P1285100

In 1832 wordt de 'société académique des antiquaires de la Morinie' opgericht te St.Omer. Deze vereniging stelt zich tot doel om de kunst en de geschiedenis van Noord-Frankrijk op een academische manier vast te leggen. Het gaat principieel over het oude territorium van de Morinen, het oude Gallische gebied waar ook de Westhoek toe behoort.

 

De Ieperse archivaris Jean-Jacques Lambin is in die beginperiode actief lid van de 'antiquaires' en schrijft in 1836 een verhandeling over zijn geboortestad Ieper. In 1836 is er nog lang geen sprake van de eerste wereldoorlog die tussen 1914 en 1918 de Ieperse archieven zal vernietigen. Lambin beschikt voor zijn studie dus over de min of meer integrale archieven uit het verre verleden van de stad. In 'De Kronieken van de Westhoek' gaan we die verhandeling van 1836 herbekijken in het licht van een studie van de Ieperse schrijver Jules Emiel Cornillie.

 

De 'Geschiedenis van de Lakenhalle te Ieper vanaf den opbouw tot onder den wereldoorlog', verschijnt zowat een eeuw later, midden tijdens de heropbouw van het illustere gebouw. Maar we gaan nog even terug, ver in de tijd. We beginnen in het jaar 630 als de Frankische vorst Dagobert een vrije jaarmarkt sticht in St.-Denijs, ten noorden van Parijs. Hij beveelt dat die markt elk jaar op 9 oktober zal aanvangen en 4 weken zal aanhouden zodat ook de kooplieden van de verst gelegen gebieden die kunnen bereiken.

 

In die beginperiode is er al sprake van Friese lakens. De, na het vertrek van de Romeinen, stilgevallen handel in noordwest Europa fleurt weer op. De Friezen, met hun uitmuntende ligging aan de monding van de Rijn, spelen de hoofdrol met hun handelsnetwerk dat zich uitstrekt over zowat heel Europa. Er ontstaan overal handelsnederzettingen die zich enten op vaak eeuwenlang bestaande bevolkingscentra. De dominantie van de Friezen is in die tijd overweldigend. Vaak staat het woord 'Fries' synoniem met 'handel'.

 

In de eerste eeuwen na Christus zijn de Friezen uitgezwermd tot in de kustgebieden van onze streek. Ze nemen de streek van de 'Vlamen' over van de Franken die onze kuststreken zowat onbevolkt hebben achtergelaten. Daar zullen de grote overstromingen van 270 wel voor iets tussen hebben gezeten! De zoutweiden langs de kust en de schapenteelt zijn ideaal voor de productie van wol. Die wol wordt benut voor het weven van lakenstoffen die geruild of verkocht worden.

 

Dank zij de markt van Sint-Denijs, maken de Friese lakens stilaan furore doorheen heel Europa. De bakermat van de Friese of Vlaamse lakenweverij is de kuststreek van Vlaanderen. Veel van de kooplieden die hun waren slijten op de jaarmarkt, komen er op bezoek met de bedoeling wolstoffen aan te kopen en te verhandelen op de markt van Sint-Denijs. Op hun lange tochten hebben ze nood aan beschermende rustplekken.

 

De Ieperse villa die eigendom is van de graaf van Vlaanderen wordt stilaan bekend als een veilige pleisterplaats. Maar die veiligheid is vooralsnog een relatief begrip. Na de dood van Karel de Grote in 814, krijgt de handel zware last met de invallen van de Noormannen die de streek tientallen jaren teisteren en terroriseren.

 

Na deze macabere periode breken de handel, de nijverheid en de welstand definitief door in onze regionen. De villa Ieper evolueert nu vrij snel tot een opslagplaats voor textiel. De graaf laat dit maar al te graag gedijen. Hij krijgt een cijns als vergoeding. Dus hoe meer textiel er binnen komt, hoe liever hij het heeft. De ligging van Ieper is fenomenaal. De Ijzer en de Iepere plaatsen de villa centraal tussen Nieuwpoort en het binnenland. Via de weg naar Waasten ligt de Leie klaar om de lakens naar Sint-Denijs te transporteren.

 

Beetje bij beetje gaat de wolnijverheid in Vlaanderen zich verder uitbreiden. De feodale eigenaars van de her en der verspreide landhoeven ruiken winst en geld en zetten hun horigen onder druk om de productie op te drijven. De vraag naar wol stijgt met de dag en de kooplieden zijn maar al te blij dat ze hun distributiecentrum ter beschikking kunnen houden voor hun klanten. Maar er blijft natuurlijk nog het transport en meer bepaald de kost ervan. Graaf Boudewijn de Kale laat de stad heropbouwen en versterken en in 902 komt er zelfs een beschermend kasteel.

 

Zijn opvolgers Arnold en Boudewijn de Jonge zorgen voor verdere uitbreiding van de stadsmuren. De productie van laken en andere stoffen komt stilaan op gang. Robrecht de Fries verfraait de Ieperse villa en in 1127 brengt Willem van Ieper (Lo) de jonge stad in een respectabele staat van verdediging.

 

Vrije wolbewerkers ruiken hun kansen en gaan hun activiteit uitoefenen dicht bij de locatie waar er altijd wol voorhanden is en waar er geen transportkost moet betaald worden. Bij de stapelplaats aan de Iepere kunnen ze hun ambacht uitoefenen. De toestroom van kooplieden en wolbewerkers resulteert in een grote vraag naar woningen, werktuigen en levensmiddelen. Timmerlieden, metsers, smeden, bakkers en beenhouwers maken hun opwachting in Ieper.

 

De menigte zorgt binnen de kortste tijd voor een metamorfose van de landhoeve Ieper tot een eersteklas handelscentrum. Er ontstaat een stad. De kooplieden zorgen er voor dat ze een plein ter beschikking krijgen waar ze op bepaalde dagen hun tenten en kramen kunnen opslaan Er ontstaat een marktplaats. Meer en meer gaan de nieuwkomers zich vestigen rond die marktplaats, waar het blijkbaar allemaal te doen staat. Filip van den Elzas regeert over Vlaanderen met een ongezien dynamisme. Hij zorgt voor een goed geregelde administratie.

 

Hij dweept met een flinke portie Vlaams chauvinisme die al snel leidt naar een gereanimeerde handel en nijverheid. Een nieuwe wetgeving zorgt voor orde en stabiliteit in het land. Het is diezelfde Filip die aan de burgers van Ieper hun eigen wetgeving en voorrechten schenkt. We zijn 1171. Huizen zijn straten geworden. Overal zijn er stapelhuizen, loodsen en hallen uit de grond gestampt. Ieper is op het einde van de 12de eeuw al een uitgestrekte stad met een aanzienlijk bevolkingsaantal. Hier ontwikkelt zich een gezonde nijverheidsgeest.

 

Een ideale voedingsbodem voor de opstart van een hele reeks industriële activiteiten. De buitenwijken schieten als paddenstoelen uit de grond door de geweldige uitbreiding van de stad. Ze worden al snel uitgestrekter dan de stad zelf. Er worden parochiekerken, ziekenhuizen en kloosters gebouwd in die buitenwijken. De 'suburbs' trekken vreemdelingen aan als een magneet. Ieper en zijn buitensteden bouwen in de 12de eeuw een ongelooflijk imago op als één van de meest welvarende steden van Europa.

 

We zwerven rond door het jonge middeleeuwse Ieper. We zien het Broithuus (de broodhalle), de Vlashalle (Hale dou Lin), de Linwaethalle, de Vellehalle (waar zich nu het Klein Stadhuis bevindt), het oude Scoehuus (de Schoenhalle), de Buetreberech (de Boterhalle) in de Rijselstraat, de Kleine en de Hooge Halle (de Waterhallen) in het Boesingestraatje bij de Watermolen, het Vleshuus (de Vleeshalle) in de Boterstraat. En natuurlijk zien we de Lakenhalle die in Ieper de 'Halle' wordt genoemd. Alle hallen en huizen in de stad zijn in hout gebouwd. Er is rijkdom ontstaan in de schaduw van de vrije handel van de Westhoekstad. Het zal niet lang meer duren voor dat de houten gebouwen op de moerassige grond van de stad plaats zullen maken voor stenen gebouwen.

 

De primitieve houten halle zal plaats ruimen ten voordele van een monument van een gebouw dat door zijn schaal en door de frappante schoonheid van zijn architectuur hoge ogen zal gooien in binnen- en buitenland. De bouw van de imposante lakenhalle laat een vermoeden achter van de perverse rijkdom die zich in Ieper schuil houdt. Het gebouw getuigt van een buitengewone welstand waardoor de neringdoeners en het stadsbestuur het aandurven om in het begin van de jaren 1200 aan te vangen met de constructie van een tot dan toe ongeëvenaard project: de lakenhalle.

 

Initiatiefnemer is de gilde van de lakenhandelaars. De federatie claimt alle rechten op de uitvoer en de verkoop van Ieperse laken. De aanvankelijk schuchter ogende markt is in 1127 al veranderd in een jaarmarkt die als een magneet inwerkt op de kooplieden van West-Europa. Zelfs de zo gesofisticeerde Italianen stromen er toe. De succesvolle jaarmarkt betekent een gouden zaak voor de Ieperse lakengilde. Allerlei 'brokers' beschikken er over eigen depots en opslagplaatsen. De centrale ligging van textielstad Ieper tussen de steden Rijsel, Béthune, St. Omer, Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende, Brugge, Gent en Kortrijk, zorgt voor een netwerk van relaties. Al die steden vormen een soort federatie die gebaseerd is op hun commerciële relaties.

