P1280100

Diksmuide. Ijzer. Noordzee. Pagus Iseretius. Het oord raakt duizend jaar terug stilaan bekend als 'Dicasmutha', 'Dicasmut', 'Dicimuda', 'Diquemude', 'Disquemue', 'Dicimut'. Uiteindelijk wordt het 'Dixmude'. Pas veel later zullen de mensen spreken over 'Diksmuide'. Maar daar zijn we nog lang niet aangekomen. In de 10de eeuw is Dicasmutha eigenlijk niet veel meer dan gehucht met een kapel die afhangt van de Sint-Niklaaskerk van Eessen.

 

31 oktober 1089. In een oorkonde waarin Robrecht II, de graaf van Vlaanderen, de proost van het Sint-Donaaskapittel in zijn bezittingen bevestigt, staat de naam 'Dicasmutha' voor de eerste keer op perkament vermeld: 'aecclesia de Hesna, cum capellis sibi attinentibus, Dicasmutha et Clarc'. De naam Dicasmutha vindt zijn oorsprong in de periode 940-950. Later in dit verhaal zal duidelijk worden wie de dooppeter is van de naam van Dixmude. Hesna staat hier trouwens voor Esen (Eessen), Clarc voor Klerken. De plek aan de Ijzermonding is al eerder in beeld gekomen in oude manuscripten van de abdij van Sint Omaars waar aangegeven wordt dat Adalfridus, de heer van Alveringem, zich door Audomarus laat ompraten tot de christelijke leer.

 

Er zijn in de jaren 300 al verwoede pogingen geweest om de Westhoekbevolking te laten afzien van hun heidense en brute levensstijl. Maar een chronisch gebrek aan predikanten zorgt er voor dat de mensen al snel hervallen in de 'oude doolinge ende afgoderie'. Met de komst van St. Audomarus, de bisschop van Terwaan komt daar in 665 verandering in.

 

Waar situeert Dicasmutha zich? Halverwege en iets ten zuiden van de denkbeeldige lijn die Veurne en Torhout met elkaar verbindt. Sinds 270 is de zee diep doorgedrongen in de Westhoek. De burg van Veurne ligt op een beschermende hoogte. Westelijk van Dixmude. Voor de rest slingert de brede en wijdvertakte zeearm van de Ijzer zich door het uitgestrekte Westhoekgebied. Dicasmutha vormt een dijk aan de zuidwestelijke kant van de Ijzer.

 

Een dijk (dic) aan de monding (mude) van de Ijzer: Dicsmude? Het gehucht ontwikkelt zich op de samenvloeiing van de IJzer en de Handzamevaart. Beide waterlopen vormen, samen met de omliggende broeken die tussen 1000 en 1050 nog eens volledig zullen overstroomd worden, het vlakke land aan de Noordzee. Dixmude kijkt achter zich uit op een poldergebied. Tot het jaar 1100 zal Dixmude afhangen van haar moederparochie Eessen.

 

De meeste geschiedschrijvers houden het bij deze uitleg. In het boek van de Nieuwpoortenaar René Dumon over de geschiedenis van Nieuwpoort staat echter een andere verfrissende uitleg over het ontstaan van de naam van Dixmude. We moeten terug in de geschiedenis. In 54 voor Christus zijn de Romeinen heer en meester geworden in de streek. Dan willen ze ook Engeland inpalmen. Ze gebruiken de ligging van de Westhoek als uitvalsbasis om hun doelstellingen te realiseren. De Romeinse vloot is geen kattenpis: een armada die bestaat uit 36.000 soldaten, 4000 ruiters. 600 schepen. De schepen worden in lokale scheepswerven gebouwd. Alles duidt op een beduidende graad van bevolking om dergelijke schaal aan te kunnen.

 

Volgens de geschriften van aanvoerder Caesar zelf, ontscheept de reusachtige vloot op 5 of 6 juli van het jaar -54 in 'Portus Icius'. Er bestaat tot op heden discussie waar precies die Portus Icius zich bevond. Velen menen dat de havens van Bonen (Boulogne), Wissant of Cales in aanmerking komen. Maar schrijver Dumon heeft zo zijn redenen om aan te nemen dat die haven wel eens Koksijde kan geweest zijn. Vooral het feit dat Caesar aangeeft dat Portus Icius in het land van de Morinen ligt, kan er op wijzen dat hij het gelijk aan zijn kant heeft.

 

En zo komt Dixmude in beeld. In de beginperiode van de Romeinen is er nog geen sprake van de vloedgolf van 270 die de Westhoek voor eeuwen onder water zal zetten. Halverwege tussen Nieuwpoort en Wulpen, aan de Steendam, bewijst de zeer dunne kleilaag in de grond op de vroegere aanwezigheid van een verdwenen waterloop van meer dan 100 meter breed die zich, komende vanuit oostelijke richting enkele kilometer verder in zee zal hebben gestort. De link met de Noordzee gebeurt ter hoogte van de 'Doornpanne' tussen Oostduinkerke-Dorp en Koksijde-Bad waar al evenmin sprake is van een kleibodem.

 

Als Dixmude in 1089 beschreven wordt als 'Dicasmutha' dan kan dit eigenlijk perfect staan voor de term 'Icsmond', of de monding van de 'Ics'. Er gaat een licht branden! Vinden we in ' d' Icsmond' niet de naam terug van de oorspronkelijke stroom die Dixmude ooit verbond met Koksijde? Namelijk de 'Ics'? De 'Ics' die verder westwaarts van Dixmude bekend staat als de Ijzer? De plaats waar de Ics in de zee uitmondt, ligt dicht bij Koksijde dat door zijn eigen bewoners als 'Coxie' wordt uitgesproken. Een 'ijde' staat bekend als een aanlegplaats voor zeeschepen.

 

De Kelten die lang voor de Romeinen de termen 'IX', 'AX', 'OX' en 'EX' gebruikten (zie bijvoorbeeld de naam Oxford) om de aanwezigheid van water aan te duiden hebben dus de naam gegeven aan de 'Ics'. De link tussen Coxie en de Ix wordt meteen duidelijk. De Ics tussen D' Icsmond en Doornpanne vloeit trouwens voorbij 'Poortisius', de poort van de Ics, Portus Icius. Poortisius zal in de loop van de jaren verbastaarderen tot Paardisie, Perdisie om uiteindelijk te belanden bij zijn definitieve naam: Pervijze of in de volksmond genoemd 'Pervisie'. De hele waterhuishouding met de Onie en de Ics in de Pagus Iseretius zal na de stormvloeden van 270 grondig door elkaar geschud worden.

 

De Onie en de Ics worden ingepalmd door een beduidende zeearm van de Ijzer die diep in de Westhoek in verschillende zijtakken zal uitmonden. Eén ervan is Dicasmuda die zijn oorsprong aan de monding van de illustere Ics voorgoed kwijt is en waar, met het voortschrijden van de eeuwen, de brede zeearm zich zal terugtrekken naar de Noordzee vele kilometers verder westwaarts. Alleen de Ijzer zal blijven als herinnering. De pagus Iseretius is opgeslorpt door de Pagus Flandrensis.

 

Zo slorpt de Pagus Flandrensis geleidelijk aan de oude pagus Iseretius op. Deze Pagus Flandrensis is zelf duidelijk afgescheiden van de Pagus Mempiscus, de Pagus Cortracensis en de Pagus Gandensis, het gebied waar Brugge toe behoort. Ook Ardenburg, Oostburg, Lappescura, Oostkerk, Houtava, Lissewega, Meetkerk, Uytkerk, Dudzela, Labbeka, Sarkenghem, Aldenbourg, Clarkhem, Warrhem, Sarrem, Eessena, Keyem en Dicasmutha behoren tot de Pagus Flandrensis. De hele Pagus Flandrensis is één reusachtige aaneenschakeling van bos en woud.

 

De 6000 hectare bossen ('in silva Ruhouta') vormen in zijn totaliteit het koninklijk domein van de Merovingische en later Karolingische vorsten die het gebied hebben overgenomen van de Romeinse bezetter. Stamvader van de Karolingers is Karel Martel die tussen de jaren 700 en 750 zorgt voor veiligheid en stabiliteit in heel Frankenland. Die Karel Martel heeft een kleinzoon die geboren wordt in Huise (niet ver van Zingem en Oudenaarde) in het jaar 751. Adalardus is de zoon van Pepijn de Korte en een neef van de grote Frankische heerser Karel de Grote die er in zal slagen om van West-Europa één groot Frankisch machtsgebied te maken.

 

Adalardus schopt het in 796 tot raadgever van Karel de Grote. Adalardus treedt toe tot de abdij van Corbie bij het Picardische Amiens. Hij wordt er abt. De abdij van Corbie is net zoals de abdij van Sint-Omaars ontsproten aan de kloostergemeenschap van Montreuil. Tijdens zijn leven (verw)erft Adalard de duizenden hectaren bossen in de Westhoek. Ook Dicasmutha behoort nu tot zijn eigendommen. De abt richt overal landbouwkolonies op waar lokale boeren werken aan de ontginning van nieuwe landbouwgronden. In de villa Dicasmutha wordt ongetwijfeld hard gelabeurd bij het terugwinnen van gronden van de Noordzee. Abt Adalardus zal kort voor zijn dood in 827 zijn eigendommen schenken aan de abdij van Corbie.

 

Na de invallen van de Noormannen enkele decennia later, wordt de bossen van de Pagus Flandrensis, samen met de gronden van Dicasmutha, ongegeneerd overgenomen door de graven van Vlaanderen die zichzelf promoveren tot beschermheren en tot feitelijke abten van de belangrijkste abdijen van het land ten noorden van de heuvels van Picardië. De Noorse aanvallen in de pagus Iseretius zijn zo goed als afgelopen tegen dat het jaar 900 aanbreekt. Maar de Vlaamse (mede)graaf Boudewijn III beschouwt het in 958 nog steeds als broodnodig om in het gehucht Dicasmutha een beschermende burcht omringd door aarden wallen aan te brengen.

 

We beleven de geboorte van de 'Oppidum Dicasmuda'. De burcht wordt opgetrokken aan de samenloop van de Ijzer met de Krekelbeek, het verlengde van de Handzamevaart. Anno 2012 verwijst enkel de naam van de Kasteelstraat naar de door wallen omringde burcht die er meer dan 1000 jaar voordien gebouwd werd. Net zoals andere burchten in Vlaanderen, geeft het gebouw bescherming aan de vrije mensen die zich in gilden of ambachten aan het verenigen zijn. Het gehucht groeit al snel uit tot een stadje. De burgers krijgen er de naam van poorters.

