P1346100

In oktober 1890 verscheen er in Parijs een historische roman met de titel 'Les Bourgeois de Calais'. Een klepper van 284 bladzijden van de hand van de Franse schrijfster Henriette Guizot de Witt. Een intrigerende roman die zich afspeelt in Calais tussen 1330 en 1350 en het verhaal vertelt van het begin van de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Het boek uit 1890 geeft veel prijs over wat er zich in Vlaanderen en de Westhoek afspeelt tijdens die middeleeuwse jaren. Deze keer worden Artevelde, Lodewijk van Nevers, Zannekin en de Vlamingen beschreven vanuit de Franse context van die tijd. Geschiedenis beleven, is variaties aan waarheden ondergaan, om er dan zelf de nodige conclusies aan vast te kleven.

 

Plaats van het gebeuren is Calais, ooit Kales in de Pagus Flandrensis en symbolisch nog altijd een stukje Westhoek. Tussen het zeemzoet verhaal van enkele meisjes van Kales, wordt het verhaal van het volk van die tijd verteld op een manier die zeker niet gebruikelijk is, maar die qua invalshoek wel hoogst interessant is om de belevenissen van de oorlog in de 14de eeuw op een andere en verhelderende manier te beleven. Hier gaan we. 'Hoor je de belleman?' vraagt Anne d'Aire aan haar zus Myrthe? Ze bevinden zich allebei in de eikenhouten gelambriseerde kamer met openstaande ramen. Myrthe is een pittig ding met donkere ogen.

 

Messire Jean d'Aire, haar steenrijke vader, met landerijen en goederen in en rond Kales en Amiens, was ooit gevallen op de ravissante schoonheid van haar vorig jaar overleden Spaanse moeder. Myrthe herinnert in alles aan haar dode moeder. Anne was toen 10 jaar en Myrthe 9 en nu zorgt tante Agnessa voor de meisjes. Het is een tijd van rouw en van zwarte kant. Ze horen de man daarbuiten omroepen dat monseigneur de koning Philippe de 6de een belangrijke ontmoeting zal hebben en hierbij alle eer zal bewijzen aan monseigneur Edward III, de koning van Engeland.

 

De plechtigheid zal doorgaan in Amiens. De meisjes leggen hun borduurwerk opzij. 'Papa gaat op diezelfde dag naar Amiens om de huur van enkele huizen te regelen. Hij zal de jonge Engelse koning van wie we al zoveel over gehoord hebben, in levenden lijve kunnen zien.' Messire Jean kent één van de kanunniken van de kathedraal van Amiens. Als gegoede burger zal hij een plaatsje krijgen dicht in de buurt van de 'grands seigneurs'.

 

'De Engelse koning mag dan wel jong en knap zijn, maar geen enkele koning is onze eigen Franse koning waard' zegt Anne ietwat geagiteerd. 'Goed gesproken Anneken' zegt messire Jean. Hij houdt er van om zijn dochter Anneken te noemen. Een herinnering aan het rijke land van Vlaanderen waar hij al zo vaak doorheen gereisd is en waarvan hij de taal nog kent. Het is dezelfde taal als die van de Vlaamse schippers die nu nog elke dag met hun ladingen gevuld met laken en textiel ontschepen in de haven van Kales. Philippe van Valois. De Vlamingen noemen hem brutaal 'een gevonden koning', nadat ze zwaar op hun bek gegaan zijn tijdens de slag van Cassel. In Frankrijk wordt hij door zijn vazallen op handen gedragen.

 

Hun prestigieuze koning heeft tijdens de slag op de Casselberg grote moed geshowd tegen al die Vlaamse sujetten die het aandurfden om te revolteren tegen de graaf van Vlaanderen. Het begon al onmiddellijk bij zijn troonsbestijging. Op 27 mei 1328 was het al duidelijk dat er wat aan het bewegen was. Wanneer de graaf van Vlaanderen aangezocht wordt om persoonlijk het koningszwaard van Frankrijk aan te bieden aan de nieuwe koning, blijft hij onbewogen. Philippe zoekt de ogen van de graaf tussen het grote gevolg van de ridders die hem vergezellen. Tot drie keer toe roepen de herauten: 'Graaf van Vlaanderen, stap voorwaarts en doe uw taak'. Maar de graaf blijft roerloos staan. De verraste koning buigt zich naar zijn rechterhand messire Robert d'Artois en vraagt hem of er ergens een probleem is met één van zijn belangrijkste leenheren.

 

Maar dan komt de graaf dan toch naar de troon toegestapt. Het is muisstil als de graaf met heldere en krachtige stem het woord richt tot Philippe: 'Monseigneur de koning, uw medewerkers hebben de graaf van Vlaanderen opgeroepen om u het koningszwaard aan te bieden'. 'Maar hier is er enkel sprake van de aanwezigheid van een zekere Lodewijk van Nevers'. 'Wat bedoelt u?' roept de koning uit. 'Bent u dan niet de graaf van Vlaanderen?'. 'Ik mag dan wel die titel dragen, maar ik bezit niet de minste autoriteit in mijn land', repliceert Lodewijk van Nevers. 'De burgers van Brugge, Ieper en Cassel hebben me van mijn land verjaagd.

 

Enkel in Gent mag en kan ik me nog vertonen'. De nieuwe koning gaat recht staan voor zijn troon: 'Geachte neef, ik zweer u plechtig dat ik niet naar Parijs zal terugkeren vooraleer ik u opnieuw in het vreedzame bezit zal hersteld hebben van het graafschap Vlaanderen.' Lodewijk van Vlaanderen is verrukt door de uitspraak van zijn vorst. Wat een aangename verrassing dat de koning zich zo publiekelijk achter zich gaat scharen. De andere baronnen voelen zich minder gelukkig. Ze hadden gedacht de zomer thuis te slijten en nu zullen ze er niet moeten aan denken om voor de herfst naar huis terug te keren.

 

De pairs van Frankrijk zijn trouwens niet allemaal enthousiast over de komst van een Valois aan het hoofd van de Franse monarchie. Maar de nieuwe koning laat het allemaal niet aan zijn hart komen. Hij consulteert zijn militaire adviseur Gauthier de Châtillon, een man die al vaker gevochten heeft in Vlaanderen. 'Sire, wie er met zijn hart klaar voor is om te vechten, zal altijd de juiste timing hebben om ten oorlog te trekken.' De edelen hadden zich aanvankelijk dus noodgedwongen achter de oorlog geplaatst. Maar op 23 augustus 1328 werden de Vlamingen verpletterd door het Franse leger van Philippe van Valois.

 

Hoewel ze er op een bepaald moment wel in slaagden om de Franse koning met een onverwachte uitbraak in grote verlegenheid te brengen. Daar aan de voet van de Casselberg had Philippe enkel het gezelschap van enkele kapelaans wanneer 16.000 Vlamingen zich naar de koninklijke tent haastten en de koning zelfs de hulp nodig had van de geestelijken om zich tijdig in zijn militair pantser te kunnen wurmen. Maar dan vielen de Vlamingen als rijpe vruchten onder de Bordolese zwaarden en de speren van de Franse krijgers. Maar ze vochten en stierven zo resoluut zonder er ooit aan te denken om zich terug te trekken.

 

De dappere Vlamingen sneuvelden één voor één en bleven roerloos liggen, verscholen in één van de drie reusachtige bergen van ontzielde soldatenlijken. De koppigheid van het Vlaamse volk en het wanhopig verzet tegen hun graaf zijn opvallend voor Philippe van Valois wanneer hij het land onder de voet loopt. Hij ziet ook wel dat Lodewijk van Nevers een deel van de schuld van de rebellie bij zichzelf moet zoeken. De goede steden onderwerpen zich nu één voor één aan het gezag van de nieuwe Franse koning. Maar de graaf wordt op het matje geroepen: 'Ik heb me verwaardigd om deze veldslag met uw volk aan te gaan omdat u nagelaten hebt om een fatsoenlijk rechtsapparaat te laten gelden in Vlaanderen.'

 

'Zorg er deze keer wel voor dat de wetten en de orde gerespecteerd blijven, want als ik nog eens zal moeten terugkeren, zal het voor mijn persoonlijke glorie zijn en tot uw persoonlijke schade en schande.' Graaf Lodewijk laat zich niet pramen. Hij gaat er hard tegenaan. Martelingen en verbanningen vormen de pijlers van de nieuwe gerechtigheid die voortaan zal heersen over zijn land. Al die rebelse Vlamingen moeten noodgedwongen zijn intense haat en wraakgevoelens ondergaan.

 

Amiens 6 juni 1329. Koning Philippe biedt zich aan als trotse overwinnaar van de oorlog tegen de Vlamingen. Vergeet ook niet dat hij het pleit rond de troonsopvolging in Frankrijk gewonnen heeft tegen de kleinzoon van zijn illustere voorganger, koning Filips de Schone. Die kleinzoon is op dat moment de 17-jarige Edward III die recent de Engelse troon heeft overgenomen van zijn moeder Isabella van Frankrijk.

 

Philippe heeft blijk gegeven van grote dapperheid en ridderschap. Waarom zou hij zich hier storen aan die vermetele Engelsman die het waagt om misschien hier het koninkrijk Frankrijk op te eisen in de naam van zijn moeder? Het koninklijke escorte van de Engelsman is bepaald indrukwekkend. Dat wel. Er zijn twee dagen voor nodig geweest om het gevolg met de honderden paarden te laten overkomen van Dover naar Wissant. De Franse koning laat zich niet kennen en organiseert een feest dat één week zal aanhouden.

 

De twee koninklijke delegaties ontmoeten elkaar op de middag in de met goud en scharlaken versierde kathedraal van de schone stad Amiens. Messire Jean d'Aire heeft de afspraak niet gemist. Met zijn zwart veloursen pak onderscheidt hij zich amper tussen de tientallen priestersoutanes in het midden van het koorgestoelte. Van hieruit kan hij de hoge gasten perfect gadeslaan. De koningen van Spanje, Bohemen en Mallorca. Alle twaalf de pairs van Frankrijk zitten er plechtig. 'Toch eigenaardig wat die jonge koning in spe hier komt doen.' Iedereen denkt hetzelfde.

 

De plechtigheid is al begonnen. De jongeman en zijn aanhang ogen gespannen. 'Gaat die man werkelijk knielen en de eed van onderdanigheid afleggen tegenover onze koning, of is deze hulde de geheime voorbode van een Engelse claim over het hele Franse grondgebied?' Edward III knielt voor de troon. Hij lijkt wat te vezelen tegen de burggraaf van Melun uit Aquitanië, het gebied dat onder zich ressorteert. De man zit aan zijn zijde en zal de eed voorprevelen die de Engelsman op zijn beurt zal herhalen tijdens zijn eedaflegging tegenover de Franse koning.

 

'Ik wil natuurlijk wel alle eerbetuiging afleggen tegenover Philippe van Valois, maar vergeet het dat ik mijn onderdanigheid als leenheer zal afleggen tegenover mijn neef. Ik kan toch geen manschap afleggen tegenover iemand die met zijn oorlogen ingaat tegen de belangen van het Engelse volk?' De burggraaf van Melun reageert erg alert. 'Sire, volg me maar in uw eed die u nu gaat afleggen.' En inderdaad: De jonge Engelsman buigt zich voor de Valois en legt zijn handen in de handen van de Fransman. Hij herhaalt wat de burggraaf hem dicteert.

 

Hij brengt manschap en leenhulde als hertog van Guyana en Aquitanië en als pair van Frankrijk aan de koning van Frankrijk. De leenhulde beperkt zich tot de gebieden op het vasteland, maar Philippe van Valois beseft dat zijn neef nu al ver is moeten gaan met wat hij daarnet gezegd heeft. Hij kust de jonge koning op de mond en helpt hem behoedzaam recht uit zijn nederige positie. Nu schrijden ze zijde aan zijde langsheen een muur van violette bisschoppen en abten. Jean d'Aire kijkt ademloos toe hoe deze ceremonie zich voor zijn ogen afspeelt.

