P1215100

De schepenen van Ieper hebben in 1215 de immuniteit van de proosdij van Sint-Maartens aanvaard. Zo is er een einde gekomen aan de grove aanvaring tussen de wereldlijke en de kerkelijke machthouders in Ieper. Maar Hugo is nog niet aan het eind van zijn Latijn. Er zijn al nieuwe moeilijkheden op komst met de schepenen, maar dan wel van een heel andere aard. Maar daarover later.

 

De proost houdt zich al een hele tijd bezig met de uitbreiding van het achterdeel van het koor in de kerk van Sint-Maarten. De grootschalige werken worden uitgevoerd in opdracht van het kapittel die ze ook financiert. Het hout en de stenen die de schepenen in 1214 gebruikten om hun versterkingen te bouwen en waarvoor ze aanvankelijk die boete van 63 pond moesten betalen, waren onderdeel van het bouwmateriaal dat diende voor de bouw van het koor van de Sint-Maartenskerk. Dat vermoeden Feys en Nelis in elk geval als ze de Rubrum registers bestuderen. De uitbreiding van de kerk kost handenvol geld.

 

Het is waarschijnlijk in die optiek dat Adam, de bisschop van Terwaan, op 29 september 1219 naar sacrale gewoonte een 'aflatendag' organiseert om zo geld in het bakje te brengen. Burgers kunnen er die dag 40 dagen kwijtschelding van kerkelijke boetes of van straffen afkopen die ze na vergeving van hun zonden nog in het vagevuur zouden moeten ondergaan. Het is een eenvoudig concept: de Ieperlingen die op die dag ter offerande gaan, in het bijzijn van de relieken van de Heilige Ursula van Keulen en haar 11000 maagden, die onder het kerkgestoelte rusten, krijgen er hun gratis aflaten bovenop. Dat die 11.000 maagden in werkelijkheid 11 martelaren waren uit de 4de eeuw konden de aanwezige sponsors op dat moment in 1219 nog niet vermoeden.

 

 

Abt Hugo heeft last van wat grootheidswaanzin. In 1221 laat hij in het koor zijn persoonlijke graftombe bouwen waar zijn naam in gebeiteld wordt. De kerk van Sint-Maarten is volgens de geschiedschrijver Schayes in die tijd de meest monumentale kerkelijke constructie van België. Opgetrokken in Romaans-Gotische stijl, oogt het koor grandioos. De proporties van het schip zijn aanzienlijk. Boven de zijbeuken zijn er gangen aangebracht. De Rubrum files omschrijven de nieuwe kerk tot in de kleinste details. Hugo laat bij de vernieuwde kerk nog een kapel tegenaan bouwen.

 

De kapel wordt op 5 januari 1233 ingewijd door Pierre de bisschop van Terwaan. Voortaan zullen de heiligen Nikolaas, Elooi en Egidius hier vereerd worden. Wie hier de week van Pasen zijn offerandegift komt afgeven, wordt beloond met 40 extra dagen aflaten. Naast de bouwwerken aan de Sint-Maartenskerk, wordt ook de kerk van Sint-Niklaas verheven tot parochiekerk. Volgens de kronieken werd de kerk in 1180 gesticht door Margaretha van de Elzas, de dochter van graaf Diederik. In 1202 staat ze bekend als een kapel. Op 23 april van het jaar 1220 wordt Sint-Niklaas op het zelfde niveau geplaatst als de andere kerken in de stad.

 

Er zijn nu zes parochiekerken in Ieper. De kerken van Sint-Kruis en van Sint-Michiel zullen pas later opgetrokken worden. De Ieperse Tempeliers claimen in die dagen in toenemende mate hun rechten op de kapel van O.L.V.-ten Briel en de grond waarop ze gebouwd is. Een commissie van geestelijken moet in opdracht van de paus uitsluitsel brengen. Onder hen de kanunniken van Loos en van Mesen. En ook een tempelier. De debatten zullen gehouden worden op 10 oktober 1222 in de kapittelzaal van Sint-Maarten. Het oordeel van de commissie is duidelijk: de kapel bevindt zich op grond van de O.L.V.-kerk van Brielen en staat dus op kerkelijk grondgebied. De tempeliers hebben niet de minste rechten op de kapel en op de gronden. De uitspraak wordt bekend gemaakt op 12 augustus 1223.

 

En dan is er eigenaardige historie rond de adellijke Boudewijn van Haveskerke die blijkbaar moedwillig de confrontatie aangaat met Hugo. Eerst laat hij via zijn schepenen te Calonne een bediende van de proost veroordelen. Arbeiders die in opdracht van de abt aan het graven zijn bij de terreinen rond de kerk van Calonne worden er door van Haveskerke weggejaagd. De kerk ligt aan een zijrivier van de Leie. De burgers vissen zonder toelating op de geestelijke wateren en houden de gevangen vis voor zich. Hugo is vanzelfsprekend woedend om de vrijpostigheid van Boudewijn van Haveskerke en de zijnen en brengt de zaak te berde bij Bertin de abt van Sint-Aubert en bij meester J. de Hermes, de kanunnik van Cambrai.

 

Die kiezen natuurlijk de kant van de proosdij en ze veroordelen Boudewijn op alle punten. Hij wordt verplicht om alle aangerichte schade te herstellen, wat hij blijkbaar al discreet had laten gebeuren. Hij had zelf zilvergeld aangeboden aan de abt, maar dat volstaat allemaal niet voor Hugo. Hij wil een boetestraf. Hij moet aan den lijve ondervinden wat het is om in te gaan tegen de heilige kerk. Na veel vijven en zessen slaagt Boudewijn van Haveskerke er in om de straf over te dragen aan één van zijn vazallen die in zijn naam de straf zal ondergaan. Het is de symboliek die telt.

 

1230. De derde zondag na Pasen. Willem de heer van Calonne stapt op blote voeten, ontkleed tot op zijn hemd en met een roede in de hand binnen in de kerk van Sint-Maarten. Hij gaat knielen voor de voeten van abt Hugo. Het onrecht dat de heer van Calonne heeft aangedaan aan de kerk moet op die manier hersteld worden in het bijzijn van het volk en de schepenen van Ieper die voor de gelegenheid opgetrommeld zijn om getuige te zijn van de publieke boetedoening. Willem van Calonne zweert dat hij en zijn medewerkers nooit nog handelingen zullen verrichten die ingaan tegen kerkelijke goederen.

 

De Ieperse schepenen zorgen ervoor dat de eed diezelfde dag nog in een officiële akte wordt neergeschreven. De vissenhistorie moet volgens Feys en Nelis ergens zijn oorsprong vinden in een achterliggend dispuut tussen de heer van Calonne en het kapittel van Sint-Maarten. Want blijkbaar volgt er nog een aanvullend verdict in 1231. Willem van Calonne pretendeert dat er op de tienden van Calonne rechten en een vrijgeleide rusten om jaarlijks één keer een zekere hoeveelheid vis te vangen in de rivier langs de kerk van Calonne en dat daarvoor een jaarlijkse cijns van 12 denieren werd voorzien. De rechterlijke uitspraak van juni 1231 gaat niet in op de claim van Willem van Calonne. De voorbije 40 jaar is er geen spoor geweest van die cijns van 12 denieren en de kerk heeft er ook nooit naar gevraagd.

 

Twee jaar later, in oktober 1233, zweert Willem van Calonne in het bijzijn van Sibille, de dame van Wavrin en van ridder Gilbert van Haveskerke, dat hij definitief afziet van zijn rechten op de viswateren van de kerk en dat hij zich bereid voelt om schadevergoedingen te betalen indien hij zijn belofte niet nakomt. De kerk van haar kant belooft dat ze de rivier tussen de brug van de Calonne tot aan de Leie niet zal blokkeren zodat daar vrij kan worden gevist. Schepen en vissers krijgen nu vrije doorgang.

 

Schrijvers Feys en Nelis keren nu terug naar november 1223 waarbij een meningsverschil tussen het kapittel van Sint-Maarten en de geestelijken van de Nonnenbossen wordt bijgelegd. Het conflict draait rond de parochiale rechten en de tienden op de dieren van een hofstede met de naam Westhof, gelegen dicht bij Ieper. De arbitrage van de proost van Lo, de deken van Rijsel en de Ieperse schoolmeester Arnold wordt ingeroepen door beide partijen. De scheidsrechters beslissen dat de religieuzen die op Westhof wonen, en er geen bezittingen hebben, niet verplicht zijn om parochiale bijdragen te betalen aan Sint-Maarten.

