P1310100

De Ieper wordt in de 13de - 14de eeuw gerekend tot één van de "vijf goede steden" van Vlaanderen. "Une de nos 5 bonnes villes" zoals de hertogen haar plegen te noemen. De stad is op rechterlijk gebied toonaangevend in het graafschap waar ze de scepter zwaait over de omliggende steden en gemeenten. Het Ieperse recht baseert zich vrij specifiek op het oude Germaanse recht meegebracht door de vroegere Germanen die ooit Vlaanderen zijn komen bevolken. Kerkelijke invloeden hebben het traditionele recht ietwat verchristelijkt maar in essentie blijft het Ieperse recht door en door Germaans.

 

We gaan terug naar het begin van de jaren 1300. De komende eeuw zal het strafrecht zo goed als ongewijzigd blijven. Pas na die periode zullen de Bourgondische hertogen een eerste bres slaan in het originele strafrecht. Maar de veranderingen in de rechtspraak zullen niet zonder slag of stoot plaatsvinden. In Vlaanderen en in Lotharingen zijn er in de 14de eeuw vooralsnog eeuw een onafzienbare reeks jurisdicties die elk binnen hun eigen rechtsgebied toepassen.

 

Het ontstaan van de gemeenten en steden zorgt voor een omwenteling in de eeuwenlang bestaande (feodale) maatschappelijke toestand. De steden danken hun ontwikkeling deels aan de kruistochten die de feodaliteit als bevers en muskusratten ondermijnen en ondergraven. De uitbundige bloei van handel en nijverheid doet de rest. Al snel vormen de steden stevige "eilanden" tussen de rondom liggende feodale bezittingen.

 

Naast de rechtbanken van de kerk en van de leenheren ontstaan er in elk van die eilanden een nieuwe schepenbank die in de volksmond "vierschaer" wordt genoemd. De vierschaer is een gemeentelijke en vorstelijke rechtbank onder voorzitterschap van een baljuw, ook wel genoemd als amman of meyer. Het is de baljuw die de heer vertegenwoordigt in het geding.

 

De schepenen zelf worden verkozen tussen de burgers. Aan het hoofd van de schepenen staat de baljuw die geldt als de vertegenwoordiger van de graaf van Vlaanderen. Al met al is het een pril democratisch gebeuren. Het zijn de verkozenen van het volk die als rechters van de graaf op zijn specifieke vraag vergaderen ter vierschaere en vonnissen vellen over hun medeburgers. De door het volk verkozen schepenen leiden - samen met de vertegenwoordiger van hun souverein - de debatten en zorgen voor de uitvoering van elk vonnis.

 

Het is een oude Frankische gewoonte dat de schepenen oordelen over burgers die hun gelijken zijn. De vertegenwoordiger van de vorst zorgt met zijn actief voorzitterschap en het leiden van de debatten voor de nauwe afhankelijkheid van de steden ten opzichte van de graaf. De baljuw is de vertegenwoordiger van de "seigneuriale" macht bij het stedelijk gerecht. In de keure van Gent van 1176 staat zijn functie omschreven als "quem comes loco suo ad justiciam tenendam instituit". De baljuw is verantwoordelijk voor de nauwe band die er dient te bestaan tussen de gemeente en de centraliserende vorst. Het zijn de schepenen die verbinding maken met het volk. De baljuw staat echter pal als wachter van " 's heeren prerogatieven".

 

De macht van de baljuw strekt zich uit over een dubbel gebied. Naast zijn functie als politieofficier is hij voorzitter van het gerecht. Als politieofficier moet hij ingaan op alle klachten die bij hem worden geuit. In de jaren 1100 en 1200 kan de baljuw pas ingrijpen als er effectief klacht wordt ingediend en is zijn rol eerder afwachtend. Gaandeweg wordt zijn rol ingrijpender. Bij elk misdrijf of overtreding van de wetten kan de baljuw op eigen initiatief de daders opsporen, klachten neerleggen en de daders in hechtenis nemen in afwachting dat ze voor de vierschaer beoordeeld zullen worden.

 

Als hoofd van de rechtbank zit hij het gemeentetribunaal voor. Hij legt de zitdagen vast. Hij roept de schepenen bijeen. Samen zetelen ze in de vierschaer. De voorzitter leidt de debatten en neemt alle initiatieven. Na de debatten zou normaliter de uitspraak moeten volgen. Geen enkel vonnis is echter mogelijk zolang de baljuw niet "van den rechte maant". "Il a le droit de semoncer les échevins!". Het komt er op neer dat de baljuw eerst zijn eigen besluiten trekt en beslist welke straf er moet worden toegekend aan de beschuldigde. Daarna ondervraagt hij de schepenen, één voor één. Elke schepen wordt bij naam en voornaam gevraagd of de beschuldigde wel of niet "plichtig" is.

 

Het gaat er echt formeel aan toe. Zonder die nominale ondervraging van de baljuw kan er onmogelijk een uitspraak volgen. Het biedt de baljuw de kans om de werking van de vierschaer te stremmen. Maar hij kan de uitspraak echter niet blijven uitstellen. Bij het kwaadwillig rekken van processen kunnen de schepenen zich wenden tot de graaf en hem vragen om de baljuw te wraken. Ze hebben dus het recht om in geval van mistoestanden de afzetting van de magistraat te eisen.

 

De baljuw wordt in zijn werk bijgestaan door een onderbaljuw en een schout die gemachtigd zijn om zijn bevoegdheden over te nemen indien de baljuw zelf afwezig is. Ze zijn de middeleeuwse substituten van de procureur des konings van vandaag. De vorstelijke magistraat, de baljuw, heeft eveneens verscheidene medewerkers, "varlets" ter beschikking. Ze assisteren hem bij het opsporen en in hechtenis nemen van de misdadigers.

 

De zogezegde "jury", zijn de schepenen van de stad. Hun aantal verschilt van stad tot stad. De meeste steden bezitten 7 schepenen. Sommige steden hebben 12 schepenen. Middeleeuwse grootstad Ieper heeft 13 schepenen in functie. De 13 zetelen samen met de baljuw en de voogd in de vierschaer. In principe zouden het de schepenen moeten zijn die moeten oordelen over hun medeburger, maar de baljuw (het openbaar ministerie) is zo dominant dat bevoegdheidsconflicten regelmatig de kop op steken.

 

Aanvankelijk worden de Ieperse schepenen benoemd door de graaf zelf. In een 12de eeuwse keure van Filips van den Elzas staat geschreven: "quant aucuns eschevins muert, uns autres doit estre fais par election le conte ne nus aultres". Het lijkt er op dat de functie van schepen een levenslang ambt is en dat de vervanging enkel aan de orde komt bij het overlijden van de schepen.

 

Uit allerhande geschriften van de 11de en 12de eeuw leren we dat de meeste schepenambten in het graafschap overgaan van vader op zoon. Het is een kastesysteem waarbij de machtposities in de respectieve steden erfelijk geregeld wordt. In Ieper is het niet anders. Het blijkt een gevaarlijke toestand: de macht van de schepenen stijgt jaar na jaar. Uiteindelijk wordt die haast onbeperkt en aarzelen de Ieperse schepenen niet om ook te zagen aan de poten van de grafelijke stoel.

 

Het streven naar een onafhankelijke macht binnen de grenzen van de stad ontwikkelt zich gaandeweg in de Vlaamse steden Ieper, Gent, Brugge, ... De politieke kaste van de lokale schepenen, ons kent ons, leidt zoals zo vaak het geval is, tot machtsmisbruik. Tirannie en verdrukking van het volk is het. Al snel zorgen de ongenuanceerde maatregelen van de schepenen voor revolutionaire gedachten bij de pauperende bevolking. Uiteindelijk zullen er ook meerdere keren gewelddadige opstanden uitbreken die zich vooral viseren op de machtskliek van de schepenen.

 

De graven van Vlaanderen begrijpen dat er verandering zal moeten aangebracht aan deze lokale structuren en mistoestanden. En natuurlijk zijn hun pogingen er op gericht om een einde te maken aan de ondermijning van hun gezag binnen de Vlaamse stadsmuren. De erfelijkheid van het schepenambt staat volgens de Vlaamse graven trouwens de ontwikkeling van de handel en nijverheid in de weg.

 

De poorters van Vlaanderen krijgen van de graaf regelmatig nieuwe vrijheden (privileges) toegekend die de intentie hebben om een einde te maken aan de willekeur en de verdrukking van de aristocratie ten opzichte van het gewone volk. Eén van die privileges zal uiteindelijk vastleggen hoe de schepenen zullen worden verkozen vanuit de bevolking van de stad. Ieper is de eerste Vlaamse stad die de aanstelling van haar schepenen (rechters) ziet veranderen.

 

In het jaar 1209 (de dinsdag na Sint-Pietersdag) geeft Filips van den Elzas, regent van Vlaanderen en Henegouwen, aan de stad Ieper het recht om zelf hun schepenen te kiezen. De ambtstermijn wordt teruggeschroefd tot één jaar. Er wordt een systeem opgelegd, een werkwijze om de jaarlijkse benoeming op een georganiseerde manier uit te voeren. Vijf van de voornaamste inwoners kiezen de eerste vijf schepenen. Het zijn die vijf schepenen die dan een keuze maken over de aanstelling van de acht resterende schepenen.

 

Het nieuwe systeem, dat kan je zo zien, is natuurlijk nog steeds niet echt democratisch te noemen want het blijven de vijf belangrijkste inwoners van de stad die aan de touwtjes blijven trekken. Toch wordt de procedure eveneens ingevoerd in Gent (1212), Douai (1228), en in Brugge en Damme in het jaar 1241. In 1228 wordt het systeem ietwat aangepast door het gravenkoppel Joanna van Constantinopel en Ferrand van Portugal.

 

Het lijkt er op dat de nieuwe manier van schepenenbenoeming een groot voordeel biedt aan de poorters van de steden. De vorst staat immers zijn benoemingsbevoegdheid af aan de burger; "burgensibus et communitati". Het betekent een hele toenadering tot het volk. Maar al met al blijft de invloed van de mensen op de verkiezingen vrij beperkt. Zeg maar zo goed als nihil.

