P0980100

Het achtste deel van de annalen van het 'Comité Flamand de France' verschijnt in 1865. Het eerste hoofdstuk van het nieuwe boek draagt de titel 'Les Ancêtres des Flamands de France' en is van de hand van een zekere Victor Derode. Het moet één van de laatste verwezenlijkingen zijn van de Duinkerkse historicus die in 1867 op 70-jarige leeftijd zal sterven. Na wat geblader door het boek, weet ik het zeker. Hier blijven we even hangen.

 

We keren met plezier terug naar een tijd die nu toch al wel heel lang achter ons ligt. Derode begint met de prehistorie. Hoe ver kan je terugkeren in de tijd? Naar de ijstijd wanneer Europa nog niet eens bewoonbaar is en die grosso modo ingedeeld wordt in het stenen en het bronzen tijdperk? Dat leerden we ook al in onze geschiedenislessen. We zijn toch wel benieuwd of de schrijver ons meer inzichten zal bijbrengen.

 

Het stenen tijdperk op zich bevat twee periodes die verschillen van de manier waarop steen wordt aangewend. De bijlen en andere hakinstrumenten zijn gemaakt van steen, silex en jade. En ook het bronzen tijdperk wordt een beetje op analoge manier ingedeeld. Het is een ruwe, vage indeling van tijden die we amper kennen, maar die helpt schrijver Victor Derode alvast op de goede weg in zijn studie. De weggegleden eeuwen liggen al zo ver achter ons en verhullen zich in de onzekere en duistere nevel van de tijd. De schrijver gaat er van uit dat al wat hij terugvindt in Frankrijk min of meer ook zal meetellen voor Vlaanderen.

 

Wat we zullen aantreffen, zal ons iets bijleren over de sociale status en de gewoontes van onze voorouders. De mensen leven in grotten, of op hooggelegen plekken waar ze veilig zijn voor overstromingen. De volkeren van toen maken oorlog. Zo veel is er dus niet veranderd. Hun wapens verschillen niet zo gek veel van enkele types die we op vandaag nog kennen. De bijlen die teruggevonden worden in de Seine te Abbeville of in de grafheuvels van Morinië verschillen amper van exemplaren die tevoorschijn komen in Nieuw-Zeeland of in rotsachtige gebieden. De vorm is identiek, het type steen hangt af van de streek.

 

De industriële activiteit van de oermensen richt zich op de exploitatie van steen. Naast de productie van bijlen, zien we ook stenen pijlpunten en een reeks van projectielen. Lasso's voor het gevecht en de jacht, haken voor de visvangst. Messen en schrapers om dieren te villen. Ook in Morinië, de noordwestelijke kant van Noord-Frankrijk en Vlaanderen, leven dergelijke primitieve volkeren. Zoveel is zeker, vertelt Derode.

 

Ontelbare vondsten leveren een overtuigend bewijs. In 1863 zijn de archeologen op jacht gegaan op het strand van Boulogne waar ze op acht maand tijd zowat 3000 bewerkte silexstenen opgraven. Vlaanderen is in die periode nog weggezakt in het water. De mensen van de streek, de Oromanzakken, wonen in grotten in de heuvelachtige streek van Boulogne. Een droog alternatief vergeleken met de moerasachtige gebieden waar de Morinen zich ophouden.

 

Uit beenderen en hoornachtig materiaal worden naalden, versieringen en juwelen gesneden. De potterie is handgemaakt. De manier waarop de Egyptenaren hun potten draaiden, lijkt van alle tijden. De prehistorische mensen beheersen het vuur. Dat getuigen overgebleven resten houtskool in hun grafstenen en woonplaatsen. Ze zijn niet alleen. Er dwalen her en der beren rond. En rendieren. Nog overgebleven van de ijstijden. Dankzij het milder geworden klimaat, zien we ook varkens, paarden en koeien. Victor Derode heeft het ook over leeuwen, tijgers, nijlpaarden, olifanten die we op vandaag alleen nog maar terugvinden in warmere regio's.

 

Ziezo. De schrijver is alvast van start gegaan met zijn studie. De eerste resultaten staan op papier. Interessant. Maar hij beseft dat het geheel mysterieus blijft. Het is vooralsnog alleen maar mogelijk om een klein tipje van de sluier te lichten. Hij besluit om wat op te schuiven. Vooruit in de geschiedenis. Naar de periode van ongeveer 17 eeuwen voor het begin van het Christelijk tijdperk. De tijd waarin de Indo-Europeanen hun primitieve plaatsnamen zullen geven over zowat het hele West-Europese continent.

 

De Indo-Europeanen, oer-Kelten en -Galliërs, hebben de Rijn overgestoken en verspreiden zich in onze streek die bekend geraakt als 'Gallië'. De Gaule. Ongeveer 1000 jaar (50 generaties later dus) later arriveren de Bolgs, de voorouders van de Belgen. Net als de Bretoenen van Angelsaksische herkomst. Afkomstig van het eiland dat aan de andere kant van de zee ligt en later zal bekend geraken als Brittannië. De Bolgs?

 

De Franse historicus werpt een eerste bom in zijn studie. De Bolgs. De Belgen. Een merkwaardige gelijkenis. Waarom weten wij, Belgen van de 21ste eeuw, niet dat onze voorouders Bolgs waren? Ook Google blijft me hardnekkig en onterecht doorverwijzen naar 'blogs'. Uiteindelijk belanden we bij de 'Fir Bolgs', een Ierse stam. Vinden we hier meer nieuws rond onze origines? De Fir Bolgs blijken in de oudheid te heersen over Ierland dat in die dagen Ériu wordt genoemd. En zo trekken we naar Ierland. In het jaar -2068 zetten Parthalon en zijn bende Hebreeuwse krijgers voet op het verlaten eiland.