 

Arbeiders die door de abdij van de bossen voor minstens één jaar aangesteld werden om te gaan werken op Westhof moeten evenmin betalen, op voorwaarde dat zij of hun families niet woonachtig zijn in één van de Ieperse parochies. Alle anderen worden verplicht om de kerkelijke taksen te betalen aan de proosdij van Sint-Maarten. De dieren van Westhof die ontegensprekelijk eigendom zijn van de abdis van de Nonnenbossen, worden niet meegeteld voor de heffing van Sint-Maarten. Op de rest moet er wel betaald worden. Alle Ieperse parochianen die werken op het Westhof moeten in hun respectieve parochies begraven worden. Tenzij ze er vooraf voor kiezen om een grafsteen te hebben in de bossen van Zonnebeke. In deze gevallen wordt de begrafenisdienst gehouden in de parochiekerk van de overledene en wordt die achteraf begraven in de bossen.

 

In het begin van 1224 verwerft het kapittel tiendenrechten in Reningelst. De verkoper is Daniël van Denterghem. Hij krijgt hiervoor de toestemming van zijn echtgenote Béatrix, zijn zoon Lambert en zijn dochter Adelise met haar man Gerard. De verkoop wordt op 17 februari 1224 geofficialiseerd door Adam, de bisschop van Terwaan. In Ieper wordt in 1226 het Sint-Katharinahospitium opgericht. Een instelling waar stervende mensen naartoe kunnen wanneer ze niet langer thuis kunnen blijven. Het gesticht wordt bekend als het Lambert Voethospitium.

 

Het centrum is de eerste van een reeks liefdadigheidsinstellingen die de komende jaren het licht zullen zien in het exploderende Ieper. Het Voethospitium ligt in de Rijselstraat waar zich einde van de 19de eeuw een brasserie bevindt van een zekere M. Verheylewegen. In 1227 wordt het huis geopend in aanwezigheid van de schepenen en van Margaretha Medem, de weduwe van de weldoener Lambert Voet. De instelling is er gekomen dank zij een verzoening tussen de gegoede Ieperse families Medem en Voet. Aan de ene kant zien we de clan van Jean Medem, de broer van Margaretha. Aan de andere kant de familie Voet en hun achterban. Jean Medem en Lambert Voet zetelen allebei in het schepencollege van de lichting 1225.

 

Maar tussen de twee woedt een heuse privé oorlog, één van de ergste uit de geschiedenis van Ieper. Zelfs gravin Johanna van Constantinopel ziet zich op 7 oktober 1225 verplicht om tussen te komen en beide families te verzoeken om een einde te maken aan die bittere strijd en vrede te brengen tussen de families.

 

De opening van het Lambert Voethospitium volgt 15 maanden na die verzoening. Margaretha verklaart aan de schepenen dat ze haar woning voortaan zal aanwenden als verpleeghuis voor zieke en arme ouderen. Bij de opstart zijn er 20 bedden voorzien en dat aantal zal mee groeien met de beschikbare fondsen. Het budget bedraagt 100 ponden die vrijkomen dank zij een borgstelling op de woning. Margaretha regelt dat haar broeders en zusters na haar dood een jaarlijkse rente van 7 pond zullen ontvangen.

 

Haar eigen broer Henri en zuster Adelise krijgen in ruil voor de inpandstelling jaarlijks 14 pond. Na een reeks van officiële akten en goedkeuring wordt de regeling op 25 januari 1228 door Paus Gregorius IX aan Margaretha Medem bevestigd. Het nieuwe Ieperse hospitium wordt een heikel aandachtspunt voor abt Hugo. Als er sprake is van geestelijke zorgen, dan willen die van Sint-Maarten de controle houden. Je mag niet vergeten dat hij hier oog in oog komt te staan met de machtigste families van de stad. Zij die het voor het zeggen hebben. Er wordt twee jaar onderhandeld met de schepenen over passende bijdragen van het Lambert Voetgesticht.

 

Uiteindelijk komen de partijen er uit. De proost krijgt algemene zeggenschap over de geestelijke zaken. De broeders en de zusters van de instelling krijgen elk hun habijt van Sint-Maarten en moeten zich schikken naar de wetten van de proosdij. Ze moeten zich onberispelijk en eerlijk gedragen. Na de dood van Margaretha Medem zullen de schepenen de autoriteit krijgen over de praktische beslommeringen van het ouderentehuis. De broeders en zusters zullen gezamenlijk in eer en geweten keuzes maken over de voordracht van hun nieuwe chef (magister) of de aanstelling van nieuwe broeders en zusters. Er worden procedures voorzien voor de gevallen dat dit niet lukt op het niveau van de broeders en zusters.

 

Noch de proost, noch de schepenen zullen in de toekomst op geen enkele manier inbreuk mogen doen aan de waarde van de instelling of zaken ervan gebruiken voor andere doeleinden. De proost of de kapelaan zullen de biecht horen van de zieken en indien nodig de werking van het gesticht bijsturen. Het nieuwe reglement wordt van kracht in de meimaand van het jaar 1230. Ook Pierre, de bisschop van Terwaan, moet op verzoek van Margaretha de akte goedkeuren. Naast die ene akte zien we in mei 1230 nog een tweede exemplaar verschijnen.

 

De broeders en de zusters van het tehuis leggen hun geloften af in de handen van de proost. Hierbij doen ze afstand van hun eigendommen. De daaropvolgende maand regelt Margaretha voor de schepenen van de stad een jaarlijkse betaling van 20 pond aan de kerk van Sint-Maarten. Daarvan gaan 15 pond naar de kapelaan die de missen zal celebreren in het gesticht. Vijf pond gaan naar zijn assistent. Het geld komt uit pandstellingen van verscheidene huizen waaronder drie woningen in de Bukkerstraat die zich rechtover gronden van Sint-Maarten bevinden.

 

Ook haar gronden gelegen bij de stadswallen, dicht bij het Lambert Voetgesticht, zijn betrokken bij de transactie. Proost Hugo wil niet het minste risico nemen. In juli 1230 dient Margaretha voor de bisschop van Terwaan nog zelf een aantal beloftes te doen. In het hospitium mag er maar één altaar staan, dat van de kapel. Geen klok (campana) en geen bel (nola) mag gehoord worden.

 

Alleen een cimbaal (cymbalum) mag de broeders en zusters oproepen om zich te begeven naar hun slaap- of bidplekken. Of naar de mis. Er mag geen offerblok opgesteld staan. Alle offerandes die gehouden worden voor het altaar van de kapel komen integraal toe aan Sint-Maartens. De kosten van kaarsen en kandelaars worden gedeeld. De overste moet zweren dat ze op geen enkele tijdstip geld zal verduisteren dat toebehoort aan de kerk. Als er kruisen of afbeeldingen van heiligen hangen buiten de kapel, dan mogen die enkel en alleen opgehangen worden in de ziekenzalen. Het hospitium zorgt voor de gewaden van de priester en voor al het materiaal die hij nodig heeft voor zijn misvieringen. Als tegenprestatie vanwege de kerk, zorgt bisschop Pierre ervoor dat de nieuwe kapel gewijd wordt.

 

Tijdens zijn laatste jaren krijgt Hugo het opnieuw aan de stok met de schepenen. Waarom? De registers zorgen niet echt voor klaarheid ter zake. Een eerste conflict lijkt te draaien rond de visvangst in de gemeenschappelijke stadsgrachten. Gravin Johanna en de schepenen hadden tussen 1223 en 1228 een regeling uitgewerkt rond de visvangst in de binnenste en buitenste grachten van de stad waarbij de rechten bij het stadsbestuur kwamen te liggen. Vermoedelijk moeten de geestelijken gesteigerd hebben bij die regeling, want de grachten werden ook doorheen kerkelijk goed aangelegd en er kon geen sprake van zijn dat de rechten op de stadsgrachten op hun territorium zouden toebehoren aan de stad. Een tweede struikelblok blijkt nog belangrijker en gaat over de heerlijkheid van de abdij binnenin de stadsmuren. De abdij had oorspronkelijk de autoriteit betreffende de hogere jurisdictie toegewezen gekregen.

 

Die belofte kwam van Robert van Jeruzalem en van Karel de Goede en was daarna regelmatig herbevestigd geworden. Het betekende dat Sint-Maartens recht kon spreken in haar verworven gebieden. In de respectieve parochies, in de Upstal, in de Tempelstraat, het kwartier bij de Kaasstraat en de Slachthuisstraat. Om recht te spreken, heeft de abdij haar eigen rechtbank opgericht. Een baljuw en zijn medewerkers, eigen schepenen, strafpleiters, aanklagers en rechters voeren hun opdracht uit zonder enige tegenspraak van de burgerlijke machten in Ieper.

