P1299100

Ik ben weer terug in Nieuwpoort. Op mijn werktafel ligt 'Het Ontstaan van Nieuwpoort' van René Rumon en 'De Vroegste geschiedenis van Nieuwpoort' van Roger Degryse. De invalshoek van beide boeken staat haaks op elkaar maar de symbiose van de twee zorgt voor de nodige dynamiek. Dumon en Degryse hadden het geluk niet om verdere informatie en details op te zoeken op het internet. Dat geluk heb ik anno 2014 natuurlijk wel.

 

Voor ik het goed en wel besef, zit ik dus opnieuw verzeild in de jaren 1100 en raak ik zoals gewoonlijk gefascineerd door een nieuw luik in de geschiedenis van onze Westhoek. Nieuwpoort dus. Vanaf de 12de eeuw wordt de naam 'Sandeshoved' of 'Sandeshove' vrij regelmatig vermeld in de geschriften. De hoog gelegen zandvlakte, 'hoved', die op de dag van vandaag nog altijd terug te vinden is in het centrum van Nieuwpoort, is in die tijd een locatie die heel het omliggende beheerst. In 1112 wordt geschreven: 'novam terrum, nomine Sandeshove, que per jactum maris jan crevit, et quicquid in postarum accrescet, super fluvium Ysare situm, sante Marie in Broburg… integre donavimus.'

 

Het nieuwe leven dat zich overal in de loop van de 11de eeuw gaat aftekenen, vindt ook zijn weerslag in het kloosterleven. Er worden verscheidene nieuwe kloosters gesticht die zich in het gewest van Nieuwpoort zullen gaan toeleggen op allerhande polderwerk. Rond 1022 schenkt de graaf van Vlaanderen de westelijk gelegen schorrelanden van Sandascuad, 'nova terra Sandeshove, que per iactum maris iam crevit', aan het klooster van Sint-Winoksbergen. De gronden van Sandascuad zijn voldoende groot om er 100 schapen te laten grazen.

 

Heel wat gronden langs de boorden de Ijzer zijn ondertussen ontgonnen en de mensen van Sandeshoved beginnen uit te kijken om zich te vestigen op de nieuwe stukken grond van de 'Lage Stad' tussen de Langestraat en de Kaai. Op de gronden van Sandascuad, Sandes-hove, Sandeshoved! De nieuwe bouwgrond in de lage stad is broodnodig om de snel groeiende bevolking van Sandeshoved te kunnen huisvesten.

 

De eigenaar van de gronden is de abdij van Broekburg, maar kan niet anders dan de mensen noodgedwongen toe te laten. Uiteindelijk zal er onder impuls van de graaf in 1272 een compenserende maatregel getroffen worden waarbij het klooster vergoed zal worden met terreinen die gelegen zijn in Sint-Joris. De graaf schenkt in 1163 de inwoners van Nieuwpoort hun eigen stadskeure. De teksten van de stadskeure tonen aan dat er in die tijd al sprake is van marktdagen waar vreemdelingen hun waar komen aanbieden en er ter plekke standplaatsen kunnen huren. Het merendeel van die marktplaatsen situeren zich ter hoogte van de Potterstraat en de Deroolaan.

 

De mensen brouwen hun bier zelf. Er is sprake van bakkers. Er wordt wijn geschonken in de herbergen. De aanwezigheid van wijn veronderstelt dat die ingevoerd wordt vanuit Frankrijk, Spanje of Portugal. Er is al sprake van een handel in bedden en peluwen. Laken, wol, Engelse en Vlaamse kazen, lood, tin, koper, ijzer, spek, smeer- en kaarsvet, was, peper, aluin, verfwaren, graan uit Engeland, honing, staal en bontvellen worden ingevoerd.

 

Er is ook sprake van ketels, schotels, pannen, molenstenen uit Duitsland en slijpstenen. Op de markt worden grote hoeveelheden wol verkocht die op de talrijke ontpolderde weilanden worden gewonnen. De kooplieden komen meestal uit Sint-Omaars, Ieper, Brugge, Poperinge en Diksmuide waar de wolnijverheid vanaf de 11de eeuw een grote uitbreiding aan het nemen is. En als er wol te kort is om de weeftuigen in werking te kunnen houden, wordt deze ingevoerd vanuit Engeland. Vrij regelmatig wordt die invoer gestremd door één of ander handelsembargo waar de politiek van die tijd verantwoordelijk voor is.

 

Oorlogen in Engeland en overstromingen in Vlaanderen gedurende de 11de en 12de eeuw lokken duizenden Vlamingen naar Engeland, Schotland en Wales. Velen zijn vertrokken om zich te laten inlijven in het Engels leger, maar anderen zetten de handelsactiviteit verder die ze gewoon waren in Vlaanderen: het weven. Het is dan ook niet ongewoon dat de handel tussen Engeland en Vlaanderen in die periode hogen pieken bereikt.

 

Terwijl er in Vlaanderen nieuwe en grote abdijen ontstaan die zich toeleggen op polderwerk, schapenteelt en de wolopbrengst ervan, gebeurt hetzelfde in Schotland. Wanneer in 1154 de Engelse koning Hendrik II alle vreemdelingen uit Engeland laat verdrijven, wijken de Vlamingen uit naar Schotland. Ze worden er met open armen ontvangen door de abt van Kelso en andere nieuw opgestarte kloosters die de vakkennis en de noeste arbeid van de Vlamingen goed kunnen gebruiken. De haven van Nieuwpoort zit als het ware geprangd tussen Engeland en Vlaanderen en mag hier ongetwijfeld een gunstige terugslag verwachten van de bloeiende wolhandel. De visserij bezit een ruim aandeel in het volksleven van de 12de eeuw.

 

Een hele reeks schepen zoals klinkerboten, losboten, everboten en koggen worden ingezet voor de visvangst. De grootste zijn de klinkers, de kleinste de evers. Er moeten rechten betaald worden op vis. Zo leren we in 1161 dat er op de markt van Nieuwpoort sprake is van, deels ingevoerde, verse haring, zalm, makreel, schelvis, pladijs (schol), paling en zelfs walvis. Maar waarom is er in die tijd nog geen sprake van garnalen, tarbot, tong, robaard en sprot? Zijn de beste soorten misschien vrijgesteld van belastingen en komen ze daarom niet op die lijst voor? Op transitgoederen die niet in Nieuwpoort worden gelost, dienen er geen rechten te worden betaald.

 

Elke wagen die vanuit Nieuwpoort vertrekt, is goed voor een taks van 4 denieren. Voor elke inkomende wagen wordt slechts één denier aangerekend. Voor de karren bedraagt de taks respectievelijk twee denieren en één obool. De eigenaars vergezellen hun koopwaar als die verscheept wordt. Ze verkopen zelf hun producten in de reeks van havens waar aangemeerd wordt. De Nieuwpoortse keure van 1163 schrijft voor dat geen scheepsgoederen mogen verkocht worden vooraleer de Nieuwpoortse burgers de koopwaar hebben kunnen monsteren en de mogelijkheid hebben gekregen om te kunnen kopen wat ze wensen te kopen.

 

Pas nadat ook de lokale schepenen nog de kans hebben gekregen om iets te kopen, komen de vreemdelingen aan de beurt. Er logeren trouwens tal van vreemde kooplieden in de talrijke gasthoven van Nieuwpoort.

 

Zo breekt de 13de eeuw aan in Nieuwpoort. De bloeiende handel tussen Engeland en Vlaanderen heeft er voor gezorgd dat de haven van Nieuwpoort zich in 1200 uitgebreid heeft over een groot gedeelte van Sandeshoved. Het stadsbestuur is er in geslaagd om zijn invloed te laten gelden aan het hof van graaf Filips van den Elzas die in 1163 en 1168 belangrijke stadsrechten heeft toegekend aan de havenstad. Met de dood van Filips in 1191 breekt een periode van politieke instabiliteit aan waarbij Frankrijk, Engeland en Vlaanderen met elkaar in de clinch gaan.

 

In 1197 wordt een verdrag getekend tussen Engeland en Vlaanderen. Een alliantie die zwaar op de maag ligt van de Franse koning. Er breken tijden aan die zullen gevuld zijn met politieke twisten, oorlogen en verwoestingen. De onzekerheid bij de mensen is zowat de enige constante. De handel sukkelt, de vissers weten niet waar in en waar uit want de vriend van vandaag is de vijand van morgen. Nieuwpoort beleeft barre tijden.

 

In 1213 wordt de stad ingenomen door de Fransen en overgeleverd aan de vlammen. In 1236 is de toestand zo dramatisch dat de vistienden die moeten betaald worden aan Sint-Walburga te Veurne helemaal niet kunnen betaald worden. De onderhandelaars uit Veurne (geestelijken) worden door de verpauperde Nieuwpoortenaars brutaal doodgeslagen. Het zal de stad duur te staan komen. Maar nog voor het einde van de 13de eeuw zal Nieuwpoort uit zijn assen verrijzen.

 

In 1202 trekt graaf Boudewijn II van Constantinopel met een gevolg van ridders op kruistocht naar het Heilig Land. Eén van die ridders is Boudewijn van Haveskerke. Haveskerke (Haverskerque) situeert zich op enkele tientallen kilometer van St.-Omer. Boudewijn van Haveskerke, waarschijnlijk sinds 1197 aangesteld als nieuwe burggraaf van Nieuwpoort, ontpopt zich als rechterhand van de graaf. In 1213 en in 1215 wordt dat duidelijk. Boudewijn van Nieuwpoort wordt aangesteld als gezant om te onderhandelen met het hof van de koning van Engeland.

 

Het betreft de toepassing van het Anglo-Vlaams verdrag dat in 1212 tussen Engeland en Vlaanderen werd afgesloten. Uit de geschriften van die tijd blijkt dat Boudewijn het tot burggraaf van Nieuwpoort geschopt heeft, waarbij zijn vestiging natuurlijk de burg van Nieuwpoort betekent. Korte tijd voor dat Boudewijn van Nieuwpoort vertrekt op kruistocht, breken er in de Westhoek zware onlusten uit tussen de Blauvoeters en de Ingerijckers.

 

De reden van de twist, die al snel ontaardt in een heuse burgeroorlog, is toe te schrijven aan de buitensporige belastingen die koningin Matilda, de weduwe van Filips van den Elzas, oplegt om haar buitensporige levensstijl te betalen. Matilda houdt haar hof in Veurne en wil iedereen laten voelen en laten zien dat zij dé 'koningin' is. Een groot deel van de bevolking weigert financieel bij te dragen voor die hoge kosten en sluit zich aan bij een zekere Blauvoet die de leider wordt van de volksopstand. Ingerijck, raadslid van Matilda, leidt de onderdrukking.