 

De tussenkomst van het volk bij de schepenverkiezing blijft inderdaad beperkt tot één enkele actie: het kiezen van de vijf mannen die op hun beurt de schepenen zullen aanduiden. Bij de volgende schepenverkiezing is het aan de aftredende schepenen om de eerste vijf nieuwe schepenen aan te duiden. De rol van de poorters is dus al volledig uitgespeeld.

 

Het laat zich raden dat het bestuur van de steden vrijwel onmiddellijk degradeert tot een zuiver kastesysteem, een aristocratische bedoening. In principe kan iedere Ieperse poorter schepen worden. Geen enkele sociale klasse wordt uitgesloten. Maar de patriciërs, met dank aan het kiessysteem, zorgen er wel voor dat zij aan de postjes blijven. Volksprotest en omwentelingen zullen er aan het begin van de 14de eeuw, en niet alleen in Ieper, een einde aan maken. Het kan er echter op lijken dat de band tussen de steden en de graaf losser aan het worden is. Maar dat is enkel schijn. Het gerecht vormt een heuse navelstreng tussen de graven en de steden. De graaf voert een voor de schepenen attractieve politiek om hen op die manier ook aan hem te binden en ze van hun onderdanigheid te verzekeren.

 

Als er een twist ontstaat rond de jurisdictie van de schepenen dan zal de graaf meestal de partij kiezen van de gemeente. De schepenen van hun kant willen zich wel onafhankelijk opstellen maar zitten geprangd tussen het kat-en-muisspel van de jaarlijkse herverkiezing. En we mogen ook niet vergeten dat de baljuw, als plaatsvervanger van de graaf, nauwlettend de soevereine rechten controleert en garandeert. Het principe van de jaarlijkse herbenoeming wordt door de latere graven herhaaldelijk aangevallen. Zelfs de Franse koning Filips de Schone wil er in 1301 een einde aan maken met zijn eis om de eerste zes schepenen te laten verkiezen door 3 aftredende schepenen en 3 afgevaardigden van het Franse hof. De Guldensporenslag met de gekende faliekante gevolgen voor de Fransen, gooit roet in het eten van dit nieuw systeem.

 

Hoe worden de schepenen eigenlijk vergoed voor hun diensten? Terwijl de stedelijke ambtenaren door de stad worden bezoldigd, krijgen de schepenen eigenlijk geen eigen wedde. De stadsrekeningen reppen geen enkel woord over betalingen aan welke schepen dan ook. Oefenen ze dan hun functie pro deo uit? De gemeente schenkt aan de schepenen in functie winter- en zomerkleding, lakens, wijn, huisgerief, verbruiksartikelen, kruiden om hun harde en vaak ondankbare taken enigszins te compenseren. Het zijn "douceurs", cadeaus die de ondankbare taken verzachten.

 

De "douceurs" zijn zeker niet te versmaden maar de schepenen hebben natuurlijk nog andere bronnen van inkomsten. Ze strijken immers een deel van de boeten op die worden toegepast in de rechtbank. Al met al een behoorlijk ereloon. Naast de schepenen en de baljuw is er natuurlijk de aanwezigheid van de voogd. Welke rol speelt hij in de Ieperse vierschaer? De voogd heeft het recht om, in samenspraak met de baljuw en in naam van de stad, opsporingen en achtervolgingen te organiseren en verdachten in hechtenis te nemen.

 

Als hij dat echter op eigen houtje doet, loopt hij het risico dat de baljuw de verantwoordelijkheid van zich afschuift. Zo staat er eens geschreven "…up 't welcke de hoochbaillu verantwoorde dat hij was ghedaen hechten bi mijn heeren voogd ende schepenen ende niet bij den heere". De voogd dient na te gaan of er geen klachten lopen tegen de baljuw of zijn team. De vergadering van de vierschaer begint telkens met de vraag of de beklaagden bezwaren hebben ten opzichte van de baljuw.

 

Terwijl de functie van de voogd in de vierschaer vrij beperkt blijft, is deze van de klerk wel heel specifiek en bijzonder. Onontbeerlijk. Zijn aanwezigheid als griffier is essentieel. Hij houdt orde in de stadsregisters en is archivaris van de gemeente. Hij heeft een gedetailleerde kennis over het strafrecht, want telkens de schepenen enige ervaring beginnen op te doen, worden ze vervangen door nieuwe mensen die vrijwel geen kennis hebben over de geldende "costuymen en wetten". De klerk (secretaris) is een persoon die tot en met vergroeid is met de rechtbank en met de voorbije decennia van uitgesproken vonnissen. Hij vormt als het ware een persoonlijk strafwetboek middenin de rechtbank van de Ieperse middeleeuwen.

 

Een bijzondere rol blijkt ook weggelegd voor de "peysmaekers". Het zijn verzoeningsagenten, paiseurs, paisiers, paisanters en bij woordverbastering "besanders" genoemd. De peysmaekers moeten er al geweest zijn helemaal vanaf het begin. Filips van den Elzas maakt er al melding van in 1171. De peysmaekers worden vanaf die periode al gekozen door en dikwijls tussen de schepenen. Ze worden belast met de handhaving van de orde en het bewaren van de vrede tussen de burgers. Een beetje zoals we de straathoekwerkers kennen in onze nieuwe tijden. Hun rol bestaat er in om vetes op te lossen tussen families en te werken aan verzoeningsprocedures. De actie van de peysmaeker heeft vooral een preventief karakter om privé oorlogen te voorkomen. Als er een twist ontstaat tussen twee burgers, of tussen een burger en een vreemdeling, dan moeten deze zich komen aanbieden bij de peysmaeker en hem plechtig beloven in het vervolg de vrede te bewaren.

 

Het breken van deze belofte aan de peysmaeker, zo zal later blijken, heeft zware gevolgen voor wie deze verdragsschennis pleegt. Zelfs de doodstraf behoort tot de mogelijkheden. Het dient er ook bij gezegd dat de benadeelde het recht heeft om na de procedure bij de peysmaeker de dader te laten vervolgen door de vierschaer.

 

Er bestaan in de middeleeuwen 3 soorten rechtbanken. Alle drie hebben ze een verschillende bevoegdheid gaande van het laaggerecht, via het middengerecht naar het hooggerecht. We hebben te doen met het hooggerecht als de "hangman zijn excecutiën doet met den vyere, swaerde, putte, quartieringhe, rad, spriete, galghe, slepinghe, nijpinghe, afsnijdinghe, kortooren, doorstekinghe, uytdrooginghe, geesselinghe, schavoteringhe en diergelycke naar de costumen en de usantiën van den lande".

 

In de stadsarchieven van Bergen bevindt zich een Cartularium die verdere details geeft over de indeling van het gerecht: "Haulte justice est esconer ou prendre bouillir, ardoir, enfouir, flastrir, copper membres, banir et troeve de vaissiaulse d'els". "Moyenne justice est ce dont eschevins jugent et tonnieux". "Basse justice et d'entrées et d'issues d'iretaiges".

 

Elke Vlaamse gemeente of stad bezit het privilege van rechtspleging. De meeste hebben een vrij beperkte rechtsmacht. Enkel Brugge, Gent, Rijssel, Douai en Valenciennes hebben hun eigen hooggerecht. Net zoals in Ieper dat zijn eigen "jusgladii" organiseert. En, geloof me, het is geen pretje als je voor de Ieperse vierschaer moet verschijnen met één van de zwaarwichtige misdrijven op je kerfstok! Misdaden zoals overspel, bloedschande en woeker zijn meestal een zaak van de kerkelijke rechtbank. Dit is niet het geval in Ieper.

 

Zo vinden we in de Ieperse annalen het volgende terug over woeker: "Merkedy XV jour de jullet. Pierre Boele bannis sept ans hors le pays de Flandres sour le gibet pour ce qu il a esté pourtra trois foys de prester a usures et ce par l' entretat de le ville". En er staat verder: "et ce par l'estatut de le ville, ofwel contre le keure" wat er op wijst dat de stedelijke keure al de straffen voorzien heeft tegen de woekeraars.

 

Overspel. Het aantal gevallen van overspel is hoog: "… Marie Appelkuts bannie IIJ ans cour de fosse IIJ lieus de le ville ou le conté s' estent pour ce qu elle a detenu aveucq lui manant j homme qui a femme espousée". Of: "L' an mil CCC et XX Pierre le Buc banis VII ans …. pour qu il a emmené et detenu le femme et l' avoir d'un aultre homme contre le volonte de celui".

 

Ketterij. De Ieperse schepenbank is in de 14de eeuw bevoegd om ketters te veroordelen. De voorbeelden zijn schaars, maar ze bestaan. Het moet gezegd dat de beschuldigde van ketterij zich eerst dient te verantwoorden tegenover de "inquisiteurs" van de kerk die al dan niet moeten bepalen of het hier over een geval van ketterij gaat. Is het antwoord positief dan wordt de beschuldigde doorgewezen naar de stedelijke vierschaer. De schuldige is immers niet alleen in strijd met de kerk maar eveneens in opstand tegen de staat.

 

Zo lezen we in 1377: " Pool le Haestighe fouillon, convaincu de hérésie par devant les inquisiteurs commis de la sainte Eglise ét par eaulx rendu aultre au seigneur et jugés, fuars sour le marquiet d' Yppre". De schepenen zijn ook bevoegd in voorkomende gevallen van zelfmoord die in de middeleeuwen gaandeweg geklasseerd wordt onder "goddelijke majesteitsschennis", ingaand tegen elke goddelijke rechtspraak. We vinden in de oude Ieperse geschriften nog een tekst terug betreffende de zelfmoord van de Brielenaar Jehans Bagelun; "Mémoire que Jehans Bagelun….qui se meismes avoit strangulé et pendu en sa maison au Briel sour le terre du Temple fu justiciet au Temple le XXJ jour de febrier".