 

Het conflict moet draaien rond een dispuut dat zich voordoet in de Kaasstraat en de Slachthuisstraat. Het is niet helemaal duidelijk wat er aan de hand is. In 1231 komt er in elk geval een klacht aan de oppervlakte. De klacht komt natuurlijk weer eens van Hugo. Ze is gericht tegen de manier waarop de schepenen zich gedragen tegenover de kerkelijke macht. Een schadeclaim van maar liefst 500 pond wordt op tafel gelegd en die zal wat later zelfs oplopen tot 700 pond wanneer ook de kwestie van de visrechten er bij betrokken wordt.

 

Zoals gebruikelijk moet een scheidsrechterscommissie zich buigen over de claim van de proosdij tegenover het stadsbestuur. De partijen komen in augustus 1231 in het bijzijn van Pierre, de bisschop van Terwaan, overeen over de te volgen procedure. Het kapittel zal meester Jacques, de aartsdiaken van Vlaanderen en meester Arnold, kanunnik van Ieper afvaardigen. De stad kiest Gerard van Torhout en Everard, de zoon van Reine. De bisschop kiest schoolmeester Arnould. Opnieuw zien we hier dat de scheidsrechterscommissie uit een meerderheid van kerkelijk geïnspireerden behoort.

 

Maar deze keer geraken ze er wel uit in unanimiteit. Op 22 september 1231 beslissen ze eenparig dat de stad Ieper een eeuwigdurende rente van 12 Vlaamse ponden moet betalen aan Sint-Maartens. De helft half maart en de rest met de naamdag van de heilige Remi (13 januari). In ruil kan de stad recht spreken en krijgt de graaf de inkomsten van het kwartier van de Slachthuisstraat. Echt veel waarde moet de abdij dus eigenlijk niet geven aan het gebied rond de Kaasstraat want wat later verkoopt Hugo een stuk grond voor de kerk van Sint-Maarten voor een jaarlijkse vergoeding van 23 Vlaamse ponden. Precies 70 jaar later zal Filips de Schone, in september 1301, de schepenen vrijstelling verlenen van betaling van die 12 ponden.

 

De Rubrum files vermelden nog enkele akten die als minder belangrijk worden beschouwd. In september 1215 maken Frumald, de abt van Zonnebeke, Lambert de proost van Voormezele en Hugo een einde aan een meningsverschil tussen de kerk van Lo en de erfgenamen van Philippe Beier. In mei 1218 schenkt gravin Johanna van Constantinopel twee hectare grond, zowat een derde van het dichte bos van de Rumatra op het 'Hooghe' richting Geluveld. Willem de Warde en zijn vrouw Margaretha brengen het leen aan, met instemming van hun broers Galter en Friulfe. Het enige wat ze er voor in ruil willen van de kerk is een half pond peper, in die dagen een gegeerde specerij.

 

Op 8 september 1218 fungeert Hugo als getuige bij een akte waarbij, onder voorzitterschap van de bisschop van Terwaan, een geschil geregeld wordt tussen Beatrix, de abdis van de Nonnenbossen en het klooster van Sint-Winoksbergen betreffende tiendenrechten van Warhem. Op 16 oktober 1220 is hij nogmaals getuige, opnieuw met de bisschop als scheidsrechter.

 

Het betreft een officiële transactie van gronden in Reninge die door de Ieperse familie van Jan Waghenaere worden overgemaakt aan de abdij van Ter Duinen. Waghenaere zelf is al overleden en het zijn nu zijn erfgenamen die de transactie laten officialiseren. Er is sprake van 6 zonen en 2 dochters: Jan, Hugo, Walter, Willem, Nicolas, Margaretha en Christine. Ook weduwe Agnes is van de partij. In 1224 schenkt Christine Waghenaere, de vrouw van Jean de Vroede, in ruil voor een jaarlijkse mis op haar verjaardag een firton (= 4 cent) rente aan Ter Duinen.

 

Ze gebruikt hiervoor haar woning die zich situeert op de hoek van de straten die naar de Tempel- en de Boterpoort lopen. Haar moeder Agnes verdubbelt de schenking met haar woning in de Noordstraat. In 1223 krijgen de kanunniken van Sint-Maarten van Boudewijn van Komen de eeuwige vrijstelling van taksen die normaal moeten worden betaald voor de doorvoer van goederen die via de Leie aan Komen voorbij moeten.

 

De monniken van Cyzoing zijn al evenzeer vrijgevig in 1229 wanneer ze een hoeve te Boezinge schenken aan Sint-Maartens. Het betreft een goed dat hun in 1192 nog geschonken werd door Lambert, de bisschop van Terwaan. De boerderij zal nog eeuwen bekend staan als de 'Grote scure' tot dat ze zal afbranden in 1566. Op 12 maart 1230 is proost Hugo getuige van een schenking die Aleaume de Scotes en zijn vrouw Margaretha doen aan de abdij van de Nonnenbossen. Het gaat over 2,5 hectare grond te Zillebeke, waar ze volgens het Rubrum hun 'wallum' (een wal met voorhof) en enkele gebouwen hebben opgetrokken.

 

Bij de getuigen zien we de Ieperse kanunniken Aleaume van Bomkin, Jean Brant, Thomas van Dixmude en Thierri Nimpha figureren. Ridder Jan van Passendale en zijn zonen Jan, Gilles en Lambert schenken 60 cent jaarlijkse inkomsten via hun landgoed in Passendale. Boudewijn, de heer van Komen, schenkt met toestemming van zijn vrouw Gertrude, de abdij nog hetzelfde jaar drie hectare grond en alle rechten erop, gelegen aan de zuidkant van Komen (Waasten), ter hoogte van 'A la Fontaine'. Abt Hugo sterft op 10 februari 1233.

 

Hij wordt zoals hij dat wenste, begraven in het koor van Sint-Maarten. Zijn grafsteen bevindt zich pronkerig aan de rechterkant van het grote altaar. Op zijn zwartmarmeren grafsteen staat te lezen 'HIC JACET HUGO PREPOSITUS PIE MEMORIE, FUNDATOR HUJUS CHORI ANNO 1221, QUI OBIIT D. SCHOLASTICE ANNO 1232.' Enkele eeuwen later zal de grafsteen vernield worden. Het kapittel van de kathedraal zal in 1695 voor een nieuw exemplaar zorgen die deze keer achter het grote altaar wordt opgesteld. Op de witmarmeren plaat, afgezoomd met zwart marmer wordt er een nieuw grafschrift aangebracht: 'D.O.M. IN PLAN MEMORIAM HUGONIS HUJUS SACRE EDIS ET CANONICONUM REGULARIUM PREPOSITI X. CHORI EXTRUCTORIS, MOMENTUM HOC NOVUM, VETERI DIRUTO, CAPITULUM POSUIT ANNO 1695. OBIJT 1232. R.I.P.'

 

XI. Lambert 1 van Gheluwe (1233-1245). Na het overlijden van Hugo, komt meester Lambert van Gheluwe, telg van een van de goede families die Vlaanderen rijk is, aan het roer van de proosdij van Sint-Maarten. Zijn naam flaneert al op akten van de proosdij uit 1208 en 1224. Een oudgediende dus. Hij onderhoudt nauwe relaties met de monniken van Châlons-en-Champagne waardoor er een soort van broederschap ontstaat tussen beide abdijen. De Franse geestelijken engageren zich om naar Ieper te komen om er de begrafenisdienst te helpen opdragen telkens een van de broeders van Sint-Maarten sterft.

 

Ze komen trouwens ook jaarlijks zingen in de kerk van Sint-Maarten op de dag van de heilige Elooi, 1 december van elk jaar. De monniken uit Châlons-en-Champagne en die van Ieper kunnen vrij over elkaars slaapzalen beschikken, ze bidden en ze werken alsof ze één grote kloostergemeenschap zijn. Lambert mag onmiddellijk rekenen op een aantal voorrechten voor zichzelf en zijn abdij. Op 9 juni 1233 oordeelt bisschop Pierre van Terwaan dat het eigenlijk niet aangewezen is om voor elke kerkelijke instructie telkens naar Terwaan te moeten afreizen. Lambert mag voortaan zelf recht spreken en instructies geven binnen de stad van Ieper.

 

Ook zijn voorganger Hugo had zich blijkbaar die autonomie toegeëigend. In 1235 komt Sint-Maartens onder de hoge bescherming van Paus Gregorius IX. Het is vooral het hospitium van Sinte-Katherine die de aandacht vergt van Lambert van Gheluwe. Het pas opgerichte ouderenverblijf groeit en bloeit dank zij schenkingen die het vanuit alle mogelijke hoeken ontvangt. De testamentaire uitvoerders van de erfenis van graaf Ferrand wijzen in augustus van 1233 aan het gesticht van Margaretha Medem liefst een jaarlijkse rente van 100 pond toe, waarvan 15 pond exclusief moet gaan naar de arme mensen en de zieke residenten.