 

Ze arriveren uit de oude Griekse wereld en ze vestigen zich in Ballyshannon, een klein eiland in de Erne rivier. Bij de dood van Parthalon wordt het land verdeeld onder zijn vier zonen Er, Orba, Ferann en Fergna. De kolonisten krijgen het in -2018 hard te verduren als ze door een dodelijke plaag getroffen worden. Alleen diegenen die op tijd kunnen vluchten, overleven de ziekte. Pas 20 jaar later keren ze terug naar Ériu waar ze tot in minus 1738 de vaste bewoners worden van het eiland. Rond datzelfde jaar -1738 spoelt een nieuwe lading immigranten aan in Ierland. Kolonisten uit Skythia. De Skythen blijken Indo-Europese nomaden die leefden aan de Zwarte Zee en daar door de Sarmaten werden verdreven.

 

Ze worden Nemedianen genoemd naar hun leider Nemedh. Of ze veel plezier beleven aan hun verblijf in Ierland, is zeer de vraag. De originele kolonisten, de Formorianen, behandelen hen als slaven. De nieuw aangekomen Indo-Europeanen behoren tot drie groepen: de Fir Bolgs, de Fir Dommann en de Gáilióin. Een situatie die 216 jaar lang aansleept tot in -1492 tot een groep Nemedianen de uitbuiting moe is en de Formorianen neerslaat. Het zijn de Fir Bolgs die de macht grijpen in Ierland. Een reeks koningen komen aan het roer.

 

In -1477 zijn Sláine, Rudraige, Gann & Genann, Sengann, Fiacha Cennfinnán, Rinnal, Fordbgen en Eochaid mac Eirc al de revue gepasseerd. De Gáilióin en de Fir Bolgs. De link met de Belgen, de 'Belgae', en de Galliërs is gelegd. Het is even zoeken naar de betekenis van de naam 'Fir Bolgs' of 'Fir Bholgs'. Verrassend genoeg vinden we het antwoord in Bulgarije, dat zichzelf Balgarija noemt. België versus Bulgarije, vreemd toch? We worden opnieuw dieper in de maalstroom van de tijd gesleurd. De proto-Bulgaren blijken aangespoelde Kimmeriërs te zijn die verjaagd werden door een Egyptische farao en zich via Iran en Oekraïne verspreiden tot aan de Zwarte Zee in Bulgarije.

 

Een deel van die proto-Bulgaren, bekend om hun lederen tassen en riemen die ze altijd met zich meedragen, de Fir Bolgs, zeilen naar Ierland om er dus een nieuw leven te beginnen. De term 'Bolgs' wordt dus geassocieerd met het Engelse 'Bags'. Het Ierse woord 'bolg' staat in het Engels voor 'belly' of 'bag'. Als je nu dus denkt aan een 'shopping bag', denk dan eens aan ons, Belgen. De Fir Bolgs krijgen in -1456 te maken met een hard en meedogenloos Syrisch volk met de speciale naam 'Tuatha-De-Dananns' die de heerschappij over Ierland, Schotland en Scandinavië zullen overnemen tot in -1016.

 

Rond 'Tuatha-De-Dannans' hangt een mist van mythische verhalen. De waarheid is van geen kanten te onderscheiden van de fantasie. Hier gaan we niet dieper op in. Laat ons echter eens naar Bunclody trekken. Een klein stadje in het zuidoosten van Ierland waar de rivieren Slaney en Clody elkaar ontmoeten in de vallei onderaan de 'Blackstairs Mountains' van 'Mount Leinster'. Langs de Slaney moet volgens de overlevering Hugo Slaini (Sláine), de eerste koning van de 'Fir Bolgs', gewoond hebben.

 

De geschiedenis van Bunclody heeft het over de betekenis van het woord Slaney, maar wat ons echt interesseert is dat de vroegere naam van de Leinster in die dagen bekend staat als de 'Gallian', genoemd naar de Gallians, die blijkbaar een familietak zijn van de 'Fir Bolgs'. We gaan eens op bezoek in Bunclody anno 2013. Zijn er nog andere links met de Belgen te vinden? Het woord 'Belly' duikt inderdaad op. Het Ballinapark. Plaatsen met de namen Ballynastraw of Ballymurtagh. Ballinavocran. De woorden van Caesar; 'De Belgen zijn de dappersten onder de Galliërs'; krijgen hier wel een heel speciale betekenis. In het Ierse stadje Munster duiken sporen op van de Builgs.

 

De komst van 'Tuatha-De-Dananns' in -1456 lijkt een acceptabele reden om aan te nemen dat veel Bolgs het aftrappen in Ierland en hun geluk gaan beproeven in hopelijk veiligere oorden op het Europese vasteland. En zo komen we weer terug in het verhaal van Victor Derode. Hij heeft het over de vele volkeren die wel van overal lijken te komen. Eerst zijn het de Kelten. Maar die worden gevolgd door karrenvrachten vol mensen uit het Noorden en vanuit de Siberische steppen en die de historici in hun boeken omschrijven als 'de invasie van de barbaren'.

 

De Goten, de Visigoten en de Vandalen. Derode krijgt er een punthoofd van. Hij schuift wat op in de tijd. Er is nog geen sprake van de Romeinen in onze contreien. De streek, tussen de monding van de Loire en die van de Rijn, een gebied van zowat 1000 km, wordt in die dagen de kust van 'Armorique' genoemd. Noordelijk van de Loire wonen de Franken, de Germanen en de Teutonen. Tussen de mondingen van de Canche (Boulogne) en die van de Schelde bevinden we ons in Morinië. Zowel Ar-mor-ique als Mor-inië zijn afgeleid van het woord 'mor' of 'moer' een Keltisch woord dat in het Frans staat voor 'mare' of 'marais'.

