P1129100

Brugge. 2 Maart 1127. De bende van de familie Erembald heeft graaf Karel de Goede uit de weg geruimd. Het motief is overduidelijk: hij wou en kon de Erembalden niet op het zelfde maatschappelijk niveau tillen als de bestaande ridderschare in Vlaanderen. Door zijn recente beslissing om de ridders te laten beslissen over het lot van de Veurnse familie, heeft hij meteen zijn eigen doodsvonnis ondertekend.

 

De familie van de Brugse proost Bertulf en zijn broer, kasteelheer Haket heeft de voorbije jaren rond zich een belangrijk machtsbastion opgebouwd in Vlaanderen. Na de koelbloedige moord degraderen de vroegere machtshebbers echter gaandeweg tot verstotelingen van de maatschappij. Kerk en ridders rechten de ruggen en hebben onder elkaar beslist dat er wraak moet worden genomen op de bende Erembalden. Galbert, de vroegere secretaris van de graaf, heeft de gebeurtenissen nauwkeurig neergeschreven. Het eerste deel van zijn relaas kon u lezen in mijn episode 'Drama in Sint-Donaas'.

 

In deze episode is het duidelijk geworden dat de bende geïsoleerd zit in de Brugse Burg en in de kerk van Sint-Donaas waar de moord tien dagen geleden heeft plaatsgevonden. De Erembalden zitten als ratten in de val. De afrekening op de moordende kliek die Karel de Goede botweg heeft vermoord, vangt aan. Dat hebben de prinsen van het land beslist. Zaterdag 12 maart. De prinsen noemt Galbert hen. Daniel, Richard, Thierry en consoorten worden in elk geval met het nodig respect omschreven. De prinsen werken zich in het zweet tijdens een constante belegering van de Burg die nu compleet omsingeld is.

 

Rond de middag ondernemen de burgers van de stad Brugge en de gewapende ridders pogingen om de poorten van het kasteel in brand te steken. Een van de tussendeuren tussen de Burg en de ambtswoning van de proost loopt hierbij zware schade op. Bundels hooi en strozakken worden tot bij de deuren gesleept en aangestoken. Met het nodige risico op lijf en leden want de Erembalden bekogelen hen met stenen en pijlen van boven de muren van de burcht. Een van de aanvallers bekoopt zijn actie met het leven wanneer hij door één van die pijlen gespietst wordt. Het ziet er naar uit dat de burcht niet in te nemen zal zijn zonder zware verliezen.

 

De 13de worden de gevechten 'on hold' gezet. Zondag weet je wel. Op de dag van God kan er toch moeilijk gevochten worden. De krachten worden bijgetankt. Op maandagmorgen is er nieuw volk op komst. Mannen uit Gent. Stadsbewoners en landbouwers uit de buitengebieden rond de stad. Ze zijn de graaf niet vergeten en willen meewerken aan de zuiveringsoperatie.

 

Het is een bonte bende. Ambachtslieden van elke slag en soort, maar ook schurken, gemeen volk, crapuul en moordenaars zoeken een uitlaatklep om de hooligan uit te hangen. Enfin, zo komt het toch over als ik lees wat Galbert allemaal geschreven heeft. Te voet of met paarden en met de hoop om hier een daar een graantje mee te pikken van het goud dat er buitgemaakt zal worden. Ze komen naar Brugge afgezakt met dertig wagens. Allemaal gevuld met wapentuig.

 

Het is warempel een echt volksleger dat zich aanbiedt bij de Brugse poorten. Te veel mensen om te tellen. Ontelbaar en vol goede moed. Wanneer ze zich met geweld toegang willen verschaffen tot de stad, stuiten ze op verzet bij de Bruggelingen. 'Jullie hebben hier niets verloren', roepen ze. Het scheelt niet veel of de Bruggelingen gaan op de vuist met die van Gent.

 

Gelukkig zijn er een aantal slimmeriken bij die het misschien opportuun vinden dat ze hun krachten en hun wapens zouden bundelen in hun gemeenschappelijke strijd tegen de Erembalden. De Gentenaars mogen dus uiteindelijk met al hun troepen Brugge binnen. Ze stellen zich meteen op rond de Burg.

 

Ongelooflijk toch hoe die details komen aanwaaien uit het verleden. Woensdag 16 maart 1127, de nacht van de feestdag van Sinte-Gertrudis. Petronella van Saksen de gravin van Holland en haar zoon Dirk vervoegen zich bij het beleg. Met een pak volk erbij uiteraard. Zou Dirk geen goede kandidaat zijn om Karel op te volgen als nieuwe graaf? Er is in elk geval sprake van een fors charmeoffensief. De strijd om de macht in Vlaanderen zou wel eens een geanimeerd verhaal kunnen worden. Veel beloften en veel geld, Galbert is loslippig.

 

Enkele ridders voelen zich inderdaad geneigd om voor Dirk van Holland te kiezen. Nog diezelfde dag stuurt Willem van Lo (kandidaat-graaf nummer één) de heren van Zomergem ter plekke om hen duidelijk te maken dat deze beslissing in handen ligt van de koning van Frankrijk en dat die laatste het graafschap al toegewezen heeft aan hem. Verwarring troef. De oude meesters zijn nog niet buiten en er wordt al ruzie gemaakt om wie de nieuwe zullen worden. Daar in Brugge lopen er nogal wat ridders rond die er zelfs niet aan denken om ooit mee te vechten voor Willem van Lo, de man die vermoedelijk betrokken was bij de moord op Karel de Goede die ook wel Karel van Denemarken wordt genoemd.

 

Donderdag 17 maart. De kanunniken van Sint-Donaas hebben ladders aangebracht aan de zuidelijke gevel van de Burg. Via de muren proberen ze zo kerkschatten in veiligheid te brengen. De relieken en de schrijnen van de heiligen.

 

Wandtapijten, gewijde ceremoniekledij, kerkboeken en nog veel meer. Bertulf en zijn mannen hebben in het verleden wat uitgespookt om al die schatten binnen te rijven. Met de hulp van Frumold senior hebben ze zich rijkelijk voorzien van kerkeigendommen. Het lijkt er op dat de kerk van Sint-Donaas wel ontmanteld werd door de verraders. Het enige wat er gebleven is, lijkt wel hun concubines, hun latrines, de keukens met hun ovens en alle soorten van vuiligheid.

 

Het wordt een woelige nacht. Brandende pijlen over en weer zorgen er voor dat heel wat huizen in het omliggende als fakkels verteerd worden. Brugge doet apocalyptisch aan. Het zijn de belegerden die verantwoordelijk zijn voor die regen van vuur. En ondertussen proberen dieven alles te stelen wat er te stelen valt. Galbert sakkert. Er is geen tijd om een heel verslag te schrijven. Hij moet zich tevreden stellen met hier en daar een notitie in de hoop om alles op een later tijdstip te ordenen. Zo schiet het hem te binnen dat een deel van de mensen binnenin de Burg er toevallig is en helemaal niets te maken heeft gehad met de aanslag op Karel.

 

Of mannen die pas achteraf gelokt werden met de beloften van geld. Zo bijvoorbeeld die dekselse boogschutter Benkin. Wat hij daar boven allemaal aan werk verzet, is fenomenaal. Het lijkt er wel op dat hij het werk doet van een heel peloton schutters. Ridder Weriot is van een ander allooi. Hij behoort wel tot de kliek van de samenzweerders. Van jongs af aan al bezig met stelen. Een struikrover pur sang die nu aan één stuk door stenen gooit naar de aanvallers en daarbij een heus bloedbad aanricht.

 

De poorten aan de oostzijde hebben al zware ravage opgelopen door het brandende stro. Er zijn al grote openingen zichtbaar die voorlopig gedicht worden met een allegaartje van materiaal. Ik krijg wat informatie over de manier waarop de Sint-Donaaskerk gebouwd werd. Precies een verhoogde rotonde met een kunstige ronde koepel. Een bouwwerk van bakstenen en leistenen. Vroeger was de kerk opgetrokken in hout met daarboven een fiere toren en dito spits van waaruit de klokken de burgers opriepen om te gaan werken of om ten strijde te trekken. Een brand heeft de oorspronkelijke kerk helemaal in de as gelegd. De keuze voor steen als nieuw bouwmateriaal was snel gemaakt.

 

Er komen onderhandelingen aan te pas. Ik focus me op de confrontatie die zich aan de voet van de kerk en de Burg aan het afspelen is. Tussen de opgesloten slechteriken zitten er ook dappere ridders die niets liever zouden willen dan zich uit de voeten te maken als ze daartoe de kans zouden krijgen. Het zint hen allerminst dat ze het predicaat van samenzweerder over hun hoofden hebben neer gekregen. 'We hebben eigenlijk niets met die moord op de graaf te maken', geven ze mee aan de belegeraars. ''Waarom laten jullie ons niet gewoon gaan?' vragen ze aan hun aanvoerders, 'we zijn best bereid onze onschuld voor een vierschaar te bewijzen'. Na de nodige discussies en gesprekken mag een groot deel mannen dan toch vrij en vrank de Burg verlaten.

 

De proost en zijn medestanders hebben ook wel wat te zeggen. Bertulfs gezicht straalt vertwijfeling uit. Waar is die hoogmoedige, strenge en hautaine blik naartoe? Hij en zijn broer Haket zijn al heel wat pluimen kwijtgespeeld. Burggraaf Haket voert nederig het woord voor het gezelschap en richt zich tot de alliantie van prinsen die hen wil uitroken.

 

Een serenade van niet gemeende woorden over hun vroegere vriendschappen en dat ook zij de dood van de arme graaf betreuren maar eigenlijk niet zo bedoeld hebben, maar dat ze ook aan hun families moesten denken. De proost en de jonge Robrecht hebben trouwens helemaal niets te maken met de moord en willen dat op gelijke welke manier ook bewijzen aan de kanunniken. Ze willen zich uiteraard verantwoorden voor het gerecht. Liever dat dan daar opgesloten te blijven met de daders van de moorden.

 

Je moet het toch maar kunnen zeggen, denk ik. Ze proberen zich wanhopig vast te klampen aan een laatste strohalm. Ridder Wouter is in 1127 ook mijn mening toegedaan. Die vriendschap mogen ze op hun buik schrijven. Al dat geblaat over hun vermeende onschuld maakt niet op zijn minst indruk. Ze hebben notabene de schatten van de staat met de moordenaars onder elkaar verdeeld. Ze bezetten het grafelijk kasteel waar ze geen enkel eigendom kunnen claimen.

 

'Wij zijn christenen' roept Wouter, 'jullie hebben de wapens opgenomen tegen christelijke legers. Jullie zijn dus werkelijk zo onbeschaamd om zelfs tegen God te vechten.' De partijen gaan gefrustreerd en geïrriteerd uit elkaar. De confrontatie zal koppig verder gezet worden met een nog grotere hardnekkigheid.

 

Isaak is na zijn nachtelijke vlucht gearriveerd in Ieper en dat blijkt een misrekening want hij dacht dat hij naar Gent aan het rijden was. Hoe zouden de wegen er eigenlijk uitzien aan het begin van de 12de eeuw? Ik krijg er maar geen beelden van binnen. Een verblijf in Ieper zint Isaak in elk geval niet. Hij vlucht verder naar Steenvoorde, een landbouwexploitatie in handen van zijn schoonzoon Guido. Die raadt hem aan om naar Terwaan te trekken en zich daar als monnik te vermommen. Het nieuws van zijn vlucht heeft zich echter als een lopend vuurtje verspreid en zorgt voor een ongeziene klopjacht. Het zal geen sinecure zijn om zich voor de buitenwereld verscholen te houden.

 

Arnold, de zoon van een advocaat uit Terwaan haast zich naar de broeders van de abdij waar Isaak zich nu nog veilig waant. Hij moet dus al van binnenuit op de hoogte zijn gebracht van diens aanwezigheid. Hij vindt de voortvluchtige in de kerk. Verscholen onder de kap van zijn pij. In een pose van gebed en meditatie. Kruistekens en psalmen brengen geen baat. Arnold slaat Isaak in de handboeien en eist van hem dat hij de namen van de samenzweerders opnoemt.

 

'Welke personen hebben de graaf verraden?' Isaak bekent zijn betrokkenheid en somt de namen van zijn kompanen en hun huurmoordenaars op. Het brein achter de aanslag zat bij verscheidene personen: Bosschaert, Willem van Wervik, Ingerrand van Esen, de jonge Robrecht en Wilfried de broer van de proost. Ik ben ondertussen al aanbeland op vrijdag 18 maart van 1127. Met man en macht worden er nu ladders aangebracht aan de Brug. Eenvoudig is dat niet onder die voortdurende regen van pijlen en stenen.

