P1329100

Het pas opgerichte België inspireert nogal wat landgenoten om de geschiedenis van hun eigen plek en streek neer te pennen. De Ieperling Lambin is niet de enige die vlijtig zwaait met de pen. In 1853, Desiderius-Napoleon Bril is op dat moment de burgemeester in Veurne, verschijnt het eerste deel van 'Veurne en Veurne-Ambacht' van Pauwel Heinderycx. De uitgever is Edmond Ronse, stadsarchivaris van de eerste volksbibliotheek van Veurne. Pauwel komt ter wereld op 28 september 1633. In Houthem, een gemeente op twee uren afstand van Veurne.

 

Zijn ouders zijn de toekomstige Veurnse schepen en keurheer Pieter Heinderycx en Joanne Schipman. Zijn grootvader heeft het tot griffier geschopt in Houthem. Kleinzoon Pauwel wordt zelf schepen van Veurne en Veurne-Ambacht op zijn 24ste. Onze schrijver huwt twee keer. Telkens met een eigen nicht. Eerst op 5 januari 1666 met Joanna De Rape (met goedkeuring van paus Alexander VII) en later op 10 mei 1682 met de adellijke Carolina-Celina de Orosco. Beide huwelijken blijven kinderloos. Zijn tweede vrouw sterft trouwens al anderhalf jaar na het huwelijk. In die tijd wordt Pauwel aangesteld als secretaris en adviseur in de Kasselrij Veurne-Ambacht.

 

Hij overlijdt op 54-jarige leeftijd op 7 oktober 1687. Wat overblijft van de man zijn vooral zijn handschriften die handelen over de geschiedenis van Veurne en Veurne-Ambacht. De handschriften belanden een kleine eeuw later, rond 1776, in de handen van de Roesbrugse pastoor Van der Meulen die ze met het stoïcijnse geduld van jaren werk zal herschrijven. De kopies en een klein deel van het origineel belanden uiteindelijk bij de magistratuur van de stad Veurne. In 1815 belanden de hier en daar onvoltooide manuscripten bij Edmond Ronse.

 

Ronse is bepaald kritisch. De onvolledigheid van het werk en de gebrekkige bronvermelding zijn vaak storend. Natuurlijk zal de wankele gezondheid van Pauwel een rol gespeeld hebben. Zijn naïviteit en blinde vaderlandsliefde zorgden er voor dat hij zijn vooroordelen niet altijd aan de kant kon zetten in zijn werk. Het miskennen van Nikolaas Zannekin is hier een schoolvoorbeeld van. Maar desondanks vormen de oude geschriften een waardevolle bijdrage tot de lokale geschiedenis.

 

Edmond Ronse gaat in 1849 op zoek naar subsidies en middelen om de jaarboeken in boekvorm te publiceren en laat ze alvast bij wijze van test, beetje bij beetje verschijnen in een lokaal weekblad. Dat smaakt naar meer en de gemeenteraad geeft Ronse de opdracht tot het drukken van 100 exemplaren. In de reeks 'Kronieken van de Westhoek', konden jullie al eerder kennis maken met het eerste deel van de 'Jaerboeken van Veurne'. Nu gaan we verder en stappen we naar het Veurne van 1290.

 

Er rijst een geschil tussen de mensen van Veurne en die van Veurne-Ambacht. De poorters van Veurne zijn op dat ogenblik nog steeds vrijgesteld van het betalen van belastingen, pointingen, op de opbrengsten van hun goed buiten de stad. In 1290 hebben de landhouders van Veurne-Ambacht een gift gedaan aan hun graaf Gwijde van Dampierre. In ruil hiervoor krijgen ze rechten om belastingen te heffen op de 'vreemde' gebruikers van hun grond en landerijen. Als de pointingen ook geëist worden van Veurnse poorters, stuit dat op een 'njet'. Ze claimen dat die belastingen enkel gelden voor gebruikers van andere Vlaamse steden, en niet op die van Veurne zelf.

 

Uiteindelijk krijgen ze gelijk en blijven de poorters van Veurne verder vrijgesteld van enige pointingen op opbrengsten uit de buitengebieden. Er verschijnt een vrijstellingsakte de dag na beloken Pasen van het jaar 1290. Al slaagt die er niet volledig in om de twistappel te verwijderen. De discussie tussen beide partijen zal blijven aanmodderen. We leven natuurlijk in de tijd van de Dampierres en hun ontvoogdingsstrijd tegen de Franse opperleenheer. Het geschil met Filips de Schone. Het opsluiten van dochter en zuster Filippina van Dampierre in een Franse gevangenis.

 

Maar welke is de impact ervan voor Veurne en omstreken? We zijn toch wel benieuwd naar wat de jaarboeken van Pauwel ons meer kunnen vertellen over die periode. In 1296 voelt Veurne-Ambacht de politieke malaise aan den lijve als de Fransen de streek aanvallen en alles wat ze onderweg ontmoeten met de grond gelijkmaken. Gwijde probeert in een alliantie te treden met Engeland, Duitsland en met de graven van belangrijke leengebieden zoals de hertog van Brabant.

 

De graaf probeert ook de harten terug te winnen van de modale Vlaming die hij tot dan toe systematisch hard heeft behandeld. Je begrijpt meteen waarom hij plots zo mild is met nieuwe privileges voor de Vlaamse steden en Kasselrijen. Terwijl er overal in Vlaanderen grote voorbereidingen getroffen worden om ten strijde te trekken tegen de Fransen, sluiten die van Veurne-Ambacht, met toestemming van de graaf, een fiscaal pact af met de stad van Nieuwpoort. De Nieuwpoortenaars die geld verdienen in de Veurnse buitengebieden zullen een aanvullende pointing betalen van 1,1% bovenop de belastingen die ze moeten afdragen aan de Kasselrij.

 

Meer bepaald 11 ponden en 10 schellingen per 1000 pond. Zo omschrijft men dat in die tijd. De poorters uit beide steden kunnen voortaan vrij gronden en eigendommen kopen en verkopen, waar die ook mogen gelegen zijn. De mensen van Veurne en Veurne-Ambacht kunnen niet zomaar poorter worden van Nieuwpoort. Dat kan enkel als iemand van Veurne trouwt met iemand van Nieuwpoort. Toch kunnen de mensen gaan wonen waar ze willen. Zolang ze maar hun belastingen betalen aan hun oorspronkelijke Kasselrij of stad.

 

Het pact wordt voorzien van de grafelijke zegel en met de zegels van de keurders van Veurne-Ambacht: Jan Reyfin, de baljuw Philips de Crane, Carel Van den Broucke, Jan Lauwaert. Ook een aantal ridders ondertekenen het akkoord. Het zijn Gilles Veyse, Wouter Boene van Lampernisse, Lambrecht Remare, Hubrecht Vanden Bussche, Kersteloot Bruningh, Jan van Schoore en Jan De Sack van Pervijze.

 

De plechtige ondertekening gaat door in het jaar 1296. Op de woensdag na het octaaf van de purificatie van Onze-Lieve-Vrouw (Purificatio Mariae). Op 9 februari van het jaar 1296, één week na O.L.V. Lichtmis. Het akkoord zal in werking blijven tot in het jaar 1560 wanneer de mensen van Nieuwpoort niet langer meer willen bijdragen tot de quota die Veurne-Ambacht hen zal opleggen. Zo zullen ze trouwens ook hun rechten verliezen om vrij gronden te gebruiken in de buitengebieden van Veurne. Filips de Schone, koning van Frankrijk, gooit het in 1297 op een akkoord met de aartsbisschop van Reims en met de bisschop van Terwanen.

 

De Vlamingen mogen niet langer naar de kerk gaan. De banvloek veroorzaakt meteen grote beroering in Vlaanderen. Robrecht van Bethune, de zoon van graaf Gwijde, reist naar Rome in een poging om de pauselijke banvloek ongedaan te laten maken. Ondertussen komt Filips de Schone naar onze regio afgezakt met een leger van 60.000 man. Op 24 juni 1297 wordt Rijsel in de tang gezet. De andere Vlaamse steden zijn in opperste staat van alarm. Kort daarna geeft de koning aan één van zijn belangrijkste pionnen de opdracht om met een leger West-Vlaanderen binnen te vallen. Robert van Artesië (of Robert van Artois) wordt beschouwd als de beste krijgsheer van zijn tijd. Aan zijn zijde stomen ook zijn zoon Philips en een reeks belangrijke Franse graven op naar de Westhoek.