 

Die mevrouw Medem moet niet alleen een vrouw van standing en niveau geweest zijn. Ze is vooral een eigenzinnige tante die het niet altijd zo nauw neemt met haar engagement tegenover de proosdij van Sint-Maarten. Zo moet ze in juni van het jaar 1233 verschijnen voor de abten van Zonnebeke en Voormezele en de deken van de Ieperse christenheid waarbij ze in de handen van proost Lambert moet zweren niets te ondernemen om de offergaven van de kerk nog in het gedrang te brengen. Er moeten dus al vermoedens bestaan dat stichtster Margaretha een deel van de offergaven probeert te spenderen voor eigen gebruik.

 

Het succes van het hospitium dreigt trouwens de inkomsten van de kerk in het gedrang te brengen. Waarom anders zou ze moeten zweren dat ze geen nieuwe kapel zal bouwen en de bestaande kapel niet zal uitbreiden? Ook het verbod van klokkengeluid heeft ze aan haar laars gelapt waarvoor ze ook hier en nu wordt terug gefloten door de Ieperse geestelijke autoriteiten. Maar Margaretha van Medem laat de berisping niet echt aan haar hart komen. Ze bouwt toch maar netjes een nieuwe gebedskapel dicht bij haar hospitium. Opnieuw wordt ze door de apostolische goegemeente op de vingers getikt. Ze mag het komen uitleggen bij de abten van Lo en Eversam.

 

Waarom heeft ze haar eed gebroken? Ze antwoordt dat het nieuwe gebouw niet mag beschouwd worden als een kapel of een bidplaats, maar als een privévertrek die ze voor eigen gebruik heeft laten construeren. Ze zweert nog maar eens dat ze nooit of nooit een altaar zal oprichten zonder de goedkeuring van de kerk in Ieper. De bazen van Lo en Eversam hebben op 18 december 1234 de toelating gekregen van paus Gregorius IX om in gevallen van nood de banvloek uit te spreken in eigen contreien. Ze dreigen er nu op hun beurt mee om iedereen die van dicht of van ver alsnog betrokken geraakt met de uitbouw van het nieuwe altaar te trakteren op excommunicatie.

 

Maar de Ieperlingen stromen in steeds groter getale toe in de kapel van Sinte-Katherine. Wat maakt de kapel zo aantrekkelijk? Maakt Margaretha zich populair met haar verzet tegen die van Sint-Maarten? Op zon- en feestdagen is het drummen om een vrij plaatsje te vinden in de kapel. Precies op die dagen staan de priesters van de proosdij in hun respectieve parochiekerken klaar om hun wekelijkse sermoenen te geven. De woorden van God vertaald in brutale instructies voor het gewone volk. Brainwash. Bangmakerij van de simpele zielen. Maar al wie naar Sinte-Katherine naar de mis gaat, ontbreekt natuurlijk in de officiële parochiekerken.

 

De bisschop gaat er zich mee bemoeien. Die slechte gewoontes schieten van langs om meer wortel in Ieper. Er moet paal en perk gesteld worden aan deze wantoestanden. Op 7 juni 1233 beveelt Pierre van Terwaan aan proost Lambert dat hij alle gelovigen moet optrommelen en hun te verplichten hun wekelijkse kerkgang te doen in de kerken van de parochies waar ze woonachtig zijn. Hier en nergens anders moeten ze de woorden van God ondergaan. De proost mag desgewenst de banvloek uitspreken tegen de weerbarstige gelovigen die niet willen luisteren naar de bevelen van de kerkelijke autoriteiten. De uitspraak van bisschop Pierre wordt in oktober 1233 bevestigd door Henri, de aartsbisschop van Reims. Maar de afdreiging van de mensen lijkt niet te werken.

 

Valt abt Lambert te zwak uit in zijn functie? Een jaar na datum klaagt hij er nog altijd over dat hele groepen mensen blijven naar de mis gaan in de kapel van Margaretha en dat ze de verplichte sermoenen van zijn priesters blijven negeren. De Medem wordt er opnieuw bijgeroepen. Ze mag blijven haar misvieringen houden op zon- en feestdagen en op de uren die verplicht worden door de proost zelf. De Rubrum registers geven geen verdere details vrij, maar het lijdt geen twijfel dat er voortaan geen misvieringen meer zullen doorgaan op de uren tijdens de welke de parochianen hun sermoenen ondergaan in hun parochiekerken.

 

Wat gebeurt er ondertussen met de inhoud van de offerblokken? Margaretha van Medem beseft ook wel dat meer volk in haar kapel meer centen betekent voor haar organisatie. Jaren later blijft geld nog altijd de ultieme drijfveer voor de kerk om in te grijpen in het hospitium. In augustus 1238 verduidelijkt bisschop Pierre van Terwaan nog maar een keer dat de giften aan de kapel van Sinte-Katherine integraal toekomen aan de proost en zijn kapittel. Het lijkt er nu sterk op dat het geestelijke en financiële regime van de kapel nu onder controle is van Sint-Maarten en de geestelijke kliek van Terwaan.

 

De relatie tussen de schepenen en abt Lambert van Gheluwe lijkt in die periode prima te zijn en gevuld met goede intenties vanwege de beide partijen. Het leprozenhuis in de nabijheid van de Torhoutpoort wordt afgebroken en verhuist nog voor 1235 naar een nieuwe locatie die ongeveer een kilometer verder weg ligt van het centrum. Het besmettingsgevaar van de leprozen is te riskant voor de stadsbewoners en het gesticht wordt overgebracht naar een heuvel van de 'Hoghen zieken buten Ypre', in de 'parochia Sancti Johannis Yprensis', nog altijd aan dezelfde straatzijde van de Torhoutstraete. Het situeert zich ter hoogte van de plaats waar veel later de nieuwe kerk van Sint-Jan (Sint-Jans buyten Ypre) zal gebouwd worden.

 

De oude leprozenkapel bij de Torhoutpoort, diegene die opgedragen is aan de heilige Marie-Madeleine, blijft voorlopig overeind. Het is blijkbaar belangrijk om de cultus van aanbidding van die Marie-Madeleine niet te onderbreken of te verstoren. In maart 1236 komen de proost en de schepenen overeen dat er elke week een mis zal worden opgedragen in de leprozenkapel en dat Sint-Maartens zoals gewoonlijk alle giften in de offerblokken voor zich mag houden. De geestelijken zijn echter bereid om een deel van de inkomsten af te staan aan het gesticht zodat ze ook op 'Hoghen Zieken' kunnen overgaan tot de constructie van een nieuwe kapel.

 

Van dan af zijn er twee Marie-Madeleine kapellen in Ieper. Het wordt oppassen voor Feys en Nelis om ze niet door elkaar te halen. Maar er valt eigenlijk nog weinig te vertellen over de leprozerie met uitzondering van een schenking die pas op veel latere datum gebeurt. Op 3 april 1292 zal proost Robert een overeenkomst afsluiten met Adelise van Haringhe waarbij een kapelanij gesticht wordt in de kerk van de heilige Marie-Madeleine van Ieper. De stichtster stopt 300 Doornikse ponden in het project en engageert zich verder nog om jaarlijks 10 pond te betalen aan Jan van Calais die opgedragen wordt om wekelijks 7 missen op te dragen in de 'Zieker lieden oude capelle'.

 

Na de dood van Jean van Calais zullen de kanunniken van Sint-Maarten of een door hen gekozen reguliere priester, instaan voor de 7 missen. Op zon- en feestdagen mogen er geen missen gecelebreerd worden voor 9 uur in de morgen (hora tercia) zodat de parochianen zeker niet zullen ontbreken in de parochiekerken om er hun preek te ondergaan. Maar we leven nog lang niet in 1292. We keren opnieuw terug naar de Ieperse schepenen in december van het jaar 1237. Er wordt een akkoord gesloten tussen de stad en het kapittel.

 

Er is een geschil ontstaan rond de grenzen van het terrein tussen de Sint-Maartenskerk en de wat verderop gelegen Ieperlee (anno 2013 de Coomansstraat) die voorbijstroomt onder de steigers van de sinds 1200 in opbouw zijnde lakenhalle. Dicht bij de plek waar het fiere burgerlijke belfort nu al een jaar of zeven de competitie aangaat met de toren van Sint-Maarten.

