P1200100

Hoe ziet het landschap rond Ieper eruit rond het jaar 1000? De vraag komt van de KUL-student Marc Carnier die in 1988 zijn thesis schrijft over de parochievorming in het Ieperse voor de jaren 1300. Een thesis die manifest aanwezig is in het stadsarchief van Ieper en waar ik dankbaar gebruik van maak in mijn zoektocht naar de geschiedenis van de Westhoek. De streek bevindt zich op een zandlemen bodem.

 

Het zeewater van het noordelijk gelegen overstromingsgebied stroomt via de Ijzer, de (huidige) Poperingevaart, de grote Kemmelbeek, de Steenbeek en de Iepere het Ieperse hinterland binnen. Tussen de vierde en de achtste eeuw hebben vloedgolven grote delen van de Westhoek blank gezet (de Duinkerke II transgressie) wat ongetwijfeld zijn invloed heeft gehad op de regio van Ieper en de bevaarbaarheid van de Iepere. En ook in het begin van de 11de eeuw zal de teruggetrokken Noordzee nog eens voor langere tijd het Ijzerbekken binnendringen. De Iepere wordt gevoed door de Colliebeek die vanuit de richting van Zillebeke (Saelebeke) het oostelijk deel van de Ieperse nederzetting bereikt om er ter hoogte van het Zaalhof (het Saelhof) in de Iepere te vloeien.

 

Later zal het water van de Colliebeek aangewend worden om de stadsgrachten van water te voorzien. In het noorden van de nederzetting stroomt de Bellewaerdebeek in de Iepere. De hele regio rond Ieper is bezaaid met bossen. Noordoostelijk vinden we rond het jaar 1000 een reusachtig bos met een omvang van wel 2.000 hectaren. Het Vrijbusch (het Houthulstbos) behelst de huidige gemeenten Staden, Poelkapelle, Langemark, Merkem en Houthulst. Het woud vormt een gigantisch jachtgebied voor de eigenaars. Dat zijn de graaf van Vlaanderen en de Noord-Franse Benedicterabdij van Corbie.

 

In het noorden en het noordwesten bevindt er zich een tweede boscomplex met een dichte begroeiing tussen Poperinge en Proven. Tussen de nederzettingen Poperinge en Ieper is het bos minder aanééngesloten en af en toe onderbroken door onbeboste vlaktes. Het noordwestelijke bosgebied zal vanaf de 11de tot de 13de eeuw in toenemende mate gekoloniseerd en ontgonnen worden. Een derde bosrijke gordel omringt de Ieperse nederzetting. In het oosten strekken de bossen zich uit van Passendale over Zonnebeke, Zandvoorde, Wijtschate tot in Voormezeele. Hier is er geen sprake van één groot bos, maar van een reeks verschillende bossen afgewisseld met talrijke heidegronden (wastinae). Later zullen die verschillende bossen door ongeoorloofde ontginningen verder evolueren tot vrij arme heidegronden.

 

Er worden pas vanaf het jaar 1000 fysieke sporen van enige bewoning terug gevonden in de onmiddellijke omgeving van Ieper. Dit is veel eerder het geval voor Kortrijk (Coretoriaco) en Wervik (Werawiaco) die dank zij hun ligging aan de Leie belangrijke vestigingsplaatsen betekenen voor de Romeinen. Er bestaat een verbindingsweg tussen Kortrijk en Cassel (Castello Menapiorum). Die oude Romeinse heirbaan loopt via Wervik langs de zuidelijke kant van de Ieperse nederzetting tot in Abele en Poperinge (Pupurningahem), waar de weg zich splitst met enerzijds de richting naar Cassel en anderzijds richting kust via Elverdinge (Alifrithingas) en Klerken (Clariaco).

 

In de nabije Ieperse omgeving bevinden zich de nederzettingen (landbouwexploitaties) van Vlamertinge, Elverdinge en Boezinge die naast de verbinding over het water tijdens de Romeinse bezetting eveneens verbonden werden door een heerweg. Veel generaties later zullen de locaties Flambertenges (1066), Eluer(zenge)s (1066) en Bosinga (1119) voor het eerst schriftelijk worden genoemd. Noordelijk van deze oude landbouwnederzettingen bevindt zich een erg bosrijk gebied dat als een soort schild de al even oude bevolkingsgordel aan het water van de Ijzer afschermt. Die bossen tussen de Ijzer en Elverdinge zullen pas ontgonnen worden tussen de 11de en de 13de eeuw. Die bosontginning zal leiden tot de stichting van het centraal gelegen Wastina (Woesten) door de graaf van Vlaanderen, Diederik van den Elzas. Dat gebeurt in het jaar 1161.

 

Het duurt natuurlijk duizenden jaren vooraleer veel van die Ijzernederzettingen met hun eigenste naam worden vastgelegd. Reninge (in 877: Reninga), Oostvleteren en Beveren in 806 (Fletrinio), Krombeke in 875 (Crumbeke). Ook de patroonheiligen van die nederzettingen verwijzen naar een hoge ouderdom: St. Rectrudis (+688) (Reninge), St.Amatus (+690) (Oostvleteren), St. Blasius (+316) (Krombeke), St. Audomarus (+670) (Beveren) en St.-Maarten (+397) in Westvleteren en Haringe. Die naamgeving heeft te maken met predikers die tijdens de 7de eeuw de heidense landbebouwers langs de Ijzer poogden te overtuigen van het christelijk geloof. Ten oosten van Boezinge bevinden zich Zuidschote, Noordschote en Pilkem. Noordelijk van Ieper liggen de woonkernen van Langemark, Merkem en Poelkapelle.

 

De namen van Langemark en Merkem blijken afgeleid van een bijrivier van de Ijzer, de 'Markis'. De beek wordt op vandaag door de lokale bevolking nog altijd het 'Martje' genoemd. In 869 is er sprake van Marcheim (Merkem) en Langemark wordt in 1109 eenvoudig 'Marc' genoemd. (In 1066 is dit nog 'apud villam Marcam'). Net zoals het geval bij de plaatsnaam van Poperinge (Pupurningahem) is de Frankische invalshoek niet zo ver te zoeken. Poelkapelle is ongetwijfeld veel later ontstaan dan Langemark. In 1096 wordt de locatie voor de eerste keer genoemd als 'Capelle ter poele'. Het element 'capelle' wijst op een ontstaan in de 11de eeuw. Poelkapelle zal trouwens tot in de 19de eeuw een afhankelijke kapel blijven van buurgemeente Langemark.

 

Zuidschote en Noordschote bevatten het achtervoegsel 'schoot' dat verwijst naar het Germaanse 'skauta', een beboste hoek hoger land die uitspringt boven een moerassig terrein. Beide leefgemeenschappen situeren zich inderdaad op een zandrug die omgeven is door de Grote Kemmelbeek, de Iepere en in het noorden de Ijzer. De kapel in Zuidschote is afhankelijk van die van Boezinge. Zo staat het toch in het jaar 1119 omschreven als 'altare de Boesingha cum appendicia capella que Sudcotes vocatur'.

 

Ten oosten van Langemark bevindt zich de nederzetting van Passendale. In 844 wordt Passendale voor het eerst geattesteerd als Pascandala. Dat de naam 'pasik' (kind) in Passendale terug te vinden is, lijkt erg twijfelachtig als we het achtervoegsel 'ala' in de plaatsnaam ontwaren. Ten oosten van Ieper, verscholen in talrijke bossen, bevinden zich de landbouwnederzettingen Zonnebeke, Zillebeke en Hollebeke, Geluveld. Alle zijn ze hydroniemen, waternamen, die verwijzen naar het heilige 'al-apa' water van onze voorouders.

 

Duizenden jaren na datum worden hun plaatsnamen op papier teruggevonden: Hollebeke in 1185 (Holebeca), Zonnebeke in 1072 (Sinnebacche), Zillebeke in 1102 (Selebecha) en Geluveld in 1109 (Geluelt). Tussen Hollebeke en Geluveld ligt Zandvoorde dat in 1102 geattesteerd wordt als Sandafurda, wat staat voor een doorwaadbare plaats in een waterloop. En dan komen we aan bij de zuidkant van Ieper. Hier bevinden zich Dikkebus en Voormezele. Dikkebus (1089: Thicasbusca) verwijst rechtstreeks naar zijn ligging midden in een dicht bos. Voormezele wordt in 1069 genoemd als Formesela. De ontstaansnaam van Formesela lijkt te duiden op een ontstaan tijdens de Karolingische tijd (tussen het jaar 700 en 900). Maar opnieuw verwijst de 'ela' naar een plaats aan het water die al 2.000 jaar vroeger werd bewoond dan in de Karolingische tijd.

 

De patroonheiligen Sinte-Katharina van Zillebeke en Sinte-Margaretha van Geluveld wijzen op de opstart van de kerkgeschiedenis in deze nederzettingen in diezelfde Karolingische periode. Op basis van de namen van de patroonheiligen kan wel enige aanduiding gegeven worden i.v.m. het ontstaan van de diverse kerkparochies in de gordel rond Ieper. Sint-Maarten is erg populair bij de Frankische adel (vanaf het jaar 400) wat er op wijst dat de parochies van Ieper, Beselare en Moorslede wel eens rond die periodes worden gesticht. Sint-Pieter, iets later bekend geworden dan Sint-Maarten, wordt al snel de grote tegenhanger van die Sint-Maarten.

 

Sint-Pieter vinden we bij ons terug in Elverdinge en Ieper. Maar er bestaan een reeks van heiligen zoals Sint-Michiel te Boezinge, Sint-Jan de Doper te Dikkebus, Sint-Paulus in Langemark, Sint-Barabas in Noordschote en Onze-Lieve-Vrouw in Hollebeke, Voormezele, Zonnebeke en Brielen. Ze verwijzen allemaal naar de periode rond het begin van onze nieuwe tijdsrekening en de geboorte van Christus. In Passendale vinden we Sint-Audomarus (de eerste bisschop van Terwaan tussen 639 en 667) terug die de Westhoek kerstende in de 7de eeuw wat dus eigenlijk laat vermoeden dat de heidense landbouwnederzetting Passendale rond 650 omgevormd wordt tot een parochie die voortaan gestoeld zal zijn op de christelijke leer.

 

Reninge en Woesten vereren Sint-Rectrudis die sterft in 688 als eerste abdis van het klooster van Marchiennes die vermoedelijk een bidplaats bezit in Reninge. Dat kan uitgemaakt worden uit een twist tussen de abdij van Marchiennes en de abdij van Voormezele (patroon van de kerk van Reninge vanaf 1103) rond één derde van de tienden (belastingen) van Reninge. De bidplaats van Reninge vindt in elk geval zijn ontstaan rond het jaar 700 of eventueel zelfs vroeger in de tijd.

