P1340100

De Kokerulle van 1280 en de moord op de Ieperse schepenen in 1303 hebben zo hun bedenkelijke impact op de Ieperse textielexport. De commerciële malaise wordt nog versterkt door de politieke instabiliteit die zich in het begin van de 14de eeuw afspeelt tussen Frankrijk en Engeland. Vlaanderen, als leengebied van Frankrijk, wordt door de Engelsen frequent geviseerd. Nog voor 1322 hebben allerhande Engelse boycots er voor gezorgd dat het handelsvolume beduidend naar omlaag is getuimeld.

 

Ook de oorlog die de Engelsen uitvechten met de Schotten, beïnvloedt de Vlaamse economie. Ieper is pro Engeland terwijl die van Brugge en het Brugse Vrije zich eerder concentreren op de levering van wapens en voedsel aan Schotland. Gelukkig verbeteren de relaties tussen Schotland en Engeland. Dank zij de tussenkomst van graaf Lodewijk van Nevers kunnen de Ieperse wolhandelaars vanaf juli 1323 opnieuw zakendoen met Engeland.

 

De Ieperlingen concentreren hun import- en exportactiviteiten voornamelijk op Boston en Londen. Boston ligt ongeveer 120 mijl ten noorden van Londen. In het eerste kwart van de 14de eeuw geniet Boston van het voordeel. Hier kunnen de kooplieden kwalitatief hoogstaande wol uit de Midlands aanschaffen. En kunnen ze hun geproduceerde lakens kwijt op de Engelse markt. Zelfs het koninklijk hof is klant van de Ieperse textielbaronnen. De ooit zo succesvolle Engelse jaarmarkten uit de 13de eeuw slabakken echter. De zwerm vreemdelingen die het gewoon was om neer te strijken in Boston vermindert met de dag.

 

Gaandeweg verkiezen ze Londen om hun aankopen van zout, graan, lood en textiel te verrichten. Het groeiende internationaal platform van Londen zorgt wel voor grote concurrentie op alle vlakken. Voorlopig is er nog geen probleem om voldoende wol aan te kopen. Het probleem stelt zich bij het teloorgaan van de internationale afzetmarkten. Textiel wordt met de jaren gesofisticeerder en er ontstaan nieuwe tendensen.

 

Mode is van alle tijden. Maar omdat de Ieperlingen niet zelf contact hebben met hun afnemers, zijn ze onwetend over de veranderingen in de mode. De productiemethodes van de Ieperse textielindustrie blijven ongewijzigd. Cruciale innovatie blijft achterwege en het product wordt duurder met de dag. Verscheidene devaluaties hebben gezorgd voor een muntontwaarding in Vlaanderen en hebben er voor gezorgd dat de loonkosten de hoogte zijn in geschoten. De Ieperse lakens worden stilaan onbetaalbaar voor de gebruikelijke afnemers.

 

Vooral het vollen van de wol is een erg arbeidsintensieve bezigheid. Er is vocht en warmte nodig om de lakens dat specifiek viltig uitzicht te geven en te laten krimpen tot de gewenste afmetingen. Het volproces gebeurt in een soort trog waar de volders uren aan een stuk trappelen om de lakens te impregneren met een mengsel van klei, rotte urine, eiwitten en boter. Daarna worden de lakens verschillende keren gespoeld. Om één laken te produceren zijn er tot 4 mandagen voor nodig. De manier van vollen wordt streng gecontroleerd. Zo moet het laken zigzag gevouwen worden om het in de lengte te laten krimpen.

 

Er is heel wat vakmanschap vereist om te voldoen aan de kwaliteitseisen die opgelegd worden door de Ieperse gilden. Er zijn in Ieper ongeveer 1500 weefgetouwen aan het werk in het begin van de 14de eeuw. Maar sociaal economisch is het één miserie. Herstructuringen, loongeschillen, conflicten en stakingen zijn zowat de enige rode draad. Voeg daarbij het bedenkelijke management van de Vlaamse graven die er met hun schuldenberg voor zorgen dat het Franse afzetgebied problematisch wordt voor de Vlaamse textielhandelaars. Zo worden in 1309 Ieperse handelaars op de markten van de Champagne door de Italiaanse bankiers gearresteerd wegens de schulden van hun graaf en worden hun waren geconfisqueerd.

 

Na 1302 hebben de ambachten in Ieper veel aan macht gewonnen en spelen ze hun rol in het stadhuis en in het bestuur van de stad. De oorlog met Frankrijk en de depressie van de voorbije jaren hebben de nijverheid ernstig aangetast. Het is tijd om in te grijpen en zo erger te voorkomen. De druk om zaken te veranderen en te sturen zie je duidelijk in de herstructureringen die tussen 1309 en 1311 worden begeleid door graaf-Ieperling Robrecht van Bethune. De reglementering en de codering van de Ieperse lakenindustrie doen sterk denken aan CE- en kwaliteitsnormen zoals we die op vandaag kennen. Ook aan de infrastructuur wordt gewerkt.

 

Op 23 juli 1310 krijgt Ieper de toelating van de graaf om de vijver van Dikkebus te graven die naast Zillebekevijver er voor moet zorgen dat er voldoende water in de stad voor handen is voor het vollen en het verven van de lakens. Dikkebusvijver zal gebruik maken van het water van de kleine Kemmelbeek en uitgegraven worden op grond van de parochies Vlamertinge, Dikkebus en Voormezele. De onteigening van de nodige gronden wordt geregeld door de stad Ieper zelf en neemt zowat 10 jaar in beslag. Pas rond 1323 is de vijver van 36 hectare effectief gerealiseerd.

 

De Ieperlingen verkopen hun lakens in 1312 nog in het Spaanse Aragon. Maar de concurrentie van, vooral lakens uit Brabant, is opvallend. Maar ook de zustersteden Douai en Rijsel laten zich er gelden. In het Poolse Wroclaw strijden Gent en Ieper letterlijk om de lakens. Maar Ieper verliest zijn positie als hoofdleverancier van het gestreepte laken die uiteindelijk uit het assortiment zal verdwijnen en niet langer meer zal worden geproduceerd.

 

Ook de terugloop van het gekleurde laken, de lichte draperie, de standvoortlakens en de saaien gaat onverminderd verder in zowet alle Ieperse afzetgebieden. Enkel de halflakens, de zware draperie en de hogekwaliteitslakens lijken stand te houden in de moordende concurrentiestrijd. Ieper behoort tot 1325 hoe dan ook tot de absolute top van de Europese lakenproducenten met een jaarproductie van zowat 75.000 lakens. In zowat heel Europa is de verkoop van de goedkopere lichte draperie grotendeels aan het kelderen. In 1340 is er enkel nog sprake van die goedkope stoffen in de regionale handel maar is de export naar de mediterrane markten voorlopig verleden tijd.

 

Veel heeft te maken met de hongersnood die zich tussen 1310 en 1320 over zowat heel Europa verspreidt. In Vlaanderen blijft die periode beperkt tot het jaar 1316. Maar heel Europa, van de Pyreneeën tot aan de Russische steppe, van Schotland tot Italië, kreunt een heel decennium onder de honger en de armoede en de daaruit voortvloeiende pest, de 'Zwarte Dood'. De graanprijs stijgt in die jaren met een factor 20 en het zijn natuurlijk de gewone mensen die het gelag betalen want de hogere klassen kunnen zich die duurdere voedselprijzen natuurlijk wel veroorloven.

 

Zowat 10% van de Europese bevolking sterft op enkele jaren tijd door ziekte, honger en armoede. En ook de schapen worden geteisterd door ziektes en plagen. De malaise in de goedkopere lakens is niet ver te zoeken. De klantenkring ervoor is flink uitgedund. Het beschikbare volume aan wol is nu bestemd voor hen die zich wel nog kwaliteitsproducten kunnen permitteren. De duurdere draperie vervangt de goedkopere varianten. Het verdwijnen van de lichtere lakens zoals de stanforts en de saaien raakt vooral de lakenindustrie van het platteland en de kleine dorpen en steden van de Westhoek.

 

Tijdens de 12de en 13de eeuw vonden ze onder meer in Poperinge hun broodwinning in die lichte draperie. Ze beseffen dat de heroriëntatie van de Ieperlingen richting hogere kwaliteit, ook voor hen de enige mogelijkheid is om te overleven. Het is enkel een kwestie van tijd vooraleer de traditionele lakenproductie uit de grote steden Gent, Brugge en Ieper zal geïmiteerd worden door vooral steden uit het zuiden van het graafschap Vlaanderen. We spreken over Poperinge, Langemark, Wervik, Kortrijk, Diksmuide, Komen, Waasten, Menen, Roeselare en later ook over Nieuwkerke en Armentières. Anno 2013 is de namaak van een 'Lacoste' kledingstuk strafbaar. Maar daar vegen ze in de 14de eeuw nog hun voeten aan.

 

De imitatie van de lakens die in de grote centra geproduceerd worden, beperkt zich in de kleine steden enkel tot het zuiver namaken. Alle procedures, gesofisticeerde bewerkingstechnieken en de nauwgezette scholing van de arbeiders worden hier overboord gegooid. Niet geschoolde en dus de goedkoopste arbeiders zijn goed genoeg om de diverse taken uit te voeren. De belastingsdruk, de lonen en de levensduurte liggen in de buitensteden een flink stuk lager dan in het goed georganiseerde Ieper.

