P1301100

1214. Augustus. We bevinden ons in Parijs als daar een belangrijke gebeurtenis plaats vindt. Ferrand van Portugal, de 26-jarige graaf van Vlaanderen door zijn huwelijk met Johanna van Constantinopel, wordt geketend aan handen en voeten en vastgesjord op een draagstoel door de straten van Parijs gedragen. Hij wordt er bespuwd en uitgejouwd door het gepeupel.

 

Voor hem. Triomfantelijk te paard. De Franse koning Filips-Augustus die enkele weken geleden de legers van Vlaanderen en Engeland in de pan gehakt heeft ter hoogte van Bouvines. Tussen Doornik en Rijsel. Heel Parijs viert mee met de koning. Eindelijk is het duidelijk wie de machtigste is in het Frankenrijk. Als een gebroken oude man van 38 zal de graaf van Vlaanderen in 1226 zijn gevangenis mogen verlaten. Hoe is het allemaal zo ver kunnen komen?

 

We gaan terug naar de jaren 800. Karel de Grote is alleenheerser over het uitgebreide land van de Franken. Na zijn dood verbrokkelt zijn rijk onder zijn erfgenamen. De grenzen worden aangevallen door de Noormannen en de Saracenen. Het gebied is zo uitgestrekt dat bezoldigde medewerkers ingehuurd moeten worden om de verschillende regio's te besturen en om er de grenzen te bewaken.

 

Zo gaat het ook met de Pagus Flandrensis, de gouw Vlaanderen. Een onherbergzame, moerassige strook grond aan de noordwestelijke kant van het koninklijk domein Francia met de Schelde als noordelijke grens. In 863 installeert de Franse koning Karel de Kale zijn schoonzoon Boudewijn (met de IJzeren Arm) als ambtelijk bestuurder van de Pagus Flandrensis. Overal doorheen het grote Frankische rijk worden trouwens van die gouwgraven geïnstalleerd. In 879 wordt bepaald dat de opvolging van de gouwgraven van vader op zoon kan worden doorgegeven.

 

De eerste gouwgraven van Vlaanderen hebben aanvankelijk veel problemen met de binnenvallende Noormannen, maar precies hierdoor zijn ze in staat om een sterke reputatie op te bouwen. Ze krijgen méér en méér greep op de noordelijke kant van Francia, greep op de uitgestrekte weidelandschappen tot aan Boulogne. Ze verwerven macht en invloed over de vele abdijen en rijke kloosters in de regio. Al in die vroegste tijd is er al sprake van schermutselingen tussen de legers van de gouwgraaf en de troepen van zijn leenheer, de koning van Francia.

 

De regio Vlaanderen wordt tussen 1100 en 1200 dominant en welvarend. Moerassen worden drooggelegd. Bossen veranderen in akkerland. De Vlaamse graven nemen het voortouw in de kruistochten die nog meer welvaart en weelde brengen. En het Vlaamse territorium zwelt aan met nieuwe gebieden. Vlaanderen is zowat machtiger geworden dan het zwakke Frankenrijk. De Franse koningen zijn honderden jaren lang hooguit de evenknie van hun vazallen in Vlaanderen, de Champagne of Normandië.

 

Met de aanstelling van de 14-jarige Filips-Augustus verandert Frankrijk in een land op zoek naar uitbreiding en macht in Europa. Dat levert al snel strijd en vijandschappen op met Engeland dat grote gebieden bezit in Frankrijk. Het resulteert eveneens in een schizofrene onrust tussen Frankrijk en het bruisende goudgebied Vlaanderen. Tussen 1179 en 1223 evolueert het ietwat zwakke Francia naar een zelfbewuste een dominante staat onder leiding van Filips-Augustus de machtigste edelman van de staat. Parijs wordt in die tijd een stad van grote betekenis.

 

In 1204 kan Filips-Augustus alle Engelse grondgebieden ten noorden van de Loire inpalmen. Hij plant hetzelfde met Vlaanderen dat hij wil losweken van zijn vazal en onder rechtstreekse Franse voogdij wil brengen. De Franse koning is trouwens bang om zelf door het machtige Vlaanderen opgeslorpt te worden. Het is een tijd vol van intriges en van voortdurende kampwisselingen tussen Vlaanderen, Frankrijk en Engeland. Uiteindelijk slaagt de Franse koning er in om de voogdij te verkrijgen over de 2 minderjarige dochters van de in het heilig land spoorloos verdwenen graaf Boudewijn IX van Vlaanderen en van Maria van Champagne.

 

Met het wegvallen van Boudewijn sterft het (in 863 aangestelde) Vlaamse gravengeslacht in rechtstreekse mannelijke lijn uit. Het nieuwe geslacht dat Vlaanderen zal besturen zal dus aangetrouwd moeten zijn met de dochters van de overleden graaf.

 

Johanna (14) en Margaretha (6) van Constantinopel verhuizen in 1208 naar het Franse hof. Filips-Augustus heeft Vlaanderen gretig onder zijn rechtstreeks bestuur gebracht. In 1212 regelt hij een huwelijk tussen Johanna en de edelman Ferrand van Portugal die een gewillig instrument lijkt om Vlaanderen in zijn naam te besturen. De Franse koning heeft zonet een veldslag gewonnen tegen Ferrand waarbij hij in het bezit is gekomen van het invloedrijke Sint-Omaars en van Aire-sur-la-Lys.

 

Met het nieuwe gravenpaar op weg naar Vlaanderen trekken de Franse troepen ongeneerd naar het gebied van Boulogne en Atrecht dat ze zonder pardon annexeren. Gent weigert hun nieuwe graaf te erkennen. Graaf Ferrand is er echter op gebrand zijn recent verloren gebieden rond Sint-Omaars terug te winnen en zoekt hulp bij de Engelse koning en bij de Roomse keizer. Hij keert zich dus verrassend tegen zijn Franse leenheer. De Vlaamse steden (zeg maar de Franstalige patriciërs) zoeken echter steun bij de Franse koning.

 

Het komt tot een legendarische oorlog die op 27 juli 1214 zal eindigen in de graanvelden van Bovines. Na een heldhaftige strijd moet graaf Ferrand zichzelf meer dood dan levend overgeven aan de grillen van de Franse koning die hem daar in Parijs tot op het bot vernedert om hem daarna 12 jaar gevangen te zetten met het machtige Vlaanderen als bonus.

 

Filips-Augustus wil de lusten van Vlaanderen maar niet de lasten ervoor. Hij heeft er een goed oog in om binnen relatief korte tijd Vlaanderen zonder verdere tussenpersoon te kunnen besturen. Voorlopig laat hij de jonge 20-jarige gravin Johanna van Constantinopel onder zijn rechtstreekse controle aan het roer in Vlaanderen. Door het feit dat haar echtgenoot gevangen zit, gokt hij er op dat ze kinderloos zal blijven. Een perfect scenario is het! En er is nog meer wat in zijn kaart speelt.

 

Margaretha, de jongere zus van Johanna is na haar een huwelijk op 10-jarige leeftijd met de dertiger Burchard van Avesnes (een gewezen priester) aan lagerwal geraakt door haar excommunicatie uit de kerk. Het is notabene haar eigenste zus Johanna die haar die banvloek aansmeert als ze bij de paus gaat klagen dat haar schoonbroer Burchard eigenlijk een subdiaken is.

 

Het huwelijk zal in 1215 worden geannuleerd. Toch negeert het koppel de nietigverklaring van hun huwelijk. De piepjonge Margaretha moeder wordt enkele jaren later op amper 18-jarige leeftijd moeder van Burchards kinderen Jan (1219) en Boudewijn van Avesnes (1220). Twee jaar later gaat het koppel definitief uit elkaar. Het huwelijk en vooral het resultaat ervan zullen de komende jaren grote problemen veroorzaken in Vlaanderen als de Avesnes op hun strepen gaan staan.