 

Dat is niet het geval voor Woesten dat veel later gebouwd wordt en dat zich pas in de 12de eeuw los maakt van haar moederparochie Reninge en daar wel de naam van de patroonheilige meepikt. In Vlamertinge en Reningelst wordt de patroonheilige Sint-Vedastus vereerd. In Wijtschate en Wulvergem is dit Sint-Medardus. Sint-Vedastus (of Sint-Vaast) die als bisschop van Atrecht (Arras) sterft in 540 heeft vanuit de Sint-Vaastabdij werk gemaakt van de kerstening van onze streek. Het is trouwens niet onmogelijk dat er een link bestaan heeft tussen de Sint-Vaastabdij te Arras en de parochies van Vlamertinge en Reningelst.

 

Ook Sint-Medardus leeft en predikt als bisschop van Noyon in diezelfde 6de eeuw en laat zijn sporen na in Wijtschate en Wulvergem. Op basis van de namen van de patroonheiligen kan toch wel gesteld worden dat de parochievorming het oudst is in Ieper en in zijn westelijk en noordelijk gelegen gebieden. In het oosten is de kolonisatie pas later tot stand gekomen. De kerkbelastingen (tienden) die geheven worden in de parochies van het Ieperse bestaan allen uit 3 delen. Deze driedelige indeling steunt op de 'lex hispana' die gebruikelijk is in Spanje en Frankrijk.

 

Een deel van de tienden is bestemd voor het onderhoud van de kerk, een tweede deel is voor de armen en behoeftigen en het derde deel is voor de parochiepriester zelf. In Italië ontstaat er - onder druk van de Paus - een vierdelige indeling van de tienden waarbij de belastingen moeten verdeeld worden onder de kerk, armen, priester en de bisschop. Deze vierdelige indeling zal later ingevoerd worden in Europa, zo onder meer in Duitsland. Alle parochies die echter op dit moment al het driedelige systeem hanteren, blijven op hun bestaande indeling behouden. Daaruit valt inderdaad te bewijzen dat de meeste parochies in het Ieperse al voor het jaar 850 gesticht worden. De Ieperse parochies slagen er zelf in om de later gestichte parochies te laten functioneren onder het oude driedelige tiendenstelsel.

 

De ontstane parochies worden 'kerspel' genoemd. Het kerspel maakt als territorium van een parochie of kerkelijke gemeente al sinds de 11de eeuw deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom. Het kerspel is het domein van de parochiepriester die moet instaan voor de zielzorg van zijn parochianen en ook voor het verrichten van religieuze handelingen.

 

Rond 1100 is het zo dat de meeste bronnen de verschillende parochiekerken aanwijzen als centrale bidplaats in de respectieve kerspelen. In het Ieperse, net zoals in een groot gedeelte van Vlaanderen is er op parochiaal niveau ondertussen al een scheiding gekomen tussen het 'altare' (de rechten van de pastoor en dat zijn 1/3 van de tienden + de offerandegelden) en het 'bodium' dat de andere twee derden voor de armen en voor de kerk bevat. In praktijk is het zo dat grote Benedicterabdijen en bisschoppen de hand blijven houden op zowel altare als bodium. Maar ook de grote feodale heren gaan zich bemoeien met het bodium en zo geraken veel tienden 'gefeodaliseerd'.

 

Dit is zo onder andere het geval in Zuidschote, Vlamertinge, Langemark en Boezinge, maar vermoedelijk ook in andere parochies. In de praktijk komt het er op neer dat de leenheer ook de tienden van zijn territorium opeist. Die situatie wordt midden van de 11de eeuw aangeklaagd in het kader van de Gregoriaanse hervorming en zo komen de zeggenschap en het beheer van de 13 Ieperse parochies tussen 1069 en 1120 opnieuw in handen van religieuze instellingen. De diverse kapittels.

 

Dit geldt voor Ieper, Boezinge (St. Maartens Ieper), Zillebeke, Dikkebus, Voormezele, Elverdinge, Langemark, Zandvoorde (O.L.V. Voormezele), Vlamertinge (St. Pieters Rijsel), Passendale (St. Maartens Doornik), Zonnebeke, Beselare (O.L.V. Zonnebeke) en Wijtschate (St.Donaas Brugge). Het is duidelijk dat op basis van de pre-Germaanse plaatsnamen en op basis van de kerstening en het ontstaan van de kerspelen, de bevolkingsgordel in het Ieperse misschien wel tot de oudste bewoningsgordels van Vlaanderen behoort.

 

Voor wat betreft Ieper zelf is er heel wat geschreven en zijn er al diverse hypothesen geformuleerd. Maar het bronnenmateriaal dat ons over de ontstaansgeschiedenis van Ieper inlicht, is uiterst beperkt. De enige echte bewijskracht is de alomtegenwoordigheid van de 'el-apa' naam in en rond de stad. Brielen, Ilpere, Saelebeke, Saelhof, Illke, Wieltje, Bellewaerde. Hier leefden mensen tussen 2.000 en 1.000 voor het begin van onze tijdrekening. De beschikbare sagen kan je in die context zeker niet alleen maar als nonsens bestempelen.

 

Het is natuurlijk interessant om de geschiedenis en het ontstaan van de stad Ieper te bekijken vanuit de geboorte van de parochies en de eerdere kerstening van die leefgemeenschappen. Vooraleer Ieper de allures van een stad zal krijgen is het toch al een vrij aanzienlijk domein. Ten oosten van de stad ligt het 'Hofland' of 'Hoveland' dat zich uitstrekt tussen de wegen die naar noordelijk gelegen Torhout en het zuidelijk gelegen Mesen leiden. Het Hofland strekt zich uit tot aan de Iepere rivier waardoor het hele oostelijke gebied van het huidige stadscentrum er eveneens toe behoort. Een 'heerlijke reserve' wordt het gebied genoemd.

 

Ten westen van de Iepere ligt de 'Upstal' of 'Obstal'. Dat zijn de gemeenzame gronden van het domein Ieper, lees ik. Ik ruik het water van de I(l)pere in Upstal. Upstal moet dichte familie zijn van Stalhille. Maar dit terzijde. Het centraal gedeelte van het domein Ieper, het uitbatingscentrum ligt aan de Iepere zelf. De Iepere wordt in de 11de eeuw om militaire redenen uitgegraven en vertakt zich nu in een westelijke en een oostelijke rivierarm. Met daartussen de 'Scipleet', een eiland dat we later eenvoudigweg de 'Leet' gaan noemen.

 

In de tweede helft van de 11de eeuw is de graaf van Vlaanderen de belangrijkste eigenaar van de gronden in 'Obstal'. De historicus A. Koch oppert dat de graven van Vlaanderen het domein op zijn geheel verwerven in de periode 879-918. De meeste geschiedschrijvers gaan nog een stuk verder en claimen dat de Ieperse woongemeenschap, de 'villa, terug gaat tot in de Karolingische tijd. De 8e eeuw. Dat vermoeden wordt onder andere bewezen door het feit dat op het Hofland een 'voedermondrente' geheven wordt. Die rente was indertijd geheven om de kosten te dragen voor het uitsturen van zendboden.

 

De regio van Ieper is waarschijnlijk een 'caput fisci', een uitgebreid koninklijk domein dat bestaat uit een centrale villa met daarnaast kleinere afhankelijke villae. Ieper verschijnt voor de eerste keer in de geschreven bronnen van 1066. 'In territorio Iprensi, in villa Kembles, V mansos terrae; apud villam Marcam, V mansos et tres partes bunarii'. Er is dan inderdaad sprake van het 'territorium Iprensi', een bestuurlijke indeling met Ieper als centrum. Dit territorium maakt zich vermoedelijk rond het jaar 1000 (in tegenstelling tot Poperinge) los van de 'pagus Audomarensis' die onder beheer staat vanuit de abdij van Sithiu zoals St. Omer toen nog benoemd wordt. De verwijzing naar 'territorium Iprensi' laat de aanwezigheid van een grafelijk ambtenaar en een burggraaf vermoeden, wat ook in latere bronnen inderdaad het geval zal zijn.

 

Die burggraaf, de 'castellanus', staat aan het hoofd van de villa en de villae. In het begin zal de man waarschijnlijk een ambtenaar zijn in opdracht van de graaf. Een primitieve burcht functioneert als administratief centrum en middelpunt van de jonge agglomeratie. De burcht, het castellum, en het administratief centrum vinden hun plaats op het eiland van de Leet, tussen de beide armen van de Iepere. Niet zo ver waar zich nu de Sint-Maartenskathedraal bevindt. De Korte- en Langemeersstraat. Op het zuidelijk gelegen terrein van dit administratief centrum, ontwikkelt zich rond de Sint-Pieterskerk een handels- en nijverheidscentrum.

 

Een portus die eigenlijk ontstaat buiten de primitieve omwalling van het administratief centrum. Het Sint-Pieterskwartier en het St. Maartenskwartier worden van elkaar gescheiden door een 'fossatus', vermoedelijk een omwalling met een gracht die gevoed wordt met water dat komt van de Zillebeekse Colliebeek. De voorloper van de Verdronken Weiden. Het is zeer de vraag of de Ieperse geschiedschrijvers het ontstaan van het Sint-Pieterskwartier wel in de juiste tijd plaatsen. De ligging van het Sint-Maartenskwartier aan de Iepere is op zich erg duidelijk. Tot her is de rivier nog bevaarbaar.

 

Er is de merkwaardige naamsovereenkomst tussen het in het Sint-Pieterskwartier gelegen 'Saelhof' en de naam van de locatie nauwelijks enkele kilometer verder in het hinterland, de locatie Saelebeke (nu Zillebeke). Als je de locatie van Saelebeke beter bestudeert, dan is deze plaats de laatste etappe van de toen bestaande omvangrijke waterloop (die later zal evolueren tot de Colliebeek) die de Leie met Ieper verbindt. Dat tussen de 2.000 en 1.000 jaar voor het ontstaan van onze tijdsrekeningen onze voorouders waternamen hebben gegeven aan Hollebeke, Hilleveld, Voormezele, Bellewaerde, Ilke lijkt er op te wijzen dat het niet enkel de Kemmelbeek is die Ieper met belangrijke hoeveelheden water bevoorraadt, maar dat er ook een belangrijke waterloop vanuit zuidoostelijke richting tot in Ieper stroomt.

 

Ook de naam van de buurgemeente van Zillebeke; Zandvoorde, lijkt er op te wijzen dat er in die periode een overvloed aan rivieren was tussen de Leie en de zee. Pas in een veel later stadium (1295) zal Zillebekevijver gegraven worden die voortaan de belangrijkste waterbron zal vormen voor de Zillebekebeek en het zuiden van Ieper. Vanuit deze optiek lijkt het duidelijk dat de regio van Saelebeke en het Saelhof rond het jaar 1.000 voor Christus aan één en dezelfde zelfde rivier lagen. Als er sprake is van het ontstaan van een handelsnederzetting dan kijken de gewezen Ieperse geschiedschrijvers naar een periode van 1000 jaar na Christus.

 

Ze hebben bewijzen hiervan. De rest weten ze niet. De vraag rijst echter of er zich in die beginperiode van minus 1000 geen 2 cruciale aanlegplaatsen bevonden die aan de basis liggen van het ontstaan van de stad Ieper. Aan de noordzijde de haven van 'Brielle', waar de Iepere de stad bereikt en in het zuiden de nederzetting van het Saelhof, waar het water van de Leie de stad bevloeit. Het lijkt een logische gevolgtrekking van het afzonderlijk ontstaan van het St.-Maartenskwartier met zijn castellum (het drietorenkasteel) en het Sint-Pieterskwartier rond het haventje en de aanlegsteigers van het Saelhof.