 

Na heel wat discussies geraken ze er toch uit. De schepenen en de gemeenschap van de stad krijgen de grond voor de eeuwigheid. Ze mogen de grond gebruiken om er werkzaamheden uit te voeren, maar tussen de kerk en de Ieperlee mag er nooit worden gebouwd. Het is dank zij die overeenkomst uit 1237 dat we in onze moderne dagen nog steeds de beschikking hebben over de grote Leet-parking tussen de Elverdingestraat en de Coomansstraat. De verwijzing naar werkzaamheden (pour faire des engins et pour les autres affaires de la ville) op het terrein hebben waarschijnlijk te maken met het laden en lossen van schaapswol en afgewerkt laken ter hoogte van de lakenhalle.

 

De stad betaalt jaarlijks de som van 23 pond voor het bezit van de grond. De helft moet betaald worden half maart en de rest met Sint-Bavo, op 1 oktober. We maken voor de eerste keer kennis met de begijnen van Ieper. Een rijke Ieperse poorter vertrouwt de kerk van Sint-Maarten, tegen een jaarlijkse vergoeding van 60 cent, een stuk grond toe in Brielen, niet ver van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en aan de oostelijke zijde ervan. De al lang verdwenen kerk van Brielen bevond zich achter het hedendaagse tankstation van Heites. Het stuk grond waarvan sprake is, moet dus in de buurt liggen van de nieuwe bib en het stadsarchief.

 

Op vraag van de graaf van Vlaanderen besluiten de proost, de deken en het kapittel om de grond af te staan aan de arme vrouwen van de stad, de begijnen, die er diezelfde 60 cent moeten voor betalen. De begijnen mogen (vanzelfsprekend) geen kapel en geen klooster bouwen zonder de toestemming van de kerkelijke autoriteiten. Gravin Johanna van Constantinopel, hoofdleendame van de grond, maakt zich sterk dat zij en haar opvolgers er op zullen toezien dat de regeling strikt wordt nageleefd. Het valt in dit archiefstuk op dat de functie van deken trouwens aan belang lijkt te hebben gewonnen.

 

Lambert van Gheluwe zorgt voor enkele belangrijke acquisities voor zijn proosdij. De meest belangrijke acquisitie is het verwerven van een zesde deel van de rechten op Boezinge dat in die dagen zowat het hele oostelijke deel van het latere nieuwe Brielen behelst. De loop van de Ieperlee, de levensader voor Ieper, verloopt ettelijke kilometer doorheen het grondgebied van Boezinge. De macht over Boezinge is dus in grote mate ook de macht over de Ieperlee!

 

De abdij was al jaren in het bezit van een derde van diezelfde rechten en wordt nu dus logischerwijze eigenaar van de helft van Boezinge. De hoofdleenheer is nog steeds de burggraaf van Rijsel. De leenheer van het zesde deel is in handen van Zeger du Mont die het voor het grootste deel erfrechtelijk heeft overgemaakt aan Terricus, de zoon van Jean Medem en aan Jan Par, beiden burgers van Ieper. Het deel waarop Zeger du Mont alleen maar de naakte eigendom bezat is nog steeds in handen van zijn weduwe, de dame van Eecke. Het zijn die Terricus Medem en Jan Par die besluiten om hun rechten te verkopen aan het kapittel van Sint-Maarten die al lange tijd de scepter zwaait in de parochie van Boezinge.

 

Ze komen in 1234 samen voor Willem, de burggraaf van Rijsel, om de transactie te officialiseren. In 1239 wint de proosdij opnieuw nieuwe gebieden in Calonne (aan de Schelde tussen Doornik en Antoing). Ridder Willem van Calonne en zijn echtgenote Mathilde verkopen voor 100 Artesische ponden een uitgestrekte weide aan de noordzijde van hun gebied. Daar waar er een waterval is in de rivier de Calonne. Bij de verkoop wordt er ook een straat verkocht in het westen. Die weg maakt het mogelijk om de boerderij van Sint-Maarten te verbinden met de vijver 'Beauvoir'. De geestelijken krijgen er trouwens ook vrije doorgang op en onder de brug Riquard zodat goederen, dieren en mensen, te land en over het water vrij in en uit de hofstede kunnen.

 

In 1239 kent de burggraaf van Saint-Omer, ten eeuwigen dage, jaarlijks zes tonnen wijn toe aan de abdij. De enige voorwaarde hierbij is dat ze absolutie dienen te geven aan de mensen die de persing hebben gedaan en er voor dienen te zorgen dat de wijn ter plekke komt in Ieper. Feys en Nelis buigen zich nu over twee stukken die niet echt van belang zijn voor de proosdij maar wel interessante details vrijgeven over de lokale geschiedenis. Een eerste document dateert van 23 oktober 1243. Ridder Michiel van Ieper stelt zich garant dat zijn neven Nicolas, Robert, Jacques en Aelis, de zonen van zijn zuster Margaretha, zich nooit zullen verzetten tegen de verkoop van de rechten op een goed in Zillebeke, waar een rente van 10 stuivers aan vast hangt.

 

De begunstigde is Jean Episcopus, de deken van Sint-Maarten. De akte wordt opgesteld en ondertekend door Jean Bonus van de confrérie van de gilde der stadsklerken. Het tweede stuk is van 5 maart 1244. Die Michiel van Herenthaghe blijkt synoniem te zijn van de eerdere weldoener Michiel van Ieper. Hij en zijn zuster Margaretha van Ieper verleggen de rente van 9,5 Artesische ponden naar de abdij Ter Duinen die ze op haar beurt dient te betalen aan de kerk van Sint-Maarten. De schenking wordt aanvaard door de kanunniken Thomas Brune en Jacques van Brugge en door proost Lambert van Gheluwe persoonlijk.

 

De naam van Margaretha van Ieper doet een belletje rinkelen bij de schrijvers Feys en Nelis. Die dame had ook nog een nicht met dezelfde naam. De herinnering aan die eerste Margaretha van Ieper schept het beeld van een zachte en pure vrouw met een diepchristelijk aureool. Margaretha wordt in 1216 geboren in Ieper als dochter van een achtenswaardige familie. Rijke burgerij. Nog voor ze achttien is, valt ze al op tussen de adellijke juffrouwen van haar leeftijd. Mooie dure kledij en zelf een mooi meisje, lonkt ze naar de luxe en de decadentie van het burgerlijk wereldje waarin ze opgroeit.

 

De knappe jongedame wordt opgemerkt door de Dominicaanse broeder Zegher, die vanuit Rijsel op prediktocht is in Ieper. Zeg maar bedeltocht. Tijdens één van zijn sermoenen, de gravin van Vlaanderen is er trouwens ook aanwezig, leert hij de jonge ijdeltuit kennen. Blijkbaar kan de geestelijke niet goed tegen het wereldse, decadent aanvoelende en puberende gedoe van de jonge Margaretha. Hij besluit met haar te praten. In de geschiedenisboeken staat er geschreven dat hij bij het meisje de vlam van de ijdelheid uitdooft en haar een leven vol van hemelse geneugten en contemplatie aanbiedt. Het lijkt allemaal bijzonder ongeloofwaardig.

 

Maar dit terzijde: wanneer Margaretha 21 is geworden, leeft ze al drie jaar volgens de regels die de Dominicanen zichzelf opleggen. Drie jaren van soberheid heeft ze achter zich. Ze is nu klaar om toe te treden tot een klooster en zich te laten wijden tot non om zich voor de rest van haar leven te wijden aan de werken van God, 'les noces eternelles', zoals het in het Frans zo perfect uitgedrukt wordt. Haar grote voorbeeld is Thomas van Catimpré, een Dominicaanse broeder die het al geschopt heeft tot wijbisschop van Cambrai en die, vooraleer door te reizen naar Parijs en Denemarken, voor enkele weken op werkbezoek komt in de stad Ieper.

 

Thomas van zijn kant geraakt in zijn leven zo onder de indruk van de persoonlijkheid van de Ieperse Margaretha dat hij later nog het boek 'Vita B. Margaritae Iprensis' zal schrijven. Wikipedia leert ons trouwens dat Margaretha van Ieper in datzelfde jaar 1237 overlijdt. De grote indruk die ze gemaakt heeft op Thomas van Catimpré moet dus alles te maken hebben met de gebeurtenissen tussen de jaren 1234 en 1237.

 

De Sint-Michielskerk die gebouwd werd in 1102, wordt onder het bewind van Lambert van Gheluwe tot parochiekerk verheven. In 1220 hadden de parochie en de kerk nog naast een schenking gegrepen die de andere Ieperse parochies wel hadden gekregen. Maar in 1249 wordt ze wel vermeld. De kerk zal trouwens geen lang leven beschoren zijn. Na het beleg van Ieper zal ze definitief afgebroken worden. Het kapittel van Sint-Maarten komt meestal goed overeen met de graaf van Vlaanderen. Maar rond 1240 bestaat er bij gravin Johanna toch mistevredenheid over de abt.