 

Hij is de uitvoerder van het repressief bestuur van onze Matilde. Graaf Boudewijn van Nieuwpoort, vriend van de graaf, staat natuurlijk aan de zijde van Matilda. Hij stuurt in 1201 volk naar de streek om de Ingerijckers met wapens en mankracht bij te staan. Nieuwpoort zelf blijft buiten het strijdgewoel want het is een vrije stad waar Matilda geen recht heeft om geldheffingen op te leggen. Het lijkt nochtans logisch dat de modale Nieuwpoortenaar de kant kiest van de Blauvoeters.

 

De mensen van Nieuwpoort zijn inderdaad niet erg geneigd om hun morele steun te geven aan de decadente stijl van de koningin. Boudewijn van Nieuwpoort mag zich uiteindelijk gelukkig prijzen dat hij in wezen niet te maken krijgt met de bijzonder zware burgeroorlog in de Westhoek. Na de dood van Matilda, ten gevolge van een verkeersongeval op de weg tussen Veurne en Koksijde in 1218, blijft de naam Blauvoet bestaan.

 

De burgeroorlog is al lang uitgewoed maar de gedachtestroming die gericht is tegen het machtmisbruik van de hogere adel blijft gelinkt aan de term 'blauvoeters'. De territoriale spanningen tussen de Franse koning en zijn Vlaamse leenheren, de graven van Vlaanderen, zorgen voor een aanslepende labiele situatie in de streek. Graaf Boudewijn van Vlaanderen verdwijnt spoorloos tijdens de kruistocht in 1205. De Franse koning denkt dat hij met Ferrand van Portugal een trouwe medewerker heeft en stemt in met het huwelijk van Ferrand met Boudewijns dochter, de nieuwe Vlaamse gravin Johanna van Constantinopel.

 

Dat blijkt al heel snel een ernstige misrekening want Ferrand ontpopt zich als een voorvechter van de Vlaamse expansiepolitiek die voornamelijk gericht is tegen Frankrijk. In augustus 1212 tekent Ferrand een vriendschapsverdrag met Engeland. Hij komt nu pal in het vizier te staan van Frankrijk, de aartsvijand van de Engelsen. De Vlaamse handelssteden Rijsel, Dowaai, Brugge, Gent, Ieper en Sint-Omaars vinden het verdrag met de Engelsen een prima zaak. Het merendeel van de Vlaamse edelen reageren afwijzend op de houding van graaf Ferrand die de kant van het Vlaamse volk kiest.

 

Boudewijn van Nieuwpoort, trouwe vriend van de verdwenen vader van Johanna van Constantinopel, staat natuurlijk aan haar zijde en aan die van Ferrand. Ik vraag me af hoe hij zou gereageerd hebben met de wetenschap dat Ferrand de opdrachtgever is geweest van de moord op zijn (toekomstige) schoonvader. Een huurmoord waar de Ieperse kronieken wel erg veel details van prijsgeven. Boudewijn biedt zijn diensten aan bij de Engelse koning Jan zonder Land (koning John) en krijgt hiervoor een Engels leengoed ter beschikking.

 

Aan de 'Manor of Newport' bezit hij de rechten op een jaarlijks inkomen. Ongetwijfeld heeft Boudewijn een beslissende rol gespeeld bij de uitwerking van het verdrag van 1212. Een Franse invasie dreigt. Het is dan ook logisch dat graaf Ferrand in mei 1213 een beroep doet op zijn rechterhand Boudewijn van Nieuwpoort om hulp te vragen bij de Engelsen om die dreiging tegen te gaan. Boudewijn meldt zich bij koning John. We zijn 25 mei 1213. Een Franse vloot heeft het anker geworpen in de monding van het Zwin. Damme is al gevallen, Brugge is bedreigd.

 

Een onmiddellijk ingrijpen dringt zich op. Boudewijn pleit voor Engelse ondersteuning. Koning John antwoordt dat de Vlaamse vraag rijkelijk laat komt maar laat zich door Boudewijn van Nieuwpoort uiteindelijk vermurwen. Hij schrijft aan de graaf van Vlaanderen: 'Beste vriend: we zijn in het bezit van uw brieven, door u aan Boudewijn van Nieuwpoort toevertrouwd. Hadden wij deze vroeger ontvangen, het ware ons mogelijk geweest u meer hulp te sturen. Wij zenden u onze getrouwen; William, graaf van Salisbury (dit is de broer van de koning), Renold, graaf van Bonen (de streek van Boulogne was op dit moment Engels grondbezit) en Hugo Boves.'

 

Nog geen week later, op 30 mei 1213, is de Engelse vloot in aantocht. Zes vazallen van de 'Manor of Newport' hebben zich op verzoek van Boudewijn aangesloten bij de Engelsen. Daarbij hebben ongeveer 40 schepen onder leiding van Daneel, de neef van Boudewijn, zich bij de vloot gevoegd. Het eskader bereikt net op tijd het Zwin waar de Franse zeevloot wordt verpletterd.

 

De koning van Frankrijk is woedend op de burggraaf van Nieuwpoort. De winter van 1213 is nog niet eens aangebroken als het Franse leger de versterkte stad Nieuwpoort 'dede rooven ende verbranden'. De burg wordt vernield. In 1214, de oorlog blijft maar aanslepen, wordt Boudewijn nog eens op missie naar Engeland gestuurd in een poging om andere mogendheden te betrekken bij de oorlog. Maar tijdens de veldslag van Bovines in juli 1214 wordt graaf Ferrand gevangen genomen en op een vernederende manier opgesloten in Parijs.

 

De tiener Johanna van Constantinopel en haar jongere zus Margaretha van Constantinopel vallen in de greep van het Franse hof. Het verwoeste Nieuwpoort kan fluiten naar een herstelling van de verdedigingswallen mag de heropbouw van haar burg voorlopig vergeten. Na de verwoesting van zijn thuisbasis, verandert Boudewijn van Nieuwpoort zijn titel opnieuw in Boudewijn van Haveskerke en geraakt hij verzeild in een conflict op Engelse bodem.

 

Koning John heeft af te rekenen met een opstand van de Engelse barons en zal midden 1215 verplicht worden om toe te geven aan de eisen van de opstandelingen. Het is tijd van de ondertekening van de vermaarde 'Magna Charta'. Boudewijn wordt noodgedwongen 'persona non grata' voor de Engelse adel, maar één jaar later slaagt hij er met Vlaamse strijdkrachten om de rollen om te draaien en koning John opnieuw meester te maken van Engeland.

 

Het pleit wordt uiteindelijk beslecht in 1216 als de Engelse baronnen de hulp krijgen van een Frans leger dat Engeland binnenvalt. Koning John sterft korte tijd later. De rol van Boudewijn is nu definitief uitgespeeld. Hij verliest zijn 'Manor of Newport'. Zijn vriend Ferrand zit nog steeds gevangen. Zijn politieke loopbaan ligt in duigen. Zijn burg te Nieuwpoort ligt er nog altijd verwoest bij. Uiteindelijk wordt het 'atrium' heropgebouwd en gaat hij vanuit het atrium de stad Nieuwpoort leiden.

 

Hij en zijn nazaten zullen voortaan beschreven worden als 'van Nieuwpoort'. Het spoor van zijn afstammelingen zal ons verder leiden tot in het jaar 1383. De verwoestingen die Nieuwpoort ondergaat door de wraakzuchtige Fransen in december 1213, zijn helemaal niet te onderschatten. Ze betekenen een bruusk einde aan 100 jaar groei en voorspoed. Jaloezie en afgunst ten opzicht van de merkwaardige opgang van de haven en kuststad zal zeker zijn rol hebben gespeeld. De meeste woningen zijn gebouwd met hout en leem en ontsnappen niet aan de vuurpoel. De burg wordt verwoest.

 

De parochiekerk van Sint-Hilda in de westwijk gaat ten onder en zal als een herinnering achterblijven. Haar naam zal blijven verder leven in de naam van de straat die er ooit naar toe leidde. En wat is er gebeurd met de Onze-Lieve-Vrouwkapel en de Sint-Laurenskapel in die wrange tijden? Hoogstwaarschijnlijk zullen die ook zware schade hebben ondervonden en waren er grote kosten van doen om die opnieuw te herstellen.

 

Precies 50 jaar na de introductie van de illustere stadskeure van Nieuwpoort zit er niet anders op dan helemaal van voor af aan te herbeginnen. Een hele generatie heeft de steile opgang meegemaakt van de stad en leert nu de keerzijde van de medaille kennen. Enkel de zeevisserij is relatief gespaard gebleven en kan er uiteindelijk voor zorgen dat de gekwelde Nieuwpoortenaars verder in hun levensbehoeften zullen kunnen blijven voorzien.

 

Andere inkomsten, zoals die van handel en nijverheid, blijven vele jaren ondermaats. De handel met Engeland wordt om de haverklap onderbroken. Om één en ander enigszins leefbaar te houden, moeten de handelaars die hun hart aan Engeland hebben verpand noodgedwongen een Franse pet opzetten. De hele periode door wordt de handel gestoord door tijdelijke handelsbeperkingen. Zelfs de vissers krijgen te maken met Franse of Engelse kapers die beslag leggen op hun netten, vis of gereedschap. De heropbouw van de stad ligt hoe dan ook voornamelijk bij de visvangst en de vissers die het moeilijk hebben om op te draaien voor alle belastingen van hun thuisbasis Nieuwpoort.

 

Er zijn inderdaad ten gevolge van grafelijke besluiten haringtienden en vistienden te betalen aan de proosdij van Sint-Walburga van Veurne. Sint-Walburga beseft dat Nieuwpoort grote moeite heeft om het hoofd boven water te houden en dringt een aantal jaar niet aan op betalingen van de tienden. De archieven leren ons dat 20 jaar na datum stappen ondernomen moeten worden om de betalingen van de haringtienden te verzachten. Een commissie opgericht door de gravin beweegt echter de stad om onverwijld in te gaan op het betalen van de tienden.

 

De bevolking ergert zich aan die uitspraak. De man in de straat kan niet begrijpen dat een vrije stad zoals Nieuwpoort belastingen moet betalen aan een instelling die er niets voor hoeft te doen. De mensen hebben betaald tot in 1213. Maar de toestand is grondig veranderd in dat jaar. Waarom moet Sint-Walburga in godsnaam blijven aandringen nu heel Nieuwpoort in de voddenmand ligt? Het stadsbestuur ziet geen andere uitweg dan te onderhandelen met Sint-Walburga.