 

Filips-Augustus sterft in 1223. De paus verklaart het huwelijk tussen graaf Ferrand en gravin Johanna nietig. De Vlaamse gravin sluit een alliantie met de hertog van Bretagne. Plots staan de zaken er heel anders voor. Er worden onderhandelingen gestart met de nieuwe Franse koning Lodewijk VIII.

 

Op 5 april 1226 resulteren die in een vredesverdrag tussen Vlaanderen en Frankrijk: de Vrede van Melun. Graaf Ferrand wordt vrijgelaten. Rijsel, Brugge, Gent, Ieper, Sint-Winoksbergen en Damme worden verplicht de vredesvoorwaarden te aanvaarden en als volgt te zweren: "Wij, schepenen en de hele gemeente laten weten dat wij op het Evangelie deze eed hebben gezworen: moest het gebeuren - God spare er ons voor - dat onze graaf van Vlaanderen de overeenkomst van Melun niet naleeft, dan zullen wij de graaf niet bijstaan, noch hulp of raad verstrekken, maar daarentegen de koning en zijn erfgenamen uit al onze krachten ondersteunen en hem trouw dienen tegen onze graaf, totdat het onverschil door het Hof van de Pairs wordt beslecht."

 

De Franse koning vertrouwt de Vlamingen voor geen haar. Hij wil kost wat kost voorkomen dat de graaf, noch de steden zich afsplitsen van Frankrijk. Er is dus eerst en vooral die gedetailleerde eed, maar de Vlamingen moeten nog eens 50.000 pond ophoesten om graaf Ferrand vrij te krijgen en ze krijgen een verbod om nog nieuwe versterkingen te bouwen zonder toestemming van de Franse leenheer. Graaf Ferrand keert met kerstmis 1226 terug naar Vlaanderen waar hij er opnieuw de leiding van het graafschap op zich neemt. Een stoet van stadsambtenaren en edelen zal in die dagen de eed aan hun Franse vazal afleggen.

 

De 39-jarige Lodewijk VIII sterft onverwacht aan dysenterie. Er komt een tijdelijke regentes (Blanche van Castilië) tot zijn opvolger Lodewijk IX meerderjarig zal zijn. Ondanks een revolte van de Franse edelen tegen hun nieuwe regentes, blijft graaf Ferrand achter Blanche staan. Hijzelf sterft in 1233.

 

Tot aan die tijd bestaat er nog geen vaste taal in Vlaanderen. De meesten spreken een soort van vroeg Nederlands, maar oostelijk en noordoostelijk van de Leie wordt "oud" Frans gesproken. Steden als Grevelingen, Kassel of Belle zijn Vlaamstalig, in Rijsel, Menen en Douai wordt Frans gesproken. De officiële taal van die tijd is Frans. Pas vanaf 1299 zullen de eerste Nederlandstalige akten geschreven worden. De graven van Vlaanderen zijn hoofdzakelijk Franstalig. De grote Vlaamse kooplui spreken eveneens Frans. Hoe kan het anders door hun contacten in de Europese jaarmarkten? Langzaamaan echter worden meer en meer Franse termen vervangen door de eigen Vlaamse taal.

 

Bij de aristocratische besturen van de grote Vlaamse steden beseffen ze dat het niet de graaf is die de broek draagt, maar wel degelijk de Franse koning. De invloed van de Europese culturele grandeur van de Franse samenleving met zijn 10 à 15 miljoen burgers is belangrijk op de beau monde die de regels en wetten doet naleven in Ieper, Brugge en Gent. De plaatselijke bevolking en de plattelandsridders kijken enigszins minachtend neer op de aanbidding van het Frans door de stadselite: "wat walsch is, valsch is".

 

Op Parijs na met zijn ongeveer 100.000 inwoners is Vlaanderen de dichtstbevolkte regio van Frankrijk. Gent is de grootste stad met 50.000 inwoners, gevolgd door Brugge en Ieper met respectievelijk 40.000 en 20.000 inwoners die gelden als grootsteden in het koninkrijk. Tussen de mastodonten Gent, Brugge en Ieper zijn eeuwenoude woonkernen verder uitgegroeid tot een netwerk van dorpen en steden zoals we die eigenlijk op vandaag nog steeds kennen.

 

Door dat grote netwerk van stedelijke concentraties zijn de oude feodale structuren in Vlaanderen snel aan het verdwijnen. De mensen leven niet langer onder het juk van lokale landeigenaren, maar gaan zich in alle vrijheid vestigen in de stad waar ze een ambacht kunnen uitoefenen of kunnen gaan werken in de "booming" textielindustrie. De overgebleven boeren zorgen op steeds grotere landbouwpercelen voor de nodige basisgrondstoffen om al de monden te voeden. De 13de eeuw is voor Vlaanderen grotendeels een periode van grote materiële welstand.

 

Vooral de verkoop van het Vlaams laken zorgt voor dynamiek in het graafschap. De kwaliteit en inventiviteit van de Bikkembergs en de Lacostes van de 12de en 13de eeuw verspreidt zich - dank zij de kruisvaarders - over heel Europa. Iedereen wil in het bezit komen van die Vlaamse exclusieve gewaden.

 

Als grondstof voor het Vlaamse textiel wordt meestal de onovertroffen Engelse wol gebruikt. De Engelsen beseffen de potentiële mogelijkheden van hun schaapsteelt die dan ook geweldige proporties aanneemt in die tijden. De Vlaamse lakenproducenten en de Engelse wolleveranciers zijn tot en met afhankelijk van elkaar. Maandelijks worden zo'n 3000 zakken schaapswol verscheept van de Engelse naar de Vlaamse havens. Londen en de Vlaamse steden zijn beste maatjes met elkaar.

 

Met de opbrengst van de lakenhandel kan de Vlaamse bevolking zich bevoorraden met graan vanuit de rijke graanschuren van Frankrijk en Henegouwen. Met het geld dat ze verdienen vanuit Engeland betalen de Vlamingen dus Frankrijk en Henegouwen. Frankrijk en Engeland kunnen mekaars bloed wel drinken. Op vrij korte termijn zal die combinatie een gevaarlijke en fatale cocktail blijken voor de Vlaamse steden.

 

Waar geld en welvaart worden gecreëerd gaan politici zich moeien. Dat leert de geschiedenis al vroeg. Handelsboycots, accijnzen, politieke inmenging zullen nog voor het jaar 1300 het nodige kwaad aanrichten in Ieper & Co. En natuurlijk staat de wereld niet stil. De technologische voorsprong van Vlaanderen zal in de 13de eeuw geleidelijk aan plaats maken voor een modale handelsplaats tussen alle andere.

 

Vanuit de streek van Italië en vanuit de Champagne komt de gewoonte van de jaarmarkten aangewaaid. Dergelijke jaarmarkt kan gerust tot één maand duren. Laken, ijzerwaren, juwelen, kruiden, kleurstoffen, wijnen worden er verhandeld door vooral buitenlandse kooplui. Het gebruik van geld gaat hand in hand met die nieuwe jaarmarkten. Het gebruik van wisselbrieven en banken dateert vanuit die tijd. Vooral de Italianen (Lombarden) blijken meesters in het introduceren van nieuwe financiële technieken en systemen. Al snel gaan de Lombarden nauw samenwerken met de vorsten van West-Europa.

 

Ook in Vlaanderen ontstaat dank zij Johanna van Constantinopel een netwerk van jaarmarkten. Die staan natuurlijk in functie van de lokale lakenhandel. In maart gaat er een markt door in Ieper, na Pasen volgt Brugge. Torhout, Mesen en Rijsel volgen later in het jaar. De graven van Vlaanderen stimuleren die ontwikkeling en zorgen er voor dat er munten zijn waarvan de koers eenvoudig te berekenen is. Een eeuw lang zullen die jaarmarkten een grote stempel drukken op de welvaart. Te midden van die economische wonderjaren spelen zich het leven en de dood van de graven van Vlaanderen af.