 

De bouw en de naamgeving van de kerken St.Maarten en St.Pieter en de bouw van het castellum ter hoogte van de Korte en Lange Meersch dienen in die context dan ook gezien te worden als een soort logisch vervolg van het feit dat in beide locaties er sprake is van woongemeenschappen die de plaats al duizenden jaren bewonen en op zoek zijn gegaan naar meer veiligheid. Dat de kronieken van Ieper het vrij uitgebreid hebben over de periode tussen -2000 en het jaar 0 kan in die optiek bekeken worden dat er effectief sprake is van belangrijke menselijke woongemeenschappen lang voordat het schrift zich kan ontwikkelen en voor dat geschreven bronnen het kunnen nalaten.

 

In elk geval komen er volgens de neergeschreven bronnen pas in 1101 twee Ieperse kerken, Sint-Pieter en Sint-Maarten voor. Welke van de twee is trouwens nu de oudste? Op het eerste zicht is dit St.Maartens. We hebben al aangegeven dat er zich in de streek rond Ieper verscheidene nederzettingen en parochies bevinden die dateren van de Karolingische tijd (tussen 700 en 900). Dat is vermoedelijk ook zo voor Sint-Pieter en Sint-Maarten. Ook die parochies werken met een driedelige tiendenindeling. Als Ieper inderdaad een 'villa' van belangrijke omvang is, dan hoort daar in elk geval een kerk bij.

 

De bekende historicus Dhondt publiceert in 1948 een niet onbelangrijke studie. Hierin beweert hij dat de graven van Vlaanderen, Boudewijn 5 (1035-1067) en Robrecht I de Fries (1067-1093) doorheen Vlaanderen een gordel van steden stichten om te vermijden dat de bevolkingsconcentraties van de kuststreek en het Scheldebekken uit elkaar zouden groeien. Deze nieuwe of heropgerichte steden zijn Torhout, Ieper, Mesen, Rijsel, Aire en Cassel. Ze worden door de graaf meteen voorzien van een grafelijk 'castellum' en een eigen jaarmarkt. De Rijselstraat heet in 1102 'de Zuudstrate'. De straat verbindt de markt met de Sint-Pieterskerk en loopt verder naar Mesen en Rijsel.

 

De Zuudstrate loopt evenwijdig met de nog bevaarbare Iepere en langs de rivier die Zillebeke met het Zaalhof verbindt. Langs de Zuudstrate, van de markt via het Zaalhof en verder door richting Zillebeke wonen kooplui die aan de achterkant van hun woonhuizen een aanlegkade bezitten. Langs de hele Zuudstrate ontstaan er in die tijd een wirwar van straten en steegjes, wat zich tot op vandaag nog steeds weerspiegelt in het patroon van de St.Pieterswijk. De Zuudstrate is ongetwijfeld het economisch zwaartepunt van de stad en dat leidt ertoe dat op die plaats de Sint-Pieterskerk wordt gebouwd als tweede parochiale kerk van de stad. Het allereerste dokument dat ons iets leert over de parochiale situatie in Ieper is een dokument van 31 oktober 1089, waarin de markgraaf van Vlaanderen, Robrecht de 2de onder andere een aantal schenkingen aan het kapittel Sint-Donaas te Brugge bevestigt.

 

Bij die goederen bevindt zich ook het 'bodium de Hipris', in het bijzonder die twee derden van de tienden in de parochie Ieper. Bij het begin van de 11de eeuw bezit de graaf van Vlaanderen 2/3den van de tienden. Het 'bodium'. Maar wie krijgt het andere derde, het 'altare'? Dat deel is op het moment van de schenking geen grafelijk bezit meer, want dan zou hij de hele 'ecclesia' aan Sint-Donaas geschonken hebben. Van het parochiaal eigendom van Voormezele schenkt hij trouwens aan Sint-Donaas het 'bodium', omdat een plaatselijke heer eerder het 'altare' had verworven in het jaar 1069. Maar wat gebeurt er dan wel met het Ieperse 'altare'?

 

Een eerste tekst die hierover spreekt is een brief van Lambertus, bisschop van Atrecht (1093-1115) aan een zeker Boudewijn, 'clericus Iprensis'. De tekst is eigenlijk een bevel aan die Boudewijn (net terug van een bezoek aan de paus) om samen met zijn confraters naar Atrecht te komen. Het betreft een twist die ze hebben met Jan, de bisschop van Terwaan betreffende het 'altare' van Ieper. Op 11 januari 1101 maant Lambertus Boudewijn en zijn collega's aan op een canonieke regeling van het dispuut. Een Ieperse religieuze gemeenschap is blijkbaar in het bezit gekomen van het 'altare' en dat bezit wordt betwist door Jan van Waasten, bisschop van Terwaan. Het dispuut dient door een pauselijk rechtscollege onder leiding van de plaatselijke bisschop beslecht te worden. De rechtszitting verloopt allesbehalve rimpelloos. Scheidsrechters proberen tot een voor beide partijen aanvaardbaar compromis te komen, maar de Ieperse geestelijken weigeren dit halsstarrig.

 

Jan van Waasten beweert dat hij het 'altare' heeft gekregen, maar het blijkt dat zijn voorganger bisschop Gerardus van Terwaan rond 1096 de Ieperse kerk geschonken heeft aan de Ieperse 'clerici'. Gerardus zal in 1099 door Paus Urbanus II afgezet worden uit zijn ambt van bisschop, maar dat maakt de schenking natuurlijk niet ongedaan voor Jan van Waasten. Maar de schenking was oorspronkelijk niet bekrachtigd en uiteindelijk zal de Paus de schenking van Gerardus als ongeldig verklaren en wint de bisschop van Terwaan deze rechtzaak. Vanaf 1 oktober 1102 is er niet langer sprake van de Ieperse clerici en is het nu de bisschop van Terwaan die het Ieperse 'altare' beheert. Dat dokument van 1102 is het eerste van het kloosterarchief van Sint-Maarten van Ieper en geeft de oprichting weer van dit regulier kapittel. De oorkonde gaat uit van bisschop Jan. In het document is er sprake van dat de Ieperse geestelijken, met toestemming van de paus, uit de stad Ieper worden verdreven.

 

Bisschop Jan neemt Sint-Maarten over maar dit is niet naar de wens van de Ieperse bevolking. Na veel smeekbeden laat bisschop Jan zich dan toch verleiden om de situatie ongedaan te maken en vraagt hij advies aan de burgers. Wie willen ze aan het hoofd van de Ieperse kerk? De Ieperlingen schuiven éénstemmig iemand uit het bisschoppelijk gevolg, een zeker Gerardus naar voor. Met tegenzin geeft bisschop Jan uiteindelijk de kerk door aan de bewuste Gerardus die vanaf dit moment Sint-Maarten samen met Sint-Pieter (dat dus blijkbaar afhankelijk geworden is van Sint-Maarten) de overige 'appendiciae' moet bedienen.

 

Gerardus krijgt de opdracht om een nieuwe kerkgemeenschap te vormen die de regel van Sint-Augustinus moet volgen en hij krijgt ook regels hoe de volgende proosten zullen moeten verkozen worden. Talrijk zijn de misbruiken die zich vanaf de 9de eeuw op zowat alle niveaus van de kerk van het bisdom van Terwaan voordoen. Ketterij en simonie, misbruik van de kerkelijke macht, zoveel als je maar wil. Vanaf 1073 wil de paus paal en perk stellen aan die misbruiken en geeft hij Jan van Waasten, bisschop van Terwaan de opdracht om grondige hervormingen door te voeren. Jan van Waasten is een heel dynamische en krachtdadige figuur die er samen met Lambertus, de abt van Sint-Bertijns (1095-1125) werk van maakt. Ze laten zich omringen door een groep van gelijkgestemde geestelijken. Heel wat kapittels worden hervormd of geregulariseerd.

 

Dat gebeurt achtereenvolgens met de kapittels van Eversam (1099), Sint-Pieters Lo (1100), Onze-Lieve-Vrouw Voormezele (1100), Ieper (1102), Sint-Vulmarus Boulogne (1108) en Onze-Lieve-Vrouw Boulogne (1113). De Benedicterabdijen proberen te hervormen conform de nieuwe gedragsregels van Cluny. Er ontstaan zelfs een aantal nieuwe kloosters die de hervormingsbeweging willen helpen uitdragen, zo onder andere de Praemonstratenzerabdij van Sint-Niklaas te Veurne (1120) en de abdij Ter Duinen (1107) die in 1138 zal overgaan tot de orde van Cîteaux. De Bisschop van Terwaan doet er alles aan om de invloed van de leken in de kapittels, parochies en kloosters terug te schroeven en hierbij krijgt hij de stilzwijgende steun van verscheidene graven van Vlaanderen.

 

Uiteindelijk zullen de belangrijkste religieuze instellingen van het bisdom Terwaan gezuiverd worden. Van hieruit zal de beweging verder uitdeinen over de basis. Eén van de belangrijkste gevolgen van de hervormingen is het feit dat Ieper, met zijn administratief centrum, zijn grafelijke burcht en zijn castrale kerk, hoofd wordt van een nieuwgevormde kasselrij. Het kapittel van Ieper heeft nu een dominante positie verworven over het Ieperse hinterland.

 

Er bestaat een legende die zich in Ieper afspeelt en waarin de problematiek van de oudste kerk en het ontstaan van het Sint-Maartenskapittel wordt aangeraakt. De legende van Sint-Maarten wordt rond 1200 neergeschreven. 100 jaar na datum? Het verhaal gaat als volgt: 2 Schotse of Ierse studenten, in hartje winter op terugweg van Parijs, vragen onderdak bij de geestelijken van de Sint-Maartenskerk te Ieper. Bij hen heeft zich ondertussen nog een welgestelde heer gevoegd. De geestelijken weigeren hen onderdak te verlenen, waarop volgens de legende ze wat later bijstand krijgen van Sint-Maarten zelf die hen wil herbergen.

 

Als ze de volgende morgen ontwaken, zijn hun gastheer en zijn huis verdwenen maar bevinden ze zich onder een stralende hemel omringd door prachtige bloemen en aantrekkelijke groenten. Hun rijke metgezel besluit die locatie te kopen, richt er een kerk op en leeft er godsvruchtig verder. Samen met de studenten. Hun vraag om enkele relikwieën te mogen krijgen uit de Sint-Maartenskerk zelf wordt hen opnieuw geweigerd, maar het is Sint-Maarten zelf die hen uiteindelijk de relikwieën bezorgt. Hierop krijgen de wereldlijke kanunniken spijt van hun daden en sluiten ze zich aan bij de nieuwe instelling. De oude Sint-Maartenskerk wordt bovendien door brand vernield en op dezelfde plaats wordt een nieuwe kerk gebouwd ter ere van Sint-Pieter.