 

En dan is er nog het belang van de wol. In de grote textielcentra zweren ze op het gebruik van de beste Engelse wol. In Poperinge en konsoorten mengen ze de dure Engelse wol met veel goedkopere Spaanse wolkwaliteiten die ze, dank zij het spinnewiel, machinaal kunnen integreren in hun eindproducten. De tegenstelling tussen de handmatig en ambachtelijk gemaakte 'oude' draperie en de machinaal geproduceerde 'nieuwe' draperie groeit met de dag. Het probleem wordt aangescherpt door de vaststelling dat die van Poperinge uiteindelijk ook tevoorschijn komen met topproducten die zich best kunnen meten met de traditionele textielproducten.

 

Bij het aanbreken van de jaren 1320 zijn de gevolgen op de internationale markten zichtbaar. De alternatieve lakensoorten zijn een flink stuk goedkoper dan de kwaliteitslakens van de traditionele Vlaamse en Brabantse draperie. In Ieper kunnen ze er natuurlijk niet om lachen dat die nagemaakte lakens terrein winnen en zware schade aanbrengen aan het economisch weefsel van hun eigen ambachten. Net buiten de beschermde zone van Ieper, ligt Diksmuide. De stad geldt eveneens als een belangrijke exporteur van vooral exclusieve scharlakens. Diksmuide is hier naast Gent en Douai een belangrijke concurrent voor Ieper.

 

In Novgorod treffen we ook de Diksmuidse textielproducten aan. Maar de stad krijgt eveneens te maken met een veranderende markt en ziet zich net zoals haar buurstad genoodzaakt om zich te differentiëren en over te schakelen op de gesmoute, zware draperie. Een eeuw later zal blijken dat die omschakeling niet zo goed geslaagd zal zijn geweest.

 

En Langemark? In het begin van de 13de eeuw was het een succesvol en dynamisch textielstadje in het zog van de grote buurstad. Export naar Castilië, Novgorod en Riga en zelfs naar Zweden. Toegelaten om handel te drijven met de Duitse Hanze. Met een lakenprivilege geschonken door gravin Margaretha.

 

Het textielstadje profiteert mee van de macht van Ieper. Maar moet die ook ondergaan. Het klooster van de Clarissen verhuist er in 1259 naartoe. Het is de Ieperse baljuw die zeggenschap heeft over de benoeming van de deken van de Langemarkse wevers. In 1296 krijgen ze van graag Gwijde van Dampierre de toelating om hun eigen lakenhalle te bouwen en mogen de Langemarknaars op woensdag een marktdag organiseren. Op elk verkocht stuk laken krijgt de graaf 6 penningen. De btw avant la lettre. De economische problemen in de jaren 20, dwingen die van Langemark tot het gebruik van het spinnewiel om zo goedkopere lakens te kunnen produceren.

 

En dat valt niet in goede aarde bij de Ieperlingen. Op 28 oktober van het jaar 1322 verschijnt er in de stad al een nieuwe verordening met de bedoeling om 'eschiver toutes malvaistiés et faussetés de draperie' te weren. De Poperingenaars argumenteren op de Ieperse aanklachten dat de internationale vraag naar zeer ruwe lichte draperie, de zogenaamde ongesmoute draperie, ten gevolge van de hoge kostprijs zo goed als verdwenen is. De transport- en verhandelingskosten naar de verre afzetgebieden wegen niet langer op tegen de goedkope draperieën die overal lokaal worden geproduceerd. Er is wel nog vraag naar 'ghesmoutte' kwaliteitsvolle draperie. Wat kunnen ze in Poperinge anders doen dan die internationale tendensen te volgen?

 

De namaak vanuit de perifere dorpen en kleinere steden zal dus wel pijn doen aan de drie grote Vlaamse steden. Ook zij hebben noodgedwongen het segment van de goedkope lakens moeten verlaten en hebben resoluut de weg van de dure en exclusieve textielproducten gekozen. Gent, Brugge en Ieper streven elk op zich naar hun eigen specifieke kwaliteitsproducten die allemaal van elkaar verschillen. De types wol, de weefstructuur, afmetingen, productiekwaliteit, afwerking, kleur, stijl en raffinement verschillen van stad tot stad. De merknamen van die tijd zijn lakenloodjes en stadszegels die aangeven dat de producten origineel, authentiek en van hoge kwaliteit zijn.

 

Dank zij die labeling en differentiatie slagen ze er in om zelf hun prijs in de markt te bepalen zodat ze ten minste de transactiekosten van de internationale handel kunnen doorrekenen. Vergelijk het gewoon met de prijssetting van een bedrijf als Apple die zijn iPad toestellen helemaal niet wil positioneren in het bos van de goedkope toestellen. Poperinge en Langemark spelen het spel vernuftig door hun producten te spiegelen aan de iPad en door die in de markt te brengen aan prijzen die enkel wat lager uitvallen dan de originele merkproducten.

 

In 1322 sterft Robrecht van Bethune en komt zijn 18-jarige kleinzoon Lodewijk van Nevers aan het roer in Vlaanderen. Die opvolging is niet naar de zin van zijn oom Robrecht van Cassel, maar de jonge graaf koopt eigenlijk zijn titel door verregaande beloftes te doen aan de grote Vlaamse steden, die hem in ruil steunen als nieuwe graaf. De beloning voor Ieper is navenant. Ze krijgen het recht dat niemand nog kan aanmeren op de oevers van de Ijzer of van de Ieperlee zonder de toestemming van de graaf en dat er vanaf dat moment enkel nog koopwaar kan geladen en gelost worden in de haven van Ieper.

 

De grote steden krijgen daarnaast nog verregaande privileges om economische controle uit te oefenen op hun hinterland. Hier halen Brugge, Gent en Ieper hun slag thuis in hun lang aanslepend dispuut dat er vooral op gericht is om hun eigen stedelijke nijverheid te beschermen en om de concurrentie met de omliggende stadjes teniet te doen. Dat één en ander delicaat is, bewijst de volksopstand in Ieper, de Kokerulle van 1280, waar Poperingse wevers en hun collega's uit de Westhoek op de kar van enkele Ieperse ontevredenen sprongen om in Ieper grote verwoestingen aan te richten.

 

Dank zij die nieuwe keure krijgen de Ieperse gilden nu de mogelijkheid om die voorheen moeilijk aan banden te leggen randindustrie, onder de knoet te krijgen. De vaak gegoede poorters van Ieper, Brugge en Gent bezitten al decennia de macht van het geld. Dat staat in schril contrast met de opeenvolgende graven Gwijde en Robrecht die met hun decadent leven en hun oorlogszucht altijd op zwart zaad kwamen te zitten en dus aanklopten bij de rijke burgerij om financiële steun en manschappen in ruil voor nieuwe voorrechten. De deal met Lodewijk van Nevers breit gewoonweg een vervolg aan die praktijken.

 

Het machtsimperialisme van de grote steden, in casu dat van Ieper, is natuurlijk het rechtstreeks gevolg van die financiële sterkte en de grootschaligheid van de stad. Wie niet van Ieper is, zal gaandeweg en meer en meer naar de pijpen moeten dansen voor het grote geld van de steenrijke burgerij. Het lijkt dus een uitgemaakte zaak dat de bevolking van Poperinge, Langemark en alle anderen die situatie fundamenteel oneerlijk vinden en er tegen in het verzet komen. Kan je hen ongelijk geven?

 

De nieuwe Vlaamse graaf kiest dus opnieuw resoluut voor de bescherming van de textielindustrie van zijn drie grote steden. De grafelijke baljuw en de magistraat van elke stad moeten er op toezien dat zijn wensen worden gerespecteerd. Ieper krijgt zijn lakenprivilege op 28 oktober van het jaar 1322. De druk van de wevers en volders op de magistraat werpt zijn vruchten af. De concurrentie met de 'smalle' steden en het platteland kan voortaan door Ieper zelf gefnuikt worden. De graaf kiest partij voor de stadsdraperie en tegen de ontwikkelende plattelandsdraperie.

 

Het Ieperse privilege vermeldt maar al te duidelijk dat er een halt moet toegeroepen worden aan de productie van slechte en vervalste lakens. Binnen een omtrek van zowat 18 km rond de stad (de driemijlszone) mogen voortaan geen lakens meer geproduceerd worden. Wie lakens weeft, spint, volt of verft krijgt een boete van 50 pond. Alle produceerde lakens worden aangeslagen en verdeeld. De graaf is de meest begunstigde, want hij gaat er met de helft van de opbrengsten van door.

 

Op vraag van het Ieperse stadsbestuur, verzoekt Lodewijk van Nevers de baljuw om mogelijke overtredingen op te sporen en inspecties uit te voeren. Het is de baljuw die instaat voor de confiscatie van de weefgetouwen, de spinnewielen en de volderskuipen. Hij legt de boetes op. Opvallend is de mogelijkheid van de drie grote steden om bij weigering van hun eigen baljuw, desnoods zelf controles te mogen uitvoeren.

 

Brugge, Gent en Ieper zijn beste maatjes en verlenen elkaar hand- en spandiensten om de inspecties steeds gezamenlijk te laten doorgaan. Er komen al vlug barsten in het huwelijk van de nieuwe graaf met de uitgekookte steden. De aan het Franse hof opgevoede Lodewijk van Nevers is een marionet van de Franse koning die er alles aan zal doen om zo veel mogelijk te profiteren van zijn Vlaams leengebied en elke oppositie of mogelijk militaire opbouw die zich in Vlaanderen potentieel kan voordoen, in de kiem te smoren. Hoe hard de steden bijvoorbeeld ook smeken om hun recent aangelegde versterkingen te mogen behouden, het is allemaal niet van tel voor de koning: in 1323 komt Lodewijk van Nevers met de dwingende opdracht voor onverbiddelijke afbraak.