 

In 1244 sterft de kinderloos gebleven gravin Johanna. Ze wordt opgevolgd door haar zuster Margaretha van Constantinopel die gravin van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen wordt. Margaretha (42) heeft 2 kinderen uit haar eerste huwelijk met Burchard van Avesnes: Jan en Boudewijn. Johanna helpt haar zuster aan een fatsoenlijke partij als ze Margaretha linkt met legerbevelhebber Willem van Dampierre afkomstig van een bekende, maar ietwat verarmde adellijke familie uit de Champagnestreek. Ze bezitten er een landgoed tussen Châlons-sur-Marne en Tronies. Haar huwelijk met Dampierre resulteert in 4 kinderen: Willem (1225), Gwijde (1226), Jan (1230) en Johanna.

 

Er breekt vrijwel onmiddellijk een zware strijd uit tussen de Avesnes en de Dampierres rond de troonopvolging van moeder Margaretha. In 1246 wijst de Franse koning Vlaanderen toe aan de Dampierres en Henegouwen aan de Avesnes. De rust keert voorlopig terug. Voorlopig. Willem van Dampierre komt in 1251 om het leven bij een duel. Op 25-jarige leeftijd wordt zijn broer Gwijde op verzoek van zijn moeder de wettige troonopvolger als graaf van Vlaanderen. Gwijde legt zijn grafelijke leenhulde af in de handen van de Franse koning Lodewijk IX. Zijn bevoegdheden zijn aanvankelijk vrij beperkt.

 

Gwijde (vandaag zouden we Guido zeggen) is inmiddels getrouwd met Mathilda van Bethune en daardoor eigenaar geworden van de heerlijkheden Dendermonde en Bethune. Tijdens het huwelijk van Gwijde en Mathilde worden een tros kinderen geboren. De oudste, Robrecht van Bethune, is pas 2 jaar als Gwijde in het jaar 1251 de officiële troonopvolger wordt in Vlaanderen. De opa van Robrecht aan moederskant is een steenrijke landheer en rechterhand van de graaf. Hij komt om het leven op 48-jarige leeftijd tijdens de 7de kruistocht in Sardinië. Robrecht is amper één jaar.

 

Zijn grootmoeder Mathilda erft in 1248 alle eretitels van haar vader samen met het voogdijschap over Atrecht (Arras), Bethune en Dendermonde en talrijke domeinen in Vlaanderen en Artesië. Ook voor de kleine Robrecht wordt het pad om later graaf van Vlaanderen te worden hierdoor geëffend. Op 8 november 1263 sterft Mathilde van Bethune. Robrecht erft het voogdijschap over Atrecht (Arras), Bethune en Dendermonde en talrijke domeinen in Vlaanderen en Artesië.

 

Vader Gwijde van Dampierre hertrouwt 2 jaar later met Isabella van Luxemburg en wordt daardoor heerser over het graafschap Namen. Robrecht van Bethune zal er tijdens het nieuwe huwelijk van zijn vader nog 11 stiefbroers- en zusters bij krijgen.

 

In datzelfde jaar 1265 trouwt de 18-jarige Robrecht van Bethune met Blanche, een kleindochter van de Franse koning en de dochter van Karel van Anjou. Karel is koning van Sicilië dat zich in die tijd uitstrekt over heel zuid Italië. De jonge Robrecht moet vrijwel onmiddellijk aan de slag aan de zijde van zijn schoonvader in diens strijd tegen de Hohenstaufens. Tijdens de drie jaar die volgen bouwt hij zich een reputatie op van enerzijds een onverschrokken, succesvolle en edelmoedige krijger maar anderzijds ook die van een een impulsieve en snel opvliegende kerel.

 

Robrecht en Blanche krijgen in 1269 één kind dat ze de naam Willem geven. Blanche laat echter het leven op het kraambed. Robrecht en zijn vader nemen in 1270 deel aan de 8ste kruistocht naar Tunis. Bij zijn terugkomst in maart 1272 hertrouwt hij met de kinderloze 25-jarige weduwe Yolande van Nevers. Het jaar erop erft Robrecht het graafschap van Nevers van zijn schoonmoeder. Yolande baart in datzelfde jaar een eerste kind. Lodewijk is de tweede zoon voor Robrecht en stiefbroer van Willem. Tussen 1274 en 1280 worden nog 4 andere kinderen geboren.

 

Willem, het 11-jarig zoontje van Robrecht en Blanche sterft in 1280 onder verdachte omstandigheden. Bepaalde kronieken insinueren dat het kind omgebracht wordt door zijn stiefmoeder Yolande die absoluut zeker wil zijn dat haar erfdeel zal doorgaan op haar eigen kinderen.

 

Kroniek van het Zaelhof. "De mooie stad van Ieper is vaak de favoriete verblijfplaats van de graven van Vlaanderen. Filips van den Elzas die de Ieperlingen graag zag bouwde in hun stad een kasteel dat men het "Zaelhof" noemde ofwel het "prinselijk hof". Volgens de kroniekschrijvers werd het kasteel oorspronkelijk gebouwd door een Engelse prins met de naam Yperbolus, maar het blijft natuurlijk onmogelijk om te achterhalen of dit effectief zo was.

 

Het kasteel waarvan er amper nog iets van is overgebleven is gelegen ten westen van de stad. Het Zaelhof wordt volledig omringd door grachten die gevoed worden door de Ieperlee. Een brug van steen en hout voorzien van een valhek vormt de enige toegang tot het kasteel. Het Zaelhof oogt imposant maar het is zoals alle kastelen in de oude feodale tijden in realiteit een povere plaats om te wonen.

 

In 1268 heeft Gwijde van Dampierre dicht bij de stad een klooster voor de Minderbroeders gesticht. Sinds die tijd leeft Robrecht van Bethune, de zoon van Gwijde, in het Zaelhofkasteel. Hij zal er een groot deel van zijn leven wonen en er uiteindelijk sterven in 1322.

 

Op 2 juni 1280 staat er een menigte van mensen voor de brug van het kasteel. Het geroezemoes aan beide kanten van de toegangsweg is opvallend. De aanwezige Ieperlingen vermoeden dat er wel iets heel speciaals aan de gang is binnenin het kasteel. Aan de overkant van de brug wappert een groot zwart laken ten teken van rouw. En dat prikkelt de verbeelding van de omstanders.

 

Robrecht van Bethune is niet aanwezig in het kasteel. Dat weten ze. De gravin, omringd door haar talrijke bedienden, is er wel. Er heerst inderdaad een rouwstemming. De oudste zoon van Robrecht, een beloftevol kind van 11 jaar is overleden terwijl Robrecht andere katten aan het geselen was met het stadsbestuur van Brugge.

 

De wachtende en roddelende menigte verwacht de terugkeer van Robrecht die zijn kind zal willen begraven. "Is die kleine engel werkelijk zomaar gestorven?" vragen ze zich af. "Binnen het uur" blijkt het. "Gisterenmorgen om acht uur was hij nog goed en wel. De jonge heer at er met smaak van zijn ontbijt. En om negen uur was het ventje dood!

 

Veel geruchten doen de ronde. "Zou Yolande de zoon van Robrecht uit zijn eerste huwelijk hebben vergiftigd?". "Wil ze enkel haar zoon Lodewijk van Nevers als troonopvolger?". Het volk roddelt er op los daar bij het Zaelhof.

 

De klokken van het kasteel luiden. Robrecht is op komst. In de verte zijn de grafelijke banieren al zichtbaar. Yolande haast zich naar buiten om haar man te verwelkomen. Robrecht van Bethune is inmiddels al op de hoogte van de dood van zijn oudste zoon. Hij is ervan overtuigd dat Yolande het kind heeft vergiftigd om haar eigen kind op het eerste plan te brengen en zijn erfdeel in te pikken.

 

De 33-jarige Robrecht wil wraak! Hij is nochtans een christen mens maar de oorlogen in Sicilië hebben hem hard en meedogenloos gemaakt en hebben eigenlijk zijn jeugd weggenomen. Hij schuimbekt van woede om de moord op zijn kind. Er moet gerechtigheid komen!