 

Het netwerk gaat zich gaandeweg linken met andere federaties uit zowat heel Europa. De gildeleden bezoeken natuurlijk de andere vrije markten zoals die van Torhout, Rijsel, Mesen en Douai waar ze hun wol en textiel aan de man brengen. De Ieperse gilde fusioneert na verloop van tijd met die van Diksmuide, Veurne, Sint-Winoksbergen, Belle en Poperinge. De nieuwe 'Hanze' sluit zich na korte tijd aan bij de Brugse Hanze.

 

Samen stampen ze nog voor het einde van de 12de eeuw de Hanze van London uit de grond die de handelsbetrekkingen van de Vlaamse steden met Engeland regelt. De Vlamingen hebben in die tijd al vaste voet op het Engels grondgebied. Ze zijn trouwe bezoekers van de Engelse markten. Ze verwerven, dank zij de steun van de Engelse koning, interessante gunsten om er zonder enige tolrechten handel te drijven.

 

Ook in het Duitse keizerrijk krijgen ze in 1164 een volledige bewegingsvrijheid en een totale vrijheid op land- en waterwegen om hun hoog ingeschatte lakenstoffen te commercialiseren. De Duitse keizer Frederik I (de man met de rosse baard) gaat zelf een stuk verder als hij in 1173 te Aken en te Duisburg jaarmarkten gaat inrichten ten voordele van de Vlamingen. In 1193 sluit de ondernemende Franse koning Filips-Augustus een deal met de Ieperse kooplieden. In ruil voor de betaling van tolrechten mogen de Ieperlingen vrijuit commerciële relaties aanknopen met de Franse handelscentra in Noord-Frankrijk.

 

Zo zien we de Ieperlingen in Atrecht, Abbeville, Amiens, Péronne en Beauvais. Ze wagen zich zelfs tot in Reims en Châlons. Nogal wat Vlaamse steden volgen het voorbeeld van Ieper en sluiten een Hanzeverdrag af met andere West-Europese steden. De markten van Bourgondië, de Provence, Italië en Spanje liggen voor het grijpen. Het gamma van textielproducten groeit bestendig. Alle soorten en types worden gespecificeerd in de keuren van 1206, 1213 en 1317. In die keure van 1213 lezen we dat de abdijen wol leveren voor de productie van het Ieperse laken.

 

Op het einde van de 12de eeuw is de Vlaamse textiel zowat overal gegeerd in Europa. De Spaanse koning Alfonso IX die in 1188 op de troon komt, spreekt met vervoering over het Iepers laken. De afwerking en de kleuren van de Ieperse producten zijn onovertroffen. Het water van de Ieperlee dat door de stad stroomt, helpt de ververs bij het creëren van nieuwe kleuren en tinten. Ieper wordt overspoeld door Spanjaarden en volk uit alle windstreken. Er heerst een ongewone welstand.

 

Vanaf 1150 rijpen de plannen om een ongeëvenaarde commerciële halle op te richten. Een paleis van een lakenhalle. Met voor die tijd ongeziene, immense afmetingen. Deze keer in steen. Er is blijkbaar grote nood aan een professionele verkoopsruimte en aan een fabriekshal van voldoende omvang en uitstraling. Een industriegebouw nog voor de term wordt uitgevonden.

 

Zo arriveren we in het jaar 1200. Woensdag 1 maart, om precies te zijn. Boudewijn van Constantinopel verblijft in Ieper tijdens de 14 dagen van het jaarfeest. De stad bulkt van de vreemde handelaars. Het is een ideaal moment om de eerste steen te leggen van het nieuwe reusachtige gebouw. De graaf wordt bijgestaan door zijn echtgenote Maria, de dochter van de graaf van de Champagne, en door Erlibaldus, de grootbaljuw van Ieper en telg van de Hondeghemse familie 'de Quienville'.

 

Hoe lang zal er worden gebouwd? Lambin en Vandepeereboom beweren dat de bouw 30 jaar duurt. De Ieperse stadsarchitect Jules Coomans die de heropbouw van Ieper zal coördineren na de eerste wereldoorlog, houdt er een andere mening op na: de manier waarop de dakgebinten zijn gebouwd en het ontbreken van enige tussenmuren, maken het voor hem duidelijk dat de bouw van de lakenhalle zowat 100 jaar duurt.

 

De eenheid van uitvoering en de harmonie van de architectuur maken het voor de kunstminnaar van voor de grote oorlog duidelijk dat Jules Coomans ongetwijfeld gelijk heeft. Er worden duurzame materialen 'estophe' gebruikt om de nieuwe halle ('delle nouvele Halle') op te trekken. Harde zandsteen van Bethune voor de buitenmuren. Voor de dorpels, vensterkruisen, mazen en staanders worden stenen gebruikt die afkomstig zijn van de steengroeve in het Henegouwse Bray bij Binche. Aan de binnenkant van de muren worden gele bakstenen gemetst.

 

Uit de stadsrekeningen blijkt dat het met zeewater doortrokken hout afkomstig is van Denemarken en Noorwegen. De geïmpregneerde houten balken worden aangevoerd vanuit Wesel aan de Rijn. Ijzer, lood en tin komen waarschijnlijk van Engeland en worden voor het gebruik nog finaal bewerkt door Ieperse ambachtslieden. De funderingen worden in één beweging aangelegd. Nadien begint de bouw van de oostervleugel die uitkijkt op de Grote Markt. De gilde van de lakenhandelaars dringt er bij het stadsbestuur op aan om eerst en vooral te beginnen met hét pronkstuk van de nieuwe lakenhalle: het belfort.

 

In de voorgevel van de eerste verdieping zien we vier spitsbogige vensters. De buitenste twee zijn dicht gemetst. In de zijmuren is er een machtig ogief gemetst waarvan het boogveld twee parallelle, door pijler geschraagde spitsbogen, vormt. Ze fungeren als toegang tot de beide vleugels van de lakenhalle. Aan de achtergevel steekt slechts één venster. Langs weerszijden zijn wenteltrappen gebouwd die toegang geven tot de hogere verdiepingen.

 

Aan de voorgevel zijn er boven de Donkerpoort twee vensters gemetst en een troonhemel in zachte steen waar een beeltenis van Maria geposteerd wordt. In 1377 zal het geheel moeten hersteld worden en is het beeld aan vervanging toe. Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw met de lantaarn in smeedijzer zal vanaf 1383 het onderwerp worden van grote verering door de stedelingen die het overleven van een immense belegering door de Engelsen en de Gentenaars in dat zelfde jaar toeschrijven aan de bescherming die ze blijkbaar kregen van deze Heilige Maagd. Aan weerszijden van het illustere beeld, op het verdiep, zijn er blinde vensters aangebracht.

 

De Brugse beeldhouwer Cornelis Laenem zal later, in 1512, de beelden van Maximiliaan van Oostenrijk, zijn vrouw Maria van Bourgondië en die van Filips de Schone met zijn gemalin Johanna van Aragon beitelen. Boven het Mariabeeld prijkt een zwartgeschilderde leeuw die het wapenschild van de stad met zijn klauwen vast klampt. In tegenstelling tot wat Vandepeereboom en Lambin schrijven, is de schepenkamer wel degelijk gelegen in het belfort. In de stadsrekeningen van 1317 lezen we inderdaad 'a y valles qui ont ramonné le cambre deschevins sour le belefroy'.

 

Het is in die schepenkamer dat zich op Sint-Andriesavond, 29 november, van het jaar 1303 gruwelijke taferelen afspelen. Er breekt een grimmige volksopstand uit die vooral gericht is tegen het stadsbestuur. Enkele heethoofden beuken de deur van de schepenkamer in en vermoorden er negen schepenen. Michiel Paeldinc, Andries Van Acker, Frans Debeir, Niklaas de Vellemaecker, Jan Copsen, Jacob Baerdonc, Jan Peper, Bartholomeus Morin en Niklaas van Loo worden genadeloos geliquideerd.

 

Ze worden onder zware zerkstenen begraven in het zuidportaal van de Sint-Maartenskerk, meer bepaald in St.-Eloy, de kapel van de gelovige zielen. Rond 1325 ruimt de schepenkamer in het belfort plaats voor de schatkamer. Voortaan worden hier de voorrechten, de keuren, van de gemeente opgeborgen. Ze steken in zware koffers die voorzien zijn van zeven sloten. De zeven respectieve sleutels worden aan evenveel magistraten toevertrouwd. Hier worden ook de stadsjuwelen en de schuldbekentenissen van de stad bewaard. In de schatkamer worden trouwens ook de stadswerklieden uitbetaald.

 

In de loop van de 15de eeuw zullen de registers en de financiële archieven i.v.m. de openbare werken, de inkomsten en uitgaven, trouwens verhuizen naar een nieuwe schatkamer in het 'stedehuus'. De juwelen en de beveiligde koffer blijven echter in de schatkamer in het belfort. Het baar geld wordt toevertrouwd aan de Ieperse schatbewaarder. De toestand zal onveranderd blijven tot dat de Fransen in 1794 na de belegering van de stad ermee dreigen om het archief te zullen vernielen. De leden van de gemeenteraad en de Franse commissarissen gaan over tot de verkoop van een deel van de archieven en besluiten om de rest te gebruiken als schietpatronen.