 

Hele groepen Leliaards die al jaren persona non grata waren bij de Vlamingen, worden door de graaf opnieuw welkom geheten. De taksen en de opgelegde herstelbetalingen van de voorbije oorlogen worden opnieuw van kracht. De hele rebellie van Zannekin, Janszone en de Westhoek is niet veraf te zoeken. De oplaaiende opstanden en de periodes van onderhandelingen gaan crescendo. De verhalen van Robrecht van Cassel en Zannekin getuigen hiervan op andere plekken in de kronieken van de Westhoek.

 

Ieper staat op de wip. Het stadsbestuur probeert wat het kan om aan de kant van de graaf te blijven, maar veel ambachtslieden hebben het zo niet bekeken. Een groot deel van de Ieperlingen heult mee met de opstandelingen van het Brugse Vrije. Het grafelijk antwoord is kort en bondig: Ieper mag zijn speciale privileges op de buik schrijven. Als de Ieperlingen in januari-februari 1325 de graaf een financiële tussenkomst verlenen van 2.200 pond en hun steun beloven om met hem te strijden tegen de opstandelingen, slagen ze er in de belangrijke oorkonde terug te winnen.

 

De jaren 20 betekenen hoe dan ook een erg woelige periode voor de Westhoek. Economische oorlogen tussen de regio's en de steden in Vlaanderen worden even op het zijplan geschoven. De Poperingenaars worden met rust gelaten door de rijke burgerij die momenteel de touwtjes in handen houdt in buurstad Ieper. Later, in 1373, zullen die van Poperinge met heimwee verwijzen naar die periode waarbij ze 'in goeden paise bi der stede van Ypre paisivel haer brood vinnende met alsuiker draperie als hem alsierde te makene, zonder enighe exceptie, ende elc sijn coopmansceep tote andren halende paisivelike ende rustelike.'

 

De weerstand van Zannekin en zijn kerels is veel groter dan verwacht. Het gewone volk is de situatie zo spuugzat dat de heersende graafsgezinde burgerij buiten gebonjourd wordt in zowat alle steden en dorpen die Vlaanderen rijk is. Zannekin houdt grote kuis in Poperinge, Cassel en Belle en wordt een tijd later door het Ieperse gemeen als grote bevrijder binnengehaald nadat ze eigenhandig de patriciërs uit de stad hebben verjaagd. De ambachtslieden beginnen onmiddellijk met de heropbouw van de 'Uterste Veste' die op bevel van de Franse koning sinds 1316 was afgebroken.

 

Terwijl het steekspel tussen Zannekin en kandidaat-graaf Robrecht van Cassel onverminderd verder gezet wordt, proberen de ambachten hun textielhandel draaiende te houden. Een Ieperse bode vertrekt naar verscheidene Duitse steden om de zakenpartners gerust te stellen over de onlusten en proberen ze aan te zetten om naar de stad terug te keren en de zakelijke activiteiten verder te zetten. Zo wordt Pieron Halle op 6 juli 1325 uitbetaald voor zijn trip naar Lendit.

 

De opstandelingenbesturen van Poperinge en Ieper blijven in die periode in nauw contact met elkaar. Eventuele strubbelingen tussen Poperinge en Ieper verdwijnen naar de achtergrond in de herfst van datzelfde jaar, naarmate de dreiging van een Franse inval groter wordt. Het jaar 1326 kan beschouwd worden als een overgangsjaar met als hoogtepunt de vrede van Arques die de Ieperlingen onder andere twee jaar uitstel verleent om hun vestingen af te breken.

 

Tijdens de eerste voorjaarsdagen van 1326 organiseren de Ieperlingen een raid op de 'kaardtoestelen'. Controleur Jan Christiene, vergezeld van Willem van der Heule, Roelant Abrame en hun gezellen 'voeren in de dorpe omme de carden'. Het kaarden, een soort kammen van de warrige wol, is een stap in het productieproces van de wol die het gemakkelijk maakt om de wol achteraf te spinnen. Het kaarden is in die periode een innovatie die het mogelijk maakt om wol van diverse soorten te vermengen en die te camoufleren tot één homogeen product.

 

De grote steden zweren op hun ambachtelijk productiemethodes met enkel de topkwaliteitswol van Engelse herkomst. Het gebruik van kaardapparaten is in Ieper, Gent en Brugge dan ook zeer streng gereglementeerd om elke insinuatie te voorkomen dat er toegevingen gedaan worden aan de kwaliteit.

 

Op het platteland hebben ze allemaal geen boodschap aan die Ieperse kwaliteitsstandaarden. Ze vermengen zonder probleem Vlaamse, Schotse, Engelse en Spaanse wol. Ze generen zich trouwens niet om de gekaarde wol aan de man te brengen in Ieper zelf. Het is een praktijk waar de Ieperse ambachten van huiveren. De import van gekaarde wol wordt vanzelfsprekend verboden. Zowel in Gent, Brugge als Ieper wordt niet getolereerd dat de inwoners van te lande zich inlaten met het kaarden.

 

De expedities van 1 maart en van 12 april zijn er op gericht om het kaarden te stoppen. De kaardapparaten en de gekaarde goederen worden in beslag genomen. De opdracht voor de raids komt van de deken van de volders die hiervoor geld krijgt uit de stadskas. Rond 3 mei 1326 grijpen de Ieperlingen nog eens in te Watene waar alle textiel en toebehoren in beslag wordt genomen. Tussen Ieper en Poperinge zijn de relaties nog steeds goed te noemen. De rebellie tegen de Fransen sluimert onderhuids en verbindt ongewild het lot van de steden.

 

Er is sprake van wederzijdse bezoeken met de uitwisseling van wijn als geschenken. Ook met de andere omliggende steden blijven de goede relaties onderhouden. Vooral met Sint-Winoksbergen zijn er regelmatig contacten. De afwezigheid van de graaf werkt de wetteloosheid in de hand. In 1326 heeft de plattelandsbevolking geen last van grafelijke inmenging of controle. Alleen de sterksten hebben het nu voor het zeggen. De economische keure die Lodewijk van Nevers aan Ieper heeft toegestaan, laat de ambachten de mogelijkheid om bij weigering of afwezigheid van de grafelijke baljuw, zelf de controle uit te voeren.

 

De wolmisbruiken op het platteland lopen zodanig de spuigaten uit dat de gezworenen en de schepenen van Ieper besluiten om gebruik te maken van hun rechten. Vooral schepen Willem van Moorslede gaat zich gaandeweg opwerpen als absolute hoofdman van de ambachten. Met het excuus van een grondige aversie tegen alles wat graafsgezind is en dank zij de komst van Zannekin, houdt de Fransgezinde burgerij zich op de achtergrond in Ieper en laat het bestuur noodgedwongen over aan de ambachten. Willem van Moorslede houdt natuurlijk een schizofrene houding aan. Aan de ene kant beroept hij zich op de keure die ze kregen van zijn aartsvijand Lodewijk van Nevers en anderzijds eisen ze alle rechten om zelf de uitvoerders te zijn van die voorrechten.

 

De dubbele agenda van Willem van Moorslede is eigenaardig. Enerzijds maakt hij de koppen van zijn eigen volk en van de gewone mensen opstandig tegen alles wat graaf en Frans is en anderzijds misbruikt hij zijn machtspositie in eigen stad om op te treden tegen mensen op het platteland en de 'smalle' steden die eigenlijk aan zijn kant zouden moeten staan, maar die wel door hem opgejaagd worden wegens zogezegde oneerlijke concurrentie. Wat er zich het volgende jaar gaat afspelen, dient dus best allemaal in die context bekeken te worden.

 

De ambachten hebben de macht gegrepen in de republiek Ieper en gaan die voornamelijk gebruiken als protectionistisch wapen. Hun collega's in Poperinge zijn geen gelijkgezinden maar vijanden! Het opjagen van de buitengebieden wordt snel zichtbaar. Rond 9 augustus 1326 trekken de Ieperse raadsheren en schepenen Jacobe van der Marct, Willem Doidine, Janne van den Clite, Martin den Rasschere, Jacob Willaye en meester Janne der Boerleken vergezeld van 45 man uit alle ambachten naar ter Gorghele (La Gorgue), een dorp aan de Leie, in het achterland van Belle en Hazebrouck.

 

Een week later krijgt Belle zelf het bezoek van de opperbaljuw en 20 man. Belle en zijn omliggende dorpen kennen al eeuwen een intensieve lakennijverheid en bezorgen de Ieperlingen mogelijk oneerlijke concurrentie. Ook Wervik krijgt inspectie van de Ieperse schepenen. Onze Willem van Moorslede is er ook van de partij. Samen met Janne den Hont en Christian Cornelise in het gezelschap van 50 ruiters.

 

Eigenlijk is de term inspectie een soort 'understatement'. Het konvooi bestaat uit 22 paarden die 7 met wapens gevulde karren met zich meetrekken. Overal wordt gezocht naar ambachtslieden die het niet al te nauw nemen met de reglementen en de voorschriften die Ieper hen oplegt. De Ieperse stadsrekeningen geven verhelderende details over de raid naar Wervik. Op 6 september 1326 wordt Willem Witbroode vergoed voor een 'zelscote', een soort automatische pijlenschieter, die geplet werd onder de wielen van een van de wagens.

 

De weg van Ieper naar Wervik loopt via het heuvelachtige Zandvoorde, waar halt gehouden wordt. '2 trompers ende een horenblasere, van trompene te Zantvoorde met de ghemenen van der steide'. Eind september 1326 bereiken de drieste Ieperlingen de Leie. In Komen steken ze de Leie over. Ze schrikken er niet voor terug om iemand te doden. Op het grondgebied van Rijsel wordt een zekere Jacques Scabaille ontvoerd en onthoofd. Hun tocht naar Wervik, naar Gorghele en naar Belle gaat ongetwijfeld overal gepaard met brandstichting en met verwoestingen.