 

Morinië betekent dus het land van de moeren. De mensen die zich in Morinië komen vestigen, worden Morinen genoemd. Dat betekent helemaal niet dat ze hun vroegere nationaliteit en hun moedertaal opgeven. Laat staan hun politieke en religieuze overtuigingen. En zo zien we bij het schuiven van de eeuwen de Rutheniërs, Bretoenen, de Nerviërs, Saksen, Romeinen, Franken en Noormannen opduiken.

 

De schrijver vat het plan op om dieper in te gaan op elk van die groepen. Zijn voorkeur gaat echter uit naar de Saksische rassen die samen met de Karlings of Kerls de werkelijke voorouders zijn van de Vlamingen. Eerst neemt hij de Rutheniërs onder de loep. De kuststreek van Morinië draagt lange tijd wel een erg uitgesproken naam: de 'Russium littus', vrij vertaald 'de Russische kust'. Het aangrenzende land heet Ruthenië. Of ook wel Ruthelia.

 

De naam wordt afgeleid van de Ruthen, een uitgebreid woud dat al bestaat in de tijden van Julius Caesar. De Romeinse generaal schrijft het trouwens neer. Op zijn weg naar het Westen en Boulogne wordt hij geconfronteerd met de 'Reuzen' die hij trouwens allen neerslaat. 'Géants', het Frans voor reuzen, is 21 eeuwen na datum nog altijd niet vergeten in Douai, waar ze hun stadsreus nog altijd 'Gayant' noemen. In Rijsel hebben ze ook hun reus die de naam Liederik draagt. Derode vraagt zich af of de Reuzen werkelijk de eerste inwoners zijn van de Russum litus.

 

En welk verband bestaat er tussen de Rutheniërs, de Russen die vandaag in Rusland leven en die eerste bezetters van Vlaanderen? Hij blijft het antwoord schuldig. We gaan noodgedwongen verder op zoek. 13de eeuwse manuscripten omschrijven Ruthenia als landstreken die toebehoren aan de oude Russen die leven in West-Rusland, Belarus, Oekraïne en het oosten van Polen. Wikipedia heeft het uitgebreid over de 'Ruteni' die door zo veel kroniekschrijvers vermeld worden, en kan alleen maar besluiten dat de naam afkomstig is van krak diezelfde Gallische stammen die ooit vermeld werden door Julius Caesar. Is het toeval dat we hier op de naam 'Belarus' stoten?

 

De 'Bellys & Belts' van de oude Bolgs duiken weer op. Vinden we de opvolgers van de oude Galliërs, de Belgen en de Rutheniërs ook in Rusland? We vinden het antwoord in het Pools, waar hele gebieden in het oude Rusland een opmerkelijke synergie naar voor brengen. De 'Rus Halicko-Wolynska' staat voor het koninkrijk van Galicia en de 'Rus Biala, Czarna en Czerwona' worden respectievelijk omschreven als het Witte Ruthenia (Wit-Rusland of Belarus), het Zwarte Ruthania (deel van het moderne Belarus) en het Rode Ruthenia, dat ook wel 'Galicia' wordt genoemd.

 

Het antwoord op de vraag die Victor Derode niet kon beantwoorden is dus ondubbelzinnig 'ja'. En voor wat ons betreft; Belarus heeft dezelfde wortels als België. Er overvalt me iets dat me met verbijstering slaat als ik me concentreer op de regio van Rusland, Belarus, de Zwarte Zee en Ukraïne. Een Engelstalige kaart van de streek heeft het over de 'Dnieper River'. Met een lengte van 2285 km één van de langste rivieren van Europa. Maar Dnieper verdorie? De gelijkenis met Ieper is frapant.

 

Ik raadpleeg de ethymologie van het woord. 'The Close River'. De Russen spreken van de Dnepr. Net als wij Ieper uitspreken als Ypres. De Dnieper in Belarus en Ieper in België. Kan toeval zo ver gaan? We keren terug naar Morinië waar Ruthenië nog lang zichtbaar blijft. In 870 wordt de kust van Grevelingen nog de Ruthenium Littus genoemd. Op 10 km van Sint-Momelijn in de Franse Westhoek, vinden we Ruminghem dat door de eigen mensen ook de Ruthe wordt genoemd. Plots duikt de naam Polen weer op. Fascinerend. In Lemberg, Gallicia, wordt een oude kerk nog altijd 'Ruthen' genoemd.

 

De geschiedschrijver D'Oudegherst laat de legendarische Liederik, de eerste forestier van Vlaanderen, trouwen met de dochter van de prins van Ruthenië. De hele westelijke regio van Europa en ook Morinië, de streek van de moeren, is al veel eeuwen geleden, definitief de woonplaats geworden van een deel van die oude Bretoense volkeren, die het kanaal hebben overgestoken en het oude Engeland achter zich hebben gelaten. Ten zuiden van Gallië wonen de Bellovaci, ook al een Belgische volksstam die hun Oppidum hebben in het latere Picardië, meer bepaald in Beauvais.

 

In -120 is er voor het eerst sprake van Morinen. Caesar heeft het wat later uitgebreid over de Menapiërs en de Morinen die gewapend verzet plegen op hun toen nog vrije land. Ze voeren een heuse guerrillastrijd in hun bossen en de Romeinse generaal heeft het niet onder de markt met hen. De Romeinen lijden aanzienlijke verliezen. Zware regenval zorgt zelfs voor een tijdelijke terugtrekking uit Morinië. Een jaar later wil Caesar absoluut doorstoten naar Engeland. De Romeinse troepen blazen verzamelen in Morinië.

