinderen worden opgepakt en kunnen enkel naar huis terugkeren nadat hun families het nodige losgeld betalen.

 

Als het desastreuze nieuws van de zware nederlaag Brugge bereikt, sturen de Bruggelingen een delegatie naar de koning in de hoop om zijn woede en vooral wraak te vermijden. Ze krijgen de gevraagde vrede. Maar de voorwaarden ervoor zijn hard. Gent is nu helemaal achtergelaten door de rest van Vlaanderen. Maar de Gentenaars willen zich absoluut niet vernederen tegenover de Franse monarchie. Ze openen de stadspoorten voor iedereen die getroffen werd door de Fransen en voor hun heldhaftige François Ackerman die nu aangesteld wordt al waardige opvolger van de overleden Filip van Artevelde.

 

Het jaar 1382 loopt op zijn einde. Het slechte weer van het winterseizoen noodzaakt de koning om zijn expeditie in Vlaanderen stop te zetten tot de volgende lente. Karel VI trekt eerst naar Doornik waar hij recupereert van zijn inspanningen. Daarna reist hij door naar Frankrijk. De Fransen laten in zowat alle steden van Vlaanderen een aanzienlijk garnizoen achter. Dat van Ieper staat onder bevel van de heer van Simpy. Lodewijk van Male die het graafschap heeft geërfd van zijn voorouders, staat nu klaar met nieuwe verordeningen. Om te beginnen vernietigt hij alle stedelijke handvesten en privileges.

 

De schepenen die altijd genoten van hun eigen juridische wetgeving mogen nu met hun gemeentelijke archieven komen opdraven bij de graaf. Terwijl de steden door het stof moeten kruipen en zich noodgedwongen moeten laten vernederen door Lodewijk van Male, blijven de Gentenaars in volle actie. Onder leiding van hun nieuwe ruwaard François Ackerman rukken ze in januari 1383 op naar Aardenburg en verjagen ze het garnizoen van de Bretoenen.

 

De graaf reageert bijzonder geprikkeld als hij verneemt dat de Gentenaars warempel een nieuwe alliantie zijn aangegaan met Richard, de koning van Engeland. Hij laat onmiddellijk alle Engelse handelaars die in Brugge wonen oppakken en verbannen. Het is een maatregel die dan de Engelsen op hun beurt ergert en inspireert om zich opnieuw volop te mengen in de zaken van Vlaanderen.

 

De Engelse adel neemt trouwens aanstoot aan de gewelddadige manier waarop het Franse leger de Vlamingen heeft aangepakt op die heuvel in Westrozebeke. Hun dreigende toon is nu opvallend: moest Vlaanderen helemaal in handen vallen van de Franse koning dan zullen zij het heroveren in het voordeel van de koning van Engeland.

 

Het mag nog eens herhaald worden dat de Engelsen een tijd terug onze Filip van Artevelde aan zijn lot hebben overgelaten. De Engelse koning was toen nog zeker labiel en onzeker over de te volgen politiek bij de sociale onrust in zijn buurlanden. Hij was bevreesd voor de gevolgen ervan voor zijn eigen troon. Maar nu plots die dreigende houding tegen de Fransen en de openlijke steun voor de Vlamingen. Wat is er nu op zo'n korte tijd veranderd in Engeland?

 

Tijdens de periode 1379-1381 had de Engelse troon af te rekenen met een opstand van de boeren die het vooral gemunt hadden op de adviseurs van koning Richard. Met de dood van hun leider Walter Tyler en het bloedbad op zijn partizanen is de rust nu teruggekeerd in het land. De adviesraad die de jonge Richard aan banden heeft gelegd heeft ingebonden zodat Richard voor de eerste keer de handen vrij heeft om de Gentenaars te steunen in hun Vlaamse zaak.

 

Die steun aan Gent heeft natuurlijk alles te maken met de evenementen die Europa op zijn grondvesten doen daveren. Het zich mengen in de zaak van de Gentenaars is een ideale manier voor de Engelsen om te interfereren op het Europese vasteland. En dan is er natuurlijk nog die pausenkwestie. Inderdaad: sinds 1379 claimen twee pausen het leiderschap van de christelijke kerk. Urbanus VI in Rome en zijn tegenhanger Clement VII in Avignon.

 

Frankrijk kiest natuurlijk voor zijn paus Clement VII. Engeland blijft de autoriteit van de paus in Rome erkennen. De mensen in Vlaanderen zijn ook steeds overtuigd geweest dat paus Urbanus hun paus was, maar door de nederlaag in Westrozebeke worden ze plots verplicht om zijn opponent van Avignon te erkennen als hun kerkelijke leider. Tussen de twee pausen is er een opbod aan de gang van hele reeksen banvloeken afgewisseld met oproepen tot nieuwe kruistochten.