 

Tot zover de legende zelf. Maar waar er rook te zien is, moet er vuur zijn. Volgens de legende bestaat er dus aanvankelijk een zelfstandig kapittel rond de huidige Sint-Pieterskerk. Buiten de stad, in de meers (onderweg naar het noordelijke gelegen drassige gebied van Brielen), wordt een nieuwe kerk ter ere van Sint-Maarten gebouwd. De legende zoekt de wieg van de stad wel degelijk rond de huidige Sint-Pieterskerk in de onmiddellijke omgeving van de Zuudstrate, met zijn bloeiende en aan het water gelegen handelscentrum van het Zaelhof.

 

Er is trouwens nog een ander element die de Sint-Pieterskerk naar voren schuift ten opzichte van de originele Sint-Maartenskerk. Tussen 1014 en 1042 vindt namelijk de Duinkerke Transgressie III plaats. Het is een periode waarin de teruggetrokken zee opnieuw grote delen van de Westhoek inpalmt. Het gebeurt niet standvastig, maar bij springtij veroorzaakt de hoge waterstand een beduidend hogere waterstand van de Iepere. Het is ook al een terugkerend fenomeen geweest in het verleden. Zo is bijvoorbeeld Brielen ontstaan aan de noordkant van de stad. Brielen, het pre-Germaanse Il-Epa later door de Kelten omgevormd tot Brogillo.

 

De uitdijende rivier zorgt geregeld voor wateroverlast tot in het hart van de huidige stad. Doet bijvoorbeeld het toponiem 'meers' niet denken aan een waterrijke weidegrond? Die hoge waterstand heeft wel degelijk zijn invloed op de stadsontwikkeling. Alle oude kerken liggen in die tijd ten oosten van de Iepere. Pas in 1220 zal er sprake zijn van een kerk ten westen van de rivier. De Sint-Niklaaskerk is pas de zesde kerk van de stad.

 

We keren nu terug naar de begindagen van het nieuwe en voortaan officieel kapittel van Sint-Maarten ergens rond de jaren 1102. Het is nu definitief in de plaats gekomen van het vroegere vehikel dat door graaf Robrecht de Fries in 1073 rond de eerste Sint-Maartenskerk werd gesticht. Met Gerardus aan het hoofd en dat tot grote vreugde van de Ieperse gemeenschap. Door de oprichtingsoorkonde van 1102 krijgt het regulier kapittel van Sint-Maarten het parochiaal gezag over de Sint-Maartens- en de Sint-Pieterskerk en ook over de overige 'appendiciae'. Buiten Ieper bezit het kapittel het personaatsrecht, het recht om de priester te benoemen, in Reningelst, Boezinge, Zuidschote, Teteghem, en alle parochies van de hele streek.

 

Het machtige kapittel heeft recht op een deel van de tienden van de parochies van Langemark, Zuidschote, Watten, Belle, Meteren, Calonne, Boezinge en Reningelst. De proosdij van Sint-Maarten behoort meteen tot de belangrijkste kerkelijke instellingen van Vlaanderen. De proost zelf bezit een eigen heerlijkheid binnen het Ieperse schependom. Hij behoort tot de belangrijkste personen in het Ieperse en op kerkelijk gebied zelfs tot de belangrijkste van het hele bisdom.

 

Ieper zal tot in 1561 behoren tot het bisdom van Terwaan, maar het ligt wel op de noordelijke rand van het bisdom. Veel informatie over het bisdom van Terwaan is er niet te vinden door de latere teloorgang van de bisschopsstad die nooit in staat is geweest om uit te groeien tot een belangrijke stad. Tot rond het jaar 1200 is de invloed van de graaf van Vlaanderen op de bisschop van Terwaan vrij groot. Later zal de Franse koning meer invloed krijgen op de bisschop en zal hij trouwens de bisschopszetel in handen krijgen. De bisschop van Terwaan heeft 'wijdingsmacht' in zijn hele bisdom. Dit impliceert concreet dat om een altaar, kerk of kerkhof op te richten er hiervoor toelating moet zijn van de proost van Sint-Maartens en moet de bisschop daarna bereid gevonden worden om die te wijden. Ook heeft de bisschop het alleenrecht om de priesters te wijden.

 

De herderlijke macht van de bisschop is in Ieper op parochiaal gebied sterk uitgehold vooral door pauselijke privileges aan de proosdij van Sint-Maartens. De bisschop van Terwaan moet aan de proost de voorrang verlenen in het oprichten van bidplaatsen en het aanstellen van de parochiepriesters. De verhouding tussen bisdom en proosdij is vaak heel gespannen. In de vele conflicten is er dan ook nog eveneens de aanwezigheid van de Ieperse magistraat die onder druk staat van de Pausen. In 1139 vinden we de Sint-Jacobskerk als derde parochiale kerk in de bronnen vermeld. Deze Sint-Jacobskerk is parochiekerk geworden tussen 1123 en 1139. In een bulle van 23 november 1123 bevestigt Callixtus II (1119-1124) de Sint-Maartensproosdij in haar goederen en rechten en is er nog steeds sprake van Sint-Maarten en Sint-Pieter als enige 2 parochiekerken. Op 23 maart 1139 schenkt Innocentius II een gelijkaardige bulle waarbij Sint-Jacobs als derde parochiekerk voorkomt (..omnes Iparochias Yprenses, altaria, beati Martini et sancti Petri et sancti Jacobi..).

 

Vermoedelijk was de Sint-Jacobskerk één van de 'appendiciae capellae' waarvan sprake in de oorkonde van bisschop Jan van Waasten in 1102. Deze kerk lag op dezelfde plaats waar ze op vandaag gebouwd staat en had rond zich een aangelegd kerkhof. In 1195 schenkt Boudewijn IX een weide nabij de 'capella beate Marie virginis in Brolio' aan de proosdij van Sint-Maarten. Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, zijn deurwaarder, die deze weide van hem in leen houdt. De opbrengsten van de weide moeten dienen om in het onderhoud te voorzien van een kapelaan, die in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen missen celebreert.

 

In een oorkonde van 1196 verheft Heliseus, de proost van Sint-Maartens, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen tot officiële parochiekerk. Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, de schepenen en andere belangrijke personen van de stad. Heliseus verwijst eveneens naar de grafelijke oorkonde zodat we te weten komen dat de weide verkocht wordt voor de prijs van ongeveer 100 schellingen en dat de graaf naast de weide en de kerk ook het kerkhof en de woning van de pastoor heeft vrijgemaakt. In het 'optimum privilegium' van 1200 somt de paus de bezittingen van de proosdij de Sint-Maartens op en vinden we de kerken van Sint-Pieters, de Sint-Jacobs en de Sint-Jan op het lijstje.

 

De Onze-Lieve-Vrouwkerk wordt hier echter nog niet vermeld. Wel opgetekend staat de Sint-Jacobskerk die in 1196 eigenlijk nog geen parochiekerk was. Waarom vinden we de Brielkerk dan niet terug? Vermoedelijk wordt het gebruik van de bidplaats als parochiekerk uitgesteld omdat de inkomsten te gering zijn. De proost vraagt waarschijnlijk grotere inkomsten dan de genoemde 100 schellingen, want die zijn natuurlijk enkel bedoeld om de kapelaan te onderhouden en niet als dotatie voor de nieuwe parochiekerk.

 

Voldoende inkomsten komen er pas in 1200. In dat jaar geeft Sibilla, een nicht van de graaf, dame van Lillers, Vladslo en Saint-Venant, toestemming voor de schenking van een deel van de tienden van Watou. Die tienden zijn in leen gehouden door Willem van Vlamertinge. Vlamertinge is op dit ogenblik een 'comitatus' van de heer van Harnes, wat betekent dat Harnes over de volledige grafelijke rechten beschikt van Vlamertinge. In 1201 koopt Ghelinus een deel van de tienden van Watou af van Willem van Vlamertinge en schenkt hij die aan de proosdij van Sint-Maarten, wat trouwens in dat zelfde jaar bevestigd wordt door Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen.

 

Sint-Maartens kan nochtans niet lang genieten van deze inkomsten want de schoonbroer van (de ondertussen overleden) Ghelinus, een zekere ridder Walter Provendir neemt die onrechtmatig in zijn bezit. De proosdij probeert al wat mogelijk is om die tienden opnieuw in eigen bezit te krijgen. Via gerechtelijke weg is dat onmogelijk want Watou is vanaf 1204 verwikkeld in een hevige burgeroorlog waarbij er een zware oorlog woedt tussen de vrije boeren van Veurne-Ambacht (de Blauwvoeten of Blauvoetins) en de edelen onder leiding van 'koningin' Mathilde van Portugal, weduwe van voormalig graaf van Vlaanderen Filips van den Elzas. Sint-Maartens probeert zijn rechten op te eisen via de Paus, die een aantal rechters delegeert die Walter Provendir finaal in het ongelijk stellen.

 

Ondanks het feit dat Provendir geëxcommuniceerd wordt, trekt hij zich van het hele verhaal niets van aan. De paus stelt nieuwe rechters aan om het vonnis af te dwingen. Ze brengen Mathilde van Portugal op de hoogte van de situatie die uiteindelijk haar rechten wil claimen. Gravin Mathilde verzoekt Walter Provendir en zijn echtgenote bij haar op bezoek te komen, waarna beiden finaal toegeven geen rechten op de tienden te bezitten. Dit alles staat beschreven in twee oorkonden van 1207, beiden opgemaakt in de woning van Mathilde. Later, in 1220, zal deze Walter Provendir alle erfelijke rechten die hij in Brielen bezit afstaan aan de Tempelorde.

 

Er bestaat nog een oorkonde uit 1207 die het heeft over deze tienden. Het document gaat uit van Michael, heer van Harnes. Hieruit blijkt dat Sint-Maartens het 'hominum' en het 'servitum' op de tienden van Watou, goed voor 4 ponden per jaar, in één keer afkoopt leenheer Willem van Vlamertinge. Ze geeft hiervoor 50 ponden. Indien de proosdij de inkomsten van deze tienden niet zou kunnen innen omdat verwanten van Ghelinus zich er in de toekomst meester van zouden maken, dan kunnen de kanunniken jaarlijks vier ponden terugeisen.

 

Het is dus pas in 1207 als de proosdij over voldoende inkomsten beschikt om de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen als parochiekerk te laten bedienen. Het is echter moeilijk te zeggen of de bidplaats in het noorden van de stad al voor die tijd als parochiekerk functioneert. In feite bestaat die zekerheid er pas vanaf het jaar 1220. En dan is er nog een ander probleem. Tussen 1222 en 1224 woedt er een conflict tussen de Ieperse tempeliers en de proosdij rond de 'capella beate Marie virginis in Brolio'. Alles heeft te maken met de Tempeliers die gaandeweg hun rechten gaan claimen op de kapel, de gronden en het huis van de priester. Tot drie keer toe worden ze door gekozen scheidsrechters, namelijk de abt van Lo, een kanunnik van Mesen en een broeder van de Tempel in het ongelijk gesteld.