 

Edward III keert terug naar Engeland waar hij af te rekenen krijgt met de Schotten van David Bruce, die blijkbaar kind aan huis is aan het Franse hof. De Engelse intimiteit wordt keer op keer blootgelegd bij Philippe van Valois die zich voor de rest van zijn tijd bezig houdt met feesten en tornooien. En met het verspillen van geld waar hij er al vlug een tekort aan krijgt. Er volgt een muntherschikking om de financiële problemen aan het Franse hof de baas te kunnen. Waar er vroeger een onder- en bovenplafond bestond voor de omwisseling van zilverstukken, zullen de ponden voortaan alleen nog kunnen verhandeld worden aan het bovenplafond.

 

Al dat nieuws komt messire Jean d'Aire te weten bij zijn rondreis door Artesië en Vlaanderen. Als hij terugkeert naar Kales vertelt hij honderduit over de leenhulde die hij meemaakte te Amiens en over het geld dat minder waard aan het worden is. Maar hij houdt hoe dan ook een wrang gevoel over aan het gedrag van die Engelse prins. 'Wordt zijn geliefd koninkrijk Frankrijk bedreigd door de Engelsen?' Hij spreekt er over met messire Eustache van Petresse (Saint-Pierre), een man van aanzien te Kales, een stadje, dat trouwens ontstaan is uit het vissersdorpje met dezelfde naam Petresse. 'Maak je geen zorgen Jean, laat de prinsen en koningen maar ruzie maken. Ondertussen zullen we wel zorgen voor vrede in onze stad Kales'. Maar Jean d'Aire blijft bezorgd. De troebelen tussen de vorsten zullen zich zoals gewoonlijk leiden tot kleine en grote miseries en verwarring bij de gewone mensen.

 

Augustus. De herfst van het jaar 1329 is in aantocht. De oogst in het noorden en in de streek van Kales ziet er prima uit. Maar er werd geen rekening gehouden met een heuse rupsenplaag die de beloftevolle perzik- en appeloogst in géén tijd verwoest. Net één van de plagen van Egypte. Op drie dagen tijd blijft er geen vermaledijd blad meer over aan de bomen. 'De straf van God' zeggen de mensen. Overal krioelt het van de rupsen. De takken van de perelaars en de appelbomen poseren naakt en verweesd. Precies alsof het nu al kerstmis is. De plaag verspreidt zich als een lopend vuur naar de oogst die op het veld staat te rijpen en naar de tuintjes van de mensen. Een haast diabolische verwoesting is het. Het ziet er naar uit dat de voorraadschuren leeg zullen blijven en dat er geen eten op tafel zal staan komende winter.

 

De kerken vullen zich. Het volk bidt voor God en smeekt hem om die duivelse creaturen te verwijderen. En dan is er plots het grote onweer. Gitzwarte wolken vullen de lucht. De wind zwelt aan. Regen, hagel, verwoestende stormwinden zorgen er voor dat er de volgende morgen geen sprake meer is van rupsen. Wat er overbleef van de bomen is nu helemaal vernietigd. De schade aan de huisjes is niet te overzien. Er zal heel wat tijd moeten overgaan om al het kwade van de voorbije drie dagen te herstellen.

 

Er zijn twee jaar voorbij gegaan. 1331. Anne is vijftien geworden. Vader Jean is nog niet van plan om toe te geven aan de verzuchtingen van zijn vriend messire Eustache van Petresse, de rijkste burger van Kales, om zijn dochter uit te huwelijken aan zijn geadopteerde 18-jarige neef Pierre van Petresse, de derde zoon van zijn broer. Anne ziet de intelligente en fijnbesnaarde Pierre wel zitten. En de gevoelens zijn wederzijds. De jongeman heeft zijn hele jeugd door gesukkeld met een zwak gestel. Lange wandelingen en paardrijden langs de uitgebreide stranden en door het vlakke landschap van Artesië helpen hem er stilaan bovenop. Tijdens die tochten krijgt hij gaandeweg interesse in de strijd om het graafschap Artesië.

 

Een zaak die zich al geruime tijd afspeelt tussen Robert d'Artois, de schoonbroer van de Franse koning (de halfbroer van diens vrouw) en gravin Mathilde, de dochter van graaf Robert II die het graafschap erfde via de illustere Filips de Schone. Gravin Mathilde overleed in 1329 en haar oudste dochter en erfgenaam Johanna volgde haar moeder amper één jaar later in het graf. Het graafschap Artesië zou nu normaliter naar Blanche van Bourgondië moeten gaan, de tweede dochter van de overleden gravin. Heel Artesië wordt opgeschrikt als de notoire ridder en edelman Robert d'Artois aanspraak maakt op titel van graaf van Artesië. Hij baseert zijn claim op brieven van zijn voorvader, de voormalige graaf Robert, die vastlegde dat Artesië alleen maar kan toebehoren aan zijn mannelijke nazaten.

 

Robert d'Artois beschikt over een ruime aanhang. Zijn vazallen wensen niet liever dan af te hangen van een krachtige edelman uit hun eigen midden dan af te hangen van het graafschap van Bourgondië. Hun graafschap verdient meer dan een ordinair aanhangsel te zijn van Bourgondië. Ook onze Pierre van Petresse is Robert d'Artois zeer genegen in zijn edel doel om Artesië terug te laten keren naar zelfbestuur. Zijn streven voor de goede zaak krijgt een flinke knauw als Anne hem op een dag hem vertelt over de roddels die zich als een lopend vuurtje door het graafschap verspreiden.

 

'Gravin Mathilde en haar dochter Johanna stierven beiden nadat ze vergif kregen toegediend!' 'En wie had belang bij hun dood? Niemand minder dan jouw geliefde Robert d'Artois.' 'Allemaal roddels', antwoordt Pierre. 'Er worden zo veel zaken verteld dat niets nog geloofwaardig overkomt.' 'Er wordt zelfs verteld dat die zogezegde brieven over dat mannelijk opvolgerschap vervalst werden door Jeanne de Divion die nog een eitje te pellen had met die familie en de bewuste brieven in het bewuste koffertje liet deponeren door haar nicht Béatrice d'Hirson die kamermeisje was van Mathilde.' Dezelfde discussie speelt zich niet alleen af tussen Pierre en Anne, maar eveneens aan het Franse hof, waar de roddels natuurlijk ook zijn doorgedrongen.

 

Robert d'Artois mag dan wel zijn schoonbroer zijn, maar er spelen andere belangen. Philippe de Valois is geneigd om de laster te geloven. Hij is getrouwd met de zuster van de hertog van Bourgondië die er natuurlijk alle belangen bij heeft dat Artesië terugkeert naar zijn erfgoed. Er wordt besloten om de zogezegde valsspeelster, Jeanne de Divion, op de rooster te leggen. In die dagen komt dat neer op een persoonlijke folterbehandeling. Tussen het snikken en het schreeuwen en de agonie van de pijn door, roept ze uit dat de brief wel degelijk bestond, maar dat ze die niet kon terugvinden en ze zich verplicht voelde om een nieuw exemplaar tevoorschijn te toveren.

 

'Mijnheer Robert had dat document zo nodig om het parlement te overtuigen! Een klerk heeft de brieven voor mij nagemaakt op een oud perkament en voorzien van de authentieke zegels van de oude graaf.' De zaken zijn nu duidelijk voor Philippe de Valois: d'Artois heeft de boel belazerd. De koning weifelt aanvankelijk. Zijn gewezen rechterhand is tot slot altijd een loyale leenheer geweest. Uiteindelijk verpest d'Artois het voor zichzelf door in een woedende bui te verklaren dat hij persoonlijk Valois tot koning van Frankrijk heeft gemaakt en dat hij er ook op zal toezien dat hij zal worden afgezet. Robert d'Artois wordt nu officieel opgeroepen om in Parijs te Saint-Michel voor zijn (mede) pairs te verschijnen die over hem en over Artesië zullen beslissen.

 

Maar de zelfverklaarde graaf van Artesië weigert om in te gaan op het koninklijk verzoek dat hem herhaaldelijk wordt toegestuurd. In april 1332 is Robert d'Artois met de noorderzon verdwenen. Enfin, die noorderzon is feitelijk Brussel, waar hij verblijft bij de machtige Jan III, de hertog van Brabant en Limburg. De openbare aanklager in Parijs had gevraagd om zijn lijf en goederen verbeurd te verklaren, maar het parlement heeft het gehouden bij een simpele verbanning. Bij de familie d'Aire in Kales zijn ze er niet goed van. Alle goederen van d'Artois werden door de koning aangeslagen en hun 'gedroomde graaf van Artesië' is gedegradeerd tot een ontheemde bedelaar. De verbannen Robert d'Artois van zijn kant zint op wraak. Hij stuurt huurmoordenaars naar de hertog van Bourgondië en naar de openbare aanklager van het parlement maar die worden ontmaskerd en geëxecuteerd. Maar daarmee is de kous niet af.

 

Messire Eustache hoort over enkele wassen beelden die opgedoken zijn in zijn logement te Brussel wanneer hij samen met de hertog van Brabant op rondreis was. 'Welke wassen beelden?' vraagt Jean zich verwonderd af. Eén van die wassen beelden wordt aangetroffen met een grote naald pardoes in het hart geplant. Het is het exemplaar ziet er uit als een kopie van de koningin, in de ogen van d'Artois de verraadster uit Bourgondië. Voodoo en zwarte magie verraden zijn perverse slechtheid. De reactie van Philippe de Valois laat zich raden. Hij laat de hertog van Brabant weten dat hij alle relaties zal verbreken met het graafschap Brabant als hij asiel blijft geven aan een individu die het op hun leven heeft gemunt.

 

Het geplande huwelijk tussen de koningsdochter Marie en de zoon van Jan van Brabant wordt op de helling gezet en die laatste kan niet anders doen dan toegeven aan de eisen van de Franse koning. Uiteindelijk wordt monseigneur Robert versast naar het kasteel van Namen in Henegouwen dat ook al in hevige vijandschap leeft met het Franse hof. 'Ach', zegt messire Jean d'Aire, die zich nu openlijk distantieert van zijn vroeger idool. 'Robert d'Artois zal nu ongetwijfeld de boel gaan opstoken bij het hof van Edward III van Engeland en via die weg proberen stokken in de Franse wielen te steken!' Hij blijkt het bij het rechte eind te hebben.

 

Na een kort verblijf in Namen, wordt d'Artois hoffelijk en beleefd verwijderd uit het graafschap van Henegouwen. Zijn laatste toevlucht is nu, zoals voorspeld, Engeland, waar koning Edward zich vrolijk maakt om met de gewezen bondgenoot van de Valois nieuwe plannen te smeden om Frankrijk in zijn macht te krijgen. Het duo houdt de oorlog in Schotland voor bekeken en richt voortaan zijn pijlen op Frankrijk. De plechtige beloftes van Amiens zijn vergeten. De Franse kroon is voortaan het enige wat nog van tel is.

 

Graaf Robert mag dan wel ongeduldig zijn, maar koning Edward is niet gehaast om de zaken te forceren. Geduld is een schone zaak en er zijn nog voldoende binnen- en buitenlandse beslommeringen om zich mee bezig te houden. Kijk nu maar naar Vlaanderen. Graaf Lodewijk van Nevers heeft alle Engelse wolhandelaars op Vlaams grondgebied laten oppakken op verdenking van het verspreiden van opruiende taal aan zijn adres. De ambachtslieden in Vlaanderen en Engeland zijn verontwaardigd over de vijandelijke en hoogst schadelijke reactie van de graaf. 'Het land van Vlaanderen is gebouwd op de draperie en als er geen wol is, dan kan er niet geweven worden.' Dat vertellen ze althans op de markten van Gent, Ieper en Brugge.

 

De vijandelijke actie vanuit Franse kringen, Lodewijk van Nevers is hoe dan ook een zuivere Fransman en Vlaanderen al eeuwenlang een Frans leengebied, biedt een gedroomd alibi aan Edward III. Hij is al jaren jaloers van het succes van de Vlaamse lakennijverheid die hij liever zou willen zien ontwikkelen in eigen land. De actie van Lodewijk van Nevers laat hem toe van twee walletjes te eten. Hij verbiedt de uitvoer van schapenwol en laat als tegenreactie alle Vlaamse handelaars die zich op dat ogenblik in Engeland bevinden, oppakken. Hij laat hun goederen confisqueren. Een tiental Henegouwse families van wevers worden aangetrokken en geïnstalleerd in Londen. Voor de rest houden de Franse en Engelse koningen hun zogezegde 'goede' relaties onaangeroerd.

