P1314100

Het oppakken van graaf Gwijde en zijn twee zonen te Parijs, leidt de Vlamingen rechtstreeks naar een militaire confrontatie aan de Groeningebeek, waar de Nieuwpoortnaars zich verenigen onder de banier van Eustaes Sporkin van Veurne. De Vlaamse zege in Kortrijk brengt echter helemaal geen vrede voor de mensen. De vijandelijkheden tussen Fransen en Vlamingen gaan onverstoord verder tot in 1305. Robrecht van Bethune en zijn broer verkopen ten langen leste de ziel van Vlaanderen om toch maar opnieuw de macht te kunnen bekleden in hun graafschap.

 

De voorwaarden voor hun terugkeer en het aanstellen van Robrecht als nieuwe graaf zijn exorbitant en vernederend. Vooral de overeengekomen lasten en boetes, betekenen een kaakslag voor het volk. Robrecht doet wat hij kan om zijn volk de voorwaarden van zijn verdrag te laten naleven. Hij krijgt weinig gehoor. Uiteindelijk slaagt hij er tijdens het jaar 1306 in om de stad Nieuwpoort te overhalen om zich met lange tanden bij het verdrag neer te leggen. Maar het volk mort en de koning dreigt met represailles als er geen algemene aanvaarding komt van het verdrag van 1305.

 

De impact van het verdrag op het sociale weefsel van Vlaanderen en dat van Nieuwpoort is ernstig. Oude vetes komen opnieuw tot leven. Nieuwe botsingen breken uit. De posities van de baljuw en de hoogbaljuw komen onder druk te staan. In Veurne wordt baljuw Filips van Axpoele op 4 maand tijd geconfronteerd met 80 gevallen van "mellée, core en callenge". De boetes lopen op tot 10 pond per misdrijf. In 1306 loopt het aantal daden van verzet en rebellie verder op. De nieuw aangestelde baljuw Sohier van Ham krijgt te maken met 100 gevallen van "core" en 194 van "mellée". Er is zelfs sprake van een volksopstand wanneer woedende Nieuwpoortnaars een aantal aangehouden stadsgenoten willen bevrijden tijdens hun overbrenging naar de vierschaar.

 

Ook in 1307 gaat het er even woelig aan toe. Het stadsbestuur probeert de sociale onrust te onderdrukken door een algemeen verbod op dobbelen en een nachtklok uit te vaardigen. Op goede vrijdag, "crois aourée", 24 maart 1307, grijpt de graaf in. Er komt een speciale verordening die stipuleert dat elke vorm van samenzwering of vredebreuk niet enkel maar financieel zal beboet worden. Nu is er sprake van het verlies van "lijf en goed".

 

De sociale onrust blijft echter maar aanslepen. Volgens de rekeningen van de nieuwe Veurnse hoogbaljuw Gossin de Lauwe, is er tussen 14 januari en 25 oktober 1308 sprake van 50 overtredingen tegen de keuren en 113 wegens "mellée". Vooral de familie Vardeboud laat zich opmerken. Dit heeft vermoedelijk alles te maken met de verbeurdverklaring van de eigendommen van Salomon Vardeboud in 1305.

 

In 1309 trekt koning Filips de Schone de afgevaardigden van de gemeentenaren mee in bad voor een nieuw verdrag waarbij de financiële voorwaarden enigszins worden verzacht. Maar die compensaties blijken onvoldoende om de gemoederen tot rust te brengen. De misnoegdheid en de haat tegenover de Fransen woekert verder.

 

De heffingen op de kap van iedereen die werkt en bezit, zijn een doorn in het oog. Er is de jaarlijkse heffing van de landscout in opdracht van de graaf. De Veurnse hoogbaljuw Boudewijn Reyfin, de beruchte verrader van de Vlamingen in Bulskamp in 1297, draagt in de periode voordien de verantwoordelijkheid om die te innen. Hij wordt bijgestaan door de tollenaar Henri de la Court. Er is sprake van een reeks van tollen en van een grondcijns. De tollenaar voert de nodige kadastrale metingen uit om de percelen perfect in kaart te brengen. De kosten van elk kadastraal onderzoek worden in rekening gebracht, maar mogen finaal in mindering gebracht worden wanneer de grondcijns betaald wordt.

 

Het gevaar voor een nieuwe oorlog is ondertussen enigszins geweken. Voorlopig toch. De mensen kunnen wat vrijer ademen. In Nieuwpoort maakt men van de gelegenheid gebruik om aan opbouwend werk te denken. Er is al sprake van de aanwinsten van nieuwe grondgebieden in 1310. De drang naar groter en wijder, die al in het Nieuwpoortse bloed terug te vinden was in de 13de eeuw, manifesteert zich opnieuw. De hele stad is rond 1300 al volledig volgestouwd en bebouwd. Dus is de noodzaak naar nieuwe gronden een belangrijke bezorgdheid voor de Vlaamse havenstad die met alle mogelijk middelen het hoge tempo van de boomende lakenstad Ieper probeert aan te houden.

 

Langs de noordkant van de stad ligt er een streep onbebouwde grond. Op vandaag kunnen we die situeren tussen de spoorweg naar Nieuwpoort-Bad en de Havenstraat. Het stuk braakliggende polderland is eigenlijk de opgevulde bedding van de Onie, de vroegere bedding van de Ijzer. Je weet wel: de Onie die ooit de naam gaf aan (O)Niepoort.

 

De grond is eigendom van Jan van Namen, de man onder wie de Vlamingen nog gestreden hebben in Groeninge. Hij maakt er geen probleem van om het stuk van zowat 17 hectare te verkopen voor de prijs van 977 Parijse ponden. In die tijd spreekt met over 25 pond parisis per gemet. Met een aanvullende rente van 4 denieren per gemet die jaarlijks moet betaald worden op Sint-Jansdag. De verkoopakte wordt ondertekend in 1310. Robrecht van Bethune, de graaf van Vlaanderen geeft er op 28 januari 1311 zijn goedkeuring aan.

 

De grond wordt stilaan bekend als de "Stadspolder" die zich onderscheidt van de westelijk gelegen "Lenspolder" die eigendom is van Jan Van Belle. De stad krijgt de toelating de aanslibbingen buiten de polder te gebruiken om de dijken te versterken, zolang er maar geen schade toegebracht wordt aan de dijk van de polder van Jan van Belle. De Stadspolder is ter hoogte van de Kokstraat begrensd door een gracht, de "dilf", die gebruik makend van een sluissysteem, het overtallige water naar de Ijzerhaven loost.

 

De aankoop van de Stadspolder door Nieuwpoort leidt tot moeilijkheden met de slokoppen van Sint-Walburga in Veurne die menen rechten te kunnen laten gelden op de tienden van het hele gebied. De stad Nieuwpoort is natuurlijk een andere mening toegedaan. Het is het begin van een geschil dat zal aanslepen tot 4 juli 1662. Driehonderdvijftig jaar.

 

Ten westen van de Stadspolder, noordelijk van de duinen, tussen de kreken van Groenendijk, het vroegere Vloedgat, en de haven, ligt dus de Bellepolder. Het gebied dat Nieuwpoort met Oostduinkerke verbindt, wordt rond 1307 ingelijfd bij de stad Nieuwpoort. In 1300 is de polder van enkele honderden hectaren nog het eigendom van Zeger van Belle die het geërfd heeft van zijn vader Boudewijn van Belle. Zowel vader als zoon hebben het geschopt tot maarschalk van Vlaanderen en hebben dank zij hun militaire loopbaan een belangrijke status verworven in het graafschap. Hun status zorgt voor een vrijstelling van cijnzen op hun polderland in Nieuwpoort.

 

Ondanks het feit dat de Bellepolder nu tot Nieuwpoort behoort, blijft de familie van Belle wel degelijk eigenaar ervan. Het gebied en de omringende duinen zullen trouwens geleidelijk aan uitgroeien tot de "Polderduinen". In 1314 is Jan (Jehanne van Bellen), de zoon van Zeger van Belle, de bezitter van het gebied dat 119 achterlenen omvat.

 

Op 18 mei 1320, wordt er nog een nieuw gebied toegevoegd aan Nieuwpoort. Een streep grond van 18 hectare (40 gemeten), dankzij de dijkwerken gewonnen in de bedding van de Ijzer tussen Nieuwendamme en de zee. De grond moest eigenlijk toebehoren aan Isabella van Gistel maar die had op 4 januari 1294 afgezien van haar eigendomsrechten. De gronden tussen Nieuwpoort en Lombardie zijn aanvankelijk niet als bouwgrond bestemd.

 

De grafelijke aanwezigheid is nooit veraf in Nieuwpoort. Na de indijking van de polders aan het oude Vloedgat is er een duinengebied ontstaan ter hoogte van de Nieuwe Ijde. Een domein dat eigendom is van de graaf. De weiden worden door zijn ontvanger in pacht gegeven om er runderen op te kweken. De pachters worden verplicht om een heffing te betalen op de uitbating van hun veehouderij. De "pasturage des biestes de le Nieue Hede es dunes" brengt rond 1295 jaarlijks een goede 11 Parijse ponden op. In het jaar 1300 bedraagt de pachtprijs 8 ponden. Die prijs blijft trouwens aangehouden wanneer de illustere Brugse volksheld en beenhouwer Jan Breidel de weide gaat pachten.