 

Het gaat hier wel degelijk over de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen want in latere teksten zien we dat de Tempeliers gronden bezitten net naast de kerk. Er is namelijk ook sprake van de 'domus presbyteri de Brolio' waarmee niets anders dan de pastorie van de parochie kan bedoeld zijn. Vermoedelijk leeft de term 'kapel' door na haar ingebruikname als parochiekerk. De kerk van Onze-Lieve-Vrouw ligt buiten de eerste stadsomwallingen aan de oostzijde van de Boezingestraat. Op zowat 300 meter van de Boezingepoort. Ten westen van de kerk en evenwijdig met de Boezingestraat stroomt de Iepere. De kerk zal in 1578 gesloopt worden om nieuwe vestingen mogelijk te maken.

 

De Sint-Janskerk verschijnt voor het eerst als parochiekerk in het 'optimum privilegium' van paus Innocentius III uit 1200. In 1196 is ze zeker nog geen parochiekerk, zo blijkt uit een oorkonde van proost Heliseus. In april 1256 bevestigt ridder Joannes de Warda dat zijn voorouders de woning van de parochiepriester van St-Jan met boomgaard aan de proosdij van Sint-Maarten hebben geschonken en afstand doen van al hun rechten en plichten. De 'Warde' of 'Waerde' is een leengoed in Langemark en een tiendenland in de parochie Sint-Jan. De familie 'Warda' of 'van de Waerde' behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste van de parochie.

 

Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat die familie iets te maken heeft met het ontstaan van Sint-Jan als parochiekerk. Het gaat hier om een gift van de 'predecessores' van Jan van Warde. Die term wijst er op dat de overdracht al enkele tientallen jaren achter de rug is en dus mogelijk al rond 1200 plaatsgevonden heeft, het moment waarop Sint-Jan parochiekerk werd. Het is dus niet ondenkbaar dat de familie 'van de Waerde' samen met andere vooraanstaande families in de parochie, voor een belangrijke financiële en materiële dotatie zorgden om deze bidplaats tot parochiekerk te verheffen.

 

De Sint-Janskerk wordt gebouwd buiten de Diksmuidsepoort, aan de oostzijde van de Diksmuidestraat en toch relatief dicht bij de Onze-Lieve-Vrouw kerk van Brielen. Dat is ook de reden waarom de proost van Sint-Maarten ruime inkomsten vraagt aan Ghelinus. De offergaven zijn immers te gering om twee parochiekerken die zo dicht bij elkaar gelegen zijn goed te laten fungeren. Net zoals de Onze-Lieve-Vrouw kerk, zal de Sint-Janskerk in 1578 verdwijnen om plaats te maken voor versterkingen. De Sint-Niklaaskerk is de eerste parochiekerk ten westen van de Iepere. Ze verschijnt voor het eerst als parochiekerk in een akte van 23 april 1220 waarin onder andere aan alle parochiekerken een zeker bedrag wordt geschonken. Het is vrij duidelijk dat de Sint-Niklaasparochie ontstaat tussen 1200, het moment van het 'optimum priviligium', en het jaar 1220. De plaats van de inplanting van de kerk is sinds haar ontstaan onveranderd gebleven.

 

Ze wordt opgetrokken op de hoek van de Boterstraat en het Sint-Niklaasstraatje dat in de middeleeuwen trouwens een doodlopend straatje is. Het kerkhof ligt rond de kerk maar zal op het einde van de 16de eeuw gebruikt worden om er de Sint-Jansabdij van Terwaan op te vestigen. Over het ontstaan van de Sint-Michielskerk als parochiale kerk is er niets bekend. De eerste vermelding van deze bidplaats dateert van oktober 1249.

 

Er is sprake van een 'ecclesia' en een kerkhof (atrium). Het bestaan van een begraafplaats lijkt ons een overtuigend argument dat de Sint-Michielskerk in 1249 al een parochiekerk is, waarschijnlijk ontstaan tussen 1220 en 1249. De Sint-Michielskerk ligt in het Hofland buiten de Mesenpoort, vermoedelijk aan de oostzijde van de Mesenstraat (Rijselseweg). Het Hofland staat op dat moment nog onder grafelijke heerschappij zodat de gravin waarschijnlijk hier toestemming dient te geven om de nodige gronden vrij te maken. De kerk zal verdwijnen na het beleg van Ieper in 1383. Ze wordt grondig vernield door de Gentenaars en de Engelsen en zal niet meer worden hersteld.

 

Een andere Ieperse kerk is de Sint-Kruiskerk. Het ontstaan van de Sint-Kruiskerk als parochiale kerk loopt gelijk met die van de Onze-Lieve-Vrouwparochie. Op 13 oktober 1277 vaardigt Hendrik, bisschop van Terwaan, een oorkonde uit waarin hij verklaart dat de Sint-Kruiskerk een parochiekerk zal worden. Hij doet dat op verzoek van Wouter met den Hand, een Ieperse poorter. De bisschop draagt de proosdij van Sint-Maarten op om deze bidplaats als parochiekerk te bedienen van zodra Wouter haar voor eeuwig een jaarlijkse rente van 25 ponden heeft toegewezen. Pas op 6 juli 1278 geeft de proosdij antwoord aan de bisschop en in dit antwoord leren we enkele interessante bijzonderheden over het ontstaan van de Sint-Kruiskerk als parochiekerk.

 

Wouter met den Hand, ondertussen al overleden, en zijn echtgenote Margaretha hebben op eigen kosten de kerk van het Heilig Kruis hersteld. Die bidplaats is al geruime tijd van goddelijke diensten ontzegd geworden en het is hun grote wens dat de kerk een nieuwe parochiekerk zal worden. Het is daarom dat ze aankloppen bij de proosdij van Sint-Maarten. Hun bidplaats ligt immers binnen het parochiaal gebied van de Sint-Maartensparochie. De bisschop wordt eveneens ingeschakeld en hij is hen welwillig. Hij draagt Sint-Maartens op om de kerk te bedienen van zodra haar jaarlijks 25 ponden zijn toegewezen. Dat bedrag moet dienen om de kosten van de pastoor en de koster te dragen. Op het moment van de oorkonde (1277) zijn er al 4 ponden toegekend.

 

De proost van Sint-Maarten belooft in zijn antwoord van 1278 dat hij de kerk als parochiekerk zal laten bedienen, hoewel Margaretha nog voor 21 ponden aan vaste inkomsten dient te zorgen. Margaretha komt haar belofte na en zal als weduwe van Wouter met den Hand continu bijpassen tot in 1280 en tot ze er in slaagt om 37 'mansurae' leengrond in Reninge te kopen. Net zoals bij de Onze-Lieve-Vrouwkerk gaat het initiatief hier van een particulier uit. In dit geval krijgt het echter belangrijke steun van de bisschop. De proost eist echter opnieuw voldoende vaste inkomsten vooraleer hij de nieuwe parochie laat ontstaan.

 

De Sint-Kruiskerk ligt ten westen van de eerste stadsomwalling. De precieze ligging is niet helemaal duidelijk. Geschiedschrijver Cornillie situeert het gebouw aan de oostzijde van de Kapucijnestraat. Deze straat is de verbindingsweg tussen de Tempelstraat en de Boterstraat, gelegen bij de samenvloeiing van de Kemmele en de Vijverbeek. Het kerkhof bevindt zich aan de overzijde van de Kemmele, aan de westzijde van de Kapucijnestraat. Het kerkhof zal in 1316 gebruikt worden om een deel van de paar duizend slachtoffers van de hongersnood te begraven, waaruit het vermoeden rijst dat het kerkhof te groot was voor de parochie zelf.

 

De kerk zal in 1383, tijdens het beleg van Ieper door de Engelsen, zwaar beschadigd geraken en zal niet meer heropgebouwd worden. De benaming van de parochie zal voor de wijk tot ver in de tijd blijven bestaan. De proosdij van Sint-Maarten heeft op pastoraal gebied een enorme macht in Ieper. Een macht die amper te beschrijven valt voor ons, mensen van de 21e eeuw. Ze beschikt over alle offergaven van haar parochiekerken. Als 'pastor primitivus' van alle Ieperse parochies beschikt ze over grote mogelijkheden om eventuele stichtingen van niet-parochiale bidplaatsen te bemoeilijken.

 

Omdat de proosdij in die hoedanigheid recht heeft op alle offergaven van de Ieperse parochiekerken, meent ze ook aanspraak te mogen maken om alle niet-parochiale bidplaatsen, die natuurlijk ook offergaven zullen inpalmen, te verbieden. In 1187 blokkeert de graaf van Vlaanderen de bouw van een kapel in het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal en het blijkt al snel dat er zonder de toestemming van Sint-Maartens geen kapellen, altaren en scholen kunnen worden opgericht. Er wordt in het Ieper van de 12de en de 13de eeuw geen cent offergeld geschonken en geen enkele mis gecelebreerd, zonder dat Sint-Maartens in de pap te brokken heeft en er zijn profijten bij binnenhaalt.

 

Een instelling die een bidplaats wil oprichten heeft 2 mogelijkheden; ofwel een overeenkomst sluiten met de proosdij van Sint-Maarten, ofwel ervoor zorgen dat ze de pauselijke toestemming krijgt. Maar ook in dit laatste geval is er nog over veel concrete zaken overeenstemming nodig! Beide mogelijkheden kunnen tot langdurige conflicten leiden. Voor het jaar 1195 heeft Sint-Maartens een minder sterke rechtsbasis om bidplaatsen te weren en om haar parochiale rechten te laten gelden. Er ontstaan dan ook problemen in het jaar 1131 met de kapel van de Tempeliers, maar toch slaagt Sint-Maartens er grotendeels in om haar rechten te doen gelden.

 

De kanunniken ondervinden meer moeite met het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal en de leprozerij die beiden onder de hoede van de stad staan. Ondanks het verbod van 1187 duurt het nog 8 jaar vooraleer ze haar verlangens kan inwilligen. In 1196 wordt de bedienaar van de kapel van de leprozerij veroordeeld omdat hij de offergaven voor zich houdt en in 1198 komt er uiteindelijk een uitgewerkte overeenkomst tot stand die aanvaardbaar is voor zowel de stad als de proosdij. In 1196 schrapt de bisschop de werkingen van de kapel van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal. De reden is niet ver te zoeken: Sint-Maartens heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Pas in 1208 zal de kwestie finaal geregeld worden.

 

In 1183 wordt er nog een kapel opgericht in de grafelijke residentie, het Zaalhof, maar de graaf hoedt er zich voor om de proosdij ook maar enig financieel verlies toe te brengen. De kerk en de graaf zijn meer dan zo maar beste vrienden. In de 13de eeuw kan de proosdij vrij gemakkelijk haar privileges laten respecteren door de godshuizen en begijnhoven die wensen een kapel op te richten, namelijk het Sinte-Catherinagodshuis, het Sint-Janshospitaal, het Bellehospitaal en de begijnhoven Sinte-Christina en Sint-Thomas. Aangezien ook de twee begijnhoven over een hospitaal beschikken, krijgen ze zonder al te veel moeite de toestemming van de proosdij om een kapel op te richten. Zo wordt het mogelijk voor hun bejaarde leden en patiënten om in de parochiekerk van de sacramenten te genieten.

