P1072100

We beginnen het verhaal van Zonnebeke ergens rond 10.000 jaar voor het begin van de nieuwe tijdrekening. De westelijke en noordelijke gebieden van Europa zijn bedekt door een meterhoge ijslaag. Er is vooralsnog geen sprake van de Noordzee. De oerbewoners van toen zijn meestal jagers. Ze lopen door het dal naar Engeland. Of ze hebben er hun primitieve nederzettingen. De opwarming van de aarde zorgt er voor dat het ijs gaat smelten.

 

Het dal vult zich met miljarden liter smeltwater. Aanvankelijk gaat het er langzaam aan toe, maar daarna vult de Noordzeevallei zich aan een steeds hoger tempo. Het waterpeil stijgt wel tot 20 cm per jaar. Omstreeks 4000 voor Christus zijn de ijskappen al een heel stuk gesmolten en is de aanwas van het water al veel minder. Nog maar 25 cm per eeuw. Rond 3000 voor Christus is dat nog maar 5 cm per eeuw.

 

Het water staat nu zowat 20-25 meter hoger dan het niveau van onze moderne tijden. De nieuwe zee werpt zandbanken op voor onze kustlijn. De wind zorgt er voor dat er duinen en strandwallen ontstaan. Achter die wallen vormen zich kwelders, iets wat je zowaar land kan noemen. Rond -2000 is er langs de Noordzeekust, van Frankrijk tot Denemarken, een duinenstrook ontstaan. Met daarachter een aanvankelijk onbewoonbaar veengebied. Meer naar het oosten vinden jagers hun prooien in de hoger gelegen zand- en kleigronden.

 

Het water is doorgedrongen tot diep in de Westhoek. De hoger gelegen gebieden zoals de Kemmelberg, de Casselberg, de heuvels rond Geluveld, Zandvoorde en de Noord-Franse heuvelrij vormen een natuurlijke barrière voor het water.

 

Tussen 2000 en 1000 jaar voor Christus komen de Indo-Europeanen zich vanuit het oosten vestigen over het noordwestelijke deel van Europa. Ze splitsen zich af en zoeken precies die hoger gelegen gebieden om zich te vestigen. Meestal gaat het om zwervende leefgroepen van enkele tientallen families. We vergeten even dat de Zonnebeekse plekken nog helemaal niet hun vertrouwde namen gekregen hebben.

 

Het toekomstige Geluveld ligt in die tijd op een plateau gelegen op 25 meter boven de zeespiegel. Zonnebeke ligt een tiental meter lager. De Nonnenbossen situeren zich op een hoogte van 25 meter. Molenaarelst ligt op 15 meter hoogte. De Reutel, Broodseinde en de Polygone eveneens op 25 meter. Passendale en Beselare bevinden zich op gemiddeld 20 meter boven het waterniveau. De lager gelegen plekken in het landschap zijn poelen en vijvers. Het krioelt ervan.

 

De heuvelrij van Geluveld en Zonnebeke biedt een veilige bescherming tegen het water. In het westen en zuiden gaat het heuvelafwaarts. We naderen het water en de zee. Bellewaerde (10 m) en het Wieltje (5 m) steken nog net boven het water uit. In de verte spotten we de flink uit de kluiten gewassen heuvel van Zandvoorde. De voorde situeert zich op een veilige hoogte van 15 meter. Zuidelijk van Zandvoorde, in de richting van de buurvestigingen Hollebeke en Zillebeke is er enkel water. Het is een imposant meer dat zich uitstrekt naar het dal tussen Geluveld, Zandvoorde en Kruiseke.

 

Een zee van water stroomt van de Leie in Komen (ten Brielen) tot aan de haven van Ieper die zich op zeeniveau bevindt. Daartussen de vestigingen van Zillebeke (10-15m) en van Hollebeke (gemiddeld 8m). Geluwe bevindt zich kantje boordje boven het waterniveau.

 

Meer naar het zuidoosten zien we onder andere de nederzettingen van Reningelst (30m), Abele (30m), Westouter (40m). Van het lage gebied van de Westhoek is vooralsnog geen sprake! Hier heerst enkel de zee. De Leie en de Aa staan met hun bijrivieren zoals bijvoorbeeld de Bellewaerdebeek, de Kemmelbeek, de Colliebeek, de Hanebeek in nauwe verbinding met de Noordzee. Pas gaandeweg, met het jaar 0 in het vooruitzicht, zal het ongewoon hoge waterniveau geleidelijk aan zakken.

 

De Indo-Europese nederzettingen aan het water krijgen 3500 jaar geleden over het hele Europese vasteland zowat overal de zelfde typerende waternamen. Hier in deze kronieken van de Westhoek lezen we dat veel toponymische uitleg die we tot op vandaag kennen in verband met onze plaatsnamen eigenlijk totaal verkeerd is en zich baseert op de geschreven overlevering van na het jaar 1000. Dat telt natuurlijk evenzeer voor de regio van Zonnebeke.

 

Alles heeft te maken met die eerste Indo-Europeanen die zich zowat overal in Europa vestigen op hoogtes langs het water. De naam van het oude water vindt je nog altijd in zowat alle gemeentenamen die zich anno -1500 net boven de waterspiegel bevonden en waar de mensen gaandeweg de naam van hun thuis doorgaven aan hun kinderen. Ze zijn Heidens. Onze voorouders. Ze vereren goden die te maken hebben met de zon, de maan, de bossen, de dood, het water. Vooral stromen en rivieren zijn heilig.

 

Hier schuilen goden en geesten. 3500 jaar geleden benoemen onze primitieve voorouders stromen, rivieren en beken met prille primaire oerklanken. Die klanken die we op vandaag de klinkers van het alfabet noemen. De E, de I, de O, de U, de A. Een waterloop heet 'apa', een snelstromende waterloop 'il-apa'.

 

Zowat over het hele Europese vasteland worden de rivieren genoemd als El-apa, Il-apa, Il-apa, Ul-apa, Al-apa. 180 generaties omschrijven keer op keer hun woonplaats als hun 'thuis' aan de waterstroom. Ze zullen elke keer weer de naam van hun thuis doorgeven aan hun nageslacht. Bij de eerste 130 generaties is er totaal geen sprake van schrift.

 

De overlevering gebeurt mondeling. De laatste 50 generaties (sinds het jaar 1000) gaan de inwoners stilaan hun plaatsnamen schriftelijk doorgeven, maar de kracht van het woord blijft bijzonder sterk. Die kracht zie je bijvoorbeeld bij de naam van 'Geluveld' die door de lokale bevolking nog steeds 'Hilleveld' wordt genoemd. Bij 'Zonnebeke' die nog steeds 'Zunnebeke' genoemd wordt. Bij 'Molenaarelst' die nog altijd 'Morul' genoemd wordt. Te midden in het latere domein van de Nonnenbossen ligt trouwens het Maerlebos, dat vroeger natuurlijk het Marollebos was.

 

En bij Broodseinde ligt de Maarlestraat. In Duitsland, Engeland, Frankrijk, België, Nederland en daarbuiten krioelt het van de varianten op el-apa, il-apa, ol-apa, ul-apa en al-apa. De latere Germanen en Kelten zijn hun dialecten gaan enten op diezelfde oernamen. In de regio van Zonnebeke zijn de sporen van de oude waterplaatsen navenant. Het oude water dat we nog terugvinden in de naam van de Leie die ooit tot aan de voet van Geluveld, Hollebeke, Zillebeke en Ieper reikte.

 

Het oude water van de 'il-apa', de 'il-lis'naar de 'Lys', de Leie. De plaatsnamen met ill(n)e, oll(m)e, ulle, hulle, al(m)e, el(m)e zijn zowat overal terug te vinden. Houthem, dicht bij de Leie droeg vroeger de naam van Holthem. Wat verderop heet Rijsel niet voor niets 'Lille'. De mensen spreken van 'Leegem' als ze Ledegem bedoelen.

 

Oorspronkelijk staat hiervan natuurlijk (il)leghem aan de basis. Wel te verstaat dat die 'hem' er pas in Frankische tijden bij komt als mijn 'thuis' aan het water. Kijk maar naar de oude landkaarten. Zonnebeke zelf wordt vanaf het jaar 1000 genoemd als Honnebeke, Sinnebecche. Je ziet en ruikt de waterplaats aan de ilne of ulne. Kijk maar naar Hollebeke aan de olne, naar Zillebeke aan de ilne. Kijk maar naar het 'Wieltje' (illtje). Wat te zeggen van Bellewaerde (ille)? Kijk naar de Hanebeek waar natuurlijk de alne in verscholen zit.