 

Getooid in stalen wapenuitrusting houdt hij halt bij het Zaelhof. Yolande begroet haar echtgenoot zoals gewoonlijk met een kushand in de hoogte. Robrecht, nog steeds te paard en Yolande ontmoeten elkaar midden op de brug. Zij staat op een trapje om haar man gepast te kunnen aankijken en te verwelkomen. Hij kijkt haar ijskoud aan. In plaats van de gebruikelijke omhelzing trekt Robrecht zijn vrouw tegen zich aan en wurgt haar zonder pardon met de teugels van zijn paard. De mensen aan de oprijweg kijken met verstomming toe.

 

Twee minuten later is Yolande gestikt. Robrecht van Bethune heeft zijn vrouw vermoord. Diepbedroefd gaat hij op zoek naar het lichaam van zijn dode zoon. Yolande wordt begraven in het klooster van de Minderbroeders. "

 

In december 1278 volgt de 52-jarige Gwijde van Dampierre zijn moeder definitief op als 21ste graaf van Vlaanderen. Hij wordt geïnstalleerd als nieuwe graaf door de Franse koning Filips III de Stoute. Margaretha sterft de 10e februari 1280 op 78-jarige leeftijd.

 

Vrij vlug daarna worden de ambitieuze Gwijde en Robrecht geconfronteerd met de macht van de steden van Gent, Brugge en Ieper. De grafelijke macht en gezag zijn in 1278 tot een dieptepunt gezakt en financieel zitten de graven aan de grond. En dat terwijl de steden dankzij de lakenindustrie rijk en machtig zijn geworden. Die macht hebben ze precies te danken aan de voorrechten die ze konden aftroggelen van de voorgaande graven die wanhopig op zoek waren naar financiële middelen om hun hofhouding in stand te kunnen houden. De rijke burgerij (de patriciërs) en de uiterst kapitaalkrachtige lakenhandelaars van Ieper, Gent en Brugge hebben zo hun kans genomen om een "macht in de macht" te worden en kunnen nu ongestoord de "lakens" uitdelen in de steden.

 

En natuurlijk mag gezegd dat de graven van Vlaanderen zich verheven voelen boven de gewone bevolking en zich eigenlijk niets aantrekken van hun levenssituatie. Er bestaat niet de minste affectie van de vreemde (van de Champagne afkomstige) heren met de lokale Vlaamse bevolking. Het enige wat de heren van stand telt is dat de bevolking zorgt voor geld in hun bakje.

 

De macht van de superrijke burgerij zorgt voor een belastingsstelsel dat zeer nadelig is voor de gewone man. Iedereen, arm en rijk betaalt een zelfde belasting aangevuld met een taks op eetwaren en drank die dan vooral het gewone volk treft. Het opgeld. Het ongenoegen van de bevolking in de steden groeit gestaag. Het volk wil inzicht in de rekeningen en eist transparantie van zijn stadsbestuur dat er eigenlijk voor spek en bonen bijzit.

 

Nog voor de machtsoverdracht van 1278 krijgen Margaretha, Gwijde en Robrecht te maken met het volksrumoer in Gent. Ze vervangen het volledig stadsbestuur door een nieuw college van 13 schepenen, 13 raadsleden en 4 ontvangers. Alle 30 komen uit de rangen van de rijke burgerij. De patriciërs blijven volledig buiten schot en de arbeiders blijven met lege handen achter.

 

De onrusten van Gent en Brugge steken ook in Ieper de kop op. De Bruggelingen hadden in 1279 een klacht ingediend bij de Franse koning omdat hun stadsbestuur weigerde inzicht te geven in hun financiën. Wat deed het bestuur met het geld van de mensen?

 

De Franse koning verwijst hen naar de graaf die de klacht moet onderzoeken. Hij maant de Brugse schepenen aan om hun rekeningen voor te leggen aan de vertegenwoordigers van de ambachten. En dat ligt moeilijk bij de magistraten want ze kunnen moeilijk toegeven dat ze eigenlijk diep in de schulden zitten. Ze leggen het probleem van de lege stadskas voor aan Gwijde die hen het recht toestaat om nieuwe belastingen te heffen.

 

Wanneer de ambachten het nieuws over de nieuwe belastingen vernemen, barst de hel los in Brugge. Zware en bloedige rellen breken uit en zullen weken aan een stuk voortduren. De graaf zou eigenlijk moeten tussenkomen maar die voert oorlog aan de zijde van de Franse koning. Hij stuurt Robrecht naar Brugge die orde op zaken moet stellen. De impulsieve Robrecht neemt keiharde en ondoordachte maatregelen zowel tegen de schepenen als tegen de vertegenwoordigers van de ambachten. Velen worden gevangen genomen. Enkelen worden opgehangen. Maar opnieuw wordt de elitaire klasse van de patriciërs ongemoeid gelaten. Olie op het vuur van de boze syndicaten.

 

Op 15 augustus 1280 wordt het houten belfort in brand gestoken. Stadsrekeningen en waardevolle documenten worden door het vuur vernietigd. Ook de keuren met de voorrechten die de Bruggelingen ooit verkregen van graaf Filips van den Elzas worden door het vuur verteerd. En dat betekent niet meer of niet min een regelrechte ramp voor het middeleeuwse Brugge! De stadsbewoners richten zich in paniek tot Gwijde van Dampierre om van hem nieuwe stadsprivileges te krijgen.

 

Gwijde lijkt echter niet geïnteresseerd om in te gaan op de vraag van de gefrustreerde Bruggelingen. In de plaats daarvan vertrekt hij voor vijf maanden naar het zuiden van Frankrijk om de Franse koning bij te staan bij zijn onderhandelingen met de koning van Castilië.

 

Het is niet meteen duidelijk wie precies brand gesticht heeft maar als de ambachten vernemen dat er geen sprake is van nieuwe privileges en dat er van de stadsrekeningen die ze nu al jaren willen inkijken, niets meer over blijft breekt er een nieuw oproer (een "wapeninghe") los die later zal bekend blijven als de "Grote Moerlemaeye".

 

Het gemeentehuis wordt gewapenderhand ingenomen en de stadsklerken worden verjaagd. Eén van de officieren van de graaf, Diederik Vranckesoone, wordt omgebracht. Robrecht van Bethune komt op 5 oktober 1280 poolshoogte nemen van de situatie in Brugge. De storm is al wat geluwd. Hij nodigt de ambachten uit voor een gesprek. Het machtsmisbruik en de corruptie van de schepenen worden aangekaart. Het volk maakt aanspraak op de helft van de schepenzetels en vraagt een bestraffing van de frauderende bestuurslieden met daarenboven correcte en eerlijke belastingen voor iedereen.

 

De jonge Robrecht vraagt de ambachtslieden te wachten op de terugkeer van zijn vader en zich ondertussen kalm te houden. Het Brugse volk is woedend om het getalm van Robrecht van Bethune die het wijselijker vindt om meteen de stad te verlaten. Hij laat de opstandelingen weten dat ze zich op 10 oktober moeten komen verontschuldigingen in zijn kasteel te Waasten. De Bruggelingen negeren het schrijven van Robrecht en behouden hun machtsgreep op hun stad.

 

Ook in Ieper is het niet bepaald rustig. Er wordt zwaar gemord over de taks op drank en voeding, maar daar bovenop worden nieuwe belastingen geheven om de stadsschuld weer in evenwicht te krijgen. De scheerders, wevers en volders van Ieper pikken de nieuwe belastingen niet. Gwijde staat er klaar om te vertrekken naar Frankrijk en probeert de ambachtslieden te paaien met enkele nieuwe voorrechten met als tegenprestatie een financiële vergoeding voor zijn reiskosten. Enkele dagen later keurt hij op vraag van het stadsbestuur maatregelen goed die de pas toegekende voorrechten zo goed als teniet doen. Het is een serieuze slag in het gezicht van de bevolking.

 

Er breekt een opstand uit. Zo goed als iedereen doet er aan mee, ook rijke families die geen zeggenschap hebben in de stadspolitiek. De opstandelingen slagen erin zelfs de meest verpauperde lagen van de leperse bevolking voor zich te winnen en zelfs versterking te laten aanrukken vanuit Poperinge.