 

Philippe de Valois is beducht voor een Engelse inval en houdt de Engelsen liever te vriend en bovendien staat er een kruistocht van drie jaar op de planning. Hij stelt zijn zoon, de hertog van Normandië, aan als tijdelijke regent van Frankrijk. Voor zijn vertrek naar het Heilig Land, stuurt Philippe de Valois een delegatie naar Engeland. Het gezelschap wordt geleid door Raoul, leenheer van het graafschap Eu en Ghisene, een territorium dat ooit ontstond in de Pagus Flandrensis en waar Kales al sinds 997 als versterkte Vlaamse stad deel van uitmaakt. Enfin, toen was het nog een Vlaamse stad. Ook de bisschop van Beauvais reist mee op zoek naar Edward III om hem aan te porren om samen met de Franse elite mee te trekken op kruistocht.

 

In het graafschap Guînes moeten er blijkbaar haken en ogen gerezen zijn tussen de Fransen en de Engelsen. De Franse koning blijkt niet al te sterk in het naleven van zijn beloftes aan Edward III en dat ligt duidelijk zwaar op de maag van de Engelsman. 'Zeg maar aan uw heer dat als hij doet wat hij beloofd heeft te zullen doen, wij onmiddellijk zullen meedoen met zijn heilige kruistochten. Tot dan blijf ik waar ik nu ben!' Raoul en de bisschop reizen onverrichterzake terug naar het vasteland waar ze inschepen in Kales en de nacht doorbrengen in één van de hotels van de familie van Petresse. Eustache en zijn zoon Pierre worden op de hoogte gebracht van de vreemde reactie van Edward.

 

De jonge Pierre van Petresse die van plan was om mee te trekken op kruistocht met de koning, aarzelt om het in de gegeven omstandigheden, effectief te doen en een weekje later blijkt ook koning Philippe de Valois dezelfde mening toegedaan te zijn. Hij toont alvast geen grote haast meer om af te reizen naar het graf van de Heer. Er zijn andere zaken die zijn geest bezwaren en die hebben waarschijnlijk weinig te maken met enige vorm van zielzaligheid. Edward III acht de tijd gekomen om de banden met Henegouwen aan te halen. Sinds zijn vijftiende is hij getrouwd met de nog jongere Filippa van Henegouwen, dochter van graaf Willem van Henegouwen en Holland. De Franse koning had eerder al tevergeefs geprobeerd in alliantie te gaan met graaf Willem.

 

Was die tenslotte niet getrouwd met Johanna, de zuster van Philippe de Valois? Maar de Valois hebben zijn plannen om Willems dochter Isabelle te laten trouwen met Jan III, de hertog van Brabant, gedwarsboomd en dat ligt nog steeds op de Henegouwse levers. Een hele delegatie Engelsen meldt zich aan in Henegouwen. Willem staat zeker niet afkerig tegenover een alliantie met de Engelsen. Maar er moet meer zijn. Henegouwen is al met al een bescheiden graafschap. Zuiderbuur Frankrijk is andere koek en waar zal Engeland zijn als Frankrijk de spierballen zal laten rollen? Er is zeker steun nodig van andere partijen.

 

'Hebben de Engelsen zijn Duitse neef, de hertog van Brabant al gepolst? En hoe zit het met zijn schoonbroer de graaf van Gelderland? En de heer van Valkenburg? Zouden we met zijn vier geen interesse kunnen opwekken bij de Duitse keizer Lodewijk de Beier?' De Engelsen nemen de goede raad van graaf Willem ernstig en het komt inderdaad tot gesprekken met de Duitsers ergens in de buurt van Koblenz. Maar het water tussen de Engelsen en de Duitsers blijkt veel te diep en waarom zou de Beier zijn goede relaties met Frankrijk op het spel zetten? Bij graaf Lodewijk van Nevers moeten ze ook al niet zijn voor enige samenwerking.

 

Die zit ondertussen zelf al niet te gemakkelijk op zijn troon in Vlaanderen. Vlaanderen werd onlangs geëxcommuniceerd uit de kerk en hijzelf kijkt alleen maar door een Franse bril. Hij kan trouwens moeilijk anders na de dreigementen van Philippe de Valois aan zijn adres. Maar het zou Vlaanderen niet zijn als de grote steden niet in onmin zouden leven met hun graaf. Als Edward III avances wil maken dan zal dit moeten gebeuren met de beleidsvoerders van Gent, Brugge of Ieper. Het verschijnen van de invloedrijke burger Jacob van Artevelde aan het Gentse firmament, is ook voor de Engelsen niet onopgemerkt gebleven.

 

Op korte tijd heeft hij zich in Vlaanderen opgewerkt tot een heus cultfiguur, een prestatie die geen enkele graaf, prins of koning hem ooit heeft voorgedaan. Zijn graaf zit er bij en kijkt er naar, maar het is wel Jacob die regeert over Vlaanderen. Overal waar hij gaat of keert, wordt hij geflankeerd door 80 tot op de tanden gewapende lijfwachten waarvan slechts enkelen zijn geheimen kennen en die er op getraind zijn om allen te doden die zich tegen hun hoofdman zouden keren. Blijkbaar hebben enkele invloedrijke personages dat al aan den lijve ondervonden en is er niemand die het nog aandurft om van Artevelde tegen te spreken.

 

De Gentenaar is een oude bekende van de belangrijkste burgers van Kales. Jacob van Artevelde, een telg van de weversambachten is er vaak geweest en er geleurd met zijn medebrouwsels en zijn lakens. In zijn jeugd eigenlijk een losbol, altijd moeilijk gehad met de noodzakelijke discipline die leerjongens nu eenmaal moeten aanleren. Uiteindelijk werd de onhandelbare Artevelde weggestuurd naar de bevriende graaf Charles de Valois die hem detacheerde bij zijn oom, de gewezen koning Lodewijk de Woelzieke. Maar de komst van de Vlaming had zo veel irritatie en jaloezie opgeleverd aan het Franse hof, dat Jacob na de dood van de koning teruggestuurd werd naar zijn heimat Gent waar hij binnen de kortste tijd trouwde met de dochter van ridder Zeger van Kortrijk.

 

We keren even terug naar het Kales van het jaar 1337. Het stadje is sterk gegroeid en welvarend geworden sinds graaf Philippe van Boulogne het heeft laten versterken en ommuren. Kales is ondertussen uitgegroeid tot zowat de veiligste en meest betrouwbare haven van de hele Franse Westkust. Nergens in Vlaanderen of Frankrijk ligt Engeland zo dichtbij. Amper 30 km bedraagt de afstand tussen Dover en Kales. Vooral de zeelieden beschouwen Engeland als een dichte buur. Bij helder weer kunnen de Kalesanen de krijtrotsen van Dover bijna aanraken. Kales en zijn strategisch gelegen haven hebben alles in zich om uit te groeien tot een machtige stad die zich zou kunnen meten met de grote Vlaamse steden die zelf hun magistraten verkiezen en hun eigen boontjes doppen en niet ondergeschikt zijn aan de officieren van de koning zoals dit in Kales nog steeds het geval is. Maar geen enkele vooraanstaande burger van Kales mag het gedroomd hebben om ooit naar de pijpen te moeten dansen van een tirannieke figuur zoals die van Jacob van Artevelde.

 

Edward III beseft natuurlijk dat het rijk van Artevelde niet zal blijven aanhouden. Maar zo lang het duurt, blijft die man natuurlijk het perfecte aanknopingspunt om met de voeten te spelen van de Franse koning. Talrijke Engelse afgezanten lopen de deur van Jacob plat en informeren hem over de mogelijke allianties en plannen die ze koesteren voor de nabije toekomst. Graaf Lodewijk van Nevers heeft zijn vrouw en zijn oudste zoon teruggestuurd naar Frankrijk uit vrees dat de Vlamingen hem zullen verraden. Hij is onrustig en twijfelt en laat zich vooral niet meer zien in eigen land. Hij beschikt toch nog altijd over zijn eigen aanhang. Trouwe Fransgezinde medewerkers die zich ophouden in diverse kastelen en burchten.

 

De heer van Hallewyn en zijn manschappen bezetten het kleine eiland van Cadzand ter hoogte van Walcheren en Zeeland. Als Edward III projecten wil beginnen in Vlaanderen moet hij eerst voorbij Cadzand en dat zal hem niet gemakkelijk vallen! Cadzand is een doorn in de voet van Artevelde. Een eerste grootschalige poging van de Engelsen om het bastion in te nemen loopt verkeerd af. Het nieuws van de mislukte invasie van Cadzand komt ter ore van de inwoners van Kales en zorgt er voor grote ongerustheid. Het eerste bloed heeft gevloeid. De trots en de hoogmoed van de Engelsen zijn uitgedraaid op een sisser van formaat. Maar ze betekenen pas de voorbode van meer ellende. Het is nu nog een kwestie van tijd vooraleer de Engelsen definitief de handschoen zullen opnemen tegen het geslacht van de Valois.

 

De Kalesanen beseffen als geen ander dat hun stad en hun haven centraal zullen komen te staan in de op komst zijnde oorlog. De animositeit met de Engelse scheepslui met wie ze altijd al een concurrentieslag hebben gestreden, stijgt met de dag. De vijandelijkheden op zee stapelen zich op. Oktober 1337. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuur door de straten en steegjes van Kales. Er is een Engelse 'Heraut van Wapenen' gearriveerd in de haven. De boodschapper is onderweg naar koning Philippe de Valois om hem een wapenbrief af te geven.

 

Het is een officiële oorlogsverklaring van de Engelse koning die de brief tot ieders verbijstering ostentatief ondertekend heeft met 'Edward III, koning van Frankrijk en Engeland'. De publieke verontwaardiging is algemeen. Jean de Vienne, de gouverneur van de stad, heeft de hulp vandoen van enkele rijke burgers om te voorkomen dat het gewone volk de arme boodschapper zou lynchen. Maar de oorlogsverklaring is een realiteit. Het Engelse parlement is samengekomen in Nottingham in het bijzijn van Edward III en de volledige kliek van de clerus.

 

De nationale trots en de grandeur van de onderneming zorgen er voor dat de koning een haast onbeperkte vrijheid krijgt om de heilige oorlog tegen de Fransen tot een goed einde te brengen. Extra taksen op wol en tienden van de kerkelijke inkomsten worden ingezet om de oorlog te financieren. De leenheren en de ridders worden door hun koning allemaal opgeroepen om deel te nemen aan de strijd tegen Frankrijk.

 

In Kales heeft messire Eustache een van zijn voornaamste zeekapiteins uitgenodigd op een etentje. De man is er opnieuw in geslaagd een volledige scheepslading vol Vlaamse lakens en wandtapijten veilig aan wal te krijgen en daar is reder Eustache best gelukkig om. De kapitein, Aldeano, voelt zich wat ongemakkelijk te midden van de luxe van de ietwat decadente woning. Eigenlijk zou hij zich liever op zee bevinden, in zijn eigen vertrouwde omgeving. De man kan amper verbergen dat hij niet de minste tafelmanieren bezit en daar zit hij dan samen met de andere gasten. Ook Jean d'Aire en zijn dochters Anne en Myrthe schuiven mee aan de rijkgevulde en met massief zilverwerk versierde tafel. Het eten is perfect. De ene delicatesse na de andere. Wijn van de Canarische eilanden. De gebruikelijke koetjes en kalfjes leiden het gezelschap naar de figuur van Jacob van Artevelde die ze trouwens onder elkaar 'Jacquemart d'Artevelde' noemen.