 

De kanunniken van Sint-Maartens hebben veel meer moeite met de vestiging van de bedelorden in de stad. Het kapittel kan hen niet verbieden een klooster te stichten binnen de stad, enkel en alleen om een kapel te bezitten. Maar gezien het feit dat het bezitten van een kapel voor een geestelijke orde van levensbelang is, komt het er in de praktijk op neer dat Sint-Maartens zelf de vestigingsplaats van het klooster gaat bepalen. De bedelorden worden door de proosdij als een bedreiging aangevoeld want ze tonen veel belangstelling voor de prediking en zielzorg in het algemeen. En hiermee begeven ze zich op glad ijs. Zielzorg en prediking en alle verwante inkomsten zijn precies hun 'core business' van de proosdij zelf. De bedelorden kunnen plots hun eigen kapellen bedienen op de welke de proosdij geen greep en geen vat kan krijgen.

 

Bovendien zijn de organisaties internationaal ruim vertakt en staan ze onder het rechtstreeks gezag van de paus. In elk klooster leven en werken er verschillende tientallen broeders en geestelijken. Het valt dus best te begrijpen dat Sint-Maartens weinig geneigd is om een dergelijk leger geestelijken dat zich hoofdzakelijk met hetzelfde als zijzelf bezig houdt, in de stad toe te laten. De bedelordestichtingen gebeuren trouwens vrij laat in Ieper. In 1249 zijn er eerst en vooral de Franciscanen die op dat moment al 2 vestigingen bezitten in andere Vlaamse steden zoals Brugge, Gent en Rijsel. Het Sint-Maartenskapittel verhindert de komst van de Franciscanen en de Dominicanen.

 

Uiteindelijk mogen de Ieperse Franciscanen, die zich tot dan toe vrij ver buiten de eigenlijke stad hebben opgehouden, zich dan toch binnen de stadsmuren vestigen. Met dank aan de paus. We leven in het jaar 1255. De proosdij heeft hiermee, al dan niet stilzwijgend, ingestemd. Ze zal wel niet anders gekund hebben. Sint-Maartens reageert wel heftig in 1261 als de Augustijnen-eremieten zonder haar toestemming aan het bouwen geslagen zijn in Ieper. De proosdij verkrijgt van de paus dat de Augustijnen hun constructies opnieuw moeten afbreken. Zo ver komt het uiteindelijk niet en in 1264 komt het tot een akkoord tussen de partijen. Eén jaar later wordt er een gelijkaardige overeenkomst gesloten met de Karmelieten.

 

Toch slaagt Sint-Maartens er in om zowel Augustijnen als Karmelieten buiten de stad te laten bouwen, zodat haar inkomstenderving vrij gering blijft. Bovendien worden de Augustijnen van de St. Jacobsparochie, waar ook de Karmelieten zich vestigden, naar de Sint-Jansparochie getransfereerd, zodat het verlies aan offergaven over de parochiekerken wordt verspreid. In 1268 of 1269 vestigen tenslotte ook nog de Dominicanen of Predikheren zich in Ieper. Ze hebben hiervoor een terrein gekregen van de gravin van Vlaanderen, een stuk grond dat aansluit bij het Zaalhof. Ze bezitten echter geen toestemming van het kapittel om zich te vestigen zodat er een langdurige twist ontstaat, die maar via scheidsrechters bijgelegd kan worden in het jaar 1274.

 

En dan vermelden we nog het Clarissenklooster dat vermoedelijk in het voorjaar van 1259 van Langemark naar de periferie van Ieper wordt overgebracht wat eveneens op zware tegenstand van de proosdij stuit. Pas door een pauselijke bulle van 1260 wordt dat verzet de kop ingedrukt. Uiteindelijk wordt de zaak definitief geregeld in januari 1263. Het weze duidelijk dat iedere instelling die een kapel wil bezitten in Ieper vroeg of laat wel tot een overeenkomst met de proosdij van Sint-Maarten moet komen om levensvatbaar te zijn. Doorheen de vele akkoorden zijn er duidelijke krachtlijnen te onderscheiden. In de eerste plaats wil de proosdij vermijden dat haar eigen parochiekerken financieel verlies lijden door de vestiging van niet-parochiale bidplaatsen.

 

Ze streeft ernaar om zoveel mogelijk offergaven in de eindeloze reeks van kapellen binnen te rijven of anders wil ze een voldoende grote schadeloosstelling. Een combinatie van beiden komt herhaaldelijk voor. Hoe groot de financiële tegemoetkoming is, hangt ook af van het feit of de proosdij zelf de bedienaar van de bidplaats moet onderhouden. Sommige kapellen krijgen een expliciet verbod om een offerblok te bezitten. De inkomsten uit kaarsen worden vaak 50/50 verdeeld. Sint-Maartens beschikt vaak over bijna alle offergaven. Daarentegen krijgt ze bijvoorbeeld van het Sinte-Christinabegijnhof een afdoende vergoeding van 25 ponden Vlaams. Daarvoor wordt op elke dag mis gehouden in hun kapel, met op zon- en feestdagen gezongen metten en vespers.

 

Die 25 ponden betekenen een aanzienlijke vergoeding maar toch moet het begijnhof nog instaan voor de betaling van de koster, voor de ornamenten, de boeken, de verlichting en de liturgische gewaden. Ook het Sint-Janshospitaal mag de offergaven behouden mits een schadeloosstelling van 22 ponden en de abdij van Hemelsdaele voor jaarlijks 16 ponden. De Dominicanen geven een vergoeding van 6 ponden maar hier heeft de proosdij nog recht op de helft van de offergaven die in handen van de priesters worden geschonken.

 

Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal op de markt moet het meest aan Sint-Maarten betalen. Alle offergaven komen toe aan de proosdij, het hospitaal moet zelf instaan voor de liturgische gewaden en voor de bediening wordt aan de kanunniken een zesde deel van de tiende van Boezinge geschonken. De Clarissen komen er relatief goed van af: enkel de helft van de offergaven tijdens de mis moeten afgestaan worden. Er rijzen een aantal conflicten rond het begrafenisrecht. De godshuizen en begijnhoven hebben vermoedelijk geen eigen kerkhoven en hun overleden leden worden dan ook op het parochiekerkhof begraven.

 

De begrafenisdienst voor de leden, patiënten en gasten zelf gaat door in de eigen kapellen. De offergaven van alle begrafenisdiensten in de diverse kapellen worden verdeeld. De conflicten schieten als paddenstoelen uit de grond als het de Tempelorde en de 4 Ieperse bedelorden betreft. Die beschikken over hun eigen kerkhoven waar hun eigen kloosterleden begraven worden. De problemen komen er als die orden ook Ieperse parochianen willen begraven, want dat is een regelrechte aantasting van de parochiale rechten van de proosdij.

 

Het is namelijk de regel dat een parochiaan in zijn eigen kerk de sacramenten krijgt en ook in diezelfde parochiekerk begraven wordt. In 1249 bestaan er hieromtrent problemen met de Tempeliers. Die raken echter vrij snel opgelost: het volstaat dat de Tempeliers twee getuigen vinden die moeten bevestigen dat een bepaalde persoon, parochiaan van een Ieperse kerk, bij hen begraven wil worden. Indien die 2 getuigen er zijn, dient de proosdij voortaan de dode aan de Tempeliers af te staan.

 

De Franciscanen, Augustijnen en Karmelieten mogen bij hun vestiging niemand begraven zonder de toestemming van het kapittel. De Predikheren mogen hun eigen broeders en vreemdelingen begraven. Hiervoor dient overigens een gedeelte van de compensatie van 6 ponden die ze aan Sint-Maartens moeten betalen. Geleidelijk aan worden de begrafenisrechten van de proosdij uitgehold. Dat bewijzen de conflicten met de Dominicanen in 1293, met de Augustijner-eremieten in 1313, met de Karmelieten in 1389 en met de Franciscanen in 1352. Uiteindelijk krijgt de stad Ieper in 1335 van de bisschop de toestemming om de doden te begraven in de godshuizen, de kapellen en de andere gewijde plaatsen. Er is een voorwaarde.

 

Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de rechten van de parochiekerk. Met uitzondering van de bidplaatsen van de bedelorden en de Tempeliers worden alle andere kapellen of kerken door de proost van Sint-Maarten of door aangestelden van de proost bediend. De bedelorden verzorgen zelf hun diensten. Aangezien Sint-Maartens zich toelegt op het horen van de biecht en op de zielzorg in het algemeen, zien ze er scherp op toe dat ze door de kerkdiensten van de bedelorden geen nadeel ondervinden. Uit een overeenkomst met de Augustijner-Eremieten in 1264 blijkt dat deze niet mogen prediken of biecht horen zonder toelating van de proosdij.

 

In 1281 verkrijgen de bedelorden de pauselijke toestemming om zonder toelating te prediken en biecht te horen. De verplichte jaarlijkse biecht dient echter wel door de parochiepriester afgenomen te worden. In 1389 zien we dat de Karmelieten in een nieuwe overeenkomst met Sint-Maartens een deel van de Sint-Janskerk mogen gebruiken en dat voor de biecht en prediking hetzelfde zal gelden als voor de andere bedelorden.

 

Om te verhinderen dat de parochianen in andere bidplaatsen naar de mis zouden gaan, krijgen enkele kapellen het verbod om hun klokken te laten luiden. Het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal mag enkel een 'nola', een bel bezitten, het Catherinahospitaal een 'cymbalum' en het Bellegodshuis een 'campanula'. Een klokje. De snelle bevolkingstoename in het middeleeuwse Ieper speelt een belangrijke rol in het tot stand komen van deze of gene parochiekerk. Het laat veronderstellen dat elke nieuwe parochiekerk in en rond de stad het eindresultaat is van een sterk gestegen bevolking in de wijken rond de bewuste kerk. Betrouwbare bevolkingsaantallen van het Ieper voor 1300 bestaan er eigenlijk niet.

 

De veronderstellingen lopen op tot 200.000 inwoners maar die kunnen niet op zijn minst gestaafd worden. Wat we wel weten is dat de stad rond 1311-1312 een bevolking heeft van om en bij de 30.000 inwoners. Er bestaan wel meer inzichten voor wat betreft de economische evolutie van de stad. De eerste bekende ontwikkeling van de stad is die van de 2 kernen, een commerciële kern rond de Sint-Pieterskerk en het Zaalhof en een administratieve kern rond de Sint-Maartenskerk en beide kernen die naar elkaar toe groeien. Daarna breidt de stad zich verder uit in oostelijke richting. Met in 1139 de bouw van de Sint-Jacobskerk als symbolisch eindpunt. Vermoedelijk ligt de eigenlijke stad op dat moment tussen de drie parochiekerken. De registers tussen 1066 en 1139 zijn duidelijk. Ieper bezit nu drie parochiekerken en heeft dat enkel en alleen te danken aan zijn razendsnelle economische groei.