 

Rechtstreekse beledigingen aan het adres van God, de heilige maagd of de heilige kerk zijn taboe. Ook hier velt de vierschaar verschillende vonnissen. Een zekere Meulin Heerbrecht wordt aan de schandpaal gebonden en vervolgens met afgekorte tong voor zeven jaar in verbanning weggestuurd: "pour les despiteuses inhonestes et innaturèlez parolez blas fèmes qu il dist sour notre Seigneur Jhesu Crist et de la glorieuse benoite Vierge Marie". De poorter Eloy Mazin wordt voor 7 jaar verbannen "de destourbir le ville des parolles qui dist au contraire de sainte eglise…".

 

Menselijke majesteitsschennis. Persoonlijke beledigingen van Ieperse ambtenaren worden eveneens bestraft door de schepenbank. Dat geldt niet alleen voor beledigingen aan het adres van de ambtenaren maar evengoed van vertegenwoordigers van het stedelijk gerecht, zoals de baljuw, de schout of hun medewerkers. Beledigingen geuit tegen rechtstreekse vertegenwoordigers van de graaf worden sowieso beschouwd als majesteitsschennis en vallen onder de bevoegdheid van de Ieperse vierschaer.

 

In 1362 ondergaat een zekere Franskin Brand de doodstraf omdat hij in Dordrecht en in Middelbourgh had beraadslaagd met bannelingen; "…ou il avoient conseil pour prendre et emprisonner monseigneur de Flandres et par force d' armes entrer ou pays…". Het betreft hier natuurlijk een regelrechte samenzwering tegen de graaf van Vlaanderen.

 

"Waultier Ademare ets jugiés en le volonté du Seigneur de perdre le puing pour ce qu il mist main au seigneur vilainement". Met de baljuw wordt inderdaad niet gelachen! Zo bijvoorbeeld deze verbanning van liefst 3 jaar: "Elyaes le Vos ets banis IIJ ans hors le pays de Flandres sour sa tieste pour ce qu il contredist au seigneur d' aler en prison en disant il ne fu mie sez arresterre". Ganin Strye wordt voor één jaar verbannen omdat hij "onbescheedichede dede up den scoutheeden zijn officie doende".

Lambert Reubinest waagt het om te willen weglopen uit van handen van de knechten van de baljuw; "..dit de faire un pèlerinage a Notre Dame de Rochemadoul … pour che qu il se pena de faire escaper hors des mains des varlès du dit bailliu un estraingue homme lequel il avoient prijs". Beeld u eens in: te voet heen en terug van Ieper naar het zuid-Franse Rocamadour. Een voettocht van 1600 km. De Ieperling Pools Scadelin wordt verbannen "dit un an hors le ville sour etre banit un an s'il rentrast pour les horibles mos qu il dist sour un eschevin".

 

Het Ieperse recht wordt toegepast op de burgers en allen die ouder zijn dan 15 jaar en die zich al dan niet toevallig op Iepers grondgebied bevinden. Het magistraat laat niet na van op te treden tegenover vreemden die op één of andere manieren eigen burgers verongelijken. Bij het lezen van de oude vonnissen valt het trouwens op dat de Ieperlingen zachter worden behandeld dat vreemden.

 

Een Keure van 1302 afkomstig van Jan van Namen, de zoon van Gwijde van Dampierre, bevat een frappante passage in dit verband. Er wordt een duidelijke grens getrokken tussen de inwoners ervan en de buitenlieden, de vreemden. In de keure wordt aan de burgers van de stad Ieper een specifiek recht toegekend ten opzichte van niet-burgers. De schepenen en de burgers van Ieper krijgen het recht het huis van een niet-burger te slopen in geval van slagen, kwetsuren of doodslag toegebracht aan een burger.

 

De stad bemoeit zich uitermate met wat haar burgers op andere plekken uitspoken en met de misdrijven die ze op "den vreemde" begaan. Telkens opnieuw moet de burger zich achteraf aanmelden bij het Ieperse gerecht. In de gevallen dat Ieperlingen een misdrijf plegen in de vreemde en daar ook opgepakt worden, dan worden ze ter plekke berecht. Maar het Ieperse magistraat houdt er heel sterk aan dat ook zij kunnen oordelen in die gevallen buiten hun rechtsgebied.

 

In 1383 komt het zelf tot een conflict met baljuws uit andere Vlaamse steden die Ieperse burgers voor hun gerecht willen dagen. Er mogen in den vreemde geen goederen worden aangeslagen van Ieperse burgers als die een misdaad hebben begaan vooraleer het vonnis is geveld. Slechts één uitzondering beperkt de macht van de Ieperse schepenbank: die van het privilege van de geestelijkheid. Wanneer een geestelijke een misdrijf heeft gepleegd.

 

Het is natuurlijk allemaal geestelijkheid wat de klok slaat in de middeleeuwen. Als een geestelijke een misdaad begaat wordt hij door de schepenen aangeklaagd bij de geestelijke rechtbank. In geval van aanhouding van een geestelijke eist de geestelijke overheid dat de misdadiger uitgeleverd wordt aan het kerkelijk gerecht. De Ieperse schepenbank gaat meestal in op de vraag tot uitlevering. Echter niet in gevallen waarbij de geestelijke misdadigers geen uiterlijke tekenen draagt van hun waardigheid. Geen habijt en tonsuur, geen kaalgeschoren kruin; ".. wien verantwoord was dat men den vorseiden ghevangene niet hilt voerclere ende dat mennehem niet telivereren zoude want hij niet sculdich ware te zayerne der vrijheid van clergie vermits dat hij gehuwed was ende ghevangen was zonder habyt ende zonder tonsure, ende dat daenof de kenesse toebehorde der leker justice ende nemen el".

 

In de meeste gevallen wordt er hoe dan ook toch gevonnist door de schepenen. De geestelijke eist wel zijn rechten op maar de vierschaer spreekt als het ware een voorwaardelijke straf uit en voegt er in die specifieke gevallen een clausule aan toe: "zoo hij niet behoorde tot de geestelijkheid". "Mil CCC XXIIII. Hannin le Baenst est banni de cel fait comme il a fait sour France le Bets, li ditz Hannin est deffendu par le court de Terrewane et on obey". "Pael Kiekin, s'il n estoit clers est banis a tousjours hors le conté de Flandres de le mort Wouter Voghelin".

 

Meestal buigen de schepenen het hoofd voor het geestelijk gerecht. Maar met de tijd groeien de frustraties bij het Ieperse gerecht. Meer en meer geestelijke misdadigers vechten en moorden. Steeds vaker worden de poorters door geestelijken verstoord zonder dat de schepenen er een poot aan mogen uitsteken. Vooral het feit dat dergelijke geestelijke misdadigers na hun misdrijven in het bezit blijven van hun burgerrecht stoot de schepenbank voor de borst. In de archieven vinden we merkwaardige gevallen van rechtspleging waarbij de betichte uitdrukkelijk wordt gevraagd om te kiezen tussen zijn privilege van de geestelijkheid of zijn burgerrecht. Als de beklaagde kiest voor zijn geestelijk privilege dan wordt hij door de vierschaer onmiddellijk "ontpoortert 't eeuwicheden" en moet hij zijn "issuerecht" betalen.

 

De geestelijken komen er trouwens ook zo maar niet van af met een dubbelzinnig antwoord. Op een bepaald ogenblijk in de geschiedenis beledigt een geestelijke misdadiger de klerk van de vierschaer. De vraag wordt gesteld; "pour le quel il se tenait, ou pour bourgeois ou pour clerc". De beklaagde denkt slim te zijn en antwoordt: "Tant comme je serai clerc je me tiens pour clerc et se je nestoye mie clerc je me tieng pour bourgeois". Daarop wordt hij ontpoorterd en moet hij een tiende betalen als issuerecht op zijn goederen.

 

Op het einde van de 14de en in het begin van de 15de eeuw gaan de schepenen nog verder. Naast het verlies van het burgerrecht krijgen de geestelijken aanvullende straffen. Meestal zijn het boetes of gevangenisstraffen. De grootste straf, de verbanning, wordt echter nog steeds opgeheven. "MIIIICXX. Joorkin Speye, filius Jans, boete IX lb par. jeghens Lammekin de Ryket omdat hij ne vreesde met verbodene wapene…..ende dezelve Joorkin deffendeerde hem als clerc van den banne van VI jaren. Ende stappans scepenen nijsdene in VJ roeden meurs, ten proseffite van der stede….".

 

"Casin Strye zoude men een jaer ghebannen hebben….ne maer hij was bi den gheesteliken…Ende naerdien was hij bi scepenen ghenuyst te treckene binnen zonneschijne in de vanghenesse twee warf XI daghen".

 

Waar strekt de bevoegdheid van de Ieperse schepenbank zich eigenlijk uit? Volgens de keure van 1171 strekt die zich uit over het hele grondgebied, inbegrepen "dedans les banlieues de la ville d'Ypre, le crois sainte Godelief devers Mesines, dedens le crois saint Winnoc devers Courtray, dedens le crois saint Johan devers Dickemue et dedens le crois del Upstal".

 

Het is dus duidelijk dat die juridische bevoegdheden zich verder uitstrekken dan de stad en zijn buitenwijken. De hele nabije omgeving valt onder de Ieperse jurisdictie. Er liggen in de streek natuurlijk een aantal heerlijkheden en domeinen waar een ander recht wordt toegepast. Ofwel is het een domaniaal gerecht ofwel zijn het abdijen die onder controle staan van Terwanen. In de 13de eeuw komen die "eilanden" stilaan onder de bevoegdheid van de Ieperse vierschaer te staan. Daar zorgen opeenvolgende keuren van de graven van Vlaanderen voor.

 

Zo staan graaf Thomas en gravin Johanna in 1241, voor wat het domein betreft hun rechten af ; "qui vulgo dicitur upstal". In 1259 wordt de vrijheid "Ketelquat" door gravin Margaretha onderworpen aan de Ieperse jurisdictie. In 1270 volgt "Hoveland" en wat later eveneens "les terres du temple". Ook de jurisdictie van de abdijen komt al vroeg in de handen van de schepenen. Eén van hun bijzonderste bezittingen, "le comté de St. Martin en ville" wordt al in 1281 onder de voogdij van de vierschaer gebracht.

 

De grenzen zijn al duidelijk aanwezig in de 14de eeuw. De eilanden zijn door de stad opgeslorpt en blijven enkel bestaan als herinnering van hun onafhankelijkheid. De schepenen houden in die eeuw dan niet enkel hun vergaderingen van de vierschaer in Ieper maar ook in de vernoemde domeinen om daar hun vonnissen te vellen.