 

Met het korten van de dagen verdwijnen de vergeldingstochten wat uit beeld. Buiten een inspectiebezoek van de Ieperse schepenen Jacob van Zillebeke en Willem Noidine aan Langemark, januari 1327, is er weinig geweten. Het elastiekje tussen de opstandelingen en de graafsgezinden wordt ondertussen altijd maar slapper. De mensen in de buitengebieden begrijpen niet dat ze slachtoffers worden van hun Ieperse broeders. Ze zijn toch met zijn allen tegen de Franse repressie? De partijen beschuldigen elkaar van kwade trouw en het breken van beloftes.

 

Met een burgeroorlog in zicht probeert de graaf opnieuw aan de kant te komen van het gewone volk van de buitengebieden. De van de macht verdreven Ieperse patriciërs proberen in het voorjaar van 1327 de graaf te ondersteunen door hem een lening te verschaffen van 800 pond. Maar Willem van Moorslede blijft zeer alert. Tussen 7 februari en 7 maart 1327 worden zowat elke week schepenen, klerken en afgezanten naar Poperinge gestuurd. In de week van 7 maart komt er een nieuwe expeditie naar Langemark.

 

Clais Folkier, Vromoud de Hane, Meus van Paskendale, Gillis Willay, Casin Bollard en 14 knapen reizen met de baljuw en 2 bodes naar Langemark. De volgende maanden is de situatie in de Westhoek gewoonweg chaotisch. De strijd die de ambachten voeren om hun textielhandel te vrijwaren van vermeende oneerlijke concurrentie loopt kras doorheen de gewelddadige meningsverschillen tussen het landvolk, de ambachtslieden, de kerels van de Westhoek en de aanhang van de steenrijke burgerij van het belangrijke Ieper.

 

De Ieperse stadsrekeningen en een reeks oorkonden weerspiegelen die chaotische gebeurtenissen van maart en april 1327. Ze doen dat haarscherp. De graaf is in maart op bezoek in Poperinge waar hij het bezoek krijgt van onder andere 6 Ieperse minstrelen. Niet alleen Poperinge wordt geviseerd, ook de dorpen van het hinterland worden in de gaten gehouden. Op 11 april wordt Hannin Folcarde naar Lo en naar Roesbrugge gestuurd, twee dorpen in de kasselrij Veurne.

 

Lo bevindt zich nog net binnen het Ieperse territorium. Roesbrugge is op 20 km van Ieper gelegen, en valt in theorie buiten de 18km-zone. Maar Willem van Moorslede ziet dat blijkbaar allemaal als één pot nat. De graaf is ondertussen vertrokken uit Poperinge. Die van Ieper hebben blijkbaar gewacht tot na zijn vertrek om actie te ondernemen, want een 'poursuiwant' houdt het doen en laten van Lodewijk nauwkeurig in de gaten. In week van 11 tot 18 april, de graaf 'zelve uten lande wezende', is de tijd rijp om militair in te grijpen in Poperinge.

 

Ieperse timmerlieden, delvers en houwers, beschermd door gewapende militieleden, trekken naar Poperinge en sleuren steenwerpers en tonnen gevuld met pijlen, stenen, ballen en loden kogels met zich mee. Die steenwerpers, grote kruisboogmachines op wielen, noemen ze in die tijd springalen. Vier trompetters zijn van de partij. De militaire interventie van de Ieperlingen in Poperinge duurt zowat één week. De stadsrekeningen hebben het achteraf duidelijk over het terugbrengen van het materiaal in eigen stad en over de financiële kosten van de ingreep.

 

In diezelfde week vallen de diplomatieke inspanningen op die Willem van Moorslede aangaat met die van Reningelst, Wervik, Noordschote, Voormezele, Mesen, Waasten, Armentières en Halewijn. Ook met de rebellenleider Jacob Peyt is er contact. De tabloids van die dagen vertellen het; ' alle de tijt dat der France Belle ende der Lambrecht Belle ende de goede van der stede van Ypre te beleedene adden; nemaer, als Willem van Morslede, Lamin van der Straet ende andre quadyen, haerlieder hulpers, de goede van der stede van Ypre verdreven adden, onsen geduchten prince daer God de ziele of hebben moete zelve uten lande wezende, so quamen die van Ypre te Poperinghe met hercrachten om de cause van der draperie in jaer XXVII, verbrandden ende versloughen vele goeder lieden van Poperinghe.'

 

De strijd tussen de 'goeden' en de 'kwaden' is er dus effectief één van de graafsgezinde rijke burgerij met de familie Belle als boegbeeld (die lening van 800 pond zal dus wel uit die richting gekomen zijn) en de gewone ambachten onder leiding van Willem van Moorslede en Lamin van der Straet. De oude tabloids kiezen duidelijk voor de goeden, maar vergeten er toch wel bij te vermelden dat de militaire actie georganiseerd werd vanuit het Ieperse stadhuis en dat alle vergoedingen uit de stadskas werden betaald. Hiervan getuigen de stadsrekeningen tot in de kleinste details.

 

Inderdaad haarscherp. Eind april willen de schepenen van Brugge poolshoogte nemen van de situatie in Poperinge. Het kamp van de Ieperlingen is vermoedelijk opgeslagen tussen Vlamertinge en Poperinge want de Brugse schepenen krijgen hulp van een Ieperse bode die hen de weg naar Poperinge via Elverdinge aanwijst, en dus de regio van Vlamertinge vermijdt.

 

Met het stadsbestuur van Belle is er die dagen overleg om er de illegale lakenhandel stil te leggen. Tussen 2 en 9 mei 1327 reist controleur Jan Famelse naar een hele reeks dorpjes in de Kasselrij om te verifiëren of er een of andere lakenproductie aan de gang is die ingaat tegen het lakenverbod. Vooral de streek rond Poperinge en Proven wordt sterk in de gaten gehouden door 93 sergeanten en hun manschappen. Het loopt niet zo maar van een leien dakje in de streek van Belle-Ambacht, in Belle, Nieuwkerke, Niepkerke en Steenwerk.

 

De vreemde mengeling van belangen allemaal gedekt onder de lading van een intense haat tegen de Franskiljons, is in realiteit een door de Ieperlingen georkestreerde zuivering. Aan de ene kant vragen ze aan Robrecht van Cassel een einde te stellen aan de rebellie in zijn leengebieden terwijl ze aan de andere kant er alles aan doen om die in stand te houden. Het lijkt er sterk op dat de Ieperlingen er rond 10 mei in geslaagd zijn om in heel Ieper-Ambacht het lakenverbod te doen opleggen. Nu focussen ze zich meer op het Westland. De streek van Sint-Winoksbergen, Veurne, Duinkerke, Grevelingen en nog steeds Belle en Cassel. Ook Oost-Ieper-Ambacht, met onder andere Moorslede, wordt aangepakt.

 

Het viel te verwachten. Zowel die van Poperinge als die van Langemark, dienen een officiële klacht in bij de graaf van Vlaanderen. Op 29 mei 1327 dagvaardt Lodewijk van Nevers de Ieperlingen wegens hun brutale en niet gepermitteerde optreden. De Ieperlingen hebben de bezittingen van de abt van de Sint-Bertinusabdij aangevallen en er grote schade aangebracht. Dat ligt echt delicaat want heel de regio van Poperinge is van oudsher eigendom van de abdij van St.-Omer. Ze hebben in hun euvele overmoed kerkelijk goed belaagd en beschadigd.

 

De abt is woedend en wil gerechtigheid. In zijn ogen is dat natuurlijk een kerkelijke straf. Heel de stad Ieper heeft het verdrag van Arques geschonden en dat geeft hem de autoriteit om de kerkelijke hiërarchie aan te sporen om het interdict en de excommunicatie van Ieper uit te spreken. De 'herevaart' tegen Poperinge zorgt voor een bittere nasmaak bij de Ieperlingen. De Ieperse magistraat weert zich als een duivel in een wijwatervat. 'De actie tegen Poperinge was er een van enkele individuen waar de schepenen en het stadsbestuur niets mee te maken hadden. Ieper kan toch niet gestraft worden voor de uitspattingen van enkele woestelingen?

 

Ieper wenst niets liever dan in vrede te leven met zijn buren.' De Ieperse kant van de medaille vertelt een ander verhaal. Brugge en Ieper zijn tussengekomen om rust te brengen in een intern conflict tussen het stadsbestuur en de inwoners van Poperinge. Maar de Ieperse onderhandelaars werden bruut verjaagd door de erg beledigende en gewelddadige Poperingenaars die hen schandelijk behandelden.

 

De bloedwraak en de vetes tussen de clans zijn natuurlijk sinds de gedenkwaardige Kokerulle van 1280 nog altijd viriel aanwezig in de Poperingse keikoppen. De Ieperlingen zijn woedend en briesend teruggekeerd naar hun stad en hebben hun vrienden en familie opgetrommeld om op te trekken tegen die van Poperinge. Zo kwam het tot een zwaar gevecht tussen de Poperingenaars en de Ieperlingen waarbij langs beide zijden verschillende doden te betreuren vielen.

 

De schepenen verdedigen zich en beweren dat de twisten er waren van burgers onderling en dat die in de verste verte niets maken hebben met een aanval van Ieper op Poperinge. Dat van die 'verste verte niets te maken te hebben met die aanval' is natuurlijk flauwe zever. Het stadsbestuur kan misschien wel de kerkelijke gezagsdragers om de tuin leiden. Maar de geschiedenis heeft ook zijn rechten. De stadsrekeningen vermelden tot in de kleinste details de gruwelijke werkelijkheid dat de Ieperse magistraat en het schepencollege actief meededen met die rellen.