 

Onze graaf stuurt een Duits leger onder leiding van de Keulenaar Walram, graaf van Gulik, naar het Westland. De graven van Cleven, Catsenelleboghe (het Rijnlandse Cattimeliboci), Jan van Gavere en een reeks Vlaamse ridders om weerstand te bieden aan de Fransen en het land te beschermen. Ondertussen wordt Bethune door de Fransen ingenomen en geven de inwoners van Cassel zich over.

 

Ook de Fransgezinde bevelhebbers van Bergen, Watten en Broekburg geven zich zonder slag of stoot over. Ze zien de Fransen maar al te graag komen. Dat heeft natuurlijk alles te zien met de twee erg uiteenlopende strekkingen die er bestaan in Vlaanderen. De Fransgezinde Leliaards, meestal de rijkere burgerij en de adel, versus de Vlaamsgezinde Klauwaards, het gewone volk van ambachtslieden en arbeiders waar Vlaanderen zo rijk van is.

 

Het is Robert van Artois niet ontgaan dat Willem van Gulik en zijn krijgslieden opgerukt zijn naar Veurne, waar ze druk bezig zijn met de versterking van de stadsmuren en met het aanvoeren van wapentuig. Hij besluit zijn pijlen te richten op de Duitsers in Veurne. Hij laat een massa voetvolk oprukken vanuit zijn thuisbasis Artois. En hij rekent natuurlijk ook op de steun van veel Leliaardgezinde Vlamingen van Veurne en van vooral die van Nieuwpoort en Diksmuide waar de Leliaards een meerderheid vormen.

 

Onderweg naar Veurne doen de Franse troepen het kleine Haringe aan. Het volk van Haringe ziet de komst van de Fransen met grote angst tegemoet. Ze vrezen grote plunderingen en vluchten met have en goed de kleine kerk binnen. Hier op deze heilige plek zullen de soldaten hen misschien ongemoeid laten. Bij aankomst in het dorp wordt er toch geschoten door enkele Haringse partizanen. Enkele Franse soldaten komen om. De Franse meute kan er allerminst om lachen, en valt met groot machtsvertoon het kerkje binnen.

 

De mensen van Haringe worden allen gedood en de kerk wordt in brand gestoken. De baldadigheden in Haringe betekenen meteen het startschot van een gruwelijke reeks wreedheden die de Fransen aanrichten in heel het gebied van Veurne-Ambacht. Op de weg naar het bolwerk van Veurne. Willem van Gulik van zijn kant, kiest er voor om de Fransen op te wachten aan de Kreeke in Bulskamp, op een vijftal kilometer van Veurne. De brug naast de kerk van Bulskamp wordt vernield om hier de Franse opmars te stuiten. Philips van Artois en een deel van het Franse leger beslissen om aan te vallen en stuiten op hevige weerstand van de Duitsers.

 

Het wordt een bloedbad daar in Bulskamp. Vierduizend Fransen komen om het leven. Philips van Artois wordt dodelijk gewond gevangen genomen. Enkele hooggeplaatste Leliaards brengen verslag uit bij vader Robert van Artois. 'Hoe lafhartig de Fransen in een Duitse hinderlaag werden gelokt, in de rug werden aangevallen en uiteindelijk afgeslacht werden. Hoe is dit kunnen gebeuren in de wetenschap dat er in deze streek zo veel Leliaards wonen? 'Waarom zijn die niet met zijn allen te hulp geschoten? Waarom zijn ze niet op de lijven van die vermaledijde Duitsers gesprongen?'

 

De graaf van Artois besluit om de slag nog eens over te doen. Maar deze keer rekent hij wel op de medewerking van de lokale Leliaards. Hij rekent op verraad vanuit Veurne-Ambacht. Om één en ander in zijn juist perspectief te zien, kijken we eens wat zich achter de schermen aan het afspelen is. Jacobus, de machtige bisschop van Terwaan, onderneemt alle mogelijk pogingen om het volk van zijn bisdom, zowat heel zuid West-Vlaanderen, aan de kant van de Franse koning te trekken. Hij wordt daarin bijgestaan door Johannes, de abt van Ter Duinen en eersteklas Leliaard.

 

Ook Lambrecht de abt van St.-Nikolaas en de abten van Sint-Winoksbergen, Clairmarez en Lo volgen dit voorbeeld. Allemaal natuurlijk zeer tegen de zin van de graaf van Vlaanderen. De abten zijn zeer welbespraakt. De eenvoudige mensen van vooral Veurne-Ambacht moeten de ene preek na de andere aanhoren en worden door de autoritaire geestelijken zwaar gemanipuleerd. De bevolking van de streek heeft het niet erg bekeken op de Duitsers die in het verleden zelf al de nodige baldadigheden hebben uitgericht in de Kasselrij. Al bij al is het dus geen krachttoer om de mensen te overhalen om zich te wreken op de Duitsers met hun 'track record' van stroop- en rooftochten.

 

Reyfin, de burggraaf van Veurne, sluit zich aan bij de wraakoefening. Ook de wethouders sluiten zich aan. En we zien ook dat Artus van Bretaigne, de heer van Stavele, deel uitmaakt van een verraderlijk pact tegen de Duitse garnizoenen van Willem van Gulik. Een hele bende Leliaards stappen mee met de Franse legers als die opnieuw hun weg zoeken naar Bulskamp. Mannen van Broekburg, Cassel en Sint-Winoksbergen. Het is vrijdag 20 augustus 1297. Ze worden begeleid door Jan van Haveskerke, de kasteelheer van Sint-Winoksbergen, die eveneens eigenaar is van het kasteel van Bulskamp.

 

Franse bronnen beweren dat er een uitgebreid banket wordt aangeboden. De jaarboeken van Veurne vertellen een ander verhaal: het gaat om een ontmoeting op hoog niveau in de legertent van Jan van Haveskerke. En dat is natuurlijk het mooie van geschiedenis en aan geschiedschrijven op zich. Vooral als Pauwel Heinderycx dan nog neerpent dat de graaf gaat 'ontnuchteren' in die tent, kan je voor je zelf inderdaad wel voorstellen dat beide gebeurtenissen misschien allebei effectief kunnen zijn voorgevallen.

 

Soit. Ook de Leliaardse burggraven van Broekburg en Cassel zijn aanwezig tijdens de ontmoeting in de tent. Ze overleggen hoe ze de Duitsers het best kunnen aanpakken. Ondertussen staat het leger van Willem van Gulik, Vlamingen naast Duitsers, paraat om opnieuw strijd te leveren. Vermoedelijk is er wat overmoed in hun hoofden geslopen, want nu gaan ze plots zelf de Franse vijand tegemoet. Er volgt een sterk bevochten strijd tegen de troepen van Robert van Artois. De Duitsers lijken aanvankelijk opnieuw de overhand te halen en het pleit te beslechten. Maar dan volgt het verraad van de strijders van Veurne-Ambacht, Nieuwpoort en Diksmuide! En in het bijzonder het volksverraad van Reyfin, de hoogbaljuw van Veurne die het bevel voert over de Vlamingen.

 

Op een teken van Robert van Artois, laat Reyfin zijn banier vallen en geeft hij hiermee het sein om massaal over te lopen naar het Franse kamp. In de liederlijke taal van Pauwel Heinderycx roepen en schreeuwen de overlopers; 'laat leven de koning, smijt dood, smijt dood de Duitsers, die schelmen die onze arme gemeente opgevreten en geruïneerd hebben.' Daarna storten ze zich verwoed op hun vroegere medestrijders. De Fransen die eigenlijk al aan hun vlucht waren begonnen, zien tot hun verbazing dat de Vlaamse Leliaards in de clinch zijn gegaan met de Duitsers. Ook zij beginnen met vernieuwde moed aan de strijd. Een zwaar ontgoochelde Willem van Gulik beseft het verraad en laat de strijd voor wat die is. Hij probeert op de vlucht te slaan. Maar raakt zwaar gewond en wordt gevangen genomen.

 

Enkele dagen later zal hij overlijden in de gevangenis van St.-Omer. Ook ridder Jan van Gavere en meerdere Vlaamse ridders sneuvelen. Net zoals Philips van Artois. De overwinning staat nu vast voor Robert van Artois. Vijf kilometer verderop ligt Veurne. Het wordt nu tijd om die stad in te palmen. Het Vlaamsgezinde volk van Veurne is nog niet op de hoogte van het verraad van hun bevelhebber en een deel van hun medeburgers die naar het slagveld zijn vertrokken.