 

Schermen en schilden moeten voor enige beschutting zorgen. De muren zijn glibberig en hoog, 20 meter en de 4 meter brede ladders zijn bepaald zwaar. De bovenste ladder is minder breed, maar die is op zijn beurt wel een flink stuk hoger. Aan de voet roepen en waarschuwen de Gentenaars voor aankomende projectielen. Het aanbrengen van de stellingen moet een helse job zijn als ik lees wat Galbert allemaal geschreven heeft. De hele dag door wordt er hard gewerkt en gevochten maar als de avond valt, is er nog niet op zijn minst sprake van een doorbraak.

 

De volgende morgen likken de belegerden vermoeid hun wonden. Die ononderbroken belegering van de Gentenaars blijft in de kleren steken. Aan de andere kant voelen ze zich nu ook wat rustiger. Wat ze daar aan de buitenkant proberen, kunnen ze vrij gemakkelijk afslaan en zo gunnen de mannen zichzelf een korte pauze. Met het aanbreken van de nieuwe morgen zijn de wachters afgezakt naar de woning van de graaf om zich wat op te warmen bij het haardvuur.

 

Ze zijn verkleumd door de nachtelijke koude en laten de binnenkoer van de Burg even voor wat ze is. De Bruggelingen ruiken hun kansen. Aan de zuidelijke gevels waar de geestelijken er in geslaagd zijn om hun relieken in veiligheid te brengen, worden er nu smalle ladders aangebracht. Genoeg om één man per keer naar boven te loodsen. Deze keer gaat het er muisstil aan toe. Een hele groep geraakt zo ongemerkt binnen. Enkelen zakken af naar de poorten waar ze de aarde en de stenen opruimen zodat de belegeraars van de buitenzijde zullen kunnen binnen stormen.

 

De mannen daarbuiten weten trouwens niet eens dat een groep van hen al binnen zit. De verzetsgroep vindt eveneens een poortje aan de westkant van de Burg. Voorzien van een stevig slot en helemaal niet versperd door aarde en stenen. Met zwaard en bijl hakken de Bruggelingen de kasteelpoort aan spaanders. Het geluid van de hakbijlen maakt de manschappen aan de buitenzijde van de muren wakker. Met groot tumult komen ze de poortopening binnengelopen. Een hele bende is het. Om het gevecht aan te gaan met de verraders of om te plunderen. Daarom zijn ze toch naar Brugge afgezakt. Een aantal onder de belegeraars gaat de kerk van Sint-Donaas binnen om beslag te leggen op het lijk van Karel de Goede die meteen naar Gent vervoerd zal worden.

 

De 'verraders' van de Erembald-kliek zijn wakker geworden uit hun eerste slaap daar in de woning van de graaf. Ze horen overal geschreeuw en ze lopen verschrikt en onwetend naar buiten om poolshoogte te nemen van wat er aan de hand is. In alle haast grijpen ze nog naar hun wapens maar de meesten zijn er aan voor de moeite. Ze staan voor een overmacht en ze beseffen dat het spel gespeeld is. Ze leveren zichzelf over aan de gratie van de overwinnaars. Hier en daar zijn er enkelingen die vrezen voor hun leven als ze in de handen van de burgers zullen vallen en in alle haast proberen ze via de glibberige buitenmuren naar beneden te klauteren.

 

Zo bijvoorbeeld ridder Giselbert die naar beneden stort en de vlucht met zijn leven bekoopt. Enkele vrouwen dragen zijn dode lichaam naar een huis in de binnenstad om hem klaar te maken voor zijn begrafenis. Dat is niet naar de zin van de Diksmuidse burggraaf Diederik de Bevere.

 

Ze sleuren het lijk van Giselbert buiten de woning, binden het aan de staart van een paard en sleuren het daarna door alle wijken van de stad. Als afsluiter gooien ze het lichaam in een open riool van de publieke markt.

 

Voor de woning van de graaf is het verzet nog niet helemaal gebroken. Enkele belegerden bieden nog hardnekkig weerstand en dringen hen terug binnen in het huis waar ze hen van kamer naar kamer achterna zitten. Tot ze uiteindelijk arriveren in de kamer waar Karel van Denemarken zich gewoonlijk klaar maakte om naar de kerk te stappen. In deze met stenen gebouwde voute wordt hevig strijd geleverd.

 

De Bruggelingen vechten nu man tegen met man en met het zwaard. Ik maak een gevecht mee zoals ik die enkel gezien heb in de zwart-witte avonturenfilms van mijn jeugd. Goed tegen slecht.

 

Met de nodig details rond de overmacht en het bloedvergieten. Een wanhopig verzet van mensen die zich letterlijk en figuurlijk voor een muur geplaatst zien. Een aantal Erembalden slagen er toch in om zich uit deze heksenketel te redden. Terwijl hun kompanen vechten voor wat ze waard zijn, maken ze plaats voor de vlucht van hun leider Bosschaert. Galbert omschrijft hem als een woeste, woedende, felle en onverschrokken krijger die er met een haast wonderbaarlijke kracht op los hakt en veel burgers zware letsels toebrengt. Ook de jonge Robrecht kan ontkomen. Blijkbaar mag hij op heel wat goodwill rekenen bij zijn stadsgenoten.

 

Zelfs na zijn dood zijn ze blijven twijfelen aan zijn schuld en mogelijk verraad. Robrecht besluit in deze heksenketel om aan de zijde te blijven staan van de verraders en zijn lot met hen te delen. De belegerden geraken met de meeste moeite van de wereld binnen in de kerk zelf. De stedelingen houden het nu voor bekeken, vechten in het huis van God is 'not done' en nu kunnen ze zich dan toch nog eens uitleven in de nodige plunderingen en aan diefstal.

 

Alles wat niet te groot of te zwaar is hier in de woning van de graaf ligt er om te grijpen en nu ze hier toch toevallig zijn, moeten ze er van profiteren. Ook de woningen van de proost en het klooster van de broeders worden leeggehaald en verwoest. In de beschermende gordel rond het kasteel staan enkele woningen en die worden eveneens gestript van hun meubilair en hun inboedel. Uit het huis van de graaf verdwijnen meerdere matrassen, tapijten, linnen, bekers en alle metalen voorwerpen.

 

Bij de proost worden bedden, koffers, zetels, kleren, vazen en alle meubelen meegepikt. En dan heeft Galbert het nog niet eens over de onbestemde hoeveelheid graan, vlees, wijn en bier die gestolen wordt uit de kelders van de graaf, de proost en de broeders van het klooster. In de slaapzaal van de geestelijken treffen ze dure en waardevolle habijten aan. De buit moet groot zijn, want de hele nacht is het een komen en gaan van transporten.

 

Hoofdstuk tien vat de gebeurtenissen uitstekend samen: vlucht van de proost - tweedracht bij de belegeraars terwijl de belegerden zich verschansen in de toren en de galerie van Sint-Donaas. Terwijl de plunderingen volop aan de gang zijn, hebben de belegerden dus hun soelaas gezocht in de kerk.

 

Ze hebben zich weten te voorzien van wijn, vlees, wildgebraad, kazen, groenten en andere levensbehoeften. Hoe kan de schrijver dat toch allemaal weten? Hij probeert niets of niemand over het hoofd te zien. Burggraaf Haket, Bosschaert, de jonge Robrecht, Wouter, de zoon van Lambrecht van Aardenburg en Wilfried Knop.

 

Proost Bertulf blijkt niet meer bij het gezelschap te zitten. Eigenaardig toch. Tijdens de voorafgaande nacht van de verovering van de Burg heeft hij 400 marken overhandigd aan wijnmeester Wouter en die heeft hem sluiks via een touw laten afglijden tot onder de galerie. Als een dief in de nacht en moederziel alleen is Bertulf ervanonder gemuisd richting een onbekende plaats die 'Moer' genoemd wordt.

 

Voorlopig zal ik dus niets meer horen van de proost en ik richt mijn blik dan maar weer op de toren van Sint-Donaas waar de belegerden zich in veiligheid hebben gebracht en waar ze stenen en projectielen gooien naar de wriemelende massa dieven onderaan het gebouw. Tussen het verslepen van de meubels en de kostbaarheden door, worden de stropers geconfronteerd met vallende stenen. Met de nodige slachtoffers tot gevolg.

 

Het duurt niet lang voor de toren het doelwit wordt van een pijlenregen. Wie zijn hoofd nog buiten de ramen van de toren riskeert, loopt kans om doorboord te worden door één van de duizenden pijlen of stenen afgeschoten uit ontelbare katapulten. Met de wetenschap dat stenen en pijlen niemand een stukje verder brengen, wordt er een versnelling hoger geschakeld.

 

De mannen in de toren vinden er niets beter op om nu brandende pijlen af te vuren op het dak van de galerie aan de voet van de toren. Ze willen zo het aanpalende huis van de proost in brand steken. Hun pogingen kennen echter geen succes.

 

In de vroege morgen hijst een jonge Gentenaar zich via een touw door een van de belangrijkste vensters van Sint-Donaas. Die van de kapel waar het schrijn opgesteld staat. Met zijn zwaard slaat hij het raam aan gruzelementen en opent hij de schrijn op zoek naar schatten en buit. Hij bekoopt zijn gedurfde diefstal met de dood als het zware deksel van de sarcofaag plots dichtklapt en hij verpletterd wordt door het gewicht ervan.

 

Tussen de ornamenten van de heilige kist bevond zich een hele stapel pluimen die met de klap van het deksel in de lucht gezwierd worden om dan stilletjes weer naar beneden te dwarrelen. Als de Gentenaars die buiten wachten dan toch poolshoogte komen nemen van waar hun kompaan blijft, treffen ze hem tot hun verbijstering aan geklemd tussen het schrijn en het deksel. Helemaal bedolven door een berg van pluimen en veren. Het moet inderdaad een vreemd beeld geven.

 

Ik weet nu waar het de Gentenaars om te doen is. Ze willen het lichaam van de graaf bemachtigen, maar dat is nog altijd niet naar de zin van de Bruggelingen die er zelfs niet aan mogen denken dat hun buren uit Gent de kist van Karel zouden ontvreemden uit Sint-Donaas. Wat begint met een ordinair zwaardgevecht, ontaardt in een gevecht in regel tussen de Bruggelingen en de Gentenaars. En dat terwijl de belegerden in de toren nog altijd niet lijdzaam toezien en het volk beneden blijven pijn doen met hun projectielen. Gelukkig zijn er toch enkele Bruggelingen die de kalmte bewaren en die toch bereid zijn om even luisteren naar wat hun lotgenoten uit Gent te vertellen hebben.

 

'We hebben wettelijk het recht om het lijk van de graaf met ons mee te nemen' claimen ze. Uiteindelijk worden de gemoederen gesust met de overeenkomst dat het met Gods wil de nieuw graaf zal zijn die zal beslissen wat er met Karel dient te gebeuren. Uiteraard in nauwe samenspraak met de bisschop, de prinsen van het land en met de clerus.

 

De brand is geblust en er kan nu weer gedacht worden aan de verdelging van de booswichten verderop in de kerk en in de toren. Aan de kant van het klooster wordt de deur kapot gebeukt. De ruiten sneuvelen her en der. Van heiligheid en sereniteit is er in Sint-Donaas al lang geen plaats meer. In de galerie houden de Erembalden zich verscholen achter koffers en altaren en andere kerkmeubelen. Ook in het hoofdkoor wordt er hevig en hardnekkig gevochten. Galbert geeft aan dat er een ontelbaar aantal mensen gewond raken.

 

Ridder Gervaas van Praet laat van zich horen. De gewezen kamerheer van Karel van Denemarken heeft met zijn manschappen de woning van de graaf gezuiverd en de vlaggen van de Erembalden neergehaald. Hij plant er nu ostentatief zijn eigen banieren neer. Willem van Lo waant zich op dat moment nog altijd heer en graaf van het land en die gaat ergens in de Westhoek de confrontatie aan met enkele leenheren die hem weigeren om manschap af te leggen en die niet van plan zijn om belastingen te betalen.

 

Het middenplein van de Burg is nu volledig in handen van Gervaas van Praet. Ook het klooster van de broeders, het huis van de proost, de refter en de slaapzaal worden bezet gehouden. De belegerden proberen nog altijd de woningen rond de kerk in brand te steken. Het komt er nu op aan om dit te allen prijze te voorkomen.

 

De nacht die volgt, kan ik best als spannend omschrijven; met de Erembalden die als dieven in het duister telkens opnieuw proberen om de wachten te verschalken. Zowat elk uur laten de bezetters hun klaroenen en trompetten schallen in de hoop dat ze hier nog zullen kunnen ontsnappen.

 

Ik laat de toestand in Brugge even voor wat ze is, en verhuis even naar de Westhoek. Wijnmeester Wouter heeft zijn proost aangeraden om naar 'Kaihem' te vluchten. Bertulf arriveert daar in het holst van de nacht. Samen met de broer van kanunnik Folquin zijn ze spoorslags te paard hierheen gereden. Keiem is in 1127 een domein dat in handen is van diezelfde Wouter en van verrader Bosschaert.