 

Stadsarchivaris Lambin kan op gevaar van eigen leven de 'gheluwen boek' uit de brand slepen. Een zekere Hyndrick en zijn dienstknecht slagen er in om mondjesmaat de voornaamste stukken van de Ieperse archieven naar hun huis mee te smokkelen. Nadat de Fransen in 1815 de stad hebben verlaten, zullen de gerecupereerde archieven teruggeschonken worden aan het stadsbestuur.

 

Onder het Franse bestuur zal de schatkamer in het 'stedehuus' afgeschaft worden en verhuizen de archieven opnieuw naar het belfort. Jean-Jacques Lambin en Isodore Diegerick zullen er tientallen jaren van hun leven doorbrengen om er orde te scheppen in de warboel. De netjes geklasseerde stukken zullen voortaan in het archief recht tegenover de kleine kerkdeur van Sint-Maartens opgeslagen worden. Maar er blijft veel oud papier rondslenteren in het belfort. Een ongeordend zootje documenten wordt in de 19de eeuw als waardeloos aanzien.

 

Onbegrijpelijk toch! Waardevolle stukken uit het verste verleden van de stad zullen gebruikt worden als inpakpapier voor de marktkramers en vanaf 1888 zelfs eenvoudigweg vernietigd worden. Een mooi voorbeeld van de intrinsieke waarde van de vernietigde documenten wordt bewezen door J. Cordonnier die in 1888 uit een naar de stortplaats verwezen kar met oud papier een uiterst zeldzame rekening van de Ieperse Gilde van O.L.V. der Parijse studenten uit de 14de eeuw opvist. De vernietiging van de oude 'schatten' kan nu eindelijk worden stopgezet.

 

Maar laat ons terugkeren naar de bouw van de lakenhalle. De derde verdieping van het belfort krijgt het daglicht binnen via hoge gotische ramen die aangebracht zijn aan de vier zijden van de toren. Boven zien we kantelen, die aan de hoeken onderbroken worden door slanke spitse torentjes. De banieren van de gilden en ambachten worden samen met de krijgsstandaard van de stad en die van de graaf van Vlaanderen bewaard in de wapenkamer op de derde verdieping.

 

In de noordwesterhoek van de wapenzaal is een donker hok gemetst waar onruststokers in tijden van oproer kunnen worden opgesloten. De volgende verdieping is gemetst met gele baksteen. Gotisch en dus met spitsboogvormige vensters. Aan alle zijden is een gaanderij uitgewerkt die toegang geeft tot de borstwering van de kantelen en de torens. Hier bevinden zich de klokken in het 'clockeluudershuus'. In 1308 zijn er drie mensen belast met het luiden van de klokken. In 1311 krijgt Jan Boom 24 pond voor het luiden van de dag- en avondklok.

 

Bij de blijde inkomst van hooggeachte personen, zoals de graaf, gaan de 'trompers' zich naar de gaanderij waar ze het geluid van hun bazuinen laten weergalmen over de stad en zijn voorgeborchten. Hier is ook een achtzijdige naald aangebracht. Ze bestaat uit verschillende delen. Onderaan een afgeknotte kantzuil. Hierboven een klokkenlantaarn afgewerkt met een kapje. De naald wordt aanvankelijk bedekt met tegels. Later met vergulde schaliën.

 

De spitse naald bezit vier standvensters die door bewakers gebruikt worden om de stad en het omliggende in de gaten te houden. Bij het naderen van de vijand of bij het uitbreken van een of andere brand, wordt er alarm geslagen via klokkengelui. De bewakers en de klokkenluiders kunnen elkaar via een smalle houten trap bereiken. De lantaarn van het belfort wordt geflankeerd door twee klokken. Een ooggetuige van het beleg van Ieper in 1383 vertelt dat de Ieperlingen bij het naderen van de vijand eerst de grote en dan de kleine klok luiden.

 

Maar in de stadsrekeningen van begin 1300 wordt er gewag gemaakt van verschillende klokken: de 'dagclocke', de 'poorteclocke', de 'weverclocke', de 'garenclocke', de 'corenclocke', het 'bruutclocsin', de 'wingeroen' die het sluitingsuur van de herbergen (22u) aankondigt, en de 'huerclocke'. Het zijn natuurlijk niet allemaal verschillende klokken. De naam wordt aangepast aan de omstandigheden waarvoor de klok moet luiden. De huerclocke kan bij andere omstandigheden net zo goed de stadsclocke, de stormclocke of de triomheclocke heten.

 

En blijkbaar zijn er niet voldoende varianten voorzien want op de maandag en de zaterdag van de garenmarkt begint het klokkengelui met de 'derde schelle' van Sint-Maartens. Op de borstwering van de galerij, boven de klokkenlantaarn, prijken acht koperen arenden. Ze worden er aangebracht in 1330. Dirk de Pondelmaker heeft ze vervaardigd. Hendrik Manin staat in voor het vergulden van de arenden die elk ongeveer 55 kg wegen.

 

De zware ijzeren spil die oprijst uit de naald wordt de 'drake' genoemd. Het symbool van de vrije stad. Bij de bouw van het belfort wordt er geen plaats voorzien voor een uurwerk. De uurplaat en de wijzerplaten zullen pas aangebracht worden met het jaar 1500 in het verschiet. Toch moet er al een eerste wijzerplaat zijn in 1432 want in oude documenten kunnen we lezen dat Frans de Wichterne de wijzer heeft vernist. ('onlanx ant belefroot ghestelt'). In 1564 zullen er zelfs uurplaten worden aangebracht op verschillende hoogtes.

 

Eén tussen de eerste en de tweede gaanderij zoals wij die nu nog steeds kennen. Een tweede is aangebracht ter hoogte van de schepenkamer in het westen. Naast de constructie van het belfort in 1200 wordt meteen ook werk gemaakt van de bouw van de oostervleugel. De oude halle met uitkijk op de marktplaats. In de oude stadsboeken van 1304 en 1305 wordt melding gemaakt van 'delle viese Halle' maar tezelfdertijd ook van een nieuwe halle.

 

Dat wordt trouwens nog eens bevestigd door oude rekeningen van 1285 en 1286 waarbij onkosten betreffende de aankoop van allerhande bouwmaterialen ('estophe') voor de nieuwe hal ('delle nouvele Halle') worden gespecificeerd. Het wordt in elk geval duidelijk dat er sprake is van de bouw van een nieuwe halle, maar dat er in die tijd wel degelijk een eerste gebouw aanwezig is.

 

Op het gelijkvloers geven 22 deuren met een bovendorpel in de vorm van een schouderboog uit op de markt. Hun spitsbogige bovenraam is voorzien van een blind boogveld met gotische versiering. In de verdieping steken afwisselend open en blinde vensters die identiek versierd zijn zoals die van het gelijkvloers.

 

Hoe groot is de Ieperse bevolking in die tijd? Lambin vraagt het zich af. Hij vergelijkt eens de situatie in Ieper met die van Leuven halfweg de 14de eeuw, waar elke lakenwever zowat 30 à 40 arbeiders in dienst heeft. Ieper telt op zijn hoogtepunt 4000 wevers. Een kleine rekensom leert ons dat er in die tijd tussen de 120.000 en 160.000 mensen aan het werk zijn in de Ieperse textielindustrie. Die stomende bevolkingsgroei zorgt voor een bont allegaartje van duizenden wolkammers, scheerders, ververs, vollers en diverse textielarbeiders.

 

Het is dit allegaartje dat in de loop van die vroege middeleeuwen ook zorgt voor de nodige sociale onrust en criminaliteit in en buiten de stad. De brute gewelddaden die zich voordoen in de jaren 1280, 1303, 1328, 1364, 1374 en 1380 blijven kleven aan de Ieperse geschiedenis. Ook aan de lakenhalle blijven lang dergelijke souvenirs zichtbaar.

 

Als we zo bijvoorbeeld kijken naar de linkervleugel van de voorgevel van de oude halle, zien we een prominente console tussen de hoofdtrap en de galerij. De console wordt volgens de traditie opgetrokken als aandenken van een vadermoord uit jaloezie. Het is een moord die plaatsvindt ten tijde van de constructie van die oude halle. De moordenaar is verbitterd omdat hij één denier per dag minder verdient dan zijn vader. In 1836 staan er nog steeds restanten van het moordtafereel afgebeeld op de console.

 

De vloer op de verdieping bestaat uit straatstenen of plaveien die vastgezet zijn in aarde. Onder de aarde liggen planken die rusten op grote balken. De balken worden geschraagd door stevige pijlers. In 1642 zullen de plaveien vervangen worden door blauwe en grijze tegels van 29 cm grootte. De plankenvloer zal plaats maken voor gemetste gewelven. Het is Valentyn Bulteel, de voogd van de stad, die op 1 september 1675 de eerste steen zal leggen van die gewelven. De halle wordt aan de buitenkant volledig opgetrokken in zandsteen.

 

Aan de binnenkant wordt die lijn niet doorgetrokken. De binnenzijde van de verdieping is gemetst in gele baksteen. De voor- en de achtergevel hebben een gaanderij ter hoogte van de dakgoot. De borstwering van de galerij is voorzien van kantelen met kunstige gotische boogvormen. Ter hoogte van de gaanderij, aan beide uithoeken van de oude halle, rijzen slanke achtzijdige gotische torens op. Hun naalden zijn, net zoals het dak van de lakenhalle, bedekt met rode tegels. Op de spits van beide torentjes prijkt een windwijzer.