 

Nu kunnen we ons dat moeilijk voorstellen. Maar in die tijd kunnen vluchtende misdadigers hun heil en veiligheid zoeken in kerken en op kerkhoven. Deze plaatsen bezitten het asielrecht, een privilege die natuurlijk alles te maken heeft met de almacht van de kerk. Veel misdadigers maken gebruik van dat asielrecht om voorarrest te vermijden. "Ende daaromme" vertelt één van de vonnissen; "pleghen al de gone die 't enen fete gmeist hebben te truckenen in keerken tot de bane gnaamt es, ende os hij gnaamt es, moghen d' andren gaen vrij. Exemple van Fransen den Grisen ende zine ghesellen die van der doot van Boudene den Ruusse laghen j jaer welmaer in kerken omme dat de rechte bane noch toe niet gnoomr was".

 

Het blijkt echter dat het principe van het asielrecht in de kerken doorbroken wordt als de gepleegde misdaden echt niet door de beugel kunnen; "gemerct de horribelhede ende uteneimentheide van de faite". Een zekere Coppin Slyngher heeft, na een eerdere twist, zijn vijand gedood ondanks de wederzijdse afspraak tegenover de peysmaekers. De moordenaar vlucht de kerk binnen; "…up 't welke de vorseide baillie delibereirde dat hem 't fait zo groot dochte ende zo horribel dat men den vorseiden Coppin sculdich ware te haelne uter kerke ende te justicierne… De vorseide baillu troc s' achternoens ten Predicaren daer de vorseide Coppin in ghetrocken was omme refuge ende haedde ne derute..".

 

In 1339 neemt de kerkelijke overheid trouwens zelf het initiatief om het asielrecht in de kerken aan te passen. Maar de "modificationes" werken echter belemmerend voor de magistraten. De kerkelijke overheid moet nu zelf beslissen of de feiten voldoende zwaarwichtig zijn om het asielrecht te doorbreken. Het is duidelijk dat de aanpassingen van het asielrecht de zaken alleen maar ingewikkelder maken.

 

Zo zien we dat drie mannen die een moord hebben gepleegd naar de St. Jacobskerk zijn gevlucht. Ze worden er echter zonder toelating uitgehaald "pour le horibilité du fait". De kerkelijke overheid laat dit niet zo maar gebeuren en het voorval wordt in de volgende vierschaer besproken. Het is deze keer de schout die de rechtbank voorzit. De teksten vermelden "pour ce que le bailliu et sous-bailliu furent excumenchiet par le cour de Terrewane pour cause de l'offense qu il avoient fait a l' eglise". De baljuw en zijn assistent worden dus door het kerkelijk hof van Terwaan in de ban van de kerk geslagen.

 

De baljuw zal van dan af aan trouwens veel voorzichtiger zijn en de verantwoordelijkheid van zo'n daden op de rug van de schepenen proberen te schuiven. Zij moeten hem eerst de permissie geven om op te treden binnen de kerken van de stad.."ende zeide dat hij ne gerne uter kerke halen zoude mids dat scepenen haer assent der toe daden ghemerckt dat haer portre ware." De bevoegdheid van de Ieperse schepenbank gaat nog een stuk verder dan de vastgelegde grenzen van de stad en omgeving. Ook de gemeenten in het rond vallen onrechtstreeks onder de bevoegdheid van de vierschaer. Ieper is de moederstad, chef de sens, van de ondergeschikte rechtbanken.

 

De kleinere gemeenten die in het bezit zijn van een schepenbank moeten oordelen over hun medeburgers. Maar vaak ontbreekt het aan kwaliteit. De mensen in de schepenbank zijn niet geleerd. Ze trekken van het veld of van hun weefgetouw naar de zittingen van de rechtbank. Er bestaat wel goede wil maar de kennis van zaken in rechtspraak ontbreekt meestal. Ze worden dan ook regelmatig in verlegenheid gebracht op vragen van de baljuw. Zo bijvoorbeeld de schepenen van Roeselaere die verklaren "wij scepenen ghenaemt zijnde wij en waren niet zo vroet omme ute te ghevene 't ontpluure van den orconden die wij ghehoort hadden".

 

De schepenen van de buitengemeenten hebben inderdaad nood een competente raadsman die ze vinden in hun moederstad waar het tribunaal meestal gestoffeerd is uit bevoegde lieden en rechtsgeleerden die op de hoogte zijn van het strafrecht. Negen gemeenten hebben Ieper als moederstad. Het zijn Bailloeil, Estaires, La Gorgue, Messines, Seigneurie de Rolleghem, Roeselaere, Warneton, Saint Omer en Saint Dizier.

 

Zelfs in de gevallen waarbij de schepenen van de 9 gemeenten zich "vroed" achten om een vonnis te vellen kan de beschuldigde zich beroepen om de rechtsgeleerdheid van de moederstad in te roepen. Zulk beroep wordt toegestaan; "hier up de scepenen worden ghemaent hemleiden ute haren rade commende, cam de vorseide Boudin ende beriep 't goede vonesse dat scepenen in hare mont hadde, te haren hoofde 't Ypre, daer zij goede vonesse pleghen te haelne zo wanneer dat zij beroepen zijn". Dit beroep zal trouwens in de 15de eeuw worden afgeschaft door de Bourgondische hertogen.

 

De macht van de Ieperse schepenen is tot aan het midden van de 15de eeuw bepaald indrukwekkend te noemen. Zetelend in de vierschaer kunnen ze, zonder beroepsmogelijkheden van de beoordeelden, vonnissen vellen. "jusqu an milieu du XV ieme siecle ils jugeaient par arrêt en dernier ressort". Al in 1171 voorziet de keure een boete van 60 ponden voor diegenen die de gevelde uitspraken van de schepenen aanvallen, met trouwens aanvullend nog een extra boete van 10 pond per schepen. Nog voor de jaren 1200 zijn de vonnissen van de schepenen zonder beroep. Toch kan de graaf of in zijn plaats de baljuw de vonnissen ongeldig laten verklaren wanneer ze de schepenen verdenken van een vals oordeel (fausser les éschevins).

 

In die gevallen is er wel nood aan een waarborg dat de graaf of de baljuw zich zelf niet bezondigen aan willekeur. En die waarborg is er. In de gevallen dat de schepenen beticht worden van een vals oordeel, hebben ze het recht om zich te laten beoordelen door "huns gelijken", de schepenen van de 4 goede steden van Vlaanderen, Gent, Brugge, Rijssel en Douai.

 

De vierschaer. Hoe werkt die eigenlijk? Aanvankelijk kan de vierschaer pas aan het werk gezet worden na een klacht van een benadeelde partij, ouders en familieleden van een slachtoffer. Het is een gebruik dat nog steeds afstamt van de oerwetten van de Germaanse volkeren die aan de familia of beter aan de Sippe, de vrijheid lieten zich te wraken over het ongelijk aangedaan aan één van haar leden. Het principe van de wraak, la "vengeance privée".

 

Het valt niet te verwonderen dat het recht van de wraak aanleiding geeft tot verschrikkelijke en onmenselijke moordpartijen waar we getuige van zijn in de oude tijden. In de vroege middeleeuwen is een privé achtervolging niet meer toegelaten. De vermeende slachtoffers moeten zich wenden tot het gerecht om twisten en vetes te beslechten. Ze moeten tegenover peysmaekers beloften afleggen om te verzaken aan alle uitingen van haat tegenover elkaar.

 

Dat gebeurt vaak met tegenzin. De mensen vinden de weerwraak die hun voorouders als normaal beschouwden veel logischer en billijker dan de bemoeienis van een rechtbank. In de 11de en 12de eeuw hervallen de mensen dan ook vaak in dat door en door Germaans gebruik. Zelfs in de christelijke middeleeuwen zijn we nog steeds getuige van bloedige privéoorlogen tussen clans en families, die elkaar, opgezweept door haat of "faida", te lijf gaan.

 

Het is eigenlijk maar pas vanaf de 14de eeuw dat de baljuw, naast de familieleden, optreedt als aanklager. Er is zelf geen klacht meer nodig van het slachtoffer om de baljuw in actie te doen schieten. En ook de peysmaekers gaan direct aan het werk om de twee partijen tot een verdrag te dwingen. Zo verdwijnt de privévervolging toch stilaan uit de straten.

 

Wanneer er in de stad een misdaad wordt gepleegd verzoeken de magistraten de onbekende dader met een publieke uitvaardiging zich te komen aangeven. Als die zich binnen de drie dagen aangeeft krijgt hij de kans om zijn verontschuldigingen aan te bieden. Hij kan zo bijvoorbeeld het argument van wettige zelfverdediging aanbrengen. Eens de drie dagen verstreken, is het niet mogelijk om die zelfverdediging te gebruiken. Het is bijzonder behendig bekeken van onze middeleeuwse voorouders.

 

Veel misdadigers geven zich om die reden snel aan bij het Ieperse gerecht. "Le XVIIIe jour d' octembre manda Nicaise Flanniers condist de quarouble a avoir fait le mavrure sur Nicaise le Candreliers de morans en la plache en Lisle, de lequelle mors s' estait ensuivie dosant que fait l'avoit encore le feroit il". En niet alleen zelfverdediging wordt ingebracht door de misdadigers. Zo is er het voorbeeld van een baas die zijn leergastje heeft gedood na een al te brutale berisping en die zich beroept "à cause de dissipline pour sen bien et pourfit".

 

Maar de aanklacht kan natuurlijk ook direct van het slachtoffer komen. Na slagen en verwondingen dient hij of zij zelf een klacht in; "ait le requeste de Wauteron Mengot, nous aviens prins en plainne rue…". De aanklager moet afkomen met harde bewijzen tegen de zogezegde dader. Bij gebrek aan bewijzen wordt hij dadelijk vrij gesproken. Een klacht indienen zonder harde bewijzen is daarenboven strafbaar. ".. li dit Nicole fu jugiet quite et delivré comme innocens de ledicte mort jugié fu par eschevins .. qui le dit Wautier payase les court de loy et de prison".