 

De geschiedenisboekjes vertellen natuurlijk niet dat Jan Breidel een slechte betaler is. En toch is dat het geval. De Bruggeling pacht de weiden tussen 1302 en 1306, maar blijft zijn jaarlijkse pacht van 8 ponden elk jaar opnieuw schuldig. In 1307 blijkt hij nog een openstaande pachtrekening te bezitten van 30 pond. Ook de pachters die de "pasturage" na hem huren, blijken hun pachtgelden niet op de voorziene betaaldata vereffend te hebben. Er zal trouwens een einde komen aan die verpachting van de "pasturage" als Ryquart le Reude het gebruiksrecht krijgt voor zijn hele leven.

 

Waar ligt de aanlegplaats van de Nieuwe Ijde precies? Rond het jaar 1900 zullen archeologen stoten op de restanten van een middeleeuws vissersdorp waar het vol ligt met spellewerkersspelden. De plek ten noorden van Oostduinkerke staat sindsdien bekend als de Spelleplekke. De Spelleplekke bevindt zich aan de rand van een brede zee-inham, de resten van de monding van de oude Ijzer, waar zich rond 1300 het vrij dynamische haventje van de Nieuwe Ijde (Yde) situeert. Nog geen eeuw later zal de geul dichtslibben en zal Nieuwe Ijde letterlijk en figuurlijk onder het zand van de tijd worden begraven.

 

Dicht bij de noordoostelijke kant van Nieuwpoort, doemt de Duinenabdij en het nonnenklooster van Broekburg op. We vinden ze allebei aan de linkeroever van de Ijzer waar ze met instemming van de graaf nieuw land hebben kunnen veroveren op het water. Het "moenche huus", of monnikenhuis ligt vlakbij de oostsluis, een plek die grenst aan de Nieuwlandpolder, die eigendom is van de abdij van Broekburg. De monniken van Ter Duinen zijn er in 1246 al in geslaagd om zowat 11 hectare in te polderen. Het is op diezelfde nieuwe grond dat ze hun abdij hebben gebouwd.

 

De nonnen van Broekburg hebben tezelfdertijd gewerkt aan de inpoldering van de schorren in de Ijzermonding. Dicht bij de "Fresdick", de verse dijk, die hun nieuw gewonnen gebieden afbakent. Die grond heeft zo zijn betekenis voor Nieuwpoort zelf. Dat blijkt in 1272 als de nonnen een deal sluiten met Nieuwpoort en met gravin Johanna van Constantinopel. Ze verwerven alle rechten op de nieuw gewonnen gronden en staan in ruil hiervoor hun eigendomsclaim betreffende de duin van Sandeshoved af. In realiteit betekent het dat de oude schapenweide waarop Nieuwpoort is gebouwd nu finaal eigendom wordt van de stad.

 

Broekburg en Ter Duinen gaan trouwens, met het jaar 1300 in het verschiet, beter en beter samenwerken. En dat is niet altijd naar de zin van Nieuwpoort zelf. Vooral het feit dat er nieuwe dijken gebouwd worden zonder instemming van Nieuwpoort, stuit op hevig verzet. Ze krijgen de graaf zover om op 4 januari 1294 een bouwverbod te laten ondertekenen. Maar op enkele decennia tijd zijn de nijvere geestelijken er wel in geslaagd om een poldergebied van nagenoeg 320 hectare in de Ijzermonding te exploiteren. De Grootnoordnieuwlandpolder waar het dorpje Sint-Joris een eigen parochie vormt.

 

Naast de Sint-Niklaasabdij van Veurne is de grote speler in het buitengebied van Nieuwpoort en Veurne natuurlijk de abt van Ter Duinen. Het bezit van de Duinenabdij is indrukwekkend. De "Grote Hemme" en het "Noordhof" aan weerszijden van de Venepe. De landbouwexploitaties Allaertshuizen, "Uthoven" in Wulpen, de "Grote Bogaerde" in Koksijde, verschillende hoven in de Moeren en de "Ammanswalle" te Oostduinkerke

 

Nieuwpoort vormt als het ware een privé enclave te midden het uitgestrekte land van de geestelijken dat zowat het hele West-kwartier inneemt. Ook de monniken van Sint-Niklaas zijn goed bedeeld met onder andere grote stukken schorreland aan de rechteroever van de Ijzer en bijvoorbeeld een landgoed van ongeveer 160 hectare in Alveringem dat uitgebaat worden door de "Fockewerve" boerderij.

 

Bij Lombardsijde aan het noorden van Nieuwpoort zien we de Hemmepolder, de polders van "Lombardie" en de Bamburgpolder met dito hoeve. Allemaal eigendom van de Sint-Pietersabdij van Oudenburg. In het begin van de 14de eeuw zorgt diezelfde abdij trouwens voor de bouw van een nieuwe havendijk tussen Nieuwendamme en Lombardsijde welke grote invloed zal uitoefenen op de bevaarbaarheid van de Ijzer.

 

De schepenen van de stad Nieuwpoort beseffen natuurlijk het belang van de nieuw ontstane infrastructuur rond de Ijzer en de Ijzermonding en gaan hele stukken nog onbedijkte schorren huren van de Sint-Pietersabdij. Ze hopen zo zelf een actief havenbeleid te kunnen voeren. Ondanks de slechte tijden laten de Nieuwpoortnaars het hoofd dus niet hangen. Sinds 1297 heeft de hoop op verdere groei en voorspoed nochtans een gevoelige knauw gekregen. Maar de mensen geven het niet zo maar op. De grafelijke bekrachtiging van de belangrijke Tolkeure van 1315 komt trouwens midden in het troebele politieke vaarwater tussen Frankrijk en Vlaanderen. Een aantal factoren zitten uitstekend: de relatie met het grafelijk hof is excellent, met de nieuw aangeworven Stadspolder is er weer ruimte om te bouwen. De mensen hopen nu nog alleen op vrede om hun verwachtingen te verwezenlijken.

 

Oorlog, onrust en onzekerheid blijven echter constant aanwezig tijdens een lange periode die aansleept tot na 1328. En dan spreken we nog niet over de situatie op zee. De Engelsen staan erg vijandig tegen de Fransen en weten niet of de Vlaamse schepen op zee wel te vertrouwen zijn. Tot slot is Vlaanderen niet meer dan een provincie, een leengebied, van het vermaledijde Franse koninkrijk.

 

Sinds het vredesverdrag van Athis-sur-Orge van 1305, is Vlaanderen weer officieel onderworpen aan Frankrijk. Dus zijn de Vlamingen naar de letter eigenlijk vijanden van de Engelsen. Dat het merendeel van de Vlamingen de Fransen hartstochtig verfoeit, doet eigenlijk niet echt ter zake. Er is wel sprake van een reeks pogingen om het vertrouwen tussen de Engelsen en de Vlamingen te herstellen. Maar echt geslaagd kan je die tot slot eigenlijk niet noemen.

 

De lasten die moet betaald worden aan Frankrijk komen stilaan ook naar de oppervlakte in Nieuwpoort. Ze komen bovenop de bestaande tollen en grondcijnzen. Tollenaar Pieter Van den Leene komt in opdracht van de graaf van Vlaanderen naar Nieuwerijde en Lombardie en begint in 1313 aan het opstellen van een lijst van bebouwde percelen waar er in de toekomst belastingen zullen op geheven worden. Hij krijgt voor zijn werk een jaarloon van 20 Parijse ponden en de ambtelijke eindverantwoordelijkheid voor de uitbating van de tol in Nieuwpoort. De landscout die nu al in functie is, moet trouwens ook verantwoording afleggen tegenover Van den Leene.

 

Hij wordt in zijn kadastrale taak bijgestaan door de schepenen van Nieuwpoort. "De boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort" is nog voor de Vasten van 1314 afgewerkt. Het is al met al een merkwaardig document dat ons veel inzichten biedt hoe Nieuwpoort er eigenlijk precies uitziet in die middeleeuwse periode. Het kadaster bevat 45 kadastrale eenheden. Het zijn door straten of hoeken afgebakende vierkante eenheden die de naam "paerc" (park) dragen.

 

De straten rond de parken zijn meestal kaarsrecht en lopen van zuid naar noord. Precies zoals die op vandaag lopen. Van west naar oost is er sprake van de "grote crusstraete" die alle noord-zuid straten van de stad doorsnijdt. Anno 2012 is dit de Langestraat. Parallel, zowel zuidelijk als noordelijk van de grote crusstraete zien we nog een aantal dwarsstraten die zo verrukkelijk mooi "duerstraetkins" worden genoemd. Slechts één van die duerstraetkins is (deels) immuun gebleken tegen de tanden van de tijd; de Ankerstraat die loopt tussen de Astridlaan en de Arsenaalstraat. Alle andere oost-west straatjes zijn geleidelijk aan verdwenen. Volgebouwd en ingelijfd bij aanpalende eigendommen.