 

Kapitein Aldeano vertelt dat hij eind december 1337 in Gent was om er zijn cargo te vervolledigen. Hij had er kennis gemaakt met het volk van Gent dat massaal optrok naar de patriciërswoning van Artevelde en hij was met hen mee gestapt om, wie weet, eens kennis te maken met de toen nog niet zo bekende man. 'En daar stond hij dan. Geleund tegen de stijl van zijn voordeur. Met een klein meisje dat aan het spelen was aan zijn voeten. Hij verwachtte ons blijkbaar en nam het kind op de armen als de Gentenaars dichterbij kwamen.' Kapitein Aldeano is duidelijk gecharmeerd door Artevelde die zich daar ter plekke erg voluntaristisch opstelde om zijn medeburgers te helpen. De Gentenaars droegen hem op handen. 'Nu de Fransen ons niet willen helpen met onze wol, wat houdt er ons dan eigenlijk tegen om te onderhandelen en zaken te doen met de koning van Engeland?' vraagt Jacob aan zijn medestanders.

 

'Zijn we niet mans genoeg om nauw samen te werken met die van Brabant, Henegouwen, Holland en Zeeland?' Blijkbaar is Jacob van Artevelde niet die beruchte bullebak zoals die hier in Frankrijk wordt afgeschilderd! Anne is fel onder de indruk van het feit dat Artevelde zijn eigen leven veil heeft voor het welzijn van de Gentenaars. 'Dat was trouwens nog maar het begin op 28 december, ondertussen hebben de Vlaamse steden beslist om zich op geen enkele manier te bemoeien met de oorlog tussen de koningen van Frankrijk en Engeland. Het volk van Vlaanderen wil zaken doen met Engeland en trekt zich niets aan van de onderlinge vijandschap. Ondertussen heeft de koning van Frankrijk al laten weten aan graaf Lodewijk dat als hij zich niet ontdoet van die van Artevelde, hij er zeker mag van zijn dat hij zijn graafschap zal kwijtspelen. Hij is niet van plan om nog eens hem te hulp te snellen.'

 

'Dat Jacob Vlaanderen nu bestuurt en zich nu nog enkel met lijfwachten naar buiten begeeft, heeft alles te maken met die opdracht van onze koning' zegt Myrthe. Als je me vertelt dat de graaf al enkele vergeefse pogingen ondernomen heeft om Artevelde in een hinderlaag te lokken en te laten vermoorden, dan is het niet zo verrassend dat Jacob zich niet meer zonder veiligheidsagenten naar buiten begeeft.' 'Je hebt gelijk', zegt Aldeano. 'Die pogingen om hun leider te vermoorden, zijn in het verkeerde keelgat geschoten bij de Vlaamse mensen en bij de burgers van de grote steden.

 

De mensen waren zo verbolgen op Nevers dat hij halsoverkop moest vluchten en zijn paard moest opjutten om veilig in St.-Omer te geraken. En van daar vluchtte hij naar Saint-Quentin om te gaan uithuilen bij de koning.' Pierre van Petresse is het niet eens met Myrthe. 'Sindsdien heeft Jacquemart overal doorheen Vlaanderen sergeanten geposteerd die hij wekelijks vergoedt en die er op getraind zijn om eventuele rebellie in de kiem te smoren, graafsgezinden op te sporen en vooral zijn bevelen nauwgezet op te volgen. De ridders, leenheren, duizenden burgers, arm of rijk, vliegen er buiten en moeten de helft van hun eigendommen afstaan aan van Artevelde.

 

St.-Omer zit nu vol met weggelopen Vlamingen die buiten gebonjourd werden enkel en alleen omdat ze trouw wilden blijven aan hun koning en graaf. Het zijn precies vogels die van hun nest verjaagd zijn'. 'Jaja.' zegt Anne. 'Maar vooral de graaf heeft boter op het hoofd.' Pierre beaamt het. 'Natuurlijk is dat zo. Hoeveel mensen heeft hij niet verbannen? Hoeveel gronden heeft hij niet aangeslagen? Hoeveel koppen heeft hij niet laten rollen? Zo heeft hij de bekendste ridder van Vlaanderen, Zeger van Kortrijk, in de val gelokt en hem na een lange tijd in de gevangenis toch wel niet laten onthoofden zeker! Vergeet niet dat Zeger de schoonvader was van Jacob van Artevelde!'

 

'En wie is nu het grootste slachtoffer?' vraagt ze. 'De gewone mensen worden gemanipuleerd dat het geen naam heeft, hun goederen worden geplunderd, ze weten geen kant meer in noch uit. Hun grauw, miserievol en uitzichtloos bestaan, valt niet te beschrijven.' 'En nu moeten die arme Vlamingen nog eens samen met die Engelsman ten strijde trekken tegen onze eigenste koning want iedereen weet dat Vlaanderen voor Edward de sleutel is tot Frankrijk. De Engelse strijdkrachten zijn inderdaad al binnen gevallen op Frans grondgebied.

 

Veertien dorpen worden in brand gestoken, geplunderd en vernield. Maar op het moment dat hij zijn schoonbroer Willem van Henegouwen nodig heeft, laat die hem weten dat hij nog even wil wachten daarmee. De tijd is nog niet rijp. Een eerste schermutseling met de Fransen te Picardië is dan ook met een sisser afgelopen voor Edward III. De Fransen willen nog niet vechten en de macht van het Engelse leger is voorlopig ondermaats. Met de winter in zicht trekken de Franse troepen zich nu terug naar het zuiden, terwijl de Engelsen zich opnieuw gaan posteren in Vlaanderen. Ter hoogte van de Somme zijn de Fransen koortsachtig aan het werk met de uitbouw van een vloot die de Engelsen zal moeten weerstaan.

 

Koning Edward is teruggekeerd naar Engeland en roept het parlement samen te Westminster met de bedoeling om zijn fondsen aan te zuiveren. Hij laat zijn vrouw, de koningin, achter in Gent. Ze is net bevallen van een baby die de naam 'Lionel van Antwerpen' heeft gekregen. De graven van Derby, Salisbury en Suffolk staan in voor de nodige bewaking. Jacob van Artevelde zorgt er voor dat Filippa niets te kort komt en waakt over haar. Ook Jacob is trouwens pas vader geworden van de kleine Filip. De geboorte van beide kinderen voelt aan als iets symbolisch. Artevelde wil met hart en ziel werkelijk alles doen om zijn vriend Edward te helpen in zijn oorlog die hij zal ondernemen tegen Frankrijk.

 

De graven die instaan voor de veiligheid van de koningin, hebben een mooi leventje in Gent. Eigenlijk zouden ze nu beter haar broer Willem bijstaan die het hard te verduren krijgt in het graafschap Henegouwen. Philippe de Valois heeft ridders en gewapende mannen gestuurd naar het Henegouwse waar ze her en der zware ravages aanrichten. Willem en zijn oom Jean van Henegouwen hebben hun handen vol met de Franse geweldenaars. En ondertussen zit zijn zuster Filippa in het bijzijn van de Engelse elite-strijdkrachten te verkommeren in een Gents hotel.

 

De verkenners van de Franse koning zijn ondertussen verder doorgedrongen in het Vlaamse platteland en bevinden ze zich nu al op Kortrijks grondgebied. In de graslanden rond de stad treffen ze een voor Vlaanderen erg belangrijke veestapel aan. Wat een slag kunnen de Fransen hier slaan, door die grote kuddes schapen, koeien en varkens weg te leiden naar Frans grondgebied. Het land blijft vreemd en leeg achter als de beesten naar het zuiden verdwijnen. Artevelde is boos en geërgerd om de diefstal van zo veel belangrijk voedsel voor zijn onderdanen. 'Waar waren de Engelsen toen Vlaanderen hen nodig had?

 

Er zijn al lang nieuwe belastingen goedgekeurd in Engeland. Waarom duurt het dan nog zo lang vooraleer er versterking komt? De mannen van koning Philippe hebben in de omgeving van Kortrijk onze kuddes gestolen en iedereen gedood die dat wilde voorkomen.' Jacob van Artevelde wil absoluut een einde maken aan die diefstallen en verzoekt de koningin om met de Engelse manschappen op te trekken richting Oudenaarde. Maar de graven van Salisbury en Suffolk hebben niet gewacht op nieuwe instructies en zijn al op de terugkeer naar Ieper na een strooptocht in Armentières dat ze tot hun verwondering helemaal onverdedigd hebben aangetroffen. De mannen, blijkbaar allemaal crapuul eerste klas, arriveren goedgehumeurd in Ieper, goed voorzien van een buit van gestolen goederen.

 

Ze zijn maar één van hun manschappen kwijtgespeeld. De arme soldaat Hugh werd geraakt werd door een molensteen, geworpen door een vrouw des huizes. Ze hadden haar woning in brand gestoken en haar weerloze kinderen gewurgd. De vrouw was op zolder gevlucht en had in een woedende wanhoopspoging de molensteen naar beneden laten donderen op het hoofd van één van de brandstichters. In Ieper krijgen ze de boodschap van Artevelde om zich te vervoegen met de Gentenaars.

 

De volgende morgen zullen ze vertrekken. Hun arrogantie en brutaliteit worden niet overal gesmaakt in Ieper, waar veel inwoners van oudsher toegewijd zijn aan de Franse koning. De muren in de stad hebben blijkbaar Franse oortjes, want nog diezelfde avond vertrekt er vanuit Ieper een boodschapper om de mensen van Rijsel te verwittigen van de manoeuvres van de Engelsen. Wallart de la Croix is een man van de Westhoek en hij zal de Engelsen de weg wijzen om bij Artevelde te geraken die zich aan een ijzeren brug aan de Leie zal bevinden. Onderweg botsen ze op een wegversperring die aangebracht werd door de bevolking van Rijsel in een poging om hun stad te beschermen tegen de Engelsen.

 

Messire Wallart vermoedt dat er zich op en rond de versperring een hinderlaag bevindt en adviseert de Engelsen om terug te keren op hun stappen en via een andere weg op te trekken. En zeker de zaken hier ter plekke niet te willen forceren. Maar de Engelsen zijn slechtgezind en te trots om naar zijn advies te luisteren. 'Het zal toch niet waar zijn dat we onze route zullen verlaten omdat we bang zijn van enkele burgers van Rijsel? We gaan verder en we doen wat Artevelde ons heeft opgedragen!' De Vlaamse ridder Wallart is een moedig man die in zijn leven herhaaldelijk blijk gegeven heeft van moed en zelfopoffering. Hij is niet bang om te vechten.

 

Maar wat hij wel vreest, is die dreiging van een verschrikkelijke excommunicatie die de paus boven de hoofden van de Vlamingen heeft geplaatst. Geen enkele priester zal nog missen mogen voorgaan in heel Vlaanderen. Hij wil de Engelse pelotons wel gidsen, maar als die in een hinderlaag vallen, zal hij zich onmiddellijk terugtrekken. Hij wil niet dat deze opdracht zijn kop zal kosten. Wallarts woorden zijn amper koud als een omvangrijke bende gewapende Rijselse burgers zich ter hoogte van een klein wegeltje, afgezoomd met een doornhaag en omringd door een sloot, de aanval inzet op de Engelsen. Wallart wendt de teugels van zijn paard en galoppeert opnieuw de weg op naar Ieper.

 

Hij vertikt het van nog achterom te kijken en ziet zo niet eens meer dat de Engelsen een maatje te klein zijn voor de Rijselnaars. Het is een echte slachting. De ridders die het commando voeren, worden door de Fransen gevangen genomen en vastgeknoopt. Ondanks het vele bloedverlies zijn de mensen van Rijsel zo fier als een gieter als ze met hun twee gevangengenomen en geknevelde Engelse graven de stad binnenkomen. Een escorte brengt hen binnen de kortste tijd naar Parijs waar koning Philippe de Valois in zijn nopjes is met de kostbare prooien die de Rijselnaars hebben buitgemaakt.

 

Die van Rijsel hebben meer gerealiseerd dan het hele godse Franse leger samen.' Het nieuws van de gevangenname betekent een koude douche voor Jacob van Artevelde. 'Als de Engelse koning zijn handen zal willen liggen op de Franse lelie, dan zal dat zeker niet gaan door rustig te lanterfanten in zijn koninkrijk Engeland.' Jean d'Aire en Eustache van Petresse drinken een glas bier in de schaduw van een grote boom in de tuin.