 

In de archieven van Ieper zijn niet direct zware straffen te vinden voor lichtzinnige aanklachten, maar in Valenciennes past men de verbanning van 3 jaar (en soms voor eeuwig) toe indien iemand valselijke beschuldigingen uit tegen onschuldige poorters. Ook in Ieper is één geval van eeuwige verbanning bekend: Een zekere Clays Clay wordt verbannen om redenene van "de mauvaiseté et fauseté faire et requerre au singneur et a la loy de le ville d'Yppre". Hij die trouwens een andere persoon aanzet om een valselijke klacht in te dienen, heeft trouwens ook af te rekenen met het gerecht. Crestine 's Graven wordt zo voor 3 jaar verbannen "pour che qu' elle ennorta ij garchons de pourtraire une femme contre droit et pour fauseté".

 

Wanneer het slachtoffer verwond is, heeft hij de mogelijkheid om zijn wonde te laten bestatigen. De baljuw met twee schepenen, de klerk van de vierschaer en een geneesheer (ghezworen meester cirurgien) komen de wonde "schauwen". Na de vaststellingen moeten de baljuw en de geneesheer zich verwijderen en verklaart het slachtoffer onder ede "up wien hij den quets leght". Na die eedaflegging trekken de schepenen naar de markt. Aan "ten vijfhouck voorde voulteé bezweren ze de baljuw de aangeduide persoon te dagvaarden om zich binnen de acht dagen te komen aangeven of een voldoende borgsom te storten.

 

Als de gekwetste geen getuigen heeft, is het aan de schepenen om de verwondingen vast te stellen. Daarna moet het slachtoffer op zijn zielzaligheid (sur le peril de s ame) zweren wie de dader is van de aanslag. Indien hij achteraf bezwijkt aan zijn verwondingen, dan wordt de aangeduide dader als moordenaar beschouwd. Als hij echter herstelt van zijn verwondingen volstaat die ene aanduiding van het slachtoffer niet. Er moeten andere getuigen gezocht worden want een dader kan niet voor twee aanklachten veroordeeld worden. De schepenen kijken wel naar de voorgeschiedenis van de zogezegde dader. Als hij een zuiver verleden achter zich heeft, wordt hij vrijgesproken. Zijn er echter al vroegere aanklachten tegen hem geuit, wordt hij bij gebrek aan bewijzen uit de stad verbannen.

 

Ook derden kunnen natuurlijk beschuldigingen uiten. Door familie of vrienden van het slachtoffer bijvoorbeeld. Als familieleden een moord komen aangeven bestaat er een speciale regeling. Om wettelijk klager te zijn moet men tenminste verwant zijn in de derde graad van het slachtoffer; "..ende in 't voortheescen quam een man met rade ende met talemanne ende dinghede omme wettelic clagher te zine ende toghede dat hi den doden bestaet in derden of naerre".

 

Niet verwanten kunnen ook een misdaad bekend maken maar ze worden dan (eigenaardig genoeg) beschouwd als verklikkers of overdragers. In sommige steden krijgen de overdragers zelf een deel van de boete opgelegd. Wanneer de familie heeft nagelaten een misdaad te melden komen de baljuw of schepenen op de hoogte ervan door eigen onderzoek ofwel door toedoen van een overdrager. De baljuw speelt nu de rol van onderzoeksrechter. Hij gaat op zoek naar de "waerhede". Zo vraagt de baljuw van Ieper "eene waerhede" om een ontsnapte gevangene te mogen opsporen.

 

Die "waerhede" staat dus eigenlijk voor het onderzoek zelf. De opsporing van de misdadiger gebeurt met hulp van teams. Middeleeuwse teams van rechercheurs. Er bestaan teams van 7, 21 en zelfs soms van 63 mannen die overal nagaan wat er zo allemaal wordt geroddeld over de misdaad. Zo proberen die teams een spoor te vinden van de misdadiger.

 

De schepenen hechten bijzonder veel belang aan de resultaten van de zoektocht. Het is trouwens een onderzoek dat kan worden aangevraagd door een wettige bloedverwant van het slachtoffer. Naast de "waerhede" is er in veel gemeenten ook nog sprake van een ander type onderzoek dat men "gemeyne stille of vrije waerheden" noemt. Hier gaat het niet om één particulier geval, maar is de "gemeyne waerhede" eerder een maatschappelijke actie om ongekende misdaden op te sporen. In het Kortrijkse zijn er gevallen bekend van dorpen die aan hun heer een zekere som betalen om een "gemeyne waerhede" te organiseren. In Ieper is er echter geen spoor van terug te vinden.

 

Als de misdadiger gekend of gevat is, wordt hij voor de vierschaer gedaagd. In de gevallen van zware misdaden wordt de misdadiger aangehouden. In principe mogen enkel de baljuw of zijn rechterhand aanhoudingen verrichten maar in ernstige zaken waar de misdadiger bijvoorbeeld op heterdaad wordt betrapt, is het de gewoonte dat de mensen, de medeburgers zelf, te hulp komen en de aanvaller zelf mogen uitleveren aan het gerecht. "e est li communs pourfis que chascuns soit sergans et ait pouoir de prendre et d'arester les maufeteurs".

 

In de minder erge gevallen worden de betichten gedagvaard om voor de vierschaer te verschijnen. De baljuw stuurt een bode die de beschuldigde persoonlijk, bij de naam en voornaam noemende, verzoekt om zich aan te bieden bij het gerecht. Indien de betichte het "zijn gat laat horen" en niet opdaagt bij de vierschaer, wordt hij opnieuw voor de rechtbank gedaagd. Is ook die poging vruchteloos dan wordt de beschuldigde voor eeuwig uit de stad verbannen. Die verbanning gebeurt volgens de "costuymen" "metten luudene van den clocxkene up zijn levende lijf ende zijn goet verbuert indien hij geen poortre en es".

 

Een zekere Jehan le Cod wordt voor eeuwig verbannen, op de galg, om geweigerd te hebben om voor de wet te verschijnen. Voor minder erge feiten wordt de straf echter teruggebracht tot een fikse boete. De procedure van daging geldt enkel in de gevallen waarbij de beschuldigde zich op het grondgebied van Ieper bevindt.

 

De dag van vandaag kan een beschuldigde enkel veroordeeld worden indien er fysiek bewijs is van zijn of haar schuld. In de hoge middeleeuwen geldt nog steeds het Germaanse principe: de beklaagde moet zijn onschuld bewijzen! Hij wordt als schuldig beschouwd zolang hij geen bewijs van zijn onschuld kan voorleggen. Meer en meer laat de kerk zijn invloed gelden in de barbaarse rechtspleging. In de 14de eeuw zijn die barbaarse principes al helemaal omver gesmeten. De betichte is zolang onschuldig tot dat de aanklager zijn schuld op een klare manier heeft kunnen bewijzen.

 

"Martin le Boom est jugiet quitte de la calainge et poursiente de Bette Werregaers de li avoir efforchiet pour ce qu elle fist la dicte calaigne sour luy sans offrir a prouver se demande et calaigne par le verité ou par cognissance de le vierscare comme par droit es loy nuls ne doit estre creus de sa mesme cause". Het voorbeeld toont duidelijk aan de Ieperse samenleving het oud Germaanse principe in de 14de eeuw volledig over boord heeft gegooid.

 

Natuurlijk is verdere bewijskracht niet meer nodig als de betichte op heterdaad wordt betrapt. In de andere gevallen dient de schuld te worden vastgesteld door getuigenissen, door eeddoende bijstaanders (cojureurs). Maar ook door vrijwillige getuigenis al dan niet na foltering. Het is niet het geval in Ieper, maar in andere Vlaamse steden zoals Valenciennes kan een gerechtelijk tweegevecht ingebracht worden als bewijskracht. Tot in de 15de eeuw blijft dit onredelijk en onrechtvaardig gebruik in zwang. In Ieper werd het gebruik van tweegevechten en de water- en vuurproef al in 1116 afgeschaft. Het toont aan hoe vroeg de macht van de kerk zich heeft ontwikkeld in het Ieper van de middeleeuwen.

 

Het is niet voldoende als slechts één getuige afkomt met bewijzen tegen de betichte. Het "unus testis, nullus testus" is van kracht. Als de baljuw of aanklagende partij iemand wil beschuldigen moeten ze dus afkomen met getuigenissen. Het aantal op te roepen getuigen verschilt naar gelang de ernst van het misdrijf. Om iemand te bewijzen van "geweldgebruik" moeten er 7 getuigen worden opgeroepen. Al dan niet in één sessie of twee sessies. Bij meer zwaarwichtige gevallen zijn er 21 getuigen vandoen.

 

Getuigen moeten minstens 15 jaar zijn en als burger worden aanzien. Daarvoor moeten ze de getrouwheidseed zweren aan de gemeente. Iemand met een politieke straf op zijn kerfstok wordt geschrapt als getuige. Vrouwen worden in Ieper niet als getuige opgeroepen tenzij als er hiervoor een toestemming bestaat door beide partijen. De beklaagde kan hier trouwens getuigen weigeren. Hiervoor moet hij wel de reden tot weigering doorgeven aan de schepenen. Iedereen die opgeroepen wordt om te verschijnen is verplicht om voor het gerecht te verschijnen op straffe van boete of verbanning.

 

De eed is een belangrijke zaak in de rechtspraak van de middeleeuwen. Bij lichte gevallen van klachten volstaat een eed van de beklaagde soms als bewijs van zijn onschuld. "…. x est quite par sen simple serment de la demande que y lui demanda..". Wanneer de overtreding van ernstige aard is, volstaat één enkele eed van de beklaagde niet om zijn onschuld te bewijzen. Hij moet voor het gerecht verschijnen met "cojureurs" die samen met hem zijn onschuld staande houden. In het charter van 1116 is er trouwens al sprake van die "cojureurs". In de 14de eeuw is het gebruik ervan nog steeds actueel.

 

"Jehan Ywayn ets quite de tout ce que Jehan d'Espaigne luy demanda par V serment qu'il fist "bi bevanghe" bien et sufficsamment". De "cojureurs" worden trouwens niet aanzien als wettelijke getuigen maar als partijen die verklaringen afleggen ten gunste van de betichte. Het aantal loopt op van minimum 4 cojureurs maar soms kan dit oplopen tot boven de 20.