 

De hele kustregio wordt ingepalmd door de schaapsteelt waar vooral de Friezen zich integreren met hun Friese lakens die ze naar heinde en verre exporteren. De havens van Nieuwpoort, Dixmude en Gravelines spelen hierbij een belangrijke rol. In hetzelfde jaar 958 krijgt Portum Dixmude trouwens van graaf Boudewijn een openbare markt met alle rechten vandien. In de 'oude jaerboucken' van Yper staat het zo omschreven: 'Anno 958 heeft Boudewijn Juniar als vierden graef van Vlaenderen en gedeurende in het leven van sijnen vader Aernout, heeft hij de stad Iper doen vermeerderen en vercieren, aldaer instellende weekelijke markten en gebiede ook jaerlijksche feesten en zommige vrijheden.

 

Om dat er niet veel geld was, ordonneerde te verkoopen bij wisselinge de een waere voor de andere, te weten voor een verken een schaep, fruyt voor kiekens, twee hennen voor eenen gans, twee gansen voor een verken, een schaep voor drie lammekens en drie kalveren voor een koe, het welke eertijds de costume was der Duytsche. Men heeft gestelt deze nieuwe wethouders Raes van Dixmude, Raimond Kokelaers, etc.'. Het jonge Ieper dat aan het begin staat van zijn steile economische opmars stelt dus in 958 een zekere Raes van Dixmude aan als één van zijn wethouders. Het duidt er dus op dat Dixmude op dat moment al beschikt over een adellijke familie met macht en uitstraling die verder gaat zijn eigen muren.

 

In 964 wordt er voor het eerst gewag gemaakt van een burggraaf in Dixmude. Een baanderheer, een ridder die een aantal leenmannen onder zijn bevel houdt. De burggraaf heet Arnulf De Bevere. Vermoedelijk is hij sinds 940 of mogelijk iets later als burggraaf aangesteld. Het verhaal van Arnulf De Bevere is op zijn minst opzienbarend. Arnulf wordt in het jaar 905 geboren in Bevere bij het Engelse Worcester. Zijn voorouders regeren in Bevere Manor over het Angelsaksische Mercia, een koninkrijk dat zowat het hele zuidwesten van het hedendaagse Engeland behelst. Bij zijn geboorte is zijn moeder Aethelflaed trouwens koningin van Mercia. Aethelflaed is de dochter van Alfred de Grote, de grote heerser over Groot-Brittannië dat in die tijd omschreven wordt als 'Bret Waldam'. Arnulf is dus de kleinzoon van de grote heerser Alfred de Grote en de achterkleinzoon van de Engelse koning Ethelwulf.

 

Zowel Alfred de Grote als zijn vader, krijgen decennia lang af te rekenen met de brutaliteit en het imperialisme van de Noren en de Denen die hun grondgebied met geweld teisteren. Alfred richt een aantal burchten op met het doel om rond die burchten stedelijke kernen te laten ontwikkelen. Zijn militaire superioriteit en de realisatie van beschermde centra zorgen ervoor dat Alfred en zijn nazaten de macht grijpen over heel Engeland en de Noormannen uiteindelijk kunnen bedwingen.

 

Kleinzoon Arnulf zet de traditie van zijn grootvader verder. Tussen 919 en 924 wordt hij Lord van de Bevere Manor, een goed dat zijn familie sinds 870 bewoont maar dat feitelijk terug gaat tot het jaar 650. Hij is de enige die zich de titel 'de Bevere' kan toe-eigenen. In 924 wordt Arnulf aangesteld als burggraaf van Old Sarum, een eeuwenoude vestingstad die hij verder laat uitbouwen tot een versterkte burcht en die later zal uitgroeien tot het Salisbury van vandaag.

 

Zijn verblijf in Old Sarum komt ten einde in 939. Hoewel niet alles helemaal duidelijk is, lijdt het geen twijfel dat hij het slachtoffer wordt van een machtsgreep rond de Engelse troon waarbij dichte familieleden hem naar het tweede plan verwijzen. Er komt een nieuwe koning in Engeland. Arnulf de Bevere vertrouwt het zaakje niet langer en besluit naar Vlaanderen te emigreren. Zijn vertrek heeft belangrijke gevolgen voor Dixmude en voor Vlaanderen. Het verhaal gaat verder!

 

In Vlaanderen kan hij zich thuis voelen. Vlaamse graaf Arnulf I van Vlaanderen en Arnulf de Bevere zijn immers neven aan moeders kant. De vader van Arnulf I, Boudewijn II, was immers de zoon van Alfred De Grote. Beide Arnulfs hebben dus allebei dezelfde illustere grootvader. Arnulf I van Vlaanderen kan natuurlijk de ervaring die zijn neef heeft met het bouwen van burchten en versterkingen en zijn militaire expertise heel goed gebruiken.

 

Vooral in het oogmerk van zijn strijd tegen de agressieve hertog Willem van Normandië. Arnulf de Bevere wordt op geen tijd de belangrijkste vazal van de graaf van Vlaanderen. Bij afwezigheid van de graaf, dient de Bevere het bestuur van het graafschap op zich te nemen. In ruil voor zijn expertise krijgt hij domeinen en gronden ter beschikking. Allemaal vrij kritiek te verdedigen plaatsen in het jonge graafschap. De schenking van landerijen en gronden moet reusachtig geweest zijn. In het oosten aan de Schelde waar de Duitse keizer voortdurend dreigt om het Vlaamse territorium binnen te dringen, in het zuidwesten aan de Leie, stroomopwaarts van Gent, aan de poort tot het wisselvallige Frankrijk en uiteindelijk in het westen aan de monding van de Ijzer. Dixmude.

 

Op al die plaatsen wordt de Angelsaksische neef van onze graaf aangesteld als leenheer en bestuurder. Tienduizenden vierkante kilometer worden zijn eigendom. Aalst, Rupelmonde, Zeeland,.. vallen zomaar in zijn handen.

 

Lord de Bevere laat onmiddellijk zijn sporen na. In 940 vestigt hij zich aan de Leie in de hofstede Beaulieu. In 964 is er al sprake van de heerlijkheid Beveren-Leie en van een hofstede Bevere Hof. Etymologen die de naam van Beveren-Leie linken aan het Keltische 'Brebona' (beverwater), slaan de bal duidelijk verkeerd. U kent ondertussen al mijn mening over de hedendaagse plaatsnaamkunde. In 965 staat de naam voor de eerste keer geboekstaafd als 'Beverna super fluvium Legia'. De heer van Beveren maakt eveneens zijn opwachting aan de Schelde in het Waasland dat vrij kort daarna wordt omgedoopt tot Beveren-Waas.

 

Het oudste document waarin 'het land van Beveren' vermeld wordt, dateert van het jaar 965. De naam 'Beverna' verwijst niet naar de naam van een bever maar wel naar het huis van Bevere Manor. Het land van Arnulf de Bevere is trouwens veel groter dan het huidige Beveren. Het omvat naast Beveren ook Doel, Kallo, Kieldrecht en Verrebroek, samen met belangrijke gedeelten van Haasdonk, Melsele, Meerdonk, Vrasene en Zwijndrecht. De 'Heer van Beveren' krijgt trouwens zeggenschap over gronden in het centrum van Sint-Niklaas, Lokeren, Waasmunster en Belsele.

 

De graaf van Vlaanderen is niet vergeten dat de Noormannen hun troepen in 861 hebben aangemeerd in de 'Portus Isere'. In Dixmude begon hun verwoestende raid. 200 Noordse schepen kregen via de Ijzer toegang tot het Vlaamse binnenland. Een herhaling van die desastreuze feiten moet onder elk beding vermeden worden! Arnulf wordt in 940 al onmiddellijk aangesteld als burggraaf van Dixmude. Niet toevallig wordt zijn zoon Diederik I in datzelfde jaar geboren in Dixmude aan de Ijzer. Tussen 940 en 960 kan hij zijn expertise in verband met het bouwen van burchten omzetten in praktijk. Het is dan ook vrijwel zeker dat de Dixmudse burcht die afgewerkt wordt in 958 het werk is van de nieuwe baanderheer. In feite is Dixmude in die dagen niet meer dan een militair bastion onder de directe bevoegdheid van de graaf.

 

We keren nog eens terug naar het Angelsaksische Mercia. De nieuwe burggraaf van Dicasmutha is dus van Angelsaksische afkomst. Angel-Saksen zijn vernoemd naar de Saksen en de Angelen, allebei Germaanse stammen die zich na het vertrek van de Romeinen in 407 vooral in Engeland vestigden. De Saksen vestigen zich in het zuiden van Engeland, de Angelen in het midden en in het noorden van Engeland. De volgende eeuwen gaan de Saksen en de Angelen voortdurend in conflict met elkaar om de hegemonie te verkrijgen in Engeland.

 

Het resulteert in de hegemonie van Mercia waar Ethelred de baas wordt van de verenigde Angelsaksen. De Angelsaksische wortels van Arnulf de Bevere laten zijn sporen na in de naamkeuze van zijn burcht aan de Ijzer. De naam 'smutha' is een typische Angelsaksische naam. De Franken die Vlaanderen hadden overgenomen van de Romeinen, spraken met hun Hoogduitse taal over 'Mund' (bijvoorbeeld nu nog in Dortmund). De Angelsaksen (net als de Friezen) schrappen de 'n' en spreken over 'Mûth', wat zich manifesteert in het Engelse 'Mouth' zoals in 'Portsmouth' en 'Plymouth'. Het is dus echt eens interessant om even uit te vissen welke de origines zijn van de naam van Portsmouth. De 'Southwick Cartularies' vermelden de plaats in de 9de eeuw als 'Portesmuða', poort van de haven.

 

Een tekst in het oude Angelsaksisch toont de zo goed als perfecte 'match' aan tussen Portesmutha en Dicasmutha. Portesmuða en Dicasmuða: 'Her cwom Port on Bretene his .ii. suna Bieda Mægla mid .ii. scipum on þære stowe þe is gecueden Portesmuþa ofslogon anne giongne brettiscmonnan, swiþe æþelne monnan'. Wat in het Engels betekent: 'Here Port and his 2 sons Bieda and Mægla came to Britain with 2 ships to the place which is called Portsmouth and slew a young British man, a very noble man'. In het oude Vlaanderen en in Friesland vinden we de woorden 'muide' en 'muiden'. Zonder 'n'! Waar de Franken ooit aan zet kwamen zien we de woorden 'mond' en 'monde'. Met 'n'!