 

Veel bijzonderheden zijn er niet bekend buiten het feit dat de Ieperse baljuw melding maakt van grove beledigingen aan haar adres. In 1242 is de zaak in elk geval bijgelegd. Thomas van Savoye, de echtgenoot van Johanna van Constantinopel, verzoekt de baljuws van Vlaanderen om zich welwillend en zorgzaam te gedragen tegenover de kerk in Ieper. Haar rechtspraak verdient een grotere autoriteit. Volgens Thomas van Savoye heeft de kerk na haar belediging aan Renier de voormalige baljuw van Ieper, een zeer bevredigende reactie gehad en heeft ze zich niet bezondigd aan kwaadaardige of rancuneuze reacties. Alle acquisities van de proosdij worden door hem nog maar eens geratificeerd.

 

In die periode hebben ze in Ieper allemaal andere katten te geselen. Een ramp teistert de stad en de kerk. Op 5 januari 1241 brandt zowat één derde van de stad af door de onvoorzichtigheid van een voller. Ook een groot deel van de kerk van Sint-Maarten wordt verwoest. Het klooster wordt zwaar beschadigd. De herstellingswerken zullen de Ieperse clerus heel wat kopbrekens bezorgen. Op 19 november 1245 sterft abt Lambert van Gheluwe. De abdij van de Nonnenbossen erft blijkbaar 8 pond want op 16 maart 1246 bevestigen de geestelijken van Ieper aan hun nieuwe abt Pierre dat ze in Zonnebeke die som hebben ontvangen en de proosdij van Ieper in ruil hiervoor een jaarlijkse rente van 13 stuivers zal voorzien.

 

XII. Pierre I (1245-1249). De achtergrond van de nieuwe abt is niet bekend. Pierre krijgt al vlug te maken met kerkelijke zaken en met misbruiken van de clerus. Het is een opvallende vaststelling. Over het algemeen zijn het niet zijn eigen kanunniken die zorgen voor misbruiken, maar is het vooral de kerkelijke rechtbank van Terwaan die zwaar over de schreef gaat. De schrijvers vragen zich niet helemaal onterecht af of hun bisschop zelf op de hoogte is van de wanpraktijken van zijn staf. De uitspraken van Terwaan zorgen in elk geval voor onrust en voor herhaalde beschuldigingen waardoor er regelmatig een krachtige tussenkomst en bemiddeling van paus Innocentius IV noodzakelijk blijkt.

 

Een van de eerste klagers bij de paus is precies het kapittel van Ieper. Enkele prelaten en hun medewerkers zoeken hun profijten op de kap van anderen. De hele Ieperse bevolking, met inbegrip van de hele Ieperse geestelijkheid worden voor de minste futiliteiten door Terwaan bestraft met schorsingen of excommunicatie uit de kerk. Het zijn allemaal straffen die kunnen ongedaan gemaakt worden mits een betaling van 9 pond en één denier aan Terwaan. Voor velen een schandalige som en niet min of niet meer een genadeloze afpersing. Niet moeilijk dat de Ieperse clerus op zijn achterpoten gaat staan en er de pauselijke autoriteit bij roept.

 

Zoals je kunt zien zijn de praktijken al een tijd aan de gang. In een eerste bulle van 18 maart 1244, gericht aan de Ieperse kanunniken, veroordeelt Innocentius IV, de praktijken van Terwaan en verbiedt hij hen om geld te eisen in ruil voor de afkoop van straffen. Enkele weken later bevestigt de paus Sint-Maartens in al zijn bezittingen. Maar blijkbaar binden die van Terwaan niet in en opnieuw wordt de man in Rome aangeschreven. De nieuwe abt Pierre ontvangt op 11 september 1246 een tweede pauselijke bulle rond de kwestie.

 

Opnieuw een uitspraak die de rechtbank van Terwaan veroordeelt. De abdij kan onder geen beding gedwongen worden om afkoopsommen te betalen, laat staan op te draaien voor privé pensioenen of voordelen allerhande. Het privilege van Sint-Maarten zal door de volgende pausen trouwens nog eens bevestigd worden in 1257 en in 1262. De Ieperse geestelijken zijn nu volledig beschermd tegen de praktijken van Terwaan. Maar de gewone mensen blijven in de kou staan. Het is dan ook niet verrassend dat de stad Ieper nu ook aan de klaagmuur gaat staan. De schepenen kennen natuurlijk de inhoud van de pauselijke bulle van 1246. Waarom wordt de burgerij niet beschermd tegen diezelfde misbruiken?

 

Waarom legt Terwaan hun straffen aan hele groepen mensen op, terwijl het om individuele inbreuken gaat? Blijkbaar is de hele stadsgemeenschap het slachtoffer van de banvloek. Er volgt een antwoord van Innocentius IV op 2 januari 1247. Hij is bezig om hun verdediging op punt te zetten. En inderdaad: op 21 april informeert hij de schepenen dat niemand het recht heeft om nog een excommunicatie uit te spreken zonder zijn voorafgaande persoonlijke toestemming.

 

De schepenen zitten nog met andere klachten. De deken van de Ieperse christenheid en enkele priesters van de bisdommen Terwaan, Arras en Doornik hebben de Ieperse burgers valselijk beschuldigd en brengen zo schade toe aan hun inkomsten, hun bezittingen en hun goederen. Op 18 februari geeft de paus opdracht aan Clément, de kanunnik van de Sint-Pietersabdij in Douai, in het bisdom Arras, om de partijen bijeen te roepen op een hoorzitting waar een finaal arrest, zonder verdere beroepsmogelijkheden, zal geveld worden.

 

En wat met die bestraffing van overspel en ontucht in de stad? De hele reutemeteut van de kerk staat klaar om bij de minste beschuldigingen van overspel of ontucht op een verwoede manier zilvergeld te eisen van verdachten, zonder dat die ooit het recht krijgen om zich te verdedigen tegen de geuite beschuldigingen. De paus roept de bisschop van Terwaan de 25ste februari van het jaar 1247 op het matje. Hij moet er voor zorgen dat zijn mensen ophouden met die afpersing en misbruiken. Er ligt nog meer op de maag van de Ieperse schepenen.

 

Als één of andere burger wordt geëxcommuniceerd dan verbieden die van Sint-Maarten dat zijn vrouw en zijn familie nog verder de sacramenten kunnen worden toegediend. Zelfs een kerkelijk grafzerk is taboe. Wat hebben die mensen misdaan om zo gestraft te worden? Innocentius IV geeft op 23 maart 1247 opdracht aan Gérard de Marège, de kanunnik van Doornik, om zich in Ieper te komen vergewissen of het waar is wat die van Ieper beweren. En altijd zijn de klachten gericht tegen de rechtbank van Terwaan.

 

Het flink uit de kluiten gewassen Ieper moet waarschijnlijk een aantrekkelijke prooi zijn voor de gehaaide geestelijken. De schepenen beweren dat er 200.000 inwoners zijn in Ieper. Maar is dit zo? Feys en Nelis vragen het zich af. Er is al veel inkt verspild aan de discussie of dit aantal realistisch is. In 1247 beweren de schepenen dat er 200.000 inwoners zijn en in 1258 spreken de kanunniken van 40.000.

 

Hoe vallen deze cijfers met elkaar te rijmen? Waarom spreken de schepenen en de kanunniken elkaar tegen? De schepenen hebben het over de volledige stad en de kanunniken enkel over het deel waar zij de scepter zwaaien, meer bepaald Sint-Maarten, Sint-Pieters, Sint-Jacobs en Sint-Jan, meer bepaald de parochies die in de pauselijke bulle van Innocentius III uit 1200 specifiek werden vernoemd. Van Onze-Lieve-Vrouw ten Briel was in de bulle nog geen sprake, hoewel die toen al 4 jaar bestond. De schepenen van hun kant, zeggen trouwens zelf dat Brielen, Sint-Niklaas en ongetwijfeld ook Sint-Michiel niet behoren tot de jurisdictie van Sint-Maarten. De pauselijke bulle specificeert de autoriteit van de proosdij van Sint-Maarten binnen de 'infra castrum Yprense'. De schepenen zouden wel eens gelijk kunnen hebben gehad met die 200.000 inwoners.

 

Vooral de geweldig gegroeide buitenwijken van Brielen waar tienduizenden wevers en vollers van alle kanten zijn komen toestromen om te komen werken in de exploderende lakennijverheid, zullen wel hun impact gehad hebben op het hoge aantal Ieperlingen van die dagen. De parochiepriesters hebben het verduiveld moeilijk met die mensenmassa. Er zijn maar 4 parochiekerken waar ze dag en nacht moeten werken aan de zielzorg van de mensen. Het is dweilen met de kraan open. Er is een voortdurend tekort aan priesters.