 

De ene windwijzer stelt een schutter voor, de andere een paardje. Beide zijn gegoten door Walter de Pondelmaker en verguld door Manin en Haning Soliere. Dat kunnen we lezen in de stadsrekeningen van 1317. De rode tegels van het scherpe dak van de halle liggen vast gemetst op eiken latten die gespleten werden uit duigen van wijnvaten. Ze zorgen al snel voor problemen. In 1312 moet het oudste gedeelte van de loden dakgoot worden hersteld. In 1393 begeeft het dak het onder het gewicht van de tegels en zien de Ieperlingen zich genoodzaakt om die te vervangen door schaliën.

 

Omdat die schaliën ook niet echt voldoen, besluit men om in de donkerblauwe uitgestrekte vlakte aan de voorkant van het dak een groot wapenschild aan te brengen. In 1420 lezen we in de stadsrekening dat Frans de Wichterne 'den grooten scildt, die licht up 't scaelgedack den leeuw verleide van swarte' en in die van 1481 dat 'Joris Uitenhove, scildere, betaeld werd van den vergoudene van den leeuw up 't scalydac van der Halle'. Het lijkt er dus op dat er aan weerszijden van het belfort een leeuw geschilderd staat op het dak van de halle. De ene leeuw is geschilderd in het zwart en stelt het wapenschild van Vlaanderen voor. De andere leeuw is verguld en wordt er geflankeerd door het wapenschild van Ieper.

 

De nok is versierd met een loofwerk in potaarde die langs de oostkant eindigt met een windwijzer die een ridder moet voorstellen. In 1360 moet de bewuste ridder al worden vernieuwd. Tijdens de dakwerken van 1393 zal het oorspronkelijke loofwerk vervangen worden door een loden variante. Een machtig overlangs gebinte draagt de zware kap. Er worden drie reeksen dwarsbalken boven elkaar aangebracht en door korbeelen ondersteund.

 

Lambin baseert zich op de stadsrekeningen van 1285-1287 om te verklaren dat de bouw van de westervleugel van de nieuwe halle in 1285 begonnen wordt. Er staat inderdaad geschreven dat de stenen, de kalk, de balken en het ijzerwerk aangeleverd worden vanaf oktober tot december 1285. Beginnen ze te metsen in wintertijd? En half februari 1286 is er al de aanvoer van 100.000 daktegels. In mei-juli 1286 worden de 55.000 vloerstenen en de afgekante boordstenen van de westerpoort, aan de Hallestraat, geleverd.

 

Het lijkt er sterk op dat de Ieperlingen de zuidkant van de westervleugel in 1286 afgewerkt hebben. In 1304 is de lakenhalle in elk geval volledig afgewerkt. Dat kan uitgemaakt worden uit het verslag van de schatbewaarders die in dat jaar een som van 230 pond ontvangen hebben voor de huur van 'toutes les cambres delle viese Halle et delle novele dehors et dedens'. We verstaan hier dat dus dat er buitenkamers, boetiekjes die aanleunen aan de voorzijde van de halle (les cambres). Met de 'cambres dedens', worden de binnenkamers aangegeven, de uitstalplaatsen die zich aan de twee kanten van de gewelven onder het belfort bevinden en langs de twee zijden van de doorgang onder de halle. Die laatste bestaan trouwens nog steeds op vandaag.

 

De sierlijke toren van het Belfort staat perfect in verhouding met de beide hallevleugels. Het gelijkvloers van het belfort functioneert als een overwelfde gang. De Donkerpoort. De Ieperlingen hebben het ook vaak over de 'Vaute' of de 'Vaulte'. De Donkerpoort bestaat uit twee boogvakken. De ribben van de gewelven lopen kruisgewijs. De ingang is spitsvormig. Aan weerszijden van de poort zit in de gevel een valse deur verscholen.

 

De lakenhalle is best imposant. Door zijn omvang en zijn nobel karakter. Het gotisch bouwwerk onderscheidt zich gewoonweg van alle andere door zijn eenvoud en zijn buitengewone elegantie. Het is bovendien een erg breed gebouw. Op het gelijkvloers vinden we een grote variatie aan boetiekjes die katoen en laken aan de man brengen.

 

De eerste verdieping is de belangrijkste. Hier bevindt zich de verkoop- en expositiezaal. De architect van de lakenhalle heeft er voor gezorgd dat beide verdiepingen rijkelijk voorzien zijn van daglicht. Het hele gebouw oogt geraffineerd en toch is het maar liefst 484 voet lang. Er is trouwens nog geen sprake van enige kamers aan de noordzijde van het gebouw, aan het Sint-Maartenskerkhof. Die uitstalplaatsen zullen pas worden gebouwd in 1314-1315.

 

De rekeningen vermelden immers dat Jehan Bladelin in die periode het afdak, de 'love', van die kamers dekt en dat Jacob Roelant pas dan 22 sloten en sleutels levert voor de uitstalplaatsen aan de noordzijde. De bouwtrant van de nieuwe halle is natuurlijk identiek als die van de oostervleugel. De zuidzijde telt echter maar 21 deuren met bovenlicht en bovenvenster.

 

Aan de westerhoek is er een stenen draaitrap gemetst, de kleine 'steegher', die toegang geeft tot het verdiep. Langs de Hallestraat is een brede poort in rondboog aangebracht, de 'strooyen poort'. Via de strooyen poort kunnen het gelijkvloers en de binnenkoer bereikt worden. Via die poort zullen de soldaten stro voor hun paarden binnenzeulen in tijden van oorlog.

 

In de 13de en 14de eeuw staat die poort bekend als de 'waterpoort', want op de binnenplaatsen tussen de hallevleugels lopen er in die tijd grachten. Die grachten worden telkens geopend ter gelegenheid van de jaarmarkt. Ze staan inderdaad in verbinding met het Iepertje zodat de marktschepen op die manier de halle kunnen binnenvaren. De toegang via het water tot binnen in de halle betekent een totale en nooitgeziene luxe voor de vreemde kooplieden als die hun waren ter bestemming brengen. Al voor het jaar 1305 worden er in Ieper wekelijks drie markten georganiseerd waar zowat al de in Ieper geproduceerde textielproducten worden aangeboden.

 

De interesse en de opkomst van kooplieden van de meest diverse pluimage is aanzienlijk. Het krioelt van het volk. In 1313 zijn er in de stad vier wisselkantoren om de vreemde munten om te wisselen in de lokale munt. De inkomsten van de stad en zijn inwoners gaan in stijgende lijn. Er is sprake van het feit dat de stad tussen 1300 en 1313 jaarlijks een bedrag van 41.000 pond aan rechten opstrijkt. De ligging van de stad Ieper aan de niet al te brede maar wel bevaarbare Ieperlee, is zonder meer een surplus voor de handel en nijverheid. Het transport over het water is een niet te onderschatten troef. Ieper staat via het water trouwens in nauwe verbinding met Brugge, Damme en andere steden.

 

Robrecht van Bethune staat in 1311 aan de Ieperlingen toe om de Ieperlee uit te diepen zodat grotere schepen en volgestouwde boten van alle soort en slag kunnen gebruik maken van de waterweg van en naar Ieper. Het kanaal van Ieper splitst zich ter hoogte van het fort van Knokke in twee armen. Eén arm loopt verder naar Veurne, de hoofdstad van de kasselrij Veurne aan de Noordzee.

 

De tweede arm vloeit naar Nieuwpoort die Ieper schitterende exportmogelijkheden aanbiedt voor zijn laken. De Ieperlingen zijn zich zeer bewust van het belang van de waterweg naar Nieuwpoort en de Noordzee want ze zijn bereid om in 1251 maar liefst 6.000 pond te betalen als hun aandeel in het graven van het kanaal. De commerciële relaties tussen Nieuwpoort en Ieper zijn in die periode dan ook intens te noemen.

 

Ook de Leie is niet onbelangrijk voor de lakenhandel. De Leie is amper twee steden veraf gelegen van Ieper. Via die Leie kan alle vervoer van en naar Frankrijk. Gwijde van Dampierre beveelt in 1295 dat de poorten van de Leie in Houplines dringend dienen te worden hersteld zodat de Ieperse handelaars hun laken kunnen vervoeren zonder dat ze schade ondervinden aan hun boten. In 1351 beveelt Lodewijk van Male dat de sluiswachters in Nieuwendamme, in de buurt van Nieuwpoort, dat het kanaal naar Ieper te allen tijde gevoed moet worden met voldoende water zodat de verbindingsweg tussen Nieuwpoort en Ieper in geen geval onderbroken zal worden.

 

De noordkant van de westervleugel is heel wat eenvoudiger gebouwd. Hier worden geen deuren gemetst maar 22 hoge vensters met een bovendorpel in schouderboog. Hierboven, op de verdieping, steken gewone gotische vensters. Verder oostwaarts, aan het uiteinde van het gebouw, bespeuren we de overwelfde Donkerpoort die onder het belfort al eerder toegang tot de grote markt verleende. De borstwering van de nieuwe vleugel is een kopie van die van de oude halle.