 

Sterker nog: ze hadden de leiding er over. Het papier is duidelijk. Het verhaal van de zogezegde vredesmissie, gevolgd door de beledigingen van de Poperingenaars en de represaillemaatregelen van die van Ieper is een flagrante leugen. De militaire actie op Poperinge was integendeel tot in de kleinste details voorbereid. De herevaart werd eigenhandig gefinancierd door het stadhuis. Het conflict zal wel gedraaid hebben om de terugkeer van enkele Poperingse Leliaards in hun stad die het aan de stok kregen met het schepencollege dat net zoals in Ieper uit ambachtslieden bestond. Wilden die van Brugge en Ieper niet dat de graafsgezinden weer aan de macht zouden komen in Poperinge?

 

De terugkeer van de graafsgezinden bezorgt de ambachten van Ieper natuurlijk een perfect alibi om schoon schip te maken in Poperinge. De textielinspecties van de voorbije jaren op het platteland konden tot nog toe niet echt uitgevoerd worden in Poperinge en Langemark omdat die vermoedelijk zelf over één of ander eigen grafelijk privilege beschikten waardoor Ieper niet zomaar kon ingrijpen. Het is daarom perfect duidelijk dat de goed geplande aanval op Poperinge er een was 'omme de cause van der draperie' en enkel te maken had met de concurrentie die de Poperingse lakennijverheid aandeed aan het Ieperse lakenmonopolie.

 

De actie tegen de Poperingse Leliaards was er een van de grote steden Brugge en Ieper. Het beschermen van het eigen industrieel systeem was een zuivere Ieperse aangelegenheid. Het zal wel geen toeval geweest zijn dat de Brugse schepenen pas in de nasleep van de grote Ieperse aanval en dan nog via Elverdinge naar Poperinge moesten trekken. Vermoedelijk wilden die van Ieper hun troepenmacht tussen Vlamertinge en Poperinge wat uit het zicht houden van de Bruggelingen om zich nu voortaan weer voor te doen als medebehoeders van alle Vlamingen in hun strijd tegen de Franse repressie.

 

Einde mei 1327 beklagen Poperinge en Langemark zich bij de graaf over de repressie van de Ieperlingen. In een oorkonde van 29 mei dagvaardt Lodewijk van Nevers de Ieperlingen om voor hem te verschijnen op dinsdag 2 juni te Oudenaarde. Hij herinnert de Ieperlingen er aan dat de stad Poperinge en zijn inwoners onder bescherming staan door oude privileges die door zijn voorgangers en hijzelf werden toegekend.

 

Hij verbiedt de Ieperlingen om nog verdere aanvallen uit te voeren. Eventuele opmerkingen of zure oprispingen dienen besproken te worden de 2de juni te Oudenaarde en nergens anders. De inwoners van Langemark baseren hun recht om lakens te produceren op een privilege dat ze van gravin Margaretha (1244-1280) hebben gekregen en waar Gwijde van Dampierre nog eens naar gerefereerd heeft op 30 april 1296.

 

Op 8 juni 1327 krijgen de Langemarknaars het gelijk aan hun kant wanneer graaf Lodewijk hun privileges bevestigt. De Ieperse voorrechten om de lakenproductie in hun achtertuin te controleren, mogen voortaan niet meer in Langemark, gezien dat een 'franque ville de loy' is. De zaak van Poperinge wordt los behandeld van die van Langemark. De Ieperlingen moeten nogal wat op de kerfstok hebben, want de Poperingse aangelegenheid is slechts de 10de aanklacht voor de Ieperlingen. Eerst worden een hele reeks nauwkeurig omschreven overtredingen van de bepalingen van het verdrag van Arques behandeld.

 

In die bewuste tiende aanklacht worden de Ieperlingen aangeklaagd omdat ze gewapend, met of zonder banieren, zouden zijn uitgereden en 'festes' zouden gehouden hebben in gebieden waar ze geen jurisdictie hadden. De graaf verwijst naar de talrijke militaire expedities en inspecties in de periode van januari tot mei 1327. Ze werden allemaal georganiseerd ver buiten het Ieperse rechtsgebied. Langemark, Poperinge, Belle-Ambacht, Wervik, La Gorgue. Wat hadden de Ieperlingen te zoeken aan de Leie?

 

De graaf verwijt de Ieperlingen dat ze de grafelijke banier van Poperinge meegenomen hebben en dat ze 'goede lieden' die onder zijn bescherming stonden, hebben vermoord. De grafelijke rechtzaak tegen de Ieperlingen sleept zowat de hele zomer van 1327 aan. De Ieperling Danel Pauline vertegenwoordigt zijn schepenen zo goed en kwaad als het kan. Telkens opnieuw moet hij zorgen voor vrijgeleides voor zijn schepenen zodat ze niet kunnen gearresteerd worden als ze zich op grafelijk territorium begeven.

 

De graaf zelf blijft natuurlijk kop van jut voor de Zannekins opstandelingen. Opvallend toch hoe Ieper in de periode dat het zich moet verantwoorden bij de graaf, eigenlijk de contacten met Sint-Winoksbergen, Veurne en Veurne-Ambacht opdrijft. In dit gebied heeft de graaf geen jurisdictie. Is Ieper van plan om zijn invloed uit te breiden tot diep in het Westland? Het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: hoe meer Zannekin en Peyt Ieper kunnen losweken van het grafelijk gezag, hoe liever hij het zal hebben!

 

Wat er ook van zij: einde augustus is graaf Lodewijk van Nevers opnieuw verdwenen naar zijn heimat Frankrijk. De opstand van Zannekin en Peyt en het gewone volk gaat in die periode ononderbroken verder. En die van Ieper houden zich allerminst afzijdig. Proces of geen proces: de Ieperlingen stellen zich ten dienste van de militaire expedities. In de week van 13 juni worden milities naar Kortrijk en naar het dorpje Langewade gestuurd. Overal in de Kasselrij worden wagens opgevorderd die tijdens de expedities kunnen gebruikt worden voor het vervoer van de wapenuitrusting.

 

Alles speelt zich af in de context van een 'herevaart' naar Diksmuide waar de volksmacht van Nikolaas Zannekin en Jacob Peyt het opneemt tegen het grafelijk leger en waar de Ieperlingen zich tussen 25 juli en 26 september in die strijd mengen. Opstandelingenleider Jacob Peyt zal in die periode trouwens worden vermoord door Veurnse oproerkraaiers. Het najaar van 1327 zorgt voor een adempauze in de gevechten. Peyt is wat te brutaal en gewelddadig geweest en heeft ongetwijfeld een deel van de stedelijke achterban bang gemaakt.

 

Het officiële Ieper aarzelt om zich nog verder te vereenzelvigen met de opstandelingen. Het is nog maar eens een bewijs hoe delicaat het evenwicht tussen de rijke burgerij en de ambachten moet zijn in het stadsbestuur, hoe slap het touw moet zijn om te besturen en hoe moeilijk het wel moet zijn om maatregelen te nemen. Want nu lijken de patriciërs weer aan het langste zeel te trekken.

 

Er is opnieuw sprake van een reeks inspecties in het Poperingse. Het valt in elk geval op dat de Ieperlingen in de winter van 1328 zelf het initiatief nemen om te onderhandelen met de graaf die zich nog steeds in Nevers bevindt. Er lijkt een toenadering tot stand te komen. Vooral nu Lodewijk beslist om in februari 1328 terug te keren naar Vlaanderen. In Brugge grijpen de radicale elementen het bestuur in handen, Willem de Deken roept zichzelf (na de dood van de Franse koning Karel de Schone op 1 februari 1328) uit als 'koning van Frankrijk' en dat alleen al is voldoende om het delicate evenwicht in Ieper weer te doen omslaan in de andere richting.

 

Tijdens de lente van 1328 verhevigt de opstand in Vlaanderen opnieuw. 'Graaf en patriciërs buiten, ambachten binnen'; zo kan je het Ieperse stadsbestuur kernachtig samenvatten. Valt het te verwonderen dat er weer een militaire expeditie plaatsvindt tegen de lakennijverheid van Langemark? De landelijke lakennijverheid van Langemark is inderdaad weer kop van jut bij de Ieperse textielgilde. In de eerste week van maart 1328 wordt er op een avond een spoedvergadering gehouden door de Ieperse schepenen na de terugkeer van een delegatie die op inspectietocht geweest is in Langemark. (os me cam van Langemarc).

 

Blijkbaar zijn ze ter plekke op grote onregelmatigheden gestoten. In de week van 12 maart worden de ambachtslieden van heel Ieper-Ambacht opgeroepen om op te trekken met de herevaart tegen die van Langemark. Donderdag 17 maart 1328. De Ieperse milities vertrekken richting Langemark. Het legertje wordt bijgestaan door schepen Willem van Nieuwkerke, Martin en Jacob de Rasschere en Jan Gherboude. Ze worden begeleid door enkele knapen en in het bezit van 8 paarden. De beul (en dat zegt alles over de toon van de Ieperse ingreep) en tien van zijn knechten bevinden zich dan al ter plaatse. Net zoals een trompetter die blaast 'in de vaerd van Langhemaerc'.

 

De dekens van de volders en van de wevers trekken mee met de milities en worden achteraf vergoed om dat ze in Langemark spinnewielen hebben laten vernietigen. Het spinnewiel komt voor de Ieperlingen over als 'heiligschennis' op hun ambachtelijke textielcultuur. Het legertje van de Ieperlingen is trouwens een flink uit de kluiten gewassen militie. 40 timmerlieden, 17 mannen met lange bijlen, 94 boogschutters onder leiding van 5 sergeanten. 26 paarden vervoeren acht wagens vol met munitie en andere bagage naar het overspelige Langemark. De Ieperlingen slaan er alles kort en klein wat ze op hun weg vinden.