 

In Kales zijn ze gek op Vlaams bier. Hoewel er natuurlijk ook altijd een volle ton Picardische cider in Eustaches kelder staat te wachten. Maar messire Eustache verkiest zelf eigenlijk een goed glas rode Bordeauxwijn. 'Dat hij maar ginder blijft die Edward' antwoordt hij. 'Dan blijft het ten minste rustig in ons land.' 'Let jij maar op met je rode wijn van de Bordeaux en je bier van Vlaanderen.'

 

Vergeet niet dat die druiven in het Engelse Guyana geoogst worden. Als straks de oorlog helemaal uitbreekt dan zou het wel een kunnen gebeuren dat we hier in Kales helemaal geen Vlaams bier en geen wijn meer zullen hebben. Dan zullen we de appelcider in mijn kelder wel moeten aanspreken.' Het ene ogenblik gaat het gesprek tussen de vrienden nog over wijn en bier. En plots hebben ze het over de kloosterorden in hun streek. Jean d'Aire heeft vooral bewondering voor de Franciscanen die onder de naam van de Kordeliers een grote abdij hebben in Kales.

 

Eustache heeft het meer voor de Predikheren die hem erg kunnen bekoren met hun mooie sermoenen die ze plegen af te steken tijdens hun missietochten doorheen het platteland. Pierre van Petresse vervoegt het gezelschap. 'Weet je dat onze koning opdracht gegeven heeft aan onze gouverneur Jean de Vienne om 20 schepen te laten vertrekken vanuit Kales om de vloot ter hoogte van de Sluis en Cadzand te gaan versterken?' 'Blijkbaar is Edward III van plan om terug te keren. Onze koning wil de Engelsman en zijn vloot de pas afsnijden, nog voor ze kwaad kunnen doen op het vasteland.' Pierre heeft het nieuws gehoord van messire Pierre van Wissant die het op zijn beurt gehoord heeft van zijn oom Jacques van Wissant die deel uitmaakt van het stadsbestuur in Kales. Eustache, door en door patriot, is onmiddellijk bereid om 5 van zijn schepen ter beschikking te stellen van de koning.

 

'We moeten er alles aan doen om te verhinderen dat onze schone stad Kales aangevallen zal worden door de vijand.' Jean d'Aire volgt zijn vriend en biedt 4 van zijn schepen aan, gevolgd door Jacques van Wissant die zich ook niet laat kennen en, dankbaar voor de generositeit van zijn vrienden, er nog 3 vaartuigen aan toevoegt. Pierre van Petresse gaat nog een stapje verder. Hij biedt zijn diensten aan om mee te gaan vechten tegen de Engelsen. Eindelijk kan hij eens zijn trouw aan zijn vaderland bewijzen. Eustache glundert bij de gedachte dat zijn eigenste zoon zal meevaren met het schip van zijn vriend kapitein Aldeano.

 

Juni 1340. De 20 Kalesaanse schepen hebben de koninklijke vloot vervoegd die nu uitgegroeid is tot 200 schepen, volgepropt met 20.000 mariniers. De mannen hebben er nog geen besef van dat zich ondertussen een indrukwekkende Engelse vloot van 260 schepen en 12.000 boogschutters aan het vormen is met de bedoeling om op te stomen richting Sluis en Zeeland. De voorbereidende schermutselingen komen van Franse zijde. Blijkbaar vaart de Franse vloot niet samen in één grote vloot, maar zwermen hele clusters van schepen rond de kust van Engeland in afwachting van de confrontatie met de vijandelijke vloot.

 

Kalesaanse soldaten meren aan in de mondingen van hun achtertuin Dover, in Plymouth, Southampton en Sandwich waar ze regelrechte plundertochten organiseren. Het zijn vuile en smerige wandaden waar Pierre van Petresse zich van distantieert. Kapitein Aldeano doet wel mee en aarzelt niet om enkele gestolen juwelen en diamanten tot de zijne te maken. Zo staat het toch neergeschreven in de roman van 1890. De Kalesanen hebben een reputatie hoog te houden van bekwame en moedige zeerotten.

 

De admiralen van de koning, Hugues Quiéret en Nicolas Béhuchet geven de Genuese zeerover Barbavera die als kapitein van een aantal galleischepen deelneemt aan de slag, de opdracht om de kleinere schepen uit Kales onder zijn bevel te verenigen. Terwijl de Fransen met hun grote schepen, zoals de Christophe, en andere van dit kaliber, de slag zullen aangaan met de grote Engelse schepen, zullen de schepen onder leiding van de Genuees overgaan tot verspreide speldenprikken te land en ter zee. De Engelse vloot ligt al die tijd voor anker te wachten en moest er al lang geweest zijn. Maar Edward kreeg af te rekenen met geldtekort, moest zich tijdelijk redden met geld van de Lombardische bankiers en van de Joden, die dan weer woekerintresten eisten en voortdurend op zijn huid zaten om terugbetalingen te eisen. Het was lang wachten op een uiteindelijke goedkeuring van nieuwe financiële middelen door het parlement.

 

En ondertussen zorgde de Genuese en Kalesaanse terreur voor grote onrust en paniek bij de kustbewoners. Die onrust slaat trouwens over op de weifelende parlementsleden en de hogere clerus die hun zegen moeten geven voor de expeditie. Een zeer geïrriteerde Edward haalt uiteindelijk zijn gram na een briesende uitval naar dat nest bangeriken, die moeten weten wat ze willen. De Engelse vloot vaart de haven van Orwell uit op 22 juni 1340. Edward zal de expeditie leiden van op zijn schip de Saint Philippe. Hij wordt bijgestaan door admiraal Walter de Manny.

 

De Fransen op de Christophe maken zich klaar voor de confrontatie. Maar de Engelse vloot heeft een eigenaardige strategie. Ze naderen eerst tot op dichte afstand van de Fransen en daarna trekken ze zich terug. 'Ze durven niet vechten' zegt Nicolas Béhuchet. Barbavera weet wel beter. 'Onze Engelse tegenstanders zijn bekwame zeevaarders. Ze manoeuvreren hun schepen om maximaal gebruik te kunnen maken van de wind en om vooral niet de zon in de ogen te krijgen. We zullen het niet gemakkelijk krijgen.' Barbavera en de Franse admiraals verschillen grondig van mening hoe ze de zeeslag moeten aanpakken.

 

De Genuees wil dat ze allen zo snel mogelijk opstomen naar volle zee. Admiraal Quiéret is dezelfde mening toegedaan maar Nicolas Béhuchet wil liever dicht bij de kust blijven. Het komt tot een hoog oplopende ruzie daar op de Christophe waarna een woedende Barbavera zijn vloot op zee jaagt. Ook de Kalesanen en Aldeano kiezen het ruime sop. Samen zullen ze het de Engelsen wel moeilijk maken. De eerste pijlen vliegen in het rond en verwonden al enkele Kalesanen. Aldeano en de zijnen weren zich als duivels. Een helse pijlenregen klettert neer op de Engelse schepen. Het ziet er allemaal goed uit. Aldeano glundert. Maar naast zich gaat het heel wat minder. Een verontwaardigde Barbavera heeft besloten om zijn Italiaanse vloot terug te trekken.

 

Waarom zou hij zijn leven riskeren voor die dwaze Franse koning en zijn lompe admiraals? De Engelse overmacht is trouwens veel te groot. Het schip met de Engelse koning aan boord heeft het al aan de stok met de Christophe. Het is bijna middag van de 24ste juni. Het Franse paradeschip ligt machteloos ingesloten te midden van een uitgelaten Engelse krijgsmacht. De Fransen vechten voor wat ze waard zijn. Ook Edward deelt in de brokken. Een vijandelijke pijl raakt hem in de dij maar hij weigert de brug van de Saint Philippe te verlaten waar hij de boogschutters en de kruisboogschutters op resolute manier aanvoert.

 

De Engelsen vechten als furieuze leeuwen. Ondertussen wacht Aldeano op de beloofde versterking van de Genuese vloot. Het zullen ongetwijfeld de stippen zijn die de kapitein met zijn scherpe blik kan waarnemen. Maar in plaats van te naderen, verdwijnen de schepen volledig uit zicht. De Kalesanen hoeven niet langer te rekenen op die bende zeerovers. Integendeel. Stilaan komen andere zware logge vissersboten in zicht. 'Wat doen ze hier eigenlijk, verlaten op zee? Waren ze niet beter in Kales gebleven om hun eigen haventje te verdedigen?'

 

Er zijn al twee van hun kapiteins gevangen genomen door de Engelsen en nu komen de Vlamingen nog aangevaren met versterking. Aldeano en Pierre van Petresse vechten voor wat ze waard zijn maar de overmacht is te groot. Pierre krijgt een hevige zwaardslag te incasseren, bloedt heftig en verliest het bewustzijn. Als hij bijkomt, wappert de Engelse vlag aan de mast van hun schip en zijn de matrozen maar al te blij dat de strijd voorbij is en dat ze nu in een staat van veilige krijgsgevangenschap verkeren. Ook Aldeano zit er verweesd bij. Hij is er van overtuigd dat de hele Franse vloot hetzelfde lot te wachten staat.

 

Aldeano heeft zich niet vergist rond het lot van de Franse vloot ter hoogte van Sluis. De Engelsen hebben afgerekend met de bange Franse admiraals. Messire Nicolas Béhuchet hangt er nu opgeknoopt en zielloos aan de mast van de Christophe. De Engelse zeelieden zijn de nederlaag van Cadzand van drie jaar geleden nog niet vergeten. Het zijn zij die de admiraal met blote hand gewurgd hebben in plaats van hem over te dragen aan het Engelse leger. De Engelsen en de Vlamingen hebben lelijk huis gehouden.

 

Zowat de hele Franse vloot is gezonken. Ongeveer twintigduizend soldaten, schippers, matrozen, zeelieden zijn verdronken of werden aan de zee overgelaten nadat ze neergestoken of geraakt werden door de geallieerde pijlen. Het zand op de stranden kleurt dagenlang bloedrood als de klotsende werking van eb en vloed duizenden zielloze lijken laat aanspoelen op de kusten van Zeeland.

Kapitein Aldeano en Pierre van Petresse zijn goed weggekomen van de slachtpartij. Pierre is er slecht aan toe en mag door Aldeano gerepatrieerd worden. Een Engelse vissersboot heeft hen veilig aan wal gebracht in Kales.

 

De zeerot is er in geslaagd om een partij diamanten mee te smokkelen in zijn lederen broekriem en is maar al te gelukkig dat die steentjes een flink stuk van zijn verliezen goed maken. Met Pierre gaat het een stuk minder. Hij ligt wekenlang te bed en wordt verteerd door een niet aflatende koorts waar er maar geen remedie voor gevonden wordt. Manon, de oude huishoudster van messire Eustache wijkt niet van zijn zijde. 'Bidden tot God en tot Onze-Lieve-Vrouw en de hulp inroepen van de Franciscanen.' De gebruikelijke hulplijnen in die tijd. Maar uiteindelijk wijkt de koorts dan toch en gaat het de goede kant op met Pierre. Het is voor allen een verwarrende periode geweest.

 

Eustache van Petresse is de abt van de Franciscanen erkentelijk voor zijn bijstand. Pierre wordt stilaan beter en nu zitten ze met de geestelijke samen aan zijn ziekbed. Voor het eerste in lange tijd, sijpelt er wat nieuws door van de oorlog die nu al wekenlang verstopt wordt achter de gesloten vensterluiken van de kamer. De abt is blijkbaar goed op de hoogte van de toestand. Hij is op reis geweest in Artesië en heeft zich gewaagd tot aan de grenzen met Vlaanderen. De vijandelijkheden zijn daar nog volop aan de gang. 'De Vlamingen hebben zoals gewoonlijk meer lawaai gemaakt dan gewerkt'.

 

De Franciscaan is afkomstig van Doornik en kan de Vlamingen niet zien en niet luchten. Hij haat ze. 'Die van ons verdedigen zich prima. De Franse koning heeft zijn kamp opgeslagen niet ver van de grens. Artevelde had aan de Edward III een leger beloofd van om en bij de 100.000 man om de stad Doornik te veroveren. Maar van al die hulp is maar weinig in huis gekomen. Onze vermeende graaf Robert d'Artois bijvoorbeeld. Veel beloftes doen.