 

In 1914 (zeshonderd jaar na de opmetingen) zal er nog sprake zijn van één van die duerstraetkins. Namelijk het Sint-Antonestraatje aan de noordkant van de stad, dat de Oostendestraat verbindt met de Valkestraat. Na de eerste wereldoorlog zullen alle gronden in het noorden van Nieuwpoort opgeëist worden om het Kaaiplein te kunnen verbreden. De voorste percelen van de woningen die op vandaag uitgeven op de Kaai herinneren ons aan die middeleeuwse duerstraetkins.

 

De rechte noordzuidelijke straten bestaan wel nog op vandaag. De Marktstraat, de Hoogstraat en de Kokstraat maken al in 1314 deel uit van de kom van Nieuwpoort. Het oostkwartier en het vestkwartier zijn in de middeleeuwen totaal anders dan op vandaag. Er is totaal geen sprake van rechte straten hier. Om het oostkwartier te bereiken moeten de mensen over de "hane witkins brugghe", de plek waar zich nu het kruispunt van de Arsenaalstraat met de Willem de Roolaan situeert. Van de "hane witkins brugghe" loopt het verder naar de Sint-Lauwereinskerk waar anno 2012 nog steeds de illustere Duivetoren herinnert aan die middeleeuwse kerk.

 

Sint-Lauwerijns is in 1314 een levendig en bruisend centrum. Vol volk. Een wirwar van steegjes en straatjes in alle mogelijke richtingen. Doorsneden door kanalen en vaarten allerhande. Aan water is hier geen tekort. Daar getuigen de steeds maar terugkerende termen zoals "brugghe", "waterghanc", "gracht" en "sluis"ons aan. We vinden er het "sinte laurens straetkine", de "relmesbrugghe" en de "St Laurensbrugghe". De kriskras aangelegde steegjes zijn het werk van de oudste generaties Nieuwpoortnaars en dateren nog van veel vroegere datum dan de perfect aangelegde en kaarsrechte straten in de kom van de stad.

 

Alles wat ten westen ligt van de "clikerstraete" (nu de Astridlaan) behoort tot het West-kwartier. Ook het West-kwartier toont diezelfde kenmerken. Lukraak gebouwde huisjes, steegjes alom. Simpel charmant. Zonder plan en zonder vooruitzicht. Maar hier is er geen sprake van water. Het West-kwartier staat gelijk met het "busschaerds" bosland. Er is zelfs sprake van een park en van duinen die ons nu nog herinnerd worden door de Parklaan en het Leopold II Park.

 

De meeste steegjes worden nooit bij naam genoemd. Het doet een beetje denken aan grootsteden zoals Tokio waar straatnamen geen deel uitmaken van adressen en de plek van een woning letterlijk wordt omschreven in de context van straatjes en steegjes en binnenpleintjes. Aan de westkant van Nieuwpoort is er die hele wirwar enkel sprake van de "willem quintinstraete" en van de "sinte hilde straete". De clikerstraete loopt in die tijd tot aan de hedendaagse Langestraat.

 

Alles ten noorden van de Langestraat wordt "ijdel lant" genoemd, de Stadspolder, die gekocht werd van Jan van Namen met de bedoeling om hier de stad verder uit te breiden. De beschrijving "ijdel lant" toont in elk geval aan dat de Nieuwpoortenaars er aanvankelijk aan dachten om dat polderland eerst als landbouwgrond te gebruiken in afwachting van er huizen op te bouwen. Maar met de desastreuze decennia van geweld en armoede, zal het uiteindelijk nog duren tot in 1328 vooraleer er zal begonnen worden met de uitvoering van de bouwplannen.

 

In "de boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort" van 1314 staan de gebouwen van de graaf en van de staat niet opgelijst. Ze zijn immers vrijgesteld van belastingen. Hetzelfde geldt voor de parochiekerken. Toch is er sprake van de Burg en van kerken als die gebruikt worden om de exacte ligging van bepaalde eigendommen beter te specificeren. De Burg ligt op het "burchland" tussen de "burchstraete" (nu de Potterstraat) en de Willem de Roolaan.

 

De sectie van de Willem de Roolaan, tussen Stella Maris en de Onze-Lieve-Vrouwkerk draagt de naam "oude sciptal" en is vermoedelijk een losplaats voor schepen. Er is dus vermoedelijk ook sprake van een "nieuwe sciptal", in 1314 bekend als de "Dam", de Kaai die zich op vandaag tegenover de Vismijn situeert. Het kerkhof van St.-Lauwerijns is belast op rekening van de stad. De pastorij met zijn afzonderlijk belastte oost- en westvleugel, is voor rekening van de parochiale geestelijkheid. We zien hier trouwens ook één van de grootste gebouwen van Nieuwpoort opduiken. De "Presbitie" is soort hotel, een residentie waar priesters verblijven.

 

Ze fungeren als zangers (cantors) om de kerkelijke plechtigheden van St.-Lauwereins op te luisteren en assisteren de Veurnse monniken van St.-Niklaas bij hun parochiediensten. Waarschijnlijk dient de Presbitie eveneens als een soort school waar priesters middelbaar onderwijs organiseren. De taksen op de Presbitie vallen in elk geval op de schouders van de stad.

 

In 1314 horen we ook van andere commerciële gebouwen. Her en der verspreide schuren en het "Tanhuus" in het West-kwartier. Een werk- en handelsplaats voor de leerlooiers. De "hanghe" (de galg) in de Schipstraat en het "tghizelhuus", de gevangenis in de Langestraat. Er is ook sprake van vier markten. De Vismarkt, de Pottemarkt en de "Zwinemarct" liggen westelijk van de Burg waar zich nu het college en het aanpalend marktplein bevinden. Het hedendaagse marktplein staat trouwens in 1314 volgestouwd met woningen. De Vis- Potte en Zwinemarkt worden in openlucht gehouden en zijn bereikbaar via de huidige Marktstraat en de Kerkstraat die toen omschreven wordt als de "Marcktstraete".

 

De vierde markt is de Houtmarkt en is in elk geval geen openluchtmarkt. Integendeel. De Houtmarkt behoort tot de grootste gebouwen van Nieuwpoort. Met de scheepswerven in de buurt is de vraag naar hout natuurlijk vanzelfsprekend. De handelsplaats bevindt zich ergens tussen de Duivetoren en Stella Maris. Er is in "de boec vanden hofsteden Lande vander Nieuwerpoort" van 1314 geen sprake van de Halle. Dat kan ook moeilijk, want die werd zo'n 15 jaar geleden tijdens de doortocht van de Franse geweldenaars in brand gestoken. Net zoals de Onze-Lieve-Vrouwkerk en haar Presbitie. De Halle die diende als markt, stadhuis, openbare vergaderplaats en als gerechtshof, zal pas in 1329 heropgebouwd worden.

 

Tot slot is er ook sprake van het "thuus van voerne ambacht" in het oostkwartier. Hier zullen ongetwijfeld een aantal bestuurlijke functies van Veurne-Ambacht plaatsvinden. En dan zijn er de boerderijen, de "hofsteiden, die verwiessen ende die noit te brieve waren, als me mat mijns heren arvachtigheide". 170 erven die de stedelijke agglomeratie zo goed als omsingelen. Bij het kerkhof van Sint-Lauwereins, de puinen van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de "veste". Vlakbij de polder van Jan van Namen is er sprake van een kleinere "steide polder" of "polderkin" en de "dwersstrate" met een vierkant park van 60 hofsteden of erven.

 

Het totale plaatje toont circa 1440 particuliere percelen en 70 die eigendom zijn van instellingen. Naast een aantal niet geregistreerde percelen, komt het totaal op ongeveer 1680 stuks die goed zijn voor een landgebruik van 45 hectaren. Ze resulteren in een jaarlijkse "onroerende heffing" van 130 Parijse ponden. Latere kadastrale metingen uit 1861 zullen aantonen dat de Nieuwpoortse agglomeratie tussen 1314 en 1861 amper in omvang zal wijzigen.

 

In het kadaster van 1314 vinden we ook interessante wetenswaardigheden over de Spelleplekke (aan de inham van Nieuwe Ijde bij Oostduinkerke) die op ongeveer 5 km verwijderd is van de stad van Nieuwpoort. De Nieuwe Ijde telt 140 percelen, over een totaal van een kleine 3 hectare grond. De woningen aan de Spelleplekke liggen her en der in de duinen verspreid en zijn door zandweggetjes met elkaar verbonden. Er is ook sprake van een "Visschershuus", een soort centrum voor de vissers. Er staat een molen en een soort parochiaal centrum, het huis van de "kercke van der Hijde" dat ook als "huus van der steide" geboekstaafd blijft. Hier zwaait de pastoor, de "pape Eustaes van Ansinghem" de plak.

 

De circa 500 bewoners van het sterk geïsoleerde Nieuwe Ijde hangen natuurlijk in grote mate af van het werk dat ze vinden in zowel Nieuwpoort als Veurne. De vier hoofdwegen van en naar de Spelleplekke zijn niet zonder belang. Er is de "mene wech besuden an de galghe toter Nieuwerpoort", de "winterwech", een gemene weg "zuut te Veurne waert" en de "kerckwech". Die kerkweg loopt trouwens landinwaarts en dient "om te oesterne", om zich te bevoorraden. Rond 1357 zal de bevolking nog de toelating krijgen om een tot dan toe betwiste "voetwech" richting Nieuwpoort te mogen gebruiken. Het wegeltje verbindt de Nieuwe Ijde met het gebied "benoorden der galghen" te Nieuwpoort.