 

We gaan verder. Geluveld en Geluwe zijn natuurlijk Hilleveld (hille-ille) en Hilwe (hille). Molenaarelst is natuurlijk Mor-ulle. De havenplaatsen bij Komen en bij Ieper heten niet per toeval Brielen. Ze staan voor 'ille'. Ieper staat voor 'il'pre. De Bassevillebeek is natuurlijk een laaggelegen beek van de ille. De Hanebeek was oorspronkelijk de Halnebeek, de Alne, de Ane zoals in Frankrijk de Aisne en de Aa. De Hene vloeit trouwens ook in Henegouwen.

 

De Hullaertdreef aan Den Doel verwijst natuurlijk naar de (h)ulle. In 844 wordt Passendale voor het eerst omschreven als Pascandala. Dat de naam 'pasik' (kind) in Passendale terug te vinden is, lijkt erg twijfelachtig. Het achtervoegsel 'ala' laat echter opnieuw een oeroude plaats aan het water vermoeden. De naam poel is een erfenis van 'ulle'. Het dal tussen Ieper en het Hooghe wordt aanvankelijk het Lichterveld (Illichterveld) genoemd.

 

Er is dus naast Hilleveld een Lichterveld. Er is méér! Tussen Broodseinde en Passendale vinden we het Rozeveld en de Rozestraat die natuurlijk niets te maken hebben met bloemen. Broodseinde en Rozeveld zijn als broer en zuster. Een derde dicht familielid is natuurlijk Rosebecca dat we op vandaag kennen als Westrozebeke.

 

Vergeet de verhalen die Broodseinde linken met brood! Alles heeft te maken met water. De watergelinkte term O(l)rot maakt het duidelijk dat de vroegere bewoners hun land dicht bij het water omschrijven als Orotseinde en Orotsveld. De vroegere 'olle' naam van Lombardsijde staat trouwens bekend als Orot. Roeselare (Roulers) koestert nog altijd zijn middeleeuwse - Latijnse - naam Rollarium.

 

De vergelijking vind je trouwens over heel Europa. In de buurt van het Duitse Stuttgart ligt het oude stadje Rosenberg bij de Orrotsee. Ook in Frankrijk is er een plaats met de naam Orrot. Niet ver in de buurt van Rosenberg ligt trouwens Esslingen een zusterstad van Beselare. Oude kaarten geven de naam Bekelare aan de heksengemeente. Bek-illa-re?

 

De oorspronkelijke Indo-Europeanen van de Westhoek komen vanaf het jaar -800 meer en in aanvaring met volkeren die vanuit het oosten optrekken naar de westelijke gebieden van Europa. Ze verspreiden zich via het deltagebied van de Rijn en de Maas tot over de Schelde en de Leie. Het waterniveau aan de voet van Zonnebeke, Geluveld en Zandvoorde is op dat moment in tijd gevoelig gedaald. De voorbije eeuwen is er bos in de plaats gekomen op deze aangespoelde en zeer fertiele kleibodem. De nieuwe mensen zijn Kelten, Celtae.

 

Ze vermengen zich al dan niet op gewelddadige manier met de lokale inwoners. Enkele honderden jaren is de versmelting een feit. Het zijn allemaal Galliërs geworden. Steeds meer gronden worden aangesproken om de groeiende bevolking te kunnen huisvesten. Het Keltisch-Gallische rijk bestaat uit duizenden verschillende stammen die onafhankelijk van elkaar leven. Hun huizen - te midden van de wouden - zijn gemaakt van hout en stro en zijn bepleisterd met klei.

 

Ze groeperen hun huizen en zoeken voortdurend naar nieuwe technieken om hun dorpen te verdedigen. In onze streek, dus ook in die van Zonnebeke, spreken we van oppida of heuvelforten. Het zijn vernuftig aangelegde aarden wallen en grachten. Meestal wordt een heuvelfort gebouwd op een natuurlijke heuvel. Via hindernissen wordt het voor een vijand zeer moeilijk om tot in het centrum van de vesting te geraken. De heuvelforten dienen niet enkel als verdedigingssysteem, ze zijn ze natuurlijk ook toevluchtsoorden in tijden van onrust. De heuvelforten - het exemplaar op de Kemmelberg is bijvoorbeeld erg imposant - bieden plaats voor handelsactiviteiten, nijverheid en religie.

 

Oostelijk gelegen van het laaggelegen moerasgebied van Ieper en Zillebeke doemen de dichtbeboste heuvels van het Hooghe en de Zandberg op. Een ondoordringbaar woud dat al vele duizenden jaar oud is. De mensen noemen het de Rumetra. Het woud strekt zich uit van de Kemmelberg tot aan de buitengebieden van Brugge. Donker en reusachtig. Een woud zonder genade. In deze Rumetra liggen wouden die pas veel later zullen omschreven worden als de Nonnenbossen of het Polygonebos.

 

Met daarin verscholen Den Doel en Het Veld. Op een hoogte van pakweg 50 meter zijn de heuvels de voorbije duizenden jaren gevrijwaard gebleven van het water. De plek waar ooit het centrum van Zonnebeke zal komen ligt op 27m hoogte. Heuvelopwaarts gaan we van hier naar de heuvelrug van Broodseinde. De bodem op de Zonnebeekse heuvels is één en al klei. Waar er erosie kon ontstaan, is er sprake van zand, grind en keien. Goed voor bomen zoals de zomereik, de esdoorn of de wilde kastanje. Uitstekend voor heide, brem en biezen.

 

De lager gelegen gebieden en de heuvelruggen hebben echter een vruchtbare bodem waar leem en klei elkaar afwisselen. Hier duiken sporadisch de eerste landbouwexploitaties op. Midden in de bossen die propvol gevuld staan met beuken, eiken, hazelaars en essen. Enkele eeuwen voor het begin van onze tijdrekening vallen de Belgen (de Saksen), een oorlogzuchtig volk afkomstig uit Germanië (Duitsland), de lage landen binnen. Enkele tientallen Germaanse volksstammen komen zich vestigen in België en Nederland. In Vlaanderen zijn dat de Menapiërs, de Atrebaten en de Morinen.

 

De laaggelegen gebieden van de Westhoek worden nu bewoond door de Morinen, genoemd naar de vele moerassen of 'moeren' die verspreid zijn over onze streek. De hoogtelijn (40 à 50m) die vanuit de Leie oprijst ter hoogte van Zandvoorde en die verder golft naar Passendale en Klerken vormt niet alleen de waterscheidingslijn tussen de Leie en het Ijzerbekken. De laaggelegen gebieden zijn Morinisch territorium.

 

De heuvels van groot Zonnebeke vormen zowat de scheidingslijn - het spergebied - met het gebied van de Menapiërs. De Menapiërs leven niet meteen in de beste verstandhouding met de Morinen. Elk leeft meestal in zijn eigen gebieden. De Morini van de laaggelegen moerassen en de Menapiërs van de heuvels komen nu en dan met elkaar in conflict. Primaire en oorlogszuchtige twisten tussen rivaliserende volksstammen.

 

De elite van de Menapiërs leeft het liefst op de strategische versterkte heuvels van ondermeer het Hooghe en de Zandberg. De Morinen en Menapiërs bouwen geen steden, maar wonen in her en der verspreide hutten, midden in de talrijke wouden, op heuvelruggen en middenin moerassen. Het zijn harde, vrij grote (tot 1m60) korzelige, ruwe sterk gespierde mensen. Hun huid is wit. Ze bezitten heldere blauwe ogen en zijn voorzien van een snorbaard en blond-rosse haren. Hun hutten worden omwald door moten.

 

Er bestaat immers een panische angst voor overstromingen. Ze aanbidden Woden, de opper god die ze de god van het licht noemen. Maar er zijn andere goden: Thor, Niord, Frô, Tyr, Bragi, Heimdallr (de witte god), Balder, Widur, Vidar, Vali en andere. De Belgen geloven in de veelvermogende kracht van de Nekkers die zich in stromen, rivieren, beken en poelen ophouden. Het water en de onzichtbare geesten onder het wateroppervlak blijven tot de verbeelding spreken. In hun zoektocht naar de godheden vereren de oude Belgen de zon, de maan en het water.

 

Daarenboven hebben ze huisgoden die ze Runen noemen. Midden in het grote woud bevinden zich onder andere de Sterrebeek en de Hanebeek. Ze vloeien via de Steenbeek voorbij Merkem naar de vallei van de Ieperlee. Aan de andere kant van de heuvel stromen de beken rond de Reutel richting Leie. In het dichte kreupelhout krioelt het van de wilde zwijnen, herten, bruine beren, vossen, marters en eenden.