 

Het gebeurt regelmatig dat verscheidene huwelijken tezelfdertijd moeten worden georganiseerd. En hetzelfde geldt voor begrafenissen. De grootschalige aanpak betekent natuurlijk een echte goudmijn voor de proosdij. Verschillende misdiensten in één beweging, betekenen meer offergaven. Als er mensen van verschillende parochies met elkaar willen trouwen, willen de priesters niet overgaan tot een huwelijksmis vooraleer beiden een flinke som geld hebben overgemaakt die dan onder de post 'offergaven' wordt ingeschreven.

 

De priesters gedragen zich arrogant, boosaardig en naar eigen willekeur. Ze vertikken het soms om de ondertrouw van koppels bekend te maken zodat hun huwelijk niet tijdig kan doorgaan. En dan is er nog de kwestie van de windmolens. De monden moeten worden gevoed en het graan gemalen. Met de bestaande molens en die enorme bevolking is het kantje boordje om voldoende brood op de plank te hebben. En hiervoor is het wachten op voldoende wind om de molens aan te drijven. De wind waait natuurlijk ook op zon- en feestdagen en dan moeten de inwoners telkens letterlijk smeken om te mogen malen op de dagen van God. Het is duidelijk: Sint-Maartens wikt en beschikt.

 

Koppels die trouwen worden verplicht om deel te nemen aan een ceremonie die gemeenzaam 'kerkgang' genoemd wordt. Oud en jong krijgt de kans om tegen betaling de eeuwige glorie te krijgen als ze processiegewijs met familie en vrienden door de kerk stappen en waarbij ze zich vermoeien met het uitgeven van hun geld. In veel gevallen wordt de bruidschat van de bruiden door de molen gejaagd. Het loopt zodanig de spuigaten uit dat de goegemeente ook al een verzoek richt tot de paus om deze praktijken stop te zetten. De paus reageert op de vraag van de Ieperlingen en verzoekt de bisschop van Terwaan om hem hierover te rapporteren. Maar hoe het finaal afloopt met de Ieperse kerkgang is niet geweten.

 

Met al die willekeur en die afpersmentaliteit is het niet moeilijk dat de moraliteit terugloopt in Ieper. De 'God ziet u' bordjes bestaan nog niet en de priesters hebben wel andere interesses dan de geestelijke integriteit van hun onderdanen. Er is amper sprake van nieuwe acquisities tijdens het bewind van abt Pierre. Het zijn blijkbaar moeilijke tijden voor het klooster. De Rubrum registers maken melding van een aankoop in januari 1247. Walter, de abt van Grimbergen, verkoopt aan de Ieperse proosdij alle eigendommen die zijn abdij bezit binnen de stadsmuren van Ieper. Het betreft opbrengsten van meer dan 9 pond afkomstig van verscheidene huizen in de stad en blijkbaar ook deels op de lakenhalle.

 

Een van die woningen bevindt zich tussen de twee bruggen van de Boterstraat. In juli 1248 koopt Pierre 8 hectare grond aan mevrouw Alaïs van Calonne. De grond is gelegen in de Molenstraat en behoort tot het leengebied van Steenwerk dat in handen is van Willem van Calonne. Die laatste en zijn oudste zoon verklaren zich akkoord met de verkoop. De grond is voortaan totaal bevrijd van enige feodale rechten. Abt Pierre zal er niet lang van kunnen genieten, want hij overlijdt op 5 april 1249.

 

XIII. Boudewijn II (1249-1266). De nieuw abt komt van Sint-Donaas in Brugge waar hij kanunnik was. Als we de manuscripten van Ter Duinen mogen geloven, is Boudewijn een echte Vlaamse gentleman die heel goed gekend is door de graaf die hem voorstelt om proost van Ieper te worden na de dood van Pierre. De tijd van Hugo is meteen terug. De schrandere Boudewijn zorgt er voor dat Sint-Maartens weer tot bloei komt. Na enkele mistroostige jaren bruist de abdij weer van een opmerkelijke vitaliteit. De abt zal tijdens zijn bewind meerdere keren in aanvaring geraken met de schepenen. De heropbouw van Sint-Maarten wordt gerealiseerd, de eigendommen van de proosdij groeien met de dag en tijdens zijn bewind wordt er melding gemaakt van de stichting van verscheidene religieuze ordes in de stad.

 

In 1249 krijgt Boudewijn van paus Innocentius IV een vrijgeleide om volop roerende en onroerende goederen te kopen of te beheren. Met uitzondering van de leengebieden waar er nog onbetaalde schulden op rusten. De nieuwe abt krijgt het aan de stok met de tempeliers. Helias, een Ieperse lakenverver, werd door de kanunniken begraven op hun kerkhof omdat hij naar verluidt een parochiaan is van Sint-Maartens. De leermeester en de broeders van de orde van de tempel beweren het tegendeel.

 

Helias had bij leven zijn grafsteen gereserveerd op tempeliersgrond en ze eisen het lichaam van de man terug zodat hij kan begraven worden op de plek die hij voorzien had. De heikele zaak wordt verschoven naar een tribunaal in Rome waar meester tempelier Jean de Longueval, en Jacques van Waasten voor de abdij de arbitrage moeten ondergaan van kardinaal Pierre, de bisschop van Albano. Die man beslist dat de partijen zich moeten houden aan een eerdere uitspraak die bedisseld werd door Nicolas, de abt van Ter Duinen, de voogd van de Ieperse Minderbroeders en de Ieperse schepenen Jan Vouderaven, Pieter Broederlam en Lambert de Scotes.

 

Geen van beide partijen ziet die regeling zitten. Als de tempeliers afkomen met een getuigenis van een geloofwaardige derde dat Helias zijn keuze gemaakt had toen hij nog in leven was, worden de kanunniken verplicht om het lijk op te graven en het over te brengen tot aan de kerk van de tempeliers. Maar Jacques van Waasten ziet dat helemaal anders. Er kan geen sprake zijn van een derde, de tempeliers moeten in een rechtstreekse confrontatie met de abt het ondubbelzinnig bewijs leveren. Pas dan zal het lijk opgegraven worden.

 

Maar zoals gezegd, oordeelt het tribunaal in Rome dat de lokale regeling van kracht blijft. De bevestiging hiervan wordt opgestuurd op 1 oktober van het jaar 1249. De discussie rond de bewijskracht moet verder worden uitgeklaard. Op 23 november gaat er een vergadering door in de kerk van Sint-Niklaas die eindigt met een motie dat als twee geloofwaardige tempeliers of geloofwaardige derden kunnen bewijzen dat Helias wou begraven worden op tempeliersgrond, de kanunniken van Sint-Maarten voor de goede vrede zouden overgaan tot opgraving van de overledene.

 

De rust tussen Sint-Maartens en de tempeliers mag dan wel teruggekeerd zijn, maar de discussies tussen het kapittel en de schepenen van de stad worden vinniger en complexer met de dag. Het begint met de taksen die geheven worden op groenten die gekweekt worden op de gronden van de Ieperse parochies. In oktober 1249 komen ze overeen dat de geestelijken een heffing mogen leggen op de groenten en op alle vruchten van de aarde, met uitzondering van het hooi, die gekweekt worden op een wel gespecificeerd gebied van ongeveer 62 hectare.

 

Op de andere gronden in de parochies kunnen de kanunniken maar één keer een heffing opeisen en wel met de belangrijkste oogst van het jaar. De pachters van die gronden mogen in geen geval aangemaand of geforceerd worden om cijnzen te betalen op de vruchten van de aarde afkomstig van een tweede of een derde oogst. Bovendien is er geen cijns verschuldigd op groenten en fruit die voor eigen consumptie bestemd zijn.

 

Nieuwe meningsverschillen stapelen zich op. In die mate zelf dat het niet meer mogelijk is om de zaken per onderwerp te doen behandelen. Zo bijvoorbeeld zijn er de opgelegde eisen van de proosdij dat zij de keuze dienen te maken onder de gelovigen wie wel of niet in het oud koorgestoelte van Sint-Maarten mag plaatsnemen. De bemoeienis van de schepenen wanneer parochianen hun testament opmaken.

 

De kwestie van de oplegging en de ijking van de maten en gewichten die gebruikt worden op parochiale grond. De verkiezing van kerkmeesters en de benoeming van de kosters. Het recht om onderwijs te geven in de stad. De vrijwillige kerkgiften. De misbruiken van de clerus. De kaarsen bij begrafenissen. De hele discussie rond de perverse kerkgang. De conflicten tussen het wereldlijk en geestelijk gezag in de schone stad Ieper, stapelen zich letterlijk en figuurlijk op. Zoals we al gelezen hebben, werd de kerk van Sint-Maarten zwaar beschadigd door een brand in 1241.