 

Ze proberen met man en macht en met de hulp van enkele achtergebleven Duitse soldaten de Fransen buiten hun stadsmuren te houden. Maar hun weerstand heeft niet de minste zin. De overmacht is veel te groot. Wat daarna gebeurt, kan nauwelijks op papier gezet worden. De horror is met geen woorden te beschrijven. De weg van Bulskamp tot aan de poorten van Veurne ligt bezaaid met de lijken van 16.000 Vlaamse en Duitse soldaten. En nu hakken de Fransen ongenadig in op alles en iedereen die ze op hun weg binnen de stad ontmoeten. Uiterste wreedheden. Moord en brand en plundering. Zonder medelijden worden vrouwen en hun dochters verkracht en zinloos om het leven gebracht.

 

Zeer tegen de zin van de abt van Ter Duinen en van de belangrijkste Leliaards, geeft Robert van Artois nu het bevel om de stad in brand te steken. Veel gewonde mensen zijn zich in hun houten huisjes gaan verstoppen voor de terreur van de Fransen. Hun schuilplaatsen worden nu aan de vlammen opgeofferd. Ze worden levend verbrand. Kinderen in hun wieg. Moeders verscholen in hoeken en kanten. Ze zijn allemaal prooi van het verschrikkelijke vuur. Hoe kan je op een zinnige manier het door merg en been gaande gekrijs van de aan de vlammen overgeleverde burgers omschrijven?

 

Veurne vond zijn ontstaan aan de voet van de eerste burcht. Het grote en primitieve kasteel dat gebouwd werd voor de graven van Vlaanderen die er af en toe verblijven als ze op bezoek komen in de stad. Ook die grafelijke burg wordt in brand gestoken. Achteraf zullen de restanten van het oergebouw van langs om meer vervallen en aan de hoektanden van de tijd worden overgeleverd. De trotse burcht van Veurne zal nooit meer heropgebouwd worden.

 

De erfgoederen, domeinen en leengebieden van de poorters en inwoners van Veurne worden in beslag genomen. Alle bestaande privileges, keuren, wetten en vrijheden worden ingetrokken omdat de Veurnenaars het aandurfden om de wapens op te nemen tegen de Franse opperleenheer. Filips de Schone, de Franse koning in casu. Een ordinaire oorlogsmisdadiger.

 

En daar houdt het niet mee op. Robert van Artois is uitzinnig van woede. Hij heeft zijn zoon Philips verloren tijdens de veldslag aan de Kreeke te Bulskamp. Allemaal de schuld van het volk van Veurne-Ambacht dat veel te lang heeft toegekeken en veel te laat wilde reageren om hem bij te staan. Blijkbaar is er toch behoorlijk geaarzeld op de vraag van Reyfins om de Fransen te hulp te schieten en de Duitsers te verraden. 'Dat klootjesvolk heeft schuld aan zijn dood.' Hij zint op wraak. De haat en verbittering zitten diep. De mensen van de Kasselrij van Veurne zullen het geweten hebben. Genadeloze terreur.

 

Meer dan 2000 huizen worden geplunderd en daarna in brand gestoken. In Bulskamp zelf gaat alles tegen de vlakte: alle woningen, mét kerk, worden aan het vuur overgeleverd. En je moet weten dat Bulskamp in die tijd zowat de grootste parochie is binnen de Kasselrij. De poorters van Nieuwpoort en Diksmuide spelen op veilig. Ze geven zich dadelijk en zonder weerstand over aan de Fransen. Er is toch niets aan te doen. Na een beleg van elf volle weken valt Rijsel ook in vijandelijke handen. Alles heeft hier te maken met interne rebellie van de Leliaards die de Vlaamsgezinden uiteindelijk op de knieën dwingen. Daarna volgen Douai en Kortrijk.

 

In Brugge heerst tweedracht omdat de graaf eigenlijk soloslim heeft gespeeld met zijn oorlog tegen Filips de Schone. Zomaar ten oorlog trekken zonder vooraf de Vlaamse steden erbij te betrekken, vinden ze hier ongehoord. De poorten van Brugge gaan wijd open voor de Fransen. Van een beleg is er geen sprake. Ondertussen ligt er een Engels leger aangemeerd in Damme. Rijkelijk laat. De divisies trekken door naar Gent waar ze hopen een alliantie aan te gaan met de Duitsers van keizer Adolf. Maar de Duitsers en de mannen van de hertog van Oostenrijk laten zich afkopen door Filips de Schone en laten de graaf van Vlaanderen op een cruciaal moment in de steek.

 

Na veel diplomatieke vijven en zessen en met de winter in aantocht, besluiten de partijen om een wapenstilstand in te voeren van 1 oktober tot 1 december 1297. Het staakt-het-vuren wordt in een tweede fase verlengd tot einde 1299. Ondertussen maken de Engelsen het blijkbaar erg bont in Gent waar de woedende Gentenaars eventjes 1.500 Engelsen om het leven brengen. Voldoende argumenten voor de Engelse koning om zich af te keren van de Vlamingen en terug in te schepen richting Engeland. Gwijde van Dampierre staat er nu helemaal alleen voor.

 

Na de winter wordt de Franse 'Konstabel' Raoul de Nesle aangesteld als gouverneur van Vlaanderen. De opperstalmeester (comes stabuli) blijkt de kwaadste nog niet. Hij stemt er in toe dat de mensen van Veurne en Veurne-Ambacht hun vroegere vrijheden terug krijgen en dat ze opnieuw in het bezit gesteld worden van hun vroegere lenen en eigendommen. In elk geval tijdens de periode van de wapenstilstand. In deze periode kunnen ze bewijzen dat ze goede onderdanen zullen zijn van de Franse koning.

 

Op 1 december 1299 loopt de wapenstilstand af. De inwoners van Diksmuide hebben zich de jongste tijd opnieuw vijandig opgesteld tegen de Fransen en krijgen de bezetting van een nieuw garnizoen dat onder leiding staat van een broer van Filips de Schone, de 29-jarige graaf Karel van Valois, de stamvader van de Valois-dynastie die in 1322 het roer zal overnemen in Frankrijk. Begin 1300 wordt ook Damme voorzien van extra Franse soldaten. Het is het begin van een rauwe periode van Franse bezetting met de wrede Jacques de Châtillon als gouverneur over een van iedereen geïsoleerd Vlaanderen.

 

En nu dwalen we terug naar het Veurne van 1300 waar ze het gelag betalen voor hun steun aan de graaf en hun voorrechten en eigendomstitels al opnieuw zijn kwijt gespeeld. De schepenen van de stad zijn immers samen met Gwijde van Dampierre als vijanden van de Filips de Schone aangehouden in Frankrijk. Er moeten grote smeekbeden bij de Franse koning te pas komen, om ten lange laatste deze maatregelen ongedaan gemaakt te zien. Er hangt wel een prijskaartje (zeg maar fikse boetes) aan vast.

 

Er wordt een 'akte van verzoening' opgesteld waarin de Veurnenaars 'beteringe' beloven en zich engageren om elk jaar en tot in de eeuwigheid de som van 400 Parijse ponden te betalen aan hun monarch. Daarbovenop komt er een boete van 6.000 ponden die over tien jaar dient betaald te worden. De akte wordt opgemaakt en ondertekend in de rekenkamer van Rijsel in de maand september van 1301. Het heeft bloed, zweet, onderdanigheid en onnoemelijke financiële inspanningen gevergd om opnieuw in het bezit te komen van hun vroegere eigendommen en vrijheden. Pauwel omschrijft het zo mooi in zijn jaarboeken: ' 't gone een uutnemende sware last was voor een aerm ende verbrant stedeken'.

 

De hoge accijnzen en beenharde regering zorgen voor bijzondere misnoegdheid in Vlaanderen. Vooral in Brugge. Die zware belastingen in combinatie met de manier waarop de Fransen het volk minachten, leiden er in 1302 tot de Brugse Metten. Ze jagen het Franse crapuul de stad uit. Jan van Namen, de broer van Gwijde, komt aan het hoofd van de Vlaamse rebellen en roept ondermeer de mensen van Veurne-Ambacht en de Kasselrij van Veurne op om zich te keren tegen de Fransen en zijn kant te kiezen. De Veurnenaars rukken zich (nog maar eens) los van hun engagement ten opzichte van de Franse schatkist en kiezen als eersten resoluut de Vlaamse zijde. De rest van de Vlaamse steden en Kasselrijen volgt hun voorbeeld.