 

Het mooie liedje van de Oude Belgen is uitgezongen als de Romeinen met hun bevelhebber Caesar op gewelddadige manier de lage landen binnenvallen. De Morinen en Menapiërs leggen hun stammentwisten noodgedwongen bij en verenigen zich in hun strijd tegen de invallers. Samen brengen ze 32.000 man op de been waarvan zowat 1/5e Menapiërs.

 

Een kleine berekening leert ons dat er in die periode enkele tienduizenden Menapiërs leven in onze streek. Het lijkt er op dat de streek dunbevolkt is. Maar eigenlijk is de situatie vrij identiek met wat we op vandaag nog steeds kennen. In die tijd is er nog geen sprake van steden. Midden in de wouden leven er op zijn minst 25.000 Oude Belgen van de stam der Menapiërs. Een ontzaglijk aantal! De Oude Belgen van de moeraskant en van de heuvels zijn dappere krijgers.

 

De bosrijke omgeving met zijn ontelbare waterplassen en kreupelhout leent zich uitstekend voor een guerrillaoorlog tegen de sterk georganiseerde overmacht van getrainde Romeinse soldaten. Pas na enkele tientallen jaren leggen de inboorlingen zich neer bij de Romeinse overheersing. De Romeinen palmen onze gewesten in en vinden in de Westhoek het uitgestrekte 'Thigabusca'. Het reusachtige woud, de Rumetra, reikt van de Kemmelberg tot in Roeselare.

 

Het is allemaal onderdeel geworden van het immense Romeinse rijk. Vestigen de Romeinen zich in Zonnebeke? Natuurlijk! In de wijde omgeving van Ieper zijn er aanvankelijk pas vanaf het jaar 1000 fysieke sporen van enige Romeinse bewoning terug te vinden. Elverdinge, Zuidschote. De Romeinse aanwezigheid lijkt zich meer te concentreren nabij Kortrijk (Coretoriaco) en in de Zonnebeekse achtertuin Wervik (Viroviacum) die dank zij hun ligging aan de Leie belangrijke vestigingsplaatsen betekenen voor de Romeinen.

 

Ook in het vlakbij gelegen Dadizele wordt een Romeinse aarden pot uit de grond gehaald. Liefst zeven kilo weegt de schat. Muntstukken uit de derde eeuw van onder andere de Romeinse keizers Postumus en Gallienus.

 

Een eerste echt teken van Romeins leven in Zonnebeke wordt gevonden in de jaren 60 als de Zonnebekenaar Prudent Rosselle in zijn tuin langs de Forreststraat een Romeinse munt uit de derde eeuw opgraaft met daarop de afbeelding van de Romeinse keizer Timesetheus. Er duiken 'terra sigillata' op, scherven van Romeinse dakpannen in de nabijheid van de kerk. Ook op de plek waar de abdij zal worden gebouwd, duiken er sporen op.

 

Midden 2011 wordt bij de opruiming van een Duits soldatenkerkhof in Beselare een oude Gallo-Romeinse nederzetting uit de 2de eeuw ontdekt. Resten van waterkuilen, waterputten, silo's, ijzerslakken en grafkuilen worden er aangetroffen. Ook verderop in Moorslede bulkt het van Romeinse sporen. Er bestaat een verbindingsweg tussen Kortrijk en Cassel (Castello Menapiorum).

 

Die oude Romeinse heirbaan (een weg voor het leger) loopt via Wervik langs de zuidelijke kant van de Ieperse nederzetting tot in Abele en Poperinge (Pupurningahem), waar de weg zich splitst met enerzijds de richting naar Cassel en anderzijds richting kust via Elverdinge (Alifrithingas) en Klerken (Clariaco). De Romeinen maken van Cassel hun belangrijkste centrum. Ze leggen de heirbaan 'Via Belgica' aan tussen Cassel en het oostelijk gelegen Keulen. Het wegdek van de nieuwe wegen bestaat uit stenen en keien. Steenstraten.

 

De Romeinse legioenen kunnen er zich snel verplaatsen. Ook de handelaars kunnen er gebruik van maken om hun waren tot diep in het binnenland te brengen. De heirbaan loopt voorbij Bellewaerde, de Zandberg, de Reutel (nu de Oude Wervikstraat), Beselare, Ter Hand, Moorsele verder via Kortrijk en Tongeren naar Keulen. Oude vestigingsplekken waar, met het verstrijken van de eeuwen, de Nonnenbossen en het kasteel van Beselare zullen verschijnen, sluiten zich met dreven en wegels aan op deze steenstraete.

 

De noordzuid verbinding, een heirbaan tussen Viroviacum en Brugge dwarst de bossen van het Hooghe passeert langs de Reutel (nu de Oude Kortrijkstraat) en Broodseinde richting Ter Hand. Het is geen toeval dat de (op sommige plekken 15 meter brede) Oude Kortrijkstraat de grens vormt tussen Geluveld en Zonnebeke. Dicht bij het Neringbos ligt de Ha(l)nebeke. Haar bron ligt dicht bij het moerassige gebied van de Aendepoel (ook wel Annewedde poel genoemd). Tussen het Aendepoelmoeras en het Neringbos stroomt de Alne.

 

Hier hebben generaties landbouwgezinnen in primitieve omstandigheden aan landbouw en veeteelt gedaan. Op diezelfde grond en in de onmiddellijke nabijheid van de nieuw aangelegde heirbanen en hun kruispunten bouwen de Romeinen houten wachttorens. Er komen al snel afspanningen en woningen bij. Er ontstaat een nieuwe, grotere landbouwexploitatie, een boerderij, een villa. Schapen, varkens en pluimvee vinden hun thuis aan de Annewedde poel, de bron van de Hanebeek waar pas later het klooster van de Nonnebossen zal ontstaan.

 

Er komen trouwens nog enkele van die landbouwexploitaties (cultura): één in de onmiddellijke nabijheid van de Hanebeek. Ze duiken op her en der langs de verbindingsweg tussen I(l)per, ), de abdijmolen (de hoek van het latere Polygonebos vlakbij café De Dreve), Broodseinde, Dadi-s-elle en Moorsille (Moors-ilé- Moorslé). Precies op de plekken waar binnen afzienbare tijd de heerlijkheid van Rolleghem en het centrum van Zonnebeke zich zullen vormen.

 

De nieuwe jonge Belgen bieden zich allengs aan als soldaten bij het Romeinse leger. Ze kunnen er hun brood verdienen. Waarom dus niet? Het is een natuurlijk proces. De Romeinse soldaten en burgers gaan tijdens de eerste eeuwen na Christus verbroederen met de inheemse bevolking en gaan stilaan samen deel uitmaken van de lokale bevolkingskernen.

 

We nemen met zijn allen die vreemde Romeinse gebruiken over. Tussen 250 en 400 komt er een einde aan het Romeinse bestuur in onze regionen. Er breekt een periode aan van chaos en volksverhuizing. Het water komt tot aan de lippen bij de mensen. Dat kan best letterlijk opgenomen worden want het is in het jaar 270 dat de Noordzee ongenadig tientallen kilometers opschuift richting binnenland (de Duinkerke II-transgressie). De Morinen van de kuststreek zoeken hun redding in de hoger gelegen gebieden van Vlaanderen.

 

Ze trekken de streken in waar de Menapiërs wonen. De vroegere vijand! De stammentwisten en bruut geweld houden tientallen jaren aan. Het is een komen en gaan van allerlei roversbenden. Germaanse stammen, die de Romeinen 'de Franci' noemen, trekken België en Frankrijk binnen. Hele benden teisteren de streek van Zonnebeke in de jaren 256 en 287. De huizen worden vernield, het vee geslacht. De Rumetra bevestigt nog maar eens zijn reputatie van 'woud zonder genade'.

 

De scheidingslijn met de Morinen verlegt zich naar de denkbeeldige lijn van Zandvoorde-Geluveld-Broodseinde-Westrozebeke. Cassel, de oude hoofdstad van de Menapiërs wordt vervangen door Doornik. De ongenode 'bezoeken' van de Franken gebeuren stilaan systematisch. Niet langer roversbenden. Er is sprake van een algemene volksverhuizing van de Germanen richting westkust. De Franken breiden hun grondgebied naar hartenlust uit en lappen hun laars aan de lokale volkeren.

 

De Romeinen laten stilaan het bestuur over aan de Franken en verlaten het land. Een eerste tijdperk van grootheid en imperialisme is definitief voorbij. Aanvankelijk is er nog sprake van veel verschillende Frankische stammen maar vanaf de 5de eeuw verenigen de Franken zich onder één Merovingische noemer met Clovis als grote heerser.