 

Ten zuiden van Haarlem zien we Lietemuthen evolueren tot 'Leimuiden'. Yselmouten is Ijselmonde geworden. Bij ons is Dicasmutha later Dixmude geworden. Zonder 'n'! De Salische Franken laten nochtans de steden Dendermonde, Rupelmonde achter. Aan de voet van de burcht in Dicasmutha ontstaat nu stilaan een nederzetting. Burcht en nederzetting kunnen best omschreven worden als een versterking met een neerhof. De nederzetting zal de komende eeuw uitgroeien tot een bevolkingskern die op basis van haar vele inwoners rechten zal krijgen om een eigen parochiekerk te bouwen. Het wordt stilaan tijd om zich af te scheiden van de moederkerk van Eessen.

 

Op 31 oktober 1089 bevestigt de oorkonde van Robrecht II, markgraaf van Vlaanderen, de proost van het Brugse Sint-Donaaskapittel in hun bezittingen. Bij de goederen van de kanunniken bevindt zich de 'de aecclesia de Hesna, cum capellis sibi attinentibus, Dicasmutha et Clarc'. Dixmude staat nu definitief op eigen benen.

 

Terug naar de periode 940-960. De Bevere heeft als burggraaf van Dixmude inderdaad een beperkte taak. Hij is alleen militair commandant van de grafelijke burcht. De overige bestuurlijke taken die bij een burggraaf horen, moet hij niet voor zijn rekening nemen. Dat kan in feite alleen betekenen dat hij niet uit de regio komt en dat hij daardoor de vereiste aansluiting met de bevolking en adel uit de regio mist. Een stevige link met zijn achterban is zeker nodig om de bestuurlijke taken goed te kunnen vervullen. Normaliter worden burggraven daarom gekozen uit de regionale adel. Arnulfs nazaten krijgen die aansluiting wel door hun verblijf in de regio en vooral dank zij hun huwelijken met blauwbloedige Vlaamse vrouwen.

 

Daardoor zullen ze later wel degelijk de overige, normale bestuurstaken toegewezen krijgen. Als Arnulf in het jaar 965 sterft, wordt hij opgevolgd door zijn 25-jarige zoon Diederik I de Bevere. Het geslacht de Bevere krijgt in elk geval het nodige vertrouwen van de graven van Vlaanderen. Telkens wanneer de graaf op expeditie vertrekt naar het buitenland, delegeert hij de macht over Vlaanderen aan één van de Vlaamse edelen. Het is een hele eer die alleen de hoogste en dapperste edelmannen kunnen verwachten.

 

Wanneer graaf Arnulf op missie vertrekt voor zijn oorlog tegen de Lombarden, stelt hij Diederik I van Dixmude aan als zijn plaatsvervanger. We spreken over het jaar 965. Diederik I wordt tijdens die periode in de val gelokt te Gent en belegerd door de troepen van de koningen van Frankrijk, Engeland en Schotland. De burggraaf bewijst dat hij van geen kleintje vervaard is en vecht zo hard terug dat de vijandelijke troepen zich genoodzaakt zien om zich terug te trekken. Het burggraafschap Dixmude beperkt zich in die beginjaren trouwens tot het gebied binnen de stadsomwalling. In deze feodale tijd is Dixmude een leen net zoals veel andere lenen in het Westkwartier.

 

De leenheren komen één keer per jaar samen onder voorzitterschap van de graaf om de financiën en de wetgeving in de respectieve leengebieden te bespreken. Deze vergadering wordt de 'haulte Renenghe' genoemd of de 'chambre des renenghes'. De term renenghes is afkomstig van het woord 'relanga' wat staat voor 'rekenschap geven i.v.m. de koninklijke rechten'. De leden van de kamer wordt 'reneurs' of 'haute reveurs' genoemd.

 

Dixmude heeft nu zijn militaire bevelhebber en krijgt zijn rechten en plichten toegewezen van de Renenghe. Maar wie is eigenlijk de eigenaar van de wouden van West-Vlaanderen en van Dicasmutha? De discussie over de eigendomsrechten zal enkele honderden jaren voor de nodige controverse zorgen. In 1030, tijdens een conflict tussen de graaf en de abdij van Corbie, worden de eigendommen door graaf Boudewijn aangeslagen.

 

In 1096 wordt de ruzie bijgelegd en worden beide partijen co-eigenaar van de bossen van West-Vlaanderen. Bij die overdracht wordt er een akkoord ondertekend tussen Erkembold van Eessen en graaf Robert II waarbij overdracht van gronden te Eessen en Dixmude aan de abdij van Corbie geregeld wordt. De naam van Rudolf van Eessen verschijnt trouwens eveneens in 1112 bij de overdracht van gronden ten gunste van de abdij van Bourbourg. Die abdij heeft trouwens nogal wat in de pap te brokken te Dixmude. Het begint op 14 oktober 1104 als Robrecht II een schenking van tienden door Hodierne, de zoon van Isaak van Bailleul, aan de abdij van Bourbourg aanvult met tienden die betrekking hebben op Dixmude. In 1115 schenkt graaf Boudewijn ook al gronden bij de Ijzer, en in Slijpe, aan Bourbourg. Dixmude geraakt in het eerste deel van de 12de eeuw stilaan bekend als een belangrijk commercieel centrum.

 

Dat blijkt onder andere in de keure die de inwoners van Sint-Omaars krijgen van hun graaf Willem van Normandië. Ze krijgen in 1127 immers een volledige vrijstelling voor wat betreft het betalen van rechten en belastingen in de haven van Dixmude. De belangrijkheid van Dixmude blijkt ook bij de stichting van de nieuwe stad Nieuwpoort in 1160. Het 'nieuwe' Nieuwpoort wordt heropgebouwd op de heuvel Sandeshoved waar Lombardsijde in 1115 eerder vernield werd.

 

Op het moment van de aanleg van Nieuwpoort schenkt graaf Filips van den Elzas de Nieuwpoortenaars identieke voorrechten en vrijheden zoals die van de inwoners van Dixmude. Ondanks het ontbreken van de originele keure is de tekst op de Nieuwpoortse keure een afdoend bewijs van de voorrechten waarover de Dixmudelingen blijkbaar al eerder over beschikken. Op 22 augustus van het schrikkeljaar 1144 wordt de nieuw opgetrokken kerk van Dixmude eindelijk gewijd. Door Milo, de bisschop van de Morinen.

 

In het oorspronkelijke kerkboek staat te lezen dat ze onder andere opgedragen wordt aan de apostel Thomas en aan de martelaars Vincent en Lambert. In 1164 vinden we een schenking terug van Dixmudse gronden (gronden die zich situeren in de plaats 'Ha') door een zekere Bernard van Sumeringhem. Opnieuw is de begunstigde de abdij van Bourbourg. Die laatste akte wordt trouwens ondertekend met goedkeuring van Filip van den Elzas, die aanwezig is als de deal wordt afgesloten. De exploitatie van het reusachtige bos tussen Ieper en Dixmude en de ontginning ervan in de 11de en 12de eeuw is onderworpen aan een speciale regeling tussen de abdij van Corbie en de graaf.

 

Uit deze regeling blijkt dat de graaf en de abdij de opbrengst van het onontgonnen gebied in onverdeeldheid houden. Ze blijven gezamenlijk eigenaar. Ze komen overeen om de ontgonnen delen van het bos, de 'terra vacuae', jaarlijks te inventariseren en als mede-eigenaars in gelijke delen onder elkaar te verdelen. De door de abdij geregelde ontginning van de bossen, zorgt er deels voor dat omwonenden clandestien hun stukje van de taart willen meepikken en de wouden voor eigen profijt gaan ontginnen. Het hout speelt uiteraard een belangrijke rol voor de bouw van woningen en voor de verwarming ervan. Het is een jarenlange en onomkeerbare roofbouw die stelselmatig knabbelt aan de buitenkant van die immense wouden.

 

Zo ontstaan er in de onmiddellijke nabijheid van Dicasmutha inderdaad van die 'terrae vacuae', kale heidegebieden, waar nu ook massaal turf kan worden gewonnen. Woemen en Klerken vinden hun ontstaan in deze terrae vacuae. De moerasgebieden van de Blankaart zijn de restanten van de turfwinning in de gekapte Westhoekbossen. Het geslacht de Bevere blijft de macht uitoefenen in Dixmude. Na Diederik I komt Diederik II van Beveren. Gevolgd door Diederik III die eveneens bekend wordt als Halewijn I van Leiden.

 

De 60-jarige Diederik III en zijn echtgenote Beatrix, de dochter van de heer van Gent, laten bij zijn overlijden in 1070 één zoon na. Weer een Diederik, het zal in die dagen wel Thierry geweest zijn. Deze keer is nummer vier aan de beurt. Diederik IV. In 1096 zien we dat Diederik IV van Beveren en van Dixmude mee trekt op kruistocht naar het Heilig Land. Samen met graaf van Vlaanderen Robrecht II (van Jeruzalem). Diederik IV krijgt op zijn beurt twee zonen, Diederik V en Willem, en een dochter. Diederik V wordt in 1126 de nieuwe heer van Dixmude.

 

Hij trouwt met Margaretha, de dochter van Wouter van Zottegem. Willem bouwt zijn carrière op als officier in Jeruzalem waar hij de titel krijgt van 'prins van Galilea'. Hij zal in 1181 door de Turken vermoord worden. Zijn zoon Elian van Dixmude volgt hem op in al zijn functies. De dochter van Elian zal later in het huwelijk treden met Gauthier van Saint-Omer.

 

Diederik V, sinds kort de nieuwe burggraaf van Dixmude, krijgt in 1127 te maken met de moord op zijn graaf. Karel de Goede wordt op 2 maart, na een samenzwering, in Brugge vermoord. Daders zijn de families Erembald en Vander Straeten die de huurmoord laten uitvoeren onder de leiding van de machtige proost Bertulf Erembald. Hebzucht en de strijd om de macht zijn de drijfveren. Intriges alom. Karel de Goede wordt in Brugge vermoord in de St Donaaskerk, nadat hij tijdens een hongersnood de graanzolders van kooplieden heeft laten openbreken om de hongerige Vlamingen aan eten te helpen.