 

Ja. Maar als puntje bij paaltje komt, dan laat hij Doornik voor wat het waard is, en trekt hij met het volk van de Westhoek naar de grenzen van zijn gewezen graafschap onder het voorwendsel dat die van St.-Omer hem nog steeds trouw zijn en vrijwillig de poorten van de stad zullen openen. Maar de stadspoorten bleven netjes dicht. Tot dat de hertog van Bourgondië plots een uitbraak forceerde en de Vlamingen er een lelijke schudding gaf. De Westhoekers konden Robert wel wurgen, zo kwaad waren ze om zijn vuile beloftes. Hij is halsoverkop gevlucht naar het kamp van de Engelse koning ter hoogte van Doornik.'

 

Ook de Vlamingen zijn uit hun tenten weggevlucht. Het volk van St.-Omer was trouwens aangenaam verrast van wat ze nog aantroffen in de achtergelaten tenten. Wijn en vlees in overvloed, die mannen hadden niets tekort. Alles werd opgeladen op wagens en karren en tot binnen de muren van St.-Omer gevoerd.' 'En Doornik dan?' vraagt Pierre met zwakke stem. Hij heeft tot dan amper gesproken. 'Ach, de goede stad en zijn moedige burgers zijn de belegering van de Vlamingen en de Engelsen meer dan beu.

 

Het beleg is nu al 74 dagen aan de gang en alles is nog steeds hetzelfde als op dag één. Blijkbaar zou Johanna van Valois, de zuster van onze koning en de weduwe van Willem van Henegouwen er alles aan doen om de wapens te doen zwijgen. De paus wordt er bij betrokken, maar voorlopig is er nog geen ja of geen nee gekomen van geen van beide partijen. Het blijft afwachten. De situatie van die van Doornik is schrijnend. Voeding en water zijn er zo goed als niet meer. Maar ook Edward zit al door zijn geld. Veel zilvergeld zal er al niet meer in zijn schatkist zitten. Er zal wel iets moeten gebeuren!' De abt heeft zeker niet overdreven.

 

Edward III is teruggekeerd naar Engeland. Ongetwijfeld met een illusie armer en met een pak zorgen erbij. Begin mei 1341 krijgt hij te maken met een meevaller van formaat die de zaken in Frankrijk een nieuwe onverwachte wending geeft. Jan III, de hertog van Bretagne en trouwe partijsoldaat van de Franse kroon, is op zijn terugreis van het beleg van Doornik, schielijk overleden te Caen. En pardoes is daar onmiddellijk de strijd om de overname van Bretagne. Volgens Bretoense wetten gaat het graafschap nu naar zijn nicht Johanna van Ponthièvre die getrouwd is met Karel van Blois, een neef van koning Philippe de Valois.

 

Zijn halfbroer, graaf Jean de Montfort, is het daar hoegenaamd niet mee eens. De Bretoenen zijn van oudsher een eigenzinnig en op zichzelf gericht volk. Hun gebruiken zijn heilig en dat hun graafschap nu in de handen zou vallen van het geslacht van de Valois valt moeilijk te verenigen met hun drang naar een eigen identiteit. Een flink pak van de bevolking steunt Jean de Montfort in zijn verzet tegen de Franse overname van Bretagne. Het conflict tussen de partizanen van beide partijen zorgt voor een onvervalste successiestrijd die op het scherp van de snee gespeeld wordt. Voor Edward III is deze ontwikkeling hoogst interessant.

 

En nu is diezelfde Jean de Montfort aangekomen in Engeland om steun te vragen aan de Engelsen in zijn strijd voor de opvolging van het graafschap Bretagne. De alliantie tussen Bretagne en Engeland werpt een heel ander licht over de oorlog met de nu gezamenlijke aartsvijand Frankrijk. De echtgenote van Jean de Montfort is een krachtige telg van de leeuw van Vlaanderen. Kleindochter van Robrecht van Bethune. Ze wordt omschreven als hautain. Maar eigenlijk weet ze gewoonweg wat ze wil. Knap is ze wel onze Johanna van Vlaanderen! Ze heeft de 'looks en de brains' en bezit een sterke persoonlijkheid die haar heel goed van pas komt bij de strijd die ze samen voeren om in het bezit te komen van Bretagne.

 

Een onvervalste tegenpool als je kijkt naar Johanna, de gravin van Blois, die er na een ongeval tijdens haar jeugd, kreupel bijloopt. Maar vergis u niet; het is een harde tante. Haar echtgenoot Karel is een katholieke kwezel van formaat. Het is dus nodig dat ze de broek draagt. Als je een en ander goed bekijkt, is de successieoorlog van Bretagne een onderonsje tussen onze twee geëmancipeerde en vrijgevochten Johanna's.

 

Het hart van de Bretoenen mag dan wel bij graaf de Montfort liggen, maar tijdens zijn trip naar Engeland, kiest de fine fleur van Bretagne, wel officieel de zijde van de gravin van Blois. Johanna van Vlaanderen is ziedend. Het gerucht van een nakende burgeroorlog in Bretagne is ondertussen al doorgedrongen tot in Parijs waar messire Jean d'Aire naar toe getrokken is om het geld van een openstaande lening te recupereren.

 

Philippe de Valois heeft de graaf van Montfort opgeroepen om voor het hof van de pairs te verschijnen en om er hun beslissing te aanhoren dat het graafschap van Bretagne officieel en volgens de wet is toegewezen aan mevrouw Johanna van Ponthièvre. Jean d'Aire is benieuwd of de Montfort zal ingaan op het verzoek van de koning. Maar de man tekent wel degelijk present. Hij is nog niet op de hoogte van de uitspraak en hoopt hier aan het langste einde te trekken.

 

Geflankeerd door een uitgebreid gevolg van Bretoense partizanen komt hij de imposante deuren van het parlement binnengestapt en gaat hij nederig knielen voor zijn koning. 'Beste graaf van Monfort' steekt de Valois van wal; 'U mag dan wel vol goede wil zijn om in te gaan op mijn verzoek, maar ik verzoek u om u niet langer voor te doen als graaf van Bretagne want het graafschap zal u nooit toebehoren.' De graaf van Monfort trekt wit weg van colère. 'Sire, u bent ongetwijfeld verkeerd geïnformeerd. Na de dood van mijn broer kan het graafschap van Bretagne enkel en alleen aan mij toekomen. Ik voel me hoegenaamd niet beschaamd om verzet aan te tekenen tegen de beslissing van de pairs.'

 

Philippe de Valois reageert verrast op de ongegeneerde reactie van de Montfort. 'Goed geachte heer graaf, ik beveel u om twee weken in Parijs te blijven terwijl mijn 12 pairs de zaak van uw erfdeel opnieuw zullen evalueren. Als u voortijdig vertrekt uit Parijs, dan haalt u zich mijn persoonlijke gramschap op de hals.' Jean d'Aire denkt er het zijne van. De koning heeft tijd gewonnen om die brutale graaf enkele dagen in de gaten te houden. Wees er maar gerust op dat de Monfort zijn leven zal eindigen in een kerker. Na zijn trip is hij staatsvijand nummer één geworden voor Philippe de Valois. Het nieuws dat de graaf Parijs verlaten heeft via de poorten van St.-Honoré en zich nu rept naar Bretagne, bevestigt alleen maar zijn vermoeden. Hij heeft gemaakt dat hij tijdig uit de voeten was.

 

Veertien dagen later bevestigen de pairs hun oorspronkelijke uitspraak. De oudste zoon van de koning, de hertog van Normandië, is aangesteld als chef van het leger. Hij moet er voor zorgen dat de uitspraak van het parlement zal worden uitgevoerd. Tegen die tijd zijn de steden Nantes, Rennes en Vannes samen met een heel reeks dorpen en kastelen al in de handen gevallen van de Montfort die zich nu ophoudt in Nantes.

 

Zijn echtgenote Johanna van Vlaanderen blijft in Rennes in het gezelschap van hun zoontje Jean. In Kales houden ze de ontwikkelingen in Bretagne ongerust in de gaten. De oorlog tussen de twee koningen heeft zijn vervolg gekregen met de ongemakkelijke ruzie tussen de twee Johanna's. De rijke burgerij in Nantes en de lokale adel kwamen onder druk te staan van het leger van de koning en hebben uit angst voor een beleg besloten om zich over te geven en Jean de Montfort uit te leveren aan de hertog van Normandië.

 

Johanna van Ponthièvre wordt er onthaald als de nieuwe gravin. Haar gevangen tegenstander is nu op weg naar Parijs waar hij maar op weinig sympathie kan rekenen. Gravin Johanna van Vlaanderen blijft niet bij de pakken zitten. Velen zouden nu huilen en lamenteren. Maar dat is niet geval bij Johanna. Ze trekt fier en vol durf de straten van Rennes op waar ze ridders en burgers aanmaant om haar te vergezellen in een gewapend verzet. Bretagne mag niet de handen vallen van de Valois. Ze stelt messire Willem van Cadoudel aan als bevelhebber over de stad in afwachting van de komst van de Engelsen. Monseigneur de koning van Engeland zal hen komen redden!

 

Het nieuws van de aangekondigde Engelse interventie op Franse bodem verbijstert Eustache van Petresse. 'Johanna beslist dus om zich te verschansen in de versterkte burcht van Hennebont niet ver van de baai van Quibéron aan de Atlantische kust. Ze is in het gezelschap van 6.000 soldaten, 2.000 boogschutters en 12.000 lansiers. Johanna van Vlaanderen zal niet aarzelen om de poorten van Frankrijk wagenwijd open te zetten. Wees er maar gerust in dat koning Edward dergelijke kans niet zal laten voorbijgaan.'

 

Maar het is lang wachten voor Johanna daar in Hennebont. De oorlog in Schotland is, met dank aan Philippe de Valois, plots opgeflakkerd en Edward III moet al zijn energie besteden om de toestand in Engeland onder controle te houden. Het lijkt wel eeuwig te duren vooraleer een Engelse vloot onder leiding van admiraal en vertrouweling Walter de Manny eind november 1342 aan de Engelse kust vertrekt. Johanna en haar leger zijn op dat moment zelf al volledig omsingeld door de troepen van de graaf van Blois die ondertussen ook al Rennes heeft ingenomen en ervan overtuigd zijn dat het een makkie wordt om ook Hennebont in te nemen.

 

Tijdens één van die dagen komt Jean d'Aire thuis. Het is etenstijd. Hij knijpt zijn vilten hoed geagiteerd tussen beide handen. Hij is duidelijk geïrriteerd door nieuws dat hij in de haven van Kales heeft opgevangen. Anne en Myrthe voelen zijn boosheid. 'Wat scheelt er vader?' Messire Jean laat zich vallen in zijn zetel. 'De Engelse hulp is gearriveerd in Hennebont. De Engelsen zijn ons heilig koninkrijk Frankrijk binnen gedrongen.'

 

Myrthe heeft te doen met de belegerde Johanna die nu eindelijk gered zal worden uit de wurggreep van de belegeraars. Maar haar vader schudt het hoofd. 'Die jonge Engelse koning is hardnekkig. Hij heeft zijn zinnen er op gezet om de Franse troon te veroveren en hij zal zonder twijfel heel ver gaan om zijn ambities waar te maken. Het volk van Kales heeft het de voorbije jaren ondubbelzinnig opgenomen voor onze koning. Ja, zelfs onze schepen hebben Engeland gepijnigd. Wees er maar zeker van dat onze schone stad één van de eersten zal zijn om door de Engelsen aangevallen te worden.'

 

Vergeet toch maar nooit dat Kales de mooiste poort tot Frankrijk is, die de Engelsen zich maar kunnen dromen. Buursteden Amiens en St.-Omer liggen potverdorie verder verwijderd van Kales dan het Engelse Dover!' 'Ik vind het doodjammer dat al die snoodaards die nu al jaren stoken om oorlog te voeren net als onze graaf Robert d'Artois niet allemaal vermoord werden. We zouden er dan helemaal anders voor staan!' Robert d'Artois, de aanstoker van de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, raakte inderdaad zwaar gewond toen hij als partizaan meestreed met de Bretoenen te Vannes.