 

Er ontstaat een hetze tegen alles wat blauw- en Leliaardgezind is. De abt van Ter Duinen vlucht halsoverkop naar Parijs. In het seminarie van St.-Bernard sterft hij van verdriet. Tja. Verkeerde keuzes gemaakt in het leven zeker? De achtergebleven broeders van Ter Duinen eten de boter voor zijn Fransgezindheid. Er wordt grote schade toegebracht aan de eigendommen van de abdijen en aan de landerijen van ieder die betrokken was met de belastingsterreur op het Vlaamse volk. De burggraaf van Veurne en hoogbaljuw Reyfin, met in hun zog de 'treffelijkste' van de Kasselrij, vrezen voor hun leven en vertrekken naar de Franse hoofdstad.

 

Ook hun goederen worden geplunderd. Van hun woningen blijven er geen twee stenen meer op elkaar staan. De Guldensporenslag komt er nu snel aan. Kortrijk is de bestemming, want in het lokale kasteel zitten er honderden Franse soldaten verscholen. Ze wachten op versterking van een grote krijgsmacht om samen de Vlamingen neer te slaan. Wie anders dan Robert van Artois zal zorgen voor de kastijding van de Vlamingen? Alle beschikbare jonge mannen van Veurne-Ambacht wapenen zich en trekken onder leiding van hun aanvoerder Ustaes (Eustachius) Sporkin naar Kortrijk. De afloop van de strijd is bekend. Tijdens de slag van Groeninge op 11 juli 1302 laten 20.000 Fransen het leven. Ook Robert van Artois is er aan voor de moeite. Als zijn dode lichaam door de Vlamingen herkend wordt, krijgt het nog meer dan dertig dolksteken te verwerken. Ze symboliseren de haat van het Vlaamse volk tegenover de Franse arrogantie.

 

Ustaes Sporkin en zijn Veurnenaars hebben dapper gevochten voor de Vlaamse vrijheid en worden met lof overladen. Jan van Namen die gouverneur, ruwaard, van Vlaanderen is geworden, slaat Sporkin tot ridder en stelt hem aan als de nieuwe hoogbaljuw van Veurne. De voormalige hoogbaljuw Boudewijn Reyfin blijft veiligheidshalve op Frans grondgebied want in Veurne heeft hij het definitief verkorven. De gebeurtenissen stapelen zich werkelijk op in de herfst van 1302. Gent, Rijsel en Douai komen weer in Vlaamse handen. Waar mogelijk worden de Fransen verdreven. Maar nog voor het aanbreken van de winter staat Filips de Schone al opnieuw aan de Vlaamse grenzen met een krijgsmacht van 80.000 verse krachten.

 

De belegering van Douai wordt aangevat maar opgebroken door de invallende winter. Tijdens de winterperiode verblijven de duizenden Franse soldaten in de steden en gemeenten rond de grensstreek. Hier en daar worden er zowel door de Vlamingen als door de Fransen speldenprikken uitgedeeld en komt het tot gewelddadige confrontaties. Méér dan zomaar speldenprikken zelfs! Bij St.-Omer komt het tot een flink uit de kluiten gewassen veldslag van Veurnenaars en andere Vlamingen tegen Franse milities.

 

Ter hoogte van de nieuwe dijk van Blendecke (Blendecques) worden 3.000 Vlamingen door Franse ruiters om het leven gebracht. Het Vlaamse leger dat zich in het voorjaar van 1303 aandient, is reusachtig. De Vlaamse strijdkrachten lopen Artois en Terwaan onder de voet. Het beleg van Doornik wordt door de Fransen via onderhandelingen geneutraliseerd. Vergeet niet dat ze nog steeds onze graaf en zijn zoon in verzekerde bewaring houden. Doornik vrij is Gwijde vrij. Zo kan je het stellen.

 

Gwijde van Dampierre trekt enkele keren naar zijn kasteel in Wijnendale en dan terug naar zijn Franse hechtenis en probeert ondertussen te onderhandelen over vrede en de voorwaarden die er mogelijk aan verbonden kunnen worden. Gwijde sterft op tachtigjarige leeftijd in maart 1305. In de jaarboeken van Veurne wordt er beweerd dat de graaf al op het einde van 1304 op Frans grondgebied is gestorven. In zijn gevangenis te Compiègne. Midden tijdens zware schermutselingen tussen Franse en Vlaamse legers en vooral tijdens de voor de Fransen echt cruciale onderhandelingen.

 

De Vlamingen lijken op dat moment niet te beseffen dat zij in wezen de sterkste partij zijn. Maar Filips de Schone en zijn juristen zijn sluw als geen ander en proberen via onderhandelingen het maximum uit te brand te slepen. De Veurnse stelling dat ze de dood van Gwijde verborgen houden om die onderhandelingen niet te verstoren, kan dus mogelijk wel enige steek houden. Het is immers onvoorspelbaar hoe de Vlaamse patriotten zouden reageren op de plotse dood van hun graaf? Mogelijk wil de Franse monarch geen enkel risico nemen en houdt hij de dood van de oude graaf inderdaad verzwegen.

 

Robrecht en Willem, de twee gevangen zonen van Gwijde, nemen de onderhandelingen over en komen in 1305 tot een vergelijk. En wat voor één! Robrecht van Bethune wordt aangesteld als graaf van Vlaanderen en volgt hiermee zijn vader op. Ook Willem en de gevangen zittende Vlaamse adeldom mogen terugkeren naar hun heimat in Vlaanderen. Ondertussen wordt er gewerkt aan het finaliseren van een pact tussen de Fransen en de Vlamingen. De voorwaarden die opgelegd worden aan de Vlamingen blijken een farce.

 

De met geweld dreigende Fransen versus de Vlamingen die het niet zien zitten om de geëiste belachelijke financiële offers te brengen om zo hun vrijheid af te kopen. De potentiële toegevingen zorgen voor grote commotie en verdeeldheid in Vlaanderen. Het steekspel houdt aan tot in 1309. Er worden nieuwe, zachtere, maatregelen aangekondigd. Begin mei 1309 reizen de gedeputeerden van de Vlaamse steden en Kasselrijen naar Parijs om het ultieme vredesverdrag te ondertekenen.

 

Voor Veurne en de kasselrij van Veurne trekken Simoen Utelaete, ridder Ustaes Lauwaert en Jan Bastaert naar Parijs. De akten die ze terugbrengen naar Veurne zijn voorzien van de koninklijke en grafelijke zegels. De inhoud ervan blijkt onhoudbaar voor de mensen van Veurne en omstreken. Onhoudbaar trouwens voor de modale man en vrouw in het hele graafschap van Vlaanderen. Het zaad van een nieuwe rebellie tegen Frankrijk is al opnieuw aan het kiemen.

 

In 1313 is het inderdaad weer van dat. Zoals Pauwel Heindericx het zo volks schrijft, begint de oorlog tussen de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen weer te 'ontsteken'. Rijsel, Douai en Bethune zijn in 1309 Frans grondgebied geworden. Robrecht van Bethune is er natuurlijk zelf schuldig aan, maar hij wil de situatie alsnog omkeren en opnieuw die gebieden inlijven bij Vlaanderen. In West-Vlaanderen zijn ze beducht voor een nieuwe Franse inval en wordt het volk in allerijl gemobiliseerd om post te gaan vatten bij de Nieuwe Dijk en aan de rivier de Aa. Die Nieuwe Dijk, de fossa Boloniana, werd trouwens in 1053 gegraven in opdracht van graaf Boudewijn V.

 

Het 26km lange kanaal verbindt de Leie met de Aa en werd oorspronkelijk aangelegd om het Frans- en Vlaamstalig gedeelte van Vlaanderen van elkaar te scheiden. Hier aan de Nieuwe Dijk, proberen de Vlamingen te verhinderen dat de Fransen het water oversteken en binnendringen op Vlaams grondgebied. 1100 gewapende mannen uit de Kasselrij van Veurne staan opnieuw onder het roer van hun hoogbaljuw Ustaes Sportkin en enkele andere bevelhebbers. Door toedoen van de paus wordt uiteindelijk een wapenstilstand afgesloten voor de periode van één jaar. In 1315 is de situatie nog geen sikkepit veranderd. De graaf verzamelt opnieuw zijn oorlogsvolk en trekt op met de bedoeling om de stad Rijsel te belegeren. Maar die plannen veranderen als blijkt dat er een Frans leger onderweg is om het grondgebied van het graafschap binnen te vallen. Er wordt nu postgevat aan de Leie.