 

Drie priesters worden door de Veurnse proosdij afgevaardigd en maken hun intrede in Nieuwpoort om de problematiek te bespreken. De gemoederen zijn echter zodanig verhit (zelfs de schepenen zijn over hun toeren) dat twee van de priesters door het volk worden aangerand en doodgeslagen. Een derde kan ternauwernood en zwaar gewond aan de dood ontsnappen. Het geval zorgt voor groot opschudding in heel Vlaanderen. De stad Nieuwpoort wordt onverbiddelijk in de ban van de kerk geslagen.

 

Het betekent niet enkel het sluiten van alle kerken en het schorsen van alle erediensten maar vooral een ultieme vernedering voor de hele stad Nieuwpoort. Overal wordt met afkeer en met verontwaardiging de naam van Nieuwpoort uitgesproken. Het stadsbestuur zet alles op alles om de banvloek te laten herroepen. Alle vrienden en relaties in regeringskringen en uit kerkelijke hoek worden ingespannen. De pogingen kennen succes. Gravin Johanna en de bisschop van Terwaan verlenen hun medewerking. Ze stellen drie personen aan om de zaak op te lossen.

 

Het zijn de abt van Sint-Walburga, de proost van Sint-Omaars en de proost van Brugge. Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort verbinden zich er toe om zonder discussie de besluiten van het drietal te aanvaarden. Op 13 september 1236 volgt de uitspraak. Ondertussen is de banvloek op Nieuwpoort al opgeheven. 25 personen moeten worden aangeduid en die worden voor één jaar overzees verbannen, ultra mare, waarschijnlijk naar Engeland. De verbanning mag uitgesteld worden tot op Sint-Jansdag, half juni van 1237.

 

Tijdens de uitgestelde periode dienen die 25 bannelingen aangevuld met nog 100 andere inwoners een boetereis te ondernemen naar een groot aantal kerken (maar liefst 26 van Terwaan tot Rijsel, Gent, Brugge, enz..) uit het graafschap. Het bezoek aan de aangewezen kerken moet gebeuren op blote voeten en in ondergewaad. De gestraften moeten processiegewijs elke kerk binnentreden met een roede in de hand en onder het opzeggen van het 'Miserere mei Deus' waarna ze dan de 'discipline' ontvangen.

 

De Nieuwpoortenaars dienen 100 pond te betalen voor de bouw van een kapel waar regelmatig missen zullen worden opgedragen voor de vermoorde priesters en er volgen nog een reeks boetes en schadevergoedingen. Maar dat is nog niet alles. De Nieuwpoortenaars worden verplicht een burg, een 'fortalitiam', te bouwen in de stad. De burg moet ten dienste staan van de gravin van Vlaanderen. De bevolking moet met eigen handen de grachten van de burg delven. Alle inwoners tussen de 14 en 60 jaar moeten een eed afleggen waarbij ze zich ertoe verbinden om in geen geval nog verder kwaad of schade te berokkenen aan de kloosterlingen van Sint-Walburga.

 

Binnen de 14 dagen moeten alle vernoemde inwoners een brief ondertekenen en deze te laten geworden aan Sint-Walburga. De rist straffen zorgt ervoor dat er moeilijke tijden in het verschiet liggen voor de Nieuwpoortenaars. De last wordt nog versterkt door het feit dat de mensen van aanzien en invloed maandenlang afwezig zullen blijven om hun boeteverplichtingen na te komen in de kerken van zowat heel Vlaanderen.

 

En dan spreken we nog niet over de bannelingen die één jaar van huis zullen blijven. Velen zien die lastige tijden in Nieuwpoort niet zitten en trekken weg naar andere plaatsen. Veel vissersgezinnen verlaten Nieuwpoort omdat het leeuwendeel van de betalingen nog maar eens ten laste van de vissers dreigen te vallen.

 

Maar waar kunnen ze heen? De vissers trekken niet ver van de stad, naar Vloedgad, Nieuwendamme en Orot. Zelfs Lombardie wordt opnieuw in het leven geroepen. Ondertussen moeten de mensen die in de stad gebleven zijn zich aanpassen aan de pijnlijke situatie. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is te ontredderd en ontzenuwd om tegenmaatregelen te treffen tegen de mensen die de stad verlaten. Pas later, wanneer de wedergeboorte een feit wordt, zal ingegrepen worden.

 

Na de verwoesting van 1213 wordt er slechts één parochiekerk heropgebouwd. En het is niet langer dezelfde kerk als vroeger. De vroegere Sint-Hildaparochiekerk, gelegen in het westelijke Cuetewic, wordt niet heropgebouwd. Dat gebeurt evenmin met de Sint-Laurenskapel. De mensen moeten het nu redden met één kapel: de boetekapel die ze als straf moeten bouwen ter nagedachtenis van de vermoorde priesters. 't betkin van onser vrouwen', de Onze-Lieve-Vrouwkapel krijgt daardoor op korte tijd het statuut van parochiekerk en zal voortaan de hele stad moeten bedienen.

 

De nieuwe burg wordt opgebouwd tussen de Potterstraat en de Deroolaan en vervangt de in 1213 verwoeste Duivetoren. Het bouwwerk komt er niet om de stad te beschermen tegen de buitenwereld maar om controle uit te oefenen op de Nieuwpoortenaars zelf en nieuwe buitensporigheden van de stedelingen in de kiem te smoren. De burg staat dan ook pats in het centrum van de stad. Beschermende muren rond de slotgracht zijn vermoedelijk niet nodig. Een burg zoals die in Nieuwpoort werd eerder gebouwd in Newcastle in de periode 1172-1177.

 

Kort voor 1227 hadden de inwoners van Nieuwpoort een nieuwe vaart gegraven. De Oude Veurnevaart vormt de verlenging van de Beveric, nu de Beverdijk, naar Nieuwpoort toe en naar de zee. De Oude Veurnevaart verbindt de Noordvaart met de Onie, dit is de zeehaven van Nieuwpoort, dicht bij het hedendaags spoorwegstation. Het delven van de Oude Veurnevaart aan de westkant van de stad was nochtans niet zo voordelig voor Nieuwpoort. Het stedelijk grondgebied dat zich uitstrekte naar de Groenendijk en naar de zee werd door de nieuwe vaart effectief afgescheiden van de stad.

 

Er werd niet eens een brug voorzien. Wie westwaarts moest, was genoodzaakt een omweg te maken langs de vaart om uiteindelijk via de Arkeburg in de stad te kunnen bereiken. Het betekende een nadeel dat echter niet opwoog tegenover de grote voordelen die de vaart opleverde voor de stad. Niemand kon de tragedie voorzien die zich in 1236 zou voordoen in Nieuwpoort. Na die tragische gebeurtenissen hebben vreemde machten, zowel kerkelijke als burgerlijke, niet nagelaten om te profiteren van de verzwakte toestand van de stad om landerijen en gebieden van dat geografisch afgescheiden gebied in te palmen.

 

Het verlies van het land aan de overkant van Oude Veurnevaart is een bittere pil om te slikken voor de inwoners. Een zoveelste kaakslag. Er is geen wetgeving, geen keure die toelaat dat Veurne-Ambacht het westelijk grondgebied tussen de stad en de zee mag innemen. Maar toch gebeurt het. Met medewerking van het Nieuwpoortse stadsbestuur dat niet alleen een bok schiet met die gebieden van de stad af te scheiden door het eigenhandig aangelegde vaart. Het schiet bovendien de hoofdvogel af door na te laten om het Nieuwpoorts grondgebied effectief af te bakenen. De haven die zich uitstrekt tot aan de zee en waar men een mengelmoes van loskaaien en scheepswerven aantreft, wordt verondersteld allemaal Nieuwpoort grondgebied te zijn.

 

Het hele domein staat trouwens onder de bescherming van de burg van Nieuwpoort en niet onder de veraf gelegen burg van Veurne. Veurne-Ambacht bezit tot in 1240 geen zelfstandige bestuurlijke of juridische bevoegdheid, zelfs niet eens in zijn eigen gebieden. Die bevoegdheden zijn tot dan in de handen van een reeks leenheren die links en rechts in de streek van Veurne een leen in bezit houden. En voor wat betreft het gebied tussen Nieuwpoort en de zee was er zeker geen lokale leenheer die aanspraak had gemaakt op die fameuze gronden.

 

Heel dit grondgebied is eigendom van de graaf van Vlaanderen. Het zuidelijk gedeelte werd in gebruik genomen door molenaars en door mensen die er loskaaien (scipstal) hadden. En natuurlijk ook door de zoon van Boudewijn van Nieuwpoort die er een scheepswerf, een 'werva' uitbaatte.

 

Het noordelijk gedeelte was niet geschikt voor uitbating en bleef daarom onder directe controle van de staat, die het beheer overliet aan de baljuw van Nieuwpoort. Ook op kerkelijk gebied valt het grondgebied integraal onder het gezag van de pastoor van Nieuwpoort. Het is eenvoudigweg allemaal Nieuwpoortse grond! De toestand verandert in juli 1240 wanneer gravin Johanna een keure uitvaardigt.

 

De strafrechtelijke en bestuurlijke macht van de leenheren wordt afgeschaft en overgedragen aan de magistraat van Veurne-Ambacht die op slag een persoon van grote betekenis wordt in de stad van Veurne. Het blijkt al snel dat de magistraat heel tuk is op een zo groot mogelijk grondgebied. En wel erg verlekkerd om dat grondgebied uit te breiden tot aan de zee. Enkele maanden eerder in februari 1240 heeft een kerkelijke commissie het grootste gedeelte van het Nieuwpoortse grondgebied tussen de stad overgedragen aan Oostduinkerke. Het betekent het einde van een dispuut dat zich sinds 1183 op kerkelijk gebied heeft afgespeeld.

 

Dat laatste verdient wat uitleg: een grafelijk decreet van 1183 verleende de haringtienden van Oostduinkerke aan de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Het besluit leidt al snel tot een geschil tussen de parochies die allebei bediend werden door monniken die fungeerden als pastoor van de Sint-Niklaasabdij. De vissers van Oostduinkerke die op de parochie van Oostduinkerke zelf woonden dienden hun haringtienden te betalen in de parochie zelf.