 

De vloot is impressionant daar in het mythische Portus Icius. De Bretoenen zien de overmacht van de Romeinen niet zitten en sturen aan op onderhandelingen. Grote groepen Morinen worden als gijzelaars uitgeleverd. Caesar behandelt hen met respect. Hij beseft hoe gevaarlijk ze als tegenstander kunnen zijn. Nog voor de ontscheping naar Engeland krijgen zijn luitenanten Titurius Sabinus en Arunculeius Cotta de opdracht om de resterende Menapiërs en Morinen aan te pakken.

 

Morinië, 'ravagée par le fer et le feu', we kunnen het niet beter omschrijven in het Vlaams, wordt voortaan een onderdeel van de provincie van de Atrebaten. Cotta en Sabinus denken dat ze de Morinen definitief verslagen hebben. Ze hebben het bij het verkeerde eind. Terwijl Caesar nieuwe troepen aan het rekruteren is in Italië, gonst het van de bedrijvigheid in de Morinische wouden. De verschillende lokale stammen mobiliseren 240.000 strijders. Onder hen zien we een contingent van 25.000 Morinen.

 

Die hoeveelheden illustreren perfect hoe intens onze streken al bewoond worden pakweg 2.000 jaar geleden. Als Caesar terugkeert, maakt hij hoe dan ook korte metten met de geconfedereerde stammen. De Morinen leven dicht bij de natuur. Ze bebouwen de grond en ze kweken dieren. Ze verbeteren hun landbouwgrond met mergel en kweken massaal ganzen en varkens. Van hun ganzen produceren ze delicatessen die door de fijnproevers in Rome erg gesmaakt worden. De oude Belgen hebben honingbijen die zorgen voor honing en uit de gefermenteerde honing wordt een likeur gestookt die ze 'mede' noemen.

 

Ze drinken al cider, eten tarwe- en gerstebrood. Vlas wordt geweven en er is sprake van een echte zoutproductie in de zoutziederijen die we nu nog altijd terugvinden in de buurt van Dunkerque. De kustmensen bezitten een echte vloot die bestaat uit lichte boten die met leder worden bekleed en waarmee ze de natuurkrachten van de Noordzee bekampen. De bevolking voedt zich vooral met vis die gaar gemaakt wordt in een mengsel van veengrond. Ze drinken regenwater dat ze opvangen in grote tonnen die bij de ingang van hun huizen opgesteld staan. Morinië telt uitgestrekte bossen en de moerassen worden omzoomd door krachtige eiken.

 

In de 4de eeuw noteert Sint Paulin, een schrijver van St.-Victrice, dat de Morinen echte steden hebben en ook eilanden en bossen. Victor Derode vindt het verdomd spijtig dat de man vergeet van namen te noemen. De nederlaag tegen de Romeinen zindert lang na in de zeden van de verslagen bevolking, maar met het verstrijken van de jaren verdwijnen de Italianen uit de regio. In de 5de eeuw is er geen sprake meer van Romeinen en in de 6de eeuw stuurt St.-Remi een zekere St.-Antimond naar Morinië met de bedoeling om de Morinen te bekeren tot het christendom. De Sinten zijn de mening toegedaan dat die Morinen nog weinig te maken hebben met echte mensen maar dat ze straks, dank zij hun predikwerk, niet zo ver meer verwijderd zullen zijn van hun God.

 

De naam 'Vlaanderen' mag dan wel vermoedelijk bestaan van voor de 5de eeuw, toch staat die pas in 678 voor het eerst neergeschreven. In een boek dat Sint-Aldowin schrijft over het leven van zijn vriend, de smid Elooi. De Morinen en de Vlamingen hebben dus een gemeenschappelijke band. 'Waarom zouden ze zichzelf anders als één natie beschouwen?' Derode vraagt het zich al dan niet terecht af. Hij verwijst naar de graaf van Vlaanderen die zichzelf betitelt als 'Princeps Morinorum, Satrapa Morinorum…Comes Morinorum'. Ook in Terwaan, de hoofdstad van de Morinen is er sprake van gelijkaardige inscripties.

 

We stappen nu over naar de Nerviërs. De kuststreek tussen Calais en Antwerpen wordt in de bronnen nu en dan bestempeld als de 'Nervicanus Tractus'. Caesar weet te vertellen dat ze in zijn tijd een koning hebben die Boduognat heet en dat 60.000 gewapende Nerviërs zich aan de boorden van de Samber hebben geconcentreerd. Hij verjaagt ze naar het gebied van de Menapiërs dat onder de jurisdictie van de Morinen valt. Hier stampt de nieuwe bevolking de stad Belle uit de grond. Volgens de historicus Lesbroussart bouwt Caesar zelfs een kasteel in Gent om de Menapiërs en de Nerviërs van elkaar gescheiden te houden.

 

Waar komen ze vandaan die Nerviërs? De beroemde Peutingerkaart uit de Romeinse tijd toont dat er Nerviërs wonen aan de Zwarte Zee en rond de Donau. De banden tussen de Nerviërs in onze streek met die in het oosten zijn niet echt duidelijk. Die bij ons pronken hoe dan ook met hun Germaanse afkomst en dat ze een totaal ander volk zijn dan de tamme Galliërs. Voor de komst van Caesar hebben de Nerviërs vier steden. Oppida. Het zijn Asse en Elewijt in de buurt van Brussel en de Henegouwse plekken Binche en Blicquy.