 

De opstand - de kokerulle - groeit uit tot een totale chaos. Aan de noordelijke buitenmuur van de stad ligt de arbeiderswijk Brielen (Briel)waar vooral arme lakenarbeiders wonen. Duizend arme Brielenaars sluiten zich aan bij een groep woedende Poperingenaars. Samen trekken ze via de Boterpoort de stad binnen. Met duizenden tegelijk scanderen ze "kokerulle, kokerulle". De term kokerulle wordt in die tijd vooral gebruikt als een gemaskerde stoet (een volksfeest) op Vastenavond (kakerol = masker) zoals de term hier bijvoorbeeld voorkomt in het middeleeuws lied van de zot van Ieper:

 

"Naer my doe zodt loopen achter straete,

Cockarulle ende den meesten zot trekken en laete".

 

De schepenen worden opgezocht. Wie niet tijdig kan vluchten wordt vermoord. Hun huizen worden geplunderd en in brand gestoken. Na enkele dagen komt Robrecht van Bethune tussen en hij herstelt orde en gezag. Met een groep Duitse lansknechten die hij in dienst heeft, trekt hij naar leper en maakt hij komaf met de opstand van de Ieperlingen. Het is nu wachten op het oordeel van de graaf van zodra hij terug is uit Frankrijk.

 

Begin maart 1281 is graaf Gwijde eindelijk terug. Hij maakt een tussenstop in Douai waar enkele maanden geleden ook al een rebellie was uitgebroken. De graaf grijpt in: twintig oproerkraaiers worden levenslang uit de stad verbannen, drie anderen worden onthoofd. Op 23 maart komt Gwijde eindelijk aan in Ieper.

 

Hij installeert een grafelijke rechtbank die moet onderzoeken welke de oorzaken waren van de opstand en het daarmee gepaard gaande geweld en wie er heeft aan deelgenomen. Het is al snel duidelijk dat zowat iedereen boter op het hoofd heeft.

 

Voor de plunderingen en de moorden worden vijf Poperingenaars aangehouden en ergens in Frankrijk gevangen gezet. De lakenondernemers en de schepenen worden elk beboet met 500 pond. De lakenarbeiders krijgen een eeuwige boete van een halve penning per werkdag op de hals. De schepenen worden vrijgesteld van boete in ruil voor een geldelijke persoonlijke gifte aan de graaf en ze worden verplicht de stadsrekeningen twee keer per jaar aan de graaf voor te leggen.

 

Daarnaast moeten de arbeidslieden 25% van hun bezittingen afstaan aan de graaf. Gwijde zit, zoals steeds, om geld verlegen en profiteert van de situatie om een lening van 5000 ponden af te troggelen bij de schepenen en hun familieleden. Het is niet geweten of de beloofde terugbetaling met Allerheiligen van dat zelfde jaar er ooit gekomen is. Maar al met al slaagt hij er in de rust te herstellen. Elk jaar opnieuw zal de graaf zich melden bij de steden met de vraag om hem een nieuwe lening te verstrekken. En de teruggave van de kapitalen is op zijn minst dubieus en zeer twijfelachtig te noemen.

 

Met de 5000 ponden kan hij zijn krijgslieden betalen die nu noordelijk trekken. Via Wijnendale gaat het naar Brugge. Op 25 mei 1281 valt Gwijde Brugge binnen met een leger van zwaarbewapende (dank zij het geld van de Ieperlingen) ridders binnen. De opstandelingen kunnen niets doen aan de overmacht en geven zich over.

 

Gwijde is woedend op de Bruggelingen en deelt een boete uit van 100.000 ponden met daarenboven schadevergoedingen en zo meer. Er kan geen sprake zijn van een nieuwe keure. Hij neemt de controle over en zal zelf het stadsbestuur aanstellen. Het komt er op neer dat de vroegere corrupte ambtenaren in ere worden hersteld en dat de rijke burgerij buiten schot blijft. De verbittering in Brugge is groot.

 

Hun nieuwe keure is hoogst belangrijk. Omdat de Bruggelingen hun zin niet krijgen van Gwijde van Dampierre dienen ze klacht in bij het Parlement van Parijs en richten ze een identiek verzoek aan de Franse koning Filips de Stoute die hun oude privileges op 25 mei 1281 door nieuwe privileges zal vervangen. Gwijde van Dampierre zal nooit nog op enige sympathie kunnen rekenen van de lokale bevolking.

 

Het blijft rumoerig in Brugge. Tijdens de zomer van 1281 breekt er nog hardere opstand uit. De Moerlemaye is verre van voorbij. De grimmige massa moordt, plundert en vernielt onder het goedkeurend oog van de anti-graafsgezinden. Opnieuw grijpt Gwijde snoeihard in. Als hij de opstand eind augustus uiteindelijk onder controle krijgt regent het straffen en boetes van duizenden ponden.

 

Op 3 september worden vijf Brugse notabelen, Jan Koopman, Boudewijn Priem, Lambert Lam, Jan et Lambert Danwilt opgepakt en buiten de Boeveriepoort onthoofd. Hun lichamen worden begraven in de Sint-Andriesabdij. Later zal op die plaats een kapel gebouwd worden die bekend zal staan onder de naam van "de Kapel van de Vijf Heren". Rond 1560 zal de verwaarloosde kapel finaal gesloopt worden.

 

In 1286 staat graaf Gwijde op het toppunt van zijn macht. Hij en hij alleen is de machtigste in de hele streek aan het noorden van Frankrijk. In Frankrijk beklimt in dat dezelfde jaar een knappe, gracieuze zeventienjarige jongeman de Franse troon. Zijn regelmatige gelaatstrekken, zijn blonde haar, zijn grote gestalte en zijn aangename, charmante en nobele voorkomen bezorgen hem de bijnaam 'de Schone'.

 

Ondanks zijn jeugdige leeftijd geeft hij blijk van een rustig en vastberaden karakter. Vanaf het aantreden van Filips de Schone zal het stijl bergaf gaan met de machtspositie van Gwijde van Dampierre. Eén van de intrigerende zaken die Filips de Schone kenmerken is zijn zwijgzaamheid. Bij officiële ontvangsten en bij onderhandelingen neemt hij zo goed als nooit het woord. Hij kijkt. Hij staart de mensen aan. Een Franse sfinx. Zijn stilzwijgen maakt hem zo goed onbereikbaar voor zijn gesprekspartners. Je weet werkelijk niet wat je aan hem hebt. Onaantastbaar. Het versterkt zijn reputatie als onvoorspelbare soeverein: een koele kikker. Achter die coole façade komt slechts nu en dan zijn werkelijke aard te voorschijn: die van een driftige en machtsgeile dictator.

 

Filips de Schone is bij zijn kroning één jaar getrouwd met de 12-jarige Johanna van Navarra, de erfgename van de Champagne. In tegenstelling tot zijn voorgangers toont hij geen geweldig enthousiasme voor kruistochten en is hij minder geïnteresseerd in de verdediging van zijn zuidergrenzen. Hij voelt zich echter veel meer aangetrokken tot een actieve bestuursfunctie in zijn grote leengebieden Aquitanië (waar de Engelse koning zijn leenman is) en het Vlaanderen van zijn leenman Gwijde van Dampierre.

 

Het Parijse parlement dat onder volledige controle staat van Filips krijgt gaandeweg meer autoriteit. De Franse koning zelf gebruikt dit instrument om zich van langs om meer te gaan moeien met de lokale juridische kwesties van Vlaanderen en Aquitanië. Het levert een vat vol frustraties op van de Engelse en Vlaamse leenheren vooral als de Vlaamse steden zich bij dubieuze beslissingen van de graaf méér en méér gaan richten naar de "Pairs van Frankrijk" om daar hun gelijk te halen.