 

Maar enkele Oostduinkerkse gezinnen hebben zich gevestigd in de duinen nabij het Vloedgad, midden in het havengebied van Nieuwpoort. Al snel zitten ze met een probleem: aan wie precies moeten de Oostduinkerkse vissers die bij het Vloedgad wonen hun haringtienden betalen? De twee parochies zijn het natuurlijk niet eens met elkaar. Waarom zouden ze? En wie profiteert van de situatie? De vissersgezinnen van het Vloedgad natuurlijk. Maar zolang men die gezinnen op de vingers van één hand kan tellen, waarom zou men dan het geschil laten ontaarden.

 

Voorlopig laat iedereen de situatie gedijen. De fiscaal gunstige toestand van het Vloedgad, nu 'Ter Yde' genoemd, geraakt natuurlijk bekend bij de inwoners van Nieuwpoort die huiveren voor de hogere belastingen die ze vanaf 1236 dienen af te dokken. Zo ontstaat er in die periode een massale uitwijking van Nieuwpoortse gezinnen naar het Vloedgad. Het geschil tussen Oostduinkerke en Nieuwpoort laait weer op. 'Voor wie zijn nu eigenlijk die haringtienden aan het Vloedgad?' Petrus de Doy, de bisschop van Terwaan, stelt in 1239 twee scheidsrechters aan om een einde te maken aan de 'discordie que est super limiatcione parrochiarum de Novu portu et de Dunkerka'.

 

De priesters Thomas van Oostduinkerke en Nikolaas van Nieuwpoort worden verzocht zich onmiddellijk neer te leggen bij de uitspraak. De scheidsrechters van dienst zijn de abt van Zonnebeke en de proost van Lo. Het verdict valt in februari 1240. De abt en de proost zijn natuurlijk de moord op de twee priesters niet vergeten en vereffenen meteen de rekening met Nieuwpoort: heel het grondgebied langs de linkeroever van de haven van Nieuwpoort wordt, tot op een boogscheut van de Oude Veurnevaart, overgedragen aan Oostduinkerke. De scheidingslijn wordt voortaan vastgelegd aan de havengeul.

 

De onbewoonde rechteroever, het schorreland, blijft Nieuwpoort. De rest verhuist naar Oostduinkerke. De schorren worden aan het gezag van de baljuw van Nieuwpoort toevertrouwd. De baljuw van Veurne krijgt een vrijgeleide om het hele gebied tussen Nieuwpoort en de zee toe te voegen aan zijn kersvers gebied Veurne-Ambacht. Een volle generatie heeft in de periode tussen 1213 en 1240 werkelijk niets anders dan tegenslagen gekend. Maar de kaakslag van 1240 is iedereen te ver gegaan. Er wordt gebogen, er wordt verkropt maar tegelijk ontstaat bij de bevolking een ongekende koppigheid en hardnekkigheid: 'hier zullen we het niet bij laten!'

 

Bij de dood van Johanna van Constantinopel in 1244 volgt Margaretha haar zuster op. Gravin Johanna is in de hele kwestie wel erg drastisch opgetreden tegenover de stad Nieuwpoort. Ze misbruikt de toestand om de vervanging van de nieuwe burg op kosten van de mensen te laten uitvoeren. Eigenlijk is de staat hiervoor verantwoordelijk, maar ze weet die verantwoordelijkheid zeer handig van zich af te schuiven.

 

Met de moord op de priesters van Sint-Walburga was ze geen benadeelde partij. Dus waarom moet zij vergoed worden? En de verwoesting van 1213 dan? Het was potverdorie Nieuwpoort die de rekening gepresenteerd kreeg omdat haar burggraaf steun gaf aan graaf Ferrand tegen de Fransen. Margaretha, de jongere zuster van Johanna van Constantinopel komt op de troon in 1244. Ze weet maar al te goed welk onrecht haar zuster heeft aangedaan aan de stad.

 

Ze zal er alles aan doen om het onrecht te herstellen. Amper twee jaar later springt ze in de bres om Nieuwpoort te helpen. Het Vloedgad wordt terug geschonken aan de stad. 6 augustus 1246 geldt als een historische dag voor heel Nieuwpoort.

 

Op die dag vaardigt Margaretha te Gent een decreet uit met volgende tekst: 'Dat een ieder wete dat wij Renier 'Rainerus', onze baljuw van Veurne, aanstellen en hem de macht toekennen, om in onze plaats en van onzentwege, in het lang en in het breed, grond en woonsteden te verstrekken, navolgens hij het nuttig zal oordelen, op de plaats genaamd Vloedgad, gelegen tegen de zee in de parochie van Oostduinkerke, aan alwie daar verblijven wil. Wij willen dat al diegenen die in voornoemde plaats verblijven of zullen verblijven, onderhorig zullen zijn aan de Wet, aan de Schepenen, en aan de Vrijheden van onze Stad Nieuwpoort, zodat zij in alle zaken die van het schepenrecht afhangen, onder de rechtsmacht staan van onze schepenen van Nieuwpoort.'

 

Er bestaat in die tijd een groot gebrek aan bouwgrond in Nieuwpoort. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het groot aantal inwijkelingen, vooral vissers. Aanvankelijk dachten ze hier aan de haringtienden te ontsnappen, maar dat plan gaat niet door. Voortaan zullen ze onderworpen zijn om dezelfde belastingen te betalen als iedereen in Nieuwpoort. De haringtienden waar het allemaal mee begonnen was, blijven te betalen aan Oostduinkerke. In 1246 is de hele regio rond het Vloedgad al een bedrijvig dorp geworden met een eigen persoonlijkheid en een aparte uitstraling. Nu er weer belastingen zullen moeten betaald worden, valt de inwijking stil, maar de wijk aan het Vloedgad heeft voldoende in huis om op eigen krachten verder uit te groeien.

 

Het geschil van de haringtienden tussen de Sint-Niklaasabdij en de vissers van Nieuwpoort is in 1247 nog altijd niet beslecht. Hoog tijd om die zaak op te lossen en scheidsrechters aan te stellen. Tot eenieders verwondering staat Sint-Niklaas toe dat het stadsbestuur, ondanks haar status als betrokken partij, als één van de scheidsrechters zal aantreden. Het is een teken aan de wand dat het vertrouwen aan het herstellen is tussen de partijen. Er is eindelijk weer sprake van goede wil en verzoenende gedachten!

 

Maar die haringtienden, waar kwamen die eigenlijk vandaan? Wat betekenden ze? Het geschil rond de haringtienden begon specifiek enkel met de haring die gevangen werd op sommige visgronden in de zee die men toen kende als 'Nortover' ('In illo mari quod dicitur vulgariter Nortover'). Aan de Noordzee begint de haringvisserij standaard eind september, op Sint-Michiels, om te eindigen midden november.

 

We leven in 1237. Onder druk van de zware lasten zijn de vissers wel verplicht om nieuwe inkomsten aan te boren. Nortover lijkt een ideale oplossing. De haringvisserij op Nortover introduceert nieuwe haringvelden die al vanaf augustus kunnen bevist worden. Twee maanden extra opbrengst is meer dan de moeite waard. 'Nergens anders' is eigenlijk de juiste betekenis van Nortover. Nergens anders kan op deze tijd van het jaar al gevist worden op haring.

 

Het bedrijf dat vanaf augustus vist op haring wordt al snel beschouwd als een nieuwe onderneming, een nieuwe handelsactiviteit. De bestaande bedrijven, de vissers van de stad die pas op haringvangst gaan vanaf oktober, voelen zich natuurlijk gediscrimineerd ten opzichte van die nieuwe visserij op Nortover. Ze willen op gelijke voet behandeld worden als de nieuwkomers. Uiteindelijk bepaalt de stad Nieuwpoort dat de gevangen haring van Nortover identiek zal belast zal worden. Net zoals dat het geval is met de normale haringtienden. De tienden voor de Nortoverse haring worden, net zoals die voor de andere haring, in drie parten verdeeld: één voor de kerkfabriek, één voor het armenbestuur en één voor de Sint-Niklaasabdij van Veurne.

 

Het Vloedgad is dus dat schorrengebied rond het aangelegde kanaal. De natuur blijft natuurlijk ook een hoofdrol spelen in het verhaal van Nieuwpoort. Water en wind maken de duinen in het Vloedgad labiel. De noodwoningen die er in 1246 werden aangelegd, moeten meer en meer beschermd worden tegen het drijvende zand.

 

Een onbegonnen taak. De bevolking begint tussen 1260 en 1270 de duinen te laten voor wat ze zijn en gaat zich geleidelijk aan vestigen aan de rand van de duinen in de buurt van Groenendijk. In het Nieuwe Ijde. De financiële kost die ontstaat door die gedwongen verhuis zal ongetwijfeld wel dé reden geweest zijn om de visvangst op Nortover niet langer aan anderen over te laten. In tegenstelling tot hun ouders, laten ze de haringvangst op Nortover niet langer aan de nieuwelingen over.

 

De verdeling van de tienden gebeurt na 1277 volgens dezelfde regel als eerder in Nieuwpoort: 1/3e voor de kerkfabriek van Oostduinkerke, 1/3e voor de armen van de parochie en de rest naar de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Ondertussen heeft Nieuwpoort de periode van boete en miserie definitief achter zich gelaten. De toekomst ziet er opnieuw veelbelovend uit. Nieuwpoort bezit in 1249 twee enclaves in Veurne-Ambacht.

 

Eén ervan is het Vloedgad, de andere wordt omschreven als Orot (of Cnoc, Cuot). Op 27 februari vaardigt Margaretha een keure uit die Orot toevoegt aan Nieuwpoort. De enclave Orot ligt in Veurne-Ambacht. De inwoners van Orot krijgen van de gravin identieke vrijheden en wetgeving als die in Nieuwpoort. We weten waar Vloedgad lag in de 13de eeuw, maar waar precies kunnen we Orot situeren?

 

Nortover staat bekend als de plek in zee waar op haring kan worden gevist. Heeft Nortover iets te maken met een plaatsnaam aan land, bij de Ijzer? Inderdaad. Nog voor 1144 is er al sprake van Nortover als een 'Bercarium' dat in het bezit is van de Sint-Niklaasabdij van Veurne en voordien in het bezit van de Henegouwse abdij van Hasnon. De tekst van 1159 'quondam terram in territorio Furnensi sitam in parrochia Ramscappla…quam pie memorie Balduinus comes Flandrensis prefate Hasnoniensi ecclesie dedit' toont aan dat Boudewijn de graaf van Vlaanderen een gebied in Ramskapelle bevestigt als eigendom van de proost van Hasnon.