 

Maar er zijn nieuwe tijden op komst. Er meldt zich een krachtige verandering van dynastie aan in Frankrijk. De zwakke zonen van het geslacht Capet zullen worden vervangen door de oerdegelijke Valois-dynastie. Het speelt zich allemaal af in april en mei van dat jaar 1328 en het scenario wordt afgerond met de kroning van de nieuwe Filips van Valois op 29 mei. Ieper ziet de bui al hangen en concentreert zich op een te verwachten aanval vanuit Franse zijde.

 

Springalen, stoelbogen, pezen, geschut en bewaking worden ingezet ten zuidoosten van de Leie, ter hoogte van Poperinge en aan de Leiebrug (ten passe) te Komen. De Ieperse poorten worden met extra schutters versterkt en ook in Dikkebus worden 39 schutters gepositioneerd. Maar ook in deze onzekere periode wordt er verder gewerkt aan de vernietiging van de lakennijverheid in het omringende platteland. 60 boogschutters onder leiding van hun hoofdman Lambrecht Aldemare trekken met de schepenen Willem Noidin en Willem van Scoten voor zes dagen naar Mesen, 'in de vaert van Messine'. De hele week werkt een team van timmerlieden vermoedelijk aan de vernietiging van de illegale Mesense spinnewielen en weefgetouwen.

 

Einde mei is het blijkbaar opnieuw nodig om het dekselse Poperinge weer tot de orde te roepen. Er is weer gestart met een illegale lakenproductie en dat schiet in het verkeerde keelgat bij de Ieperse ambachtslieden. Een nieuwe tweedaagse heervaart wordt uitgevoerd door de schepenen Jacob Willaye en Hendrik van Steenvoorde, bijgestaan door de magistraten Jan Zonne en Jan van Veurne. De Ieperse milities trekken op onder leiding van Lambrecht Ademare, Willem van Poezele, Lambrecht Saywijn en Jacob de Rasschere. Ook de Ieperse beul is weer van de partij. Veelbetekenend. De strafexpeditie telt onder andere 96 boogschutters en hun schilddragers. De Poperingse ambachtslieden zullen nog maar eens verweesd achterblijven met een flink aangetaste broodwinning.

 

De Franse inval komt in juni 1328 plots erg dichtbij. Opeens acteert Ieper weer poeslief tegen de inwoners van het platteland. Op 18 juni ontvangen de 28 parochies elk een brief waarbij opgeroepen worden om zich aan te bieden als strijder tegen de op komst zijnde Franse legers. De schepenen van het omliggende Westland, Belle, Sint-Winoksbergen en anderen worden vergast op kruiken van de beste wijn. Tijdens de zomer wordt Poperinge nog eens op zijn plaats gezet voor illegale weefpraktijken.

 

Op 13 augustus 1328 wordt Janne den Boom naar Vlamertinge en Reningelst gestuurd. De herevaart tegen Poperinge van einde juli, begin augustus botst er op hevig lokaal verzet. Er moeten zelfs drie Ieperse grafdelvers ter plekke gestuurd worden voor het begraven van de doden. Vaandelverlies, nieuw oorlogsmateriaal, extra wapenuitrustingen bewijzen dat er hevig gevochten wordt. Ook in Dikkebus hebben de Ieperse timmerlieden hun handen vol met de vernietiging van ongeoorloofde textielmachines.

 

Maar de zwanenzang van de Ieperlingen is ingezet. En ook die van de Westhoek zullen hun rebellie zwaar bekopen. De Fransen verslaan Zannekin en de zijnen op de Casselberg op 27 augustus. Er breekt een nooitgeziene repressie los. De Vlaamse edelen en de patriciërs zijn terug en nemen hun eigendommen weer in bezit. Alle privileges worden in beslag genomen. Het regent straffen en executies. Ieper onderwerpt zich te Wijtschate aan Filips van Valois. We zijn begin september van het jaar 1328. 500 wevers en 500 volders uit Ieper worden voor drie jaar naar Frankrijk verbannen. Later blijken ze in totaal met 814 te zijn. De rest moet verschijnen voor de Ieperse schepenen en krijgen hun respectieve straffen van het eigen stadsbestuur opgelegd.

 

300 gijzelaars worden overgebracht naar St.-Quentin en Péronne, over de Somme. Het blijken vooral stadspensionarissen die zich hebben ingelaten met het regime van de opstandelingen. De onderhandelingen met de graaf tijdens de herfst gebeuren onder een moeizaam gesternte. De radicale elementen worden in ieder geval uit het stadsbestuur geweerd en worden vervangen door patriciërs. De opgelegde afbraak van de buitenvesten start rond 6 mei 1329. Tegen die tijd heeft het Ieperse schepencollege zich helemaal verzoend met de graaf en de Franse koning.

 

In ruil voor deze onderwerping en verzoening en natuurlijk als tegenprestatie voor het betalen van flinke boetes, schenkt graaf Lodewijk van Nevers genade aan de Ieperlingen voor wat betreft hun misdaden die ze begaan hebben tegen de lakennijverheid van Poperinge en Langemark. De grafelijke oorkonde liegt er niet om: de Ieperlingen hebben een reeks van moorden, brandstichtingen, berovingen en de vernietiging van gebouwen te Poperinge en Langemark op hun geweten. Bovendien zijn ze met hun strijdkrachten, met ontvouwde banieren en bij het roepen van strijdkreten, opgetrokken naar Poperinge, Langemark en andere plekken. Ze worden beschuldigd van meerdere misdaden.

 

De graaf schenkt hen allen genade mits de belofte om voortaan stipt de herstelbetalingen uit te voeren. Ieper heeft zich kunnen vrijkopen bij die geldzuchtige en opportunistische graaf. Daarmee is de kous echter niet af voor die van Ieper. In 1330 of 1331 dient Henri de Coudescure, de abt van de Sint-Bertijnsabdij te St.-Omer een klacht in bij de Grafelijke Raad wegens de schade en de kosten die berokkend werden aan de Sint-Bertinuskerk en aan de inwoners van Poperinge. Volgens de abt hebben die van Ieper huizen verbrand, mensen gedood en de Sint-Bertinuskerk beschadigd en beledigd. Ze hebben het roerend goed, de renten en het erfgoed van de kerk misbruikt.

 

Het blijkt alleszins dat de Ieperse ambachtslieden helemaal onder de invloed moeten hebben gestaan van de priesterhater Jacob Peyt. De graaf kan natuurlijk moeilijk anders dan de Ieperlingen opnieuw te dagvaarden en dringt aan op een compromis. Hij wil dat de wederzijdse rancune voor eens en voorgoed zal ophouden en dat er vrede zal heersen tussen de partijen.

 

Er wordt, net zoals na de Kokerulle, expliciet verwezen naar de clanvorming en de familiesolidariteit en de bloedwraak als typische middeleeuwse kwalen. De graaf verbiedt verdere uitbarstingen van bloedwraak en zet er een dwangsom op van 6.000 ponden. De partijen die verantwoordelijk zijn voor nieuwe rellen zullen dit astronomisch bedrag moeten afdokken. Het bedrag zal verdeeld worden tussen het bisdom van Terwaan, de graaf en de getroffen stad. Lodewijk vraagt de inwoners van Poperinge vergeving te schenken aan de Ieperlingen en hun eis tot schadevergoeding in te trekken. De Ieperlingen komen er bijzonder goed van af.

 

Heeft dat iets te maken met de (afkoop)som van 468 pond die de stad Ieper op 28 oktober uitbetaalde aan de grafelijke enquêteur Josse de Heimsrode? Op tien jaar tijd is de productie van de lakens in Ieper zowat gehalveerd. De bevolkingsimplosie in de stad is in die periode op gang gekomen en zal zowat de hele 14de eeuw aanhouden. Toch slagen de Ieperlingen er in om het verlies van de omzet in de zuiderse landen deels goed te maken door het aanboren van nieuwe Duitse afzetmarkten. Lüneburg, Lübeck, Pruisen. En via de Pruisen worden ook de Poolse steden bevoorraad. De Donau brengt de Ieperlingen naar Hongarije en in Silezië.

 

De slag van Cassel, waarbij honderden jonge en gezonde Ieperlingen het leven hebben gelaten, en de verbanning van de 814 wevers en volders zorgen voor een zware aderlating voor de Ieperse lakenindustrie. Ze zijn weggestuurd voor een periode van drie jaar. Maar op 5 oktober 1329 geeft de Franse koning alsnog toestemming dat 253 Ieperse wevers naar hun thuisstad mogen terugkeren om er hun ambacht weer te gaan uitoefenen. De situatie in Ieper is na 1330 verre van rooskleurig. De goede lieden zijn teruggekeerd.

 

De grootgrondbezitters van de Westhoek hebben grote schade geleden nadat ze van hun heerlijkheden werden verjaagd. Nu nemen ze de tijd om wraak te nemen op de Ieperlingen. Visverbod op de rivier te Bikschote en Langemark. Allemaal op plekken waar die van Ieper gewoon waren om over visrechten te beschikken. Op de Steenstraete te Bikschote, schaft de heer van Coucy trouwens ook al een tolboom af, waarvan de Ieperlingen de tol deelden met de graaf. In 1332 breekt er over heel Vlaanderen een landbouwcrisis uit, met grote voedseltekorten als gevolg.

 

De zware storm die woedt in de nacht van 24 november 1334 zorgt voor heel wat overstromingen en sleurt vee en mensen mee in de dood. In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland worden de dijken doorbroken en worden de kustgebieden overspoeld. Op 1 oktober 1335 breekt een epidemie los in de Kasselrij van Ieper. Ieper bemoeit zich in die zware periode trouwens nog steeds met de landelijke lakennijverheid in zijn hinterland. De aanvoer van de Engelse wol stokt helemaal door de vijandschap tussen Frankrijk en Engeland. Het wolembargo maakt de crisis in Vlaanderen nu compleet.