 

Zo publiceert Urbanus VI een bulle (een pauselijke brief) waarbij hij de Engelsen beveelt om de wapens op te nemen en te strijden tegen de Clementijnen, de partizanen van de paus van Avignon. Hij beslist om tienden te heffen op alle kerkelijke eigendommen zodat de nodige middelen kunnen voorzien worden om duizenden vrijwilligers aan te trekken tot een groot Engels leger. Met dezelfde bulle stelt hij Henri Spencer, de vurige en fanatieke bisschop van Norwich, aan als leider van de expeditie.

 

Koning Richard, deze keer wel met goedkeuring van zijn parlement, belooft een leger ter beschikking te stellen van 2.500 man en evenveel boogschutters om samen met de Gentenaars de Fransen te bekampen. In één adem beslist hij om vijandelijkheden te starten tegen de Fransen en de Engelsen te helpen om Vlaanderen opnieuw te veroveren zodat het land niet langer onder het gezag zal vallen van de Clementisten van de Fransman Karel VI.

 

Op woensdag 23 april ontschepen de Engelse troepen in Calais. Een hele reeks ridders uit Engeland en uit Gascogne hebben zich gevoegd onder de leiding van Henri Spencer. Het leger beschikt over 1.500 boogschutters en 600 lansiers. De Gentenaars melden zich op hun beurt in Calais. Ze staan onder het bevel van François Ackerman, Raes Van de Voorde en Jacques Schottelaere. Ze worden er met grote vreugde onthaald.

 

De oorlogszuchtige bisschop bulkt van het zelfvertrouwen en vertrouwt volop op de moed van zijn nieuwe rekruten. In een toespraak tot zijn boogschutters aarzelt hij helemaal niet om te verklaren dat er zich buiten Calais alleen maar vijanden bevinden. De heer van Cavreley, één van de dapperste ridders van het gezelschap, merkt hierbij tevergeefs op dat de Vlamingen al evenzeer Urbanisten zijn als de Engelsen en dat het onvoorzichtig zou zijn om dit volk aan te vallen. "Waar hebben zoveel jaren oorlog en strijd op Vlaamse bodem ons nu eigenlijk naartoe geleid?". Maar niets kan de vurige kerkleider van zijn overtuiging doen afstappen. De volgende morgen geven de schallende trompetten aan dat het tijd is om naar Grevelingen te trekken.

 

Wanneer het Engelse leger zich aanbiedt in dat stadje staat de haven zo goed als droog. Het is eb. De eenvoudige palissade, een schutting van in de grond geslagen palen of staken, beschermt Grevelingen. De inwoners, allemaal simpele vissers, zijn het gewoon om te vechten tegen de wind en de getijden, maar helemaal niet om het op te nemen tegen mensen. Ze bieden dan ook amper weerstand. De Engelsen nemen de havenstad in het bezit Het versterkt en omwald klooster waar de burgers hun vrouwen en kinderen in veiligheid hebben gebracht, wordt eveneens veroverd door de Engelsen. Iedereen die het aandurft om weerstand te bieden, wordt afgeslacht. Alles wat aan rijkdom te vinden is in Grevelingen valt in vijandelijke handen.

 

Lodewijk van Male bevindt zich in Rijsel als hij op de hoogte wordt gebracht van de landing van de Engelsen en van de afslachting van de inwoners van Grevelingen. Hij roept in allerijl zijn adviesraad samen die besluit een missie te ondernemen. Jan Vilain en Jan Van der Meulen krijgen de opdracht om zich naar de bisschop van Norwich te begeven en hem een vrijgeleide aan te bieden om ongestoord terug te keren naar Engeland en zo te weten te komen waarom de Engelse koning er op uit is om het territorium van de graaf van Vlaanderen aan te vallen.

 

De reactie van de bisschop is natuurlijk voorspelbaar. Hij bevindt zich hier niet op Vlaams grondgebied maar op dat van Yolande, de gravin van Bar, dochter van Robrecht van Kassel. En omdat de gravin de autoriteit van paus Clement erkent, wordt ze als een vijand van de Engelsen beschouwd. Wat betreft zijn opdracht om een boodschap over te maken aan koning Richard, reageert hij door te stellen dat deze oorlog er geen is van Richard tegen de koning van Frankrijk, maar die van zijn paus Urbanus.