 

Het eigendom van Hasnon wordt nog enkele keren vermeld in 1165, 1190 en in 1202. In 1269 volgt voor de laatste keer :'pro anima Karissime quondam conjugis nostre Mathildis, in capelle curtis sue de Nortoverum'. Uit al die oude teksten kunnen we opmaken dat Nortover een leenhof was dat nog voor 1119 door graaf Boudewijn (want in dat jaar is hij overleden) afgestaan is aan de abdij van Hasnon en dat die nog voor 1144 de cijns afstond aan de Sint-Niklaasabdij van Veurne. In 1269 bezit Nortover een eigen kapel. Nortover situeert zich op het grondgebied van de parochie Ramskapelle. Om een eigen kapel te kunnen bezitten moet Nortover beschikken over een redelijk grote bevolking. Het leenhof was ongetwijfeld de kern.

 

De bevolking woonde verspreid in de buurt. Nortover kan dan ook vrij gemakkelijk bekeken worden als 'Northof, Northove, Nortove, het leenhof van Nort. Is het niet mogelijk dat Nort simpelweg een verbastering is van de term 'Orot?' of van 'Orotove' zoals de geschiedschrijver Edmond Croissant schrijft in 1872? Van Orotove, aan Orothove, aan Orothove, tegen Orothove,.. Telkens komt de letter N voor de oude term. Al heel snel kan Orothove betiteld worden als Northove.

 

Maar hiermee weten we nog natuurlijk nog niet waar Nortover gelegen was! Volgens een tekst uit 1244 leren we dat 'novo ponte' en Nortover op één en de zelfde plaats te vinden zijn. De nieuwe vaart die aangelegd werd in 1227 begon in Nortover, aan de nieuwe brug, en strekt zich uit tot aan de zee tegen Nieuwpoort. In Nieuwpoort kennen wij de vaart als Oude Veurnevaart. Het traject tussen Nortover tot aan Nieuwpoort kennen we als Noordvaart (vroeger de Beveric).

 

De nieuw gegraven vaart biedt een verbinding van Nieuwpoort met de Ijzer en met de Venepe, dus bijgevolg ook met Diksmuide, Ieper en Sint-Omaars. En natuurlijk ook met de zee en met de overzeese gebieden. Het leengoed Nortover, Orot, is op dat moment ongetwijfeld meer dan een gewone pachthoeve of landelijk domein. Gezien zijn ligging moet Orot mensen hebben aangetrokken die de zware lasten die geëist werden in Nieuwpoort wilden ontvluchten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in Orot al snel een gebrek aan woonhuizen doet gevoelen. Het verklaart waarom gravin Margaretha in 1249 met haar keure van Orot voorzag in het oprichten van nieuwe woonsteden ter plekke.

 

Maar waar lag Nortover-Orot nu eigenlijk? Volgens oude handschiften werd tijdens het graven van de vaart eveneens een brug aangelegd. De vaart doorsneed dus een bestaande weg: de weg Ramskapelle-Schoorbakke. Nortover met zijn nieuwe brug moet daarom gelegen hebben op het punt waar de Noordvaart bovenvermelde weg doorsnijdt. Op 2 km van Ramskapelle. Op 3,5 km van Nieuwpoort. Op circa 300 meter van de Nortover kruising ligt een goed dat op vandaag nog steeds bekend staat als 'Rode Sterkte' of 'Roedesterkte'. De bodem van Roedesterkte bestaat in tegenstelling tot de hele omgeving niet uit kleigrond. Roedesterkte bezit een voorhistorische zandbodem die de Noordzee er duizenden jaren geleden naliet.

 

Tijdens de geschiedenis wordt Roedesterkte wegens zijn relatief hoge ligging herhaaldelijk aangewend als verdedigingspost. Kan men zich niet afvragen of de term 'Rode Sterkte' niet gesproten is uit 'Orote Sterkte', de sterkte van Oroth? Bij elke overstroming werd het hele gebied met uitzondering van de sterkte van Oroth met water bedekt. Er bestaat een gegronde reden om aan te nemen dat de bevolking van Nortover iets te maken heeft met de haringvelden die dezelfde naam dragen.

 

Nortover was een zeehaven in het Ijzergebied, in directe verbinding met Nieuwpoort en bewoond door vissers die het fiscale regime van Nieuwpoort ontvlucht zijn. Het zijn precies die vissers die deze haringvelden uitkiezen als werkterrein en er de naam van hun thuis aan geven. Het feit dat de naam Nortover meer en meer gaat verwijzen naar de haringvelden, gebruiken de inwoners van Orot als alibi om hun keure mee te nemen naar nieuwe vestigingsplekken, zoals die bijvoorbeeld van Lombardie en andere nieuwe 'Nortovers'.

 

Ze vormen er speciale gebieden mee die onttrokken blijven aan de jurisdictie van Veurne-Ambacht. Stad Nieuwpoort zelf bekommert zich nooit echt met de 'Nortovers' maar droeg er wel altijd zorg voor om niet te breken met hen. Ook nadat de mensen van Orot naar Lombardie zijn verhuisd.

 

De toe-eigening (naasting) van Nortover en Lombardie gaat gepaard met een andere inbezitname: die van Cuot. De keure van Cuot wordt ondertekend in 1248 wanneer geschreven wordt: '…soubs le scel de Margte, Comtesse de Flandre, par les quelles elle veult que ceux qui demeurent au lieu appele Cuot, contre Nuesport vers Orient, aient tels libertez, lois et eschevinages, comme ceux du dit Nuesport'. We gaan op zoek naar Cuot. We werpen een blik op de hele oostelijke regio, 'vers Orient', om Cuot te lokaliseren.

 

We gaan naar een plek die bekend staat als Koudescheure op zowat 3,5 km van de rechteroever van de Oude Ijzer. Koudescheure ligt recht tegenover Nieuwendamme dat aan de andere kant van de stroom ligt. We horen al in 1163 en 1165 van 'Coudescure' als het goed van de Duinenabdij van Koksijde dat omschreven wordt als 'Novum Dam', Nieuwendamme. Is het mogelijk dat we Coudescure mogen interpreteren als 'schorre van Cuot'? Ongetwijfeld was het gebied voor het polderwerk van de Duinenabdij aanvankelijk een puur schorrengebied. Tot op vandaag wordt de hele regio tussen Mannekesvere en Rattevalle tot aan Slijpe door de inheemse bevolking nog steeds omschreven als 'Koudescheure'.

 

Het woord 'Scure' zal wel ontstaan zijn uit de term 'schorre' en niet uit de term 'schuur' omdat er in die tijd nog geen sprake was van landbouw in het schorrengebied van 'Coude'. Koudescheure en Nieuwendamme vormen twee hoogten recht tegen over elkaar, aan beide oevers van de Ijzer. Vermoedelijk vormen ze in die eerste tijden één enkel dorp, vroeger bekend als 'Cuot'. De naam van Nieuwendamme ontstaat pas in de 12de eeuw bij de aanleg van de dam. Het woord 'Cuot' of 'Coude' heeft ongetwijfeld dezelfde oorsprong als de term 'Cuete' in 'Cuetewic' te Nieuwpoort. Allen stammen ze waarschijnlijk af van het Keltisch en staan ze voor 'bos'. Het herinnert ons aan de tijd dat de streek voor de grote overstroming een bosrijk gewest was.

 

We stappen ook nog even naar Lombardie. Het lijkt een nieuw dorp dat ergens in de 13de eeuw aan de oppervlakte komt en dat in onze moderne tijden bekend zal worden als Lombardsijde. Het ontstaan van het nieuwe dorp Lombardie is verre van duidelijk. We hebben al gezien dat de keure van Orot gaandeweg versast wordt naar Lombardie bij de massale verhuizing van de inwoners van Orot naar het pas gestichte Lombardie.

 

De overdracht van de keure wordt al snel officieel want Lombardie draagt al de keure in het jaar 1252, 'Littera communitatis de Lombardie'. Orot heeft dus maar een heel kleine tijd gebruik kunnen maken van haar vrijheden. Mogelijk is de levenskwaliteit in Orot onhoudbaar, voelen veel nieuwbakken vissers zich effenaf bedrogen in hun verwachtingen en nemen ze de wijk naar Lombardie. En toch was er voor 1249 geen sprake van Lombardie, noch van een bedenkelijke woonomgeving in Orot. Wat kan er op die paar jaar dan wel gebeurd zijn?

 

De enig redelijke veronderstelling rond het ontstaan van het nieuwe Lombardie (het oude was door overstromingen met de grond gelijk gemaakt), is dat sommige afstammelingen van het oude Lombardie een geschikte plaats hebben gezocht en die opnieuw hebben genoemd naar hun voormalige woonplaats. Ze bleven Lombardienaars in hart en nieren. Ondanks het feit dat ze al die jaren in Nieuwpoort hebben gewoond.

 

Aanvankelijk zorgen de schorren en de voortdurend verschuivende duinen ervoor dat de plek waar Lombardie zal ontstaan, eigenlijk niet aantrekkelijk is om er te gaan wonen. De gronden waren al in 1103 aan de abdij van Oudenburg afgestaan en 70 jaar later door Filips van den Elzas nogmaals als eigendom bevestigd. De oorkonden van de 12de eeuw omschrijven de plaats als 'weilanden en andere gronden gelegen tussen Westende, de Ijzer en de zee.'

 

Van de naam van Lombardie is nog geen sprake. De uitwijking van een handvol Nieuwpoortse gezinnen, na de angstige gebeurtenissen van 1236, naar Vloedgad, Orot en Cuot betekent echter evengoed de start van de nieuwe parochie Lombardie. Ze wordt in 1263 als 'antequam parrochia Lombardie Fieret' genoemd. Wanneer de eerste gezinnen uit Orot zich willen vestigen in Lombardie ontstaat er een groot gebrek aan bouwgronden.

 

Gravin Margaretha stelt een aantal duingebieden ter beschikking van de inwoners waar de inwoners woonsteden mogen oprichten. In 1275 wordt de Grote-Hempolder volledig afgedijkt. De abdij van Oudenburg doet in 1274 officieel afstand van haar gronden in Lombardie en krijgt terreinen rond Aardenburg in ruil. In deze oorkonde van 1274 maakt Margaretha gewag van het feit dat Lombardie ondertussen als stad wordt aanzien. De verhuis van de mensen én van de keure van Orot is duidelijk definitief geworden. Lombardie is heringericht met de vroegere bevolking van Orot en op basis van de keure van Orot definitief erkend als stad.