 

De Romeinen willen dat de Nerviërs hun administratie concentreren in één enkele civitas en wijst die toe aan Bavay. In de kronieken omschreven als Belgis, de oudste stad van België. De Romeinse benaming 'Bagacum Nerviorum' kan inderdaad verwijzen naar een link met de Belgen. Enkele eeuwen later zal de hoofdstad van de Nerviërs zich verplaatsen naar Kamerijk, het latere Cambrai. Zie. Nu komen nu we terecht bij de Menapiërs. Julius Caesar heeft het over 9.000 Menapische krijgers die het tegen hem opnemen. Beduidend minder dan de Nerviërs en de Morinen.

 

Het is een vreemd en wat decadent volk dat nogal wat rondzwerft. Ze doen een beetje denken aan nomaden. Ze worden opgemerkt in Morinië, maar net zo goed sturen ze een kolonie naar Ierland. Dan zijn ze weer in Luik en later gaan ze zich opnieuw moeien met de Morinen. Hun doen en laten doet wat obscuur aan in onze Vlaamse geschiedenis. Er bevinden zich inderdaad Menapiërs aan weerszijden van het kanaal. Maar waar komen ze eigenlijk vandaan? Westfalen.

 

Caesar vertelt dat de Menapiërs hun gronden en hun kastelen hebben aan weerskanten van de Rijn. Een andere historicus positioneert hen langs de Maas en de Schelde. Het wordt duidelijk dat de Menapiërs Germaans van oorsprong zijn en dat ze de gebieden zijn gaan bezetten die ze Vlaanderen noemen.

 

Acht eeuwen lang blijven ze gesetteld langs de grote stromen en worden ze bestuurd door een reeks van onafhankelijke prinsen. Uiteindelijk vestigen ze zich eveneens in de maritieme regio van Vlaanderen. Op welke plekken worden ze verder nog aangetroffen in de geschiedenis? De prediker Chrysolius en zijn collega's die de regio van Rijsel evangeliseren doen dat in Menapië. Dat schrijven ze toch. Menapië strekt zich ongetwijfeld uit tot aan de Leie en zelfs verder want Cassel wordt geciteerd als een versterkte stad van de Menapiërs, Castellum Menapiorum.

 

In de geschriften van de eerste christelijke eeuwen treffen we maar al te vaak woonplaatsen in Morinië en in de kuststreek van Vlaanderen aan die toebehoren aan de Menapiërs. We fronsen de wenkbrauwen bij de lijst van plaatsen waar de Menapiërs huis hielden? Gent, Doornik, Torhout, Roeselare, Nieuwpoort, Watten, Wormhout, Cassel, Lederzeele, Bourbourg, Bergues, Veurne, Ieper, Rijsel, Doornik. Het eiland van Walcheren. Victor Derode vraagt zich af of de Teutonen en de Usipeten de Menapiërs niet gewoon verjaagd hebben van de oevers van de Rijn. Hebben ze met geweld de regio hier ingenomen?

 

Of zijn er onderhandelingen en verdragen aan te pas gekomen om een deel van hun grondgebied op te geven? De Menapiërs wonen bij voorkeur bij het water. In de veiligheid van jonge bossen, waar ze zich kunnen verbergen. Net als de Galliërs, zijn ze oorlogszuchtig en hoe dichter we de kust benaderen, hoe onverschrokkener ze worden. Links aan hun heupen dragen ze een zwaard als wapen met zich mee. Samen met een groot schild, een speer en ook de 'meris', een soort van spies. Sommigen zijn voorzien van een boog, een slinger en een speer.

 

Hun voeding bestaat uit zuivelproducten en verschillende soorten vlees. Vooral gepekeld varkensvlees. Hun huizen zijn opgetrokken in hout met een vrij hoge dakconstructie. Het is een volkje dat hard werkt en zich eerder teruggetrokken opstelt.

 

Lui zijn, wordt niet echt geapprecieerd. Elk jaar wordt de taille van de burgers opgemeten en wie te zwaar wordt, kan zich verwachten aan een boete. De 'Weight Watchers' van hun tijd. Ze hebben een totaal ander karakter dat de Morinen. 29 jaar voor het begin van de nieuwe tijdrekening staan de Menapiërs bekend als trouwe onderdanen van de Romeinen, terwijl de Morinen blijven zorgen voor moeilijkheden. In het jaar 50 blijkt de situatie echter veranderd. Lepidus krijgt de opdracht om het gebied van de Menapiërs en de Morinen te beschermen.

 

Het impliceert dat er een fusie moet hebben plaatsgegrepen tussen de beide volkeren en dat ze nu allemaal als 'Galliërs' worden beschouwd. Wanneer Constantius I Chlorus, (292-306) de junior-keizer over het Westelijke deel van het Romeinse rijk, de Rijn achter zich laat om met een machtig leger de noordzeevloot te komen versterken, valt hij Boulogne binnen dat op dit moment toebehoort aan de Morinen. Van daar trekt zijn expeditieleger door de verzopen gebieden van Menapië.

 

Sinds 270 hebben zware stormvloeden er voor gezorgd dat hele gedeelten van de Westhoek onder water staan. De Duinkerke II transgressie is volop aan de gang. Eumenius schrijft het in zijn vermaarde lofrede voor Constantius. Het westland is overrompeld door het water. Hij beschrijft zijn huiveringwekkend gevoel dat het hier straks allemaal zal verzwolgen worden door de Noordzee. In de moerassen van Morinië bevinden zich meer dan 300 vlottende eilanden.

 

In het jaar 806 bezetten de Menapiërs het land tussen de Aa en de Schelde. De Morinen huizen westelijk van de Aa. In 847 behoort de abdij van St.-Bavon tot het Menapische grondgebied. In 860 zien we Nieuwpoort in de Mempiscus Pagus. Tussen Lo en Veurnambacht richting Bergambacht ligt er een erg oude verbindingsweg. De 'Looweg' zo schrijven ze in 1865, loopt parallel met het waterrijke kustgebied van de 'Wateringues' en kiest de hoogst gelegen gronden via Hondschoote om dan in Bergues verder te slingeren naar Dringham en Crochte.