 

Vlakbij de Nieuwe Ijde zien we vanaf 1296 ook de "kete des dunes" opduiken. Het gaat hier waarschijnlijk om een zoutziederij, een zoutkeetinstallatie die dient om zout te winnen uit het Noordzeewater. Het gebouw wordt door de grafelijke ontvanger vrij regelmatig in pachtgebruik aangeboden aan geïnteresseerde partijen. Het aantal gegadigden om de "kete des dunes" te huren, wijst op een lucratief handeltje hier in de duinen en dicht bij de zee.

 

In de middeleeuwen hebben de gewone mensen eigenlijk nog geen familienaam. Ze staan bekend met het beroep dat ze uitoefenen of met de plaats waar ze vandaan komen. En eigenlijk is het wel eens leuk om die beroepen en die plaatsnamen te bestuderen. Ze vertellen veel over wie en wat in dat begin van die 14de eeuw. Naast de beroepen die we op vandaag nog steeds zien, vallen volgende opmerkelijke beroepen op: schuiteman, koolman, mandenmaker, huidvetter, karreman, zager, wevelaar, bierman, baardemaker, schorreman, valkenier, handschoenmaker, ketelboer, verwer, tegelaar, schipboeter, vierboeter, beteman, beursmaker, zwartvager, schildknecht, schaver, koker, kuiper, deringdelver, reper, pitteman, wapenmaker, kaasstekker, boterman, markman, loper, duinheer, schipwerker, aleman en houtbreker. Nostalgisch toch?

 

Of de plaatsen waar ze vandaan komen. Van Zeeland Handzame, Leiden, Reninge, Schore, Ramskapelle, Oudenburg, Broekkerke, Hondschote, Kortrijk, Duinkerke, Pollinkhove, Gijvelde, Diksmuide, Ichtegem, Hazebroek, Ophove, Roesdamme, Leisele, Dieppe, Biervliet, Nederland, Brugge, Fortem, Scheepsdale, Broekburg, Brabant, Utrecht, Gent, Zuidkote, Booitshoeke, Boezinge, Sint-Omaars, Berkel, Torhout, Sluis, Leffinge, Westouter, Eke, Wulpen. En ook namen zoals "de wael" en "dingelsche" treffen we aan in de rijke mix van het Nieuwpoortse volk.

 

De zeevisserij en de scheepvaart spelen dan misschien wel de hoofdrol, maar ook de landbouw en de ambachtelijke arbeid eisen hun parten op. De boeren van binnen en buiten de stad produceren graan en vlees om aan de plaatselijke behoeften te voldoen. Net buiten Nieuwpoort zien we verschillende molens die het graan vermalen.

 

Zo pronken er nog vier van die molens aan de grens met Oostduinkerke. En aan de oostkant is er de molen staand "bi Sinte Laurenskerchove", op een lap grond van 14,5 are. De molen behoort toe aan 5 eigenaars. Ook in het zuiden en westen zijn er molens. Dat leren we uit de inventarisatie van de eigendommen van de gesneuvelden tijdens de slag van Kassel in 1328. Zo blijkt Wouter Hategoed een molen met stockageplaatsen voor graan en stro te bezitten. En dan is er ook nog de schuur van Philip Stasioet op een stuk grond van een kleine 13 are.

 

De visvangst is een belangrijke bron van inkomsten voor Nieuwpoort. Op 10 juni 1315 laat Robrecht van Bethune de bestaande keure van 1163 vernieuwen. Daardoor worden alle baljuws in het graafschap aangemaand om er voor te zorgen dat de handelaars zo efficiënt mogelijk moeten worden geholpen zodat de vis die aangeboden wordt op de respectieve markten gegarandeerd van verse kwaliteit zal zijn. Blijkbaar moeten de vishandelaars hier moeilijkheden hebben ondervonden.

 

Elke mogelijke blokkering van visleveringen kan er voor zorgen dat de aangevoerde vis bederft. Een vrij verkeer langs de land- en waterwegen en door de diverse stadspoorten is een must. Robrecht van Bethune weet dit natuurlijk als geen ander. Zijn keukens in Kortrijk, Brugge, Male en Ieper betrekken zelf de nodige vis uit Nieuwpoort. Zo zien we in het voorjaar tot drie keer toe een levering van "posson de mer" aan de grafelijke keuken in Kortrijk. Er is ook sprake van leveringen van "porc de mer", de erg gegeerde bruinvis, aan zijn dochters die in Duinkerke verblijven.

 

De aanwezigheid van de Nieuwpoortse vishandelaars in het dichtbevolkte Ieper is logisch. Het aanbieden van bedorven vis op de vismarkt wordt al in de 13de eeuw beboet door de vierschaar. Voor de kennis van visaanvoer en visverbruik bestaan er in Ieper verscheidene "keures des poissons". De kwaliteitsvereisten van de verse en gezouten haring, de zalm, spiering, paling, snoek maar ook voor de riviervis en de mosselen wordt nauwgezet gecontroleerd door de Ieperse schepenen. Het leidt geen twijfel dat deze kwaliteitseisen ook gelden in Diksmuide en Veurne.

 

Er is in Nieuwpoort geen gebrek aan welgestelde families. Maar het valt op dat de twee rijkste families niet origineel afkomstig zijn van de stad. De families Van Score en Van der Scare zijn sterk ingeburgerd in het Oost-kwartier.

 

Hun geslachten zijn afkomstig uit de wijde periferie van de stad maar hebben zich lang voor de 12de eeuw weten te settelen. Nog lang voordat de Nieuwpoortse burgerij het centrum (Sandeshoved) bemachtigde en bebouwde. In het West-kwartier en zijn poldergronden zien we vaak de naam van het adellijk geslacht Van Belle opduiken. Ook in Ieper spelen de Van Belles een prominente rol. Jehan de Casteelre (Jan de Kasteelheer) is in het bezit van een eigendom in de "sinte marien straete" (nu de Recollettenstraat). De hoogst geplaatste persoon van Nieuwpoort verblijft vermoedelijk officieel op de Burg. Hij beschikt daarnaast blijkbaar ook over een privé residentie. Eén van zijn nazaten, Willem van Nieuwpoort, zal trouwens in dezelfde straat nog andere eigendommen bezitten.

 

Als er echter één persoon is die de politieke toon voert in Nieuwpoort, dan is het wel Symoen van den Utlate. Hij beschikt in 1314 over vier eigendommen in de stad. Eén ervan grenst aan het huis van de kasteelheer in de "sinte marien straete". Een andere woning paalt aan de gevangenis in de Langestraat. En blijkbaar heeft hij ook al grond aangekocht in de nieuwe Stadspolder om er een woning te bouwen voor zijn zoon "Simon vanden Utlate de jonghe". Symoen is actief als ontvanger (clerc) van de staatsbelastingen in de stad.

 

Het is een gewichtige functie die, in het kader van de herstelbetalingen aan Frankrijk, wellicht één van de belangrijkste en ook één van meest delicate ambten is in de respectieve Vlaamse steden en kasselrijen. In Vlaanderen zijn er trouwens vier van die ambtenaren die fungeren onder de opperontvanger Thomas Fin. Blijkbaar is Symoen Van den Utlate verantwoordelijk voor de inning van de belastingen in de kleine steden, terwijl zijn collega's Willaume de Bourbourg (schepen van Gent) en het duo Filip van Axel en ridder Willem van Bruec dat instaat voor de inningen in respectievelijk de grote steden en in de landelijke buitengebieden.

 

De handtekening van de belangrijke Van den Utlate is trouwens terug te vinden in de vredesverdragen tussen Vlaanderen en Frankrijk van 1309 maar ook op verdragen van de stad Veurne in het jaar 1300. In 1314 telt Nieuwpoort ongeveer 1500 woningen. Een aardig aantal dat later nooit meer zal worden geëvenaard. Met gemiddeld 4 à 5 personen per gezin, mag je rekenen dat er ongeveer 7000 inwoners wonen in de middeleeuwse havenstad. Uit de gegevens van de ontvanger Symoen Van den Utlate betaalt Nieuwpoort tussen 1306 en 1324 de som van 6177 gulden. Als we die taksen vergelijken met die van de andere Vlaamse steden, zouden we kunnen veronderstellen dat Kortrijk in die periode 20.000 inwoners heeft. Oudenaarde en Poperinge moeten er elk ongeveer 10.000 à 11.000 huisvesten.

 

Ook Diksmuide blijkt groter dan Nieuwpoort en doet met zijn betaling van 9000 gulden vermoeden dat er toch ook al zeker 9000 mensen verblijven. Naar schatting heeft Veurne 4000 inwoners, Sint-Winoksbergen 6000, Duinkerke en Oostende staan nog in hun kinderschoenen met respectievelijk 3000 en een kleine 2000 inwoners. Damme is ongeveer even groot als Nieuwpoort. Het feit dat Ieper niet voorkomt op de lijst, laat veronderstellen dat Ieper behoort tot het selecte kransje van grote steden en onder de bevoegdheid valt van Willaume de Bourbourg.