 

De graaf laat geen kinderen na en bezit alleen verre Deense bloedverwanten. Wie moet hem nu van rechtswege opvolgen? Het Vlaamse land dreigt zich abrupt in een anarchie te storten. Er wordt aanvankelijk wat getreuzeld maar uiteindelijk komen de allerhoogste edellieden van het graafschap bijeen. Het wordt onmiddellijk duidelijk dat de Vlaamse edelen onderling diep verdeeld zijn. De Bruggelingen koesteren een diepe haat tegen de heren Vander Straeten en het geslacht Erembald dat zich vanuit het lijfeigenschap heeft weten op te werken tot 'incontournable' in Vlaanderen.

 

Althans tot op het moment van de moord op de graaf. De proost Bertulf vormt met al zijn neven in Vlaanderen zowat de grootste macht na de graaf. De macht van het steenrijke geslacht van Erembald is buitengewoon groot. Ze bezitten de burggraafschappen in Sint-Winoksbergen, St.-Omaars en Brugge en daarbij nog een eersterangs heerlijkheid in Vladslo. Het hele gebied ten noordwesten van Brugge staat onder hun invloed en controle. Allen hebben ze hun wortels en hun achterban in de kuststreek. Vooral hun thuisstad Veurne en Veurne-Ambacht onderhoudt nog steeds nauwe betrekkingen met de Erembalds. Ook Ingelram van Eessen behoort tot de Erembald-clan.

 

Karel de Goede was voor zijn dood niet de enige vijand van de Erembalds. De heer van Dixmude, Diederik V, en de mensen van het woud, het woud van Houthulst, koesteren een diepe wrok tegen de Erembalds en leven in grote vijandschap met die van Veurne-Ambacht. Waarom die vijandschap tussen Veurne en Dixmude? Wie zal het zeggen? Maar dat Diederik V van Dixmude door heel het verhaal heen de meest standvastige vijand is van de Erembalds, lijkt duidelijk. Diederik vindt in Rijkaard van Woemen, de man van het woud van Houthulst, een loyale en trouwe bondgenoot.

 

Gaat het hier om een oeroude afkeer tussen de lieden van de zeekant en de mensen van het woud? Die hevige vijandschap zal de Erembalds uiteindelijk zuur opbreken. Kort na de moord op graaf Karel breekt de tijd van vergelding aan. Diederik V van Dixmude en Robrecht van Woemen vertrekken met een groot aantal edelen naar Brugge om er af te rekenen met de clan Vander Straeten. Zij zijn verantwoordelijk voor de laffe aanslag. Bij de moord is eveneens hun welbekende buur en verwant Ingelram van Eessen betrokken. De moordenaars en hun aanhangers worden binnen de kortste tijd belegerd aan de St.-Donaaskerk en aan de burg van Brugge.

 

De klopjacht op de moordenaars wordt ingezet. De heren van de respectieve heerlijkheden vangen de strijd aan met hun vazallen en alle beschikbare weerbare mannen. De kronieken geven het duidelijk aan: 'de elfde maart, vrijdag, kwam Daneel, een van de pairs van het rijk en iemand die voorheen, voordat de verraderlijke aanslag op de graaf plaatsvond, nauwe vriendschapsbanden onderhield met de proost (Bertulf Erembald) en zijn neven, haastig toegesneld naar het beleg, in gezelschap van Rijkaard van Woemen, Diederik, burggraaf van Dixmude en Walter, bottelier van de graaf. Elk van die leiders was met zijn voltallige krijgmacht komen opdagen om de moord op de graaf, zijn heer, te wreken.'

 

De wraak van Diederik en zijn metgezellen is verschrikkelijk. De burcht waar de samenzweerders zich verschuilen, wordt in brand gestoken. Onder hen bevindt zich Ingelram van Eessen. Proost Bertulf, leider van de samenzweerders, vlucht naar Keiem. Naar de hoeve van zijn kompaan Bosschaert. Van daar trekt hij, opgejaagd als een wild everzwijn, naar Veurne en Waasten. In Ieper wordt hij ten slotte gegrepen en opgehangen. Diederik vindt bij het bestormen van de burcht in Brugge nog een samenzweerder. Gijsbrecht. De man besterft het letterlijk en figuurlijk van de schrik.

 

Van Beveren bindt de sukkelaar vast aan de staart van zijn paard en sleurt zijn lichaam in een slijkput. Ingelram van Eessen vlucht naar het Duitse Mannheim, waar hij gevat en gevonnist wordt. De strijd voor de opvolging van Karel de Goede moet nu alleen nog maar beslecht worden! En dat is geen eenvoudige oefening. De Franse koning, opperleenheer van Vlaanderen, moeit zich met deze staatszaak in zijn leengebied. Hij stelt Willem Clito, die van Normandië, aan als nieuwe graaf. De steden hebben elk zo hun eigen mening over de keuze van de aan te stellen graaf. Ze voeren onderling een felle actie ten gunste van hun kandidaat.

 

Burggraaf Diederik V van Dixmude en zijn verwanten erkennen Willem Clito, maar de stad St.-Omaars ziet Arnold, een neef van de vermoorde Karel de Goede, meer zitten. Dat terwijl Atrecht Boudewijn van Henegouwen als graaf kiest. De Gentenaars verkiezen Diederik van den Elzas. De Bruggelingen willen op een bepaald moment zelfs de graaf van Holland op de troon plaatsen. Ieper blijft de hele tijd trouw aan Willem van Loo, een bastaard uit het Vlaamse huis. Ook Rijsel, Aardenburg, Aire en Oudenaarde hebben zich krachtdadig voor de ene of de andere kandidaat uitgesproken.

 

De steden verkiezen na verloop van tijd Diederik van den Elzas. Maar die keuze heeft veel voeten in de aarde. Het feit dat Willem van Normandië uiteindelijk zal sneuvelen, zal de keuze ten slotte vergemakkelijken. Diederik van den Elzas wordt in 1128 de nieuwe graaf van Vlaanderen. In dat zelfde jaar 1128 overlijdt Diederik V. Op dat moment heeft hij al een zoon (Diederik de zesde, wie anders?) van 38 jaar. Om onduidelijke redenen echter wordt een zekere Bertulf als nieuwe heer van Dixmude benoemd.

 

Deze Bertulf wordt niet 'van Beveren' genoemd. Wanneer Bertulf kinderloos in 1139 sterft, komt het burggraafschap over Dixmude uiteindelijk dan toch in handen van Diederik VI van Beveren. De heer van Dixmude is trouwens ook recent aangesteld als graaf van Aalst. Diederik VI zal het tot in 1174 uitzingen. Hij wordt in Aalst, Beveren en Dixmude opgevolgd door zijn zoon Diederik VII (1125-1195). De heren van Dixmude houden prima relaties aan met de abdij Ter Duinen en de abdij van Sint-Winoksbergen. In 1121 schenkt Bertulf meerdere Dixmudse eigendommen aan Ter Duinen. Diederik VI schenkt bij zijn dood in 1174 een jaarlijkse rente van 6000 palingen aan Ter Duinen. Hij wordt er trouwens begraven.

 

Met de dood van graaf Filips van den Elzas in 1191 breken troebele tijden aan. Er ontstaan onlusten waarbij de graaf van Henegouwen en de koning van Frankrijk zich gaan bemoeien met het Vlaamse leengebied. Diederik VII mengt zich in de strijd omdat ook één van zijn eigendommen, het graafschap van Aalst, er bij betrokken wordt. Hij maakt in die jaren een aantal verkeerde keuzes door onder andere aan de kant te gaan staan van de graaf van Namen. De relatie met de graaf van Vlaanderen is zodanig verziekt, waardoor hij in 1195 uit Vlaanderen wordt gebannen.

 

De Westhoek en Dixmude zijn in de jonge jaren van het graafschap van Vlaanderen heel centraal gelegen. De Vlaamse grenzen bevinden zich ten zuiden aan de Aa en ten oosten aan de Leie. Brugge en Ieper zijn de belangrijke steden maar regionale centra, waaronder Nieuwpoort, Dixmude, Veurne, Torhout, Oostende, Kortrijk en St.-Omer zijn zich in ijltempo aan het ontwikkelen. De Vlaamse graaf speelt een belangrijke rol in de expansie en uitbouw van de Ijzervlakte. In de 10de eeuw is zijn beheer als grootgrondbezitter voornamelijk afgestemd op de schapenteelt en de wolproductie.

 

De weelderige wol, afkomstig van kudden uit de uitgestrekte schorren, laat de Ieperse lakenindustrie ontstaan. De explosieve groei en bloei van die industrie zal grote invloed hebben op de ontwikkeling van de Westhoek. En eveneens op de economische uitbouw van Dixmude. Dat zien we uiteraard aan het actieve management van de graaf. Zijn goodwill en medewerking uiten zich in de uitbouw van de nodige markt- en opslaginfrastructuur bij de grafelijke verblijfplaatsen zoals Dixmude, Veurne en Lo. Hier en nu worden de fundamenten gelegd van de toekomstige stadsvorming.

 

leper ziet zich door zijn grote industriële expansie verplicht om zijn handelsverbindingen via het water te versterken. Mede door de ondertussen sterk toenemende landinname doorheen de hele IJzervlakte, blijkt Dixmude de ideale vooruitgeschoven havenpost voor leper te worden. Met natuurlijk de bedoeling om een excellente verbinding te onderhouden met de bruisende Noordzeehaven van Nieuwpoort. De nederzetting Dixmude groeit in de 12de eeuw stilaan uit tot de eerste IJzerhaven. Met dank aan de graaf. In de loop van die eeuw evolueert de stad naar een belangrijk, vitaal en regionaal handelscentrum.

 

Een levend bewijs van die ontwikkeling, zijn de talrijke vrijheden waar de plaatselijke handelaars van kunnen genieten. Dixmude profiteert van zijn uitstekende ligging. De zeeverbinding, via de Ijzer, naar Nieuwpoort, is van cruciaal belang voor de industriële bloei van de Westhoekeconomie. Dixmude vormt als het ware het ultieme sluitstuk van het succesvol netwerk van de Vlaamse jaarmarkten van Brugge, Torhout, leper en Rijsel, die via land- en waterwegen met elkaar in verbinding staan. Onder de ingevoerde goederen is wol natuurlijk de 'numero uno'. Die wol wordt ook op de diverse Westhoekmarkten verkocht. Ze wordt natuurlijk eveneens in grote hoeveelheden geproduceerd in de streek zelf en de opbrengst ervan wordt nog opgedreven dank zij de talrijke nieuwe weilanden die in de 12de eeuw, ten gevolge van het polderwerk, tot stand komen.