 

De naam Merovingers komt trouwens van Meroveus, de grootvader van Clovis. In 496 laat Clovis zich bekeren tot het christendom. De Frankische heersers zijn nu overtuigd christen en stimuleren een ketting van missieactiviteiten om de inheemse bevolking te doen afzien van hun heidense geloof en zich te bekeren tot de leer van Christus. Predikmannen zoals Willibrordus en Bonifatius worden niet altijd met open armen ontvangen. Chrysolius zal dat wel hebben ondervonden. In 484 bekoopt hij zijn predikinspanningen te Komen met de dood. St. Elooi en St. Amand krijgen het niet altijd gemakkelijk maar hoe dan ook geraken de oude gewoonten in onbruik. De bevolking kan trouwens weinig anders dan gehoorzamen.

 

Sinds de bekering van Clovis zijn kerk en staat één pot nat geworden. De eenvoudige mensen worden overdonderd met de vrees voor God en de dreiging van de hel. Je zal voor minder door de knieën gaan. De nederzettingen in die tijd zijn doorgaans klein en zo goed als zelfbedruipend. Dat is ongetwijfeld ook zo op de Zonnebeekse heuvels middenin de Rumetra. Maar stilaan moeten de bewoners zich schikken naar nieuwe wetten en regels die vanuit de buitenwereld worden opgelegd. Meer en meer bossen moeten trouwens wijken voor de schapen- en veeteelt.

 

De Franken zijn als overwinnaar uit de bus gekomen en palmen ons land in. Het is een volk van vrije boeren en eigenaars. Bij de verovering van Vlaanderen krijgt elk gezin een perceel grond die ze met hun horigen kunnen bebouwen. De bestaande 'cultura' ter hoogte van het latere centrum komen in Frankische handen. De percelen land worden voortaan omschreven als kouters

 

De woning van de nieuwe eigenaars wordt omsloten door een aarden wal. Er komt plaats voor stallingen, een bakoven, een graanschuur en er is plaats voor het vee. De woning, stallen en landerijen van de nieuwe heer worden omschreven als 'myn heeres heerlykheyd'. Vooral de grond van de heerlijkheid ter hoogte van de Hanebeek (het latere centrum) is uiterst vruchtbaar. In die tijd is er trouwens nog altijd geen sprake van de naam Hanebeek, maar van de Alne of de Olne een naam die al duizenden jaren van vader op zoon is doorgegeven.

 

Het valt niet te verwonderen dat het huis van de heer aan de Alne de beste papieren heeft om belangrijk te worden. De eigenaars van het 'Alneheim', het huis aan de Alne, worden machtige boeren. Binnen enkele honderden jaren zal op perkament blijken dat Alneheim pal in het centrum ligt van hun uitgestrekt domein tussen Ieper en Ledegem. Het geslacht Alnehem, Olnehem, (R)olnehem, Rolleghem zal binnen 500 jaar verantwoordelijk worden voor het ontstaan van de abdij van de Nonnenbossen.

 

Het is een redelijke veronderstelling die niet kan worden ondersteund door geschriften omdat die eenvoudigweg niet bestaan in die tijd. Maar zo ver is het allemaal nog niet gekomen. Er moet nog heel wat water door de Alne stromen. We keren terug naar de Zonnebeekse beginjaren bij de Franken. Het heidendom moet eruit!

 

Op de plekken waar de mensen tientallen generaties lang de gunsten van hun afgoden afsmeekten, komt nu een christenkapel. Niet langer een boom of een heidens symbool. Hier wordt nu een bescheiden houten kapelletje gebouwd. Waarschijnlijk in de onmiddellijke nabijheid, ietwat ten oosten van de kerk zoals we die nu kennen. Op een boogscheut van ''s Heeren Huyse'.

 

De kapel wordt het nieuwe middelpunt waar de mensen samen komen. Bij de kapel wordt nu een officiële parochie gesticht. Een priester komt er misdiensten houden. De doden worden niet langer gecremeerd. Ze worden begraven. Geleidelijk verschijnen er bij de eerste houten kapellen ook begraafplaatsen waar de doden zonder grafgiften worden bijgezet. De bidplaatsen worden opgedragen aan de populaire heiligen van die tijd.

 

Een beetje zoals bij de hitparade. Martinus van Tours overleden in 397, en onder de naam van Sint-Maarten heilig verklaard in de 5de eeuw wordt de nieuwe patroonheilige van de parochie Beselare. Je mag er zeker van zijn dat de eerste kapel in Beselare nog voor het jaar 500 gebouwd wordt. Net zoals trouwens deze in Ieper. Veel namen van parochiekerken verwijzen naar heiligen uit het begin van onze tijdsrekening. De namen van de apostelen en evangelisten.

 

Later komen daar de nieuwe heiligen bij. In Passendale vinden we Sint-Audomarus (de eerste bisschop van Terwaan tussen 639 en 667) terug die de Westhoek kerstende in de 7de eeuw wat dus eigenlijk laat vermoeden dat de heidense landbouwnederzetting Passendale rond 700 omgevormd wordt tot een parochie gestoeld op de christelijke leer. De eerste kapel van de parochie Zonnebeke? Sint-Maarten is vanaf de jaren 400 bijzonder populair bij de Frankische adel. Het wijst er op dat de parochies van Ieper, Beselare en Moorslede wel eens rond die periode kunnen gesticht zijn. De macht van het nabijgelegen Terwaan is vreselijk groot.

 

Er komt trouwens een geografische indeling van de nieuwe kerkelijke gebieden. Bisdommen. De beboste heuvelrug die vroeger de grens vormde tussen Morinen en de Menapiërs vormt nu de grens tussen het bisdom Terwaan en het bisdom Doornik. Zonnebeke valt in het bisdom van Terwaan. De parochies Beselare, Geluveld, Passendale, Zandvoorde en Hollebeke ressorteren onder het bisdom Doornik.

 

Op de grens tussen de bisdommen worden hoge houten kruisen geplaatst die met de tijd hun naam zullen geven aan bosnamen zoals het 'Groot Cruycebosch' en 'Cruycebierckenbosch' nabij de Kruisbierboomstraat. Via de hele hoogte vinden we ook nog de oude weg die via de Oude Kortrijkstraat, de Spilstraat en de Morul verder loopt via de uithoek 'Bolrots hende' (daar heb je weer die olrot) en de Schipstraat naar 's Graventafel.

 

Het Frankische Rijk is nog altijd in volle expansie als Karel de Grote op het einde van de jaren 700 het roer over neemt. De nieuwe Karolingische heerser introduceert de feodaliteit over heel Europa. Het is een nieuw politiek systeem waarbij de koning bijstand krijgt van een netwerk van vazallen. De laagste vazallen zijn de lokale graven die het plaatselijk bestuur uitoefenen. De plaatselijke bestuurders zullen de volgende eeuwen het mooie liedje uitmaken over de leengoederen van hun vorst.

 

Karel de Grote organiseert in het jaar 802 een algemene rijksvergadering en kondigt een algemene wetgeving af die van tel wordt binnen de grenzen van zijn rijk. Enkele jaren kiezen de Ieperlingen hierdoor hun eerste wethouders; Goudebaut, Haribert en Waltryk. Zij zullen het recht en de wetgeving moeten doen laten naleven en respecteren.

 

In 862 behoort Ieper al tot de belangrijkste bevolkingskernen van Vlaanderen. Vlaanderen wordt ingedeeld in gouwen die men in die tijd pagi noemt. Zonnebeke bevindt zich ietwat geprangd tussen de pagus Iseretius, de pagus Mempiscus en de pagus Cortracensis. Toch behoort het tot de invloedsfeer van de pagus Iseretius en het nabijgelegen Ieper. Grote delen van Vlaanderen zijn woest en armzalig. Een afwisseling van bossen en moerassen.

 

Eindeloze stukken heide bedekt met kreupelhout. De meeste mensen zijn onvrij. Ze bewerken het land voor de eigenaar van de grond die vazal is van de koning. Jaar-in-jaar-uit ploegen, zaaien en oogsten. Zo leven ze: de zoon na de vader: op dezelfde grond. Ze worden niet echt mishandeld maar het leven is hopeloos en vreugdeloos.

 

De Noordzee, de Ieperlee en de Leie vormen stilaan het toneel van een bloeiende handel. Aardewerk, glas, metaal, textiel. De haast onbeperkte aanwezigheid van water zorgt voor een stijgende welvaart. Maar die uitstraling van stijgende luxe werkt als een magneet op de ruwe volkeren die in Noord-Europa een onherbergzaam en armtierig leven leiden. De noorderse Vikingen kampen met overbevolking en voedseltekorten.