 

Enkele specialisten vermoeden dat de Looweg aangelegd werd door de Germanen nog voor dat de Romeinen in onze contreien zullen binnenvallen. Ze merken op dat de wegen die aangelegd worden door de Romeinen achteraf het adjectief 'straete' met zich meekrijgen. Kijk maar naar Steenstraete. De Romeinse wegen passen in een welbepaald stramien en daar maakt de naamgeving een belangrijk onderdeel van uit.

 

'Waarom heet de Looweg eigenlijk niet de Loostraete of de Loosteenstraete?' Ze vragen het zich af. Alleen al de naam 'Looweg' is op en top Germaans. Bovendien valt de Looweg volledig buiten het systeem die de Romeinse ingenieurs voor ogen hebben bij de bouw van hun wegennet. En zo blijft het een open vraag of die verbindingsweg ooit het werk is geweest van de Menapiërs, of van de Saksen of andere nationaliteiten die ooit in het bezit zijn geweest van onze kuststreek.

 

De schrijver beslist om het later over de Saksen te hebben en concentreert zich nu op de Sueven. In het jaar 14 zou keizer Tiberius een aantal kolonies Sueven naar de regio van Kortrijk hebben gestuurd waar ze 'Sweveghem' en 'Swevezele' stichten. De invoer van die Germaanse volkeren moet de volgende eeuwen trouwens een vervolg gekregen hebben, want als Sint-Elooi in de 7de eeuw komt prediken in de regio van Kortrijk en Brugge, heeft hij tolken nodig om zich verstaanbaar te maken. Er blijken trouwens ook Sueven te wonen in Zeeland.

 

Maar wie zijn ze eigenlijk? Caesar heeft afgerekend met de Franken in Germanië en betitelt die eigenlijk als 'Sueven'. Zou het kunnen dat Franken en Sueven synoniem zijn van elkaar? De Rutheniërs, Menapiërs, Nerviërs, Morinen en de Saksen in Vlaanderen hebben allemaal één ding gemeen. Ze zullen 400 jaar de Romeinse dominantie moeten ondergaan. Tot diep in de 5de eeuw. Victor Derode wil even stilstaan bij die fameuze Romeinen. Slechts twee volkeren zijn er in geslaagd om blijvende sporen van hun passage achter te laten.

 

Dat zijn natuurlijk de Saksen die hun taal en hun gewoontes hebben nagelaten. Twintig eeuwen later zijn zowel de taal als de zeden van de Saksen hardnekkig blijven hangen. Kijk maar naar de namen van zo veel locaties in onze streek. De Romeinen van hun kant laten vooral hardware achter in Vlaanderen en de omringende provincies. Tempels, theaters, aquaducten, versterkte kampen, grafstenen, wapens, medailles, muntstukken, kunstvoorwerpen.

 

Hun fossiele resten getuigen van hun buitengewone intelligentie. Er is natuurlijk de bemerking dat de vondst van Romeins geld of militaire voorwerpen op zich geen bewijs levert dat ze werkelijk ooit op die plekken zijn geweest. Ze kunnen het gevolg zijn van een betalingstransactie of zelfs diefstal en vervreemding. Zo zijn er ooit in het centrum van Germanië Romeinse muntstukken gevonden, en dat terwijl het bewezen is dat de Romeinen er nooit geweest zijn.

 

Vondsten te over in onze streek trouwens. Romeinse overblijfselen in Poperinge, Watou, Nieuwkerke, Rumbeke, Wervik, Merville, Estaires, Merkem, Watten, Bollezeele, Cassel, Belle, Quaedypre en op zoveel andere plaatsen in de Westhoek. Het meest indrukwekkende souvenir van de Romeinse aanwezigheid, zijn natuurlijk de besteende straten die in ons land werden aangelegd.

 

In 1865 zal de aanwezigheid van die Romeinse heerwegen natuurlijk nog wel duidelijker zijn dan in de 21ste eeuw. Hoe dan ook, in de 19de eeuw zijn veel van die oude wegen al afgesleten en getaand onder het gewicht van de jaren. Hier en daar aangevuld en hersteld met zand en steenslag. De taluds zijn hier en daar al verdwenen. De restanten van die Romeinse pareltjes zijn aan het verdwijnen. De vergetelheid van de tijd dreigt. Straks zullen ze definitief verdwenen zijn in het grijs van de tijd. Toch zijn we er in geslaagd om een vrijwel complete reconstructie te doen van het Romeinse wegennet in maritiem Vlaanderen.

 

Vooral de kaart die Peutinger heeft achtergelaten, toont zich van groot belang. Zeven steenwegen worden er aangelegd. Ze vertrekken allemaal vanuit één centraal punt waar de Romeinen een versterkt kasteel hebben gebouwd; de Casselberg, met zijn hoogte van 176 meter, zowat de hoogste plek van de Westhoek. De eerste weg slingert zich richting Duinkerke via Hardifort en Wylder, een andere naar het oosten via Ledringhem en Spycker. Een derde weg vertrekt naar Watten dat in die tijd een Romeinse divisie herbergt.

 

Een vierde weg komt voorbij in Bavinchove om in Ebbelinghem aan te komen. Er zijn de wegen naar Wallon-Cappel en naar Caestre en Estaires. De zevende steenstraat, die naar Steenvoorde, vervolledigt het 'septemvium' dat aantoont hoe belangrijk de streek en vooral de stad van Cassel, Castellum Morinorum of Menapiorum, wel is voor de Romeinse bezetter. De 'Itinerarium Antonini', een Romeinse reisgids uit de 3de eeuw is vrij karig met de vermelding van steden in onze regio. Ze moeten er wel zijn in die tijd, maar de namen blijven in de luwte.