 

Hij werd nog overgebracht naar Engeland waar hij een tijdje later overleed ten gevolge van dysenterie. De honderdjarige oorlog die zo lang had gesluimerd, is finaal losgebroken. Edward plant de komst van een machtig leger naar Vlaanderen. In Bretagne is Walter Manny aan de slag en de graaf van Derby is aangesteld om Aquitanië te verdedigen tegen de dreigende Fransen. Edward III komt Manny bijstaan in Hennebont waar het scenario van Doornik zich herhaalt. Een eindeloze, vruchteloze en uitzichtloze belegering.

 

Tijdens de winter van 1343 komt het, onder grote druk van de paus, tot een wapenstilstand te Malestroit. Het bestand tussen Frankrijk en Engeland zal enkele jaren aanhouden. Er is tijdens die periode niet echt sprake van oorlog, maar de instabiliteit in Frankrijk en in Vlaanderen is proefbaar aanwezig. Franse schippers en zeelieden profiteren de hele tijd van de situatie om de kusten van vijand Engeland te teisteren en te plunderen. Kapitein Aldeano kan nu en dan een goede slag slaan en buit verzilveren.

 

Messire Eustache wordt zo wel slapend rijk. De woede van de Engelsen tegenover die Kalesaanse plunderingen groeit met de dag. Tijdens één van die afrekeningen tussen Eustache van Petresse en zijn kapitein Aldeano komt Eustache belangrijk nieuws te weten. Het is drukkend warm in Kales die zomer van 1345. Terwijl het malafide zilvergeld uitgespreid op tafel ligt, vertelt Aldeano dat Jacob van Artevelde werd vermoord in zijn residentie te Gent. 'Diezelfde mensen die hem groot hebben gemaakt, hebben hem nu in koelen bloede vermoord.' Eustache is geshockeerd. Hij herinnert zich die ene keer van hun ontmoeting.

 

Hij heeft er alle moeite mee dat 'Jacquemart' er niet meer is. 'Ja' gaat Aldeano verder. 'Ik heb gehoord dat Artevelde enkele dagen voor zijn moord een deal aan het bedisselen was met Edward III. Ze waren van plan om de graaf van Vlaanderen aan de kant te zetten en te vervangen door de prins van Wales, de oudste zoon van de koning. Die van Ieper en Brugge zagen dat best zitten, maar in Gent waren ze er vierkant tegen dat een onbekende graaf zomaar Vlaanderen zou kunnen toegeschoven krijgen zonder het land enigszins te kennen en er van te houden. Het getuigde volgens de Gentenaars van een onbeschofte deloyaliteit tegenover de rechtsgeldige graaf Lodewijk van Nevers.'

 

1346. Pierre van Petresse en Anne d'Aire vinden de tijd rijp om met elkaar te trouwen. Anne wordt straks 30. Nonkel Eustache belooft om een woordje te doen bij zijn vriend Jean die natuurlijk niets liever heeft dan dat zijn dochter in het huwelijk treedt met Pierre. Spijtig toch dat de toekomst zo onzeker is voor het paar. Hun tante Manon die Myrthe en Anne heeft opgevoed, koestert dezelfde wrange voorgevoelens van dreigend onheil. Het is een van die zeldzame keren waarbij de rustige vrouw haar stem verheft. 'Wacht maar af, het zal niet lang meer duren vooraleer de Engelse koning voor de poorten van Kales zal staan.

 

En wat zal er dan gebeuren denk je?' Messire Jean kijkt haar vol begrip aan. 'Wacht nog enkele maanden, in september mogen ze trouwen', zegt hij aan zijn vriend Eustache. Nog geen uur later is de voorspelling van tante al rauwe werkelijkheid geworden. Het nieuws van de aangekondigde trouwpartij is niet eens tot bij Anne geraakt. De Engelse koning is zopas Blanquetaque, aan de monding van de Somme, voorbij gevaren en is geland in Normandië. Het is notabene een Franse verrader die de Engelsen de weg heeft getoond door een ondiepe passage in de rivier. De witte keitjes vormen er een perfecte oversteek.

 

Ja, die smeerlap van een Gobin Agace toonde hen hoe ze vlot met het water tot op kniehoogte de oversteek konden maken. Edward kan niet meer rekenen op de Vlamingen van de vermoorde Artevelde en Robert van Artesië ligt begraven in de kathedraal van St-Pauls. Maar er is al een andere heer van Frankrijk opgestaan om hun taak over te nemen. Weer iemand die zich doodergert aan het beleid van Philippe van Valois; de Normandiër Godfried van Harcourt.'

 

Die laatste denkt de slimste te zijn en biedt zijn graafschap op een presenteerblaadje aan. 'De Engelsen zijn welkom in Normandië, de lokale adel vecht nu toch al aan de zijde van de graaf van Derby tegen Philippe van Valois. Het is niet nodig dat het Engelse leger de wapens moet opnemen in zijn eigen Normandië, want het volk draagt er zelf geen wapens. Bovendien kan Edward gebruik maken van de haven van Saint-Sauveur om te landen in Frankrijk.' Edward gaat niet in op die uitnodiging. De graanhuizen in Normandië puilen verwachtingsvol uit.

 

De meeste huizen verraden er een ongeziene rijkdom. Karren, wagens, paarden, varkens, schapen en de mooiste koeien van de hele wereld. Nee, de Engelsen zijn maar wat blij dat ze al dat lekkers kunnen plunderen. De steden worden onder de voet gelopen en geteisterd door onbeschofte Engelse vechtjassen. Alleen Caen wordt gespaard na een verzet van drie dagen. De Engelsen zijn zelfs genaderd tot aan de poorten van Parijs. Rook aan de hemel. De Parijzenaars bekijken met afgrijnzen het afbranden van de vele dorpen en steden uit het omliggende. Het desastreuze nieuws over de ravage in Normandië heeft nu Kales bereikt en overschaduwt het aangekondigde huwelijk van Pierre met zijn Anne.

 

'Onze koning zal deze schandalige toestanden niet zomaar laten gebeuren', zegt Eustache tegen beter weten in. Het Engelse leger rukt nu op naar het noorden in een poging om aan te sluiten bij de Vlaamse troepen die op hun beurt aan het oprukken richting Béthune. Koning Philippe ondervindt flink wat moeilijkheden om in augustus 1346 weg te geraken uit Parijs. Nu trekt hij in vol ornaat en met de koninklijke banieren naar Poissy, ten noordwesten van Parijs. Van daaruit zal hij een aanval lanceren op de Engelsen die het voorzien hebben op de Franse kroon. Het is er een komen en gaan van leenheren die allemaal hun steun komen aanbieden aan de koning.

 

Het Franse leger dat in de clinch ligt met de Engelsen in Aquitanië, krijgt orders om de strijd in het zuiden te staken en op te rukken naar het bedreigde noorden. Overal in het land worden stadsmilities opgetrommeld en worden de burgers van de steden van wapentuig voorzien. De magistraten van Kales worden eveneens opgeroepen om samen te komen in het stadhuis en om de bewapening van de stad te regelen. Eustache en Jean zijn beide aanwezig.

 

De milities van Kales zijn goed getraind en gewoon om om te gaan met de dagelijkse bedreigingen die de stad van over land of van over zee kunnen bedreigen. Sinds de eerste geruchten van de Engelse aanval, staat iedereen klaar om op te treden. Het is nu nog alleen wachten op het bevel van de koning zelf. Maar ondertussen worden de stadsmuren met man en macht beschermd. Pierre van Petresse, de man die binnen een maand zal trouwen, is kapitein van een peloton. Hij heeft zijn verloofde een gouden ketting beloofd die hij op het slagveld zal buit maken op een Engelse ridder. Anne bekijkt de op komst zijnde oorlog met een haast kindse naïviteit.

 

'De stedelijke milities zullen zich ongetwijfeld nooit veraf van Kales moeten begeven en de Engelse koning zal er trouwens nooit in slagen om met heel zijn leger de Somme binnen te varen.' September komt stilaan in zicht en het zo gegeerde huwelijk wordt overschaduwd door een rampzalig bericht. Koning Philippe heeft alle stadsmilities opgeroepen om zich te vervoegen bij zijn leger te Abbeville. De voormalige Vlaamse stad Abbegem heeft een strategische ligging aan de Somme. Een groot Frans leger is naarstig aan het werk om er een onoverbrugbare hindernis op te bouwen die moet verhinderen dat de Engelsen het graafschap van Ponthieu kunnen binnendringen.

 

Arnold van Audrehen wordt benoemd tot bevelhebber van de Kalesaanse milities. Ze zullen de voorpost vormen van de steden van Picardië. Er worden in ijltempo spoedberichten verstuurd om ook mannen op te eisen van de naburige dorpen. Anne krijgt amper nog kans om afscheid te nemen van haar Pierre. Vol moed vertrekken ze nu richting Abbeville om er zich eindelijk te kunnen meten met de Engelsen. Arnold van Audrehen ziet er op zijn fier gevechtspaard bepaald indrukwekkend uit. Ditmaal zal Edward de Somme niet zomaar meer kunnen oversteken. Er bevindt zich met grote zekerheid geen verrader zoals Gobin Agace in hun gelederen. De Kalesanen zijn er gerust in.

 

Maar Anne d'Aire blijft wezenloos achter. Wat zal de toekomst brengen voor hen beiden? De magistraten van Kales hebben op vraag van Eustache aan elk peloton van hun burgermilities één of twee boodschappers toegevoegd. Ze krijgen de opdracht om voortdurend op en af te rijden en zo het stadhuis op de hoogte te houden van de ontwikkelingen. Op die manier kunnen hun vrouwen, kinderen en hun families gerustgesteld worden. De mannen zijn nu al vijf dagen vertrokken en géén enkele boodschapper heeft zich tot grote verwondering van de magistraten al aangemeld in de thuisstad. De burgers beginnen zich al ferm ongerust te maken. 'Geen nieuws, is goed nieuws!' proberen ze te denken, maar de stemming in Kales is best bedrukt te noemen.

 

De milities zijn nu al een week weg. Anne is op bezoek bij Eustache. Het avondmaal is net afgelopen en Anne is van plan om terug naar huis te vertrekken. Plots staat daar een verschrikte Manon voor hun neus. Achter Manon zien ze een haveloze man binnenstrompelen, het hoofd gewikkeld in bebloede doeken. De man ziet er uitgeput, verschrikt en verwilderd uit. En vooral onherkenbaar. 'Het is Claude Samet', roept Manon snikkend. 'Het is de man die meegetrokken is als boodschapper met de groep van Pierre. Onze pelotons zijn frontaal aangevallen door de Engelsen die onze mannen in mootjes hebben gehakt', kan Samet ternauwernood uitbrengen.

 

De ogen van Eustache onderzoeken de boodschapper die op de grond valt van uitputting. Ook hij werd het slachtoffer van de Engelse aanval. 'En Pierre?', vraagt Anne aan Samet. 'Pierre is ongedeerd.' fluistert hij. 'Zijn peloton is zowat de enige die weerstand kon bieden. Pierre heeft me opgedragen om jullie die boodschap over te maken. De heer van Audrehem en de overlevenden van de andere milities hebben zich bij hun groep gevoegd. Ze staan nu allemaal onder het bevel van Pierre want alle andere kapiteins van de stad zijn, ofwel gedood, ofwel zwaar gewond!'

 

Eustache en Anne worstelen met gemengde gevoelens. Pierre leeft, maar zoveel dappere mannen van hun eigen Kales zijn binnen de week al omgekomen. Wat een drama voor de bevolking. De stad van Kales is gedecimeerd. En dat in een periode waarbij het alle mannen zo nodig zal hebben want het zal nu niet lang meer duren eer de Engelsen aan de poorten van de stad zullen staan. Terwijl ze beiden opgelucht zijn dat Pierre nog leeft, denken ze aan de glorie en de voorspoed van Kales die nu zwaar op de helling zullen komen te staan.