 

En dan komen we bij de foltering van de betichte. De baljuw wil de betichte zijn misdaad doen bekennen door middel van pijniging. Het is een verschrikkelijk gebruik dat aangewend wordt om de dader te kennen. Een wraakroepend en onrechtvaardig gebruik want al te vaak geeft de beklaagde zijn schuld toe om te ontkomen aan de verschrikkelijke pijnen die hij aan het ondergaan is. In veel gevallen is er zelfs geen sprake van schuld of misdrijf.

 

Het is niet echt geweten of het Ieperse magistraat in de 14de eeuw dikwijls zijn toevlucht neemt tot foltering. Feit is dat er wel foltering aangewend wordt: ".. dont il fu mis à géhine et riens ne confessie". De oude teksten tonen wel aan dat foltering door de rechters wel beschouwd wordt als allerlaatste toevlucht wanneer er onvoldoende bewijskracht op tafel ligt. Foltering als ultieme redmiddel laat de rechters toe met overtuiging te veroordelen; "la ou il confessèrent devant eschevins de leur gré et propre volenté sans géhine et constrainte de fers".

 

Als de beschuldigde zijn misdaad toegeeft, gaat de rechter zonder veel aarzeling over tot het uitspreken van de zwaarste straffen. De klerk noteert de bekentenis en voegt er aan toe dat die gedaan wordt "sans géhine et constrainte de fers". Er gelden trouwens nog enkele bewijzen voor schuld of onschuld. Als schepenen van een andere gemeente rapporten sturen naar het Ieperse tribunaal betreffende de (on)schuld van een betichte, wordt die op basis van dat rapport veroordeeld of vrijgesproken. Ook de resultaten van voorafgaand kerkelijk onderzoek gelden als bewijzen pro of contra de beklaagde.

 

Uiteindelijk wordt het vonnis geveld tegenover de beschuldigde. Het zijn de schepenen die het vonnis - op vraag van de baljuw - uitspreken. De vierschaer is het tribunaal in de hoogste expressie. In de kamer "ter siege" of in de "gemeene kamer" worden de minder zwaarwichtige rechtzaken uitgevoerd. De vierschaer behandelt zaken van kapitale en correctionele aard.

 

Het lijkt vreemd, maar aanvankelijk worden de zittingen in open lucht gehouden. Op één van de bijzonderste kruispunten in de stad staan vier banken (scarre) opgesteld. Eén voor de baljuw. Rechtover de baljuw zitten de schepenen en op de twee andere banken zitten de verdediger en de betichte. Hier komen we terug naar de origines van de naam van de "vierschaer". Ze slaan op de vier scarres ergens op de kruising van belangrijke straten. Daar waar het middeleeuwse recht wordt uitgesproken.

 

In de keure van 1174 staat geschreven dat de schepenbank van Ieper haar zittingen houdt in open lucht; "et cil ki la plaie a fait doit estre semons sour le marchiet par les eschevins et par le justice le conte". Er kan natuurlijk enig voorbehoud gemaakt worden tegenover deze tekst want mogelijk wordt hier een gebouw vermeld dat aan de Ieperse markt is gelegen en waar de schepenen zetelen. Hoe dan ook, in het begin van de jaren 1300 houden de magistraten hun zittingen in verscheidene gebouwen en plaatsen in het rechtsgebied "in domo templi" op de "terre de la ville", op "la motte le conte" (Zaelhof), of "supra motum". Het is trouwens de klerk die notuleert waar de rechtszittingen plaats grijpen.

 

In de 14de eeuw zetelt de vierschaer twee keer in de week: op woensdag en op vrijdag. Op vrijdag gaat het meestal over schuld- en erfeniskwesties. De echte misdaden komen voor op woensdag. Als de vierschaer is "gebannen" en alle betrokken partijen gehoord zijn, richt de baljuw zich persoonlijk tot alle individuele schepenen en vraagt van hem een veroordeling of een vrijspraak. Het is dus de baljuw die de keuze maakt en de schepenen één voor één ondervraagt. "De Scepenen worden ghemaent van den rechte naer tale ende naer nedertale".

 

Geen vrijspraak betekent automatisch een veroordeling en een straf. De voornaamste straffen in de 14de eeuw zijn verbanning, strafbedevaarten, doodstraf, verminking, verlies van burgerrechten, ambtsberoving, ontzegging van het recht om als getuige op te treden of de huissloping. Het is de baljuw die zorgt voor de uitvoering van de straffen.

 

Als de schepenen en de baljuw oordelen dat een vrijspraak gerechtigd is dan wordt de aanklager verplicht om de kosten van het geding te betalen. De beklaagde wordt vrijgesproken. Dat kan als hij gehandeld heeft in wettige zelfverdediging, als hij gehandeld heeft zonder slechte bedoelingen of wanneer het slachtoffer zelf een banneling was. Ook procedurefouten kunnen leiden tot een vrijspraak. In de middeleeuwen is de manier waarop een klacht wordt aangebracht aan strikte regels gebonden. De minste fouten tegen die regels geven procedurefouten en aanleiding tot de meest ongehoorde uitspraken. "Pietre de le Thune ets jugiet d'escapez sanz repondre a loy sour le demande ob luy proposée par Jaquème, fieus Paesschen, pour che que Jaquème ne plaida point le stile de le vierscare".

 

Ook de baljuw moet erg op zijn hoede zijn om de debatten te leiden en bij de strafaanklachten. Als hij bijvoorbeeld "het lijf verbeurd" verklaart van de betichte en de schepenen het daarmee niet eens zijn, wordt de beschuldigde vrij gesproken. Diegenen die de verschrikkelijkste misdaden hebben begaan, zo bijvoorbeeld een ontaarde moeder die haar kind levend begraven heeft, worden vrijgesproken omdat de baljuw een fout maakt bij het uitspreken van de aanklacht. In bepaalde gevallen verlenen de schepenen genade. Vooral Goede Vrijdag wordt gebruikt om vergiffenis of kwijtschelding van straf te vragen.

 

Het strafrecht maakt tijdens de middeleeuwen een grote evolutie mee. Het strafrecht baseert zich op zijn Germaanse wortels. Strenge bestraffing van inbreuken op de "freda", op de hoofdman, de gouw en het land. Er bestaat maar één principe: oog om oog, tand voor tand. De Vlaamse gemeentetribunalen baseren zich op die voorvaderlijke rechtsprincipes. In de keure van Ieper staat geschreven: "et si aucuns ochist homme il donra teste pour teste". De kerk zorgt er voor dat er meer zachtheid komt in die barbaarse grondbeginselen. In de 14de eeuw heeft de invloed van die kerk gezorgd voor een revolutie in het rechtswezen. De oeroude Germaanse principes zijn weggevallen. De doodstraf wordt nu eerder uitzonderlijk toegepast.

 

In de keure van 1171 wordt nog de doodstraf gevraagd voor het verkrachten van een vrouw. "quiconques aura femme efforchie par forch et il est convenues par le vérité des eschevins il sera condampnes a le hart". In de 14de eeuw wordt verkrachting bestraft met verbanning. In de 11de, 12de en 13de eeuw zijn de doodstraf, de verminking, de verbanning en de huissloping de voornaamste straffen. Geleidelijk aan wordt de boete (composito) als straf toegevoegd.

 

Ook het Romeins recht doet zijn intrede in de vonnissen van de vierschaer: de betichte is onschuldig zolang de aanklager zijn schuld niet heeft bewezen. Het nieuwe recht betekent een bocht van 180° tegenover het oude Germaanse recht, waar de water- en vuurproef nodig waren om de onschuld te bewijzen. De mix van het Romeins recht met de christelijke principes van de kerk zorgen voor een meer gebalanceerde rechtspraak in de 14de eeuw. Een rechtspraak die dan ook in die jaren zijn beste periode meemaakt.

 

In de 21e eeuw hebben we te kampen met een chronisch gebrek aan gevangenissen en ruimte voor gevangenen. De middeleeuwse magistraten breken zich zeker het hoofd niet met de vraag of een lang gevangenisregime al dan niet gunstig inwerkt op een veroordeelde. De gevangenisstraf wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast. De gevangenis heeft meer de functie van een veiligheid tot wanneer de straffen zijn uitgesproken.

 

In Ieper wordt de gevangenisstraf vooral toegepast in schuldzaken, waarbij schuldeisers zeker ook hun zeg in hebben. In een keure van 1291 verordenen de schepenen dat de schuldenaar voor 15 dagen opgesloten wordt in de stadsgevangenis. Na die termijn mag de schuldeiser hem opeisen als zijn persoonlijke gevangene. De schuldeiser mag de schuldenaar op gepaste manier in zijn eigen woning opsluiten. Er bestaan bepalingen voor: de manier van het in de boeien slaan is gepreciseerd, de ketting mag niet te licht zijn en niet te zwaar. Langdurige gevangenisstraffen zijn niet aan de orde. Mensen die de rest van hun leven moeten doorleven tussen celmuren en wegkwijnen bij gebrek aan vrijheid, zon en vrije lucht worden eenvoudigweg terechtgesteld of verbannen naargelang de ernst van hun misdrijf.

 

Af en toe veroordelen de schepenen een schuldige tot een gevangenisstraf van onbepaalde duur. Vooral als ze op het tribunaal beledigd worden door de beschuldigde. De schuldige moet in de gevangenis blijven tot dat het de magistraten belieft om het vonnis op te heffen; "au rapièl d'eschevins". Sommige overtreders van de keure worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen of het dubbel ervan. Een zekere Cotinet die het aandurfde de baljuw te beledigen krijgt 40 dagen gevangenisstraf. Hij wordt verplicht om ereboete af te leggen tegenover de heer en de wet. Daarna wordt hij voor 7 jaar verbannen. Pierre Bieseboud vliegt voor 15 dagen in de bak omdat hij in zijn huis met teerlingen liet spelen. Wie de tegenpartij aanvalt wanneer die in de handen is van de peysmaekers riskeert ook voor 15 dagen te worden opgesloten.