 

Zijn verblijf daar in de buurt van Diksmuide is van korte duur als hij ontdekt wordt en hij ternauwernood weg kan raken. Deze keer alleen, als een dief in de nacht, galoppeert hij naar Veurne, waar zijn vrouw woont. Hier blijven mag hij het trouwens op zijn buik schrijven en dus rept hij zich tijdens deze vrijdagnacht verder naar Waasten.

 

Waasten betekent niet het einde van de vlucht van de proost. Galbert monkelt goedkeurend in zijn teksten uit 1127. 'Ja ja, Bertulf moet het maar weten. Hij heeft het zelf gezocht.' Als aangeschoten wild wordt hij verder opgejaagd. Moederziel alleen, te voet en blootvoets dan nog vlucht hij verder. Hij ondergaat nu persoonlijk zijn straf voor zijn zonden. Dat blootsvoets heeft alles te maken met God, orakelt Galbert, want alleen op die manier zal hij ooit mogelijk vergeving kunnen krijgen voor wat hij de arme graaf heeft aangedaan. En zie, hij krijgt nog gelijk ook.

 

De zool van zijn voet raakt gekneusd en de stenen van de weg zorgen er op hun beurt wel voor dat Bertulf met bloedende voeten verder moet strompelen. Er is niet veel meer over van deze man, hij die dacht dat de wereld aan zijn voeten lag en bijna verdronk in de luxe en de welstand en in zijn mondain gedoe. Hij is nu een verschoppeling die de hele wereld op zijn dak heeft gekregen.

 

Dat weten zijn mannen allemaal nog niet daar in Brugge. De status-quo van de voorbije nacht heeft iedereen lui, verveeld en moe gemaakt. Hun nachtelijke slaperigheid maakt nu plaats voor de futloosheid van de nieuwe dag en dat is zondag 20 maart.

 

In Atrecht, ietwat zuidelijker in Vlaanderen, komt ondertussen de reactie van de Franse koning Lodewijk (de Dikke) op gang. Hij is er op bezoek om zijn leenheren van Frankrijk en Vlaanderen en om de pairs van het Franse parlement te begroeten en toe te spreken. Hij belooft hen sterkte en hulp in hun wraakoefening tegen de moordenaars van zijn neef, de zeer achtenswaardige Karel, graaf van Vlaanderen, die per slot van rekening duizend keer meer deze titel verdiende dan de man die nu wordt voorgesteld door deze afschuwelijke verraders. Ik weet meteen wat de positie is van Willem van Lo, de sterke man van Ieper.

 

'Ik ga me persoonlijk niet zelf bemoeien in deze strontboel' deelt hij mee aan zijn leenhouders. Het land hier is een puinhoop. 'Al die samenzweringen om Willem van Lo in het zadel te hijsen, hebben Vlaanderen zware schade berokkend'. 'Jullie moeten wel reageren' beveelt hij en hij vervolgt dat de inwoners van de steden deze Willem niet zien zitten als hun toekomstige graaf. De man is een bastaard, geboren uit een vader van hoge afkomst en uit een moeder van de lage klasse die heel haar leven textielarbeidster is geweest.

 

Nee nee, de nieuwe graaf dient gekozen te worden door zijn pairs, met hun volledige toestemming, want hij moet een gelijke zijn van de edelen. Enkel deze nieuw verkozen graaf kan regeren over de Vlamingen. Bovendien beginnen de zaken te dringen want het land kan echt niet langer zonder heer en graaf verder functioneren.

 

De woorden van koning Lodewijk zijn niet eens koud wanneer een andere boodschapper zich komt aanbieden bij het gezelschap. Hij komt op de proppen met een nieuwe kandidaat. Diederik van den Elzas is een kleinzoon van de vroegere graaf Robrecht de Fries en dus een neef van de vermoorde Karel van Denemarken. De man uit de Moezelstreek geniet de voorkeur van de adel in Gent, Rijsel, Sint-Omer en Brugge die Willem van Lo niet kunnen accepteren als nieuwe graaf. De kandidatuur van Diederik van den Elzas wordt voorgelezen, maar die wordt vreemd genoeg op scepticisme onthaald en als vals bestempeld.

 

De keuze van nieuwe graaf dient gemaakt te worden tijdens de algemene vergadering van de pairs. Op een serene manier en na wijs beraad. Zolang de situatie in Brugge niet gezuiverd is, kan er geen sprake zijn van een nieuwe graaf. Het blijkt dat ze er geen haar zullen over laten groeien, want de algemene vergadering zal al binnen de 48 uur doorgaan. Diezelfde zondag vertrekt er een boodschap vanuit Atrecht richting Brugge met de dringende oproep om af te rekenen met de Erembalden nog voor dinsdag aanstaande. De belegerden hebben er het raden naar waarom de aanvalsgolven op de toren meteen aan een hoger tempo worden uitgerold.

 

Galbert maakt een sprong vooruit in de tijd, ik heb moeite om hem te volgen, maar ga aarzelend en noodgedwongen verder naar woensdag 23 maart. Isaak wordt gevangen genomen en opgehangen. Precies drie weken na de moord. Lambrecht, de boogschutter, is ook kunnen ontkomen uit de toren. Hij heeft zich verstopt in een kleine sloep die hem brengt tot in de landbouwexploitatie van Michem. Het latere Koolkerke, op een kilometer of vijf ten noorden van Brugge. Lambrecht van Aardenburg staat bekend als adviseur van Bosschaert.

 

Een crapuleus manneke zowel in zijn adviezen als in zijn eigen acties waarbij hij zijn heren voortdurend aangezet heeft tot allerhande misdrijven. Ook tijdens de verdediging van de Burg heeft hij zich van zijn meest kwalijke kant laten zien.

 

In de vroege ochtend van 23 maart is hij er van onder getrokken en de hele dag gaan de belegeraars op zoek om Lambrecht te vatten. Bosschaert moet op zijn beurt ziedend zijn op de man en schreeuwt luidop het tijdstop van de vlucht en de plaats waar ze zijn gewezen vriend kunnen vinden. De woning in Koolkerke wordt geïdentificeerd en omsingeld door de burgers. De boogschutter wordt finaal gevangen genomen en terug naar Brugge gebracht waar hij op de markt zal opgehangen worden.

 

Het plan van de meute wordt verijdeld door enkele ridders die vanuit Atrecht aangekomen zijn aan de Burg. Hij wordt geketend weggebracht om zijn straf te ondergaan wanneer de ridders dat passend achten en de tijd daarvoor rijp zal zijn. Korte tijd daarna wordt het duidelijk dat hij zich zal moeten onderwerpen aan het Godsoordeel. Het laatste woord is aan Hem.

 

Donderdag 24 maart. Een zekere Walter Cruval arriveert in Brugge met een brief waarin de Engelse koning akkoord gaat met de aanstelling van Willem van Lo als nieuwe graaf van Vlaanderen. Hij heeft Willem een grote som geld ter beschikking gesteld en 300 ruiters om zich meester te maken van het land. De brief is vermoedelijk vals maar door een verkeerde vertaling wordt de inhoud ervan toch voor waarheid aangenomen. Er is sprake van 500 Engelse ponden en een hele complottheorie waarbij dat geld gediend heeft om de moord op Karel te financieren. Volgens schrijver Galbert maakt die som geld deel uit van de schatten die de Erembalden buit hebben gemaakt op de graaf zelf en is er geen sprake van een samenzwering waar de Engelse koning zou bij betrokken zijn geweest.

 

Neef Gijselbrecht heeft ondertussen een veilig onderkomen gezocht bij zijn collega-burggraaf van Sint-Omer. Ook hij wordt beschuldigd van hoogverraad. Om aan de volkswoede te ontsnappen, verkiest hij voor de vierschaar van de pairs van het koninkrijk te mogen verschijnen waar hij tenminste zijn onschuld zal kunnen bewijzen.

 

Ik krijg een hele waslijst van heiligen en feestdagen op mijn bord om aan te tonen dat we vandaag vrijdag de 25ste maart zijn. Er is blijkbaar een regeling uit de bus gekomen rond de overdracht van het lijk van Karel van Denemarken. De overeenkomst is er stiekem gekomen op aandringen van ridder Ansbold, enkele Bruggelingen en ook de verraders hebben er hun zeg in gehad. De rest weet van toeten noch blazen.

 

Tijdens de nacht van vrijdag op zaterdag arriveren enkele broeders uit het klooster van Gent bij de kerk van Sint-Donaas waar ze het lichaam via het raam van het hoofdkoor willen ontvreemden en in een lijkzak willen wegvoeren. Het plan wordt op het laatste moment verijdeld door de wachters van de kerk. Ansbold en zijn medeplichtigen slaan op de vlucht en hierbij raken enkele Bruggelingen gewond.

 

27 maart. Palmzondag. 'Onze burgers blazen verzamelen op een veld dicht bij de stad. Binnen de omheining van een boerderij.' Ze zweren er voor God dat ze een graaf willen die capabel is om Vlaanderen te besturen en die op krachtige manier hun rechten kan verdedigen tegen de vijanden van het land. En dat hij vooral mededogen toont voor de arme gelovigen, een recht pad bewandelt en begaan is met de gemeenschappelijke belangen van iedereen. Als ik Galbert mag geloven staat de weide propvol schoon volk.

 

De rijksten en de besten uit Ijzendyke, Oostburg, Rodenburg, Lapscheure, Oostkerke, Uutkerke en Lissewege dat schattig 'Lisweg' wordt genoemd. Schoon volk uit Slijpe, Gistel, Oudenburg, Lichtervelde (Torhout) en een gemeente met de vergeten naam 'Ladbek'.

 

Ik spring naar woensdag de 30ste maart. Het luiden van de klokken kondigt de komst aan van de edelen. Ze komen terug van Arras waar ze hun algemene vergadering gehouden hebben met de koning van Frankrijk en waar ze samen met de baronnen en de pairs overgegaan zijn tot de verkiezing van een nieuwe graaf voor Vlaanderen. De mannen zien er vrolijk en opgewekt uit. Ze groeten de Brugse bevolking en vooral diegenen die zich engageren om zich te wreken op de moordenaars van de vorige graaf. Ze krijgen de grote complimenten van koning Lodewijk. In Brugge mogen ze best weten dat hij op komst is met zijn koninklijke troepen, met hun goddelijke kracht en met hun onoverwinnelijke moed, om af te rekenen met diegenen die het land zo fel geteisterd hebben.

 

Al die mooie volzinnen worden door Wouter de wijnmeester voorgelezen uit een koninklijke brief. Wouter, de man met de twee gezichten. Was hij niet de man die zich heeft laten omkopen om proost Bertulf te laten ontsnappen? Na veel vijven en zessen komen ze in Brugge te weten dat de jonge Willem van Normandië aangeduid werd om de nieuwe graaf te worden. Nobel van afkomst tot op vandaag, al van kinds af opgevoed om deze taak uit te voeren en rigoureus opgeleid tot dappere ridder. Een voetnoot maakt me duidelijk dat het gaat om de 25-jarige Willem Clito. Hij zal zich nu moeten aanpassen aan de zeden en de gewoonten van Vlaanderen, maar dat zal geen probleem vormen, beweert Wouter verder.

 

De hele finefleur van de adel heeft al manschap en onderdanigheid gezworen aan de nieuwe graaf, net zoals dit in de geschiedenis eerder gebeurde bij de vorige graven. Als tegenprestatie krijgt Clito alle eigendommen en domeinen die in eigendom waren van de verraders. De adel is van oordeel dat er geen sprake kan zijn van enig medelijden met de moordenaars van Karel en dat de wreedste dood van die mannen het enige doel kan zijn. Voorts wordt er gevraagd van de Bruggelingen om Willem Clito te accepteren als hun nieuwe heer en meester die hier komt dankzij de gratie van de koning. De taksen en lasten zullen zoals het hoort opgelegd worden in de mate van het mogelijke.

 

De Brugse bevolking moet van zijn melk zijn door het nieuws van de nieuwe graaf. Ze willen er toch nog graag eens een nachtje over slapen en vooral overleg plegen of ze zich al dan niet akkoord kunnen verklaren met de ontvangst en de verkiezing van Willem Clito hier in de stad. Er dient zeker contact gezocht te worden met alle Vlamingen die de voorbije zondag hun wensen hier in deze Brugse weide hebben kenbaar gemaakt. Wat volgt, is een koortsachtig overleg wat meteen mijn zin over dat nachtje slapen in een andere context plaatst.