 

In 1337 komt Jacob van Artevelde aan de macht in Gent en wat later ook psychologisch over heel Vlaanderen. De steden Gent, Brugge en Ieper erkennen Jacob als hun leider. Dank zij zijn politiek, komt Vlaanderen in een onafhankelijke positie te staan en worden de wolleveringen hervat. De graaf verliest zijn toonaangevende positie en moet lijdzaam toezien hoe Vlaanderen in 1340 een alliantie aangaat met zijn aartsvijand Engeland. In het najaar van 1340 wordt er gevochten aan het Zwin, in St.-Omer en te Doornik. Het komt tot een bestand tussen Frankrijk en Engeland. Een broos evenwicht dat enkele jaren zal aanhouden.

 

Artevelde zorgt voor wol en vriendschap met Engeland. Hij krijgt er een graanembargo vanuit het verbolgen Frankrijk bovenop. Het voedseltekort en het gemor van de Vlamingen escaleert. Onrust in Vlaanderen. Radicalisering in Gent leidt er tot een bloedig conflict tussen de lokale volders en wevers en leidt uiteindelijk tot de moord op hoofdman Artevelde en de intrede van de zestienjarige zoon van de ondertussen overleden Lodewijk van Nevers. Op 7 november 1346 wordt Lodewijk van Male de nieuwe graaf.

 

De machtsstrijd tussen de steden en de graaf houdt nog even aan. Maar zover zijn we nog lang niet. We begeven ons eerst nog eens naar het jaar 1338. De beginperiode van Jacob van Artevelde. Hij regeert over Vlaanderen op een manier die het land nooit gekend heeft. Geen enkele prins, hertog, koning of graaf heeft ooit diezelfde onbegrensde en spontane macht gehad. De graaf heeft niets meer te zeggen. De ambachtslieden hebben weer wol en werk.

 

Het regime van de drie grote steden onder de leiding van Artevelde legt de wetten op. De Westhoek heeft het niet zo begrepen op die onbegrensde macht. De feodale Fransgezinde heren in westelijk Vlaanderen zijn niet zo geneigd om te buigen voor het stedelijke en Engelsgezinde regime. Het hele najaar door is het onrustig en broeierig in het scheidingsgebied tussen Frankrijk en de republiek Vlaanderen.

 

Begin oktober komt Jacob van Artevelde naar westelijk Vlaanderen 'om het land te zetten in rust en vrede, de misdadigen te straffen, alles in de eere van Graaf en Land'. In de week van 1 november 1338 komt de hoofdman met een militair gevolg van enkele honderden sergeanten, boogschutters en schilddragers naar Poperinge. De Ieperlingen hebben die van Poperinge beschuldigd om mee te heulen met de graaf en zijn aanhangers. De druk op Poperinge is zo groot dat ze genoodzaakt worden om in te gaan op de eisen van Artevelde. Vijf Poperingenaars worden als gijzelaar meegestuurd.

 

Alles wat graafsgezind is in Vlaanderen heeft zich teruggeplooid in de Westhoek. Vooral rond de streek van St.-Omer. Aangepord door de Franse koning en door Lodewijk van Nevers, heroveren ze Sint-Winoksbergen, Veurne en Diksmuide. Maar het Gentse leger en de Ieperlingen maken korte metten met de graafsgezinden en heroveren binnen de kortste tijd de verloren steden. Artevelde kan nu ook zijn onbetwist gezag laten gelden over de landelijke Westhoek.

 

Na de militaire interventie in Doornik van einde 1340, valt het oorlogsvoeren stil in Vlaanderen. De dominantie van de steden, het gebrek aan voedsel en de opvallende afwezigheid van enig grafelijk gezag zorgen al gauw voor een toenemende instabiliteit in het land. Waar er troebelen uitbreken, wordt er ingegrepen door de Gentse troepen. Ook in het stedelijk landschap van de onderlinge gilden is het zelden kalm.

De Engelsen hebben Vlaanderen aan zichzelf overgelaten. De legitimiteit van het regime van Jacob van Artevelde wordt op de proef gesteld. En ondertussen proberen de drie grote Vlaamse steden in nauwe samenwerking met elkaar de lakens uit te delen over hun respectieve buitengebieden die op hun beurt beginnen te smeken om de terugkeer van de graaf die op zijn minst oor heeft voor hun verzuchtingen. Het eerste waar de steden natuurlijk van profiteren, is om hun macht over de lakennijverheid te herstellen en iedereen te beteugelen die op eender welke manier tegen hun privileges wil ingaan. De graaf ligt aan de ketting en doet uiteraard wat de steden dicteren.

 

Zo lijkt het toch. Na een inspectie de dag voordien, vaardigt Lodewijk van Nevers op 3 oktober een bevel uit aan Roier des Preis, de baljuw van Ieper, om alle illegale weefactiviteiten te Langemark en op andere plekken binnen de beschermde zone van Ieper te laten stopzetten. Nevers is blijkbaar al vergeten hoe hij Langemark op 8 juni 1327 als vrije lakenstad bevestigd had. Nog voor het einde van die oktobermaand wordt er al een herevaart tegen Langemark georganiseerd. Als Paeskin Minnard de klokken laat weerklinken, verzamelen de Ieperse ambachtslieden zich samen in één lokale legermacht. Het leger oogt indrukwekkend. Enkele Ieperse schepenen, negen hoofdmannen van het weefambacht en evenveel van de andere gilden zijn van de partij. De militie bestaat uit 148 dragers van standaarden en schilden. 10 pelotons met in totaal 79 boogschutters. Zeker 100 knechten, twee trompetters, een hoornblazer, en nog veel anderen.

 

De inwoners van Langemark bieden het nodige verzet tegen de aanval van de Ieperlingen. Er is sprake van een zekere Hannin Sanson die gewond geraakt en er achteraf door de stadskas vergoed voor wordt. De Ieperlingen krijgen trouwens ook de steun van Gentse milities die de Kasselrijen van Ieper en Brugge binnentrekken om er in alle dorpen en smalle steden 'alle manieren van wullewerke ende verbodent voert an te doene, up den brant'.

 

De winter van 1342-1343 wordt gekenmerkt door een toenemende onrust tussen de neringen onderling en die van de buitengebieden. De graaf ligt in zijn mand en de steden zijn door hun autoritair optreden tegen de wevers van de buitengebieden een flink stuk van hun geloofwaardigheid kwijt. Nu en dan moeten Gentse schepenen ter plekke komen om de Ieperse schepenen bij te staan om lokale incidenten in de kiem te smoren. Altijd weer gaat het hem om 'tgescil van der draperien ende neringhen'. Is dit een burgeroorlog om het laken?

 

Artevelde doet er alles aan 'omme de bederve van dien van Ypre ende van Brugghe, ende den ghemenen lande' tegen te gaan. Tussen die van Poperinge en Ieper botert het natuurlijk nog altijd niet. De Ieperlingen willen kost wat kost de lakennijverheid van hun meest geduchte concurrent fnuiken. Ze houden er gewoonweg geen rekening mee dat de abdijstad zich buiten de kasselrij van Ieper bevindt en dat ze daar in principe niets te zoeken hebben. De schepenbezoeken en de controles volgen elkaar in steeds sneller tempo op.

 

Vooral de types lakens die de Poperingenaars produceren, liggen zwaar op de Ieperse magen. Ook hier zien we de tussenkomst van de Gentse schepenen die ter plekke komen 'omme twullewerc van Poperinghe'. De druk op Poperinge wordt pas groot in april 1343. Twee Ieperse meesters reppen zich met 34 ambachtslieden en in gezelschap van een delegatie uit Brugge en Gent om het conflict met Poperinge te bespreken. In de onmiddellijke omgeving rond Poperinge zet een Ieperse militie van Rode Kaproenen onder leiding van hoofdman Willem de Vos de zaken op scherp.

 

De Poperingenaars zullen en moeten het vonnis van de drie grote steden aanhoren en respecteren. Het scheidsrechterlijk vonnis wordt geveld op 29 april 1343. Vanaf Sinksen 1343 mag Poperinge geen gestreepte en geen gesmoute lakens meer produceren. Tenzij het stukken zijn 'kleiner van twaalf el, zonder zomen en negen vierendeelen breed', en dan nog enkel voor eigen gebruik. De buurstad van Ieper wordt werkelijk drooggelegd. Poperinge mag geen lakens meer verkopen. Alles voor eigen gebruik dient ingezameld te worden in het scheerdershuis. Enkel de kleinere stukken laken mogen uit de hand verkocht worden in eigen regio.

 

Poperinge kan niet anders dan plooien voor de uitspraak van de drie grote steden. Er dreigt een boete van 100 Doornikse ponden. Daarenboven moeten ze er zelf voor zorgen om de uitspraak binnen de 14 dagen te laten legitimeren bij de graaf. Een erg vreemde logica. Zullen de modale Poperingenaars dit werkelijk aanvaarden? Poperinge is een typisch voorbeeld voor Vlaanderen. De steden grijpen nu overal te lande de absolute macht. Op 21 juni 1343 wordt een einde gemaakt aan de anarchie die heerst over Vlaanderen.

 

De drie grote steden verdelen Vlaanderen in drie grote invloedssferen die elk hun eigen hoofdman toegewezen krijgen. Voogd Van Coudebrouc voor Brugge, de eerzuchtige voogd Jan van Houtkerke voor Ieper en Jacob van Artevelde zelf voor Gent. Jacob komt op 12 juli 1343 in eigen persoon naar Ieper om er Jan van Houtkerke te installeren. De steden hebben de touwtjes stevig in handen genomen in het graafschap Vlaanderen!