 

Een individu die de prijs van de vis wat te hoog vindt en denkt iets van die prijs af te doen door de straatventer een pak slaag te verkopen, krijgt dezelfde straf. Voor het slecht uitoefenen van een stadsambt of voor het bevuilen van de straten worden gevangenisstraffen van een week of minder uitgedeeld.

 

Ook wanbetalers van stadsbelastingen worden met celstraffen getrakteerd: "…. IIJ jours et IIJ nuits pour ce qu il ont esté désobeinans de payer leur taille…". De gevangenissen krijgen toezicht van een opzichter die wekelijks nagaat hoe de gevangenen behandeld worden. Voor schulden en civiele zaken mogen de gevangen niet in de "ijzeren" of "blocken" worden gelegd. Misdadigers worden in ijzers en boeien geslagen "bij zulcker maniere dat hij ze niet en quetyze noch en myncke in hun beenen noch andere leden..".

 

In de 12de eeuw wordt de doodstraf nog regelmatig toegepast bij roof, verkrachting en doodslag. Ook het verleiden van minderjarige meisjes wordt mogelijk zo bestraft. In de 14de eeuw wordt voor dat laatste meestal overgegaan tot verbanning. Maar zelfs ondanks de zachtere rechtspraak wordt de doodstraf nog altijd vrij consequent toegepast en worden er zelfs nog gevallen aan toegevoegd. Zo is ketterij eveneens een reden om de doodstraf te krijgen. De basisgedachte bij de schepenen blijft: de schuldige moet onschadelijk gemaakt worden. De doodstraf of de verbanning zijn de enige alternatieven om dit te realiseren.

 

Bij een zware aanslag tegen de veiligheid van stad en land zijn de magistraten onverbiddelijk. In 1362 wordt een samenzweerder tegen de graaf en de baljuw op de Ieperse markt terechtgesteld. Tijdens een volksopstand van datzelfde jaar wordt de baljuw in één van de ramen van het belfort geduwd. De dader wordt terechtgesteld. In 1381 is er een opstand van de rode kaproenen. Ze worden voor eeuwig verbannen, de aanvoerder wordt terechtgesteld "de ce qu il avoit este kievetain des rouge capprons vers Dickemue…ainsi qu il mes ne confessa". Oproerlingen hebben het al wel eens gemunt op de magistraten zelf; "justiciet de le gibet….de faire emeute et conspiration pur venir au pont du jour a la porte de le ville tuer des ischerenieters, venir a le marchiet et wainguier le bezand et emprisonner la loi".

 

In de 13de en 14de eeuw is de kerk onverbiddelijk tegenover ketters. De rechtbank van de inquisitie, samengesteld door de pauselijke afgevaardigde, speelt het hard om alle ketterijen uit te roeien. Ze gaat proactief op zoek naar mogelijke ketters omdat die de veiligheid van de staat in gevaar brengen. Als de betichte schuldig wordt, levert de kerkelijke rechtbank die uit aan de wereldlijke rechter die de doodstraf toepast. In Ieper valt het al met al nog mee met ketters in de 13de en 14de eeuw. Pas met de komst van het protestantisme in de 16de eeuw zal de ketterij over heel Vlaanderen woekeren. De ketters worden door het vuur ter dood gebracht. "1377. Pool le Haestigghe, foullon, convaincis de hérésie, pardevant les inquisiteurs commis de la sainte Eglise et par eaulx rendu oultre au seigneur et jugés fuars sour le marquiet d'Yppre".

 

Het befaamde Ieperse laken is voorzien van een officieel kwaliteitslabel: een zegel. Wie het aandurft om die zegels te vervalsen veroorzaakt "schâ en schande" aan stad en volk. De schepenen verbannen de dader. Tijdelijk of zelfs definitief. Als iemand het aandurft om drie jaar of langer zijn heil te zoeken in valse zegels, dan wordt hij ter dood verwezen. Ook verraad wordt in Ieper met de dood bestraft. Beschuldiging van moord leidt ofwel naar verbanning ofwel naar de doodstraf. Moorden begaan op de openbare weg worden met de dood bestraft. Als de doodslag een stempel van afschuw en afgrijzen draagt, wordt de schuldige ook tot de doodstraf verwezen. Zo eist de baljuw de doodstraf door vuur en vlam van een ontaarde moeder die haar pasgeboren kind levend heeft begraven.

 

Personen die zich schuldig maken aan roof en diefstal worden onmiddellijk met de dood bestraft. Op voorwaarde dat er geen twijfel bestaat rond hun schuld, "sans constrante de paine et de fers". Als er geen 100% zekerheid bestaat, wordt de doodstraf vervangen door verbanning. Als er geen twijfel is wordt de dader gehalsrecht en soms geradbraakt. Zo ook in 1363: "…furent justieiet Andries le Medem et Thiri Capon de l'espee et de le rave de rober sour chemin".

 

Helers worden op dezelfde manier berecht als dieven. Het principe "de heler is zo goed als de steler" wordt consequent toegepast. Zo wordt Andrieux Brunel gehalsrecht en wordt Chris van Menine opgeknoopt omdat hij gestolen voorwerpen gekocht en verkocht heeft. Ook een zelfmoordenaar krijgt postuum de doodstraf: hij wordt onthoofd. "Memoire que Jehan Bagehin qui se meisines avoit strangulé et pendu en sa maison au Briel fu justieret au temple le XXJ jour de febrier.

 

Brandstichters worden voor eeuwig verbannen. Wie het op de hele stad heeft gemunt, ondergaat de doodstraf. De straffen op verkrachting zijn de voorbije eeuwen ietwat lichter geworden maar speciale omstandigheden kunnen de misdaad wel erger maken dan die al is. Personen die elkaar helpen bij een verkrachting lopen de doodstraf of. Er is een geval waar twee Ieperse poorters 's nachts een huis binnendringen, een gehuwde vrouw meesleuren tot aan de Halle en één van hen beiden haar daarna verkracht. De persoon die meegeholpen heeft aan de ontvoering en verkrachting wordt door de Ieperse schepenen tot de dood veroordeeld.

 

Er bestaan een aantal varianten op de uitvoering van de doodstraf. Na de uitspraak van de schepenen geeft de baljuw de opdracht aan de beul en zijn beulsknechten om de straf uit te voeren. Een "roeper" kondigt de voorziene uitvoering in het openbaar aan. In Ieper wordt de opknoping, de dood door het zwaard, het vuur, de ketel, het radbraken en het begraven toegepast. De opknoping en meer bepaald de galg zien er schrikwekkend uit in de middeleeuwse stad. Veel verbannenen lopen de straf op bij hun onwettige terugkeer naar de stad. Ook voor veel misdaden wordt de "galghe" gebruikt om de schuldige te straffen. Na de uitvoering blijven de opgeknoopte lijken een tijdje hangen. Tot afschrik van jong en oud. De minst pijnlijke variante wordt het meest toegepast: de halsrechting.

 

De radbraking echter is een echte folterstraf. De ledematen van het slachtoffer worden uitgerokken en gebroken. Er moeten echt verzwarende omstandigheden bestaan om de radbreking te moeten ondergaan! De ongelukkigen doorstaan de ijselijkste pijnen voor ze de dood vinden. Brandstichters krijgen van hetzelfde laken een pak: het vuur. Soms wordt een misdadiger in een ketel kokend water gedompeld.

 

Levend begraven worden! Een ijzingwekkende dood. De misdadiger wordt letterlijk in de grond geplant en bedolven tot aan zijn hals. Dan blijft het afwachten tot de dood. Sterven van honger en dorst maar ook vaak van het krankzinnig afgrijnzen van wat er nog te wachten staat. Hoe is het mogelijk dat er zulke straffen kunnen worden toegepast in een eeuw waar de invloed van de kerk op de maatschappij op haar hoogtepunt is? Ondanks de toenemende verfijndheid van de rechtspraak blijft het voor het stadsbestuur echter broodnodig om met barbaarse strengheid de orde in de maatschappij te bewaren.

 

Het "oog om oog, tand voor tand" principe wordt ook toegepast bij de verminking van daders. In de 14de eeuw worden in Ieper voorbeelden teruggevonden van vuistafhouwing, tongverkorting, amputatie van oren of ogen. Waultier Ademare wordt veroordeeld tot het afhouwen van zijn vuist nadat hij de baljuw heeft aangevallen: "il est jugiés en le volenté du seigneur de perdre le puing pour ce qu il mist main au seigneur vilainement..". De baljuw veroordeelt een onterecht teruggekeerde banneling als volgt "zijne vuist afhauwen, daernaer onthoofden ende den lichaeme legghen up een wiel". Godslasteraars worden meestal gestraft met verbanning maar krijgen ook een symbolische straf; de tongverkorting. Godslasteraars worden meestal gestraft met verbanning maar krijgen ook een symbolische straf; de tongverkorting.

 

In 1375 "Meulin Heerbrecht est jugiet d' acourtir le langhe et est bannis VIJ ans pour les despiteuses parolez blasfèines qu'il dist sour notre Seigneur Jhesus Crist et de le glorieuse Vierge Marie". Filips van den Elzas maakt uitvoerig gewag van de verbanning in zijn keure van 1171. De straf is inderdaad eeuwenoud, afkomstig van het Germaanse recht die van de misdadiger een "outlaw" maakt. Het is voor de schepenen en bestuurders een gemakkelijke straf, het "nimby", not in my back yard syndroom van de middeleeuwen. Het probleem wordt simpelweg op een ander gestuurd. De Ieperse archieven puilen uit van de verbanningen.

 

De verbanning is natuurlijk menselijker dan de doodstraf. Toch is het een meedogenloze straf. Ongelukkigen worden weggejaagd van hun geliefde geboortegrond, hun vaderland. Burgers worden weggejaagd van hun thuis, hun veilige samenleving. Ze worden verstoken van de veiligheid van een gemeenschap. Verbanning betekent een ramp voor de slachtoffers. Wanhopig en moederziel alleen weggestuurd worden naar onbekende oorden.