 

Er komt al een grote vergadering de volgende dag. Donderdag 31 maart dus, de Bruggelingen en de Vlamingen steken de koppen bij elkaar. Ze komen overeen dat twintig ridders en twaalf van de meest wijze en oudste bewoners er op paaszaterdag op uit trekken om de afgevaardigden van de koning te ontmoeten. De vergadering zal doorgaan in Ravenschoot-Eeklo en de Gentenaars zullen de Brugse delegatie daar opwachten. De burgers van de steden en van de kastelen van Vlaanderen hebben zich al in het verleden met elkaar verbonden om gezamenlijk de keuze voor een graaf te maken en dus moet dat dus nu ook op zaterdag aanstaande gebeuren.

 

Vlaanderen mag trouwens groot bezoek verwachten. Koning Lodewijk verwaardigt zich om persoonlijk af te zakken met in zijn gezelschap de nieuwe graaf die al geaccepteerd werd in Rijsel. Ze zijn nu op weg naar een boerderij, een landbouwcommune met de naam van 'Deinze', gelegen op de weg tussen Rijsel en Gent. In deze boerenhofstede van Deinze zal Willem Clito kennismaken met de inwoners van Gent en die van Brugge die het er ondertussen over eens zijn geworden om de man uit Normandië als nieuwe goeroe te aanvaarden.

 

Goede vrijdag, 1 april 1127. De omsingeling van de Burg moet wel kaas met gaten zijn. Hoe kan Galbert anders verklaren dat kasteelheer Haket er moederziel alleen van onder muist en wegvlucht uit de toren. De manier waarop weet ik niet, maar hij arriveert wel in Lissewege waar hij zich gaat verschuilen bij zijn dochter die al een hele tijd gehuwd is met een steenrijke ridder van hoge afkomst (Walter Crommelin). Haket is ten einde raad. 'Wat moet hij nu? Waar moet hij naartoe?' Pas veel later zal blijken dat Haket de dans zal ontspringen. Meer zelf: in 1130 zal hij opnieuw aangesteld worden als burggraaf van Brugge, maar dat hoor ik op dit moment in de tijd nog niet te weten.

 

Snel terug naar 1127. De volgende dag is de vergadering tussen die van Gent en Brugge afgelopen. Ze hebben er inderdaad mee ingestemd dat Willem van Normandië aan het roer komt in Vlaanderen en nog op diezelfde paaszaterdag legt de delegatie zijn manschap af aan de nieuwe graaf. Op hun beurt stellen de koning en de graaf nu Gervaas van Praet aan als nieuwe burggraaf van Brugge en vervangt hij voortaan de voortvluchtige Haket. De nieuwe functie mag ik gerust bestempelen als een tegenprestatie voor de moedige acties van Gervaas van Praet de voorbije weken.

 

De gebeurtenissen volgen elkaar steeds sneller op. Pasen. De inwoners van Brugge wachten ongeduldig op de komst van de koning en de graaf. In de kerk van Sint-Donaas delen de verraders het lichaam en het bloed van Jezus Christus tijdens een misviering opgedragen door een of andere klotepriester. Ze kennen tot op het laatste moment niet de minste gêne en respect.

 

Het hoog bezoek komt er later dan verwacht. Pas bij de ochtendschemering van de 5de april arriveren koning Lodewijk en de nieuwe graaf Willem, markies van Vlaanderen, eindelijk in Brugge. Ze worden met blijdschap en in stijl verwelkomd door de kanunniken van Sint-Donaas die hen processiegewijs tegemoet gaan. De onvermijdelijke relieken van de heiligen zijn ook van de partij.

 

Het dagboek van Bruggeling Galbert vervolgt zijn weg door die lang vervlogen aprildagen van 1127. De koning en de graaf blazen verzamelen op een groot terrein. De ridders tekenen present en ook de inwoners van stad. Samen met een pak Vlamingen en er is opnieuw sprake van de relieken van de heiligen. Haarplukjes, knoken en andere lichaamsrestanten van God weet wie allemaal. Het lijkt er wel op dat ik nu zelf respectloos aan het schrijven ben.

 

De geestelijken van Sint-Donaas maken meteen duidelijk dat zij enkel van hun paus bevelen kunnen ontvangen en dat noch de koning, noch de graaf sancties kunnen voorzien voor wat er allemaal voorgevallen is binnen hun kerk.

 

Na dat kerkelijk statement wordt een tekst voorgelezen die betrekking heeft op de vrijstelling van nieuwe belastingen die van nu af aan geheven zullen worden op alle Brugse woningen. Het komt er allemaal eenvoudig op neer: in ruil voor hun aanvaarding van de nieuwe graaf, zweert die op zijn beurt dat er geen nieuwe taksen zullen volgen.

 

De koning, de graaf en de leenheren zullen nooit ofte nimmer aandringen op het betalen van tienden en cijnzen. De belastingen die er wel komen, kunnen enkel opgeëist worden door de kanunniken van Sint-Donaas. Ik was haast vergeten hoe oppermachtig de kerk wel is in die dagen. Het zullen voortaan de geestelijken zijn die de scepter zullen zwaaien over het financieel wel en wee van hun parochianen. Dan wordt het tijd dat de inwoners hun trouw zullen afleggen aan de nieuwe graaf. Op dezelfde manier zoals ze dat al eerder deden met zijn natuurlijke voorgangers die Galbert met de nodige adoratie omschrijft als 'de prinsen en de heren van de wereld'.

 

Ook de aanwezige heren uit Aardenburg zweren hun trouw aan graaf Willem. Maar er hangt wel een voorwaarde aan vast. Alle idiote maatregelen van de Erembalden, die tegen de privileges van hun stad ingingen, moeten ongedaan maken. Er volgen nog andere eisen: de landbewoners uit de hele Brugse buitenomgeving moeten het recht krijgen om hun kuddes gratis te laten grazen op het land dat ze 'Moer" noemen. En de graaf moet er op toezien dat Bertulf, Robrecht, Haket en hun aanhang nooit nog iets kunnen bezitten in Vlaanderen. Met de steun van Aardenburg in zijn binnenzak, zou Willem van Normandië maar al te gek zijn om niet in te gaan op deze verzoeken. Hij zal later wel zien hoe het hier verder moet.

 

De hele vrijdag is het een komen en een gaan van mensen die hun trouw aan Willem Clito komen afleggen. Hommage en eerbetoon zijn de exacte woorden. Het hele gebeuren verloopt volgens een vooraf opgesteld plan en op een geëigende manier. 'Bent u bereid om mijn man te worden?' De vraag komt van Clito zelf. 'Ja, dat wil ik', antwoordt de kandidaat, daarna volgt een handdruk, de graaf omstrengelt hem met zijn arm en er volgt een verbintenis, een kus, een zoen.

 

Fijn dat Galbert zoveel aandacht besteedt aan de details. Daarna volgt de eed: 'ik zweer op mijn eer en geweten dat ik trouw zal zijn aan graaf Willem en dat ik uit eigen volle wil en zonder verraad mijn trouw aan hem zal bewaren. De eedaflegging eindigt wanneer de graaf een ijzeren staaf laat neerdalen op de schouders van de gezworene.

 

In St.-Omer gaat het er diezelfde dag minder vreedzaam aan toe. Eustache van Steenvoorde wordt er door de burgers om het leven gebracht. Ook hij behoorde tot de groep van de samenzweerders. Ze vinden er niets beter op dan het huis waar hij zich verstopt houdt in brand te steken. 'Il fut jeté au milieu des flammes et réduit en cendres', van de man en zijn woningen blijven alleen maar smeulende asresten over. In Brugge overhandigt graaf Willem Clito 420 ponden aan Boudewijn van Aalst als dank voor de tegenprestaties die de man geleverd heeft binnen het graafschap van Vlaanderen.

 

Ook de hele vrijdag van 8 april gaat de aflegging van manschap verder. Koning Lodewijk verplaatst zich de volgende dag naar de burcht van Wijnendale waar hij een onderhoud heeft gepland met Willem, de buitenechtelijke gravenzoon van Lo. De Fransman wil dat de Ieperling vrede sluit met de enige en de echte graaf. Maar dat ligt heel gevoelig. Willem van Lo toont alleen maar minachting voor de nieuwe graaf en weigert om te onderhandelen over een mogelijke overeenkomst met de Normandiër. 'Geen sprake van', oordeelt hij. Lodewijk is op zijn beurt erg geïrriteerd over de misplaatste trots van de Vlaamse kandidaat-graaf. Hij spuwt op deze bastaard van Ieper en keert kwaad terug naar Brugge.

 

De 10de april verhuist Willem Clito naar St.-Omer. Hij volgt daarmee het advies van de koning en zijn leenmannen. Maar hij komt midden in de nacht terug op zijn stappen als blijkt dat hij niet over voldoende vertrouwelingen beschikt om de trip te wagen. Wat een schril contrast toch met die dagenlange reeks van eedafleggingen waar Galbert van getuigd heeft. Het lijkt er me toch op dat er ergens een haar in de boter moet zitten.

 

Op maandag 11 april wordt proost Bertulf opgepakt en overgebracht naar Ieper. Willem van Lo heeft een ferm en passioneel eitje te pellen met de man en was al een hele tijd hardnekkig op zoek om de schuilplaats van Bertulf te detecteren. Galbert denkt er het zijne van. Willem was er kort na de moord van plan om zich bij Bertulf aan te bieden en hem publiekelijk te gaan groeten.

 

Hij hoopte hiermee het graafschap te kunnen overnemen. Maar hij kreeg hij alleen maar de verdenking van verraad over zich heen. 'Als de proost hem als troonopvolger kiest, dan moet Willem iets te maken gehad hebben met de moord!' Dat is zowat de gedachte die heerst bij nogal wat Vlamingen. Voldoende reden om zich helemaal van deze man te distantiëren. Het moet nu voor iedereen duidelijk zijn dat het Bertulf is die een loopje genomen heeft met zijn persoonlijke integriteit. Willem van Lo wil dat hier en nu rechtzetten en koestert verschrikkelijke wraakgevoelens tegen de gevangen genomen proost. Zijn goede naam is naar de vaantjes en daar is de Brugse geestelijke persoonlijk verantwoordelijk voor!

 

Ieper. Bastaard Willem wil die Bertulf nu zelf op de rooster leggen. Hij wil hiermee eerst en vooral zelf zijn onschuld bewijzen. Toch tenminste voor God, denkt hij. Met de nodige folteringen zal hij wel de namen kennen van diegenen die de moord op Karel van Denemarken hebben gepleegd en beraamd. Ik beeld me in dat ik zelf een Ieperling ben en het gebeuren ter plekke gadesla.

 

Wat een tumult en een geschreeuw toch van de stedelingen als ze geconfronteerd worden met de gevangen Bruggeling. Al dat volk tiert er op los op die ene sukkelaar. Je moet het gezien hebben met je eigen ogen. Bertulf loopt er hinkend en vastgebonden aan touwen door de straten, gevolgd door een vrolijk spottende massa. De mensen dansen, zingen en klappen in de handen terwijl ze de touwen van links naar rechts sleuren en de sukkelaar alle kleuren van de regenboog laten zien. Ik bestudeer zijn gezicht. Wat moet proost Bertulf nu denken over de nachtmerrie die hij aan het meemaken is?

 

Hij, ooit beladen met eer en macht, heeft nooit enige scrupules getoond voor de mensen rondom zich, laat staan voor de man in de straat. Het enige wat hij nog bezit, is de haveloze broek aan zijn lenden, voor de rest is hij naakt en vuil van de modder en van de steenresten, een doelwit van de spot en het vuil van de straat. Alleen de Ieperse priesters en hier en daar een enkeling hebben medelijden met de boeteling, de rest kent niet de minste compassie. Bertulf is aan het einde van zijn krachten, heel zijn lichaam is stilaan veranderd in één open wonde. Opgelopen van de vele valpartijen en van de ondergane slagen tijdens deze martelgang.

 

Hij zou het liefst dood zijn. Nu al. Dat deze vernedering en ellende hopelijk snel afgelopen mogen zijn. De meute zou zijn leven graag nog wat willen rekken. Wat een sadistisch genoegen om deze kille machtshebber nu van hetzelfde laken een pak te bezorgen. Ook Galbert gaat mee in die wellustige gevoelens. Hij heeft zijn eed aan de kerk van God verbroken. Opgegeten. Hij heeft zijn ambt misbruikt met simonie, diefstal, bendevorming, moord. Hij en zijn neven hebben zware schade aangebracht aan de kerk. En dan zijn deelname aan de aanslag op graaf Karel, ik moet de schrijver wat afremmen want hij blijft maar doorgaan met zijn verwijten.