 

Ook de mannen van Veurne en van de Kasselrijen van West-Vlaanderen nemen opnieuw hun posten in aan de Nieuwe Dijk. Maar deze keer helpt er geen lievemoederen aan. De Fransen steken met geweld het kanaal over. Ze verjagen en doden iedere krijger die hun de doorgang wil beletten. Na een kort beleg wordt het kasteel van Cassel ingenomen. Het West-kwartier wordt nu onder de voet gelopen. Veel gebouwen worden beroofd en door het vuur vernietigd. Het merendeel van de inwoners slaat met hebben en houden op de vlucht. Ze trekken naar het Vrije of in het Bloote waar ze bescherming zoeken achter de Lovaart.

 

Hier breken ze alle bruggen af om te vermijden dat de Franse woestelingen hun landen verder kunnen binnendringen. De Franse divisie aan de Leie begint met de belegering van Kortrijk. Maar de regen steekt hier een stokje voor. In 1315 regent het 10 maanden aan één stuk. De Fransen breken hun offensief op en trekken zich noodgedwongen terug. De vruchten van de aarde zoals het graan en andere gewassen rotten op de velden voor ze de kans krijgen om te rijpen. De mensen beleven een onvoorstelbare periode van hongersnood, armoede en ellende. Niemand heeft ooit dergelijke miserabele toestanden meegemaakt. Van etenswaren is er amper sprake en als die aangeboden worden, zijn ze gewoonweg onbetaalbaar.

 

Een zak graan van 75 kilo, een rasier, kost maar liefst 42 Parijse ponden. Een fortuin voor het volk dat in die schrijnende armoede moet zien te overleven. De mensen dolen langs de velden en in de bossen op zoek naar knollen en kruiden. Meestal grote vuiligheid die dan op zijn beurt zorgt voor kwade ziekten en pest. 'Is dit een straf van God?' vragen ze zich af.

 

Het is natuurlijk erg vrijblijvend om in enkele regels tekst die vele maanden vol ellende te omschrijven. Geschiedschrijving en geschiedenis springen direct naar 1316, naar Frankrijk, waar er na het overlijden van Filips de Schone en zijn opvolger Lodewijk de Woelzieke, blijkbaar sprake is van een meer gematigd beleid. De Fransen komen af met minder strikte voorwaarden voor de Vlamingen als voorwaarde voor een vredesakkoord. Die stuiten aanvankelijk op een weigering in Vlaanderen met als gevolg dat de Fransen troepen sturen naar St.-Omer en alweer vernietigende raids uitvoeren in het West-kwartier. De graaf en zijn volk komen bijeen in Poperinge en ze dringen er dan toch op aan om een wapenstilstand af te sluiten die zal duren tot Sinksen van 1317.

 

Hopelijk kunnen ze ondertussen tot vrede komen. Maar op pinksterdag van dat jaar blijkt er amper sprake geweest van onderhandelingen. De Vlamingen gaan niet akkoord met de voorwaarden die de Fransen blijven stellen. Na wat vijandelijkheden besluiten de partijen om er nog een jaartje wapenstilstand aan te breien. In het jaar 1318 wordt er een Hanzeverdrag afgesloten tussen de poorters van de stad Veurne en het buitenvolk van de Kasselrij van Veurne. Het is hoog tijd dat de vele geschillen rond pointingen en rechten worden bijgelegd. Vooral het issurecht, een belasting die ontpoorterende burgers moeten betalen aan de stad waarvan zij ooit poorter waren, zorgt voor veel discussie en ongenoegen bij die van Veurne-Ambacht. Er is sprake van ontpoortering als de poorters de stad verlaten om bijvoorbeeld te trouwen met een niet-poorter.

 

Maar dat geldt evengoed als ze voor een of ander misdrijf uit de stad verbannen worden. Dat issurecht komt er op neer dat er taksen moeten betaald worden bij elke vorm van ontpoortering. Ook niet-poorters die erven van poorters, dienen op deze erfenis het issurecht te betalen. De arbeiders, keurbroeders, van Veurne-Ambacht en van de stad zelf krijgen door het Hanzeverdrag van december 1318 volledige vrijstelling van het betalen van issurechten bij huwelijk of bij sterfte. De poorters met eigendommen in de Kasselrij krijgen de toelating om drie keer per jaar op hun domeinen te gaan wonen.

 

Drie periodes van veertig dagen: in maart om te zaaien, als de oogst moeten worden binnen gehaald en om het land te bewerken in de herfst. Als ze er langer wonen, worden ze geacht om dezelfde taksen te betalen als iedereen in Veurne-Ambacht. Buiten de vastgelegde seizoenen mogen de poorters wel enkele kortverblijven van enkele dagen regelen om controle uit te oefenen op hun ondergeschikten ter plekke. In 1322 wordt de puber Lodewijk van Nevers (Lowys van Crecy) de nieuwe graaf in opvolging van de overleden Robrecht van Bethune. Maar eigenlijk zijn het zijn volksvreemde adviseurs die de touwtjes in handen hebben in Vlaanderen. De hofhouding van Lodewijk heeft de allures als die van een koning. 'Aldus verteerde ende verdede hij meer als zijn domeinen opbrochten.'

 

De buitensporige kosten van zijn luxueuze entourage worden afgewenteld op de kap van de Vlamingen. De jaarboeken van Veurne beperken zich tot een kort relaas van de feiten. Als de staten van Vlaanderen hem aanraden om zijn hofhouding af te slanken en iets te doen aan de buitensporige verkwistingen, besluit de graaf zich terug te trekken op zijn domein in zijn geboorteplaats Crécy. Ze komen overeen om te zorgen voor een gegarandeerd jaarlijks inkomen voor Lodewijk van Nevers.

 

De Franse koning en de graaf nemen een aantal maatregelen, die niet naar de zin zijn van de mensen van Brugge en het Brugse Vrije. Het komt tot een open conflict als de Bruggelingen Jan van Namen, een vertrouweling van de graaf, gevangen zetten. In 1323 worden de branden geblust na een inderhaaste terugkeer van Lodewijk naar zijn graafschap. Beetje bij beetje stijgt het ongenoegen bij het volk. De taksen die de mensen moeten afdokken ten gevolge van een reeks faliekante onderhandelingen van hun grafelijk bestuur hangen als een zwaard van Damocles boven ieders hoofden.

 

De hoge kostprijs om de vrede met Frankrijk te mogen behouden is hallucinant. Komt daarbij nog de manier waarop die opgeëist wordt van het volk. Een reeks brutale magistraten, pointers, setters en ontvangers, allemaal rijke lui die aan de bron zitten, gaan alsmaar driester te werk bij de inning van de taksen. Een elitaire kliek die doet aan zelfbediening. De haat van het gewone volk tegenover de Vlaamse adel en dat vuile bureaucratische addergebroed groeit met de dag. In 1324 ontstaat er beroering in het Brugse. Hele groepen arbeiders en boeren lopen het land af op zoek naar rijke lui en naar edelen. Iedereen die weerstand biedt, wordt een kopje kleiner gemaakt.

 

Huizen worden in brand gestoken. De milities van het Noordvrije staan onder leiding van Zeger Janszone, de Oostvrijenaars worden geleid door Lambrecht Bovyn. Het geweld in het noorden van de provincie escaleert. Ook in Veurne en Veurne-Ambacht zijn de mensen ontevreden over de taksen die ze vrijwel dagelijks moeten betalen. In navolging van die van Brugge, beginnen ook hier de samenzweringen tegen de magistraten, pointers en ontvangers. Ze organiseren zich onder de vleugels van de bekwame Nikolaas Zannekin.

 

In Veurne-Ambacht zijn ze best trots op hun Zannekin met zijn Saksische wortels, Janneken, geboren en getogen in Lampernisse en een kind van de streek. Langs de vaart in Loo, op één uur stappen van Veurne bestaat het gehucht 't Zandeken. Was dit ooit misschien de thuisbasis waar ooit het Zannekinsheim stond? Enkele jaren geleden is hij om één of andere reden uit de Kasselrij verjaagd. Waarom? Pauwel Heindericx blijft nogal op de vlakte met zijn antwoord. Uitgever Edmond Ronse gaat op zoek naar de werkelijke redenen en belandt in 1322.

 

In dit jaar vindt er een volksopstand plaats in Veurne-Ambacht. Nikolaas Zannekin staat hier dus al aan het hoofd van het gemeen dat strijdt voor het behoud van hun vrijheden. Blijkbaar nam Zannekin het initiatief om zijn volk te bewapenen. In maart van 1323 komt het tot een geforceerd akkoord tussen de gemeente en de graaf. De regeling blijkt niet echt naar de zin te zijn van een verongelijkte Zannekin die er voldoende redenen in ziet om de schepen achter zich te verbranden en zich te gaan verpoppen in de veilige binnenstad van Brugge.