 

Al in het jaar 1130 behoort het Ieperse laken in het verre Russische Novgorod tot de belangrijkste koopwaar. Niet moeilijk dat de stad uit zijn voegen gaan barsten. Nu is de stad bezig met een uitbreiding in noordelijke richting. Dat wordt bevestigd door de bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Janskerk rond het jaar 1200. Beide kerken liggen dicht bij elkaar. Is de bevolking dan zo snel gegroeid dat er nood is aan twee nieuwe parochies? Misschien wel! Het is echter ook zo dat Sint-Maarten zeker de nodige financiële garanties vraagt om de Brielkerk te bedienen. Overigens mogen deze nieuwe parochies vermoedelijk ook veel plattelandbewoners rekenen tot hun parochianen. Al in 1220 verschijnt er een zesde parochie, de Sint-Niklaasparochie.

 

In 1280 blijkt deze parochie trouwens een grote concentratie van drapiers te kennen. Die drapiers zijn kleine patroons die de handwerklui werk verschaffen. Zelf eten ze uit de handen van de Hanzekooplieden. Rond 1225 kent Ieper ten gevolge van externe factoren een kortstondige maar wel hevige crisis. Die crisis geeft aanleiding tot het ontstaan van een caritatieve instelling, het Sint-Catharinahospitaal. Ieper herstelt zich echter snel en rond het midden van de dertiende eeuw is de bevolking vermoedelijk weer fors toegenomen. Als bewijs halen we de beroemde brief uit 1247 van de Ieperse magistraat aan, waarin hij schrijft aan de paus dat de Ieperse bevolking 200.000 zielen kent. Geschiedkundigen schatten dat onze magistraat dat aantal zielen tot 5 keer te hoog aangeeft maar daar wel zijn redenen toe heeft.

 

De brief zelf is niet bewaard geworden, maar het antwoord van paus Innocentius IV aan de bisschop van Terwaan is gekend. De Ieperse schepenen uiten met deze brief twee fundamentele verzuchtingen. Ze hebben grote nood aan extra parochiekerken en ze vragen meer kanunniken voor het Sint-Maartenskapittel. Op het moment van de brief bestaan er vier parochiekerken en in elke parochie verblijft er welgeteld één kanunnik, wat in elk geval ruim onvoldoende is voor een dergelijke bevolking.

 

De situatie met al die kerken en godshuizen en de ongebreidelde macht van de proost van Sint-Maartens leidt tot ernstige misbruiken. De kanunniken laten bijvoorbeeld niet toe dat er meerdere huwelijken op het zelfde moment worden gehouden omdat ze zo meer offergaven in de wacht kunnen slepen. Huwelijken tussen personen van verschillende parochies worden enkel toegelaten als de proosdij hiervoor een zeker som geld krijgt. Wanneer lichamen van doden worden aangeboden tijdens een dienst, laten de kanunniken na deze een kerkelijke begrafenis te geven. Bovendien wordt voor de 'kerkganc', een soort huwelijksfeest, door de bevolking soms hogere bedragen betaald.

 

Ook op het gebied van de excommunicatie bestaan er misbruiken. En ze gaan ver in hun kerkelijke macht hoor! De magistraat moet letterlijk smeken om op zon- en feestdagen graan te mogen malen. Omdat de stad quasi volledig afhankelijk is van windkracht om het graan te malen, is het essentieel omwille van de grote bevolking elke keer te kunnen malen als er voldoende wind aanwezig is. In elk geval is de bevolkingsdruk op dat moment in Ieper zeer groot wat zowel de magistraat als de kerkelijke overheid voor grote problemen zorgt. Het kapittel van Sint-Maartens kan deze situatie blijkbaar heel moeilijk aan. Vermoedelijk is de komst en de vestiging van de bedelorden dan ook een weldaad voor de bevolking.

 

Het is dan ook geen wonder dat ze dan ook op een grote sympathie kunnen rekenen bij de mensen terwijl de proosdij van Sint-Maartens vreest voor haar offergaven. De oprichting van een 7de Ieperse parochie, die van Sint-Michiels, mag zeker in die context geplaatst worden. Deze parochie ligt in de buitenwijken en dus niet in de stad zelf. In 1258 raamt de proosdij en zijn kapittel de bevolking op 40.000 wat vermoedelijk vrij dicht bij de werkelijkheid ligt. Rond 1270-1280 verzeilt de stad in een nieuwe economische crisis waarbij aanvankelijk ook alleen maar externe aangelegenheden meespelen. En deze keer is het een structurele crisis! Die brengt het ontstaan mee van drie nieuwe godshuizen die elk hun eigen kapel krijgen: het Sint-Thomasbegijnhof, het Bellehospitaal en het Sint-Janshospitaal.

 

Die vele nieuwe bidplaatsen zorgen ervoor dat veel Ieperlingen deze kapellen bezoeken en hun eigen parochiekerk links laten liggen. Net zoals in 1235, na het ontstaan van het Sint-Catharinahospitaal, spoort de bisschop in 1279 de proosdij aan deze personen te bevelen naar de parochiekerk te komen. Als ze dat niet doen zullen ze geëxcommuniceerd worden. Ondanks het ontstaan van nieuwe godshuizen, kan de magistraat niet beletten dat er in 1280 een hevige sociale strijd losbarst. De Cokerulle.

 

In 1278 wordt wel nog een achtste parochie opgericht, maar vermoedelijk is de nood hieraan niet zo groot. Ieper slaagt er niet in om zich economisch te herstellen, ook al niet wegens een aantal demografische tegenslagen. Tussen 1296 en 1298 worden de voorsteden gedeeltelijk vernield door de Fransen. In 1316 komt zowat 10% van de Ieperse bevolking om door een hongersnood. Na de slag van Kassel in het jaar 1328 worden 815, handwerklieden uit Ieper naar Frankrijk verbannen. Slechts één derde van die werklieden zal later terugkeren naar de stad.

 

Bovendien zorgen verscheidene pestepidemieën in het midden van de 14de eeuw voor een nieuwe demografische aderlating. Tot slot zorgt het beleg van 1383 voor een grondige verwoesting van de buitenwijken. Twee parochiekerken, die van Sint-Kruis en Sint-Michiels, worden vernield en niet meer hersteld. Er is trouwens niet langer behoefte aan die kerken. Het bevolkingscijfer ligt in het jaar 1412 nog amper boven de 10.000 inwoners, amper één vierde van dat van 150 jaar geleden.

 

Er is al bij al vrij weinig relevante informatie rond de manier waarop de meeste van de Ieperse parochies ontstaan. Enkel van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en de Sint-Kruiskerk zijn er bijzonderheden bekend. Allebei hebben ze een gelijklopende ontstaansgeschiedenis. Telkens gaat de vraag om een nieuwe parochie op te richten uit van een gegoede Ieperse burger. Ghelinus eerst en dan Wouter met den Hand. Over beiden is zo goed als niets geweten.

 

Allebei wensen ze dat hun favoriete bidplaats tot parochiekerk zal worden verheven en twee keer vraagt de Sint-Maartensproosdij hiervoor stevige garanties. De Sint-Maartensparochie wil in elk geval geen parochie oprichten die niet zal opbrengen. Misschien neemt de proosdij zelf wel het initiatief tot het oprichten van een nieuwe parochiekerk als ze vermoedt dat het potentieel aan offergaven voldoende is om die te financieren. Bestaat een businessplan al in de middeleeuwen? Misschien zoekt ze wel financiële steun bij de notabelen van de geplande parochies om het 'dos ecclesiae' bijeen te brengen. Risicokapitaal als het ware. Waarschijnlijk moeten we de schenking van de pastorie van St.-Jan door de familie van de Waerde in deze zin begrijpen.

 

Het lijkt uiteindelijk zo dat Sint-Maartens vrij gemakkelijk is overgegaan tot het oprichten van nieuwe parochies. Er blijken hierover met het wereldlijk bestuur niet al te vele problemen te bestaan met uitzondering van de periode voor 1250 wanneer de bevolkingsdruk blijkbaar bijzonder groot is en Sint-Maartens moeilijkheden heeft om de bevolking op een behoorlijke manier te bedienen. In elk geval vormt het financiële aspect een van de belangrijkste aspecten in het handelen van de proosdij. Hoe worden de parochiekerken bediend? Is het woord 'uitgebaat' niet beter gekozen bij die laatste vraag? De pastoor van elke Ieperse parochie is altijd een kanunnik van Sint-Maartens. De proosdij bezit het recht om de parochiepriester, haar CEO aan te duiden die dan aan de bisschop wordt voorgesteld welke dan de priester canonisch installeert.

 

Deze gang van zaken wordt bevestigd door het 'optimum privilegium' van 1200. Het kapittel van Sint-Maarten mag zijn eigen parochiepriesters kiezen en moet ze dan aan de bisschop presenteren. Deze zal de kandidaat, indien geschikt bevonden, installeren. De parochiepriester zal voor de 'spiritualia' afhankelijk zijn van de bisschop, voor de 'temporalia' is hij afhankelijk van de proosdij. Dat betekent dat de parochiepriesters verantwoording moeten afleggen bij de bisschop voor wat betreft de spirituele zaken die aan hun beneficie verbonden zijn.

 

Voor de wereldlijke zaken, d.w.z. de parochiale goederen in inkomsten staan ze onder toezicht van de proosdij. Ondanks deze bepaling van 1200 zit het er amper 3 jaar later al bovenarms op tussen de proosdij en de bisschop. Het betreft een hevige twist over de 'presentatio' en 'institutio' van de parochiepriesters. In juli 1203 vaardigt Heliseus, proost van Sint-Maartens bij de bisschop zelf in Terwaan, een oorkonde uit, waaruit blijkt dat een einde aan de twist wordt gemaakt. De oorkonde bevestigt nog een keer dat de proosdij de priester zal kiezen en dat de bisschop hem canonisch zal aanstellen. De nieuwe pastoor dient de bisschop zijn trouw aan te bieden en te zweren de rechten van de bisschop, aartsdiaken en deken van de christenheid te eerbiedigen.

 

Er wordt uitdrukkelijk gesteld dat het de bisschop is die parochiepriesters van hun beneficie kan ontslaan. Wel kan het kapittel in een drietal gevallen zelf de parochiepriester afzetten, maar dan wel met instemming van de bisschop. Een eerste uitzondering wordt gemaakt als de parochiepriester aan zinsverbijstering lijdt. Ten tweede kan het kapittel zelf de pastoor afzetten als dat dringend en noodzakelijk blijkt voor de proosdij. Deze noodzaak moet dan wel aan de bisschop worden uitgelegd. Tenslotte kan Sint-Maartens ook zelf ingrijpen bij te grote buitensporigheden van de pastoor. Drie kanunniken namelijk meester Lambertus (Lambert van Geluwe), Egidius en Walter van Dixmude worden expliciet verboden als parochiepriester op te treden, tenzij ze hiervoor de toestemming verkrijgen van de bisschop. Het laat vermoeden dat de twist rond deze drie kanunniken is ontstaan.