 

Van glorie naar schande. Zie hem strompelen door de Ieperse straten. Vroeger gerespecteerd en nu bezoedeld met oneer en schaamte, zijn gezicht schijnbaar ongewogen. Zijn ogen naar de hemel gericht en als Galbert zich niet vergist, roept de zielige proost nu God toe om hulp en vergeving. Bertulf, de meest hovaardige onder de mensen, smeekt nu om verlossing. De boetestoet is ondertussen aanbeland op de grote markt van de stad. Bij de galg waar dieven en boeven worden opgeknoopt. Zijn broek wordt afgestroopt. De schaamte van Bertulfs publieke naaktheid als ultieme vernedering. De beulen binden hem nu kruisgewijs vast aan het houten staketsel en steken zijn hoofd door de opening van de galg.

 

Hij zal sterven door verstikking en door ophanging, maar niet in één keer. De beul neemt zijn tijd. De verhanging gaat langzaam. Het gewicht van zijn lichaam bezorgt hem een verstikkend gevoel. Om te sterven, moet hij nog wat wachten. De opdracht van deze apocalyptische mishandeling komt van Willem van Lo, de grote man van de stad.

 

Hij leidt de terechtstelling met een ongezien sarcasme. Ik staar hem aan, daar op de markt te midden van duizenden stadsgenoten die maar blijven stenen gooien naar de sukkelaar aan de galg. 'Wie zijn ze?' roept Willem hem toe. 'Geef me de namen van allen die deelgenomen hebben aan de moord op graaf Karel!'

 

Het antwoord van de proost is veelbetekenend: 'Je kent ze evengoed als ik'. Meteen ontsteekt Willem in een woede-uitbarsting. Hij geeft het bevel om door te gaan met het gooien van stenen. 'Dood hem', schreeuwt hij naar de beul. Ik wordt haast misselijk van de details van het gebeuren. De mensen die naar de markt waren afgezakt om vis te kopen, houden zich nu onledig met het mishandelen van het lichaam van de veroordeelde.

 

Met hamers op zijn naakte lijf, met stokken en met haken gaan ze op Bertulf te keer, terwijl hij nog altijd aan het stikken is. Wat een verschrikkelijke doodsstrijd toch. 'Le peuple d'Ypres' krijgt er niet genoeg van. Hoe kunnen ze die vuile hond hier aan hun voeten beter symboliseren dan ook hem een dierlijke halsband om de nek te snoeren en de rochelende man oog in oog te laten kijken in de ogen van een echte hond. Dieren onder elkaar. Daar mag je best deze roede Ieperlingen bij rekenen.

 

Ik ben eerlijk gezegd blij dat Galbert het nu heeft over een ander lid van de Erembald-clan. Guido is een bekende en dappere ridder en behoorde tot een van de intimi van Karel de Goede. Eigenlijk lag hij aan de basis van de moord door zijn huwelijk met een nicht van proost Bertulf, de zus van Isaak. Dat wordt hem in deze dagen van vergelding plots zwaar aangerekend. Een zekere ridder Herman, volgens de kronieken een dapper man, daagt Guido uit voor een persoonlijk duel. Hij en Willem van Lo zijn van mening dat hij op een smerige manier zijn heer verraden heeft. Zoals een ridder dat betaamt, heeft Guido geaccepteerd om zijn eer te verdedigen en zijn onschuld te bewijzen in een onderlinge confrontatie. Die zal doorgaan op de dag van de terechtstelling van de proost zelf. Ook al in Ieper en zo worden de stedelingen nu ook vergast op een ridderduel van de hoogste plank.

 

De ridders bevechten elkaar met een nooit geziene hardnekkigheid. Guido stuurt telkens opnieuw zijn paard richting Herman en probeert hem met zijn lans te raken. Het is echter laatstgenoemde die er in slaagt om met een welgemikte slag de buik van Guido's paard open te rijten, waardoor ruiter en paard neerstuiken en het duel nu verder met het zwaard wordt uitgevochten. Een lijf-aan-lijf gevecht, ik heb het nooit eerder zelf moeten beschrijven. Met Guido die stilaan door zijn beste krachten heen aan het raken is en laat uitschijnen dat hij klaar is voor de slacht en dat Herman het maar af te maken heeft. Dat laatste mag je in deze context trouwens letterlijk nemen.

 

Voor Herman het goed en wel beseft, heeft Guido hem bij de ballen en bijt hij nu zelf in het zand. Hij wordt van een gewisse dood gered als Willem van Lo het welletjes vindt en het bevel geeft om Guido vast te grijpen en hem op te hangen naast de dode proost.

 

Ze zijn allebei schuldig aan verraad en ze zullen allebei op dezelfde manier hun foltering ondergaan en sterven. Het sinister toontje van het gebeuren blijft zinderen door de getuigenissen van schrijver Galbert. De lijken van ridder Guido en proost Bertulf worden na drie dagen aan een groot karrenwiel vastgebonden en daarna opgetrokken en gemonteerd aan een hoge mast zodat de landbewoners hen goed zullen kunnen zien. Hun armen worden gebroken en rond hun hals gelegd.

 

Het lijkt wel of beide mannen elkaar omhelzen in hun verraderlijke samenzwering tegen de zalige Karel van Denemarken. Galbert geeft toe dat hij zelf niet aanwezig is geweest bij de mensonterende executies in Ieper.

 

Een gewapende man komt in Brugge verslag uitbrengen van de terechtstellingen van Guido en Bertulf. De verschanste mannen op de toren krijgen op hun beurt het nieuws toegeschreeuwd hoe hun heer proost aan zijn einde is gekomen. Veel hoop op beterschap moeten ze niet meer koesteren. Ook zij zullen op die manier voor hun misdadig gedrag gestraft worden. Angst, pijn, onrust en verdriet heersen nu.

 

Het beleg van de fameuze toren gaat trouwens een nieuwe fase in. Gervaas van Praet heeft de timmerlieden de opdracht om de houten toren af te breken. Je weet wel; dat vehicel dat gebouwd werd om de toren aan te vallen, maar die de voorbije dagen niet meer nuttig was. Een van de zware balken van de toren zal nu gebruikt worden als stormram om de muren van de kerk open te breken. Het is een gevaarlijk werk waarbij de mannen op de toren voortdurend pijlen afschieten op de arbeiders beneden op de grond. De ridders proberen hun timmerlieden de nodige afweer te bezorgen. De hele middag door wordt er koortsachtig gewerkt met de stormram, met takels en lieren, met katapulten en ladders.

 

Tegen de avond aan ontstaan er problemen tussen de manschappen van Gervaas van Praet en enkele Bruggelingen. De burgers moeien zich bij het beleg en lopen de soldaten meer voor de voeten dan wat anders. De eindeloze gesprekken en het heen-en-weer geroep tussen de belegeraars en de mannen binnenin de toren werken contraproductief. De koning heeft al eerder het bevel gegeven aan de stedelingen om de nodige afstand te bewaren van de toren, maar dat heeft vooralsnog niet veel indruk gemaakt op die van Brugge. Er komt nu een nieuwe maatregel: elke overtreder van het bevel zal voor de vierschaar moeten verschijnen en zal door de prinsen beoordeeld en gestraft worden.

 

Een van de inwoners is getrouwd met de zus van een ridder die opgesloten zit in de toren en hij negeert de bewuste orders als hij in gesprek gaat met zijn schoonbroer. Het gaat over kledij en vazen die hij vroeger uitgeleend heeft aan de ridder en die hij na wat aandringen ook overhandigd krijgt door de ramen van de toren. Wat dat materiaal eigenlijk op dit moment te zien heeft in het gebouw, laat ik even in het midden. Wat ik wel weet, is dat de Bruggeling door een ridder van Gervaas van Praet op de markt staande wordt gehouden en nogal hardhandig gevangen wordt gezet in de woning van de graaf.

 

De aanhouding van een van hun medeburgers zorgt er voor dat de potjes gaan overkoken in Brugge. Het tumult is compleet als de Bruggelingen hun wapens oppakken en met man en macht de ambtswoning van de graaf bestormen en de confrontatie aangaan met de mannen van Gervaas van Praet.

 

'Jullie hebben de bevelen van de koning genegeerd', schreeuwt Gervaas van Praet naar de Bruggelingen, 'de nieuwe graaf en de koning hebben mij aangeduid als jullie nieuwe burggraaf en ik moet wel optreden om een einde te maken aan jullie vijandige en beledigende weerspannigheid.' 'Maar goed, als jullie me niet wensen als burggraaf, dan trappen we het af. Jullie staan er dan alleen voor. Vergeet dan wel de vriendschap van de koning en die van ons edelen.'

 

De Bruggelingen zwichten voor de druk. In aanwezigheid van de koning beloven ze beterschap en om voortaan hun goede wil te tonen. In wederzijdse vriendschap en met de nodige tralali en tralala. Zo beland ik op dinsdag 12 april. In de slaapzaal van de broeders wordt er groot overleg gehouden tussen de koning en de legerleiding.

 

De muren van de slaapzaal grenzen aan de kerk en de toren. Het doorbreken van die binnenmuur lijkt een mogelijke piste om een doorbraak te forceren. Ik bekijk mijn laatst geschreven volzin plots vanuit een ander gezichtsveld. Het doorbreken van de muren staat vreemd genoeg synoniem met het doorbreken van deze patstelling die nu al een week aan de gang is.

 

In de slaapzaal wordt er koortsachtig verder gewerkt aan de bouw van de fameuze stormram. De belegerden in de kerk nemen het zekere voor het onzekere en houden zich al geruime tijd verscholen in de gaanderij van de eerste verdieping. De stenen trap die toegang geeft tot de galerij is volledig gebarricadeerd met houten balken en met grote steenblokken zodat niemand nog naar boven of naar beneden kan. Ze hebben zichzelf als ratten in de val gemanoeuvreerd.

 

De ramen van de toren zijn geblindeerd met tapijten en matrassen zodat ze niet kunnen bereikt worden door kruisbogen en stroppen bij een eventuele aanval langs de muren van het gebouw. De sterksten onder hen moeten de hoogste plekken van de toren bewaken om iedereen te kunnen bekogelen die zich op de binnenkoer van de burcht waagt. En ondertussen tonen ze maar weinig respect voor het lijk van de dode graaf die het zonder dat hij het zelf weet dat hier allemaal van dichtbij moet meemaken. De plek waar hij begraven ligt, wordt trouwens nu gebruikt als stockageplaats voor het meel en de groenten zodat ze allemaal nog in leven kunnen blijven. Terwijl de koning de nodige zorg besteedt aan de plek waar straks de doorbraak zal geforceerd worden, ontstaan er grote twijfels bij de jonge Robrecht. Hij priemt zijn gezicht door een van de torenvensters en laat weten aan de ridders van de koning dat hij bereid is om het oordeel van de leenheren van de staat te ondergaan.

 

Zolang hij maar tijdens het proces in leven kan blijven en dat er sprake kan zijn van een waardig oordeel. Zelf met de doodstraf achteraf zou hij kunnen leven als dat de mening zou zijn van de vierschaar. Er is echter geen enkele boodschapper die de vraag van Robrecht durft over te maken aan zijn koning. Het is immers streng verboden om zelf maar oogcontact te hebben met de vijand daar in de toren.

 

Woensdag de 13de. Er komen nogal wat verwarrende geruchten uit de toren. Bosschaert zou gedood zijn tijdens een ruzie met de jonge Robrecht. Hij zou hem op de grond gekwakt hebben en hem doorboord hebben met zijn zwaard. Maar anderen vertellen dat Bosschaert het hazenpad heeft gekozen. De entourage van de koning heeft zo zijn eigen mening: wantrouwen, angst en onrust heersen bij de vijand. Lang zal het niet meer duren. Het wordt stilaan tijd om een ultieme aanval op te zetten. Hij geeft het bevel om de harnassen aan te trekken en in alle hevigheid aan te vallen. Van de middag tot aan valavond worden er met een ongehoorde heftigheid stenen en pijlen afgestuurd op de belegerden. Donderdag 14 april. De zware stormram die gebouwd werd om de muur van de kerk aan diggelen te slaan, is eindelijk klaar. Het tuig in de slaapzaal wordt gepositioneerd rechtover de muur achter de welke de grafsteen van Karel de Goede zich bevindt.

 

Het is een berenwerk dat met de nodige precisie omschreven staat. Pas rond de middag is de constructie klaar en kan de confrontatie met de muur aangegaan worden. Een log geweld van massa en gewicht dendert keer op keer op de stenen die op een bepaald moment wel zullen moeten bezwijken.

De belegerden snappen ondertussen ook wel dat de scheidingsmuur het niet zal blijven houden. Ze brengen op hun beurt grote vuurhaarden aan in hun toren en bestoken het dak van de slaapzaal met enorme steenbrokken, daar waar de stormram zijn destructief werk aan het doen is. Iedereen die zich te dicht bij de kerk riskeert wordt nu bij het licht van de vuren door stenen bekogeld. De manschappen die de ram bedienen, blijven echter onverstoord hun werk uitvoeren.