 

Maar we kennen nog meer details over de bewoners van Nieuwpoort in 1314. In 3 van de 10 gevallen is het mannelijk gezinshoofd verdwenen. Weduwen, wezen en alleenstaande vrouwen zijn dominant aanwezig. De oorlogen en de zee tonen hier hun tol in volle realiteit. En het ergste moet nog komen in 1314. De dramatische hongersnood van 1316 na een jaar van bijna ononderbroken regenval wordt in 1328 gevolgd door het bloedbad van Kassel. Dat zal nog leiden tot een verdubbeling van het aantal weduwen en een flinke terugval van het aantal stedelingen.

 

Terug naar het kadasterplan van 1314. We krijgen ook inzichten in de grootte van het stuk grond dat de mensen ter beschikking hebben. Al dan niet in volle eigendom. Anno 2012 mogen de West-Vlamingen al blij zijn met een lapje grond van 5 are. Maar hoe zit dat in 1314? De welgestelde Nieuwpoortnaars bezitten meer dan 3 are. Een perceel grond dat in die tijd een vrij behoorlijke eigendom betekent, want slechts één op de drie bezitten meer dan 24 roeden land (een roede is 14m²). Zowat 40% van de mensen moeten het stellen met een stukje land van een are en zelfs minder. De rest moet het stellen met een perceel van rond de 2 are.

 

31 boeren bezitten minstens 14 are. Maar het zijn Diederic van der Scare, Jehan Camerlinc, Jehan Pikebaner en de "Willem Jaghers kinder" die de toon aangeven. Samen zijn ze goed voor 8 hectare buitengebied. Maar ook in de stad zelf wonen grootgrondbezitters. Mijnhere Wouter de Vos en mijnhere Jhan van Score, ruddre, bezitten ieder een zestal percelen of woningen die elk afzonderlijk goed zijn voor een oppervlakte van 23 are. Bovendien zijn ze de eigenaar van een kleine heerlijkheid buiten de kern. De heerlijkheid van Jhan in Ramskapelle bezit 14 hofsteden met een totale oppervlakte van 31 are.

 

De mate van grondeigendom bepaalt in grote mate de plaats op de sociale ladder. Maar de maatschappelijke status heeft natuurlijk ook veel te maken met het ambacht dat de mensen uitoefenen en het aantal knechten of knapen waarover ze beschikken. Jehan Maes, de "scipwerker", Jacob van der Zee, de "houtbreker", Pieter Scheleward, de "weivere" bezitten elk een ferme hoeve op een flink uit de kluiten gewassen stuk grond. Hier zie je het onderscheid dat er bestaat tussen de rijke, minder rijke en arme ambachtslieden. De eenvoudige smeden ("smichts"), Jehan Hughe, Hannin Puerquaet en Willem de Schildknecht beschikken enkel maar over een klein perceeltje met hofstede.

 

Als we het hebben over het aantal Nieuwpoortnaars dat naar voor komt in de kadastrale documenten van 1314, dan dient er ook vermeld te worden dat hier geen sprake is van gestrafte, onvermogende of verbannen stedelingen. Straatlopers en bedelaars tellen niet mee in de cijfers. Mensen worden voor de meest bescheiden vergrijpen uit de stad verbannen. Een straf die "common practice" is in die tijd. Er is ook geen sprake van vissers want die tellen hun bezit niet in grond maar wel in schepen, of hun aandeel in schepen.

 

Nieuwpoort bezit in die tijd dus twee parochiekerken, vier markten, een burg, vermoedelijk twee scholen en enkele ziekenhuizen. Er is ook sprake van drie "almoesene" huizen voor behoeftige reizigers en van een "Dis" die voorziet in de bijstand van de armen. En er zijn ook "stoven". Dat zijn badinstellingen of zwemplaatsen in open lucht, spacenters avant la lettre, die we aantreffen in de buurt van de burg en van Sint-Lauwereins.

 

Er is nog geen sprake van versterkingen aan de buitenzijde van Nieuwpoort. Geen muren, geen poorten en geen wachttorens. Als uitkijkposten worden de kerktorens en de toren van de burg aangewend. De enige feitelijke bescherming van de stad is een aarden wal, de "veste" in het westen, en de "watghanghe", een soort watergang aan de oostelijke zijde van het centrum. Aan de zuidkant zorgt het water van de Beveric, Venepe en Langelis voor bescherming en in het noorden zien we de Ijzer. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Ieper heeft men in havenstad Nieuwpoort nagelaten om functionele stenen versterkingen te bouwen. Na veel scha en schande zullen die er nog voor het einde van de 14de eeuw uiteindelijk toch komen.

 

En hier komen we terug op de politieke situatie van 1322. In diverse nissen en uithoeken van onze teletijdsmachine staat de periode van Zannekin rijkelijk omschreven. Benieuwd hoe ze die periode doorstaan in Nieuwpoort. Gaat het er hier op dezelfde manier aan toe als in Veurne, Ieper, Brugge en Kortrijk? Tot 1324 verloopt de situatie analoog. De nieuwe graaf Lodewijk van Nevers die d'Aspremont aanstelt als gouverneur over Vlaanderen. De komst van Zannekin en de zijnen. En uiteindelijk de opstand van 1324 met de rol van Robrecht van Kassel, de oom van de jonge graaf, die belast wordt om de opstand van de gewone mensen te onderdrukken.

 

Vinden de Nieuwpoortenaars die Robrecht van Kassel ook diezelfde dubieuze figuur zoals we al meerdere keren moesten vaststellen in deze kronieken? Zijn eigen achterban vertrouwt hem in elk geval niet. Ze beseffen dat hij een dubbele rol speelt en eigenlijk liever niet zou optreden tegen de gemeentenaren. Johannes, de Blauvoetgezinde burggraaf van Nieuwpoort, speelt hier natuurlijk ook zijn invloedrijke rol ten gunste van het volk. De stad geeft zich vrijwillig over aan de opstandelingen. Daar waar een harde tegenstand werd verwacht, kiezen de stedelingen spontaan de kant van Zannekin. Robrecht van Kassel biedt verwonderlijk genoeg geen weerstand, laat de rebellen binnen, en verlaat de stad. In grafelijke kringen vraagt men zich of hij een verrader is. En wat te denken van de Nieuwpoortenaars die voor de eerste keer in hun geschiedenis de kant kiezen tegen hun graaf??

 

Robrecht van Kassel zal uiteindelijk op 23 augustus 1328 de bepalende figuur worden die de Vlamingen deerlijk toetakelt op de Kasselberg. De weerslag van de Vlaamse nederlaag is schokkend. Duizenden doden. Iedereen die deelgenomen heeft aan de slag en die overleefd heeft, ziet have en goed verbeurd verklaard. De schatters van de Franse koning draaien overuren om alle eigendommen van het Vlaamse volk te schatten en te inventariseren. Het resultaat van hun werk in Nieuwpoort is volledig bewaard gebleven en biedt de lezer een verbijsterende inkijk op het drama van 1328.

 

Van de 472 Nieuwpoortnaars, deze van het gehucht Nieuwe Ijde inbegrepen, die in Kassel hebben gestreden, zijn er 188 gesneuveld. De namen van de 472 staan nog altijd geboekstaafd. Ze vertegenwoordigen zowat alle rangen en standen van de stad. Ambachtslieden, landbouwers, zeelieden, grootgrondbezitters. Op 4 oktober 1328 ondertekent de magistraat van Nieuwpoort de akte van onderwerping. De inwoners geven (natuurlijk noodgedwongen) uiting aan hun berouw over hun opstandig gedrag. Ze smeken om genade. Ze beloven gewillig alles uit te voeren om de schade ongedaan te maken en vrijwillig de straffen te zullen dragen die zullen worden opgelegd. Wat kunnen ze anders?

 

Maar er is een vreemd kantje aan die akte van onderwerping. In Veurne, Brugge, Ieper en nagenoeg overal elders, onderwerpen de stedelingen zich aan graaf Lodewijk van Nevers. Dat doen die van Nieuwpoort niet. Ze onderwerpen zich eigenaardig genoeg aan Robrecht van Kassel. Sinds 1272 was Nieuwpoort de grafelijke lievelingsstad, na de publieke bekentenis van Margaretha van Constantinopel dat ze Nieuwpoort wilde vergoeden voor alle misdaden die haar in het verleden werden aangedaan.

 

Vreest Robrecht van Kassel dat de bestialiteiten, die Lodewijk van Nevers zowat overal aanricht in het Vlaamse landschap, zich ook zullen voordoen in Nieuwpoort? Heeft hij een boontje voor de stad en wil hij als buffer dienen? Wil hij de Nieuwpoortnaars dergelijk bloedbad besparen? De geschiedenis toont aan dat ook in Nieuwpoort veel gewone en vaak onschuldige mensen worden geliquideerd of gegijzeld. Opnieuw is het helemaal niet duidelijk wat dan wel de rol is van Robrecht van Kassel, de man die tegelijk zalft en slaat.