 

De voornaamste kooplieden, zowel voor wol als voor andere goederen, komen van Sint-Omaars, leper, Brugge, Poperinge en Dixmude. In de eerste keure van Sint-Omaars (1127) wordt aan de gilden van Sint-Omaars tolvrijheid toegekend in portus Dixmude en in Grevelingen. Dit bewijst dat de goederen die Sint-Omaars met Engeland verhandelt via Dixmude, Nieuwpoort en Grevelingen verscheept worden. Tijdens de 12de en 13de eeuw zien we een gestage groei van de bevolking langs de toegangswegen van de Ijzer naar het centrum toe waar trouwens een marktplaats aan het ontstaan is.

 

De centraal gelegen Sint-Niklaaskerk staat op het snijpunt van de belangrijkste toevoerwegen. De Handzamevaart vormt zowat de noordelijke grens van de jonge stedelijke kern. In de loop van de 13de eeuw nemen de inwoners eveneens de lager gelegen gronden aan de zijkant en de noordkant van de waterloop in. De Kleine en Grote Dijk vormen een nieuwe verbindingsas.

 

Achter dit sas verrijzen een begijnhof en een nieuwe stadswijk die 200 jaar later zullen opgeslorpt worden door een nieuwe muurversterking. De verbinding met het centrum van Dixmude gebeurt via een viertal bruggen over de Handzamevaart. Hiervan blijven anno 2012 enkel nog de bruggen aan de Vismarkt en aan de Oostendestraat over. Waar de stadsmuur de Kleine Dijk en de Handzamevaart doorsnijdt zal later de Westpoort worden opgetrokken, een combinatie van een brug, land- en waterpoort.

 

Er is meer dan voldoende water in Vlaanderen na de opeenvolgende 'Duinkerke transgressies'. De kustvlakte is een erg waterrijk gebied. Met de 'boomende' economie wordt het voor de Ieperlingen vooral noodzakelijk om het water te kanaliseren en er optimaal gebruik van te maken om goederen en textiel over het water te vervoeren. Brugge, Nieuwpoort? Het water moet absoluut beheerst worden. Een reeks van waterbouwkundige werken zijn in aantocht. Nieuwpoort en Dixmude zijn maar al te gelukkig met de Ieperse en Poperingse initiatieven die zich in hun achtertuin afspelen. Het uitgraven van de diverse kanalen is natuurlijk een titanenwerk in de vroege middeleeuwen. Er is geen sprake van machines. Duizenden mensenhanden moeten het werk doen.

 

Tussen de kust en Ieper is het land de eerste 15 km zo goed als vlak waardoor het water amper verval kent. De oevers van de kanalen moeten in staat zijn om het spel van eb en vloed op te vangen. De waterdiepte moet constant en voldoende zijn om jaar in jaar uit een perfecte bevaarbaarheid te garanderen. En dat allemaal terwijl het water zich stilaan weer aan het terugtrekken is na de laatste algemene overstroming van de periode 1050-1100. De ingenieurs staan voor een delicate opdracht.

 

De werken vangen aan in 1183. Het kanaal tussen Veurne en Dixmude wordt gegraven. In 1187 geeft graaf Filips van den Elzas de toestemming aan de Poperingenaars om een kanaal aan te leggen tussen de Ijzer en Poperinge. In een eerste fase wordt de Vleterbeek tussen Poperinge en Elzendamme uitgediept en gekanaliseerd tot de Poperingevaart. In diezelfde periode wordt Veurne met de Ijzer via het Lokanaal verbonden. De Zarrenbeek en de Krekelbeek tot Handzame worden uitgediept. In 1243 komt er een kanaal tussen Aardenburg en de Noordzee.

 

In 1251 een kanaal tussen Gent en Aardenburg. Margaretha van Constantinopel geeft in 1251 de toestemming aan de Ieperlingen om het kanaal Ieper-Nieuwpoort aan te leggen. De Ieperlee, de ader die Ieper met de zee verbindt, kent een uiterst wisselvallige bevaarbaarheid. Tussen Ieper en Boezinge moet een hoogteverschil worden overwonnen. Tussen Boezinge en de 'Knocke' wordt een nieuw kanaal aangelegd. Er worden een aantal dammen aangelegd waar 'overdrachten' worden gebouwd. Naast de Ieperlee wordt er eveneens een nieuw kanaal aangelegd: het 'Zylinc'. Ieper moet noodgedwongen investeren in waterwerken onderweg naar de kust. Er zit weinig anders op. Sluizen, overdrachten, bruggen. Voortdurend onderhoud van de vaargeulen is essentieel.

 

De bouw van de sluis tussen 1240 en 1250 in Nieuwendamme is van kapitaal belang om de wisselwerking van de aanvoer van zowel zeewater als binnenwater onder controle te krijgen. In 1251 wordt de Lovaart onder handen genomen. De schepenen van Ieper schenken 6000 ponden Vlaams geld aan Thomas de abt van de abdij Ter Duinen en aan Egidius, de heer van Dixmude om de vaart tussen Ieper en de Broeken uit te diepen. In 1168 kent graaf Filips van den Elzas uitzonderlijke rechten toe aan de inwoners van buurstad Nieuwpoort (Sandeshoveth): ze worden totaal vrijgesteld van het betalen van enige tolrechten, doorgangsrechten en hansarechten. De vrijstelling geldt voor het hele Vlaamse rijk. Het exclusieve handelsvoordeel van de Nieuwpoortenaars stuit echter op verzet van Dixmude.

 

Het oppergezag te Dixmude is in handen van Diederik VI van Beveren, de plaatselijke kasteelheer. De castelanus. Hij alleen kan beslissen of men al dan niet de tolkeure van Nieuwpoort in Dixmude zal toepassen. Diederik is in 1163 medeondertekenaar geweest van de stadskeure van Nieuwpoort, maar niet van de tolkeure van 1168. Hij weigert deze laatste in Dixmude toe te passen. Dixmude is immers een belangrijk overslagcentrum, een transitpunt voor de scheepvaart tussen Sint-Omaars, Ieper en Nieuwpoort.

 

De vrijstelling van rechten voor de buurstad dreigt handenvol geld te kosten aan Dixmude en de castelanus wil dit ten kost wat kost voorkomen. De situatie zal uiteindelijk aanslepen tot 22 april 1270 wanneer één van zijn opvolgers, Diederik IX van Beveren en zijn vrouw Margaretha, voor eeuwig de stad Nieuwpoort en haar inwoners zullen vrijstellen van alle tolgelden in Dixmude. Het verbreden en uitdiepen van de waterlopen in de regio rond Dixmude zal niet vreemd zijn aan die beslissing. De aangepaste waterwegen zijn rond 1270 ook een must voor de graaf die via de kanalen van de Westhoek zijn afreis naar het Heilig Land dient te organiseren.

 

Een nieuwe kruistocht dient zich nog maar eens aan. De stad leper zegt hem hierin ruime bijstand toe in het verschaffen van schepen en voorraad voor zijn leger. Het verbreden van de waterlopen betekent ongetwijfeld ook een maatregel die tot doel heeft het verkeer tussen leper en Nieuwpoort, transithaven voor wat betreft de bevoorrading van het leger dat naar Tunis zal vertrekken, te optimaliseren. Zo goed als alle goederen die vanuit Ieper naar Nieuwpoort verscheept worden, moeten langs Dixmude voorbij. De tolheffing in Dixmude betekent niet alleen tijdverlies, maar betekent ook een schadelijke zaak voor de kruistocht. De man die er profijt van trekt is dan ook de castelanus van Beveren.

 

De gravin en de steden leper en Nieuwpoort laten de burggraaf verstaan dat dit moeilijk te rechtvaardigen is, hoewel hij het in rechte eigenlijk mag. De gravin wijst er Diederik van Beveren op dat het ogenblik opportuun is om zijn honderdjarig verzet tegen de tolkeure van Nieuwpoort (1168-1270) voor goed op te geven.

 

De aangekondigde kruistocht verschaft hem immers een perfect alibi om zijn verzet in te trekken, zonder zich bloot te stellen aan aantijgingen van schaamte of zwakheid. Zijn naam zal integendeel in aanzien stijgen, omdat hij het doet voor het welzijn van de kruistocht en de katholieke kerk. De burggraaf van Dixmude zwicht uiteindelijk voor de wensen van de gravin. Dat gebeurt op de dinsdag na 'quasimodo' (quasimodozondag is de eerste zondag na Pasen). Op dinsdag 22 april 1270 verklaren Diederik IX van Beveren en zijn vrouw Margaretha dat ze voor eeuwig de stad Nieuwpoort en haar inwoners zullen vrijstellen van alle tolgelden in Dixmude.

 

En dat in het welzijn van de kruistocht! Tussen 1168 en 1270 is er ondertussen nogal wat water via Dixmude naar de zee gestroomd. Met het aanbreken van de 13de eeuw breekt een periode aan van politieke instabiliteit, geweld en oorlogen waar ook Dixmude zijn deel van zal krijgen. Het komt tot grote spanningen tussen de graaf van Vlaanderen en de Franse koning die het Vlaamse grondgebied meer en meer als zijn leengebieden gaat terugeisen. Na de (vermeende) dood van graaf Boudewijn tijdens de kruistocht, worden Margaretha en Johanna, zijn gedoodverfde opvolgers, aan het Franse hof verder groot gebracht. Koning Filips-Augustus verplicht Johanna te trouwen met de Portugese edelman graaf Ferrand, die aangesteld wordt als graaf van Vlaanderen.

 

De Ieperse kronieken weten wel beter. Het is Diederik VIII die aan het roer staat in Dixmude aan het begin van de jaren 1200. In 1203 trekt hij naar Palestina. Naast de heerschappij over de heerlijkheid Dixmude, staat hij in 1207 ook bekend als de heer van Deinze. In 1215 verleent hij volledige vrijstelling van tolrechten en doorvoerrechten in de haven van Dixmude aan de nabijgelegen Duinenabdij.