 

Tien jaar later is het hoogkoor dat het minst van al te lijden had onder de schade, min of meer hersteld, maar de rest van de kerk moet nog verbouwingen ondergaan. De voorbereidende werken zijn al aan de gang en het is daardoor dat een aantal plaatsen in de kerk nog altijd onbruikbaar zijn. Het hoogkoor (het priesterkoor) zelf blijft volledig ter beschikking van het kapittel en afgesloten van de rest van de kerk. De parochianen kunnen gebruik maken van de gangpaden. Wie het wenst, mag eventueel plaats nemen in het afgelegen oude koor.

 

En dat is zeer tegen de zin van de kanunniken want de ingang van het oude koor ligt er afgebroken bij. Er zijn geen buitendeuren en het koor kan niet worden afgesloten. De geestelijken willen niets liever dan dat het oude koor hersteld wordt in zijn oorspronkelijke toestand. Maar de deuren zijn weg. De kanunniken verwijten aan de Ieperse schepenen dat zij beslag gelegd hebben op hun kostbare houten deuren.

 

De schepenen reageren op de verwijten van de priesters dat Sint-Maartens dat ze nog achterstallige belastingen moeten betalen op de gronden van het klooster. Maar dat vinden de kanunniken natuurlijk indruisen tegen de bestaande conventies. De verkiezing van een nieuwe kerkmeester is volop aan de gang en dat maakt dat er nog geen arbitraire uitspraak over de kwestie kan worden aangekondigd. De schepenen en de parochianen willen vrije toegang tot het grote koor en in het schip van de kerk en ook in het transept, de dwarsbeuk. Maar de middelen ontbreken voorlopig nog om de werken goed te doen opschieten. Meer trouwens: zowat een derde van de middelen die de stad Ieper ter beschikking stelt van de proosdij, wordt door Sint-Maartens gebruikt om de stad te vrijwaren van een algemene excommunicatie door de paus wegens de handeling van één of andere Ieperse poorter.

 

In april 1251 zullen Willem, de deken van Doornik, voorgedragen door de proosdij en een zekere N, de proost van Bergen, aangesteld door de schepenen, een uitspraak doen rond de kwestie. Er wordt afgesproken dat indien de scheidsrechters er zelf niet uit geraken dat de gravinnen van Vlaanderen en van Henegouwen dan zullen tussenkomen om alsnog een uitspraak te forceren. Daarenboven moeten de arbiters op dezelfde dag uitspraak doen over alle hangende geschillen. Er wordt een dwangsom van 200 Vlaamse marken opgelegd aan de partijen die de uitspraak niet zullen respecteren.

 

Feys en Nelis vinden geen spoor terug van de bewuste uitspraak. Werd ze niet uitgesproken? Of werd ze niet gerespecteerd? De Rubrum registers blijven doof en stom. Ze stellen wel vast dat de schepenen binnen de kortste tijd al nieuwe klachten sturen naar de paus. Volgens de Ieperlingen eist de clerus geld van vrouwen, die na hun bevalling God komen danken in de kerken. Er wordt geld afgetroggeld bij de begrafenissen, bij de zegening van bruiden en de uitvoering van de sacramenten. Op 29 januari komt er een reactie van paus Innocentius IV.

 

Hij veroordeelt de houding van de Ieperse geestelijken op een scherpe manier en verbiedt hen uitdrukkelijk om geld te eisen of te ontvangen van de mensen, tenzij de gelovigen hen spontaan giften aanbieden. De situatie doet me enigszins denken aan de nieuwjaarstournee en dito kalenders van de brandweermensen anno 2014. De bisschop van Terwaan, de geestelijke leider van de Ieperse clerus, wordt aangemaand om die van Sint-Maartens in de gaten te houden. De kanunniken voelen zich geviseerd. Bij ons zeggen ze 'in hun gat gebeten'. Ze gaan in de tegenaanval. Sinds 1195 hebben ze de toelating om in exclusiviteit de scholen te runnen in Ieper.

 

De burgerij mag zo maar geen scholen openen zonder voorafgaande toestemming van Sint-Maartens. Blijkbaar zijn de schepenen 50 jaar na datum niet onder de indruk van de bulle van de al lang overleden paus Celestinus de 3de. Ze hebben zelf een speciale school geopend en hebben er niet eens aan gedacht er om toestemming voor te vragen aan de abt. Het moet een vrij elitaire school zijn, want enkel de kinderen van de schepenen en van de rijke burgerij worden er naartoe gestuurd.

 

Wegens deze ondoordachte en vermaledijde daad willen de abt en zijn geestelijken de banvloek laten uitspreken door de aartsbisschop van Doornik, de beschermheer van hun privileges in Vlaanderen, de man die afgevaardigd is door Rome om dergelijke strafmaatregelen over de hoofden van de schepenen en het volk heen te zwieren. Het Ieperse schepencollege voelt de bui al hangen, en stuurt een nieuwe klacht naar de paus. Heeft die man eigenlijk niets anders te doen dan zoveel klachten vanuit dat ene Ieper te ontvangen?

 

In West-Europa zijn er vele honderden steden. Hoe kan die hulplijn van de grote stad Ieper naar de grote baas in Rome in hemelsnaam zo kort zijn? Maar terug naar de fameuze klacht van de schepenen. Ze betwisten de autoriteit van de aartsbisschop van Doornik omdat Ieper niet binnen de territoriale grenzen van zijn bisdom valt. Op 9 februari 1253 wordt er beslist dat de dekens van de grote kerk van Saint-Gery te Cambrai en de officiële kerkelijke mandataris van Cambrai een oordeel zullen moeten vellen over die burgerlijke school te Ieper. Er wordt een onderzoek ingesteld rond de Ieperse scholen maar ook de taksen op de begrafenissen komen in het vizier. De benoeming van de kerkmeesters en van de kosters, een oud zeer in Ieper, wordt evenzeer bekeken door de geestelijken van Cambrai.

 

Op 6 november van 1253 komen kapittel en schepencollege met elkaar tot overeenstemming. Het aantal middelbare scholen in 'het castrum van Ypres' wordt beperkt tot drie en ze vallen allemaal onder de voogdij van de abt en het kapittel. De aangestelde leraren moeten hun lessen ten persoonlijken titel geven. De rectoren mogen maximaal 10 cent schoolgeld vragen aan de kinderen. Er mogen geen extra vergoedingen gevraagd worden voor voeding, het stro, het riet (om op te schrijven) en de inkt. Ze mogen geen brood vragen aan de kinderen en niet de minste cijnzen opleggen in de klassen.

 

De burgers krijgen de mogelijkheid om alle kinderen die in hun eigen woningen verblijven thuis privé onderwijs te laten geven door persoonlijke klerken. Er mogen echter in geen geval vreemde kinderen lessen krijgen. De oprichting van lagere scholen wordt niet langer een zaak van de proosdij. Iedereen die dit wenst, kan een lagere school oprichten. Er is maar één voorwaarde aan verbonden. De leerlingen moeten onderricht krijgen uit de Dicta Catonis van een zekere Dionysius Cato, een filosoof uit de 4de eeuw. De kinderen kennen al de eerste beginselen van het Latijn als ze kennismaken met de leefregels en de wijsheden van Cato. Het boek zal zowat het belangrijkste onderwijsinstrument blijven tot diep in de 18de eeuw.

 

Dagdagelijkse ethiek die er al van jongs af aan wordt ingepompt. De spreuken, waarheden en wijsheden zijn nooit in tegenspraak met het christelijk geloof en worden door de kerkelijke autoriteiten over heel Europa getolereerd. Voor de rest wordt er niet geraakt aan de privileges van de proosdij. De proost en zijn kapittel mogen echter niet langer 'stallighte' eisen, dat zijn cijnzen die meegedragen worden met de dode lichamen van de parochianen. De mensen zijn vrij om al dan niet een schenking te doen ter gelegenheid van een begrafenis en in die gevallen mogen de geestelijken wel de giften in ontvangst nemen.

 

De kerkmeesters van de parochiale kerken worden voorgedragen door een administrator en de parochianen zelf. Het zijn zij die de parochiepriesters in de keuze van de kerkmeesters adviseren. De kosters die door slordigheid of door laksheid versieringen of kerkgarnituren kwijtspelen, worden verantwoordelijk geacht om de schade te vergoeden.

 

De overeenkomst rond de Ieperse scholen zal 40 jaar standhouden, tot in 1289, en dan enkele wijzigingen ondergaan. Onder proost Willem II zullen de drie scholen gereduceerd worden tot twee. De school van Sint-Maartens en die van Sint-Pieters. De Latijnse spelling van Aelius Donatus (4de eeuw) mag enkel onderwezen worden in één van die twee scholen.