 

Sneller dan verwacht komen er grote openingen in de bewuste muur. Een vroegere brand en een overstroming van een tijd geleden, hebben het metselwerk ervan danig verzwakt. In, rond en achter de muur wordt er nu met de kracht van de wanhoop verder gevochten. Een strijd die doorgaat tot de avond en tot de mannen zelfs te moe zijn om hun eigen wapens op te tillen. Verse krachten nemen het nu over. Ik krijg een bladzijdenlang verslag van de gevechten waarbij de belegerden het alsmaar moeilijker krijgen om zich staande te houden. Ondertussen is de koning zelf al tot bij de grafsteen van Karel van Denemarken gestapt waar hij de dood van zijn dierbare neef beweent. Tussen het puin, het meel en de groenten zal het wel niet evident zijn om deze treurnis op een devote manier te berde te brengen.

 

En toch is de strijd nog niet gestreden. De gebouwen van de kerk zijn nu wel in handen van de koning, maar de toren zelf blijft bezet door de Erembalden. Nog altijd staan er schildwachten opgesteld, nog altijd laten ze de klokken luiden alsof iedereen die nog altijd zou moeten gehoorzamen. Galbert is er zeker van dat zijn God hiermee niet akkoord gaat. Deze mannen zijn het noorden compleet kwijtgespeeld. Hoe kan hij anders hun hardnekkigheid en hun extreme arrogantie verklaren?

 

Vrijdag 15 april 1127. De burgers zitten op hun knieën voor hun koning. Ze zouden toch zo graag een vrijgeleide krijgen voor hun Robrecht junior. Waarom mag hij dan toch niet vertrekken van bij de belegerden? Zo krijgt hij de kans om uit te kijken naar een godsoordeel waarbij hij zijn onschuld hoopt te kunnen bewijzen. Ik verduidelijk nog even wat dit zogezegd 'godsoordeel' betekent in de 12de eeuw. Een voorbeeld is de vuurproef of de waterproef. Bij de vuurproef zal Robrecht over gloeiende kolen moeten lopen. Zijn schuld of onschuld zal dan afhangen van het al dan niet goed genezen van zijn opgelopen brandwonden. En dat heeft alleen God in de hand.

 

Lodewijk houdt zijn antwoord in beraad en zegt dat hij de beslissing daaromtrent zal overlaten aan zijn leenheren. Dat is op zijn beurt niet naar de zin van de burggraaf van Gent en de heer van Dendermonde (Gramont) die de volgende dag al in Brugge zijn om zich te beklagen over de mogelijke vrijlating van de jonge Robrecht. De koning reageert met de opmerking dat hij moeilijk anders kan dan zijn adviesraad te volgen in hun beslissing.

 

De nieuwe graaf wordt met alle nodige poeha ontvangen in Sint-Omer. Er zijn nogal wat jonge kerels die zich voor de eretribune willen manifesteren. Allemaal met pijl en boog en met de behendigheid van de jeugd marcheren ze in bataljons voor de neus van Willem Clito. Ze hebben een boodschap voor hem: net zoals hun voorgangers willen ze de vrijheid om te jagen in hun bossen en om zich te vervolmaken in het boogschieten en de omgang met wapens. Clito is zelf nog maar amper de kinderschoenen ontgroeid en stemt volmondig in met de verlangens van de lokale jeugd. Voortaan zal hij hier niets meer verkeerd kunnen doen voor hen. Het afleggen van manschap verloopt dan ook in een sfeer van toewijding en respect voor de nieuwe man.

 

Voor zover de toestand in Sint-Omer. Er zijn echter andere plekken in Vlaanderen waar de meningen over de keuze van de nieuwe graaf helemaal averechts zijn en waar de steun voor Willem van Lo nog niet verdwenen is. Hugo Haverveld en Wouter leveren slag bij het kasteel van Ariën aan de Leie waar de Ieperse kandidaat-graaf zich teruggetrokken heeft met zijn getrouwen. Zijn kasteel en de omgeving ervan zijn speciaal versterkt en hij is ook in het bezit van andere bastions in Vlaanderen. Onder andere de burcht van Ieper, de stad van Voormezele, de burchten van Cassel, Veurne en Sint-Winoksbergen.

 

Willem behoort tot het geslacht van de graven. Het feit dat hij geboren is uit een onwettige moeder verandert daar volgens hem niets aan en dus ziet hij zichzelf als enige mogelijke graaf van Vlaanderen. Er is trouwens nog een ander heerschap die de macht opeist. De graaf van Bergen is met zijn leger de stad van Oudenaarde binnengedrongen van waaruit hij nu zijn claim op het land manifesteert. Hij krijgt hier te maken met een versterkt leger van Gentenaars die onder leiding van Boudewijn van Aalst en Razon en in opdracht van Willem Clito de orde willen herstellen.

 

Galbert sleurt me mee in de voorgeschiedenis van de graven en de familiehistories die er verantwoordelijk voor zijn dat we hier nu in Vlaanderen opgescheept zitten met verschillende creaturen die elk op hun beurt aanspraak maken op de grafelijke titel. De hele geschiedenis heb ik vroeger al belicht in mijn episodes over de graven van Vlaanderen. Ik beperk me nu tot de conclusies dat er vanuit Holland en Henegouwen meer dan begerig toegekeken wordt op het land hier onder mijn voeten. Een hallucinante periode van geweld en van provocaties van de Henegouwse Richilde tegen alles wat Vlaams was, ligt nog bij iedereen vers in het geheugen.

 

Terwijl hij nu toch terugblikt, beslist Galbert om het ook even te hebben over de afkomst van de familie van proost Bertulf en zijn neven. Ik keer terug naar het jaar 1060 wanneer een zekere Boldran in functie is als burggraaf van Brugge. Boldran is getrouwd met een vrouw die de naam Dedda of Duva met zich meedraagt. Boldran heeft een landeigenaar, een vazal geboren in Veurne: een zekere Erembald.

 

Vandaar de naam van de Erembalden. Tijdens een militaire expeditie vechten de mannen zijde aan zijde ergens aan de oevers van de Schelde. Ze besluiten om samen de nacht door te brengen op een schip midden in de stroom. Ook Dedda slaapt op het vaartuig en wat ik nog niet verteld heb, is dat Dedda en Erembald al een hele tijd een overspelige relatie met elkaar onderhouden. Er bestaat trouwens een afspraak dat Dedda de titel van burggraaf zou schenken aan Erembald in het geval dat haar man zou overlijden.

 

Galbert verlustigt zich aan het nachtelijk gebeuren daar aan boord. Ik probeer zijn teksten letterlijk te vertalen. In de stilte van de nacht staat Boldran te plassen aan de reling van de boot. Erembald benadert zijn heer geluidloos van langs achter en kiepert hem zonder veel medelijden overboord, de diepte van de Schelde in. Iedereen op het schip slaapt, met uitzondering van Dedda en zo zitten ze met een onrustbarende verdwijning, een Erembald die van niets weet en een weduwe die kinderloos achterblijft. Bij hun terugkeer in Brugge trouwen Erembald en Dedda en met de rijkdommen van Dedda slaagt de Veurnenaar er in om zich in te kopen als nieuwe burggraaf van Brugge.

 

Dedda en haar nieuwe kasteelheer krijgen samen vijf kinderen: proost Bertulf, Haket, Wilfried Knop en Lambrecht Nappin, de vader van Bosschaert. En tot slot Robrecht die zijn vader Erembald later zal opvolgen als burggraaf van Brugge en die titel op zijn beurt zal overlaten aan zijn zoon Robrecht, Wouter en tot slot aan Haket zelf die in functie zit als Karel de Goede om het leven wordt. 'De oude Erembald heeft Boldran ten val gebracht' mijmert Galbert, 'maar straks zullen zijn nazaten daar in de toren hetzelfde lot ondergaan'. Het brengt hem bruusk terug tot de realiteit van de dag daar in Oudenaarde.

 

De graaf van Namen hakt in op de arme Gentenaars. Hij maakt er een echt bloedbad van terwijl de rest van de mannen hopeloos en ontredderd op de vlucht slaan om zich te gaan verschuilen in hun boten. Het is duidelijk: de man van Henegouwen, nazaat van de gehate Richilde, heeft zich meester gemaakt van een belangrijk deel van Vlaanderen. Hij neemt er het bezit in van de 600 jaar oude burcht Nienhoven (Ninove) die hij laat bezetten door mannen die hun plan kunnen trekken en waar hij kan op rekenen. Diezelfde dag kan er in Brugge een gewapende man uit de toren ontsnappen. Via een touw maakt hij dat hij weg komt. Zijn vluchtpoging draagt niet ver want hij wordt bij de lurven gevat en in de cel opgesloten waar hij nu enkel nog de dag van zijn dood mag afwachten.

 

Maandag 18 april. De inwoners werpen zich nog maar een keer voor de voeten van de koning en smeken hem om de uitlevering van de jonge Robrecht. Lodewijk wordt er kregelig en ambetant van. Keer op keer moet hij hetzelfde zeggen tegen dat ordinair klootjesvolk hier in Brugge. Deze niet aflatende vraag maakt hem kwaad en in zijn boosheid beveelt hij om de toren deze keer met ijzer en staal af te breken. Zo wordt de afbraak van de toren aangevat en die werken jagen de belegerden de stuipen op het lijf. Ze zijn ondertussen vergeven van de honger en de dorst.

 

Hun geesten zijn loom en verdwaasd van de vermoeidheid en het gebrek aan slaap. Het lijkt er op dat de moordenaars de zeven plagen van Egypte nu over zich heen krijgen overpeinst Galbert. De toren in de welke ze zich schuil houden, kan je best vergelijken met de tak waarop ze zitten en die nu afgezaagd wordt. Hun dorst is vurig. Ze sterven haast van de honger en behoefte. Wat er nog beschikbaar is aan water is zuurder dan de zuurste azijn. De restjes brood en tarwe zijn verrot en het lijkt er op dat deze rotschimmels ook ieders smaak en geuren gegijzeld houden. De schrijver schildert hun moedeloosheid als een Van Eyck op papier.

 

'We willen de toren verlaten'. Een aantal onder hen geven er de brui aan. Zich overgeven, is het laatste wat hen nog rest. De trappen zijn ondertussen al afgebroken en het kost heel wat moeite om zich te doen afzakken uit de toren. Hier en daar mag de val van de bezetters best letterlijk genomen worden hier in deze verschrikkelijke ruïne van dit kerkgebouw. Wie heelhuids beneden geraakt, wordt vanzelfsprekend naar de gevangenis gesleurd.

 

Dinsdag 19 april. De afbraakwerkzaamheden schieten goed op. Boven in de toren voelen de resterende belegerden elke slag van de hamers als een mokerslag in hun hersenen. Het gebouw schudt en beeft onder het bruut geweld. Ze hebben ongetwijfeld al zelf hun rekening gemaakt. Als ze hier blijven, zullen ze sterven wanneer het gebouw het zal begeven. Het enige alternatief is de overgave. De jonge Robrecht en zijn aanhang roepen dat ze bereid zijn om zich over te geven op voorwaarde dat Robrecht zelf niet in de gevangenis zal vliegen zoals de rest onder hen.

 

Koning Lodewijk en zijn pairs beraadslagen even en stemmen er uiteindelijk in toe dat ze uit het gebouw zullen worden geholpen. 'Beter dat dan zich nu nog te verongelukken in deze bouwval', denkt hij, nu krijgt hij ze tenminste levend in handen. Zevenentwintig mannen laten zich nu via het puntige venster dat uitgeeft op de woning van de proost afzakken. Een aantal trawanten zijn te corpulent om zich door dat smalle venster te wurmen en zij moeten zich via een touw laten afzakken door het grote raam bovenaan de toren.

 

Robrecht junior wordt opgesloten in de kamer op de bovenste verdieping van het huis van de graaf. Korte tijd later wordt hij geketend uitgeleverd aan de Bruggelingen die als symbool van het vertrouwen van de koning zelf zullen instaan voor de hechtenis van de puber in afwachting van zijn proces. De rest wordt in de cellen opgesloten. God heeft er ondertussen wel al voor gezorgd dat het grootste crapuul dood is, vertelt de schrijver. Ze mochten dan wel denken dat geen mens hun kwaad zou kunnen doen, maar God de Vader hebben ze over het hoofd gezien. Tja. Een en ander is gebeurd tijdens de overgave.

 

Tijdens het tumult slaagt een zekere schurk Benkin er in om zich via een touw te laten afzakken uit de toren en van het toneel te verdwijnen. De daaropvolgende nacht vlucht hij ongezien naar een eiland in de Noordzee. Wulpen. Niet Wulpen bij Koksijde, maar een Zeeuws eiland rechtover Cadzand. In de achtergelaten toren gaan de Bruggelingen ondertussen op zoek naar resten van de grafelijke schatten en ander waardevol materiaal. Ze zullen scheef slaan wat ze kunnen. Tot het de spuigaten uitloopt en burggraaf Gervaas van Praet zijn ridders de opdracht geeft om de toegang tot de toren te bewaken en te versperren.