 

De Duinenabdij en de Diederiks van Dixmude zijn nog altijd twee handen op één buik. Op 15 mei 1222 schenken Diederik en zijn vrouw (met de goedkeuring van zijn broers) een aandeel van de totale palingvangst in de Ijzer. In het geval dat de Ijzer droog zou komen te staan, zal het klooster vergoed worden met een som van 40 Vlaamse ponden die zal toegevoegd worden aan hun eigendom van gronden gelegen in Dixmude. De kwaliteit van de palingen dient behoorlijk te zijn. Indien dit niet het geval is, belooft de burggraaf van Dixmude het jaar erop een dubbele quota van de palingvangst. Diederik VIII heeft een broer die luistert naar de naam 'Willem'. Willem van Dixmude verleent in 1229 vrijstelling van tolrechten in het Zeelandse Axel aan de abdij Ter Doest.

 

Op het charter van die vrijstelling staat vermeld: 'Miles, filius domini Theoderici senioris de Beverna et Castellani de Dixmuda'. Diederik VIII zelf is getrouwd met Isabella van Wallers. De roemruchte familie van Dixmudse burggraven bezit trouwens zijn eigen zegel. Centraal staat een ruiter in harnas met het zwaard in de hand en een wapenschild op de borst. Aan de rand staat 'THEODERICIDEB EVN A SIGILL' te lezen. Wat staat voor 'Theoderici de Beverna castellani de Dixmuda - Clavis Sigilli'. Er bestaat trouwens nog een variante van dit zegel. Het is een ovale zegel met de afbeelding van een vrouw in kloostergewaad met een lelie in de rechterhand. Hier staat op de randen de vermelding 'DE WALLERS + SISABELLIS'

 

Politiek! Aanvankelijk schikt de nieuw aangestelde graaf Ferrand zich naar de wensen van de Franse koning, maar gaandeweg groeit zijn verzet tegen het imperialisme van de zuiderburen. Hij sluit een alliantie met de Jan zonder Land, de koning van Engeland en verzoekt zijn edelen om hem bij te staan in zijn oorlog tegen Frankrijk. Eén van die edelen is Diederik VIII van Dixmude. De oorlog van Ferrand loopt af met een zware nederlaag wanneer de graaf verslagen wordt ter hoogte van het Franse Bovines. We spreken van 27 juli 1214. Ferrand wordt voor 12 jaar opgesloten in een Franse cel. In de verschillende forten van Parijs worden in totaal 300 Vlaamse ridders gevangen gezet. Onder hen Revelin de heer van Lampernisse.

 

Hij wordt vrijgelaten tegen de betaling van een aanzienlijke som geld. Uiteindelijk worden alle 300 ridders vrijgelaten tegen een kostprijs die opgelopen is tot 35 pond parisis per kop. Terwijl Ferrand gevangen zit in Frankrijk, wordt zijn vrouw Johanna de nieuwe gravin van Vlaanderen. En dat betekent op de keper beschouwd, eigenlijk een prima zaak. In 1224 ontstaat er een geschil tussen Diederik VIII van Dixmude en gravin Johanna. Een dispuut rond de visserij in Dixmude. Ze stellen scheidsmannen aan om het geschil te vereffenen. De burggraaf van St-Omaars en een zekere Gilbert van Sotinghem, worden op de maandag van het ascensionsfeest van 1242 aangesteld. Diederik belooft de uitspraak, welke die ook is, te zullen respecteren.

 

De burggraaf van Dixmude is een diepgelovig man. In die tijd geloven de mensen er rotsvast in dat ze met de schenking van geld en voordelen hun hemel kunnen kopen. Diederik VIII van Dixmude doet in elk geval flink zijn best. In 1242 geeft hij vrijstelling van het betalen van wijntienden aan de abdij van Aulne tot 'lafenis van zijne ziel en van die zijner voorouders'. In 1233 is er in Duitsland een ketterij ontstaan door de Stodingers. Paus Gregorius IX verzoekt de christelijke mogendheden om de nieuwe ketterij te bevechten en het omsingelde klooster van Bremen te ontzetten. Diederik VIII van Beveren, kastelein van Dixmude, is opnieuw van de partij om zijn steentje bij te dragen. Zo ook een jaar later. In 1234, net nu de prijs van de levensmiddelen aan het pieken is, ontstaat de pest in Vlaanderen.

 

Het kan niet slechter vallen. Volgens de kronieken zijn ze zo godvruchtig dat ze deze keer het klooster van Hankvliet Nieuwland volledig vrij maken van alle mogelijke tolrechten in Vlaanderen. Na de dood van de Franse koning Filips-Augustus in 1223 wordt Ferrand van Portugal vrijgelaten. Hij blijft nog tien jaar aan als graaf van Vlaanderen. Hij sterft kinderloos in 1233. Na zijn dood neemt zijn weduwe opnieuw het roer over en benoemt ze burggraaf Diederik VIII van Dixmude tot baljuw van heel Vlaanderen. Het is duidelijk dat de kasteleinen van Dixmude een groot gezag hebben. Diederik trouwt met Beatrijs van Tricht. Ze krijgen twee kinderen: Beatrijs en Diederik.

 

De zoon Diederik IX volgt naar familietraditie zijn vader op en krijgt zelf acht kinderen. Zijn oudste zoon Hendrik zal hem opvolgen als burggraaf van de stad. Het is eindelijk eens niet een Diederik. In september 1227 staat de verkoop genotuleerd van een stuk grond met een huis gelegen dicht bij de waterloop de Ede. De schepenen van Dixmude bevestigen dat Thierri en Jacques, de zoon van Michel en van Godelieve van Thorout een huis met afhankelijkheden verkopen aan Lambert Tinctor voor de prijs van 22 pond en 32 denieren.

 

De eigendom met grond is gelegen in het noorden van de stad en strekt zich uit tot aan de Ede. In 1233 bevestigt Margaretha van Constantinopel een gift van 100 stuivers van Thomas van Beveren om op een stuk grond dat hij in leenpacht had van de gravin een kapel te bouwen. De transactie gaat door de vrijdag na Pasen.

 

Tussen Woemen, Eessen en Dixmude staat in de 13de eeuw een vrouwenklooster dat de naam 'Hemelsdale' draagt. In de vroege middeleeuwen zijn abdijen en kloosters voornamelijk ingericht voor mannen. De strenge levenswijze van de Cisterciënzers oefent echter eveneens een sterke aantrekkingskracht uit op vrouwen. In 1123 wordt in Tard bij Dijon een eerste vrouwenklooster gesticht. Het betekent de start van een hele reeks vrouwenkloosters.

 

Het klooster dat pas later Hemelsdale zal genoemd worden wordt in het jaar 1237 gesticht te Eessen bij Dixmude door de edele vrouw Elisabeth, weduwe van ridderheer Boudewijn van Steenvoorde. Ten tijde van de schenking draagt het landgoed waar Hemelsdale zal gebouwd worden de naam 'Hieth'. Zo staat het ook opgetekend in de kwijtscheldingsbrieven van Diederik van Dixmude die de landerijen van de nieuwe stichting van 'del Heed' in 1241 en 1283 tiendenvrij verklaart. De namen van Hiede, Hiet, Hieth en Hiede duiken steeds opnieuw op in die periode. Het is duidelijk dat Hemelsdale gebouwd wordt in de heide, de 'terrae vacuae', tussen Woemen en Dixmude. Waar komt de naam 'Hemelsdale' vandaan? Staat de naam aanvankelijk niet als 'Heessendael' naar de naam van Eessen?

 

Diederik IX van Beveren schrijft in 1244: '... quitamus in perpetuum abbatissam, conventum de valle cell'. Letterlijk vertaald: het convent van 's Hemelsdale. Op hetzelfde dokument staat te lezen '.... locum del Heed (hoc est nomen vallis celi) cum appendiciis suis in parochia de Esna'. In het dal tussen de heuvelruggen van Eessen en Klerken. De natuur van die tijd is er prachtig. De grond is er vruchtbaar. Dit hemels dal is een unieke plek om er een Cisterciënzerklooster te bouwen. Waarom dan niet de naam 'Heessendael' omvormen tot 'Hemelsdael?'.

 

'In 't jaer 1237 zyn de eerste grondsteenen geleyd van de vrouw-abdye 's Hemelsdaele genoemt'. De stichtster Elisabeth schenkt samen met haar dochters Margareta en Aleydis alles wat ze bezitten, zowel landerijen en renten aan de abdis Machteld van Origni van het klooster te Marquette bij Rijsel. De schenking gaat door in de decembermaand van 1237. De eerste religieuzen die het klooster in Eessen bewonen, komen afgereisd vanuit het klooster van Marquette.

 

Het landgoed dat mevrouw van Steenvoorde zo grootmoedig afstaat, is echter niet haar volle eigendom. Ze houdt het in leengebruik van Diederik IX van Beveren. Het goed is een herinnering aan de gigantische schenking van gronden in het jaar 940 door graaf Arnulf van Vlaanderen aan zijn neef Arnulf de Bevere. De burggraaf van Dixmude moet dus zijn goedkeuring geven aan die schenking. Diederik IX heeft in 1237 echter een klein probleempje. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heeft dus een extra goedkeuring nodig van zijn moeder samen met die van gravin Johanna van Constantinopel.

 

Beide edelvrouwen verklaren in maart 1238 dat Diederik heeft getuigd dat hij 'ter ere Gods en tot heil van zijn ziel, het klooster der Cisterciënzerzusters, hetwelk Elisabeth van het klooster der Cisterciënzerzusters, dat Elisabeth van Steenvoorde voornemens was te stichten, van alle leenplichten ontheft, en dat hij aan alle rechten verzaakt welke hij over het landgoed de ' Hieth ' kan doen gelden'. Van zodra Diederik IX van Beveren meerderjarig geworden is, bevestigt hij zijn goedkeuring aan de deal.

 

Tot nog toe weten we dat het klooster gebouwd is op het landgoed 'de Hieth' in de buurt van Dixmude. In een akte van 1248 schrijft diezelfde Diederik IX over het goed als gelegen in 'its parochia de Dna'. Eessen is een oude parochie. In 961 was de kapel van Dixmude nog afhankelijk van die van Eessen. De proosten van Eessen domineren in die tijd trouwens de kapellen van Woemen, Klerken, Kaaskerke en Sint-Jacobskapelle. Eessen grenst aan Dixmude, Vladslo, Werken, Zarren, Klerken en Woemen.