 

De akte van onderwerping zorgt er in elk geval voor dat veel verschrikte Nieuwpoortnaars de wijk nemen naar Engeland net zoals duizenden andere Vlamingen die definitief emigreren naar het overzeese en vooral veilig lijkende Engeland. Buurstad Veurne verliest zijn rechten en vrijheden bij zijn akte van onderwerping. De vrees van Nieuwpoort om hetzelfde te beleven, blijkt ongegrond. Op Pasen van 1329 (13 mei) leest de magistraat van Nieuwpoort, voor de nieuwgebouwde Halle, een verklaring voor. In aanwezigheid van speciaal aangemaande getuigen en voor een aanzienlijke menigte nieuwsgierige stedelingen.

 

Wat hij vertelt, komt er eigenlijk op neer dat hij de bal in het kamp legt van Robrecht van Kassel. Hij alleen kan oordelen of de rechtsmacht die de lokale magistratuur had in vroegere tijden, nu nog kan worden verder gezet en toegepast. In feite verliest Nieuwpoort zijn rechten, maar kan ze die verder gebruiken zolang Robrecht van Kassel dit belieft. En bovenop de torenhoge lasten komt er nog een extra toetje van 4000 pond.

 

De verklaring van de magistraat staat trouwens neergeschreven in de "Coutumes de Nieuport" die op vandaag nog steeds in de archieven van Rijsel bewaard worden. Het document vertelt wie die officiële personen zijn die (verplicht) aanwezig zijn bij de afroeping van 13 mei 1329. Het zijn Pieter Spaen, de pastoors van Onze-Lieve-Vrouw en van Sint-Lauwereins, Pieter van Biervliet en Pieter van Biervliet met de drie kapelaans Johannes Van Bonen (de Bolonia), Dionisius Portejoie en Johannes Hughe. Er zijn twee ambtenaren van de partij: de klerk Johannes Champenois en tollenaar Filip Serleis. En ook het onafscheidelijke bisdom van Terwaan stuurt een zekere Johannes Crabe die trouwens de verklaring notuleert en als rechtsgeldig bevestigt.

 

Na de dramatische gebeurtenissen van 1328 kan de kalmte eindelijk terugkeren. De fysieke schade aan de infrastructuur van de stad Nieuwpoort valt al met al mee. In Veurne is het andere koek. Zowel de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Halle zijn al zo goed als heropgebouwd. Maar het menselijk leed is substantieel. Een groot aantal mannen van jonge en middelbare leeftijd is gesneuveld in Kassel. Zowat 500 gezinnen hebben alles wat ze bezaten, zien aanslaan. Een serie van kapitaalkrachtige families zit op zijn financieel tandvlees en bezit onvoldoende middelen om zaken te doen en de lokale economie nieuw leven in te blazen. Veel gezinnen hebben het hazenpad gekozen richting Engeland. Bovenzien is er sinds 1308 ook sprake van een gestadig verlies van volk op zee.

 

Het is maar al te duidelijk dat er een moeilijke periode aanbreekt voor havenstad Nieuwpoort. Vergeet trouwens niet dat de bevolking er nog moet zien uit te geraken hoe de oude en de nieuwe boetes zullen worden betaald aan de ongenadige graaf en zijn Franse baas. Het theoretische behoud van hun stadsrechten is zowat het enige streepje licht aan de horizon. Er zal veel werkkracht en goede wil nodig zijn om de groei die sinds 1297 geknakt is, opnieuw in beweging te zetten. En er komt nog meer onheil. Tussen 1344 en 1349 heerst de pest over Vlaanderen en de grote "sterefte" heeft natuurlijk ook zijn invloed op de gebeurtenissen in Nieuwpoort. Werken aan een optimale waterinfrastructuur, lijkt zowat de beste remedie voor de zieke patiënt.

 

De voorbije 50 jaar is er heel wat gebeurd om de bevaarbaarheid van de waterverbindingen met Ieper en Brugge te optimaliseren en te garanderen. Het succes van die twee en dat van Nieuwpoort zijn nauw met elkaar verbonden en de betrokken stadsbesturen realiseren zich dat heel sterk. Dank zij de investering in sluizen en sassen, en het uitdiepen van allerhande kanalen is er nu al sinds 1270 sprake van een redelijke infrastructuur. Vooral de nieuwe sluis van Knokke bij Ieper (de overdracht) speelt hierbij een belangrijke rol.

 

De bevaarbaarheid is en blijft een probleem in de zomerperiodes, maar de jaarlijkse terugkerende slagregens van de herfstperiode zorgen ervoor dat het waterpeil behoorlijk is om te varen. Zo leren we dat er tijdens de 122 bevaarbare dagen tussen het najaar van 1296 en het voorjaar van 1297 er 3250 schuiten en 87 marktschepen vanuit Nieuwpoort binnen komen in Ieper. En er natuurlijk tolgeld betalen. Het betekent dat er per uur zeker 3 schepen binnenvaren binnen de stadsmuren van het middeleeuwse Ieper.

 

In het begin van de 14de eeuw zorgen Brugge, Ieper en Nieuwpoort voor een tweede verbinding met de Ijzer vlakbij de havenmond van Nieuwpoort. Het gaat een waterverbinding dwars doorheen de schorren en polders ter hoogte van Lombardsijde. Een kanaal tussen de Ijzer en de waterloop met de naam "Lekeleed". Het kanaal zal vanaf 1400 de naam "Yperleedt" of "Lekewatre" genoemd worden. De eerste vermelding van de "lste wateringhe entre Bruges et Noefport" dateert van 1304. In datzelfde jaar preciseert de Ieperse stadsrekening een uitgave betreffende "le coust, despens et service des vallès, qui mesurèrent le leet" in het kader van de noodzaak (le besoigne) om mee te helpen aan de bouw van de nieuwe leed.

 

In 1309 krijgt het Nieuwpoortse stadsbestuur de toelating om een brug te bouwen over de Lekeleed. "parmi lequel on… porroet chivauchier et aller sans carin sour leur diic à Lombardie et de Lombardie à Nuefport". Bij het aanbreken van het nieuwe jaar 1312 is de Lekebrug afgewerkt. Ook op het "Lekewatre" vinden we een overdracht, een houten constructie, om het zwakke waterverval te omzeilen. "l ouvredach entre Oudembourch et Noefpord" staat voor het "Zesbroodtoverdrag". De overdracht is eigendom van de graaf en wordt verpacht.

 

Hoe komt de overtoom tussen Slijpe en Oudenburg trouwens aan die eigenaardige naam? Het blijkt dat de eerste pachter een zeker Hendrik Zesbroodt of Henri Sispains is. Hij exploiteert de overdracht tussen 1305 en 1323. Dichter bij Nieuwpoort, is er trouwens nog een overdracht. Bij Nieuwendamme baat Nieuwpoortenaar Jehan de Zagher de "Zagersoverdrach" de "novel ouvredach del Nouvel Dam dales Noefpord" uit. In 1318 wordt hij opgevolgd door een trio, dat de tolgelden van Slijpe te water en te land int.

 

De kanaalinfrastructuur van Nieuwpoort richting Diksmuide en Ieper is in die periode trouwens zo goed als gefinaliseerd. De waterweg staat onder het heerlijk gezag van de graaf, maar het is de stad Ieper die zorgt voor het onderhoud en de goede werking van de sluis en die zich enigszins opstelt als een bemoeizieke schoonmoeder. Om de haverklap stuurt Ieper controleurs naar de sluis in Nieuwendamme om er haar belangen te behartigen en toezicht te houden. Rond 1335 beveelt Ieper om grote houten sasdeuren te monteren in de sluis om zo nog meer invloed te kunnen uitoefenen op de hoogte van de waterstand.

 

Het laat zich natuurlijk raden dat er bijna onmiddellijk sprake is van een bevoegdheidsconflict tussen Ieper en de belanghebbende wateringen uit de streek. Wie mag de twee deuren bedienen en bewaken? Er moet een scheidsrechter aan te pas komen die beslist dat de Ieperlingen toezicht krijgen op de "varsche duere" en dat de anderen de "zoute duere" onder hun hoede krijgen. Er wordt trouwens ook overeengekomen dat de Ieperlingen, in tijden van lage waterstand, zeewater in het bekken mogen toelaten, zodat de bevaarbaarheid op niveau kan blijven. Maar het mag echter niet gebeuren zonder voorafgaand de belangen van de oeverbewoners te respecteren. Nieuwpoort beschikt in die eerste decennia van de 14de eeuw in elk geval over een haven die aangepast is aan de schepen van die tijd. Maar vanaf 1330 rijst er een probleem met een gebrekkige diepgang in de haven zelf.

 

De kwaliteit van de Nieuwpoortse haven gaat er, tot groot verontrusting in Ieper, zienderogen op achteruit. Op 24 juni 1336 geeft Ieper een financiële tegemoetkoming van 100 Parijse ponden aan Nieuwpoort om te kunnen overgaan "à faire ung nouvel port.. par deffaultre de celz… usé jusques a orre". Nieuwpoort krijgt ook de mogelijkheid om een taks, een "delfgeld" te heffen om zo de baggerwerken te kunnen financieren.