 

De wijn van de verraders wordt aangeslagen door Gervaas van Praet. Prima wijntje trouwens. Onbegrijpelijk toch dat de mannen in de toren last hadden van dorst en honger. Want er worden nu ook nogal wat resterende levensmiddelen op de kop getikt. Dikke plakken spek, tweeëntwintig maten kaas, groente, meel en tarwe. Ijzeren tuig om het brood te koken. Huisraad, meubelen, vazen. Maar geen spoor van de schat van Karel van Denemarken.

 

Woensdag 20 april 1127. De koning verplaatst zich naar Aardenburg om af te rekenen met een andere medeplichtige aan de moord op Karel de Goed. Lambrecht van Aardenburg is een lid van de familie van de Erembalden en werd al een hele tijd geleden opgepakt en weer vrijgelaten nadat een godsoordeel in zijn voordeel was uitgevallen.

 

Dat hij zich nu opnieuw gaat bemoeien in de kwestie van de opvolging van de graaf, is voor Lodewijk een brug te ver. Lambrecht houdt zich een hele tijd verschanst maar sneuvelt dan toch. De rest van zijn bende wordt opgepakt.

 

Galbert die wat vertroebeld is door het feit dat God Lambrecht de eerste keer voor onschuldig hield, haalt nu toch zijn gram. 'Zie maar', zegt hij, 'God is welgezind omdat de toren van zijn kerk nu vrijgemaakt is en de boeven in de gevangenis opgesloten zitten.' Het is er aan te zien. Hij laat het lentezonnetje uitbundig schijnen. Het lijkt er op dat de lichtheid van de lucht het goede humeur van Galbert zijn God weerspiegelt. In Brugge zelf zijn de broeders al druk aan het werk geslagen om Sint-Donaas te herstellen. Twee dagen later wordt de graftombe in de klokkentoren afgebroken en wordt het lijk van de graaf er voorzichtig uit verwijderd.

 

Zeven weken na de moord kan hij eindelijk zorgvuldig en met het nodige respect gewassen en geparfumeerd worden. Dat laatste zal vermoedelijk meer dan nodig zijn. Dat vinden de broeders trouwens ook want het lichaam geeft volgens hen al kwalijke geurtjes af. Een understatement, want even later verklapt Galbert dat ze hun job haast niet kunnen uitvoeren door de grote stank.

 

Terwijl ze het lijk uit de tombe halen, ontsteken de geestelijken grote vuren en wordt er meer dan rijkelijk gesprenkeld en gezwaaid met parfum en wierook om de verschrikkelijke lijkgeur wat te verjagen. Als Karel van Denemarken enige tijd later in zijn definitieve tombe wordt neergelegd, is er niet langer sprake van geuren en stank. De bisschop en heel de reutemeteut van de clerus bewenen de dode graaf nog een laatste keer. Een mis, een processie en een waslijst van gebeden voor de brave man. God hebbe zijn ziel. En op het einde van de dag wordt boef Benkel opgepakt. De miserabele sukkelaar wordt op een rad geboden en verliest zijn leven tijdens een spectaculaire terechtstelling.

 

Zaterdag 23 april. Ik citeer Galbert opnieuw letterlijk: 'de koning en zijn prinsen laten in Brugge een bevelschrift voorlezen dat de burgers naar Ieper en Staden moeten stappen waar ze zich dienen voor te bereiden op een beleg van beide plaatsen.' Eerst is er op zondag en maandag nog de herinwijding van de kerk van Sint Salvator. De kerk werd eerder verwoest door een brand en tijdens een luisterrijke misviering wordt de kerk opnieuw in gebruik genomen en kan er door Brugge nu ook officieel afscheid genomen van graaf Karel. Ieper moet dus nog even wachten.

 

De belegering in kwestie heeft alles te maken met de persoon van Willem van Lo. Die ontvouwt zich al onmiddellijk op dinsdag 26 april wanneer de koning, graaf Willem Clito en een groot leger beginnen met hun beleg. Hoe zou Ieper er 900 jaar geleden eigenlijk uitzien? Ik worstel met de vraag en moet het antwoord noodgedwongen in handen laten van wat Galbert er over wil prijsgeven. Wat ik wel weet, is dat Ieper op dat moment nog geen echt centrum bezit, maar feitelijk twee bevolkingskernen: één in de Zuudstrate, de huidige Rijselstraat ter hoogte van het kerkgebouw van Sint-Pieters. Hier heerst Willem van Lo.

 

De andere kern vinden we 700 meter verder meer in het westen. Daar waar de meersen zich bevinden en daar zie ik de jonge Sint-Maartenskerk. Hij heeft het over een koppig gevecht tussen twee legers. De lokale Willem strijdt er aan één van de stadspoorten op kop van 300 ridders zijn strijd tegen de manschappen van de graaf van Normandië. Aan de Rijselpoort? In een ander deel van de stad, zeg maar aan de westelijke kant, sluiten de 'slechte' inwoners ondertussen een pact met de koning. Ik kan er met de beste wil van de wereld niet bij waarom dit voor Galbert nu de slechte inwoners zijn. Vermoedelijk heeft hij het over de inwoners van de latere Sint-Maartensparochie die de rol van Willem van Lo in dit debacle van die gravenkwestie maar bedenkelijk vinden. Laat staan zijn mogelijke betrokkenheid bij die moord op graaf Karel.

 

Zo krijgt de Fransman het gemakkelijk om binnen de stadswallen te geraken. De mensen die er wonen in hun eenvoudige houten huisjes zijn er de pineut van. Onder luid geschreeuw bezondigen de binnenvallende manschappen zich aan brandstichting en leven ze zich uit aan plunderingen. Willem van Lo probeert tevergeefs iets te doen aan die brutaliteiten. Hij beseft op dat moment niet eens dat zijn burcht ondertussen al overgeleverd is aan de vijand en dat er verraad in het spel zit. De Ieperling houdt niet lang stand. Hij wordt gevangen genomen en als krijgsgevangene weggevoerd naar Rijsel.

 

Ik krijg nu toch een woordje uitleg rond die zogezegde 'slechte' Ieperlingen. Na de dood van Karel werd Willem van Lo plotsklaps benaderd door een deel volk die in hem de toekomstige graaf zag. Kapelaans, tijdelijk aangestelde officieren en nogal wat personeel van het huis van de graaf. Ook de bevolking van Veurne, de achterban van de Erembalden staat achter hem. Samen met Willem van Lo kunnen ze de vijand best de baas. De slechteriken zullen niet anders kunnen dan hem als hun wettelijke meester te aanvaarden.

 

Tot God plots blijkbaar hun zijde kiest. 'Il frappe les esprits des méchans', schrijft Galbert, want op het moment dat ze dreigen vermorzeld te worden door Willem en zijn Veurnenaars, worden de rollen nu omgedraaid. En worden de slechteriken nu plots de goeden in de ogen van Galbert en zijn Bruggelingen. Nu burggraaf Willem van Lo gevangen zit, besluiten de Ieperlingen om eens een bezoekje te brengen aan al zijn sympathisanten. Ze vallen allesbehalve zachtzinnig binnen in hun domeinen, woningen en landerijen. Staal en vuur zijn nu het lot voor de vijand. En de vendetta beperkt zich niet tot brandstichting en moord. Ze verliezen nu al hun eigendommen. Die worden in eerste instantie aangeslagen door de koning, want uiteindelijk is hij de hoofdleenheer van alles wat er in Vlaanderen aan gronden beschikbaar is.

 

God zet zo zijn oorlog verder tegen de samenzweerders die samen met Willem van Lo hun hand gelegd hebben op hun goede graaf. Alles wat Willem ooit bezat, is nu eigendom van de nieuwe graaf Willem Clito. Zijn persoonlijke ridders worden opgepakt en uit Vlaanderen verjaagd. De Bruggelingen hebben gedaan wat van hen verwacht werd. Ze keren nu onder luid gejuich en in het bezit van een rijke buit terug naar Brugge.

 

De afrekening is nog altijd niet compleet. Dinsdag 1 mei zijn we. In Brugge krijgen ze het nieuws dat Bosschaert opgepakt is in Rijsel. Ze hebben hem ginder aan een rad vastgeketend. Hij heeft het nog een dag en een nacht uitgehouden tot hij zijn pijp heeft uitgeblazen na een doorgedreven marteling die alleen de eerlozen moeten ondergaan. 'Een keer sterven is feitelijk niet genoeg', weet Galbert me te vertellen. 'Voor alles wat hij op zijn kerfstok heeft, zou hij best meerdere keren hebben moeten sterven. Wie heeft de man niet allemaal laten ophangen, vermoorden en onthoofden?'

 

De gelovige mensen prijzen hun Heer en God dat Bosschaert zijn lot heeft mogen ondergaan en dat Hij hem nu uit zijn wereld en zijn hemel gekieperd heeft. Er kan nu eindelijk een betere tijd aanbreken. Het weer en de charme van de meimaand zorgen er voor de rest wel voor dat de ellende van de voorbije wintermaanden plaats maakt voor een beter leven. De koning vertrekt naar Gent. Van daar gaat hij naar Oudenaarde waar de graaf van Bergen gezorgd heeft voor de nodige ravage. Die is er gekomen nadat Willem Clito de stad heeft aangevallen en de handlangers van de graaf van Bergen opgejaagd heeft tot aan de stenen toren van de stad. Tijdens de onvermijdelijke brandstichtingen zouden zeker 300 vluchtelingen levend verbrand zijn in de lokale kerk.

 

De 4de en de 5de mei komen koning en graaf terug naar Brugge. Weer al eens met de nodige bombarie en processies. Het altaar, de gebeden en de offerande maken achteraf plaats voor de terugkeer naar het huis van graaf Karel dat nu officieel in het bezit gesteld wordt van zijn opvolger. In en rond de Burg is er ondertussen een grote massa volk samengetroept. De mensen zullen eindelijk te weten komen wat de plannen zijn voor wat betreft hun Robrecht en al de gevangenen. Een beslissing is blijkbaar nakend want de koning en zijn edelen hebben zich al afgezonderd en bespreken nu het lot van de rebellen.

 

De vonnissen zullen onmiddellijk worden uitgevoerd. Het is best lang wachten. Eerst is Wilfried Knop aan de beurt. De broer van proost Bertulf wordt via een wirwar van gangen tot aan de toren van de Burg gebracht. Zijn handen worden vastgebonden op de rug. Het enige wat hij nu nog kan gadeslaan is de plek waar zijn hoofd straks zal neersmakken en hij de dood zal vinden. Een hemd en een korte broek zijn zijn enig overgebleven kleding. Zonder veel pardon wordt hij nu onthoofd. Zijn gebroken en verbrijzeld lichaam zorgt nog voor enkele verdwaasde momenten van leven tot dat de dood zijn werk doet. Deze publieke terechtstelling is zowat de grootste schande die zijn familie kan ondergaan. Niemand zal ooit nog een traan laten om Wilfried Knop.

 

Ridder Wouter is nu aan de beurt, de zoon van Lambrecht van Aardenburg. Zijn handen zijn niet achteraan vastgebonden, maar op zijn buik. 'Mag ik tenminste nog de tijd krijgen voor een laatste gebed?' Wouter smeekt het aan de ridders van de koning die staan te popelen om aan hun wrede werk te beginnen. Er komt even wat genade. 'Bid dan tot uw God', roepen ze hem toe en er zal best wat medelijden in het spel zitten. Compassie met die jongeman met zijn elegant figuur, maar elegant of niet, ook hij vindt korte tijd na zijn gebed de dood en hij maakt daarmee plaats voor de volgende die nu zijn beurt zal krijgen.

 

Eric is zijn naam. Ridder Eric verliest er ook zijn hoofd bij. Letterlijk natuurlijk. Het is vreemd om zien, staat er geschreven. Zijn hoofdeloze lichaam strompelt nog van de treden van een houten opstapje terwijl het zich nog in een onmogelijke houding dwingt om toch maar een kruisteken te kunnen maken. Er zijn nogal wat vrouwen die Eric even willen aanraken, ik weet niet waarom. Een van de ridders van de graaf voorkomt dat door een zware steen in hun midden te gooien.

 

Het is verboden om dichterbij te komen. Galbert heeft het over de agonie van de stervende man. Zijn doodstrijd, zijn zielsangst tot de laatste snik. Achtentwintig terechtstellingen op rij. In die tijd maken ze er toch korte metten mee. Enkelen proberen nog te maken dat ze weg zijn en schreeuwen hun onschuld uit. Hun lot ligt echter vast. Ze hebben zich verbonden met de verraders en zullen eveneens onthoofd worden.