 

De term 'keikoppen' slaat niet voor niks op de Poperingenaren. Een aantal onder hen stoort zich niet aan het vonnis van 29 april 1343. Voor hen telt alleen de grafelijke verordening van 1330-1331. Ze gaan gewoon verder met het produceren van de 'strijpte halflakene'. Het duurt even, maar begin 1344 komt dat ter ore van de Ieperlingen.

 

Om ergere problemen te voorkomen, wordt de Engelse baron Raoul van Stafford ingeschakeld om de Poperingenaars alsnog te overreden zich in regel te stellen. De onderhandelingen spelen zich af in april 1344. Stafford, de Gentenaars en de Bruggelingen moeten het onderste uit de kan halen om ondertussen de vrede tussen de kemphanen te doen bewaren.

 

Maar het geduld van de Ieperlingen is op. 'Zo quam de baroen van Stantfort, ende makende eene veerde tusschen dien van Ypre ende die van Poperinghe, bin welker verde die van Ypre zendden Willem den Vos metten Roden Chaperoenen van Ypre bin der Keure van Poperinghe, daer hi brand stoorde ende verslouch goede lieden ende vinc eneghe up haer bedde ligghende; ende sanderdaechs daernaer, zo leiden zij serjanten int casteel te Reninghelst, ende daden hem weren de sustenanche, die te Poperinghe zoude hebben ghecommen, ende al bin der verde voren ghemaect'.

 

Poperinge plooit niet. En dat heeft zo zijn redenen! Redenen die feitelijk niets te maken hebben met de 'weverie'. De heer van Poperinge is abt Dom Alleaume Boistel. De man van St.-Omer is een vertrouwenspersoon van de koning van Frankrijk en fungeert als zijn raadsheer. Op en top graafsgezind dus. De hand van de graaf is niet ver te zoeken bij het verzet van Poperinge. De abt stimuleert die van Poperinge om zich te verzetten tegen het regime van de drie grote steden en tegen hun privileges die ze aan heel het Vlaamse land willen opleggen.

 

Het is dus de graaf in eigen persoon die de kleine steden en de landelijke gebieden van de Westhoek opzet tegen het bestuur van zijn aartsvijand Jacob van Artevelde. Tussen 30 april en 9 mei 1344 sturen de Gentenaars nog verscheidene delegaties naar de streek 'omme te sprekene van payse ende acorde'. Niets helpt. Op 13 mei barst de bom. De drie steden organiseren een herevaart om het hardleerse Poperinge aan hun wil te onderwerpen. Gent en Brugge sturen elk 150 sergeanten. Het Ieperse leger bestaat uit 500 sergeanten die allemaal gekozen werden uit de ambachten. Het gemeenteleger bestaat uit de Ieperse voogd Jan van Houtkerke en is vergezeld van 60 ruiters, 46 mannen voetvolk.

 

De Ieperse hoofdmannen en een aantal schepenen volgen met hun knapen en klerken. Een deel van het gezelschap draagt rode kaproenen. Tijdens de gevechten sneuvelen een honderdtal Poperingenaars. Onder hen de Poperingse hoofdman Jacob Bets. De Ieperlingen nemen 12 Poperingse mannen gevangen en sturen de gijzelaars twee aan twee terug naar Ieper. Net schapen. Ze zullen 18 weken gevangen gezet en onder strenge bewaking geplaatst staan. Die van Poperinge laten zich niet kennen en trekken naar het kasteel van Reningelst waar Willem de Vos en zijn rode kaproenen proberen om de bevoorrading van Poperinge af te snijden.

 

De aanval op het kasteel duurt een kleine week. Heel wat Ieperlingen sneuvelen bij het beleg. Zo ook de hoofdman Jan de Rode. Uiteindelijk slaagt het Poperingse leger in zijn opzet te Reningelst. Maar het is een pyrrusoverwinning. De relatief kleine stad Poperinge kan natuurlijk niet op tegen het geweld van het trio 'goede steden van Vlaanderen'. De voornaamste burgers worden gevangen genomen. De brutale raid van de Ieperlingen raast verder door de dorpjes Oostvleteren, Westvleteren, Krombeke, Proven, Loker en de andere parochies van het Poperingse.

 

Ook in Langemark wordt er weer ferm huis gehouden. Alle wevers en drapiers worden verjaagd. De inwoners van Reningelst wagen het om de wapens op te nemen tegen de bruutzakken van Ieper. Maar hun verzet breekt hen zuur op. Hun dorp Reningelst wordt gebrandschat. De hele parochie gaat in de vlammen op en heel wat lakenarbeiders worden gedood. Ook het kasteel van Reninge wordt tot aan de grond verbrand en vernield. Nu worden die van Poperinge verwacht in de lakenhalle van Ieper om het vonnis van de Ieperse schepenen te aanhoren.

 

Poperinge stuurt drie van zijn schepenen, negen keurheren en vijf raadsheren naar Ieper om het verdict van de lokale magistraat te aanhoren. Op 21 mei 1344 verklaren de Poperingse vertegenwoordigers dat ze, misleid door kwade raad (die van hun abt?), inderdaad de bepalingen van het vonnis van 29 april 1343 hebben overtreden. Ze beloven plechtig zich opnieuw te onderwerpen en in geen geval nog verboden lakens te zullen verkopen. Een week later bieden 18 poorters van Poperinge zich aan in Ieper als borg voor het nakomen van de beloftes van hun autoriteiten.

 

De Franse koning laat weten dat de Vlaamse steden geen rechten kunnen laten gelden in een gebied dat onder de jurisdictie valt van de Sint-Bertijnsabdij van St.-Omer. Het is een waarschuwing die bewijst dat de Fransen het conflict tussen Ieper en Poperinge nauwkeurig in de gaten houden. Maar daar stoort de Artevelde-republiek van Vlaanderen zich allerminst aan. Ook de Gentenaars en de Bruggelingen eisen een bestraffing van Poperinge.

 

20 gijzelaars worden vastgezet in Kortrijk, 10 Poperingse sukkelaars moeten op bedevaart naar Sint-Jacob van Compostella. Er zal een kapel gebouwd worden in Ieper om de Ieperse slachtoffers te eren. Het definitief vonnis valt uiteindelijk op 7 augustus 1344. Die van Poperinge moeten natuurlijk de boete van 100 pond betalen die al vastgelegd was in het vonnis van 1343. Ze moeten aan Ieper een schadevergoeding betalen voor de dood van militiehoofdman Jan de Rode en enkele van zijn mannen te Reningelst.

 

Ze worden verplicht om jaarlijks 20 pond op te hoesten voor dagelijkse misvieringen in de kerk van Reningelst ter nagedachtenis aan de Ieperse slachtoffers en nog eens 5 pond extra voor hetzelfde in de H. Geestkapel te Ieper. In 1347 zullen de Poperingenaars trouwens het niet onaanzienlijke bedrag van 600 pond neertellen om een eeuwigdurende mis te laten doorgaan voor de zielen van de daar gedode Ieperlingen. Op de middag van 24 augustus van elk jaar moet een delegatie van Poperingse poorters en schepenen naar Ieper afzakken om er hun aanvaarding van deze beslissing opnieuw te doen bekrachtigen. De Ieperse gezagsdragers kunnen te allen tijde opnieuw gijzelaars opeisen. De schuldige ambachtslieden worden nu opgespoord. Twintig onder hen worden voor 3 jaar naar Engeland verbannen. Daar zullen ze vermoedelijk heel tevreden zijn met die authentieke Vlaamse stielmannen.

 

Ieper houdt Poperinge in de greep. De ene inspectie na de andere volgt. Zo wordt er op 15 januari 1345 een gerechtelijk onderzoek gevoerd door Bertelmiu van Vleteren, Henri van Dowaai, Jakème le Vilain, Symon van Lo en Jehan Lenvael. Samen met de deken van de volders, de hoofdman van de wevers en enkele andere hoofdmannen voor een kleine week naar Poperinge om er na te gaan of de plaatselijke wevers zich nu wel aan de voorschriften houden.

 

De Ieperse bemoeienissen in Poperinge en in de landelijke lakennijverheid binnen de driemijlszone blijven gehandhaafd. Er worden overtredingen vastgesteld in Belle, Godewaerdsvelde, Waasten en in Komen. Ook in Diksmuide zijn er problemen. De controles en inbeslagnemingen slepen aan tot 1348. Als het jaar 1348 aanbreekt, is er flink wat veranderd in Vlaanderen. Jacob van Artevelde werd vermoord in 1345. Graaf Lodewijk van Nevers is gesneuveld tijdens een veldslag in 1346. De Vlaamse ruwaard Simon van Halen werd, in opdracht van de goede steden, een kopje kleiner gemaakt. De grote steden zitten op zwart zaad.

 

In Ieper kunnen zelfs de lonen van de stadsmilities niet worden uitbetaald. Graangebrek, excommunicatie door de kerk. Het vet is van de soep. In het najaar van 1346 knopen de drie steden onderhandelingen aan met de enige zoon van de overleden graaf. De 16-jarige Lodewijk van Male wordt in november 1346 vreugdevol verwelkomd in Brugge, Gent en Ieper. Op 3 december 1346 ontvangt de piepjonge graaf de schepenen van Poperinge en bevestigt hij het vonnis van de drie steden over de Poperingse lakennijverheid. Het lijkt er op dat de goede steden hun vroegere machtspositie over Vlaanderen zullen kunnen consolideren. Een doodlopend straatje voor Poperinge? Of zal het spel opnieuw van vooraf aan beginnen?