 

Een overschot aan jonge mannen zorgt er voor dat die vanaf de 9de eeuw op zoek gaan naar betere oorden. Het valt sterk te betwijfelen of het jaar 820 een goed jaar is voor onze contreien. De regen is maandenlang met bakken uit de lucht gevallen. Beken en rivieren treden uit hun oevers. Het land is totaal onbruikbaar om er voedsel op te telen. Het vee en de mensen zijn ziek. En dan volgt er nog die eerste inval van de Noren.

 

Dertien Noorse schepen meren aan in de pagus Iseretius. Er wordt wat vee gestolen en enkele huizen in brand gestoken. Maar het is pas een begin. De eerste van een trieste reeks invallen. Via de Ijzer vinden de Vikingen gemakkelijke prooien. Een periode van plunderingen en onvoorstelbare gewelddaden breekt aan. De Romeinse stenen straten die ooit welvaart brachten, bieden de Vikingen nu een ideaal traject om hun 'hit and run' aanvallen uit te voeren in de Zonnebeekse heuvels en op andere plaatsen in de provincie.

 

De houten kerken worden in brand gestoken. Bidden helpt niet. In de Zonnebeekse bossen worden de met houten vlechtwerk omringde boerderijtjes samen met hun stallen eenvoudigweg in brand gestoken. Niets kan de drieste Noormannen tegenhouden. Aanvankelijk is er slechts sprake van benden zeerovers maar in 879 verschijnt een machtig leger van 300 schepen en 10.000 krijgers. Dat Noormannenleger gaat nu systematisch plunderen in heel Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Het wordt een echte invasie van barbaren.

 

Terwaan wordt in de as gelegd. De streek ten westen van de Leie tot aan Gent wordt leeggeplunderd en verwoest. Het is een verschrikkelijke tijd. Ieder die kan vluchten doet het: armen, rijken, vrijen, lijfeigenen of geestelijken slaan noodgedwongen op de vlucht. De invallers overwinteren in Gent van waaruit ze de valleien van de Schelde en de Leie beheersen. Na de winter verleggen duizenden Noormannen hun kamp naar Kortrijk. Een imposant leger gevaarlijk dichtbij! Er komen raids op Wervik, Komen, Waasten, Ieper. Het jaar 880 is er één om snel te vergeten. Niets lijkt te weerstaan aan de dolle woede van de Noormannen.

 

Vlaanderen blijkt onverdedigbaar en de Franse opperleenheer, koning Karloman, besluit om de verdedigingslinie en de noordelijke grens van zijn rijk achteruit te trekken tot aan de heuvels van Artois. Abt-graaf Rudolf van Ternois krijgt de opdracht om er militaire bolwerken op te trekken. De eerste stenen burchten worden gebouwd aan de Schelde en in de heuvels. De maatregelen helpen enigszins.

 

Het wordt in elk geval moeilijker voor de Noormannen om door te stoten in het Franse binnenland. Alles wat zich ten noorden van de verdedigingsgordel bevindt is echter het kind van de rekening. Het aan zijn lot overgelaten Vlaanderen krijgt tot aan het einde van 883 de volle laag. De abt van de Sint-Vaast abdij noteert het: 'in alle straten ziet men lijken, zowel van geestelijken als van leken, edelen en gewone mensen, vrouwen, kinderen en zuigelingen. Er is geen weg of plaats te vinden waar geen doden liggen'.

 

De in de Brugse bossen verscholen graaf Boudewijn kan na het vertrek van de Noormannen niets anders vaststellen dan dat onze streek totaal geruïneerd is. De akkers liggen er braak bij nadat ze vier jaar lang niet konden bebouwd worden. De veestapel is verdwenen. Het merendeel van de inwoners is weggevlucht en het zal nog jaren duren vooraleer de mensen durven terugkeren. Want wie garandeert er hen dat de aanvallen niet zullen herbeginnen?

 

De hele regio is failliet. De Franse koning heeft ons wel erg lelijk aan ons lot overgelaten! De Fransen lijken Vlaanderen op te geven en schenken de in de Franse heuvels gelegen abdijen van Sint-Bertijn en Sint-Vedast aan abt Rudolf. Door de uitgebreide landgoederen die ervan afhangen, en de rijke inkomsten die ermee gepaard gaan, is het bezit van deze abdijen ruimschoots dat van een graafschap waard! Het is al bij al een merkwaardig geschenk.

 

Het komt er op neer dat de Franse koning Karloman in het noorden van zijn rijk een marke opricht, en het bevel aan abt Rudolf toevertrouwt. Voor dotatie heeft deze laatste minstens de Sint-Bertijns en Sint-Vedast abdijen gekregen. Het leeggeplunderde en doodgemartelde Vlaanderen ligt voor het grijpen.

 

De jonge Boudewijn II, de kleinzoon van Karloman, legt de hand op de gouwen Vlaanderen, Aardenburg, Gent, Waas, Mempiscus en Kortrijk. Hij sticht het vorstendom Vlaanderen. Karloman laat betijen. De geteisterde bossen en velden van Zonnebeke liggen voortaan in het vorstendom Vlaanderen. Daarmee is natuurlijk de dreiging van de Noormannen niet verdwenen. Het bouwen van imposante stenen vestingen blijkt de enige remedie om zich te beschermen. Vanaf 884 gaat de bevolking overal cirkelvormige burchten bouwen waar de plattelandsbevolking samen met het vee kan vluchten als er gevaar dreigt.

 

Op een tiental kilometer ligt de villa Ieper. Eigendom van de graaf. In 902 wordt de villa herbouwd en versterkt. Hier kunnen de inwoners van Zonnebeke naar toe als er gevaar dreigt. De lokale graven gaan trouwens ook hun eigen verblijven versterken. Stenen gebouwen omringd door slotgrachten moeten brandstichting voorkomen. De versterkingen worden opgetrokken op beboste hellingen in de nabijheid van beken en waterlopen. Het feodale tijdperk is nu pas echt begonnen. De gewone mensen krijgen bescherming van hun burchtheer. In ruil daarvoor worden ze zijn lijfeigenen.

 

In Zonnebeke is de belangrijkste heerlijkheid die van de adellijke familie van Rolleghem. Hun heerlijkheid bevindt zich pal in het centrum van een domein dat zich uitstrekt tot aan het 'Lichterveld', de voet van Ieper, Sint-Jan en Zillebeke waar zich op vandaag de danszaal 'Canada' bevindt. De heer woont in zijn motekasteel. Van hieruit heeft hij totale rechts- en bestuursmacht over zijn grondgebied. De mote heeft een doormeter van ongeveer 100 meter en wordt omringd door een berm van opgehoogde aarde.

 

De gracht er rond is diep en breed genoeg zodat er geen mensen of dieren kunnen over springen en dank zij zijn aansluiting met de Alnebeek gevuld met water. De scheiding tussen de berm en de gracht is versterkt met houten palen die vernuftig aan elkaar gemonteerd worden. Binnen de berm en de houten palissade zien we een opperhof en een neerhof. En waarschijnlijk ook een stenen gebouw met dito verdedigingstoren. Het motekasteel van de rijke van Rolleghem-clan wordt ook het Vroonhof genoemd.

 

Het is feitelijk een versterkte hoeve met stallen, schuren en een verblijfplaats voor de ondergeschikte lijfeigenen. Het is het centrum van waaruit die lijfeigenen hun orders krijgen om het land van de heer te bewerken. Het strategisch gelegen Zonnebeekse vroonhof ligt precies op het kruispunt van de Alnebeek die de slotgracht dus van water voorziet en de weg tussen Iperen en Roslar. Ter hoogte van het motekasteel vertrekt er een weg naar de versterkte burcht van Thicasmuda waar de familie de Bevere de plak zwaait.

 

Met verloop van tijd zal er ook langs die weg een kapel gebouwd worden: de 'Capelle ter Poel'. De landerijen van de familie van Rolleghem strekken zich trouwens uit tot Langemark, de nieuwe kapel wordt dan ook opgetrokken op eigen grondgebied. Bij het afsterven van abt-graaf Rudolf eigent Boudewijn II zich al dan niet terecht de bezittingen van zijn overleden neef toe. Sint-Vaast en Sint-Bertinus komen in grafelijke handen. En ook het strategisch belangrijke Terwaan dat eeuwen lang de scepter zal zwaaien over de Westhoek belandt bij zijn invloedssfeer.