 

In het vroege voorjaar van 1286 stuurt Filips de Schone ridder Nicholon de Molaines en Jacques de Boulogne, de aartsdiaken van Terwaan naar dat graafschap Vlaanderen. Doel: het laten hernieuwen van de eed van trouw van de edelen en van de steden tegenover hun nieuwe koning. In alle steden van Vlaanderen zweren de edelen op het evangelie hun trouw aan de Franse vazal. Daarna wordt de eed genoteerd in een akte en voorzien van de zegel van de edelman of de stad in kwestie. Nog voor het einde van maart 1286 weet Filips de Schone zich verzekerd van de loyauteit van de onderdanen van één van de belangrijkste graafschappen van zijn rijk.

 

Voor alle duidelijkheid luidt die eed als volgt: 'Wij laten weten aan al diegenen die deze brief zullen zien, dat wij, in het bijzijn van de gezanten van de koning, op het Evangelie gezworen hebben, dat als onze heer de graaf van Vlaanderen op een dag - wat God moge verhoeden - de aangegane verbintenissen tussen de voorgangers van de koning van Frankrijk enerzijds en de voorgangers van de graaf van Vlaanderen anderzijds zou komen te verbreken - verbintenissen die de eerder genoemde gezanten ons hebben voorgelezen - wij, eerder dan de graaf te steunen, hulp of raad te verlenen, ons een trouwe bondgenoot zullen tonen van onze heer de koning, tegen de eerder genoemde Graaf, totdat de kwestie aan het koninklijk hof zal zijn beslecht door de raad van de belangrijkste heren, de pairs van Frankrijk."

 

Gwijde van Dampierre is niet bepaald een zuinig man. Neen. Hij heeft werkelijk een gat in zijn hand! Hij en zijn moeder Margaretha leven een luxueus en decadent leven. Bij de troonsopvolging erft Gwijde een schuld van 72.336 pond van zijn moeder. Hij mag dan graaf zijn in een superrijk land, maar zelf zit hij met zijn gat vol schulden.

 

Hij sukkelt van de ene lening in de andere. Overal doorheen Vlaanderen en Frankrijk wachten poorters, tempeliers, bankiers, abdijen en steden op terugbetaling van verstrekte leningen. In 1286 staat het stadsbestuur van Brugge op één dag 39.000 Doornikse ponden af aan de financieel onbetrouwbare Dampierre terwijl in datzelfde jaar er voor 60.000 Parijse ponden uitgeleend wordt aan de graaf van Vlaanderen.

 

En in de andere steden van Vlaanderen gaat het er identiek aan toe. De burgers van Ieper, Sint-Winoksbergen, Nieuwpoort, Aardenburg wordt op dezelfde manier onder druk gezet om geld te verschaffen aan Gwijde. Niet dat de graaf er zelf zijn schatkamers mee vult. Hij staat voortdurend onder zware druk van woekeraars van Arras die ongenadig aan zijn deur kloppen om de terugbetaling te eisen van de leningen die Gwijde bij hen afsloot om oorlogen te voeren en om zijn riante levensstijl te bekostigen.

 

Robrecht en zijn vader gaan inderdaad van de ene oorlog naar de andere. In 1290 komen ze tussen in een opstand in Zeeuws-Vlaanderen aan de zijde van Jan van Renesse. In 1292 worden ze gedwongen om de wapens op te nemen in Valenciennes. Ondertussen is de rust enigszins teruggekeerd in de Vlaamse steden. Zijn streven naar meer macht en verdere gebiedsuitbreiding wordt niet alleen duidelijk in de oorlogen die gevoerd worden. Gwijde is vader van negen zonen en acht dochters. Hij is onophoudelijk op zoek naar huwelijken die in het belang staan van zijn expansiebeleid.

 

Zo werd zijn oudste zoon Robrecht inderdaad strategisch uitgehuwelijkt aan Blanche d' Anjou, de dochter van de koning van Sicilië en later aan Yolande van Nevers. Ook zijn andere kinderen worden gedwongen huwelijken af te sluiten met belangrijke edelen uit Frankrijk en Nederland. Door het uithuwelijken van zijn kinderen aan rijke edelen slaagt Gwijde er in om zijn hand te leggen op de heerlijkheden van Duinkerke, Belle, Cambrai, Sint-Omaars en op het kasteel van Petegem.

 

In 1292 keren de kansen voor Gwijde. De politieke relaties tussen Vlaanderen en Frankrijk vertroebelen wanneer de 24-jarige Filips de Schone zich als nieuwe Franse koning meer en meer gaat aanstellen als een zelfbewuste man zonder scrupules. Een bijzonder sterke persoonlijkheid. De vijandigheid van Filips de Schone tegenover de Engelse koning zal voor onze streek grote gevolgen hebben de volgende decennia. Een lange periode van instabiliteit breekt aan.

 

Filips heeft al vrij snel door dat de werkelijke macht van Vlaanderen terug te vinden is in de steden en hij knoopt vriendschappelijke relaties aan met de steden waar Gwijde van Dampierre al helemaal niet populair blijkt. Op die manier wil hij tweedracht zaaien tussen de adel en de steden en wil hij de macht van de Vlaamse graaf verzwakken. De relatie tussen de steden en de leenheren was al niet te best en nu begint de Franse koning onophoudelijk te stoken tussen beide partijen met één doel: verdeel en heers!

 

Al in 1289 had Filips de Schone de Gentenaars onder zijn hoede genomen tegen de graaf. Hij stuurde een Franse officier om de burgers van Gent te beschermen tegen mogelijk grafelijk geweld. Hun eigendommen kunnen niet langer worden aangeslagen door de gulzige Vlaamse graaf. Het Gentse stadsbestuur is verrukt om deze maatregelen van hun beschermheer Filips de Schone. Ze tonen hun dankbaarheid door het uithangen van de blauwe met gouden lelies bedrukte koninklijk vlag.

 

Bovendien maakt Filips de Schone er van bij het prille begin van zijn koningschap het de Vlaamse adel duidelijk dat Vlaanderen volgens het verdrag van Melun nog steeds een leengebied is van Frankrijk is en dat hij en hij alleen de heerser is over Vlaanderen. De situatie verbetert er niet op als Gwijde van Dampierre zich in 1292 naar Engeland begeeft om gesprekken te voeren met de Engelse koning Edward. Gwijde zoekt steun bij het Engelse vorstenhuis om de autonomie van Vlaanderen en zijn rijkdom die steunt op de invoer van Engelse wol te vrijwaren. Filips de Schone is woedend omdat zijn vazal het lef heeft om relaties aan te knopen met zijn erfvijand Engeland.

 

Filips de Schone voert in die jaren een onrechtmatig en oneerlijk monetair beleid dat de eigen Franse munt sterker maakt waardoor betalen met vreemde munten bijzonder duur wordt. Het is een devaluatie die de lakenhandel van de Vlaamse steden midden in het hart treft. De handelstransacties worden in die tijd betaald met zilveren Doornikse ponden. Tot in 1289 is dat pond 12 denieren waard.

 

De denier (of ook de pond parisis of Parijse pond genoemd) is een kleine zilveren munt die steevast dient voor het dagelijks gebruik in Vlaanderen. Filips de Schone besluit in 1289 om de waarde van het zilveren Doornikse pond op te trekken tot 13 denieren. Op 15 april 1295 zal hij de waarde verder tot 15 denieren aanpassen en ook nadien volgt de ene devaluatie na de andere. Voor de man in de straat betekent dit een stijging van de levensduurte met zowat een derde.

 

De oorlog tussen Frankrijk en Engeland krijgt een verrassende wending: de Engelse koning wordt afgezet van zijn leengebied in Aquitanië. In 1294 gaat de Franse koning over tot een algemeen invoerverbod van Schotse en Engelse wol in Vlaanderen en in Frankrijk. De Engelse handelaars van hun kant willen geen zaken meer doen met Frankrijk (en dus ook niet met Vlaanderen). Ze verplaatsen de wolhandel van Vlaanderen naar het Hollandse Dordrecht. Ieper en vooral Brugge worden keihard getroffen door het embargo van de Franse koning. De valse devaluatie van de munt gepaard gaande met een verplichte invoer van wol vanuit Holland zorgen voor een fenomenale prijsstijging van de ingevoerde Engelse wol gevolgd door algemene grote armoede in onze contreien.