 

Aan beide hoeken van de nieuwe halle, aan de kant van de Hallestraat, en ook aan het uiteinde van de noordervleugel, ten oosten van de Donkerpoort, worden identieke torentjes aangebracht. Eindelijk is de lakenhalle afgewerkt. Wat een reusachtig gebouw! De voorgevel van de oude en nieuwe halle meten elk 55,50 m. Tel daar nog het belfort bij en we komen aan een totale lengte van 125,50 m. De gevel aan de westelijke kant aan de Hallestraat bedraagt 50 m en aan de noordzijde ter hoogte van het Sint-Maartenskerkhof meet de halle 67,50 m. De muren van de lakenhalle zijn 24 m hoog. De 'Drake' boven het belfort staat 69,50 m boven de begane grond.

 

De grote zaal op de eerste verdieping. Hier worden voortaan de wekelijkse markten gehouden. De uitgestrekte zaal is gevuld met toonbanken en kramen waar talrijke lakenhandelaars hun stoffen te koop aanbieden. Natuurlijk dient de zaal ook voor speciale plechtigheden. De ontvangst van prinsen en hoogwaardigheidsbekleders. Zo lezen we in de stadsrekeningen van 1318 dat de grote hallezaal gereinigd wordt en bestrooid met biezen en gras ter gelegenheid van de ontvangst van gezanten van de paus.

 

De stad bulkt van de wevers en ververs. Na de verschillende productieprocessen en na het verven is het tijd dat de textielproducten afgewerkt en gekeurd worden. Alle laken wordt hiervoor aangeboden op het gelijkvloers van de lakenhalle. De lakens die achtereenvolgens doorheen de verschillende ambachten de voorgeschreven behandelingen hebben ondergaan, moeten worden gekeurd en van zegels voorzien worden. Ter 'perse', waar de stoffen finaal glad en glanzend worden gemaakt, krijgen ze nog een 'upperzeghel' of ook 'stoop' genoemd. Noem het misschien het CE-label van de 14de eeuw. De auditeurs van het laken worden in die tijd 'perchenaars' of persers genoemd.

 

Er zijn in totaal 72 perchenaars. Voor de gemengde en blauwe lakens zijn er 5 persers en een klerk aangesteld. Om de drie maand worden ze vervangen. Ze worden door de voogd en de schepenen gekozen onder de behendigste drapiers. Om een laken gezegeld te krijgen, moeten 4 van de 5 persers het goedkeuren. Als er maar 3 van de 5 hun goedkeuring geven, wordt het laken teruggestuurd om gecorrigeerd te worden. Als er slechts 2 goedkeuringen zijn moet, het laken onherroepelijk stuk gesneden worden. Voer voor de prullenmand.

 

De lakenpersen bevinden zich op het gelijkvloers van de Halle. Er zijn specifieke dagen voorzien om te persen en dan is het strikt verboden voor de lakenbewerkers of voor de handelaars om binnen de open plaats tussen de oude halle en het stedehuus (de 'pourprise') van de halle te komen. De 'brynghers' die het laken naar boven moeten brengen, moeten daarna onmiddellijk de plaats ruimen.

 

De 'halleheren' controleren strikt alle handelingen die in de lakenhalle gebeuren. Er mag geen enkel stuk stof de lakenhalle verlaten vooraleer de klerk van de halleheer het ingeschreven heeft en het eindproduct heeft laten voorzien van een wassen zegel. Zelfs de vreemde lakens, zoals de Friese lakens, kunnen hier niet verkocht worden zonder voorafgaande kennisname van de halleheren. Ze mogen trouwens helemaal niet verkocht als ze niet zijn voorzien van de nodige stadszegels. Het zijn trouwens diezelfde halleheren die de orde in de halle bewaken.

 

De uitstalplaatsen kunnen slechts geopend of gesloten worden met hun toestemming. Die plaatsen worden trouwens geregeld door loting. De controle op de gelote uitstalplekken is scherp. De Ieperse 'wullebrekers' moeten er goed voor zorgen dat ze elk hun eigen uitstalplaats loten, waar ze op vrijdag en zaterdag hun wol aan de man kunnen brengen. De wullebreker let er op dat de fijnste wol aan de heldere kant van zijn kraam ligt. De wol van mindere kwaliteit wordt uitgestald aan de donkere kant. De 'snijders' zijn de handelaars die lakenstoffen in het klein verkopen in de halle. De mannen van de 'cleenre sneide' mogen er geen ontlijste lakens verhandelen.

 

Ook de commercanten die wolstoffen bij de el verkopen moeten vooraf hun toegewezen gelote 'plaatse' hebben waar ze die op zaterdag kunnen slijten aan de geïnteresseerden. Dat geldt evenzeer voor de drapiers. De 'halflakenen' worden verkocht in de benedenzaal van de nieuwe halle. Aan de kant van de Sint-Maartenskerk zijn er in 1309 twee verkoopdagen per week: de maandag en de donderdag. Later wordt daar ook de zaterdag aan toegevoegd. In het begin van de jaren 1300 zijn er 89 handelaars die hun uitstalplaats hebben in de halflakenhalle. Ondanks de grote omvang van hun zaal, zien ze zich toch verplicht om de respectieve uitstalplaatsen met 4 handelaars te delen.

 

Ik kijk vol bewondering naar de 'Blauwe Halle'. Hier zijn rond het jaar 1315 aarden grachten aangebracht. 15 jaar eerder zie ik de 39 kramen waar 45 drapiers hun geverfde wolstoffen aan de man proberen te brengen. We bevinden ons in de zuidervleugel van de halle. Naast geverfde wolstoffen worden er eveneens 'afforchierde' lakens en 'saaiweefsels' verkocht. Voor de verkoop van de 'Standforden en gestreepte lakens' zijn er twee halledagen gereserveerd.

 

Op dinsdag en op vrijdag. Het aanbod van lakens varieert trouwens; 'dicke derdelynghe', 'witte en peckers', 'nieuwe dickedinne' of 'Dueten', 'Ieperse-Poperingse', de 'nieuwe garenlakens', de 'Spaanse', enz. En dan spreken we nog niet over de vreemde handelaars die hun waar in de lakenhalle tentoonstellen. De handel van laken wordt uitdrukkelijk van hogerhand beschermd. Gravin Margaretha van Constantinopel verordent op 30 juni van het jaar 1200 dat er vanaf de week voor het begin van een vrije jaarmarkt tot aan de week na het einde ervan, het strikt verboden is om ergens in Vlaanderen laken te verhandelen.

 

Alleen bewoners van eenzelfde stad mogen nog lokaal geproduceerde lakens aan elkaar verkopen. Dat betekent in realiteit dat alle lakenhallen van Vlaanderen dicht moeten tijdens de periodes van de grote jaarmarkten. De 'vrije feesten', die telkens één maand duren, ook die van Brugge, Torhout, Rijsel en Mesen volgen elkaar met korte tussenpozen op. De Ieperse lakenhalle blijft dan ook gesloten (behalve voor de Ieperlingen zelf) van Pasen tot Allerheiligen. Enkel tijdens het 'Ascensionsfeest', de eerste twee weken van juni en het begin van de oogst kan de Ieperse lakenhalle voor het groot publiek geopend worden.

 

Bij het bestuderen van de binnenindeling van de lakenhalle, stuiten we eveneens op de 'Nieuwe Rente'. Alles heeft hier te maken met de tempeliers die ook een belangrijke rol hebben gespeeld bij de bouw van de lakenhalle. Ze hadden in 1127 hun klooster laten bouwen in de voorstad. In 1225 sluiten ze een akkoord met de schepenen van de stad. Ieper moet niet langer renten betalen voor het gebruik van eigendommen die toebehoren aan het tempelhuis.

 

Die eigendommen blijken nauw verbonden met de Ieperse halle. Het akkoord valt op een tijdstip waarbij de oostelijke kant van de belforttoren nog volop in opbouw is. Blijkbaar geven de tempeliers de magistratuur enige financiële ademruimte om het oostelijke deel van de lakenhalle af te werken. De oude halle, de oostervleugel, wordt gefinaliseerd tussen de jaren 1220 en 1230. Een nieuwe hypotheek op het hele gebouw vervangt de vroegere renten. De hoge bouwkosten kunnen enkel gerealiseerd worden dank zij de financiële macht van de Ieperse tempeliers. Het magistraat van Ieper schenkt in dat jaar 1225 uitgebreide vrijheden aan de tempeliers.

 

In ruil voor die vrijheden schelden de tempelridders de renten vrij die het stadsbestuur hen tot dan toe dient te betalen. De stad en de tempeliers werken nauw samen om in de lakenhalle een soort bank uit te baten ten behoeve van de Ieperse poorters. Het 'camerken van den tresorie' ligt op het uiteinde van de lakenhalle. In die rentekamer verkopen de schatmeesters levensrenten aan mensen die op latere leeftijd een vast inkomen willen behouden. Voor elke pond inkomen die iemand jaarlijks op latere leeftijd wenst te ontvangen, dient hij 8 pond te betalen bij de 'Nieuwe Rente'.

 

Het pensioenplan van de middeleeuwen. In 1320 moeten de Vlamingen jaarlijks, en dat gedurende 3 jaar, in de nasleep van de verloren oorlogen tegen Frankrijk, 50.000 Parijse ponden betalen tot dat hun schulden aan de koning van Frankrijk vereffend zijn. Er moet ook afgedokt worden bij het huwelijk van diens dochter Margaretha met Lodewijk van Nevers. Voor dit huwelijk moet Vlaanderen 4 keer de som van 11.250 pond betalen. 10% van deze bedragen moet worden betaald door de Ieperlingen en door het stadsbestuur van Ieper.