 

De oorkonde van 1274 stelt de inwoners van het nieuwe Lombardie gerust voor wat betreft hun status en hun eigendom. Maar volgens een eerdere keure van 1269 worden de inwoners van Lombardie, net zoals die van Orot, wettelijk onderworpen aan de rechtsmacht van Nieuwpoort. En Nieuwpoort blijkt niet van plan af te zien van haar rechten op Lombardie. De inwoners van Lombardie verzetten zich prompt tegen het stadsbestuur van Nieuwpoort. Maar Margaretha blijft bij haar beslissing. De toe-eigening van Lombardie door Nieuwpoort is een feit. Het is een toestand die zal blijven duren tot ver in de Franse tijd.

 

Ook het Koolhof bij Ramskapelle wordt tussen 1250 en 1270 bij Nieuwpoort gevoegd. Opnieuw betreft het gebieden in een enclave binnen het territorium van Veurne-Ambacht. Het Koolhof maakt aanvankelijk deel uit van de heerlijkheid van Oudewerve dat afhangt van de Burg van Veurne. Oudewerve zelf blijft bij Veurne-Ambacht maar het Koolhof dat gelegen is langs de Venepe en daarom deel uitmaakt van het havengebied van Nieuwpoort wordt net zoals Vloedgad, Orot, Cuot en Lombardie door Nieuwpoort geannexeerd.

 

En nu trekken we naar Nieuwerijde. In 1246, op het moment dat het Vloedgad bij Nieuwpoort wordt gevoegd, is er nog geen sprake van Nieuwerijde. Maar het Vloedgad is tegen 1270 zo goed als verzand en niet langer geschikt voor het in- en uitvaren van de Nieuwpoortse schepen. Er is nood aan een andere uitweg naar zee en die wordt gevonden op korte afstand van Vloedgad en iets dichter bij Nieuwpoort.

 

Het betreft een arm van de Ijzer die langs het noorden van Lombardie stroomt, het huidige Geleide volgt en tot op dat ogenblik langs Groendendijk en Vloedgad naar de zee vloeit. Door de verzanding van het Vloedgad tussen 1269 en 1280 ondergaat het havengebied van Nieuwpoort een belangrijke wijziging. Het water van de Onie, het Langelis en de Venepe dat via het Vloedgad naar zee vloeit, gaat zich langzaamaan verleggen naar de nieuwe Ijzertak tussen Nieuwpoort en Groenendijk. In plaats van een koers westwaarts, gaat het water voortaan een noordelijke koers volgen naar de zee.

 

Om de scheepvaart langs deze nieuwe vaarroute tussen Groenendijk en de havengeul te verbeteren, moeten nieuwe dijken voorzien worden. Tegelijk wordt het afgedijkte land ontpolderd. Tegen 1280 is al een flink deel van het werk uitgevoerd. Voor de vissers van het Vloedgad blijft het mogelijk hun activiteiten verder uit te oefenen. Ze hebben een waterweg naar zee en een waterweg naar Nieuwpoort. De nieuwe waterweg naar zee gaan ze met de tijd 'Nieuwe Ijde', nieuwe haven, noemen.

 

In een scheidsrechterlijke uitspraak van 1277 rond de haringvisserij wordt de haven beschreven als 'Nova Hida'. Later wordt de naam gewijzigd in 'Nieuwerijde'. Het vissersdorp ligt aan de duinen aan de zeekant, aan de oever van de inham die door de oude havenmond gevormd wordt. De afstand tussen het dorp naar de Nieuwe Ijde is betrekkelijk klein. Maar toch ontstaat de neiging om dichter bij de Nieuwe Ijde te gaan wonen. Het voortdurend aangroeiende dorp breidt zich steeds verder uit richting Nieuwe Ijde. Alles in en rond het dorp steunt op de activiteiten rond de Nieuwe Ijde. Stilaan gaat men ook de oude wijk in het Vloedgad ook als 'Nieuwe Ijde' te betitelen.

 

Nieuwe Ijde groeit gestadig aan. In 1314 wordt gesproken van een kern van 135 gezinnen die bediend wordt door de priester Eustaes van Ansinghem. Er is zelfs sprake van een groot 'Visschershuus'. De stad Nieuwpoort oefent de rechtsmacht uit op het nieuw ontstaan Nieuwe Ijde omdat het een zogezegde uitbreiding van het Vloedgad betreft. Die rechtsmacht zal de volgende eeuwen in toenemende mate betwist worden door Veurne-Ambacht dat zich maar al te graag wil bemoeien met Nieuwerijde.

 

Er dringt zich ook nog een oplossing op voor een ander grondgebied. De schorren van Sandeshoved die zich aan het begin van de 12de eeuw nog uitstrekken van de noordkant van de huidige stad tussen de Langestraat en de Kaai. Graaf Robrecht had die schorren in 1118 geschonken aan het O.L.V.-klooster van Broekburg.

 

De kloosterlingen zorgen ervoor dat deze gronden afgedijkt en ontpolderd worden. Geleidelijk aan veranderen de schorren in weiland en in landbouwgrond. Tijdens de periode dat Broekburg het schorreland van Sandeshoved in gebruik neemt, begint ook het aanpalende Cuetewic zich uit te breiden zuidelijk van deze schorren, op de zandgronden tussen de Langestraat en de Deroolaan. En het gaat snel want als de Fransen de stad in 1213 verwoesten, is de landbouwgrond in Cuetewic al volledig ingenomen. Nood breekt wet. De mensen van Cuetewic beginnen stilaan, stukje bij beetje, de gronden van Broekburg te gebruiken. De kloosterlingen van Broekburg laten maar gedijen. De Nieuwpoortenaars staan op een niet al te goed blaadje bij gravin Johanna.

 

Elke mogelijke klacht van Broekburg zou zeker een einde gemaakt hebben aan die onwettige grondinname. Maar er gebeurt niets. Dank zij haar zuster, gravin Margaretha, die toelaat dat Orot, Cuot en Lombardie bij Nieuwpoort worden gevoegd en een rechtsmacht instelt in de stad, horen de tegenslagen tot het verleden. De stad gaat er op vooruit en wint aan aanzien. Nieuwpoort kan opnieuw zijn stem laten horen. Ze kunnen zich meer en meer veroorloven om geleidelijk aan het land van Broekburg in te palmen. Er is een nijpend gebrek aan bouwgrond en waarom zouden ze niet verder mogen rekenen op de steun van hun gravin?

 

Uiteindelijk komt de kwestie dan toch op tafel. Nieuwpoort verklaart dat het geen andere uitweg ziet dan die gronden in te nemen. Opnieuw kiest Margaretha voor Nieuwpoort. Ze belast Herar van Diepe, haar Baljuw van Bergen-Ambacht om onderhandelingen op te starten met het klooster van Broekburg. De kloosterlingen bezwijken onder de druk van de gravin en staan in februari 1272 de rechten die het bezit op de gronden van Sandeshoved af aan Nieuwpoort. In ruil krijgt Broekburg enkele ontpolderde gronden in Sint-Joris. Gronden die bekend staan als 'Hemmekin'. Het stadsbestuur haalt zijn slag thuis en kan zonder kosten of verdere verplichtingen de gronden van Broekburg onder haar rechtsgebied plaatsen.

 

Gwijde van Dampierre laat in 1280 grote havenwerken uitvoeren. De stad is er met rasse schreden op vooruit gegaan. De uitbreiding van de stad is niet meer tegen te houden. In 1240 situeert de haven zich tussen de stad en Groenendijk. Van daar volgt de havengeul haar weg naar zee. Recht door de duinen. De havenmond bevindt zich ongeveer anderhalve kilometer ten westen als degene die we op vandaag kennen. Ze staat bekend als het Vloedgad. Het is hier dat de kruisvaarders van Veurne-Ambacht in 1248 inschepen.

 

Langs de havengeul tussen Nieuwpoort en Groenendijk is er in 1240 sprake van scheepswerven en loskaaien. De havengeul is in kwestie de bedding van de Onie, een tak van de Ijzer die komt aangestroomd vanuit de Lenspolder via Groenendijk naar de zee. De voornaamste tak van de Ijzer volgt een andere richting. Ze vloeit via Westende ten noorden van Lombardsijde via het huidige 'Geleide' naar Groenendijk waar ze aansluit met de Onie om dan samen via het Vloedgad naar de zee te stromen. Tussen het Geleide en de zee ligt een kreek die ongeschikt is voor de zeevaart. Zoals verteld, gaat het Vloedgad rond het jaar 1270 verzanden.

 

Het water van de Onie, Langelis, Venepe en Beveric en de Ijzer moet een andere uitweg zien te vinden naar de zee. Plots wordt de onbeduidende kreek van Nieuwpoort-Bad overspoeld door het water dat eigenlijk bestemd was voor het Vloedgad. Door het groot volume aan water wordt de kreek dieper en wordt ze geleidelijk aan geschikt voor scheepvaart. Al het water van het hinterland zal voortaan zijn weg zoeken naar zee via de nieuwe waterweg van Nieuwpoort-Bad! De vaargeul tussen Groenendijk en de Ijzer moet echter voorzien worden van dijken om een aanvaardbare diepte te kunnen aanhouden.

 

Maar voor 1270 is zo goed als alles eigenlijk het werk van de natuur geweest. De vaargeul naar zee wordt echter spijtig genoeg gehinderd door twee scherpe draaipunten die zich situeren in Groenendijk en op de plaats waar de Ijzer aansluit op de geul (recht tegenover de huidige Victorlaan). Er zullen radicale middelen moeten ingezet worden om die technische problemen uit de wereld te helpen: er dient een rechtstreekse verbinding te komen tussen Nieuwpoort en de zee. Er moet een nieuwe vaargeul uitgegraven worden tussen de stad en het Geleide en dat zal de havengeul zijn die we tot op vandaag kennen. De grote havenwerken dienen zich dus aan in het jaar 1280.

 

Het is een onderneming van ongekende omvang. Enerzijds moet de Onie afgedamd worden. Anderzijds moet de nieuwe vaargeul tussen Nieuwpoort en het Geleide uitgegraven worden. Daar waar het water via de kreek van Nieuwpoort-Bad in zee kan verdwijnen. De huidige Kaai wordt aanvankelijk 'Dam' genoemd. De hele infrastructuurwerken zullen ongetwijfeld jaren duren. Maar wie zal de kosten dragen?

 

Een bijzonder aandachtspunt is natuurlijk het behoud van de oude havengeul. Men kon moeilijk de bestaande scheepswerven en loskaaien aan hun lot overlaten. Het behoud van de oude havengeul is voor de vissers van Nieuwerijde een kwestie van leven of dood. Het water van de Langelis, de Venepe en de Beveric blijft doorstromen naar de oude havengeul, maar dat is op zich niet voldoende. Een gedeelte van het Oniewater is noodzakelijk.