 

De duivelszak van Filips de Schone is nooit voldoende gevuld. De koning, de man die het geld vervalst heeft daar al snel niet voldoende aan. Nog in datzelfde 1294 verzoekt hij de graaf van Vlaanderen om zijn weeldewetten te publiceren: alle grootgrondbezitters worden verplicht binnen de 14 dagen al hun goud en zilver aan een waardeschatting te laten onderwerpen. Maar ook die maatregel blijkt al snel onvoldoende en Filips gaat over op een algemene en buitensporige verhoging van de belastingen.

 

De energieke Robrecht van Bethune beseft dat Filips de Schone aanstuurt op het einde van het graafschap Vlaanderen. Hij probeert de Vlamingen op één lijn te brengen en de onderlinge strijdbijl te begraven. Hij roept de burgers van Ieper, Gent en Brugge op om de muren van hun stad te versterken. Hij beseft dat hij met deze maatregelen de vrede van Melun schendt. Maar als alle Vlamingen achter hem gaan staan dan vormen ze een stevige alliantie om hun belangen gezamenlijk te verdedigen tegen de hebzuchtige Franse monarch.

 

Op 31 augustus 1294 verlooft de dochter van Gwijde (en de stiefzus van Robrecht), de 7-jarige Filippina van Vlaanderen, zich met de 10-jarige prins van Wales die later zijn vader zal opvolgen als koning van Engeland. Een bruidschat van 200.000 Doornikse ponden wordt voor haar opzijgezet. Het geplande huwelijk dat niet voor 1298 kan doorgaan betekent een groot gevaar voor Frankrijk en de ijzeren vorst wil dat huwelijk met alle mogelijkheden verijdelen.

 

Filips de Schone nodigt Gwijde en Filippina uit om een betwisting te bespreken die zich in Gent tussen het stadsbestuur en de gilden voordoet. De niets vermoedende Gwijde aanvaardt zonder enige achterdocht de uitnodiging en vertrekt met twee van zijn zonen en met Filippina. Omringd door een groot gevolg van Vlaamse edelen meldt hij zich op 27 september 1294 aan in Corbeil-sur-Seine waar hij door Filips en de koningin Johanna van Navarra met veel charme zal worden ontvangen.

 

's Anderendaags na de traditionele mis, worden Gwijde en Filippina door de koning ontvangen. Als Gwijde wordt verzocht om te spreken zegt hij: "Heer Koning, ziehier uw nichtje Filippina die ik en mijn goede Vlaamse heren aan de koning van Engeland hebben beloofd als bruid voor zijn zoon. Ze wil echter niet naar Engeland willen vertrekken zonder van u, zoals het hoort, afscheid te nemen".Het antwoord van de koning is zeker niet wat Gwijde verwacht. "In de naam van God, heer graaf, ik denk dat uw dochter, die ons en het koninkrijk betreft, geen schadelijker huwelijksverbinding had kunnen aangaan als deze die u mij aankondigt."

 

"Maar dit zal niet doorgaan, want u hebt met mijn vijand onderhandeld zonder mij vooraf te raadplegen en zonder enig respect voor mijn soeverein gezag. U en uw dochter zullen dan ook hier blijven voor zolang ik dat nodig acht". Hierop geeft de koning het bevel zijn gevangenen naar het Louvre te brengen en hen daar op te sluiten. Het gevolg van de edelen die Gwijde hebben vergezeld, mogen vrijuit gaan. De Vlaamse ridders laten hun graaf en zijn dochter verbouwereerd achter.

 

Vijf maand later. Na lange onderhandelingen en dank zij de tussenkomst van paus Bonifatius VIII worden de 3 zonen van Gwijde; Robrecht van Bethune, Willem van Dendermonde en Filips van Chieti op 5 februari 1295 naar Parijs geroepen om er hun trouw aan de Franse koning te bevestigen. Het wordt een vernederende ervaring. De drie moeten zweren dat ze er met "leurs corps et leurs biens", hun lijf en hun bezittingen, garant voor zullen staan dat hun vader trouw zal blijven aan de Franse koning en dat ze zullen verzaken aan elke mogelijke verbintenis met Engeland. Het wordt Gwijde formeel verboden om zijn kinderen nog uit te huwelijken aan de koning van Engeland of aan enig andere vijand van het koninkrijk.

 

De Franse koning laat Gwijde vertrekken uit zijn gevangenschap, maar zijn dochter Filippina blijft opgesloten. Andere bronnen vermelden dat Filippina zal opgevoed wordt net als de rest van de andere kinderen van de Franse koning.

 

De intriges van de Franse koning blijven Gwijde en Robrecht parten spelen. In 1294 had Robrecht van Bethune de bevolking van Valenciennes geholpen in hun opstand tegen hun landsheer Jan van Avesnes. (de Avesnes waren aartsvijanden van de Dampierres). Filips de Schone had toestemming gegeven aan Gwijde om het gebied van Valenciennes aan te hechten bij Vlaanderen. In 1296 keert Filips de Schone zijn kar en sluit hij een bondgenootschap met vijand nummer één Jan van Avesnes die zijn gebied terugkrijgt. Ook Floris, de graaf van Zeeland en Holland, behoort tot de vijandelijke alliantie.

 

De voortdurende ontwaarding van het Vlaamse geld en de handelsboycot zorgen ondertussen voor grote ellende bij het volk. Daar bovenop krijgen de Vlaamse steden nog eens een extra belasting van 2% op al hun inkomsten aangesmeerd door de Franse koning. Oude beloftes worden verbroken. Alle rechtszaken, verzoekschriften en beroepsprocedures van Vlaamse burgers worden eenzijdig geannuleerd door het Franse parlement. Het leidt tot een nooitgeziene vijandschap van de Vlamingen tegen de Franse terreur.

 

Ook politiek loopt de situatie helemaal uit de hand. Filips bezorgt een koninklijk bevel aan de Dampierres dat ze Valenciennes moeten ontruimen. Gwijde, die zich voor de zoveelste keer bedrogen voelt, is woedend en weigert op dat bevel in te gaan. Maar Gwijde is niet opgewassen tegen de macht van de Franse koning. Wanneer deze verneemt dat Gwijde weigert zijn bevelen op te volgen wordt hij in juni 1296 als graaf van Vlaanderen geschorst en krijgt hij van de koning een dagvaarding om zich voor het parlement van Parijs te komen verantwoorden.

 

Ondertussen hebben de Vlaamse steden het bezoek ontvangen van een Franse gezant van de koning die de macht overneemt van de ambtenaren van de graaf. De vrijheden en keuren worden behouden maar ridders en stedelingen worden formeel verboden zich buiten de grenzen van het graafschap Vlaanderen te gaan. Voor Gwijde die oorlog voert in Henegouwen en in Holland betekent dit een catastrofale maatregel.

 

Gwijde van Dampierre weigert in te gaan op het verzoek van de koning om zich te verantwoorden in Parijs. Volgens hem is het niet aan het parlement om een oordeel te vellen over de Vlaamse graaf. Volgens een oud feodaal gebruik is het enkel een college van de belangrijkste Franse vazallen (de Pairs de France) die recht kan spreken over hem als gelijke. Filips gaat in op zijn vraag en Gwijde wordt uitgenodigd om te verschijnen voor de "Pairs de France".

 

En opnieuw laat Gwijde zich vangen aan de sluwe praatjes van de koning. Hij vertrekt naar Parijs. Tot zijn verbazing is er geen sprake van een ontvangst door de "Pairs de France" en moet hij zich toch verantwoorden voor het Franse parlement. Hij protesteert heftig en krijgt voor antwoord: "que veut le roi, ce veut la loi".

 

De ontmoeting ontspoort in een juridisch steekspel en eindigt uiteindelijk met een totale vernedering van de Vlaamse graaf. Gwijde kan geen kant meer uit. Hij moet het beheer over Gent afstaan aan de koning en in de vier andere steden Brugge, leper; Kortrijk en Douai wordt de macht van de graaf zodanig ten voordele van de Franse koning uitgehold dat alle grafelijke macht bijna volledig wordt geknakt.