 

Later zullen de Vlaamse graven de abdijen weer afstaan. Maar abten en graven verdelen voortaan samen de macht. Ze zorgen er voor dat de lokale boeren bossen rooien en veranderen in akkerland. De opbrengsten worden gedeeld. En ondertussen moeten de mensen dansen naar de pijpen van de christelijke leer. Midden in de bossen worden nieuwe wegen aangelegd tussen de bestaande bevolkingskernen die nu bestendig uitgebreid worden. Niet alleen in de regio van Zonnebeke, maar over de hele Westhoek zijn er veel handen nodig om het vele ontginningswerk uit te voeren.

 

Het zeewater langs de Vlaamse kuststreken heeft zich terug getrokken. Waar ooit water stond, grazen nu Friese schapen die zorgen voor wol en werk in het 'boomende' Ieper. Vlaanderen wordt ingedeeld in kasselrijen, gebieden die zich concentreren rond de steden. Zonnebeke behoort tot de kasselrij Ieper. De abten organiseren de plattelandskernen in parochies die ze aanvankelijk 'kerspelen' noemen. In de kasselrij Ieper bevinden zich meer dan 30 van die kerspelen.

 

Terwijl de welvaart in de steden piekt en veel vrije mensen zich vestigen in het nabijgelegen Ieper, blijven de lijfeigenen in de kerspelen arm en verweesd achter. Het rooien van de bossen wordt bepaald door de graaf en de abt. De bossen van Zonnebeke zitten vol wild en zijn aanvankelijk voorbehouden voor de hobby van de graaf. Jagen! Van Poperinge tot in Roeselare is de bosontginning al volop aan de gang. Zonnebeke blijft lang een uitzondering.

 

Pas vanaf 1050 wordt er ook systematisch werk gemaakt van het rooien van bomen in de Zonnebeekse 'foreesten'. Waardevolle landbouwgrond komt mondjesmaat aan de oppervlakte. Tegen het jaar 1100 zijn de bossen al flink uitgedund en vervangen door vruchtbare landbouwgronden die meestal in handen zijn gevallen van de bestaande landheren.

 

Vlaanderen is veranderd. Na een eeuw vol chaos en het ontbreken van een centraal gezag die naam waardig hebben de lokale heren niet geaarzeld om zichzelf heerlijke rechten toe te kennen. De ene spreekt recht, de andere heft belastingen op de ingezetenen van zijn domein en nog anderen verplichten hun onderdanen om voor hen ten strijde te trekken. Elk gedraagt zich alsof hij de graaf van zijn rijk is.

 

Zo gaat het natuurlijk ook met de heer van Rolleghem. En waar blijft ondertussen het grafelijk gezag van Boudewijn IV die maar al te graag de zeggenschap zou willen veroveren over een homogeen rijk? Maar hoe kan hij daarin slagen? De oplossing komt aangewaaid vanuit het buitenland. Een aantal hooggeplaatste edelen en de clerus willen dat er meer rechten moeten komen voor de burgers en willen dat vrouwen en kinderen niet langer willoze slachtoffers kunnen worden van moord en oorlog. Het principe van de 'godsvrede'.

 

Maar welke sancties kunnen er worden toegepast als die godsvrede niet wordt nageleefd? De bevolking is nu wel systematisch gebrainwasht rond het christusgeloof. Ook in de bossen van Zonnebeke. Maar de geestelijke straffen blijken toch nog onvoldoende om orde en reglement te stabiliseren onder de mensen. Een wereldlijke controle op het naleven van de godsvrede blijkt een gat in de markt voor graaf Boudewijn. Een geschenk uit de hemel.

 

Door het uitvaardigen van de godsvrede in Vlaanderen in het jaar 1030 kan de graaf zijn machtspositie over Vlaanderen herstellen. De vazallen of inwoners die de godsvrede overtreden, maken zich nu meteen ook schuldig aan opstand tegen de graaf. De macht van de lokale adel kan eindelijk aan banden gelegd worden. Ook de vele monniken in de abdijen moeten zich schikken naar nieuwe regels van eenvoud en gebed. Er kan geen sprake meer zijn van sodomie en losbandig leven. De hogere kerkelijke overheid legt discipline op.

 

Ook hier wordt het gezag van de graaf hersteld. De clerus en de graaf beseffen dat een hechte samenwerking tussen beiden een perfect alibi biedt om samen de lakens uit te delen in Vlaanderen. Om orde te scheppen doet Boudewijn V in 1063 beroep op bisschop Drogo van Terwaan. Samen kondigen zij de Pax Flandrica af.

 

Het wordt nu verboden om nog oorlog te voeren of vetes uit te vechten vanaf de woensdagavond tot de maandagmorgen. De komst van een abdij in Zonnebeke is het rechtstreeks gevolg van die nieuwe godsvredepolitiek van de graven. Zonnebeke is geen alleenstaand geval: In 1041 wordt het kapittel van Harelbeke gesticht door het gravenpaar en vooral onder druk van gravin Adela die eveneens de abdij van Mesen sticht waar ze na de dood van haar man zal verblijven en er zal sterven. In 1050 wordt Sint-Pieters van Lo opgericht door ene priester Thomas.

 

De OLV-abdij van Voormezele wordt gesticht door een zekere Isaac van Voormezele. Rijke grootgrondbezitters zijn zo slim om te beseffen dat een hechte samenwerking met graaf en bisschop hen geen windeieren legt. En dan die belofte van het eeuwig leven? Het afstaan van gronden en tienden aan nieuw op te richten abdijen wordt schering en inslag in Vlaanderen. Eén van de grootgrondbezitters die al eeuwen de macht hebben in de streek is de familie van Rolleghem (Rolinghem, Rolenchem). Anno 2012 kennen we Rollegem-Kapelle. Dit is de plek in Ledegem waar die familie trouwens een hele tijd later na die eerste abdij in Zonnebeke (1213) een kapel laat oprichten.

 

De van Rolleghems hebben zowat overal gronden en lenen. Zonnebeke bevindt zich in het hart van hun territorium. Ze bezitten zowat overal macht en invloed. In Ieper bezitten ze het hele noordelijke buitengebied van Ieper. Het 'Rollegemse' is een belangrijk leen dat grenst tot aan de oude stadsgrachten van de stad. De plek waar zich anno 2012 de Surmontstraat, de Henri Cartonstraat en de Diksmuidestraat bevinden, is in die tijd eigendom van de familie van Rolleghem. Wie in en uit de stad moet, wordt verplicht om tolgelden te betalen aan 'Sint-Princens Rolleghem'. 'Up de Hanguarchgracht, ol so men gaet ten Rolleweghe'.

 

In Passendale, Beselare en Ledegem hebben ze belangrijke leengoederen. In Zonnebeke bezitten ze de beste landbouwgronden. Sint-Jan, de bossen van Zonnebeke tot aan de voet van Ieper zijn hun eigendom. Gebieden in Ledegem, Reningelst, de Klytte. Gronden ter hoogte van Ardres bij St.-Omer. Hun bloedband met de steenrijke familie Halewin zal trouwens de naam geven aan Halluin bij Menen. Het Rolleghemse, in het noorden, vóór de Diksmuidepoort gelegen, bestaat uit het 'Princen-Rolleghem', dat ten oosten van den Diksmuideweg aan de Goudinegracht ligt en het eigenlijke Rolleghemse, ten westen van de zelfde weg aan de Sceuvelgracht.

 

Door het aanleggen van de versterking van 1214 zullen Princen-Rolleghem en het Rolleghemse deels door de stad ingelijfd worden. Het stadsgedeelte van dit laatste leen heet sindsdien Stede-Rolleghem en beslaat ruim 4 hectare terwijl het overige stuk grond met een oppervlakte van 7,92 hectare 'St Jans-Rolleghem' genoemd wordt, omdat het tot St. Jans parochie behoort.

 

Het heerschip van Rolleghem is trouwens op dit moment baas over het machtig geworden Ieper. Diederik (Theobald) van Ieper is benoemd als baljuw voor het leven. Hij is getrouwd met Ramburga. In 1070 wordt hij uit de weg geruimd op bevel van gravin Richilde van Henegouwen. Alles heeft te maken met de machtsoverdracht aan de nieuwe graaf Robrecht de Fries. Zijn weduwe Ramburga hertrouwt met (de Brugse) ridder Fulpold de Loppinis. Het kerkelijk landschap bevindt zich in die jaren in een diepe crisis.