 

Maar waar is het landgoed 'de Hieth' precies gelegen? In een brief van 'aflossynghe' van een rente die de abdij 's Hemelsdale te Werken jaarlijks aan de dis van Eessen moet betalen, lezen we: '... staende bezet up de hofstede ende up al tlandt ghenaempt Hemelsdale in Essene, zuudwest vander kercke, daer de weduwe van Pieter Debbout nu woont..'. Het wordt duidelijk dat de vermelde hoeve de bakermat is van Hemelsdale. De hofstede 'Hemelsdale' zal trouwens meer dan 700 jaar later, tijdens de Franse Revolutie, noodgedwongen verkocht worden door de abdij.

 

Bij deze transactie wordt Hemelsdale gelinkt aan de 'Ommeloop' van Eessen. Die hoeve ligt op het grondgebied van Eessen, maar tamelijk ver zuidwest van de parochiekerk, tussen Woemen-dorp, Eessen-Kruisstraat, de Predikboom en Klerken, op korte afstand van het Romeinse 'diverticulum', die van Cassel, over Poperinge, Zuidschote, Merkem, dan verder loopt via Woemen en Eessen, door het Eessen-Roggeveld en Werken tot aan Wijnendale-kapel, die vroeger veel verder van het kasteel stond dan op onze dagen. Vroeger zal die hofstede van Hemelsdale wel met wallen omgeven geweest zijn, want rondom ligt de grond lager dan op de hofplaats zelf.

 

In 1237 wordt er een 'prieuse' aangesteld, een non die verantwoordelijk wordt voor het stoffelijk beheer van Hemelsdale. Er duikt een document op dat dateert van 1242 en laat vermoeden dat de kloosterzusters pas in 1242 opgenomen worden in de orde van de Cisterciënzers: '1242 mense junii, sabbato ante festum Beati Joannis Baptista, fondation abbaye et eglise cistercienne a Heed dite de Valle celi in parochia d' Esna '. In juni van 1242, de zaterdag voor het feest van Sint-Jan de Doper wordt een Cisterciënzerabdij met de naam Hemelsdale met een kerk gesticht te Heed in de parochie van Eessen.

 

Petrus, de bisschop van Terwaan, geeft zijn toestemming om missen op te dragen in de nieuwe kerk Samen met het landgoed 'de Heed' of 'ter Hee' heeft mevrouw van Steenvoorde ook nog renten geschonken, waarvan de voornaamste een rente van 83 pond op de cijns van Dixmude is, en nog eentje van 17 pond, die de rente van Slype wordt genoemd. Deze twee renten heeft de edelvrouw afgekocht van Graaf Thomas en zijn gemalin. De rente van Slype was trouwens oorspronkelijk in het bezit van de abdij van Marke bij Kortrijk.

 

Al in het beginjaar van het klooster ontstaat er een geschil tussen Machteld, de abdis, en mevrouw van Steenvoorde. Krijgt de stichtster, die in de nabijheid van het klooster is blijven wonen, spijt van haar impulsieve edelmoedigheid? Is haar geestdrift voor het religieuze leven en de bijhorende materiële onthechting bekoeld? Wil ze zich bemoeien met het leven binnen in het klooster? Wat dan ook: er ontstaat ruzie. De gravin van Vlaanderen wordt aangesproken om tussenbeide te komen. Haar bemiddeling kent succes.

 

Het geschil wordt bijgelegd. Elisabeth wordt verplicht om aan de abdis elf pond uit te keren van haar schuld, en dat wegens vruchten welke de abdij al vorig jaar had moeten krijgen. Van haar inkomsten moet ze trouw 500 pond aan de abdij afstaan. Verder moet ze na de volgende oogst een partij land ter waarde van 50 Artesische ponden afstaan aan de abdij die dat land ten eeuwigen dage erfrechtelijk zal bezitten. De stichteres mag echter tussen de twaalf tot zeventien gemeten land voor zichzelf houden, mits ze daarvoor jaarlijks 50 Artesische ponden zal betalen.

 

De zusters en de abdis krijgen toelating om hun grachten te delven. Margaretha wordt verplicht om de waterloop die voorbij haar huis loopt zijn vrije loop te laten volgen zodat het water niet met vertraging aan de abdij voorbijstroomt. Ze kan geen rechten meer doen gelden op de schuren en andere gebouwen die daar werden opgetimmerd. De abdis dient een deel van de schuur te reserveren voor haar weldoenster tot dat die zelf de tijd gehad heeft om de nodige gebouwen op te trekken. De akte wordt voorzien van het zegel van de Vlaamse gravin. Ook de abt van Ter Duinen ondertekent het document.

 

Het lijkt er op dat Hemelsdale nu eindelijk in rustiger vaarwater terecht zal komen. Maar dat is buiten de waard gerekend van Diederik, de pastoor van Eessen, die het niet pikt dat er op zijn grondgebied een nieuwe kerk gebouwd is die onafhankelijk van hem diensten kan opdragen. Het gaat toen ook al alleen maar om geld. De pastoors hebben hun recht op het 'altare', de offergelden en het 'bodium'. Het zijn allemaal tienden die de mensen van de respectieve parochies dienen te betalen aan het kapittel. Vooral de begrafenisdiensten blijken een erg lucratieve business in de middeleeuwen.

 

Zo ook in Eessen. Neen, de pastoor van Eessen met boven hem het Sint-Donaaskapittel van Brugge, kunnen het absoluut niet tolereren dat een derde partij binnen het grondgebied van de parochie Eessen tienden kan heffen die niet aan de proosdij toekomen. Het komt tot een rechtszaak. Egidius van Breedene, proost van Sint Pieters te Dowaai (Douai), en Jacob Futchelare, kanunnik van Sint-Donaas, treden op als scheidsrechters.

 

Op 21 juni 1242 volgt de uitspraak: geen enkele parochiaan van Eessen mag in het klooster begraven worden zonder dat zijn of haar stoffelijk overschot eerst naar de parochiekerk gedragen is. Alle offeranden (geld is dus inderdaad de drijfveer) van de uitvaartdiensten en jaargetijden moeten ten goede komen aan de pastoor. Daarenboven moeten de kloosterlingen jaarlijks 40 schellingen Vlaamse munt betalen aan pastoor Diederik. De partijen aanvaarden de beslissing.

 

Abdis Machteld d'Origni sterft in 1257. Ze wordt in haar klooster begraven. Het bestuur van Hemelsdale komt nu in handen van Maria van Harelbeke ook al afkomstig van Marquette. Het klooster is flink uitgegroeid. In 1266 schenkt gravin Margaretha 23 gemeten nieuwe stukken grond aan Hemelsdale. Maar toch zullen de zusters niet lang meer blijven in hun klooster dicht bij Dixmude. In 1270 worden ze overgebracht naar Zillebeke.

 

Waarom? Wat is er gaande geweest? Een familietwist tussen gegoede Ieperse families eindigt in 1262 abrupt met de moord van een zekere Michiel van Torhout door zijn echtgenote Margaretha Medem. De vrouw wordt in 1264 veroordeeld en vliegt voor de rest van haar leven in de gevangenis. Ze sterft in 1268. De goederen van de steenrijke van Torhout gaan voor de helft naar zijn nazaten en omdat zijn eigen vrouw hem om het leven gebracht heeft, wordt de andere helft verbeurd verklaard en valt die ten dele aan het graafschap Vlaanderen. Het bezit komt in handen van de Duinenabdij. De erfgenamen verkopen hun deel voor 600 pond Vlaams aan diezelfde abdij en wordt omgezet ten bate van de 'zielszaligheid van de vermoorde'.

 

De abdij neemt het bezit op van de goederen en gronden in de buurt van Ieper. Met de verplichting om elke dag een H. Mis op te dragen voor de zielsrust van Michiel van Torhout. De mis zal worden opgedragen ofwel in de Sint-Jacobskerk te Ieper waar hij begraven ligt ofwel in de kapel van zijn goed in Zillebeke. De opdracht wordt doorgegeven aan de bevriende zusters van Eessen. In de 'maartemaand' van 1267 schenkt de gravin van Vlaanderen het buitengoed van Michiel van Torhout, met al het land aan de Cisterciënzerzusters van Eessen-Dixmude. Ze verzoekt de kloosterzusters om zich te laten overplaatsen naar Zillebeke. In 1268 krijgt de jonge kloostergemeente vanwege het Generaal Kapittel van Citeaux, toestemming om naar Zillebeke over te gaan. De eigenlijke verhuis gaat door in 1270.

 

In augustus van 1251 verkoopt Diederik IX van Beveren, de heer van Dixmude, al zijn rechten die hij in de stad Dixmude bezit aan de abdij van Sint-Bertin. Het komt er op neer dat de kerk van Sint-Bertinus vrijgesteld wordt van alle belastingen. In juni 1252 engageert diezelfde Diederik van Dixmude zich om de rechten van Adendyck in Zeeland te verkopen. Doet hij dit niet, dan is hij bereid om een boete te betalen van 60 ponden.

 

Eén maand later, op 3 juli 1253, wordt het compromis ondertekend. De tienden van Adendyck gaan pas in 1258 over in de handen van de abt van St.-Bavo. De abdij betaalt er de ronde som van 700 pond voor. De export van textiel en laken scheert hoge toppen in de Westhoek en in Brugge. Zo bestaat er een levendige handel met Engeland. De textielindustrie heeft zich verenigd in het Vlaamse hanseverbond. Aanvankelijk telt de hanse maar 17 steden: Brugge, Aardenburg, Belle, Sint-Winoksbergen, Damme, Dixmude, Doornik, Ieper, Oostburg, Orchie, Oudenburg, Poperinge, Rijssel, Termuden, Torhout, Veurne en Yzendijke. In het jaar 1261 breidt het handelsverbond zich verder uit met Engelse steden.

 

Tijdens een 'foire' of 'mis' in Northampton, wordt de 'Vlaamse Hanse van London' op een prestigieuze manier geïnstalleerd. Later zal de hanse, met andere Franse steden, uitgroeien tot een club van 33 leden. Brugge is aangesteld als hoofd van de hanse. Er wordt afwisselend vergaderd in London en in Brugge. Elke deelnemer stuurt er zijn vertegenwoordigers naartoe, en ze hebben er elk een stem in de algemene vergadering. Brugge heeft 8 leden, Ieper, de tweede grootste stad, heeft er 4. Aardenburg heeft 3 leden. Dixmude en Oudenburg hebben 2 afgevaardigden.