 

Vrijdag 6 mei. De koning zet zich op weg naar Frankrijk. Robrecht junior zal hem als gevangene vergezellen. Hier in Brugge is zijn leven ten minste gespaard gebleven. De burgers zien de jongeling met gemengde gevoelens vertrekken. Er wordt gehuild en gelamenteerd dat het geen naam heeft. Ze zien hem allemaal zo graag maar er is niemand die de karavaan nog verder durft te volgen. Robrecht ziet hun verdriet. Hij roept. 'Jullie kunnen mijn leven onmogelijk redden, misschien kunnen jullie bidden tot God dat hij medelijden heeft met mijn ziel.' Ik sta versteld hoe ver de brainwashing van het christelijke geloof toch gegaan is bij mijn voorouders. Ik zie heus niemand van mijn leeftijdgenoten in de 21ste eeuw die zelf nog zouden vragen om te bidden voor het welzijn van de eigen ziel.

 

Enkele honderden meter verderop wordt er halt gehouden. De koning zal de losgelaten benen van Robrecht opnieuw laten vastknopen aan de buik van zijn paard. Als signaal kan dat best tellen. Willem Clito zwaait nog een laatste keer naar Lodewijk en keert dan terug naar de Burg van Brugge. De volgende dag schenkt deken Helias de zilveren vaas en de gouden beker met dito deksel terug aan de nieuwe graaf. Die had hij eerder in ontvangst genomen van de vluchtende Bertulf. Helias speelt voor vermoorde onschuld. Een deel van de zo gezochte schat komt dan toch boven water. De deal tussen Bertulf en Helias werd blootgelegd dank zij de loslippigheid van Robrecht junior tijdens een geseling vlak voor zijn vertrek uit Brugge.

 

De Bruggelingen kijken met gefronste wenkbrauwen naar de gespeelde onschuld van hun deken. Hoe kon hij nu deze geschenken afkomstig van de plunderingen ten huize van de graaf aanvaarden? God zegt het toch zelf: 'Ge zult niets aanraken dat bezoedeld is'! 'Ja maar ja', weerlegt Helias, 'ik heb die vazen gekregen als geschenk voor de kerk van Sint-Donaas en die waren bestemd als tegenprestatie voor de zielzaligheid van proost Bertulf'.

 

Dat zwaaien met gronden en eigendommen als onderpand voor een eeuwig en gelukkig leven na de dood zit er effectief wel diep ingebakken in die tijd van onze geschiedenis. Puur technisch kan er deken Helias niets aangewreven worden, maar de grote massa Bruggelingen denkt er toch het zijne van.

 

Ik krijg een overzicht van de penitentie die Bosschaert, Isaak en de anderen moesten ondergaan vlak voor hun foltering en terechtstelling. Het erkennen van hun zonden om te beginnen en daarna het smeken om genade. Dat waren de voornaamste ingrediënten. Je weet wel: de twee Weesgegroetjes die wij moesten bidden na de traditionele biecht tijdens onze jeugdjaren. Maar dan wel een meer uitgebreide variante.

 

Bij Bosschaert drijven ze het ver. Zijn handen waarmee hij de graaf heeft vermoord, worden afgehakt terwijl hij nog aan het bidden was. Ze zijn allemaal eerst nog in de ban van de kerk geslagen voor dat hun terechtstellingen zouden plaatsvinden. De excommunicatie is zowat de strengste straf die een vierschaar kan uitspreken. Want nu kunnen de geestelijken niets meer aanvangen met hun lijken. Ze mogen de kerk niet meer in, een begrafenis is uitgesloten en hun lijken worden noodgedwongen op de kruispunten en in de velden gedumpt.

 

Het onderzoek naar de antecedenten van de moord op de graaf is nog altijd niet afgelopen. Ik schuif door naar zaterdag van Pinksteren. 21 mei 1127. Eustache, de door Willem Clito nieuw verkozen burggraaf van Veurne, is met een gevangene onderweg naar Brugge. Hij wordt hierbij begeleid door een uitgebreide grafelijke delegatie. Die gevangene is niemand minder dan Oger, de gewezen kamerheer van proost Bertulf. Hij kan meer vertellen over de verdeling van de schat van Karel van Denemarken onder de verschillende leden van de geestelijke kliek en de bende van de Erembalden.

 

Oger beschuldigt deken Helias van verraad. Driehonderd mark heeft hij gekregen als aandeel in het verraad. Kanunnik Littra heeft tweehonderd mark ontvangen. Robrecht de wachtmeester van de kerk kreeg de mantels en het zilverwerk. Meester Raoul zes zilveren tassen en Robrecht, de zoon van Lidgard honderd zilveren marken. 'Het zijn pure verzinsels van Oger' meent Galbert. Ik kijk er van op dat de schrijver zo zeker van zijn stuk is. Op die manier kan Oger zijn eigen schuld camoufleren en op vrije voeten te blijven. Dat Helias dat goud en zilver al eerder aangegeven heeft, speelt natuurlijk in zijn voordeel. Maar Galbert weet meer, het lijkt er wel op dat hij deelgenomen heeft aan het onderzoek en dus kan praten vanop de eerste rij.

 

Wachtmeester Robrecht kon de hele tijd van het beleg binnen en buiten komen en heeft het goud- en zilvergeld beetje bij beetje buitengesmokkeld. In afwachting van hun ontsnapping wel te verstaan, want dan zouden de verraders hun in veiligheid gebrachte schatten allemaal terug moeten krijgen.

 

Robrecht heeft dus beloofd om te zorgen voor de schat in ruil voor zijn permanente toegang tot de Sint-Donaaskerk. Nu ze allemaal aan hun einde zijn gekomen, kan er van de beloofde teruggave geen sprake meer zijn. Wat nu? Het komt er nu voor hem op aan om de schat verborgen te houden voor de buitenwereld. We zitten in de hoogdagen van de kruistochten met Jeruzalem als 'place to be'. Het lijkt dus niet gek voor Robrecht om naar ginder te trekken. Hij laadt zijn schatten op drie zware rijpaarden en vertrekt op een vroege morgen in de richting van het heilig land.

 

Jeruzalem ligt niet zo maar bij de deur. Er is in 1127 nog geen sprake van Google Maps. Maar nu weet ondergetekende wel onmiddellijk dat er Robrecht een trip van 4676 km te doen staat. De voorziene reistijd van 51 uur zal in die tijden eerder iets zijn van 51 dagen. Bij zijn schatten behoren eveneens stoffelijke resten van de overleden graaf. Die zullen daar in Jeruzalem geschonken worden aan Jezus Christus. Om die manier kan hij elke mogelijke verdenking van zijn rug en van die van zijn medekanunniken afwentelen. Op Pinksteren, 22 mei, zweren een aantal belangrijke lieden hun trouw aan het graafschap van Vlaanderen. Willem Clito als eerste. Gevolgd door burggraaf Gervaas van Praet, Wouter van Vladslo en alle aanwezige Vlaamse ridders. Ze zullen alles doen wat mogelijk is om de vrede in het land te bewaren.

 

Het is de laatste gebeurtenis in een lange rij voorvallen. Galbert laat vreemd genoeg de zomerperiode volledig aan zich voorbijgaan. Met zijn volgende alinea bevindt hij zich al op zaterdag 8 september en ik blijf hem uiteraard op de voet volgen daar in de jeugdjaren van mijn land.

 

Graaf Willem Clito laat zijn eertijdse opponent Willem van Lo overbrengen naar Brugge. Zoals je weet, werd hij gevangen genomen tijdens de aanval op Ieper enkele maanden geleden. Hij wordt nu opgesloten in de hoogste kamer van de burcht in Brugge. Samen met zijn broer Thibaut blijven ze daar vastzitten tot dat Thibaut uitgeleverd wordt aan een wachter van de Gentse graaf Everard. Meteen wordt de bewaking op de eenzame Willem een stuk strikter. Hij moet niet langer denken om door de ramen van de toren te kijken, hij mag er zelfs niet rondwandelen. Een hele rist van bewakers en schildwachten houdt hem argwanend in de gaten.

 

Op vrijdag 16 september is het aan de inwoners van Brugge en zijn wijde omgeving om hun eed te zweren aan de graaf en aan burggraaf Gervaas van Praet. Dat geldt natuurlijk niet voor de horigen. Dit privilege is er alleen maar voor de rijkeren onder hen. De afrekening gaat trouwens nog altijd verder. In Brugge worden er 125 aanhoudingen verricht en in Aardenburg 37. Eenmaal opgepakt, worden ze allemaal beschuldigd van verraad.

 

Op zaterdag de 17de wil Clito vertrekken naar Ieper en net voor zijn afreis kondigt hij bizar genoeg aan dat hij van plan is om belastingen te heffen op de kap van de inwoners. 'Hoe ondankbaar' schreeuwt Galbert het uit. Ook de ridders protesteren hevig tegen deze nieuwe taksen.

 

Het is hen niet te doen om het geld maar om de principes. Het is altijd de geplogenheid geweest dat geen enkele graaf ooit een tol of een belasting invoerde zonder een voorafgaand akkoord met hen, de instandhouders van het feodaal systeem. Zij, de leenhouders, worden door deze eenzijdige beslissing van de nieuwe graaf buitenspel gezet. Het volk en de elite morren om de eigengereidheid van Willem Clito. De onrust steekt al direct de kop op. Het zou me niet verwonderen dat er grote problemen van komen.

 

Graaf Willem en zijn aanhang gaan in die septemberdagen lustig verder met hun afrekeningen tegen de clan van Willem van Lo. Wouter van Vladslo, de man die in het beginstadium van de gebeurtenissen één van de eersten geweest was om zich af te keren van het complot, krijgt nu toch nog het Goddelijk deksel op de neus. Een verdict van God zelf, beweert Galbert. Tijdens een militaire operatie stuikt hij van zijn paard. Hij breekt zowat alles wat er te breken valt en na een paar dagen zwaar afzien, geeft hij de geest.

 

'Het is waar dat hij werkelijk schuldig was aan de moord op onze heer, de vader van Vlaanderen', filosofeert de schrijver en ik zit er natuurlijk veel te ver vandaan om hem tegen te spreken. 'Kijk maar' repliceert Galbert. Wouter van Vladslo heeft eerder zijn adoptiezoon, het kind van een schoenmaker uitgehuwelijkt aan een nicht van proost Bertulf. Iedereen (en hij zelf) dacht trouwens dat het zijn eigen zoon was, maar dat bleek een foefje te zijn van de moeder van het kind dat eerder zijn dood kind had gebaard.

 

De waarheid komt pas boven water na de dood van de ridder als zijn weduwe het plots gaat uitbazuinen. Gelukkig heeft God zijn wraak met zorg voorbereid en heeft hij Wouter een pijnlijke doodstrijd laten ondergaan in de nabijheid van zijn familie. Dergelijk Goddelijk sarcasme toont nog maar eens hoe bang de bevolking feitelijk werd gemaakt en zich moest schikken naar de almacht van de Heer die wikt en beschikt over het leven.

 

Willem van Lo verhuist op zaterdag 8 oktober van Brugge naar Rijsel. Hij komt nu in handen van de lokale burggraaf. Zo goed moet het inderdaad niet boteren in Brugge, want graaf Willem Clito houdt er rekening mee dat de burgers en teruggekeerde bannelingen het wel eens zouden aandurven om de sterke man van Ieper te gaan bevrijden vanuit de Burg. God de Vader blijft zich ook nog in oktober moeien in de afrekening. Boudewijn van Aalst, een van de belangrijkste leenheren van Vlaanderen, legt er het loodje bij neer. Ook hij werd beschuldigd van hoogverraad tegen Karel de Goede. Spijtig genoeg sterft hij een gemakkelijke dood, lees ik.

 

Tijdens het blazen op een hoorn verschuift een deel van zijn hersenen. Een autopsie zal er wel niet aan te pas gekomen zijn. Toch kent Galbert de doodsoorzaak: een oude wonde heeft er voor gezorgd dat Boudewijn van Aalst nu gedood wordt door de kracht van zijn eigen adem. Op korte tijd twee dode prinsen. De inwoners van Vlaanderen roddelen er op los. 'God heeft gezorgd voor gerechtigheid' en nog is het lijstje niet helemaal afgewerkt. De 17de januari van 1128 is het de beurt aan Didier, de broer van verrader Isaak en al evenzeer betrokken bij de moord. Zo ben ik uiteindelijk weg gestapt uit dat illustere jaar 1127. Voor het nieuwe jaar staan er nog geweldige politieke implicaties te wachten voor de Vlamingen. De nieuwe taksen van Willem Clito zullen weldra zorgen voor een nieuwe aardverschuiving, waar ik met plezier zal over vertellen in het afsluitende hoofdstuk van secretaris Galbert.