 

Zoutcote, de zoutkant, later bekend geworden als Zuydcoote, moet al bestaan. In het jaar 121 wordt hier al het christelijk geloof gepredikt. Mardick, de haven en de Romeinse nederzetting. De golf van Itius die de vloot van Caesar herbergt en waarvan de Aa zowat het ultieme overblijfsel van is. Van dat laatste is Derode niet zo zeker. Een zekere M. Goutier van Sint-Winoksbergen heeft een bijzonder gestaafde mening dat Portus Itius, de haven van waaruit Caesar vertrok voor zijn invasie van Engeland, zich op Vlaamse bodem bevindt.

 

In de geschiedenis van Nieuwpoort van René Dumon, vinden we een identieke claim terug. Goutier laat zich leiden door de Vlaamse historicus Van Vaernewyck die in de 16de eeuw pretendeert dat Portus Itius zich op zowat 3 à 4 mijl van Nieuwpoort bevindt. Sanderus schrijft ook iets in diezelfde richting en preciseert dat de haven in 1260 door de golven zal worden verzwolgen. De Latijnse fysionomie van Spycker (Spicarium), Ledringhem (Leodedringae mansiones), Caestre (Castrum) en van Flêtre (Fletrinium) verraadt dat de locaties al bestaan in de Romeinse periode.

 

Ook Belle, Cassel, Watten en Minariacum of Stegrae (Estaires of Pont d'Estaires) zijn er al. De schrijver vergeet Wervik, Viroviacum te vermelden. Of Ypra al bestaat is niet duidelijk. In Morinië wordt in de derde eeuw al volop het evangelie gepromoot door Victoricus van Amiens en door Sint-Fuscien die het territorium van Terwaan platlopen met hun blijde boodschap.

 

De Romeinen houden zich strikt aan hun wetten en regels maar doen zelf niet de minste inspanningen om de zeden van de lokale bevolking in de juiste banen te leiden. Maar ze houden de predikers ook niet tegen. Keizer Constantijn de Grote zorgt er zelf voor dat de heilige mannen bescherming genieten. We spreken over het begin van de 4de eeuw.

 

Tijdens zijn regeerperiode komen de kerkelijke structuren in Gallisch België tot stand onder druk van de kerken van Trier en Reims die gelden als centra van het vroege christendom. Reims kiest Terwaan als zijn lokaal bastion in Morinië. Het stuk van Germanië dat de Romeinen hadden weten te veroveren, zijn ze ook het eerst weer kwijt aan de barbaren. De breuk aan de grenzen, vergelijk het met een dijkbreuk, zal voortaan zorgen voor een onophoudelijke reeks invallen van vijandelijke volkeren. De Goten en de Vandalen.

 

En ook vanuit eigen middens wordt er aan de Romeinse stoel gezaagd, want met die generaal Belisarius was het absoluut niet zeker of hij nu voor of tegen de Goten acteert. Hoe dan ook; de Romeinse reus is bij het aanbreken van de 6de eeuw zo goed als geïmplodeerd. Het brengt ons bij de Franken. De schrijver wil zich focussen op de Franken in de Westhoek. Hij wil echter nog kwijt dat het niet de eerste keer is dat de Franken hun handen wilden leggen op het latere Frankrijk. In het jaar 211 werden ze nog teruggedrongen na aan veldslag dicht bij Mainz.

 

Maar ze blijven terugkeren en in 262 zijn ze al doorgedrongen tot in Spanje en zelfs tot in Italië. In 292 krijgen ze er opnieuw van langs maar ze blijven Constantinus en zijn zoon bestoken in de periode 340-350. Vanaf de 4de eeuw zijn de Franken één pot nat geworden met de Saksen en zorgen ze voor voortdurende vernielingen aan de Vlaamse kust. Ze maken zich meester van Cambrai waar ze de bevolking afslachten om dan achteraf de hele streek tot aan de Somme af te dweilen. De dappersten van alle volkeren houden nu een deel van de kuststreek van Morinië bezet. Ze worden gesignaleerd in Boulogne, tussen de grenzen met Gallië en het gebied dat door de Saksen bezet wordt. Rome wordt in 410 door de Germaan Alaric ingenomen en geplunderd.

 

'Over and out' is het met de Romeinen en ook in onze streek brengen de Franken nu de finale laatste slagen toe aan de eeuwenlange Italiaanse bezetting. De macht ligt nu bij Pharamond, de chef van de Franken die Doornik uitkiest als zijn hoofdkwartier. In 447 verjagen ze de Saksen uit Cambrai en komt Meroveus, de tweede koning van de Franken aan de macht. Wie nog overgebleven is van de Romeinen, Goten en Visigoten, wordt verjaagd uit de streek van Terwaan.

 

Wat voeren de Franken uit bij ons? Het lijkt niet helemaal duidelijk. Er staat weinig neergeschreven over die periode. De geschiedenis laat ons wat in de steek. Vermoedelijk zullen de nieuwe bezetters volop gebruik maken van de Romeinse steenwegen om alle steden binnen te vallen. En Terwaan is al helemaal geen probleem. Hier maakt Chararik zijn hoofdstad. Het gebied van deze Frankische koning strekt zich uit van het zuiden bij Montreuil tot aan Nieuwpoort in het noorden en van de monding van de Canche tot aan de Leie. Heel maritiem Vlaanderen dus. 100 km verderop, in Cambrai, zwaait er in het jaar 496 een andere Frankische koning de plak. Hier is er sprake van een zekere Regnacaire.