 

De populariteit die hij bezat in Veurne-Ambacht, achtervolgt poorter Zannekin tot in Brugge waar hij binnen het jaar al grote ogen gooit bij de werkende klasse. Tijdens zijn terugkeer naar Veurne, wordt hij er ontvangen als de Messias, als een 'Engel van God' schrijven de kronieken. De lieden van Veurne, Veurne-Ambacht, Sint-Winoksbergen, Broekburg, Duinkerke, Belle en Cassel zijn razend enthousiast om hun nieuwe leider. En Zannekin kan zich natuurlijk verkopen als de beste. Veurne voelt zich nauw verbonden met hem. Zijn welbespraaktheid en voorkomen, de wetenschap dat hij gehaat wordt door de Vlaamse adel en zijn persoonlijke opofferingen uit het verleden, maken hem beslist tot de Ché Guevara van zijn tijd.

 

Ondertussen verblijft de graaf al lang op zijn Franse landgoed en laat hij de zaken over aan een zekere heer van Aspremont. Die laat er geen gras over groeien. Zijn bureaucraten beginnen van vooraf aan met de lokale Vlamingen af te persen. De machtige steden Brugge en Gent kunnen de schade binnen hun steden nog enigszins beperken maar op het vlakke land grenst de fiscale afpersing aan het ongelooflijke. Een nest van vreemde ridders overvalt nu systematisch de woonsten en hoeves van de landbewoners.

 

Als ze niet krijgen wat ze willen, worden de bewoners ervan koelbloedig gelyncht. Dat de haat en frustratie bij het volk diep zit, valt eigenlijk niet moeilijk om te begrijpen. Eigenlijk kan je nu nog amper spreken van militievorming. Iedereen doet gewoon mee met Zannekin. Het gemeen kiest volop zijn zijde. Maar ook slecht volk zoals landlopers, straatschenders en crapuul alom zien grote mogelijkheden door op te trekken met de bende. Samen voelen ze zich sterk. De huizen van rijke lui worden geplunderd.

 

Alles wat de mensen buit maken, wordt onder elkaar verdeeld. De schrijver blijft toch ietwat karig met verdere details over het wat en waar van de plunderingen. Met kerstmis 1324 komt de graaf noodgedwongen terug naar Vlaanderen. Er wordt gedreigd met grote straffen als de plunderingen niet ophouden en hier en daar bekopen oproerkraaiers hun daden met de dood. In plaats van de oorzaak van de malaise weg te nemen, draait Lodewijk van Nevers nog wat meer in de etterende wonde van de Vlaming. Zijn ongenuanceerde en harde aanpak, geeft het volk nog extra redenen en zuurstof om nog meer verongelijkt te zijn en daarom wraak te nemen.

 

Het volksleger van Bovyn, Janszone en Zannekin verovert nog tijdens de winter de bezette burchten van Oudenburg en Gistel. Zannekin en zijn Veurnse aanhang rukken nu op naar de burg en de versterkte stad van Nieuwpoort waar Robrecht van Cassel, de zoon van Robrecht van Bethune, de plak zwaait. De Nieuwpoortenaars staan natuurlijk aan de zijde van de opstandelingen en denken er nog niet aan om weerstand te bieden. Het ogenblik is aangebroken om een einde te maken aan al die zware lasten en pointingen.

 

Ze geven zich met de glimlach over aan Zannekin en de zijnen. Robrecht van Cassel laat de overgave oogluikend toe. Hij is precies niet de beste vriend met zijn neef Lodewijk van Nevers en zich hier en nu afzetten tegen het volk, lijkt in deze optiek niet het meest verstandige. Wie weet kan hij met de nodige steun van het volk zelf wel graaf van Vlaanderen worden? Hij trekt naar Sint-Winoksbergen en dan naar Duinkerke waar hij zich volledig distantieert van de voorbije jaren van repressie tegen het gewone volk. Maar ondertussen fronsen de honderden weggevluchte edelen de wenkbrauwen. Is dit hun Robrecht van Cassel. De man die hen moet beschermen en leiden? Is dit de potentiële graaf van Vlaanderen?

 

Van Cassel kampt met een geloofwaardigheidsprobleem. Zijn autoriteit is aangetast. Zannekin, Janszone en Bovyn hebben het verrassende nieuws van zijn terugtrekking uit Nieuwpoort vernomen en beseffen dat er misschien mogelijkheden bestaan om hem aan hun kant te krijgen en zo het bestuur van Lodewijk van Nevers en zijn kliek verder te isoleren. Ze sturen een delegatie van zes voorname personen uit het Brugse Vrije naar Zuidkote, een gemeente centraal gelegen ergens halfweg tussen Veurne en Duinkerke.

 

Het is de bedoeling om onderhandelingen aan te vatten en eventuele mogelijkheden tot samenwerking te bespreken. Op één of ander plekje in deze kronieken, wordt Robrecht van Cassel omschreven als een zeer onbetrouwbaar figuur. De gebeurtenis in Zuidkote is hier een mooi staaltje van. Door zijn vlucht in Nieuwpoort en het zich distantiëren van de adellijke plunderingen van de voorbije weken, is hij een flink stuk van zijn autoriteit kwijt. Hier ruikt hij zijn kans om zich te rehabiliteren en om de heersende twijfel van zijn achterban weg te nemen. Hij wil zijn blazoen oppoetsen met een voorbeeld van leiderschap. De zes onderhandelaars worden de dupe van zijn profileringsdrift.

 

Ze worden op zijn bevel genadeloos om het leven gebracht. Langs de zeekant zijn er 3 gewapende legers op komst om de vesting Duinkerke aan te vallen. De Oostvrijenaars onder het bevel van Zeger Janszone, vormen het eerste leger. Zannekin en alle Veurnenaars bezetten de tweede groep. Het volk van Nieuwpoort maakt deel uit van de derde brigade. De ridders ter plekke beseffen dat ze geen kans maken tegen de overmacht van al dit vijandig gezinde volk. Maar Robrecht van Cassel moet water en vuur verzoenen.

 

Hij moet zich enerzijds tonen als een waardig leider en anderzijds kan hij moeilijk zijn eigen volk bekampen. Aanvankelijk besluit hij om ostentatief de volkslegers op te wachten buiten zijn eigen vesting van Duinkerke. Tegen de zin van zijn ridderleger. Maar het gevecht is amper aangevat als hij beslist om zich terug te trekken naar het voorlopig veilige St.-Omer. Hij kan trouwens moeilijk anders als het weinige voetvolk dat hem vergezeld heeft, de zijde kiest van de opstandelingen.

 

Het weerspannig volk trekt Duinkerke, de thuisstad van Robrecht van Cassel, met het nodige lawaai binnen. Hier heeft de gravenzoon nog vrij recent geleden een kasteel laten optrekken. Zannekin revancheert zich voor de dood van de 6 gezanten en steekt alle eigendommen van de graaf, kasteel incluis, in brand. Na de verovering van het bastion van Robrecht van Cassel, sluit de bevolking van Sint-Winoksbergen, Cassel, Belle, Torhout, Roeselare en Kortrijk zich aan bij hun nieuwe 'kleine' koning Zannekin. Zannekin trekt nu naar Poperinge en viseert van daaruit één van de laatste bolwerken van de graaf van Nevers: het sterke en machtige Ieper.

 

Maar de Brugse lobby adviseert Zannekin om de confrontatie met Ieper voorlopig niet aan te gaan en om onderhandelingen te starten. Op Palmzondag 24 maart worden de wapens in onderling overleg even terzijde gelegd om na te gaan of er kan onderhandeld worden tussen de rivaliserende partijen. De onderhandelingen zullen doorgaan in de abdij van Ter Duinen in Koksijde. Er moet eerst en vooral een oordeel komen over de wederzijdse misdragingen. Zowel die van de adel als die van de schadelijke reacties van het volk. De uitspraak laat op zich wachten en dat maakt de kerels van Zannekin erg onrustig. Wat is er eigenlijk aan de hand? Er wordt uiteindelijk toch een vonnis aangekondigd dat zal uitgesproken worden op 11 juni 1325.