 

Om dit te realiseren wordt de afdamming van de Onie te Nieuwpoort zodanig aangelegd dat op een bepaald waterpeil het overtollige water er over kan stromen om zo de oude bedding te volgen. Men bereikt dit doel door de dam tussen de huidige vismijn en het kattesas op te bouwen in steen. De stenen dam wordt al vrij snel bekend als de 'Steenen beer'. De naam zal eeuwenlang blijven voortleven in Nieuwpoort en zal zelfs nog bekend blijven tot in het jaar 1900. Koken kost geld. Wie zal die gigantische infrastructuurwerken bekostigen?

 

In het hinterland van Nieuwpoort is de voorbije eeuwen een bloeiende stad ontstaan aan de Ieperlee: Ieper. Het zijn ongetwijfeld de Ieperlingen die vragende partij zijn voor de havenwerken in Nieuwpoort. De Ieperse kooplieden die via Nieuwpoort handel drijven met Engeland en andere overzeese gebieden hebben in 1270 al grote waterwerken voltooid tussen Ieper en Merkem-Knokke. Ook de sluizen in Nieuwendamme zijn hersteld.

 

Dit alles heeft de som van 4.600 pond gekost. Op bevel van gravin Margaretha moeten de Wateringen van Veurne-Ambacht en van het Brugse Vrije die som terugbetalen aan de stad Ieper. De Ieperse waterwerken van 1270 verschaffen voordelen voor de handel en scheepvaart van Nieuwpoort en staan voor een stuk ook in het teken van de grote kruistocht naar Tunis aan de welke graaf Gwijde van Dampierre zal deelnemen. De stad Ieper verbindt zich tegenover Gwijde om hem en zijn kruistocht met alle mogelijke middelen te ondersteunen en te zorgen voor de nodige bevoorrading.

 

De bevoorradingsschepen van Ieper, Brugge, Kadzand en Ijzendijke steunen op de haven van Nieuwpoort om de verbindingen tussen Vlaanderen en Tunis, Sicilië en Italië te kunnen voorzien. In 1269 trouwens zijn in dezelfde context al de waterlopen van Veurne-Ambacht aangepast en verbreed zodat de schepen die de Venepe, het Langelis en de Beveric gebruiken, gemakkelijker de haven van Nieuwpoort zouden kunnen bereiken.

 

De ontgoocheling en verbijstering van de Ieperlingen is immens als blijkt dat, kort na de grote infrastructuurwerken van 1270, de verzanding van het Vloedgad aan het licht komt. Er wordt zowat alles in het werk gesteld om die verzanding tijdelijk te stoppen, tot ten minste de kruistocht op zijn einde zou lopen. Maar de Ieperlingen moeten net zoals de Nieuwpoortenaars buigen voor de wetten van de natuur. De natuur die een nieuwe uitweg naar zee biedt, hoe ongerieflijk die ook mag wezen.

 

Het is van groot belang voor Nieuwpoort, Ieper, Diksmuide en Sint-Omaars dat de scherpe draaipunten in de nieuwe vaargeul van Nieuwpoort verwijderd worden. Het zijn allemaal machtige vrienden die de nodige middelen ter beschikking stellen om de grote havenwerken van 1280 op te starten. Van zodra de werken zijn afgelopen, wordt het voor de vissers belangrijk om de nieuwe haven te voorzien van aangepaste vuurbakens. Die komen er in 1284. De bakens worden opgericht op zowat 350 m afstand van elkaar.

 

Ze worden de 'grote vierboete' en de 'cleene vierboete' genoemd die respectievelijk tegenover de haven van Lombardie, het Geleide, en tegenover de waterweg naar Niewerijde-Groenendijk, de Victorlaan, gebouwd worden. De grote vuurtoren is opgetrokken in baksteen. Zijn ligging is zo goed als perfect. De schepen die 's nachts van de zee en voor de haven komen, kunnen regelrecht op het vuur van de toren varen. De kleine houten vuurtoren staat ongeveer 80 m van de havenoever. In 1413 zal de 'cleene vierboete' afbranden. Eén jaar later wordt de toren in steen heropgebouwd.

 

Die wederopbouw vergt 17.500 bakstenen. Er komt een nieuwe lantaarn om 'met kersen te zeeward te lichtene'. De Oude Havengeul blijft dus nog verder bestaan na de grote werken van 1280. Men wil de gebruikers van de scheepsateliers en de loskaaien de tijd gunnen om zich aan te passen aan de nieuwe haveninfrastructuur.

 

Op zowat 30 jaar tijd is dat gebeurd. In 1311 komt er een nieuwe sluis die het verenigde water van de Venepe, Beveric en Langelis moet opvangen. Van de vroegere havengeul is er dan al geen sprake meer. Het water vloeit niet langer via Groenendijk naar zee maar wordt ergens in de buurt van het hedendaagse spoorwegstation afgedamd en via een nieuw kanaal naar de Ijzer geleid. De nieuwe sluis 'lescluse mouvante' biedt trouwens het voordeel dat de schepen die uit het westen komen die nieuwe vaart kunnen gebruiken om op zee te geraken. De 'Lescluse mouvante' zal later bekend worden als de Westsluis en soms ook als de sluis van Veurne-Ambacht.

 

De vaart en de sluis zullen blijven voortbestaan tot in de 18de eeuw. De dam die was gebouwd om de oude havengeul van water te voorzien, heeft zijn nut verloren. De Steenen Beer wordt hoger gebouwd zodat het water er in het geheel niet meer over kan stromen. De dam zal tot 1900 blijven voortleven als een performante muur tegen het krachtige water. De gestage groei van Nieuwpoort in de tweede helft van de 13de eeuw vergt het oprichten van een tweede parochiekerk. 100 jaar eerder bezat de stad drie kerken: Sint-Hilda, de parochiekerk in de westwijk, de hulpkerk van Sint-Laureins aan de oostkant en de centrale O.L.V.-kapel in Sandeshoved.

 

Alle kerken werden bediend door de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Alle begrafenissen gingen door in Sint-Hilda waar ook het kerkhof was gelegen. In 1213 zetten de Fransen de stad in vuur en vlam. De 3 kerken branden uit. Nadien wordt de voorkeur gegeven om de kapel in het centrum om te bouwen tot volwaardige O.L.V.-kerk. Het kerkhof verhuist mee naar het centrum. De Sint-Hildakerk die er al stond vanaf het jaar 690, wordt definitief opgegeven. Tot ontgoocheling van de Nieuwpoortenaars. Alleen de naam van de weg, de Sint-Hildastraat, die er naar toe leidde, zal blijven bestaan. De Sint-Laureinskerk, of tenminste de heropbouw ervan, moet noodgedwongen wachten op betere tijden.

 

Na de aanhechting van Broekburg en een beduidende aanwas van de bevolking, wordt het tijd om de Sint-Laureinskerk opnieuw op te bouwen. De betere tijden zijn dus werkelijkheid geworden. In 1272 zijn er voldoende geldmiddelen ter beschikking om de bouw te realiseren. Sint-Laureins wordt opnieuw als hulpkerk ingesteld, zonder echter de rechten om er te dopen of te begraven. In 1281 wordt een upgrade uitgevoerd wanneer de kerk het statuut krijgt van een volwaardige parochiekerk. In mei 1292 stelt het stadsbestuur, met toestemming van Sint-Niklaas, opnieuw een kapelaan aan.

 

De schepenen en raadsheren regelen een jaarlijkse rente van 19 Parijse ponden te betalen aan de nieuwe kapelaan: de helft met kerstmis, de andere helft tegen Sint-Jansdag. In 1296 wordt in de O.L.V.-kerk het officie ingesteld dat bekend staat als 'De Zeven Getijden' of 'Canonieke Uren'. Voortaan zal men dagelijks alle kerkelijke diensten in koor zingen. Gaande van de metten tot en met de vespers. Met elke dag een plechtige hoogmis als neusje van de zalm. Het akkoord wordt ondertekend op 20 juni 1296. Abt Lambertus, Prior Willem Buese en de paters Aegidus de Brubbuerch en Petrus de Slusa treden op voor de Sint-Niklaasabdij van Veurne.

 

Voor de stad Nieuwpoort treden de 'porte magistri' op, burgemeester Robertus Vardeboud en eerste schepen Johannes Camerlynck. Het organiseren van de 'Zeven Getijden' vergt de inzet van een reeks geestelijken en zangers (cantors) die allen dienen te worden gehuisvest. Er wordt een nieuw gebouw voorzien: de 'Presbitie'. Hier zullen de seculiere priesters hun intrek nemen. Het gebouw staat aan de oostelijke kant van de kerk en is voorzien van een tuin. De pastoors en de kapelaans worden gehuisvest in het vlakbij gelegen 'papenhuis'. De grootse plannen met de O.L.V.-kerk en haar 'Zeven Getijden' lopen vrij onverwacht af op een sisser. Nieuwpoort wordt in 1299 belegerd en ingenomen door een Frans leger onder leiding van Robert van Ath. Vermoedelijk wordt de kerk tijdens die gebeurtenis vernield. Het blijft onduidelijk wat er verder precies is voorgevallen.

 

Het staat echter vast de 'Presbitie' in 1314 al lang niet meer bestaat. Het gebouw en de tuin zijn afgebroken. Het 'papenhuus' speelt geen enkele rol meer bij de uitoefening van erediensten. Het kerkhof is niet meer in gebruik. Het lijkt duidelijk dat de kerk en de Presbitie in 1299 zulke zware schade hebben opgelopen, dat ze tot in 1314 onbruikbaar zullen blijven om hun ambitieus project te kunnen uitvoeren. Kort na 1314 zal de kerk opnieuw opgebouwd worden en zullen de zeven getijden weer ingesteld worden. Naast de kerk is het onderwijs in de vroege Nieuwpoortse jaren een interessant punt.

 

Al in 1120 wordt het onderwijs, 'de scole', verstrekt door de monniken van Sint-Bertijns die ook ingeschakeld zijn in de parochie. Als de abdij van Sint-Niklaas van Veurne in 1185 de parochie overneemt, gebeurt dat ook met het onderwijs in Nieuwpoort. In de loop van de 13de eeuw zal hier vrij weinig aan veranderen. Hoe zou het eigenlijk zijn om te leven in het Nieuwpoort van de vroege middeleeuwen? Zijn er in Nieuwpoort sociale voorzieningen voor de behoeftige mensen? Er is sprake van de Disch, het Gasthuis, het Sint-Janshuis.