 

Eustache heeft al gehoord welke ravage de Engelsen hebben aangericht in Normandië en hij weet dat Caen enkel en alleen gespaard werd omdat Edward kost wat kost Kales wil innemen. Kales is in trance. De raadslieden zijn van deur tot deur gegaan om er het nieuws van de slachting van zoveel geliefden mee te delen. Ook de priester van St.-Nicolas die een peloton leidde, behoort tot de doden. Alle boodschappers met uitzondering van Claude Samet, hebben het leven gelaten. Zonder hem zouden ze hier zelfs niet eens weten dat hun stadsgenoten in de hinderlaag gevallen zijn van de Engelsen.

 

Enkele dagen later worden de eerste lijken van de gesneuvelden binnengebracht binnen de stadsmuren. Het aantal zwelt aan. De geestelijken kunnen het aantal begrafenissen amper bijhouden. Ondertussen is er geen verder nieuws bekend van Pierre van Petresse. De Engelse strijdkrachten rukken verder op door de Ponthieu nadat ze de streek van Beauvais verwoest hebben. De vijandelijke troepenmacht is zo ontzaglijk dat koning Philippe van Valois hen noodgedwongen voorlangs moet laten oprukken zonder zelf in te grijpen. Zijn troepen zijn op dat moment nog niet waar ze zouden moeten zijn. Hij verkiest om zich te herpositioneren in afwachting van een grote confrontatie. 'In principe moet het Franse leger sterker zijn dat hun tegenstrever.' Dat is in elk geval waar die van Kales tegen beter weten in op speculeren. Maar met een klein hartje vrezen ze dat de koning te laat zal komen om de wraakzuchtige terreur op hun stad te kunnen voorkomen.

 

Zaterdag 27 augustus 1346. Anne, Myrthe en Manon brengen de hele dag door in de kerk in de ijdele hoop dat bidden zowat het enige is om verder onheil te voorkomen. We leven natuurlijk nog in een tijd waarin God bestaat. Daar zijn de mensen in elk geval van overtuigd. De avond valt in. Jean d'Aire gaat naar de kerk om er zijn gezin op te wachten aan de verweerde houten poort. De gezichten van de vrouwen, verscholen achter de kappen van zwarte zijde, ogen elke dag somberder. De tranen vloeien rijkelijker. Een ganzenverkoper komt toegelopen op Jean. 'Messire Jean, is het waar dat het leger van onze koning verslagen werd door de Engelsen? Het schijnt dat de grond vol ligt van doden uit ons vaderland.' 'Ik ben hier niet van op de hoogte.' antwoordt een gealarmeerde Jean d'Aire. 'Het slecht nieuws lijkt hier wel aan te komen waaien met de wind.' Anne is er ondertussen komen bijstaan. 'Hopelijk vliegt het goed nieuws niet zo snel, maar zal het ons de komende dagen wel bereiken.'

 

Daags voordien, 26 augustus in Crécy-en-Ponthieu, zowat 100 km ten zuiden van Kales. 15.000 goed getrainde Engelse soldaten hebben genoeg van de ontwijkende manoeuvres van de Fransen en willen hier en nu het pleit beslechten. Ze houden halt op een heuvelrug niet ver van het stadje Ponthieu dat al sinds 1279 in hun bezit is, maar nu ostentatief door de Fransen wordt bezet. De Fransen lopen in de Engelse val. Numeriek zijn ze in de meerderheid, maar de mannen zijn ongeduldig en de leiding niet competent. Zwaaien met de koninklijke banier, de oriflamme, dat wel. Maar eens de Franse boogschutters de strijd openen weten ze vrij vlug hoe laat het is.

 

De voorlinie van de Fransen wordt afgeslacht door de Engelsen en de ridders voeren zinloze charges uit. Ook Pierre van Petresse vecht hardnekkig mee. Rond hem de milities van Picardië. Als Arnold van Audrehen de trompet laat schellen, rukken ze op. Maar de slagorde trekt op niets. In plaats van samen te blijven, lopen ze als een ongeregeld zootje dwars op de Engelsen toe. En ook de cavalerie van de lelies wordt onder de voet gelopen door het Engelse voetvolk. De vijand blijft koelbloedig en vuurt ononderbroken een regen van pijlen af uit de kruisbogen.

 

Honderden Fransen worden getroffen. De Engelse krijgsmacht houdt stand op de heuvelrug en dient de Fransen een zware nederlaag toe. Duizenden Fransen sneuvelen. Onder hen zeker 1.500 ridders. Het verlies aan Engelse zijde is minimaal. Edward III is categoriek. Het Engels leger moet samen blijven. Het is verboden om terugtrekkende Franse soldaten te achtervolgen.

 

Wat de ganzenverkoper te vertellen had, blijkt dus juist. Nog dezelfde zaterdagavond, de nacht is al aan het vallen, als de resten van de burgermilitie van Kales zich verwilderd aanbieden onder de muren van de thuisstad. Ze zijn zo fier en zo overtuigd van een grandioze overwinning vertrokken en bekijk nu eens wat er nog van die trots overschiet? De vlag van Kales is er al niet meer bij want de hebben de Engelsen gepikt tijdens de slag aan de Somme. De goede paarden die de kapiteins bereden, zijn allemaal afgemaakt, samen met de meeste ruiters.

 

En wat blijft er nu over? Een handvol gehavende, bloedende en verslagen mannen die smekend vragen om terug binnen te mogen komen in hun stad en om er te vertellen over de zware nederlaag die het koninkrijk Frankrijk heeft opgelopen. Pierre van Petresse is ook kunnen ontkomen en begeeft zich nu strompelend naar de woning van zijn oom Eustache. Jean d'Aire en de meisjes komen aangelopen. Pierre laat zich uitgeput neervallen op een kruk in de inkomplaats en verbergt het gezicht in zijn handen. Hij huilt tranen met tuiten. 'Haast u' roept hij uit, 'Haast u naar de stadsmuren, verdubbel onmiddellijk het aantal stadswachten want de Engelsen zijn op komst naar Kales.

 

Niets of niemand zal hen tegenhouden want de Franse legerleiders en de edelen liggen afgemaakt op het slagveld van Crécy.' Eustache, Jean, Myrthe en Anne kunnen de dramatische gebeurtenissen lezen in de hulpeloze ogen van Pierre. Eustache vermant zich. 'En waar bevindt onze koning zich nu? Is hij dood of is hij gevangen genomen?'. 'De koning heeft gevochten als een leeuw tot dat er geen doen meer aan was. In een schim heb ik monseigneur Jan van Henegouwen gezien, die hem is komen ontzetten. Onze koning is waarschijnlijk nog in leven!'

 

'Ik zal me die strijd tot de laatste dag van mijn leven herinneren.' Pierre buigt het hoofd weer tussen zijn hulpeloze handen. 'Het was al vrij laat, maar we marcheerden nog steeds onder de leiding van onze bevelhebber Arnold tot we plots van overal bevelen kregen om te stoppen in de vallei van Crécy. We waren vermoeid van een hele dag marcheren en plots zien we de Engelsen daar voor ons op de helling opdoemen. Rustig en in perfecte slagorde. Iedereen netjes op zijn plaats. Klaar om te vechten.'

 

'En achteraan begonnen onze eigen ruiters te drummen om ons naar voor te dringen en gingen ze met hun paarden in de aanval. We kregen niet eens de tijd om ons behoorlijk te organiseren. We hakten er allemaal zo maar op los, zonder eigenlijk te weten op wie of op wat. Onze mannen vielen bij bosjes neer. Wat een chaos, wat een verdomde puinhoop hebben we ervan gemaakt tegen die perfect georganiseerde Engelsen!'. 'Gelukkig ben jij kunnen ontkomen aan dat bloedbad' verzucht Anne. 'Ja' zegt hij met droge stem, maar ze begrijpt maar al te goed dat zijn hart gevuld is met schaamte dat hij, 'patriot pur sang', als hulpeloze wegloper werd gedwongen om terug te keren. Het voelt aan als desertie. Hij was liever op het slagveld gestorven voor zijn vaderland. Pierre van Petresse voelt zich tot op het bot vernederd.

 

De Engelse koning is op komst naar Kales. Hij wil kost wat kost de Franse kroon en om dat doel te bereiken moet zijn leger een veilige strategische uitvalsbasis hebben om van daaruit heel het land in te nemen. Kales, gesitueerd vlak tegenover de Engelse kust, is een ideale plek. De stad bezit een goede haven en robuuste wallen. Het veilig en afgesloten kamp van Kales is een perfecte plaats. Zoveel is nu wel zeker. Drie dagen heeft het geduurd vooraleer de doden op het slagveld van Crécy konden worden begraven. Een macabere job. Nu biedt het leger van Edward III zich aan bij de stadjes en dorpen aan de Atlantische kust ten zuiden van Kales.

 

De buitenwijken van Montreuil, Etaples worden in brand gestoken. De inwoners van Montreuil en Boulogne werden opgeroepen om zich over te geven. De ridders die het bloedbad van Crécy overleefden, hebben zich teruggeplooid in de naburige burchten. Maar Edward laat ze betijen. Welke zin hebben al deze nutteloze achterhoedegevechten? Hij wil Kales. Zijn leger rukt verder op naar de kleine haven van Wissant dat door de vlammen wordt verwoest. Nog 20 km scheiden hem van zijn target. In Wissant kunnen de Engelse schepen aanmeren om zich dan in een tweede fase meester te maken van Kales.

 

Het is nu zondag 30 augustus van het jaar 1346. Een prima weertje. De klokken van Notre-Dame en Saint-Nicolas roepen de vespers. Een menigte van vrouwen en kinderen haast zich door de straten. De mannen zijn 's morgens al naar de hoogmis geweest die werd voorgedragen door monseigneur Raymond Saquet, de bisschop van Terwaan. Na de dienst en een laatste zegening van de mannen, is hij haastig vertrokken uit Kales. De bisschop weet net zoals iedereen welke beproevingen de bevolking van de stad nu te wachten staan.

 

Bidden tot God met al die ongeruste en bezorgde harten, was zowat het laatste die er nog kon gebeuren. De drukte in de binnenstad is opvallend. De markt is ingenomen door een massa handelaars van op den buiten die voedsel van alle slag en soort aanbieden. Het lot van de buitenmensen is hetzelfde als dat van de stedelingen. Ze willen hun oogst en hun beesten in allerijl beveiligen tegen de grijpgrage handen van de vijand. En de mensen van Kales willen zich kost wat kosten nog extra bevoorraden voor de onzekere tijden die nu zullen aanbreken. Maar de tijd is te kort om de voorraadkasten van de stedelingen volledig te vullen. Edward III heeft die van Kales amper vier dagen gegund om voldoende proviand op te slaan.

 

De uitkijkposten op de toren van Guet schreeuwen het plots uit. 'De Engelsen, de Engelsen'. De burgers nemen verbijsterd hun wapens en haasten zich naar de stadsmuren. In de verte zien de burgers het gros van het Engelse leger verschijnen. De silhouetten van meer dan 34.000 soldaten: 5.300 ridders, 6.600 infanteristen, 20.000 hand- of kruisboogschutters. Onder hen om en bij de 2.000 Vlaamse soldaten. De koninklijke vlaggen wapperen in de zwoele augustuswind.

 

De Kalesaanse ridders stellen zich op bij de versterkingen en flankeren hun gouverneur Jean de Vienne. Daar galoppeert Edward III, met aan zijn zijde zijn 16-jarige zoon, Edward de jonge prins van Wales, de man die volgens Jacob van Artevelde voorbestemd was om de nieuwe graaf van Vlaanderen te worden.

 

De jonge prins wordt niet voor niets omschreven als 'de zwarte prins' want daar komt hij aan, helemaal getooid in hetzelfde zwarte harnas dat hij eerder al gedragen had tijdens de veldslag van Crécy. Op zijn helm zien ze de struisvogelveren die Edward buitgemaakt heeft op de vorige week gesneuvelde koning van Bohemen die meevocht met de Fransen. Het schouwspel beneemt de adem van monseigneur Jean de Vienne. Hij roept met overslaande stem tot zijn gevolg 'Moge God ons volharding schenken want die zullen we ongetwijfeld nodig hebben'.