 

Het stadsbestuur van Ieper investeert zwaar in het voortdurend uitbaggeren van de Ijzer en de Ieperleed omdat de kwaliteit van de waterweg natuurlijk een cruciaal gegeven is voor de commerciële belangen van haar lakenindustrie. De Ieperlingen slagen er in om een deel van de kosten te verhalen op de privé gebruikers van de waterwegen. Lodewijk van Nevers geeft Ieper in 1338 de toelating om een tol te heffen op alle goederen en vaartuigen die Ieper via het water bereiken.

 

Het tarief van de tol wordt beslist door de grafelijke raadgevers. Met de opbrengsten dient Ieper ook de aanpassingen aan de sluis van Nieuwendamme te dragen. En dat blijkt alsmaar meer nodig. In 1343 worden er opnieuw uitgravingen uitgevoerd aan de "noviele speye au Noviel Dam" te Nieuwendamme. Maar we zijn nog geen 10 jaar verder als de bevaarbaarheid van de waterweg opnieuw al in het gedrang komt. De sluismeesters krijgen de toelating om het niveau van het kanaal op peil te houden met zeewater terwijl de Ieperlingen toestemming krijgen om een waterkering te bouwen op de Ijzer voor Diksmuide. De dalende waterstand blijft hoe dan ook een echt zorgenkind voor de lakenstad. Ook het vervoer te water naar Brugge krijgt ermee af te rekenen.

 

Nieuwpoort deelt mee in de watermalaise. Er moet iets gebeuren om te beletten dat de haven "al up falgieren ende te nieten" zal gaan. Op 6 april 1355 maken de burgemeester en de schepenen van Nieuwpoort bekend dat ze de toestemming hebben van de graaf een soort spuikom (een "spoye") aan te leggen tussen Nieuwendamme en de zee. Ze mogen aarde uitgraven "tusschen den tween diken uppe de hems bute de vorseide diken".

 

Maar de toestand blijft precair voor alle betrokken steden. Wat een drama toch. Dat weelderige water, aan het welk de Westhoek zo veel welstand te danken heeft, trekt zich nu aan een steeds sneller tempo terug naar zee. Vergeet niet dat de waterstand in West-Vlaanderen zich ooit nog 20 meter hoger bevond en het hinterland van Ieper rechtstreeks verbonden was met de Noordzee.

 

In 1357 doet er zich een incident voor dat de netelige toestand illustreert. De deur van de sluis te Nieuwendamme wordt door één of andere onverlaat moedwillig opengezet met de bedoeling om opzettelijk het water te laten zakken en de binnenscheepvaart te beletten. De graaf grijpt onmiddellijk in en stelt de baljuw van Veurne aan om een onderzoek in te stellen rond de sabotage. Het leidt uiteindelijk tot een strikte reglementering. De boten met volle ladingen mogen enkel nog door de sluis varen tussen oktober en maart. Buiten die periode wordt slechts 50% lading toegestaan.

 

Op 11 april 1332 sluit Nieuwpoort een Hanzeovereenkomst af met de stad Brugge. Hetzelfde gebeurt met Ieper op 24 juni 1336. Het ziet er naar uit dat het economische leven in Nieuwpoort aan het hernemen is. Maar in 1337 stapelen de donkere wolken zich terug op aan de horizon. Frankrijk en Engeland verklaren elkaar de oorlog. Beide landen proberen Vlaanderen voor zich te winnen. De man in de straat zou zich het liefst van al zo ver mogelijk van welke oorlog dan ook willen houden. De mensen hebben inderdaad hun bekomst van 40 jaar oorlogsellende. Maar de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers is natuurlijk een Fransman in hart en nieren. Het valt niet te verwonderen dat zijn onderdanen onder druk gezet worden om de Franse kant te kiezen in het conflict.

 

Die aanmaning zet kwaad bloed. Vooral de ambachtslieden en arbeiders in de steden, die afhangen van hun zaken met Engeland, vrezen dat de aanvoer van Engelse wol in het gedrang zal komen. Ook zo in Nieuwpoort waar de handelaars er alles aan doen om geen partij te moeten kiezen om toch maar de aanvoer van die levensbelangrijke wol niet te hypothekeren. De adel kiest natuurlijk wel de kant van de graaf. Wat kunnen ze trouwens anders? Zeer tegen de zin van de Vlaamse steden die uiteindelijk uit eigenbelang kiezen voor een alliantie met de Engelsen.

 

Terwijl de adel een leger aan het verzamelen is om te strijden tegen Engeland, brengen de Vlaamse steden onder leiding van Jakob van Artevelde een eigen volksleger op de been om de Engelsen te steunen. De breuk is compleet. In 1338 staan de Vlamingen diametraal tegenover elkaar. Nog maar eens. Lodewijk van Nevers trekt naar Veurne dat aan zijn zijde gaat staan. Van daar gaat het naar Diksmuide, maar hier wordt hij tijdens zijn verblijf belaagd en moet hij noodgedwongen vluchten aar Sint-Omaars.

 

Die aanval in Diksmuide komt Nieuwpoort bijzonder goed gelegen. Nieuwpoort zou ongetwijfeld de volgende halte geweest zijn op de diplomatieke tocht van Lodewijk. Elk mogelijk engagement van het stadsbestuur zou catastrofaal geweest zijn. Het volk van Nieuwpoort wordt dus eigenlijk niet bij de oorlog betrokken. De mensen beleven hoe dan ook onzekere, moeilijke en bangelijke tijden. Een periode waar de handel natuurlijk opnieuw aan het kwijnen gaat.

 

De moraal wordt nog verder naar beneden gehaald door opnieuw de grove smeerlapperij van de hoogste geestelijkheid. 1340, Paus Benedictus XII (die op dat moment resideert in het Franse Avignon) slaat Vlaanderen in de ban van de kerk. Natuurlijk in opdracht van de koning van Frankrijk in een poging om de Vlamingen ertoe te bewegen niet langer de Engelsen te steunen. Alle kerkelijke diensten worden geschorst. Wat staat die pauselijke vloek dat de Vlamingen zullen branden in de hel toch veraf van enige Christelijke en menslievende waarden!

 

De meeste priesters verlaten de stad. Hier en daar besluiten enkele geestelijken, al dan niet door de poorters gedwongen, de banvloek te negeren. Er komen nieuwe priesters vanuit Engeland om de kerkgang verder mogelijk te maken. Tijdens de kerkdiensten proberen ze de vele simpele zielen ervan te overtuigen dat de Paus helemaal niet die bevoegdheid heeft om enige banvloek uit te spreken en dat dit enkel gebeurd is uit politieke overwegingen. Dit terwijl het niet de taak is van de kerk om partij te kiezen voor één of ander land. Het is een uitleg die het geweten van veel Nieuwpoortnaars sust. Ook in Veurne wordt de banvloek door de komst van de Engelse priesters grotendeels omzeild.

 

In 1340 wordt de vrede weer voor enkele jaren hersteld. De wol kan weer ongehinderd binnenkomen in Nieuwpoort. De lakenwevers van Diksmuide, Ieper en Poperinge kennen een periode van relatieve voorspoed. Zelfs de mensen van Veurne en omgeving, maar ook van Oost- en West-Vleteren, Proven, Krombeke, Reninge, Loker, enz.. slaan aan het weven. En alle grondstoffen worden via de haven van Nieuwpoort geïmporteerd.

 

De schone liedjes duren maar hun tijd. In 1345 flakkert de oorlog terug op. De partijen zijn nog steeds de zelfden en opnieuw is Nieuwpoort geen betrokken partij. Hoofdrolspeler Lodewijk van Nevers legt er op 26 augustus 1346 het bijltje bij neer. De 16-jarige Lodewijk van Male volgt zijn overleden vader op en zet de oorlog verder. Er komen blijkbaar andere inzichten want in 1348 sluiten Frankrijk en Engeland vrede met elkaar. De modaliteiten van de vrede vallen al met al aardig mee voor de gemeentenaren. Hun rechten blijven behouden en worden geen straffen uitgesproken. De jonge milde graaf charmeert blijkbaar de grote massa in Vlaanderen. Het is al een hele tijd geleden dat het gewone volk nog affectie voelde voor zijn souverein.

 

De mensen schijnen niet te beseffen dat Lodewijk van Male zijn schatkist noodgedwongen moet spijzen door een forse devaluatie van de munt en door invoerheffingen op de wol. Ondertussen worden de productiekosten laag gehouden. Er is nog geen sprake van indexering van de lonen en tot overmaat van ramp begint de concurrentie vanuit Engeland zorgwekkende proporties aan te nemen.

 

En dan is er nog de mode die er voor zorgt dat vanaf 1330 de mannelijke klederdracht drastisch ingekort en vernauwd, wordt, terwijl het decolleté en het aanspannen van de vrouwelijke buste ook al minder textiel vergt. De prijzen van de levensmiddelen worden ondertussen scherp de hoogte ingejaagd. Het leven wordt geweldig duur. De tijden zijn hard. Er heerst een werkloosheid waarbij de helft van de beroepsbevolking geen of amper werk vindt.