 

Zannekin en Janszone zijn met een grote groep rumoerige medestanders afgezakt naar Koksijde. Ze willen nu wel eindelijk eens effectieve straffen zien voor de edelen die zo driest te werk gegaan zijn de voorbije periode. Het vervolg is bekend. Er komt geen uitspraak. Robrecht van Cassel, de man die het oordeel moet vellen, wordt vakkundig van het toneel verwijderd. Ieper komt opnieuw in het vizier. Lodewijk van Nevers die er verblijft, voelt de hete grond onder zijn voeten en vlucht met 400 ridders naar Kortrijk.

 

Het verhaal van de inname van Ieper en van de volksfurie tijdens en na de Kortrijkse Metten, staat uitvoerig neergepend in 'De Kerels van Zannekin' in de 'Kronieken van de Westhoek'. Kort: de graaf wordt door uitzinnige Kortrijkzanen en Bruggelingen gevangen genomen en vastgezet in een Brugse gevangenis. Wydoot De Craene en Wydoot De Visch zijn twee edelmannen en gewezen schepenen uit de Kasselrij Veurne die aan de zijde staan van de graaf en die met de 400 ridders het idiote plan hebben opgevat om Kortrijk in brand te steken. Ze bekopen hun actie met het leven. De jaarboeken van Veurne preciseren de aankomst van de gevangen graaf met zes edelmannen in Brugge. De zes worden in het bijzijn van de graaf in stukken 'gekapt'.

 

Ondanks zijn smeekbeden aan de Bruggelingen om dat niet te doen. Ondertussen is Zannekin als een held ontvangen door het gemeen van Ieper. De schepenen en de magistraat zijn gevlucht en hun eigendommen worden aangeslagen en verdeeld onder de Ieperlingen. Zannekin geeft de achtergestelde bevolking van de Ieperse voorgeborchten eindelijk iets waar ze al decennia lang om vragen: de vestingen die hen scheiden met de binnenstad worden afgebroken en verplaatst naar de buitenzijde van de voorgeborchten. Dank zij Nikolaas Zannekin zijn ze nu voor het eerst echte Ieperlingen geworden.

 

De volgende drie jaar beleven de Vlamingen verwarrende jaren die uiteindelijk leiden naar een veldslag tussen een almachtig Frans leger en het leger van Zannekin op de Casselberg in 1328. De hele Vlaamse legerleiding, Zannekin inbegrepen, heeft de nodige boter op het hoofd voor de dramatische nederlaag en de dood van vele duizenden Vlaamse vaders en kinderen. Kort na 1325 leren we trouwens een zekere Jacob Peyt kennen. Het volk dat meezeult met Zannekin, is natuurlijk niet allemaal goedaardig. In de gemeente van (Sint-Winoks)Bergen leeft er een oproerige, goddeloze en bloeddorstige man die niet aarzelt om te doden als iemand ook maar enige affectie toont met de rijke burgerij.

 

Hij schopt het, dank zij zijn steun aan Zannekin, tot leider van Sint-Winoksbergen. In die functie koestert hij een ongekende haat tegen alles wat ook maar ruikt naar geloof, clerus en geestelijkheid. Vooral priesters werken op hem in als een rode lap op een stier. Hij schuimt met een bende gemene en tot op de tanden gewapende crapuuls, het Westland af op zoek naar elke priester die ze ook maar kunnen vinden. Een ongeziene razzia tegen het katholiek geloof. Hij laat ze ophangen en dood slaan. Overal slaan de pastoors op de vlucht voor Peyt. Een priester in Hondschote wordt door Jacob Peyt persoonlijk doodgeslagen. Een feit waarvoor hij zelf nogal over opschept tegen de zijnen. Zijn geweld en zijn fanatieke haat lopen zodanig de spuigaten uit, dat het volk van Veurne-Ambacht zich tegen hem keert. Althans zo leren ons de geschiedenisboeken.

 

Of gaat het hier om een ordinaire afrekening op een medestander die ze liever kwijt zijn dan rijk? Ze nemen in elk geval de wapens op tegen hem om verdere bestialiteiten en wreedheden van die smeerlappen van Sint-Winoksbergen in de toekomst te verijdelen. Het komt tot een gevecht waarbij Jacob Peyt om het leven wordt gebracht. Zijn aanhang wordt verjaagd. De mensen van Bergen komen achteraf het lijk van hun voorman ophalen en laten het begraven in de kerk van Coudekerke. Drie jaar later zal de bisschop van Terwaan zijn stoffelijke resten laten opgraven.

 

Hij wordt als een ketter tot as verbrand. De ketterij verdwijnt echter niet met de dood van Jacob Peyt. Twee jaar lang krijgt Sint-Winoksbergen een nieuwe leider: de genaamde Winnock De Fiere, die al even onmenselijk is als zijn voorganger en die tijdens de slag op de Casselberg samen met veel van zijn medestanders de dood zal vinden. Edmond Ronse voegt er bij de handschriften van Heindericx een relevante bedenking aan toe. Misschien was De Fiere meer Vlaming dan ketter? Zijn die handschriften niet het gevolg van een eeuwenlange Franse manipulatie om het oude Vlaamse volkswezen en alles wat er aan kon ruiken ongeloofwaardig te maken, te ondermijnen en te vernietigen? Wilden Peyt en De Fiere de dwingelandij van de edelen in Bergen en Bergenambacht stoppen?

 

Is het niet bizar dat het voltallige Sint-Winoksbergen zo maar opnieuw massaal achter Winnock De Fiere ging staan, zoals dat eerder het geval was bij Jacob Peyt? Misschien zijn de beschuldigingen van barbaarse ketterij het bewuste gevolg van een actie 'beschadiging'. Moedwillig aangebrachte schandvlekken op de zielen van beide Vlamingen en hun volk?

 

Na de dramatische en desastreuze nederlaag van de Vlamingen in Cassel en de dood van Zannekin en duizenden andere Westhoekers, komt West-Vlaanderen in een heel ander vaarwater terecht. De macht van de nieuwe Franse koning Filips van Valois laat zich snoeihard gelden. Centra als Veurne, Sint-Winoksbergen en andere steden, worden dankzij de tussenkomst van Lambert, de abt van Ter Duinen, nog enigszins ontzien. Maar het zijn vooral de mensen op den buiten, in de Kasselrijen, die kwalijk bezoek krijgen van de Fransen die zowat overal leeggeroofde en platgebrande huizen achterlaten.

 

De Leliaardgezinde Ieperlingen komen de koning tegemoet en geven zich over aan de Fransen. Ze bidden hem om genade en leveren een aantal opstandige leiders uit. Die worden ter plekke opgehangen. Dat is niet naar de zin van de Ieperse wevers die het belachelijk vinden dat hun eigen magistratuur zich overgeeft aan de Fransen. Hun plaats is net als die van allen in Ieper aan de versterkte vestingen die Zannekin heeft laten opbouwen. Waarom zijn ze hier niet zo moedig en dapper als die brave landbouwers in Veurne-Ambacht?

 

Die veel te snelle overgave is niet min en niet meer dan een regelrecht verraad tegenover de Vlaamsgezinde werkende klasse. De pastoor van de Sint-Michielsparochie roept zijn stadsgenoten van uit de preekstoel op om zich te verzetten tegen de Fransen. Maar zijn oproep brengt geen zoden aan de dijk. Meer zelf. Dank zij zijn eigen stadsbestuur, wordt hij als één van de eersten geviseerd door de vijandelijke legers. Hij verschanst zich met 14 burgers en wil van geen overgave weten. Uiteindelijk steken de Fransen het vuur aan de woning. Ze sterven alle vijftien in de vlammen. Ook in Brugge werpen ze zich aan de voeten van de koning.

 

De Franse justitie komt op gang. De Franse koning vertrekt naar Frankrijk en geeft graaf Lodewijk van Nevers de opdracht om de schuldigen op te sporen en te berechten. Vijfhonderd Vlamingen worden ter dood veroordeeld. Veel onder hen wonen in Veurne en zijn Kasselrij. De meesten worden opgehangen. Maar het aantal mensen dat wegens hun sympathie voor Zannekin wordt verbannen, is schrikwekkend. Vergeet niet dat er al duizenden boeren zijn omgekomen in Cassel. De hele regio blijft desolaat en flink uitgedund achter. In Veurne worden er twee personen aangesteld om de goederen en eigendommen van de gestraften te inventariseren en aan te slaan.