 

De 14de eeuw. Er heerst een slechte sfeer in Ieper. Er is maar één middel om hier wat aan te doen: de slechte elementen verwijderen uit de stad en het graafschap. De magistraten bepalen het type verbanning en hoelang die zal duren. Soms is het "uten lande van Vlaenderen". Soms "IIJ milen van der poort als verre als de gravelijcheide strect. Soms "hors le ville trois lieues loin de le ville". Vaak "hors de le ville d' Ypres".

 

Naast de verbanning wordt er telkens een voorwaardelijke straf bijgevoegd, een sanctie die de uitspraak kracht moet bijzetten en moet verzekeren dat de bannelingen terug zullen keren voor het einde van de opgelegde termijn. De doodstraf is meestal de stok achter de deur. Mannen worden verbannen op hun hoofd, op de galg, op het rad of soms op de ketel (sour le caudron) of op de put. Die laatste bestraffing, de levende begraving wordt altijd toegepast op vrouwen. Soms wordt gedreigd met amputatie van lichaamsdelen of met een verdubbeling van de straf. En dan bestaat er nog het risico om voor eeuwig verbannen te worden. En toch is de drang naar het vaderland zo sterk dat bannelingen niettemin terugkeren naar hun roots en hun straf riskeren.

 

De zwaarste bestraffing is de verbanning voor altijd. Daarnaast worden in Ieper verbanningen uitgesproken tussen de 1 en de 10 jaar. Soms ook van onbepaalde tijd of van enkele dagen. Iemand die zijn schulden niet kan betalen en niet als gevangene opgeëist is door de schuldenaar, wordt voor onbepaalde termijn verbannen. Zolang hij zijn schulden niet heeft betaald kan hij niet terugkeren.

 

Slechte gesprekken ("male antise") en laster worden veroordeeld naar gelang de slechtheid van het gevoerde gesprek. Middeleeuwse roddelaars, zoals een zekere Joris de le Soetesteide worden verbannen voor zeven jaar "..de horrible antise en lieu privé". Te Ieper schijnen de vrouwen een voorliefde te koesteren voor zulke gesprekken. Ze worden niet gespaard: "Kalle de Dickemue, Kalle Coene, caseure est bannie trois ans hors le ville….de male conversacion et antise, sur leurs oreilles". Zoals we kunnen zien riskeren de dames om hun oren te verliezen als ze voortijdig terugkeren naar de stad.

 

Het tarief voor Goddelijke majesteitsschennis en herhaaldelijk woekeren, bedraagt gewoonlijk 7 jaar verbanning. Het zedelijk peil in de 14de eeuw staat in Vlaanderen en in Ieper op een laag pitje. Er worden veel straffen uitgesproken voor ontucht. Eén, drie, vier, zeven jaar verbanning. Het bederf verspreidt zich over de hele stad via een reeks van slechte herbergen en bordelen. Er wordt ook streng opgetreden (tot 10 jaar verbanning) tegen de poorters die opstand prediken en de rust verstoren. Willame le Hoyeopere wordt verbannen voor drie jaar omdat hij gewogen heeft met valse gewichten en dan komt hij er nog goed van af.

 

Landloperij. "Hommes non profitables". Om verlost te zijn van hele bendes individu's die alleen maar last betekenen voor de stad en in niets hun voordeel aanbrengen, verbannen de Ieperse schepenen de landlopers voor jaren uit het graafschap. Er moeten tamelijk veel van die niet gegeerde gasten geweest zijn als we de veroordelingen nakijken. Soms worden ze met 14 tegelijk verbannen; "ilz furent bannis VI ans hors le pays de Flandres, chacun sour sa tieste, d'estre moins proffitable en le ville". Het spelen van niet toegelaten spelen, vooral met de teerlingen, wordt bij het eerste vergrijp bestraft met een boete die al dan niet gepaard gaat met een verbanning van 40 dagen uit de stad. Als ze hervallen wordt de verbanning verhoogd tot één jaar of meer. Te oordelen naar het groot aantal veroordelingen kunnen we gerust besluiten dat Ieper een onvervalst speelhol is.

 

En of het allemaal nog niet volstaat, ondergaan veroordeelden nog aanvullende straffen. Boetes, ambtsverlies. In bepaalde gevallen worden ze gebrandmerkt of zelfs tentoongesteld Het valt voor dat de bannelingen voor hun vertrek onder water worden gedompeld of publiekelijk verminkt worden. Geleidelijk aan doet ook de verplichting tot strafbedevaart zijn ingang.

 

De gevolgen van de verbanning zijn verschrikkelijk. Iedereen mag bannelingen doden, niemand mag hen herbergen, zijn vrouw is weduwe, zijn kinderen zijn wezen. Alleen het bos blijft over als schuilplek. De verbannene is wetteloos, ex lex. Hij staat buiten de wet, een outlaw. Hij bestaat niet voor de wet. Iedereen mag hem aanvallen, kwetsen. Niemand mag hem herbergen of helpen voor dat zijn verbanning is afgelopen.

 

Eens de verbanning afgelopen kunnen ze (met geld) hun burgerrechten terugkopen. Vaak zijn de mensen moegetjoold en komen ze vol heimwee naar hun thuis terug. Als ze gesnapt worden door het gerecht zijn ze echter de klos. De talrijke verbannenen "op hun hoofd" worden direct overgeleverd aan de baljuw. De Ieperse magistraten spelen het hard. De uitvoering van de straf is primordiaal: zelfs in de gevallen waar de onwettigen door poorters worden gedood, eisen de magistraten de uitvoering van het vonnis op het dode lichaam.

 

In sommige gevallen wordt de verbanning ingetrokken door de schepenen. Als bijvoorbeeld de openstaande schulden betaald zijn. De graaf vernietigt persoonlijk jaarlijks enkele verbanningen. En ook de nieuwe bisschop kan gratie verlenen; "..ute gratie ende niet van rechte". De schepenen kunnen ook bedevaartstraffen uitspreken. Naar Schotland, Gallicië, Marseille, Napels, Rocomadour, Rome, Tours, of binnen Vlaanderen. Als de schuldige verplicht wordt om op bedevaart te trekken, moet hij zich op een afgesproken tijdstip melden voor het vertrek. Doen ze dit niet, dan worden ze verbannen. Bij hun terugkeer van de opgelegde bedevaart moeten ze bewijsbrieven meebrengen die staven dat ze hun straf hebben volbracht. Bedevaarten opgelegd door de wereldlijke macht, kunnen trouwens meestal afgekocht worden "sour âine de IIIJ lb. de gros".

 

Het middeleeuwse strafrecht wordt in grote mate geschraagd door de boete als straf. Filips van den Elzas legt de hoogte van de boetes vast in zijn keure van 1171. Zware overtredingen worden beboet met 60 pond. Minder erge vergrijpen kosten 60 sous. De rest zweeft ergens tussen beide bedragen. Iemand verwonden resulteert in een boete van 40 pond. Iedereen die Ieper binnenkomt met een zwaard of verboden wapens krijgt een boete van 60 sous.

 

De opbrengst van de boetes wordt onder 4 partijen verdeeld. Het grootste deel gaat naar de graaf die dat als zijn feodaal recht beschouwt. Een belangrijk deel van de boetes gaat naar de schepenen die op die manier vergoed worden voor de uitoefening van hun ambt. De rest wordt verdeeld door de stad en door de benadeelde partijen. We komen trouwens regelmatig voorbeelden tegen van opgelegde boetes die moeten betaald worden aan de kerk. In de 14de eeuw is er in Ieper regelmatig sprake van "onterende straffen", de ereboete en de straf van de ladder. Maar we zien ook brandmerking, onderwaterdompeling en de schandpaal opduiken. Bij een ereboete moet de schuldige zich voor de vierschaere begeven en er openlijk en blootshoofds vergiffenis vragen aan diegenen die hij beledigd heeft.

 

De straf van de ladder gaat steeds gepaard met verbanning. De gestrafte wordt een tijd aan een ladder gebonden en tentoongesteld vooraleer hij in ballingschap moet vertrekken; "Jehan le Bake, Arnoud de Jonckere furent jugiet de mettre en l' eschielle à le 1Je heure diner et la ester J heure…". Goddelijke majesteitsschennis wordt steeds bestraft met verbanning en tentoonstelling op de ladder. Ook poging tot moord en valsheid voor het gerecht worden op die manier bestraft.

 

Zo heeft een vrouw gepoogd om haar buurvrouw te vergiftigen. Pannenkoeken gebakken en er gif aan toegevoegd. Ze laat op een brief uitschijnen dat de pannenkoeken een geschenk zijn van een vriend en laat die bij haar buurvrouw afleveren. De misdadige vrouw wordt veroordeeld tot zeven jaar verbanning en de straf van de ladder. Tijdens haar tentoonstelling worden een pannenkoek en de fameuze brief aan haar hals opgehangen; "et luy estant en l' eschiele on mist un tourteel et une lettre à son col".

 

Een van de meest eerberovende straffen, de brandmerking, wordt ook hier toegepast in de 14de eeuw. De gebrandmerkte misdadiger zal voor de rest van zijn leven spot en afschuw van klein en groot moeten ondergaan. De laatste straf die we op westhoek.net behandelen is die van de huissloping. Het is een gemeentelijke straf bij uitstek. De schepenen hebben de keuze tussen verbranding (arsin) of sloping (abattes). De straf heeft een specifiek karakter: het is de wraak van de Ieperse burgers tegen vreemden die de gemeente hebben beledigd. Een wettelijke gemeenschappelijke wraak op een wel erg doortastende manier.

 

Wanneer een vreemdeling zonder reden een Ieperse burger aanvalt, kwetst of doodt, dan wordt nagegaan of de man een huis bezit binnen de kasselrij van Ieper. Indien dit het geval is, begeven de baljuw, de voogd en de schepenen en de mensen van de gemeente met wapens en banier de stad uit naar het huis van de dader. De baljuw roept met luide stem; "par mon et par sourmon une fié, autre, et tierce". Als de dader naar buiten komt, wordt hij gevangen genomen en berecht. Komt er niemand naar buiten, dan steken de baljuw of de mensen (het is hun burgerrecht om dat te doen) zonder pardon het vuur aan de woonst. Tot zover deze episode over het oud Iepers strafrecht.