 

Terwijl de twee boodschappers terugkeren naar Rijsel en er verslag uitbrengen, vervolgen de Engelsen hun gewelddadige raid. Bij het naderen van Broekburg onderwerpen de inwoners aldaar zich vrijwillig op voorwaarde dat hun leven en hun eigendommen gespaard zullen blijven. Van Broekburg gaat het naar Duinkerke waar de Engelse soldaten een aanzienlijke buit verzamelen en een groot aantal inwoners gevangen nemen. De mensen worden naar Mardick gebracht dat zonder slag of stoot wordt ingenomen.

 

De snelle opeenvolging van overwinningen doet heel Vlaanderen opschrikken. Na de voorbije jaren van turbulentie hebben ze weer vrede met de Fransen. En nu begint de hele miserie van vooraf aan. Een deel van de bevolking vlucht voor de wreedheid van de vijand en zoekt bescherming op versterkte plaatsen. De milities van de kasselrijen Ieper, het Vrije en Brugge blazen verzamelen in Sint-Winoksbergen en voegen zich onder de leiding van een zekere de Hase, de bastaardzoon van Lodewijk van Male en gemeenzaam "Haze" genoemd.

 

De Vlaamse milities krijgen gezelschap van de ridders van Broekburg, Sint-Winoksbergen, Nieuwpoort, Kassel, Poperinge en Veurne. Ze staan onder het bevel van Jean Sporquin, de gouverneur van het gebied van de gravin van Bar. De stad Duinkerke ontvangt het leger met open armen en waant zich meteen veilig tegen de invasie van de Engelsen. Maar het botert niet echt tussen de Vlamingen onderling. De aanwezige ridders vrezen dat ze zullen verraden worden door hun eigen milities en die van hun kant zijn natuurlijk hun vijandige gevoelens tegenover de leliaards niet vergeten. Daarvoor is er de voorbije tijd wel te veel gebeurd.

 

De Engelsen verlaten Mardick en organiseren de nodige voorbereidingen om de slag aan te gaan met de Vlaamse adel en de volksmilities. Ze stellen zich op in de onmiddellijke omgeving van Duinkerke. Haze en Jan Sporquin tellen ongeveer 12.000 man onder hun banieren. Die machtsontplooiing verbaast de Engelse bisschop Op advies van de heer van Cavelry stuurt hij een heraut naar de vijand met de boodschap dat alle Vlamingen die zichzelf als Urbanist beschouwen welkom zijn bij het Engelse leger.

 

Maar de Vlaamse milities die staan te popelen om aan het gevecht te beginnen, doden de boodschapper. Het signaal om aan te vallen weerklinkt in de lucht. We zijn donderdag 15 mei van het jaar 1383. De Engelse boogschutters behoren tot de besten van hun tijd en maken het verschil. De moed van enkele priesters die de wapens hebben opgenomen om de expeditie van Spencer te volgen, doet de rest. De Engelsen verjagen hun tegenstanders en achtervolgen ze tot binnen in de stad. Er volgt opnieuw een ongehoorde slachting op duizenden Vlamingen.

 

De graaf reageert laconiek op de nieuwe nederlaag; "als we deze slag verliezen, zullen we wel een andere winnen". Maar zijn schoonzoon Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, neemt de Engelse pandoering niet zo luchtig op. Hij ruikt het gevaar en stuurt onmiddellijk zijn ridders en schildknapen op weg met de bedoeling om een garnizoen te vormen aan de grenzen van Vlaanderen. Ondertussen storen de Engelsen zich aan niets of niemand. Ze gaan voort met hun verwoestingen. Ze krijgen de onderwerping aangeboden van Sint-Winoksbergen, nemen Kassel in en rukken nu verder op naar Ariën-aan-de-Leie. Maar die laatste stad, onder leiding van haar burggraaf Robert de Béthune, burggraaf van Menen, is niet van plan om zich over te geven.

 

De Engelsen laten Ariën links liggen en rukken verder op naar St.-Venant dat verdedigd wordt door Guillaume le Merle. Maar die wordt gevangen genomen na zijn dapper verweer. Belle, Mesen, Veurne en de hele Vlaamse kust tot aan Blankenberge vallen één voor één als dominostenen onder het Engelse geweld. Op 9 juli 1383 komen ze aan in Poperinge waar ze zich te goed doen aan plunderingen. Ze bevinden zich nu op 2 uur van Ieper die voor de Gentenaars blijkbaar een belangrijke prooi is. In Ieper bevinden zich nog partizanen die zich zullen willen aansluiten bij hun legers. Maar vooral de gevoelens van wraak tegenover de Ieperlingen die hen vorig jaar zo snel de rug hebben toegekeerd, zijn hevig. Het besluit is snel genomen. Het beleg van Ieper is op komst.