 

De rest van de steden hebben elk één vertegenwoordiger in de algemene hansevergadering. Het feit dat Dixmude 2 afgevaardigden telt, geeft toch wel een indicatie dat de stad tot de top 4 van Vlaanderen behoort. We checken even het aantal inwoners van Brugge en Ieper. In die periode zijn er zowat 30.000 à 40.000 Ieperlingen. Het lijkt dan ook niet overdreven om te stellen dat er zich in de glorieperiode van Dixmude zowat 8.000 à 15.000 bewoners in de stad bevinden. En toch spreken de kronieken over een bevolking van 4500 à 5000 tussen de jaren 1300 en 1400! Alles heeft misschien te maken met een voorval in 1270.

 

In dat jaar teistert een zware brand de binnenstad van Dixmude. Een heel deel van de stad, samen met de kerk, wordt door de vuurgloed verwoest. Gwijde van Dampierre profiteert van de heropbouw van de stad om die nu te voorzien van versterkte muren met toegangspoorten, vestingen en toegangsbruggen. In 1271 vinden we voor de eerste keer de namen terug van schepenen in Dixmude. Gilles de Paons, Raouls Piet, Jehans de la Porte en Gilles Libruns bekrachtigen de verkoop van een woning in de Schipstraat. In 1275 sterft de echtgenote van Diederik IX van Beveren. Margaretha die afstamt van adellijk bloed van de koningen van Cyprus en Jeruzalem, wordt begraven in de abdij van Flines.

 

Anno 1280 staat Jan van Beveren, die zich ingeschreven heeft als novice in het klooster van de Predikheren, al zijn rechten af ten voordele van zijn broer Hendrik. Jan en Hendrik zijn de twee zonen van burggraaf Diederik IX. Hendrik verklaart zich akkoord om in ruil voor die transactie, zijn broer gedurende de rest van zijn leven een jaarlijkse rente van 20 pond te betalen. Maar hoe ziet Dixmude er eigenlijk uit na de heropbouw die volgt op de grote brand van 1270? De hele stad zit opgesloten binnen een reeks van muren en brede waterlopen.

 

Er zijn vier grote poorten: de Oostpoorte, Westpoorte, Zuidpoorte en Noordpoorte. Er is ook sprake van het kleinere 'Grauwe broers voetpoortje'. En er is de Ballingpoort aan de Alleiebrug. Op de vestingen staat afweergeschut opgesteld om te beletten dat ongenode invallers zich via de Ijzer en de stadspoorten een weg kunnen banen naar het centrum. Later zullen er ook windmolens gebouwd worden op de vestingen.

 

Aan de binnenzijde van de vestingen biedt de stad een aangenaam uitzicht. De straatjes zijn meestal rechtlijnig en evenwijdig aangelegd. De vestingen zijn omringd door bomen. De Handzamevaart kronkelt her en der door de binnenstad. In de loop van de eeuwen wordt een 70 meter hoge kerk opgetrokken. Er komt een stadhuis, een Recolettenklooster, kloosters voor de Grauwe en Zwarte zusters. We zien de bouw van het Gasthuis, de 'arme schole', het H. Geesthuis, het Sint-Jorishof, het college van de Norbertijnen, het huis 'van den Heere', de gevangenis, het St.- Sebastiaanshof, en het St.-Barbelshof.

 

Het voornaamste gebouw is zonder twijfel de 'Halle'. In Ieper wordt de 13de eeuw bijna volledig besteed met de bouw van de lakenhalle. Ook in Dixmude is er al in 1271 sprake van een buitengewoon groot gebouw dat gebouwd is tussen de Graanmarkt en de Oostelijke vesten. De halle dient niet alleen als verkoopcentrum van de lokale ambachten maar ook als vergaderzaal van de wethouders van de stad. Hier leggen de respectieve vorsten van Vlaanderen hun eed van getrouwheid aan de bevolking af. En dan hebben we nog het begijnhof waar al sprake van is in 1273.

 

In dat jaar schenkt Margariete Godscale 'drij en half gemeten' land aan haar neef Coppen en aan de Ieperse H. Klarenzusters. De ziekenzaal van het begijnenhof krijgt twee gemeten land toegeschoven. De schenking wordt bekrachtigd door gravin Margaretha van Constantinopel. Er worden verschillende marktplaatsen aangelegd: de Grote Markt, de Botermarkt, de Graanmarkt, de Appelmarkt, de Zwijnenmarkt en de Koemarkt. Hoe dan ook biedt de stad met haar torens en gebouwen een ravissant uitzicht als de bezoekers die vooral vanuit zuidelijke richting benaderen. Dixmude lijkt me dan ook een eersteklas stadje.

 

In 1288 wordt buiten de Zuidpoorte op het grondgebied van Eessen (waar zich nu de Pluimstraat bevindt) 'het huis van de Lazerij' opgetrokken. Het gesticht staat bekend als het Magdalenahof. De akte wordt de maandag voor halfvasten 1288 'gepasseerd' voor de 7 schepenen van den Vrije. De zegels worden aangebracht door Wouter Van der Hove van Woemen en zijn 'wijf' jonkvrouw Marguerite. De Diksmuidse poorter Van Pinckene tekent ten behoeve van het huis met tien gemeten land gelegen in de gemeente Woemen.

 

Zo'n 10 jaar later zal er nog een inventaris opgemaakt worden van de juwelen die toebehoren aan de kapel van het Magdalenahof dat bekend staat als 'ter Ziekerlieden'. Het dokument is tot op vandaag bewaard in de godshuizen van de stad. Margaretha van Constantinopel overlijdt in 1280. Haar zoon Gwijde van Dampierre volgt haar op als graaf van Vlaanderen maar hij heeft serieuze strubbelingen met zijn oudere stiefbroer Jan van Avesnes die het graafschap Henegouwen heeft geërfd. Het worden turbulente tijden voor Vlaanderen als Gwijde en zijn zoon Robrecht van Bethune zich erg vijandig gaan opstellen tegenover de Franse koning.

 

De politieke verwikkelingen hebben ook zo hun impact op de regio van Dixmude. Er ontstaat in Vlaanderen een diepe verdeeldheid tussen de Leliaards (Fransgezinden en adepten van de Franse koning) en de Klauwaards (Vlaamsgezinden en supporters van de graaf van Vlaanderen). Volgens de 'Vlaamse Kronieken' kiest de heer van Dixmude de kant van de Leliaards. De bisschop van Terwaan en de abt van de Duinenabdij kiezen eveneens voor de lepe Filips de Schone. Het gewone volk kiest unaniem voor de Klauwaerts. 1297. De oorlog breekt uit.

 

De Fransen vallen Vlaanderen met bruut geweld binnen. Ieper, Komen en Wervik ondergaan afgrijselijke taferelen. In de Westhoek wordt Kassel in brand gestoken en veroveren de Fransen Sint-Winoksbergen, Broekburg en Duinkerke. Ze zijn onweerstaanbaar op weg naar de stad van Brugge. De verdediging van graaf Gwijde lekt als een zeef. De Fransen zijn door niets of niemand te stoppen.

 

De Franse soldaten sparen niets of niemand. Zelfs de kloosters worden opengebroken en geplunderd. In Marquette vallen de soldaten het Cisterciënzerklooster binnen, de zusters worden verkracht en meegevoerd naar het Franse kamp waar ze op gruwelijke manier overgeleverd worden aan de willekeur van de teugelloze soldaten. Tijdens de eerste dagen van juli, rukken de Franse legers onder leiding van Robert d'Artois op langs de Frans-Vlaamse kustgebieden. Ze vertrekken vanuit Sint-Omaars en nemen probleemloos Bethune, Sint-Omaars, Sint-Winoksbergen en Kassel in.

 

Ze staan klaar om West-Vlaanderen, Dixmude en Veurne aan te vallen. In Haringe hebben enkele arbeiders zich verstopt in de kerk, maar ze worden door de Fransen genadeloos afgeslacht. De Fransen trekken verder richting Isenberge en Vinkem. Ze worden begeleid door de Fransgezinde kasteelheer van Sint-Winoksbergen die eveneens eigenaar is van het kasteel van Bulskamp. Hij biedt er de Franse legerleiding een uitgebreid banket aan. Tijdens het etentje worden er schermutselingen gemeld in de regio. Robert d'Artois stuurt een voorpost uit.

 

De Vlamingen, onder leiding van de heer van Gavere, staan opgesteld aan de zuidelijke kant van Bulskamp, aan een brugje over de rivier de Kreeke. Willem van Gulik, kleinzoon van Gwijde, samen met enkele Vlaamse ridders, probeert daar aan de Kreeke inderdaad de Franse opmars te stoppen. Wat ze niet weten op dat moment is dat één van hun medestrijders, in het bijzonder Boudewijn Reyphins, de baljuw van Veurne, al lang overstag is gegaan voor het goud van Filips de Schone. Op 20 augustus volgt het vreselijke verraad van Bulskamp. Wanneer de Vlamingen de Fransen bij de Kreeke proberen af te stoppen, laat Reyphins, op teken van Robert d'Artois, zijn banier vallen en laat hij zijn medestanders overlopen naar het vijandelijk kamp.

 

Het verraad van de Leliaards zorgt onvermijdelijk voor een verschrikkelijke nederlaag van de Vlamingen. D'Artois laat Bulskamp in brand steken. Willem van Gulik wordt zwaar gewond gevangen genomen en zal enkele dagen later overlijden. De overblijvende Vlamingen slaan op de vlucht naar Ieper. De weg van Bulskamp tot aan de poorten van Veurne is bezaaid met de lijken van 16.000 Vlaamse soldaten. De Fransen overrompelen Veurne en steken de stad in brand.

 

De Vlaamsgezinde inwoners van Dixmude en Nieuwpoort zijn verschrikt om op hun beurt de genadeloze terreur van de Fransen te moeten ondergaan. Ze leveren veiligheidshalve geen strijd. Geen verzet. Iedereen geeft zich over. De poorten van Dixmude openen zich voor de Fransen. Charles, de hertog van Valois, neemt het roer in handen en zal weldra beginnen met het uitbreiden en versterken van de stenen stadsmuren. De lasten en belastingen op de inwoners worden in het jaar 1300 al onmiddellijk opgetrokken tot 17 schellingen en 4 denieren per persoon. En dat is nog maar het begin van de miserie. De bewogen en rijke 13de eeuw eindigt met een sisser van formaat.