 

De misbruiken die zich vanaf de 9de eeuw op zowat alle niveaus van de kerk van het bisdom van Terwaan voordoen, zijn talrijk. Een echte plaag is het. De paus wil paal en perk stellen aan die misbruiken en beveelt aan de bisschop van Terwaan om de boel te herstructureren. De invloed van de leken in de kapittels, parochies en kloosters wordt grondig teruggeschroefd. Een team van geestelijken onder leiding van Lambertus, de abt van Sint-Bertijns, zal zich de komende decennia concentreren op de stichting van nieuwe of de regularisatie van bestaande kapittels.

 

De nieuwe stichtingsbeweging krijgt volop de steun van de graaf en zijn voornaamste vazallen. De herstructurering laat zich asap gevoelen met de stichting van het Ieperse kapittel. De familie van Rolleghem springt op de kar van Terwaan. Is een kapittel in hun eigen streek - midden in de bossen van Zonnebeke - niet ideaal om structuur en controle te brengen in hun eigen heerlijkheden en domeinen?

 

Is een eigen kapittel niet de gedroomde plaats om hun kinderen te laten genieten van een gepast inkomen? De opbrengsten (prebenden) verbonden aan een kanunnikplaats zijn uitermate attractief. En dat ze daarbovenop nog een officieel karakter hebben dank zij kerk en staat is al helemaal meegenomen! En de verzekering van het eeuwige zielenheil is natuurlijk een toemaatje van belang.

 

Eerst en vooral is er een officiële structuur nodig. Een kapittel. Er wordt in 1072 een deal gesloten met bisschop Drogo van Terwaan. De afspraak wordt schriftelijk bevestigd in een oorkonde gericht aan Fulpold de Loppinis, burggraaf van Ieper. Voor het eerst wordt er effectief neergeschreven dat de parochie Sinnebecche met zijn eigen kerk en priester het recht krijgt om een kapittel op te richten. We spreken over het jaar 1072.

 

In dat zelfde jaar is er volgens de kronieken sprake van aardbevingen, stormwinden, overstromingen en een grote sterfte onder de vissen. Ramburga heeft uit haar huwelijk met de vermoorde Theobald twee zonen: Theobald en Fromold. De opvolging van het geslacht van Rolleghem verloopt verder via Theobald die vijf zonen nalaat: Fromold, Wulfric, Adam van Passendale, Lambert en Theobald. Het kan geen toeval zijn dat de zonen en kleinzonen de grootste weldoeners zijn om binnen de grenzen van hun kapittel een klooster te stichten. Ze kunnen er alleen maar bij winnen.

 

De nieuw op te richten abdij zal gefinancierd worden dank zij de tienden van de heerlijkheden Beselare en Zonnebeke die overgedragen worden aan het nieuwe kapittel. De proost wordt een machtige grootgrondbezitter met veel pachtboerderijen, uitgestrekte bossen en een massa landerijen in eigendom. Het nieuwe klooster zelf wordt geïnstalleerd in de onmiddellijke omgeving van de voornaamste heerlijkheid, het huis van de heer van Rolleghem.

 

Er worden 24 gemeten grond (meer dan 10 hectare) vrijgemaakt in het oostelijke uiteinde van het Rumetra woud, vlak bij de open plek, en niet zo ver van het bestaande privékerkje van de Rolleghems van Zonnebeke dat nu de titel krijgt van officiële kapittelkerk. Drie kanunniken onder leiding van de proost betrekken het nieuwe klooster. De proost is trouwens niemand minder dan Fromold van Rolleghem, de broer van de kasteelheer. Er kan nu dag en nacht gebeden worden voor de zielzaligheid van de eigen gegoede familie.

 

Proost Fromold houdt er een vriendschappelijke relatie op na met Karel De Goede, de graaf van Vlaanderen, die resideert in Brugge. De invloed van de toonaangevende familie van Rolleghem is duidelijk merkbaar op het beleid. De overdracht van die tienden aan het pas opgerichte kapittel is dan ook wel echt relevant te noemen. Het bezit van tienden staat voor geld. Macht. Het zijn de opbrengsten van de offerande en een belasting op de parochianen van 10% van hun oogst en inkomen.

 

De totale opbrengst (altare) wordt verdeeld in 3 delen: een derde voor het levensonderhoud van de pastoor, een derde voor het onderhoud van de kerk en de rest is bedoeld als steun voor de armen. De twee derden voor de kerk en de priester worden het 'bodium' genoemd. De mensen worden verplicht om hun tienden te betalen aan de kerk die gelegen is binnen de perfect afgebakende grenzen van de parochie.

 

Ook de begrafeniskosten zijn erg belangrijke inkomsten voor de proost. Om in de hemel te raken moet er eerst afgedokt worden. De van Rolleghems spelen trouwens dezelfde truc op hun uitgebreide grondgebieden van Ardres, in de buurt van St.-Omer, waar ze in dezelfde periode eveneens een bescheiden kapittel oprichten langs de oude Romeinse heirbaan tussen Boulogne en Cassel. In de heuvelachtige bossen langs de rivier de Hem.

 

In diezelfde periode gunt diezelfde bisschop Drogo van Terwaan de oprichting van het kapittel en abdij van Voormezele. Isaac, de heer van Voormezele, heeft ook een succesvolle lobbywerking uitgevoerd. Het is trouwens wel merkwaardig dat bisschop Drogo gelijkaardige oorkonden geeft aan Ardres, Voormezele en Zonnebeke.

 

Het gloednieuwe kapittel van Zonnebeke begint aan een steile opmars. Alles verloopt ongetwijfeld zoals gepland bij de stichting. Eén van de zonen van Theobald is priester. Lambertus (Lambrecht) wordt in 1087 aangesteld als kanunnik van het bisdom Noyon-Doornik die de lakens uitdeelt in de parochies Geluveld, Passendale, Zandvoorde en Hollebeke.

Ondertussen wisselen zijn broers Fromold en Wulfric elkaar af als burggraven in het machtige Ieper. Ook hier wint het Sint-Maartenskapittel voortdurend aan macht en invloed. In datzelfde jaar schenkt de bisschop van Lambertus het altare van Beselare aan het kapittel van Zonnebeke. In 1093 volgen de schenkingen van het altare van Roeselare en de heerlijkheid van Oostnieuwkerke.

 

Het lijkt duidelijk dat Lambertus van Rolleghem bij al deze transacties nogal wat in de pap te brokken heeft. Anno 1096 promoveert kanunnik Lambertus tot aartsdiaken van het bisdom Doornik. Vanaf 1110 bevestigt paus Paschalis Lambertus eveneens tot proost van het kapittel van zijn thuisbasis van Zonnebeke. Hij wordt er met andere woorden baas en grootgrondbezitter over de uitgestrekte gebieden die hij zich zelf liet schenken.

 

In 1113 wordt het nog gortiger als hij het schopt tot bisschop van het bisdom Doornik. Amper één jaar later bevestigt hij de schenking van het altare Passendale aan het kapittel van Zonnebeke. Broer Adam is niet enkel de bezitter van de Passendaalse gronden. Hij zwaait ook de scepter over gronden in Roeselare en Ieper. Ook die worden versast naar de moederholding; 'het kapittel van Zonnebeke'. De transacties en de eigendommen van de holding worden ten persoonlijken titel bevestigd door niemand minder van graaf van Vlaanderen Boudewijn.

 

Het is duidelijk dat éénzelfde familie al eeuwenlang de plak zwaait en zal blijven zwaaien over de hele regio tussen Ieper en Roeselare. Met de komst van het kapittel is er echter één zaak veranderd: de eigendommen zijn ditmaal officieel bevestigd door kerk en staat. De taksen en tienden op alle opbrengsten in de regio worden nu officieel naar de familie van Rolleghem gekanaliseerd. Onder het voorwendsel van het christelijk geloof en onder druk van de eeuwige verdoemenis in de hel.

 

De heerlijkheid (en het kapittel) van Zonnebeke beschikt voortaan over een eigen rechtspraak en strekt zich uit over de 'prochien van Sonnebeke, Becelaere, Langhemarcq, Zillebeke, Leinceele, Passchendaele, Nieukercke, Ghelevelt, Hooghelede, Gheyts en daerontrent mitsghaeders in Nederwaestene'.

 

De stichting van het kapittel in 1072 en de bouw van een klooster in de bossen van Zonnebeke worden gevolgd door de stichting van een vrouwenklooster dat gebouwd zal worden in het zuidwestelijke uiteinde van de Rumetra. In 1112 wordt de opstart van 'een eiland van eenzaamheid' bekend gemaakt; 'Ego Joannes D.G. Morinorum epsicopus, notum esse volo quod ecclesiolam illam in solitudine nemoris quod Rumetra vocabatur, etc…' De abdij van de Nonnenbossen, 'Beata Maria de Buscho', is geboren.