 

De overeenkomst van 1203 blijkt al evenmin van duurzaam karakter te hebben want al in oktober 1205 wordt er een nieuwe gesloten. Het nieuwe akkoord blijkt een stuk positiever uit te vallen voor de proosdij. De proost krijgt in 1205 het recht om zijn kanunniken als pastoor te vervangen telkens hij dit nodig acht en hij dient dit schriftelijk te melden aan de bisschop samen met de naam van de voorgestelde vervanger. Het is een hele stap vooruit voor Sint-Maartens.

 

De bisschop en de proost verbinden er zich toe om zich aan de overeenkomst te houden. Anders volgt er een boete van 100 ponden. Op 4 januari 1211 wordt het akkoord door paus Innocentius III bevestigd. Dat de parochiepriesters kanunniken waren van Sint-Maartens staat vast. In hoeverre deze kanunniken ook effectief voor de zielszorg van hun parochie instaan, is een andere vraag. Voor 1300 is dat niet duidelijk. In 1334 krijgt de proosdij het opnieuw aan de stok met het bisschoppelijk hof. Op 26 december 1334 maakt een vicaris-generaal van Terwaan de deken van de christenheid van Ieper er attent op dat er geruchten bestaan dat de proost van Sint-Maartens verzuimt de Sint-Kruiskerk te laten bedienen door één van zijn kanunniken. De proost is hiertoe verplicht door een heel oude overeenkomst.

 

De vicaris-generaal draagt de proost dan ook op er voor te zorgen dat deze parochie zou bediend worden net zoals alle andere Ieperse parochies. Indien dit niet zou gebeuren, zal de deken beslag leggen op alle inkomsten van de kerk. De zaak komt officieel voor op 22 juni 1335 in het officiaal van Terwaan. De proost moet 5 beschuldigingen aanhoren. Ze worden bijzonder scherp geformuleerd. Eén ervan betreft de bediening van de Sint-Kruisparochie. In 1335 is Alaerd van Dentergem de proost van Sint-Maartens. Hij weerlegt de 5 beschuldigingen.

 

'Eén van mijn kanunniken bedient de kerk, en hij wordt hierbij geassisteerd door een kapelaan. Net zoals de andere parochiepriesters. Wat is daar nu verkeerd mee?' De proost is formeel in zijn verweer en hij krijgt waarschijnlijk het gelijk aan zijn kant. De pastoor van Sint-Kruis laat zich vermoedelijk niet al te vaak zien in zijn parochie en hij laat de bediening van de kerk een beetje te veel over aan zijn kapelaan. Uit het conflict duidelijk dat de parochiepriesters verplicht worden om te wonen in de parochie waar ze verantwoordelijk voor zijn. De namen van de Ieperse parochiepriesters van voor 1300 zijn niet bekend. De parochiepriesters van Sint-Maarten en Sint-Pieter behoren uiteraard tot de hoogwaardigheidsbekleders van de proosdij.

 

En, wees maar gerust, ook binnen de stad zelf. De parochiepriesters hebben al verschillende andere hoge ambten bekleed binnen het kapittel of zullen die in de toekomst nog bekleden. Hij wordt dus bijgestaan door een kapelaan. Een capellanus. Vermoedelijk zijn het dan ook de kapelaans die vooral in de kleinere parochiekerken de dagelijkse bediening verzorgen. Meiden voor alle werk. Zoals kapelaan Thomas dat doet in de Sint-Kruiskerk rond het jaar 1315. In elke parochiekerk bestaan er nog verscheidene kapelanijen (het eeuwigdurende engagement om periodisch missen op te dragen in een kapel of aan een bepaald altaar in de kerk.)

 

Zo zijn er bijvoorbeeld rond 1300 drie kapelanijen in de Sint-Jacobskerk, vijf in de Sint-Pieterskerk en zeven in de Sint-Maartenskerk. Het gaat hier telkens om kapelanijen met een dagelijkse mis. De proost van Sint-Maartens is bevoegd om de kapelanen van gelijk welke bidplaats (met uitzondering van deze in het Bellegodshuis) te straffen of indien nodig te schorsen. Het zijn immers zijn 'mercenarii'. De goederen die geschonken werden om de kapelanijen te stichten, behoren dan ook tot het algemeen bezit van de proosdij.

 

Bij het kerkpersoneel behoort natuurlijk ook de koster, de 'custos'. De man bereidt de missen en de toediening van de sacramenten voor. Hij draagt de verantwoordelijkheid over het onderhoud en de zindelijkheid van het kerkgebouw. Volgens het canonisch recht is hij eveneens belast met de zorg voor de gewijde vaten en andere voorwerpen in de sacristie. Dit is ook het geval in Ieper want in een oorkonde van 1253 lezen we dat de kosters financieel sterk moeten staan om het verlies van dergelijke voorwerpen (te wijten aan hun nalatigheid) te vergoeden.

 

De kosters verrichten veelvuldig schrijfwerk. Rond 1300-1315 worden ze hiervoor door de stad vergoed. De kosters zijn allemaal geestelijken die aangesteld worden door de proost van Sint-Maartens. Ook de niet-parochiale bidplaatsen beschikken in principe over een koster. In 1220 is er voor het eerst ook sprake van kerkfabrieken in de Ieperse parochies. Elke Ieperse parochiekerk wordt met een bepaalde gift bedacht. Deze som wordt aan de kerkfabriek van iedere parochie gegeven. Tot in 1251 is het niet echt duidelijk welke de echte functie is van de kerkfabriek. In april 1251 wordt er een oorkonde uitgebracht welke één van de vele conflicten tussen de proosdij en de Ieperse magistraat regelt.

 

Hieruit blijkt dat Sint-Maartens heeft geklaagd over de wijze waarop de kerkmeesters worden gekozen. De proosdij moet absoluut meer inspraak krijgen in de keuze van die mannen. De kerkfabriek staat in deze tijd waarschijnlijk in zijn of haar kinderschoentjes. Op 6 november 1253 komen de magistraat en het kapittel definitief overeen. Het is de burgemeester, in die dagen nog voogd genoemd, die de keuze maakt en dat in samenspraak met de parochianen. De parochiepriester zorgt achteraf voor de benoeming van de kerkmeester zodat de proosdij dus feitelijk nog alles in de pap te brokken krijgt.

 

Die benoeming van een leek als kerkmeester illustreert de burgerlijke belangen van de stad in de respectieve kerken. Enige controle op de parochiegoederen is noodzakelijk. De magistraat wil misschien verhinderen dat de talrijke inkomsten die de parochies in de 13de eeuw, dank zij de welvaart, niet zouden gebruikt worden waarvoor ze dienen. Zo is het bijvoorbeeld niet ondenkbeeldig dat de inkomsten kunnen gebruikt worden om de hoofdkerk of het klooster te verfraaien ten nadele van de andere parochiekerken. Er ontstaan overigens heel wat conflicten tussen de Ieperse magistraat en de proosdij van Sint-Maarten in het midden van die 13de eeuw.

 

Zo wordt Sint-Maartens er ondermeer van beschuldigd de parochiekerken niet goed te bedienen. Mogelijkerwijze wil de stad, waarvan vele van haar vooraanstaande burgers belangrijke bedragen hebben geschonken aan de parochies, een betere bediening afdwingen door zelf de parochiegoederen te beheren. Uiteindelijk zullen de parochianen het beheersrecht krijgen over de goederen die bijeengebracht werden door hun eigen vrijgevigheid en kan Sint-Maartens die gelden niet langer gebruiken voor andere doeleinden. Het ontstaan van de kerkfabriek toont wel aan dat er grote moeilijkheden bestaan rond het verdelen van de inkomsten. In 1275 bijvoorbeeld komen proosdij en kerkfabriek overeen dat de offergaven die aan het koor afgestaan werden integraal naar de proosdij zouden gaan, terwijl de resterende offergaven bestemd zijn voor de kerkfabriek.

 

Hoe zijn de Ieperse parochies eigenlijk afgebakend van elkaar? Ingesloten binnen de eerste stadsomwalling liggen er 4 parochies. De Sint-Pietersparochie waartoe zeker het Zaelhof met haar parochiekerk van Sint-Pieters, het Sint-Catharinahospitaal, de Sint-Pietersneerstraat (Neerstraat) en de Ghimmincstrate behoren. De Sint-Jacobsparochie met het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, de Hancwargstrate (de Menenstraat) en zeker een gedeelte van de Hontstrate (D'Hondstraat). Waarschijnlijk ook de Lange en Korte Torhoutstraat.

 

De grens van Sint-Jacobs loopt vermoedelijk schuin over de markt, namelijk tussen de Korte Torhoutstraat en de Hontstrate. De Sint-Niklaasparochie met de Nieuwstraat, de Duerganc (de Doorgangsstraat), de Vleeshouwersstraat(de Stationstraat) en het klooster van de Predikheren. De parochie strekt zich uit ten westen van de 'Iepere', maar het is niet heel duidelijk tot welke parochie het eiland dat gevormd wordt door beide armen van de Iepere feitelijk behoort. We zien de Sint-Maartensparochie met onder andere het klooster van de Minderbroeders.

 

Buiten de eerste omwallingen zijn de parochiegrenzen gemakkelijker vast te leggen. De uitvalswegen van de stad vormen de begrenzingen. De grens tussen de Onze-Lieve-Vrouw en de Sint-Jansparochie ligt op de Diksmuideweg. Deze grens loopt vermoedelijk verder door tot aan de Diksmuidepoort. De Raepstrate, een straatje ten westen van de Diksmuideweg, behoort al tot de Onze-Lieve-Vrouwparochie. Het betekent ook dat de Sint-Janskerk op de buitengrens van haar parochie gebouwd werd. De (Lange) Marc straat behoort zeker tot de Sint-Jansparochie. De volgende uitvalsweg, de Torhoutweg, is de scheidingslijn tussen Sint-Jan en Sint-Jacobs, vermoedelijk vanaf de Torhoutpoort tot aan het Wieltje.

 

Aan dit gehucht splitst de Torhoutweg zich op in de Torhoutweg ten noorden en de Roeselarestraat ten zuiden. Het Wieltje ligt nog binnen de Ieperse parochies maar toch vlakbij de grens met Langemark. De verdere parochiegrens tussen Sint-Jan en Sint-Jacob vanaf het Wieltje ligt vrij zeker op de Roeselarestraat. De Zonnebekestraat en de Kortrijkstraat vallen binnen de Sint-Jacobsparochie. De grens tussen de Sint-Michielsparochie en de Sint-Jacobsparochie situeert zich waarschijnlijk ter hoogte van de Komenstraat. In elk geval behoort de Mesenstraat nog tot Sint-Michiels. De Sint-Michielsparochie en de Sint-Kruisparochie worden gescheiden door de Tempelstraat.

 

De Sint-Kruisparochie is een kleine parochie die maar over een beperkt hinterland beschikt, vooral in vergelijking met de andere parochies. Bovendien blijkt die parochie ten noorden begrensd door de Boterstraat. De Onze-Lieve-Vrouwparochie strekt zich uit tot aan de Boterstraat. Zowel de Elverdingestraat, de Reningestraat en de Boezingestraat maken deel uit van de Onze-Lieve-Vrouwparochie.