 

Gezien de bloei van de stad worden er nog aalmoezenhuizen opgericht. De Disch van Jehan Schelewards almoezene huuze is gelegen in de Hoogstraat. De Schelewards en de Langhemaries zijn grote en invloedrijke families in Nieuwpoort waar ze talrijke eigendommen bezitten. In de westwijk is er ook sprake van het 'aelmoesenhuis dat Vrouwe Straenge deide maecken'. In de Hoogstraat ligt eveneens een begijnhof, 'de Steide vanden Beghinen'. In het achterliggende Lo is er in 1226 sprake van een hospitaal dat onder de zorg staat van de 'Zusters van Nieuwpoort'. Wellicht worden de zusters in de stad zelf omschreven als de 'devote Vrauw personen'. In de kronieken van 1314 wordt er gesproken over 'den abedissen huus van Petingheem' vlakbij het kerkhof, in de buurt van de huidige OLV-straat.

 

De invoer van koopwaar bereikt vanaf de 13de eeuw recordhoogtes. Een groot scala aan goederen uit alle hoeken van de wereld wordt ingevoerd in de havens van Nieuwpoort, Damme en Grevelingen die dan ook functioneren als belangrijke distributiecentra voor heel Vlaanderen. Wol, lood, tin, kaas en steenkolen worden ingevoerd vanuit Engeland.

 

Schotland en Ierland bezorgen ons wol, leder en kaas. Leder komt ook uit Noorwegen. Landen als Denemarken, Portugal, Mallorca en ook Noord-Afrikaanse regio's leveren de meest uiteenlopende zaken die geproduceerd werden in Constantinopel, Jeruzalem, Egypte, Armenië, Turkije, Rusland, Polen, enz. De wijn komt niet enkel uit Frankrijk maar ook uit de Rijnstreken, uit Spanje en Gallicië. Portugal en Spanje bezorgen ons graan en fruit. Suiker komt uit Noord-Afrika. Handelaars laten weten dat er in de hele wereld geen zo'n land bestaat waar een dermate diversiteit aan koopwaar voorhanden is.

 

De commercanten uit de voornaamste handelssteden van Vlaanderen zijn natuurlijk altijd terug te vinden in de Vlaamse invoerhavens. Ze staan klaar om de goederen aan te kopen en te zorgen voor de distributie landinwaarts. In de 13de eeuw overvleugelt de haven van Damme die van Nieuwpoort. Maar de nabijheid van handelscentra als Ieper en Sint-Omaars legt geen windeieren voor de haven van Nieuwpoort. De Nieuwpoortenaars hoeven eigenlijk geen specifieke inspanningen te leveren betreffende de distributie en verkoop van de aangevoerde ladingen. Daar zorgen de vreemde handelaars wel voor.

 

De mensen van Nieuwpoort vinden hun core business in het laden en lossen van de koopwaren, het overladen op binnenlanders of wagens, het bergen van goederen. Ze zorgen voor de bouw van schepen, stellen rederijen ter beschikking. En daar bovenop tiert de zeevisserij welig. De Nieuwpoortse zakenlieden investeren voortdurend in materiaal voor de scheepvaart. De vraag naar hout is immens. Ook de bouw en herstelling van schepen is een 'booming business'.

 

Op het einde van de 13de eeuw is er sprake van een houtmarkt in Nieuwpoort die we in onze hedendaagse tijd zouden terugvinden in de Willem Deroolaan. De invoer en de behandeling van leder blijkt een specialiteit van Nieuwpoort te zijn. Aan de westkant van de stad is er een 'Tanhuus', een atelier voor de verwerking van leder. Het lokaal hotelwezen zal tot aan de 19de eeuw hoge pieken vertonen. Een groot aantal welingerichte en zeer gewaardeerde hotels en logementen zorgen voor eten, drinken en slapen. Maar ook voor lokalen waar kooplieden kunnen onderhandelen en bijeenkomsten kunnen organiseren.

 

En er is natuurlijk tijd en ruimte voor muziek en vermaak. Een groep van kooplieden uit de uiteenlopende Vlaamse en Engelse steden starten een samenwerkingsverband die ze 'Hanze' noemen. Er is al sprake van die Hanze in de keure van Sint-Omaars van 1127. Ook de keure van Nieuwpoort heeft het over die hanzen die pas vanaf 1430 aan belang zullen verliezen. De meeste steden van Vlaanderen worden vernoemd als Hanzesteden. Nieuwpoort en Grevelingen maken er geen deel van uit. Hun situatie als invoer- en distributiecentrum is veel belangrijker. De stad leeft, net zoals in de Romeinse tijd, van de transithandel.

 

En dan is er natuurlijk nog de uitvoer. Vooral in de export van bakstenen speelt Nieuwpoort een leidende rol. In 1278 zien we hiervan een mooi voorbeeld. De Londense Tower wordt gebouwd met Ieperse bakstenen. Maar liefst 202.500 'quarellorum de Flandria', Vlaamse bakstenen, worden verkocht door een zekere John Bardoun van Ieper. De prijs bedraagt £ 20-4-0. Hugh Bekman van Nieuwpoort verzorgt de zeevracht voor £ 32-5-0.

 

Vijf jaar later worden opnieuw 101.350 van die bakstenen verkocht. Ditmaal zullen ze gebruikt worden voor de bouw van de muur tussen de Tower en de stad van Londen. De uitvoer van Vlaamse bakstenen kent in die periode een gestage groei en strekt zich uit over de verschillende havens van de oostkust van Engeland. De stenen worden verkocht in de maat van 'the long hundred of six score'. Het betekent dat de Engelsen per 120 stenen die ze effectief krijgen ze er maar 100 van dienen te betalen. Hetzelfde gebeurt met de leveringen van dakpannen die vanaf het einde van de 12de eeuw hun weg weten te vinden van Vlaanderen naar Engeland.

 

Pas vanaf 1325 beginnen de Engelsen zelf bakstenen te produceren maar toch zullen er de hele 14de eeuw verder bakstenen geëxporteerd worden naar het Engels continent. Het vervoer van bakstenen legt Hugh Bekman natuurlijk geen windeieren. In Nieuwpoort staat de man bekend als Hugo Bekemans. In 1314 is de man al overleden, maar zijn welgestelde familie, vrouwe Lise en Joncvrouwe Griele Bekemans, heeft op dat moment al vier eigendommen in de stad, waarvan drie in de voornaamste straat van de stad: de Hoogstraat.

 

Een lichtpunt is zeker dat, naar het jaar 1300 toe, de spanningen die er bestaan tussen Veurne-Ambacht en Nieuwpoort betreffende het Vloedgad, Cuot, Orot en Koolhof, geregeld zullen worden. Gwijde van Dampierre zorgt er voor dat er een financiële regeling komt. Op 13 februari 1297 verklaart het stadsbestuur van Veurne-Ambacht dat 'den landen dat die van Nieuport ghecreghen, ende gheconquereert hebben in Veuren Ambacht tooten daghe van hedent, ende eeuwelick voortan conqueren ende ghecryghen sullen'.

 

Ondanks de bloeiende tijden voor de handel en nijverheid, hangen er donkere wolken die de welstand in Nieuwpoort en in Vlaanderen bedreigen. De politieke situatie tussen Vlaanderen, Engeland en Frankrijk is volatiel en explosief. Frankrijk beschouwt Vlaanderen als haar leengebied en de Vlaamse graven streven meer en maar naar een eigen zelfstandigheid. Ze willen hun eigen politiek voeren los van Frankrijk. De politieke spanningen zorgen voor regelmatige storingen in de handel tussen Vlaanderen en Engeland.

 

Devaluaties van de Vlaamse munt en heffingen op de export zorgen in toenemende mate voor allerlei moeilijkheden. Nieuwpoort wordt, zoals de meeste Vlaamse steden, in twee kampen verdeeld: de leliaards, de geestelijken en de hoge adel die pro Frankrijk zijn en de klauwaards, de gewone mensen die hun graaf Gwijde steunen in zijn verzet tegen de Fransen. De bisschop van Terwaan, de abt van de Duinenabdij te Koksijde, de abt van Sint-Niklaas van Veurne en andere geestelijken doen alle moeite van de wereld om de gemeentenaren aan hun kant te krijgen. Dat lukt hen in Nieuwpoort, Diksmuide en Veurne-Ambacht.

 

In de stad Veurne echter niet. Het blijft een raadsel hoe het mogelijk is dat de Nieuwpoortenaars zich hebben laten verleiden om tot het Franse kamp toe te treden. Geen enkele Vlaamse stad is de voorbije 50 jaar zo goed behandeld geweest door het grafelijk hof. Zijn de mensen van Nieuwpoort nu echt en met overtuiging leliaards geworden? Of zijn ze bedrogen door hun listige leiders? Hoe is het in godsnaam mogelijk geweest dat ze ooit tegen hun graaf zullen opkomen? Hoe dan ook was het verraad aanwezig tot in de hoogste Vlaamse kringen.

 

In Bulskamp komt het op 15 augustus 1297 tot een treffen tussen het Franse leger en de troepen van de graaf. Op het ogenblik dat de strijd lijkt te kantelen in het voordeel van de Vlamingen, blijkt één en ander doorstoken kaart. De aanvoerders van de troepen van Nieuwpoort, Diksmuide en Veurne-Ambacht, gooien plots de Vlaamse standaard weg en geven hun troepen de opdracht hun eigen volk in de rug aan te vallen. De Fransen winnen natuurlijk de veldslag. De fel gehavende troepen van Gwijde vluchten halsoverkop naar Ieper. Begrepen de mannen van Nieuwpoort en konsoorten eigenlijk wat ze daar deden in Bulskamp?

 

Hebben zij het verraad van hun leiders 'zogezegde klauwaards' door? Begrijpen ze pas wat het verraad van hun leiders werkelijk betekent op het moment dat het te laat was? De Fransen weten wel beter. Ze weten dat het volk in de grond sterk Vlaamsgezind is. Waarom anders sturen ze hun leger naar Nieuwpoort en naar Diksmuide om de stad op een gewelddadige manier tot overgave te dwingen? Waarom moorden en branden de Fransen in Veurne-Ambacht? Pas in 1302 zal enige klaarheid komen rond het verraad van Bulskamp.

 

De burggraaf van Veurne, zijn hoogbaljuw Reyfin en de abt van de Duinenabdij vluchten naar Parijs op het eigenste moment dat de mannen van Nieuwpoort op weg zijn naar de Guldensporenslag te Kortrijk. Hoe dan ook: de 13de eeuw eindigt in volle verwarring! Er wacht een onzekere toekomst voor de mensen van Nieuwpoort.