 

De stichting van vrouwenabdijen is een vrij recent fenomeen in het Vlaamse landschap. De vrouwenkloosters schieten in het begin van de 12de eeuw als paddenstoelen uit de grond. De broers van Rolleghem hebben ongetwijfeld één of meerdere zussen. De geschiedenis brengt hierover geen uitsluitsel. Maar het is zeer plausibel dat de stichting van het klooster van de Nonnenbossen rechtstreeks verband houdt met de aanwezigheid van adellijke dames ten huize van het geslacht Rolleghem.

 

De inspiratie is niet ver te zoeken. In de achtertuin van Zonnebeke, ten oosten van het eigen grondgebied Zandvoorde is er in de heerlijkheid van Mesen die zowat de hele zuidkant van Ieper in eigendom heeft (Mesen, Wijtschate, Voormezele, Zillebeke, Kemmel, ..) als sinds 1050 een Benedictinessenklooster gesticht door Adela, de echtgenote van Boudewijn, de graaf van Vlaanderen. Het vrouwenklooster is een exclusieve bedoening waar enkel plaats is voor adellijke dames. De hoogste adel van de streek - met inbegrip van de graaf en gravin - zorgen voor voldoende sponsoring. Adela staat er zelf aan het hoofd en regeert er als een prinses over de club.

 

Vanaf 1079 krijgt ze trouwens de volledige rechtspraak en burgerlijke bevoegdheid over de imposante heerlijkheid van Mesen. De weelderige bossen tussen het Hooghe en de heerlijkheid van Zonnebeke strekken zich uit als een doolhof van tientallen vierkante kilometer. Er wordt beslist om het nieuwe en exclusieve vrouwenklooster mét kerk te bouwen middenin het woud. Ter hoogte van de plek die de mensen nu 'De Westhoek' noemen. Goed bereikbaar vanuit Ieper via de Beaurewartstraete (de Bellewaerdestraat) en de Zandberg.

 

Niet ver van de Oude Borneweg (nu de Waterstraat), de Frezenbergstraat en parallel met de Oude-Kortrijkstraat. 'Er gaan nonnen wonen in onze bossen'!! De mensen spreken al snel over de 'Nonnenbossen'. Officiële middeleeuwse documenten omschrijven de cella als 'de Onze-Lieve-Vrouwe-abdij van Nonnenbossche'. In 1113 worden kerk en klooster plechtig ingewijd. Het schoon volk is er massaal aanwezig.

 

Niemand minder dan Jan van Waasten, de bisschop van Terwaan leidt de openingsceremonie. De hele 'état-major' is natuurlijk ook van de partij. Lambertus, de Zonnebekenaar en aartsdiaken van het bisdom Doornik en zijn broer Fromold, de burggraaf van Ieper, zitten op de eerste rij. Net zoals de proosten van de kapittels van Voormezele en Ieper (Abbold en Gerardus). De eerste kerk van 1112 zal trouwens in 1197 vervangen worden door een groter exemplaar. Beata Maria de Buscho krijgt van bij de start de heerlijkheid Zonnebeke in haar bezit. Er is sprake van een onvoorwaardelijke overdracht van het kapittel naar het adellijke vrouwenklooster.

 

Het kapittel van Zonnebeke met het mannen- en vrouwenklooster wordt één machtig concern. Het Nonnenbossenklooster gaat van start met zowat 50% van alle Zonnebeekse gronden in portefeuille. Technisch gezien kan het nieuwe vrouwenklooster opgevat worden als een priorij, een tweede huis van een bestaand klooster. De priorij wordt in zijn beginjaren beduidend gesteund door de graaf Karel de Goede en later door graaf Diederik van den Elzas.

 

In de hoogdagen van de kruistochten en de algemene christelijke verdwazing denkt de adel dat de hemel kan verdiend worden door het afstaan van wereldlijk goed. In de eerste jaren na de stichting wedijveren graven en edellieden met elkaar in werken van geloof en liefdadigheid. De giften aan het klooster stromen binnen. Stilte en een contemplatieve beleving met aandacht voor God en een sobere levensstijl.

 

Zo stellen we ons nu het vrouwenklooster van de Nonnebossen voor. Die indruk zal ook wel opgewekt worden bij de boeren en pachters van Zonnebeke in de 12de en 13de eeuw. De plek waar het klooster gebouwd staat is nu niet bepaald de meest vruchtbare van de streek. Dat versterkt alleen maar de indruk van 'arme zusters'. Vermoedelijk is deze impressie slechts schijn. Armoede en ontzegging zijn van korte duur of zelfs helemaal niet aan de orde.

 

Het is beslist een leven vol regelmaat. Een rustig en eenvoudig bestaan met de zekerheid van voldoende veiligheid, warmte, eten en drinken is ongetwijfeld een luxe die in die tijden enkel kloosters en abdijen kunnen bieden. Binnen de muren van het Nonnenbossenklooster gaat het er exclusief aan toe.

 

De kloosterorde is enkel toegankelijk voor dames met blauw bloed die hun entree moeten betalen in de vorm van onroerende goederen en financiële middelen voor de priorij. Het Nonnenbossenconcern krijgt in 1123 van Karel de Goede de titel van 'heerlijkheid en graafschap van de Nonnenbossen'. Het graafschap strekt zich uit over alle gebieden ten noorden en ten zuiden van de lijn tussen Bellewaerde en de kerk van Geluveld. Met inbegrip van onder meer Zandvoorde en Beselare.

 

Het concern bezit een eigen rechtspraak. Zowel de hoge als de lage justitie. Er is sprake van een baljuw, 7 schepenen, een griffier en een amman. Er worden tienden geheven over 15 parochies. De mensen van Zonnebeke, Beselare en Geluveld mogen gerust onderdanen genoemd worden van de 'Nonnenbossen'. Naast het heffen van tienden binnen de grenzen van het kapittel van Zonnebeke heeft het klooster zowat 150 hectare in volle eigendom. Een reeks van hofsteden met in totaal 55 hectare landbouwgrond.

 

Zowat 30 hectare bos (Maerle, Jansstuk, West- en Oostcouter, Conventebos, Quaetbosselken, Danckaert en het Nonnestuk) wisselen af met 25 hectare wei- en labeurland. Zowat 40 hectare heideland wisselen zich af met moerasland (zo bijvoorbeeld de 'Hoogeblooten'). Het contrast tussen de twee Zonnebeekse kloosters groeit met de dag.

 

In het oosten van het bos, aan de rand van het dorp, leven en ploeteren eenvoudige hardwerkende en vaak primitieve monniken van het St.-Augustinus klooster. Er is amper tijd voor een contemplatief leven. Ze rooien bomen, ontginnen bossen, werken op het land. Kloosterlingen en bewoners werken samen aan de uitbouw van het dorp Zonnebeke.

 

De handen moeten uit de mouwen gestoken worden! Aan de westkant van het bos ligt de focus van de O.L.V. vrouwenpriorij op een verborgen en exclusief leven van een trits 'klassedames' uit de hogere klassen. De giften en renten aan de priorij blijven toestromen en maken het contrast met de buren alleen maar meer uitgesproken.

 

Het valt helemaal niet te verwonderen dat er conflicten ontstaan tussen de priorin en de proost van de respectieve kloosters. Meestal gaan de ruzies over de eigendomstitel over stukken pas ontginde grond. Nieuwland. Telkens opnieuw moet de bisschop van Terwaan het pleit beslechten in het voordeel van één van beiden. Jaloezie zal natuurlijk ook wel zijn rol spelen.

 

Het zal de monniken wel hoog zitten dat het groot volk de priorij meer en maar als verblijfplaats gaat gebruiken bij hun bezoeken aan het nabijgelegen Ieper. Het klooster van de Nonnenbossen overklast en overschaduwt de mannenabdij in alle facetten. In juni 1200 wordt de priorij Nonnenbossche door paus Innocentius III tot abdij verheven. Op dit moment is de katholieke kerk zelf aangekomen op haar kerkelijk hoogtepunt. Ava, de overste van de nieuwbakken abdij draagt voortaan de titel van 'abdis en gravin van de Nonnenbossen'.

 

Eenentwintig opeenvolgende abdissen zullen de volgende eeuwen de plak zwaaien over de abdij van de Nonnenbossen. Tot 6 juni van het jaar 1567 blijft de abdij verscholen in de Zonnebeekse bossen. Daarna verhuizen de zusters definitief naar een kloostergebouw binnen de beschermende stadsmuren van Ieper.