 

In 1349 breekt de pest uit in de zeehaven van Sluis. De zwarte dood, verstopt in een lading Engels graan, verspreidt zich als een lopend vuur door Vlaanderen. In geen tijd wordt een groot deel van de bevolking naar het graf gesleept. Angst en vrees drijven de mensen tot boete en gebed. De kerken lopen vol. Er is niet langer plaats voor perversiteit. Geen sprake meer van lichtzinnigheid, overdaad, ontucht, rijk vertoon. Leven op grote voet en feestelijkheden worden niet langer getolereerd.

 

Angst en vertwijfeling! In Nieuwpoort komt het zo ver dat er zoals in enkele andere steden een "broederschap van geselaars" wordt opgericht. Ook wel bekend onder de naam "Flagellanten". Welgestelde mannen en vrouwen delen rijkelijk geld en voedsel uit aan de noodlijdenden. Ze onderhouden het stilzwijgen dat toegepast wordt in de kloosters. Ze geselen zichzelf om de barmhartigheid van God af te smeken. Want de pest is een straf die van Hem komt. En die alleen maar teniet gedaan kan worden door een totale onderdanigheid. Ze staan hun bedden af en slapen zelf op de plankenvloeren. Ze kleden zich in een lange zwarte of witte rok en dragen een hoofddeksel dat voorzien is van een rood kruis. De geselaars worden door hun meester verplicht om hem te volgen op zijn pelgrimstochten die telkens 33 dagen duren.

 

Elke ochtend en elke avond worden ze in het openbaar gegeseld. Dat doen ze door zichzelf 33 keer op rij te pijnigen met een zweep die met naalden bezet is. Warempel sadomasochistische trekjes. Het getal 33 staat trouwens voor elk jaar dat Jezus geleefd heeft op aarde. De Nieuwpoortse broederschap trekt op bedevaart naar de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Doornik en organiseert te Nieuwpoort enkele boeteprocessies. De plaag van de pest en van de extreme boetedoening houdt enkele maanden aan en dan neemt het leven stilaan opnieuw zijn normale vormen aan.

 

Een gebeurtenis van 1350 bewijst dat de dingen weer naar normaal gegroeid zijn. Er is opnieuw sprake van een problematische situatie tussen Nieuwpoort en Veurne-Ambacht. De discussie rond de taksen die Nieuwpoortnaars moeten betalen op hun eigendommen in Veurne-Ambacht, laait weer op. Het geschil wordt doorverwezen naar een scheidsgerecht te Koksijde onder leiding van de abt van de Duinenabdij. Voor het stadsbestuur van Nieuwpoort begeven burgemeester Claes Vaerdebout, de schepenen Pieter de Vallewe, Jan Carin, Jacok Hughe en Jan Langhemaries zich naar de rechtbank. Ook de raadsleden Michiel Danin en Willem Van den Broucke zijn van de partij. Rond mei 1350 is er sprake van een akkoord, een Hanzeovereenkomst.

 

En er is ook sprake van een regeling die in 1356 getroffen wordt door de abt van de Sint-Niklaasabdij met de toestemming van de Nieuwpoortse schepenen. Het gaat over het gebruik van gronden in Oostduinkerke, die vooral in het bezit zijn van die van Nieuwpoort. Het akkoord behelst het gebruik van een "arveliken weghe… begonnende bezuden der cruce van der banlieuwe van der Nieuwerpoort". De teksten vermelden de familienamen van de 25 personen die eigendoms- en toegangsrechten bezitten voor een pad langs hun landerijen. Het blijken voornamelijk Nieuwpoortnaars die gronden bezitten met een oppervlakte tussen een halve en 5 hectaren. Ook het hospitaal en de armendis van Nieuwpoort staan op het lijstje vermeld.

 

De periode tussen 1350 en 1370 houdt op zich alle beloftes in om betere tijden tegemoet te gaan. Maar Lodewijk van Male blijkt niet erg betrouwbaar, zeg maar dubbeltongig. De adel en de Franse koning hebben de jonge graaf in hun zakken. En net zoals zijn voorgangers is het alleen maar luxe die telt voor de graaf. En zijn ego. Het verklaart zijn afgunst op de vrijheden van de Vlaamse steden. Het blijft een eeuwig probleem. Voor wie moeten de mensen dan wel kiezen? Er is maar één graaf. Er blijft die eeuwige tweespalt. De graaf straft ongenadig maar belooft als de beste. Tussenin proberen de mensen het zien te klaren tijdens de periodes waarbij de rust enigszins terugkeert.

 

De belangrijke belofte van 1348 dat de Vlamingen vrij zijn om handel te drijven met de Engelsen, wordt niet gerespecteerd. En dat is behoorlijk slecht nieuws. Lodewijk van Male probeert die vrije handel met alle mogelijkheden stokken in de wielen te steken. Als de Bruggelingen dreigen met een opstand ziet de graaf zich genoodzaakt om alsnog de Engelsen een vrijgeleide toe te kennen op zijn grondgebied. De akte wordt op 26 februari 1359 ondertekend in Gent.

 

Op 16 januari van het jaar 1360 krijgt de lokale magistraat extra bevoegdheden. Hij krijgt ondermeer het recht van "gijzelschap". De magistraat van Nieuwpoort kan nu op verzoek van de baljuw (zeg maar het hoofd van de politie die aangesteld is door de graaf zelf) de nodige maatregelen nemen om geschillen te beslechten. Besluiten, boeten en verbeurdverklaringen kunnen voortaan op lokaal niveau uitgesproken worden.

 

Het komt er eigenlijk op neer dat de plaatselijke oppositie tegen alles wat grafelijk is, in de kiem moet worden gesmoord door het eigen stadsbestuur. Vooral de welgestelde gemeentenaren worden geviseerd. De mensen kunnen niet langer een keuze maken tussen de graaf en hun eigen stad. Het betekent een regelrechte machtsgreep. Eentje waarbij de graaf dan nog eens profiteert om te graaien in de stadskas, want hij bepaalt nauwgezet dat de boeten en verbeuringen "ons allene ende niemen anders sullen thoebehoren".

 

De baljuw van Nieuwpoort is natuurlijk geen doetje. Tijdens de 14de eeuw worden er in Nieuwpoort drie soorten doodstraffen uitgesproken. Het wiel voor de moordenaars, de galg voor de dieven en de brandstapel voor misdaden waarvoor geen specifieke aard wordt opgegeven. In 1364 lezen we "omme te justichierne Anchiel de brabandre metten brande, zo costen die stakerije, stro, gloy, handscoen, ende waghen, den pape diene bijachte…. Item den hangheman onder zinen dienst". Bij terechtstelling met het wiel zijn er een aantal varianten mogelijk. "van enen wiele, enen maste, van den vaste, van den handscoen, van den waghene of van den pape". Bij de galg horen ".. van repen, van hantscoen, van enen waghene en van den pape".

 

Tijdens één van die rustige periodes, slagen die van Nieuwpoort er in om een niet onbelangrijk succes te boeken. De stad leeft van de inkomsten van zijn havenactiviteiten. Er is wel wat lokale handel, maar die is al met al erg bescheiden. Maar er komt een kentering in die toestand. Op 30 mei 1364 verleent graaf Lodewijk van Male zijn toestemming aan "onsen goeden lieden vander Nieuwerpoort vorseid, dat zij van nu voortan teeweliken daghen zullen hebben ende houden moghen elx jaers 1 vrije jaermarckt in onse poort vander Nieuwerpoort vorseide III daghe lanc ghedurende welke elx beghinnen zal nu St Michiels daghe metten zonne up ganc dat deerste dach wesen sal, ende II daghe daernaer naest volghende, om alre hande goed ende coopmanscepte daer vrijelicke ende paisivelike te bringhene, te copene ende te vercopene, met sulken rechte ende tholle als men doet in andren vrijen jaermarckten bin onser lande van Vlaendren".

 

Er wordt een vrijgeleide beloofd aan alle kooplieden en de graaf zorgt ook voor zichzelf door een belasting (een assise) te heffen op alle wijn die tijdens de jaarmarkt verkocht wordt. De assise bedraagt 2 penningen per 2,4 liter wijn (een stoop). Op het einde van de aankondiging, laat de graaf even in zijn kaarten kijken. Met zijn toelating, wil hij het volk en de ambachtslieden paaien en vooral aan zijn kant houden. Waarom anders zou hij schrijven "…. opdat de Nieuwpoortnaars "te meer ghehouden sullen zijn ende bliven onsen hoire ende naerkommers (getrouwe onderdanen) wel ende ghetrauwelike te dienne alsoo goede lieden haren gherechten here sculdich zin te dienne".

 

De beslissingen van 1360 en 1364 zijn zowat de enige beslissingen die Lodewijk van Male neemt voor wat het Nieuwpoort betreft. Het oogt wat schraal in het besef dat de man ononderbroken regeert tussen 1336 en 1383. Naar het einde van zijn leven lopen de spanningen in Vlaanderen opnieuw hoog op. Ze leiden naar onwaarschijnlijke taferelen, waarover we in één of ander nieuw hoofdstuk van de teletijdsmachine zullen berichten.