 

Deze dringende geldnood zorgt ervoor dat de renten verkocht moeten worden aan 6 of 7 pond. Het uitbetalen van de renten en ook van de erf- en grondrechten door de tresoriers gebeurt twee keer per jaar in de rentekamer: met kerstdag en met St.-Jansdag, op 24juni.

 

Veel later in de geschiedenis zullen aan 't ender Halle', boven de Donkerpoort, stenen gewelven worden aangebracht. Rond 1373 krijgt men de idee om de noordkant van de lakenhalle te vervolledigen en een 'Nieuw werk der Halle' aan te vatten. Er is voor de eerste keer sprake van het 'stedehuus'. De schepenen willen de nodige bouwstoffen aankopen en laten opstapelen voor de bouw. De aanbesteding van de bouwmaterialen begint in het voorjaar van 1375. Meester Willem Melcwiet krijgt de opdracht om voor 9600 Parijse ponden grondstoffen aan te kopen en de afwerking van het stadhuis binnen de vier jaar te voltooien.

 

In juni 1375 legt stadsvoogd Nikolaas Belle de eerste steen van het gebouw. Meester Jan Cortais brengt de harde zandsteen in gereedheid. Het nieuwe gedeelte zal gebouwd worden met identieke bouwstoffen en in dezelfde bouwstijl als die bij de bouw van de eigenlijke lakenhalle werden gebruikt. De werken schieten goed op.

 

In maart 1378 wordt Christiaan Pille vergoed met 278 pond voor de levering van balken. Willem Claysone van Dordrecht krijgt 340 pond voor 51 uitdragende balken die gebruikt worden om het dakgebinte op te trekken. Oorlogen en geweld teisteren de stad. Opstanden in 1379 en 1382 en het beleg van Ieper in 1383 maken verder werken aan het stedehuus onmogelijk. Pas in 1410 wordt er begonnen aan de afwerking van het gebouw. Glaswerker Jan van Bovekerke krijgt de opdracht om 75 voet glas te leveren voor de nieuwe tresorie in het stadhuis. In dit glas zullen de wapenschilden van de hertog van Bourgondië en die van de stad worden verwerkt.

 

Kunstschilder Frans de Wichterne ontvangt 8 pond voor de versiering van dezelfde zaal. In de benedenzaal van het gelijkvloers, rechts van de ingang, bevindt zich vanaf 1446 de 'siege' of de 'kleine rechtbank'. De meester-timmerlieden Joris Wagheman en Michiel Gabbe zorgen voor de afwerking van de siege. De kunstschilders Melchior de Wichterne en Rijke Broederlam versieren het lokaal. De eerste zitting van de rechtbank vindt plaats op 29 september 1446 en dat onder het voorzitterschap van Jan van Lichtervelde, de voogd van de stad Ieper.

 

Links van de ingang is er een zaal die de mensen 'de pijnbank' noemen. In de pijnbank staan allerhande vervaarlijke foltertuigen geïnstalleerd om de beschuldigden van de vierschaar te folteren en om hen bekentenissen te laten afdwingen. Een niveau lager, onder de overwelfde kelderingen, heeft het Ieperse stadsbestuur hokken gebouwd, waar de beschuldigden kunnen worden opgesloten. Aan de westkant van de bovenverdieping zien we de 'weeserie' die instaat voor het beheer van de erfgoederen van de stadwezen.

 

De weeserie wordt voorgezeten door een schepen die de mensen 'oppervoogd van de wezen' noemen. Tegenover de eerder vernoemde rentekamer ligt een klein bureel waar het beheer van de wezen wordt geregeld. Het bureau is omringd door met zware registers gevulde rekken waar lijvige lederen boekdelen opgesteld staan. Tot voor 1914 zullen die registers hier verder worden bewaard.

 

De schatkamer van de stad ligt iets verderop. Dat komen we te weten als er in 1497 in de archieven geschreven staat dat de 'geheele tresorie met al datter er in was, mistgaders de winckelkins daeronder, den Vden dach van April in de vlammen opging'. Oostelijk van de schatkamer bevindt zich waarschijnlijk de kamer van de 'Poorterie'. Hier bevinden zich de boeken met alle informatie betreffende de afstamming en de burgerstand van de Ieperse families.

 

De poorters zijn eigenlijk de inwoners van de stad. Onder de eigenlijke poorters zijn er ook 'Haeghe Poorters'. Het zijn vreemdelingen die een zekere som betalen nadat ze voor de schepenen plechtig verklaard hebben dat ze het Ieperse poorterrecht willen verkrijgen en hiervoor elk jaar opnieuw bereid zijn om iets te betalen. Hun aantal is aanzienlijk in de 14de eeuw. In die periode wordt Ieper bestempeld als één van de drie steunpilaren van 'den paleise Vlaenderen'. In het jaar 1465 staan er nog 1465 Haeghe Poorters ingeschreven (en dat is geen typfout van ondergetekende), die dan gelden als hoofd van hun huisgezin.

 

In 1497 zal er dus brand uitbreken in de nieuwe schatkamer. De stadsknechten slagen er in, gebruik makend van ijzeren haken, om talrijke rekeningen, handvesten en registers uit de vuurpoel te redden. De wind wakkert de brand in alle hevigheid aan. Het ziet er op een bepaald ogenblik zelf naar uit dat het belfort bedreigd wordt door het ontembare vuur. Het geluk is aan de zijde van de Ieperlingen die Roeger De Brune en Pieter Cayaert als wachters hebben aangesteld. Roeger en Pieter zijn zo alert om de brandende vensterluiken van de tweede verdieping te verwijderen en naar beneden te werpen. Uiteindelijk begeeft het dak van het stedehuis en stort het met donderend geweld tegen de vlakte. Maar als de morgen aanbreekt is de brand onder controle.

 

Gelukkig heeft de brand zich kunnen beperken tot het stedehuus. Saeren Zet en drie andere wachtmeesters houden nog enkele dagen de wacht om de smeulende resten onder controle te houden. Tijdens het blussen hebben Michiel van den Torre, Gabriel van den Biest, Hans Dinne en Hendrik van den Hoophuuse verwondingen opgelopen. Ze worden kosteloos verzorgd door heelmeesters en barbiers.

 

In die tijd bewaart men in het stedehuus inderdaad alle burgerlijke akten met betrekking tot de poorters. De schepenen hebben de stukken voorzien van een echtheidscertificaat. De erfenis- en verkooptitels die wijzigingen aanbrengen aan eigendommen, de oorspronkelijke stukken die betrekking houden tot het samenstellen van de renten, de erkenning van de schuldbrieven, akten i.v.m. verdelingen van erfenissen zijn allemaal in de tresorie opgeborgen.

 

Hier ook worden de verslagen van de verhuur van de gemeentelijke eigendommen opgeslagen. Zo bijvoorbeeld de huur van de 'winckelkins'. Verder vinden we hier de verbintenissen i.v.m. de aanbesteding van de accijnzen, maltoten of buitengewone belastingen, maar ook de registers en documenten die betrekking hebben met het geldwezen en de rekenplichtigheid van de stad. Een groot deel van deze bewijsstukken wordt door de brand vernietigd. De schepenen proberen de vernielde documenten te vervangen door de dubbels van de stukken die door de poorters zelf bijgehouden worden. Veel boeken die uit de brand kunnen worden gered, zijn echter zwaar gehavend.

 

De magistratuur van de stad stelt een raad aan om alle stukken aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. In de raad zetelen de schepenen Jakob de Brouckere en Ghelleyn de Wilde. Gheeraert de Reuvel, de hoofdman van de kamer van de '27' (zie later), en Victoor de Rijcke, ook al van dezelfde kamer, samen met de klerken Jan van de Voerdt en Joos Ghellaert worden 'ghelast ende gheordonneert' om de stukken te onderzoeken. Alles wat nog leesbaar is of nog kan worden onderzocht, wordt opzij gelegd. Al de overige boeken; ''t surplus dat niet en dught' moet men 'verbranden ende te nieten doen'.

 

De schepenkamer van de lakenhalle te Ieper roept het verleden op. Ik ga even terug in de geschiedenis. De vroege middeleeuwen. Zolang het hun eigen goederen betreft, beschikken de eigenaars over het absolute tuchtrecht over hun laten en hun lijfeigenen. Ze hebben het recht om die te straffen als ze hun opgelegde werken niet of slecht uitvoeren. Boeten en lijfstraffen voor vergrijpen zoals diefstal, brandstichting, kwetsuren en doodslag worden echter uitgesproken door de plaatsvervangers van de graaf. Die gaan over het algemeen achteloos en willekeurig te werk met de gewone lijfeigenen.

 

Eerloos en ergerlijk. Verdrukkend en zonder enig respect. Nog voor het einde van de 10de eeuw passen de eigenaars en de kloosters hier een mouw aan. Ze vragen gunstmaatregelen om zelf recht te mogen spreken. Er ontstaan geleidelijk aan lenen binnen de Ieperse landhoeve die elk hun eigen rechtspraak hanteren. We zien het Hoveland, het Rolleghemse, de Sint-Maartensproosdij, de abdij van de Nonnebossen en het tempelgebied met elk hun eigen gerecht.

 

Onder de vrije handelaars en de ambachtslieden, mensen van alle standen die zich in en rond de grafelijke villa hebben gevestigd, gaat het er ietwat anders aan toe. Ze vallen onder het openbaar rechtsgebied. Er is toezicht op hun activiteiten en de koning of de graaf waarborgen hun veiligheid. Er ontstaan rechten en plichten. Omdat Ieper een feitelijke aanleg- of stapelplaats is, dienen er inkom- en stapelrechten betaald te worden. Grafelijke ambtenaren controleren de maten en de gewichten van de neringdoeners.