 

Tot op het bot vernederd keert Gwijde naar Vlaanderen terug. Eind september 1296 ontvangt Gwijde een nieuwe dagvaarding om zich voor andere kwestie voor het parlement te komen verantwoorden. Hij weigert. Gwijde en zijn zoon Robrecht kiezen op te komen voor de belangen van de Vlaamse burgers in de steden en het platteland. In september leggen Gwijde en Robrecht willens nillens bevelen van Filips naast zich neer en gaan ze zelf over tot intimiderende en vijandelijke acties tegenover de Franse souverein.

 

Tijdens die periode krijgt Gwijde in zijn kasteel van Wijnendale het bezoek van Hugues Despenser, een belangrijke adviseur van de Engelse koning Edward I. De Engelsen stellen een bondgenootschap voor en zijn bereid de graaf met grof geld te ondersteunen. Met die wetenschap in het achterhoofd roept Gwijde van Dampierre zijn edelen samen te Geraardsbergen met op de agenda de vraag om een anti-Franse coalitie te vormen. Deze bijeenkomst loopt uit op een formeel militair verbond met Engeland dat op 7 januari 1297 door beide partijen (de Engelsen in Ipswich, en Vlamingen in Wijnendale) worden ondertekend. Ook Robrecht van Bethune en zijn broers treden toe tot het Vlaams verbond.

 

Voor de eerste keer in 80 jaar zal het oorlog worden in West-Europa. De "eeuwigdurende" alliantie van Vlaanderen en Engeland tegen de machtige Franse koning is een conflict van hard tegen onzacht. Vlamingen en Engelsen beloven elkaar militaire steun telkens één van de partijen er om vraagt. Wol en koopwaren kunnen weer vrij ingevoerd worden in Vlaanderen. Oude schulden worden gezuiverd. De graaf van Vlaanderen zal op verscheidene tijdstippen voor het astronomisch bedrag van 325.000 pond aan steun krijgen van de Engelse koning, met daar bovenop nog eens jaarlijks 48.000 pond. Ettelijke schepen volgeladen met munten maken de oversteek naar het Europese vasteland.

 

Robrecht en Willem loochenen met deze megadeal hun eed en de beloftes die ze aflegden aan de Franse koning om Gwijde vrij te krijgen omdat die niet rechtsgeldig was en onder druk van de gevangenschap afgelegd werd. Twee dagen later breken Gwijde en Robrecht definitief met Filips de Schone. Het is een nooit geziene daad van rebellie.

 

Ze richten een schrijven aan de Franse koning waarbij ze de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitroepen. Gwijde verwijt de Franse koning als Vlaamse graaf door hem op een onwaardige, schandelijke en schadelijke manier behandeld te zijn en de aantasting in zijn rechten hem ertoe gebracht heeft een alliantie aan te gaan met de Engelsen. Het is een opsomming van een hele reeks grieven, zoals handelsbelemmering, moedwillige devaluatie, ondermijning van zijn gezag, schandelijke heffingen, intriges allerhande, de gevangenneming van zijn dochter Filippina, het opjutten van de steden tegen zijn gezag

 

Het is een hele waslijst. Tot slot verklaart Gwijde zichzelf ontlast van "elke ban, elk verbond, elke verplichting, elke overeenkomst, van alle volgzaamheid, alle dienst en alle cijns die hij de koning verschuldigd kan zijn". Deze leenopzeg zal tot de Frans-Vlaamse oorlog leiden die Vlaanderen zal teisteren tot in 1320.

 

Op 20 januari bezorgen de abten van Gembloux en Floreffe de onafhankelijksverklaring aan het Franse hof. Net op het moment dat Parijs door een verschrikkelijke overstroming wordt geteisterd. De oorkonde wordt met verbijstering en ongeloof ontvangen. Op 12 februari 1297 volgt er een ontmoeting in de grafelijke burcht te Kortrijk. Twee gezanten van de Franse koning ontmoeten er de graaf die vergezeld is van zijn zonen en enkele Vlaamse ridders. De leenopzeg van de Vlamingen ligt zwaar op de maag van de Fransen.

 

De Franse afvaardiging leest een uiterst beledigende brief voor en omschrijven Gwijde als iemand die zich "durft de graaf van Vlaanderen te noemen". Ze geven te kennen dat hun koning Vlaanderen beschouwt als zijn eigen kroondomein. De Vlamingen beraadslagen welk mogelijk antwoord ze kunnen meegeven met de gezanten

 

Uiteindelijk luidt de repliek: "Zeg aan uw koning dat hij ons antwoord zal vinden aan de grenzen van Vlaanderen". Robrecht en zijn broers treden hun vader bij en verklaren zich ontslagen van alle verplichtingen die de koning van Frankrijk van hen, als erfgenamen van de grafelijke troon, mocht opeisen. Dit alles wordt vastgelegd in een proces-verbaal dat de prelaten aan de koning zullen overhandigen. De oorlog tussen Vlaanderen en Frankrijk is hiermee nu onafwendbaar geworden.

 

Wat ook de redenen mogen zijn: de Vlaamse graaf heeft de vrede van Melun geschonden. Binnen 40 dagen dreigt nu de excommunicatie uit de kerk. Dat zou betekenen dat in heel Vlaanderen geen enkele mis meer zou kunnen worden opgedragen. Gwijde wil dit ten allen prijze voorkomen en laat al op 25 januari 1297 op alle Brugse preekstoelen een brief aan de Heilige Stoel voorlezen waarin hij de verschrikkelijke wandaden van de Franse koning beschrijft.

 

Aanvankelijk heeft paus Bonifatius VIII begrip voor de graaf en deelt hij mee aan Gwijde dat een excommunicatie niet aan de orde is. In een tegenreactie die Filips laat voorlezen in de kerken van de Noord-Franse steden eist hij de uitsluiting van zijn ontrouwe leenman. Het hele voorjaar gaat er een welles-nietes spel door in alle kerken van Vlaanderen en Frankrijk. De excommunicatie hangt als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de Vlamingen. Op 22 juni besluit Gwijde tijd te winnen en beroep aan te tekenen tegen een mogelijke excommunicatie. De Vlamingen kunnen voorlopig verder naar de mis.

 

De inwoners van Vlaanderen reageren trouwens met gemengde gevoelens op de oorlogsdreiging. Het kan moeilijk anders bij een situatie waarbij zowel Filips de Schone als Gwijde van Dampierre elk van hun kant aan de mouwen van de mensen en stadsbesturen trekken. Een groot aantal Vlaamse edelen ondersteunen hun graaf, maar velen zijn de neerbuigende arrogantie die Gwijde vele jaren heeft tentoongespreid niet vergeten. Tijdens de onlusten van 1280 hebben velen zich gewend tot de Franse koning en heeft die er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de stadskeuren van Brugge in ere werden hersteld. Ook de Gentse burgerij stelt zich positief op tegenover Filips de Schone.

 

De twee partijen komen met de dreigende oorlog lijnrecht tegenover elkaar te staan. De "Leliaards" zijn koningsgezind. Het zijn enkele Vlaamse edelen, het rijkere en begoed volk en de patriciërs die de schepenambten in de steden bekleden. De naam Leliaard is afgeleid van de gouden lelies op het blauw veld in het schild van de koning.

 

De mensen die de graaf goed genegen zijn noemen zich "Liebaards" naar de afbeelding van de luipaard op de grafelijke vlag. (in die tijd wordt nog geen onderscheid gemaakt tussen een leeuw en een luipaard). Later in de geschiedenis zal de term Liebaards vervangen worden door "Klauwaards" als symbool van een klauwende leeuw. Tot de Klauwaards behoren de meeste Vlaamse edelen aangevuld met de meeste ambachtsmensen en de plattelandsbewoners. Wordt vervolgd in de episode 'Oorlog met Frankrijk'.