 

Een groot deel daarvan keert terug naar de edellieden die schade hebben ondervonden door het volksgeweld. De schrijver vergeet te vermelden dat Robrecht van Cassel en Filips van Valois in grote mate mee profiteren van de inbeslagnames. Op 19 oktober 1328 komt de graaf zelf naar Veurne. Het stadbestuur krijgt de volle laag om hun weerspannigheid en minachting tegenover Frankrijk en het bestuur dat hij zelf vertegenwoordigt in Vlaanderen. Alle privileges en vrijheden worden ingetrokken. En geloof me: dat is een ramp voor gelijk welke stad in de middeleeuwen.

 

Zowel die van Veurne als van de hele Kasselrij worden aangemaand om in een akte hun onderdanigheid en hoogste respect te zweren tegenover hem en de koning. De 'akte van onderwerping' ziet er als volgt uit: 'Wij, burgemeesters, schepenen, raadsleden en de hele gemeenschap van Veurne, laten aan iedereen weten dat we biechten en vergiffenis vragen voor onze misdaden en ons misprijzen ten opzichte van de vredesakkoorden die we met Frankrijk aangingen tijdens het verdrag van Arques. Van hoog naar laag zullen wij ons vrijwillig schikken naar de wensen en wetten van onze gewaardeerde heer Lodewijk, graaf van Vlaanderen en van Nevers.'

 

'We engageren ons zo veel gijzelaars over te maken als hij zelf wil, en zweren op het evangelie om trouw en gehoorzaam te blijven aan het Franse bestuur'. Het is trouwens een aardige bende gijzelaars die verplicht wordt om te vertrekken naar Frankrijk waar mensen van alle soort en slag in verzekerde hechtenis worden genomen om te voorkomen dat ze het in hun thuisland opnieuw te bont zouden maken. De bronnen hebben het over 900 pandsmannen in Ieper alleen al. Op 17 september worden er in Brugge 500 burgers als gijzelaars weg geleid.

 

De graaf blijft een diep wantrouwen koesteren tegen die van Veurne-Ambacht. Hij wil absoluut voorkomen dat dergelijke oproer zich in de toekomst nog kan voordoen en geeft opdracht om een citadel te bouwen aan de Oostpoort van Veurne. Een peloton van soldaten zal voortaan vanuit die versterkte burcht controle houden en zo nodig elk oproer in de kiem smoren. Tweehonderd jaar lang, tot aan een nieuw oproer in het jaar 1535, zal dit kasteel bemand blijven.

 

Als de muren rond de Oostpoort en de poort zelf, zullen worden afgebroken in 1673, vindt men nog steeds overblijfselen terug die herinneren aan de versterking die Lodewijk van Nevers liet bouwen in 1328 om de Veurnenaars in het grafelijk gareel te houden. In 1332 is de rust terug. In Veurne vernemen ze dat enkele Vlaamse steden hun vrijheden hebben teruggekregen van de graaf omdat ze zich al vier jaar geschikt hebben naar zijn gezag. Ze besluiten om ook hun aanvraag in te dienen. De graaf die ziet dat ze het deze keer goed menen in Veurne, beslist om Veurne en Veurne-Ambacht nieuwe wetten en privileges toe te kennen zo dat justitie en politie weer eigen Veurnse wetten kunnen laten opleggen en respecteren.

 

De nieuwe wet van Veurne beslaat 104 artikelen. Voor de Kasselrij Veurne-Ambacht worden er 137 verschillende wetsartikelen voorzien. De aktes die vergezeld gaan van de nieuwe wetten, verwijzen nog maar eens uitgebreid naar de voorbije burgerlijke ongehoorzaamheid en hebben het ten overvloede over de oprechte goedertierenheid van de graaf om het volk van Veurne ondanks zijn misdragen toch ter wille te zijn met nieuwe privileges. In realiteit zijn de keuren en aktes natuurlijk een exacte kopie van die van de andere Vlaamse steden. Goedertierenheid zegt u? Eerst en vooral laat hij zich fors betalen door de goegemeente. Een zoenoffer om zijn liefde af te kopen. Grote sommen geld die dienen om de kosten te vergoeden die hem berokkend werden.

 

De stad Veurne moet 1.000 Parijse ponden in baar geld afdokken en daarboven op een eeuwige rente van 100 pond die moet vereffend worden op 1 juni van elk jaar. De Kasselrij moeten 12.000 Parijse ponden betalen via een jaarlijkse rente van 1.000 ponden. Voor de stad Lo, die een tijd lang heeft samengespannen met Veurne, bedraagt de vergoeding 300 pond en jaarlijks 20 Parijse ponden. Ook in de rechtspraak eigent Lodewijk van Nevers zich bijzondere privileges toe. Hij zelf zal recht spreken als het gaat over misdaden begaan op geestelijken, wetsdienaars of ambtenaren. Ook rellen, opstoten van geweld en het berokken van schade aan duinen of dijken zal door de graaf bestraft worden.

 

Hij eigent zich trouwens ook het recht toe om, indien hij dit nodig acht, elke beslissing van het schepencollege binnen de acht dagen te herroepen. In het laatste artikel van de nieuwe wet eist Lodewijk dat de ingezetenen van de stad en van de Kasselrij altijd de kant moeten kiezen van de graaf en dat hij hen te allen tijde kan oproepen om de wapens voor hem op te nemen. Hij wijst er in de slotrede trouwens nog eens op dat er al veel Veurne-Ambachters bestraft werden met de dood of met lichamelijke straffen omdat ze het hadden aangedurfd zich vijandig en weerspannig op te stellen tegenover zijn persoon.

 

De grafelijke wetten en vrijheden worden op 1 mei van het jaar 1332 aan de magistratuur van Veurne overhandigd. Ze worden verplicht om die te laten respecteren en jaarlijks een 'akte van aanveerdinge' te laten registreren in de rekenkamer van Rijsel. De handschriften van Pauwel Heindericx vermelden dat de jaarlijkse belasting van 100 ponden die de stad van Veurne moet betalen, nog altijd in zwang is. Die wordt nu elk jaar opnieuw betaald aan de commandeur van Slijpe die de som doorsluist naar de orde van de ridders van Malta (de hospitaalridders die veel van de Tempeliersorde erfden als die in 1307 verboden en opgeheven werd) die ooit die rente geschonken kregen door graaf Lodewijk van Male. Een bedrag dat trouwens een aflossing is voor een lening van 500 pond die hij bij de orde is aangegaan is in 1363.

 

De relatie tussen Veurne, Veurne-Ambacht en de Franse koning verloopt nog altijd stroef in 1334. Er ligt nog altijd een omvangrijke financiële boete op tafel voor de misdaden die begaan werden tijdens en voor de slag van Cassel in 1328. Filips van Valois heeft al verscheidene keren aanmaningen gestuurd naar het Veurnse en geëist dat er afgevaardigden naar Parijs zouden worden gestuurd om de kwestie af te handelen. Maar keer op keer zoeken de Veurnenaars excuses om niet te moeten betalen. De beschikbare fondsen worden nu al helemaal opgesoupeerd door de terugbetaling van vroegere herstelbetalingen aan de graaf en aan zichzelf. De mensen zijn arm, waar kan trouwens Veurne die immense sommen geld tevoorschijn toveren?

 

De Franse koning is echter niet te vermurwen. Arm of niet. Betalen moeten ze. Als het spel lang genoeg aangesleept heeft, beginnen de dreigementen met straffen. Uiteindelijk stellen de magistraten van Veurne enkele gevolmachtigden aan om ter plekke te gaan onderhandelen met de heren van de Parijse rekenkamer. Ridder Jan van Stavele, de burggraaf van Veurne, Rogier Chonin, lid van de magistratuur van Veurne. Van Veurne-Ambacht worden de magistraten Christiaen Blandelin en Thomas Manin afgevaardigd. Het viertal trekt begin augustus 1334 met lange tanden naar Parijs. Op 3 augustus 1334 komt er uiteindelijk een akkoord uit de bus.

 

De acht parochies van de kasselrij en de stad Veurne maken zich elk voor zich sterk om 14.000 Parijse ponden te betalen, gespreid over 7 jaar. De eerste afbetaling van 2000 ponden dient te gebeuren op kerstmis van 1334. De Franse ambtenaren handelen trouwens als regelrechte bankiers. Er komt een onderpand op de schuld. De eigendommen van de huidige en toekomstige burgemeester, schepenen en raadsleden dienen als borgstelling van de lening. Het akkoord van 3 augustus 1334 is lange tijd te vinden geweest in de Veurnse stadsarchieven, maar blijkt er in 1853 onvindbaar. Hoe dan ook: de overeengekomen afbetalingen werden nooit ten volle gerespecteerd door het uitbreken van nieuwe oorlogen en verdere weerspannigheden.