 

De openbare rechtsmacht raakt stilaan gebruikelijk en wordt door de vrije mensen volledig erkend. Maar er zijn natuurlijk vreemdelingen in de stad. Mensen van alle slag en soort. Weggevluchte laten uit andere steden die een beter leven komen zoeken in het bruisende Ieper. Van welke rechtspraak hangen zij af? Ze bezitten geen rechten. Ze worden vaak brutaal afgeperst. Ze worden niet beschermd door één of andere meester. Ze hebben maar één geluk: ze kunnen zich 'vrije mensen' noemen.

 

Ze gaan zich veiligheidshalve verenigen. Vanaf de 13de eeuw reizen ze in groepen. Ze beschermen elkaar. Ze leggen zichzelf verplichtingen op en besluiten op welbepaalde manieren te leven. De ontstane koopmansverenigingen creëren hun eigen rechten en plichten voor ieder die zich bij hen aansluit. Kooplieden, handelaars in het groot, rondleurders en eenvoudige ambachtslieden vormen samen een gilde.

 

Binnen de gilde bestaat er een zekere tucht maar het blijft moeilijk voor de gilden om zelf de maatschappelijke overtredingen en de misdrijven te beteugelen. Maar er is natuurlijk ook de vereniging van de vrede die met de goedkeuring van de graaf tot stand komt tussen de bewoners van de stad. Niemand blijft hiervan uitgesloten. Iedereen zweert onder ede om de stadsvrede te respecteren. Wie zijn of haar eed verbreekt en inbreuk maakt op die vrede, wordt streng gestraft. Verminking, opsluiting, de galg, onthoofding zijn gebruikelijke vonnissen die uitgesproken worden door een gerecht van schepenen.

 

Het schepengerecht is met stilzwijgende goedkeuring van de graaf al ingesteld in Ieper rond het jaar 1111. Er is al met al vrij weinig geweten over de eerste rechtbank in Ieper. De eerste schepenen worden wellicht voor het leven benoemd. Ieper mag dan in die tijd wel zijn eigen vredegerecht bezitten, toch blijft het boete- en lijfstraffelijk recht toebehoren aan de plaatsvervanger van de graaf. Pas in 1190 wordt ook dit recht toegekend aan de stad. Filip van den Elzas regelt in dat jaar de bevoegdheid van de schepenen in een keure. Ieper krijgt een variante van de keure die aanvankelijk werd opgesteld voor de stad Atrecht (Arras).

 

Ook Brugge, Oudenaarde en Gent en andere Vlaamse steden krijgen hun eigen, een zo goed als identieke keure. De burgers van de stad Ieper kunnen nu ook voor de zaken die betrekking hebben op het grafelijke recht gedagvaard worden door de plaatselijke schepenen. In Gent en in Brugge blijven de schepenen vrij lang onafzetbaar. Dit is niet het geval voor de Ieperse schepenen die worden geïnstalleerd voor een periode van 2 à 3 jaar. Net zoals in Brugge en in Gent zijn er in Ieper 13 schepenen. Vanaf 1209 krijgen de Ieperlingen van gravin Johanna van Constantinopel het recht om hun schepenen zelf te verkiezen.

 

Maar de benoemingen gebeuren niet rechtstreeks. De aftredende schepenen kiezen 5 eerlijke burgers die capabel zijn om de rechten van de vorst, de stad en de kerk te vrijwaren. Het zijn die 5 burgers die na het afleggen van een eed 5 andere burgers kiezen waarvan ze denken dat die geschikt zijn om het ambt van schepen uit te oefenen. De 5 pas benoemde en beëdigde nieuwe schepenen maken tot slot zelf de keuze van de resterende 8 schepenen.

 

Alle zaken die de som van 25 pond niet overschrijden worden behandeld in de kleine rechtbank, die men de 'siege' noemt. De siege is samengesteld uit twee schepenen en de voogd, zeg maar de burgemeester. De siege komt in de loop van de eeuwen die achter ons liggen samen op dinsdag, donderdag en zaterdag om 14u. In de jaren 1400 zetelt de rechtbank in het Belle Godshuis, het huis van de heelmeester Jan Yperman. De rechtbank staat dan ook bekend als de 'camere van de Belle' of de 'camere in de Zuudstrate' omdat de woning van Jan Yperman in de Zuidstraat (nu de Rijselstraat) ligt. In 1445 verhuist de siege naar het stedehuis.

 

Vanaf 1535 tot aan de Franse revolutie zullen de zittingen doorgaan in de schepenzaal. Waar de siege vonnist over de kleine zaken, behandelt de schepenkamer de grotere zaken tot 60 pond. De schepenkamer bevindt zich in de 13de eeuw in het belfort maar die zal in het begin van de jaren 1300 verhuizen naar een bijzonder gebouw. In 1307 vermelden de stadsrekeningen de 'schepenkamer op de halle'. Het onderzoek van Jules Emiel Cornillie i.v.m. de lakenhalle speelt zich af net na de eerste wereldoorlog.

 

Op dat ogenblik staat de schepenzaal bij de Ieperlingen bekend als de 'trouwzaal'. De trouwzaal leunt aan tegen het Nieuwerck dat tussen de oude halle en het stadhuis ligt. Op de verdieping van beide gebouwen is er een toegang tot de schepenkamer. Dat zal waarschijnlijk ook de reden zijn waarom er gesproken wordt over de schepenkamer 'op' de Halle.

 

Aan de westkant geeft de schepenzaal uit op de binnenplaats die de ruimte voorziet van daglicht dank zij een rondvenster, een oculus, die geplaatst is in de houten topgevel. De gekleurde glasramen zijn regelmatig toe aan herstelling. Dat gebeurt onder andere in 1315 en in 1325. Om het omvangrijke oostelijke muurvlak van de schepenkamer wat te breken, zijn er drie blinde deuren met boogstellingen gemetst. Later zullen die deuren opengebroken worden om toegang te geven aan een kapel die wordt aangebouwd. Volgens de stadsrekening van 1395 prijken de afbeeldingen van drie heiligen in de respectieve blinde ramen: Sint Cristoffel, Sinte Catharina en Sint Joris.

 

Hoe zou de schepenkamer eigenlijk ingericht zijn? In de winter is de vloer bedekt met strooien matten. In de andere seizoenen bestaat de vloerbekleding gewoonlijk uit biezen, met wat gras en stro, waar soms 'riekende cruuden' worden aan toegevoegd. De kamer is voorzien van rijk tapijtwerk en dure ornamenten aan de muren. In de loop van tijd wordt de blinde oostermuur kunstig beschilderd. Over de hele breedte van de muur is een sierband aangebracht met de afbeeldingen van illustere graven en koningen uit de geschiedenis van de stad.

 

Medaillons van blazoendragende engelen en de wapenschilden van Vlaanderen en Frankrijk vervolledigen de versiering. De Ieperse schepenen hebben dus alle rechten om boetes op te leggen en om lijfstraffen uit te spreken. Hun bevoegdheid gaat echter een stuk verder. Onder het voorzitterschap van de baljuw, de gerechtsheer, mag de 'vierscaere' doodstraffen uitspreken tegen onder andere vrouwenonteerders en moordenaars van het Ieperse rechtsgebied. Het is niet geweten waar de vierschaar zetelt in het begin van de jaren 1300.

 

De stadsrekeningen van 1375-1376 brengen wat meer duidelijkheid. De aanbesteding van het stedehuis maakt melding van 'le noviel ouvrage de le vierscare', het nieuw werk van de vierschaar en meteen weten we dat deze gebouwd is oostelijk van het stedehuis. Waarschijnlijk is de vierschaar gebouwd op pijlers. De kantoren die afhangen van de vierschaar bevinden zich in het stedehuis en kunnen via een trap worden bereikt.

 

'Int jaer 1368 den 20 dagh in Maerte, so was gheordeneirt ende ute gheroupen ter halle, dat van nu vordan gheen coopman van lakenen, noch snidere, noch drapier of drapierigghe, noch makelaere, noch enich van haren mesnieden, die hem gheneren met lakenen te copene, moesten commen bin den pourprise van der halle, dats te weitene tusscen der oostporte van der vaute ende der porte van der buershalle, up den dagh dat men perts'.

 

De pourprise van de halle is een afgesloten binnenruimte, de binnenplaats tussen enerzijds de oude halle in het zuiden en het stedehuis in het noorden en anderzijds tussen de oostpoorte van de vaute, de Donkerpoort en de beurshalle. De oostpoort van de vaute is ongetwijfeld de poort die vanuit de Donkerpoort toegang verleent tot de binnenkoer. De vierde zijde van die afgesloten ruimte wordt ongetwijfeld gevormd door de beurshalle die zich onder de schepenkamer bevindt. Mogelijk ook onder de kapel.

 

De kamer van de '27' is een lokaal waar evenveel verkozenen uit de Ieperse edelen en burgers hun vergaderingen houden. Die vergadering betekent meestal een steun maar af en toe ook een hinderpaal die de beslissingen van de eerste kamer kan bevestigen, maar evengoed kan blokkeren. De eerste kamer bestaat trouwens eveneens uit 27 personen: 13 schepenen en 13 raadsheren onder voorzitterschap van de voogd. De kamer van de '27' bevindt zich op de binnenplaats tussen de oude halle en het stedehuis, rechtover de schepenzaal die zich op dezelfde hoogte situeert. De ruimte bevindt zich boven de oostpoorte van de vaute.

 

Ze vangt het daglicht op vanuit het oosten. Gewoonlijk noemen de Ieperlingen de vergaderruimte de 'raadkamer' of 'raetcamer'. De in het Vlaams opgestelde stadsrekeningen van 1326 en de volgende jaren vertellen dat een zekere Thierry van der Pipe 'de biezen of strooi strieut in de raetcamer'. De Franstalige tekst heeft het over diezelfde Thierry die biezen strooit 'à le cambre deschevins sur le halle'.

 

En toch zijn de raadkamer en de schepenkamer niet één en dezelfde ruimte. In 1308 is er in elk geval al sprake van de 'Raad van de 27'. Gillon van Beifslaere ontvangt een salaris 'pour asambler les boines gens delle cambre', voor het binnenroepen van de goede lieden in de kamer. In 1300 wordt diezelfde Gillon vergoed voor 'asanler les 27 personnen'.

 

In 1318 is er in elk geval sprake van twee afzonderlijke vergaderingen waarvan één onder hen de kamer van de '27' uitmaakt. Vermoedelijk gaan die vergaderingen door in de schepenkamer en wordt er pas vanaf 1371 een afzonderlijke ruimte voorzien voor de raadkamer. In dat jaar is er sprake van een nieuwe vloer in de raadkamer. Twintig jaar later, in 1391, levert Henric Van der Haeghe twee nieuwe glasvensters voor de 'raedecamer'.

 

Volgens Vandepeereboom zijn de inrichtingen van de schepenkamer en de raadkamer vrij identiek. Maar eigenlijk zijn er weinig bewijzen die dit staven. Wat wel vast staat, is dat de meubels, zetels en banken voor de kamer van de '27' door Christaen Plets in het jaar 1507 vernieuwd worden. Jan Steenbeke levert een 'kiste' en de schilder Jacob van Hicelen wordt belast met het 'verlichten' van de kamer. In het jaar 1621 zullen er grote wijzigingen aangebracht worden aan de constellatie van het stedehuus en de kamers.

 

'De XXe Januarij 1621 up tverhooch van de ghecommiteerde ter tresorie nopende tmaeken van de nieuwe gallerie tusschen de beide hallen voor de berecht camere, was gheresolveert dat de zelve ghecommiteerde voor tmaeken van de zelve gallerie zullen doen afsmijten tvoor ansichte van de voorzeide camere ende de zolder, maekende de zelve rond van boven ghelyck de camere van mijn heeren voochdt ende schepenen, approprierende daer toe de venster cassinen ende andere materialen van de oude '27' camere zoo verre tzelve te passe compt'.

 

De oude voorgevel van de kamer van de '27' die nu de 'berecht camere' wordt genoemd, gaat dus in 1621 tegen de vlakte. De gevel wordt vervangen door een sierlijke houten puntgevel voorzien van een eigenaardig spitsboograam. Onderaan wordt een galerij met een afdak aangebracht die de oude halle en annex het stedehuis verbindt met de berecht camere.

 

Ik vergeet nog bijna het 'gulden' of het groen halleke. Het gebouwtje wordt doorheen de geschiedenis regelmatig verguld of in het groen geschilderd. Het is gelegen aan de kant van de markt, oostelijk van de oude halle. In 1365 vermelden de Ieperse rekeningen dat er windwijzers worden aangebracht op het nieuwe huis (le noviel maison). Het blijft koffiedik kijken om precies te weten hoe het groen halleke er in die tijd effectief uitziet.

 

De stijl is zowat verwant met de bladversiering van het Ieperse 'keurbouck', dat in de 14de eeuw inderdaad een groen halleke voorstelt. Voor zover de houtsnede mag vertrouwd worden, bestaat het gelijkvloers uit een grote dubbele poort die voorzien is van zware hengsels. De poort geeft uit op de markt en verleent toegang tot een trap. Via de trap kan de verdieping worden bereikt van waaruit de oude halle en de schepenkamer eveneens bereikbaar zijn. Op die fameuze verdiepingen worden de verordeningen van de schepenen afgeroepen.

 

De 'hallegheboden' worden aan de poorters kenbaar gemaakt vanuit een soort open galerij die uitzicht biedt op de Grote Markt. De galerij beslaat zowat de hele breedte van het groen halleke. Het is op deze plaats dat de respectieve Vlaamse graven tijdens hun blijde intrede telkens hun eed afleggen om als goede, getrouwe en rechtvaardige heren het land te zullen besturen. Het gulden halleke is bovenaan afgewerkt met een puntgevel waar een rondvenster is aangebracht. De schuine zijden van de puntgevel zijn versierd met kraaibekken. Bovenaan prijkt een kruisbloem.

 

Na de constructie van de lakenhalle en in de 14de eeuw is er nog geen sprake van het 'Nieuwerck'. Dit gebouw zal pas enkele honderden jaar later op de proppen komen als het stedehuis en de oostkant van de lakenhalle zich in uiterst bedenkelijke toestand bevinden. Het stadsbestuur zal rond het jaar 1600 voor de keuze gesteld worden om het gebouw grondig te herstellen of eventueel volledig af te breken en opnieuw op te bouwen. De eerste plannen worden in 1575 voorbereid maar het godsdienstige oproer van die tijd zorgt voor vertraging.

 

Pas in 1606 zullen de schatmeesters er bij het Ieperse magistraat op aandringen om een beslissing te nemen betreffende het 'up rechten der nieuwe comptoiren'. De beslissing krijgt heel wat voeten in de aarde. In 1618 zullen er nieuwe voorstellen voorgelegd worden. Onder andere dat van schatmeester van der Stichele die voorstelt om het groen halleke af te breken en te vervangen door een open galerij. Mar tot ieders verrassing zal het stadsbestuur op 2 oktober 1619 een vorig voorstel goedkeuren om een prachtige galerij en een nieuwe steger op te trekken. De werken zullen worden uitbesteed aan de Gentse aannemers Laureins de Haeze en Gilles van Waesberghe. Jan van Ydeghem, grootbaljuw en Jan de Courtewille, voogd van de stad, leggen de eerste stenen.

 

Eigenaardig genoeg worden de pijlers die het nieuwe gebouw zullen schragen, gebouwd op een fundering van oude zerkstenen afkomstig van de Sint-Maartenskerk. De werken schieten goed op en tegen oktober 1621 zal de bouw afgewerkt zijn. Tegen het einde van dit jaar zullen alle timmer- smeed- en versieringswerken afgerond zijn. De Ieperlingen zijn verheugd met de nieuwe bouw. Maar hun blijdschap slaat al vrij vlug om in wanhoop en frustratie. Het gebouw vertoont gigantische verzakkingen en zal het ongetwijfeld begeven door een gebrekkige fundering. De zerkstenen blijken een totaal verkeerde keuze van de aannemers.

 

Uit een raadsvergadering van 9 maart 1622 blijkt dat het Nieuwerck 'niet en was houdelick staende'. Er zit niets anders op dan het Nieuwerck af te breken en met de bestaande bouwstoffen opnieuw op te bouwen. De volgende dag komt het magistraat tot een akkoord met Jan de Bacq, Quintin Brixis en Guillein Vermeulen om gezamenlijk en onder borg het Nieuwerck af te breken en 'perfectim' op te bouwen met het oude materiaal. Het werk moet af zijn voor einde augustus van het zelfde jaar 1622. Er wordt 400 pond betaald en 50 gulden voor een vat wijn.

 

Bijkomende voorwaarde is dat de stad de bijkomende pijlers zal leveren en ook de bakstenen van Houplines en Verlinghem voor de nieuwe gewelven. Ook de kalk en mortel worden door het stadsbestuur ingekocht. Net zoals de Brabantse stenen die het gebouw zowat vijf voet hoger zullen maken dan de af te breken miskleun. De timing wordt perfect gerespecteerd. Nog voor het einde van 1624 kan het schilder- en meubileringswerk beginnen en zal het Nieuwerck voltooid zijn. Het zal uiteindelijk de mooie som van 47.500 fr gekost hebben, de kosten van de eerste constructie inbegrepen.

 

Het gelijkvloers vormt een open gaanderij die in het oosten begrensd is door een rij pijlers in hard zandsteen. Gebruik makend van boogstellingen schragen die pijlers niet enkel de oostergevel over zijn hele lengte, maar eveneens de zuider- en noorderpuntgevel. Tezelfdertijd steunen de pijlers de kruisgewelven boven de gaanderij. Die zijn gemetst in rode baksteen. Hier en daar zijn gele stenen gebruikt als versiering. Boven de kapitelen van de pijlers prijken maskers met leeuwen- en andere dierenkoppen. Op de eerste verdieping steken er voor iedere boogstelling twee ramen met een stenen middenkruis. In de puntgevel achter welke zich de schepenkapel bevindt, steekt een groot gotisch raam. De puntgevel zelf is prachtig versierd met een reeks sierlijke krullen. Bovenaan de spits prijkt een kruis.

 

Hier eindigt het verhaal van de bouw van de Ieperse lakenhalle. In de loop van de eeuwen die volgen zal de halle verder blijven evolueren en aangepast worden aan nieuwe noden. Daarover later meer in onze kronieken.