 

De discipline van de Romeinen is omgeslagen in een maatschappij waar de zeden ver te zoeken zijn. Al dat gedoe over de Heilige Drievuldigheid wordt door die nieuwe Franken, als heiligschennis beschouwd. De Germanen beschouwen het zoontje en de heilige geest in geen enkel geval als een onderdeel van hun God. Een reeks concilies, waaronder die van Nicea in 325 hebben de tweespalt binnen de kerk niet kunnen oplossen. Het heilige vuur van de prediking is zowat stil gevallen en zorgt tijdens de 5de eeuw voor een 'revival' van het heidendom en de barbarij.

 

De kentering komt in 481 als de 15-jarige Clovis zijn vader in Doornik opvolgt als koning van de Franken en zich onder druk van zijn vrouw Clothilde laat bekeren tot het echte christendom. Op tien jaar tijd maakt hij brandhout van al de Frankische stammenvorsten die elk een stuk van dat vroegere Romeinse rijk in hun bezit hebben genomen. Chakarik van Terwaan valt in het jaar 488 in de handen van een meedogenloze Clovis en wordt samen met zijn zoon onthoofd. De vrienden van Regnacaire willen hun vriend Chakarik wreken, maar dat breekt hen zuur op. Ze moeten vluchten naar de 'Littus Saxonicum', waar ze asiel krijgen terwijl Clovis met succes heel Vlaanderen overneemt.

 

De Westhoek is, net zoals grote delen van Frankrijk in de handen gevallen van de nieuwe sterke man van Doornik die trouwens in 507 verhuist naar de nieuwe hoofdstad Parijs. De dynamische en energieke Clovis zorgt ervoor dat het christendom weer volop ruimte krijgt bij ons. In 511, het jaar van zijn dood, organiseert hij een concilie in Orleans en zorgt hij voor een fusie tussen de staat en de kerk. Geloven in God wordt voortaan verplicht door de wet. Van bescheidenheid hebben de Franken trouwens weinig last.

 

In 511 lezen we in het nieuwe Salische wetboek dat deze 'übermenschen' sterk zijn met de wapens, vredevol en eerlijk zijn, 'corpore nobilius et incoluminus'. De Franken beschouwen zichzelf als perfecte mensen. Korte tijd later zal Terwaan het hoofd worden van een nieuw bisdom. Na de dood van Clovis in 511 krijgen zijn zonen Theuderik, Childebert, Clodomer en Clotarius elk hun stuk van de grote taart. Laatstgenoemde Clotarius is 15 als hij baas wordt over de gebieden ten noorden van Somme en daardoor ook Morinië onder zijn controle krijgt. Het deel dat stilaan aan het uitgroeien is als Vlaanderen.

 

In geen tijd ontstaan er conflicten tussen de zonen over hun respectieve grondgebieden. Victor Derode beslist om hier niet dieper op in te gaan. Met het aantreden van Clovis II komt vooral zijn echtgenote Bathildis in beeld. We spreken over de periode rond de jaren 650. Zelf ooit nog het slachtoffer geweest van vrouwenhandel, heeft ze zich weten op te werken tot koningin van de Merovingers, de Franken die heersen over onze gebieden. Na het overlijden van Clovis wordt ze zelf regentes voor haar minderjarige zoon Clotarius de 3de. Het is de tijd van bisschop Eligius die het bisdom van Doornik onder zijn bevoegdheid krijgt en van Sint-Elooi, de apostel van Vlaanderen. De kerstening van Vlaanderen etaleert zich in de stichting van een reeks abdijen.

 

Vooral die van Corbie, de abdij die eeuwen lang grote stukken bossen en gronden zal bezitten in de Westhoek, springt in het oog. Bathildis wordt als dank voor haar bewezen hand- en spandiensten voor de kerk na haar dood heilig verklaard. De pagus Mempiscus is stilaan aan het versmelten met de pagus Flandrensis. Het graafschap Vlaanderen komt tot stand in de 9de eeuw. Honderd jaar later is de graaf van Vlaanderen de belangrijkste van de 12 'pairs', vazallen van de koning van Frankrijk. De naam 'Franken' heeft ondertussen de plaats geruimd voor de term 'Fransen'. In deze nieuwe wondere wereld zien we Mommelinus en Winox die de streek van Sithiu gaan evangeliseren.

 

De komst van de Noormannen laat een onuitwisbaar spoor na in de geschiedenis van onze contreien. De echo van de ellende die ze aanrichten, blijft lang nagalmen. In 782 komen ze voor de eerste keer oog in oog te staan met Karel de Grote. De 'Northmans' komen vanuit Scandinavië en Denemarken. Soit, vanuit het noorden. De 'vader van Europa' weet vermoedelijk niet eens dat ze bestaan. Hij kan niet vermoeden dat ze ooit de wrakstukken van zijn rijk zullen overnemen. Ze zijn bijzonder sluw, de mannen uit het noorden.

 

En bijzonder belust op onze gebieden. Er gaat geen jaar voorbij zonder dat ze de meeste intelligenten onder hen naar Vlaanderen sturen, waar ze de kuststreek van Gallië in kaart brengen. Ze noemen die streek trouwens 'Kerlingaland'. Karel de Grote ontmoet voor het eerst een delegatie Noormannen tijdens de rijksvergadering van 782 in Noordrijn-Westfalen, aan de bronnen van de rivier de Lippe. Hier krijgt hij voor het eerst dat knagend voorgevoel dat die noorderlingen wel eens spionnen van de barbarij kunnen zijn. Niet dat hij dat laat merken hoor. Hij slooft zich uit om hen gunstig te stemmen en overlaadt ze met geschenken.

 

Zijn buikgevoel blijkt correct. Enkele jaren gaan voorbij zonder noemenswaardige problemen. Enfin; 22 jaar duurt het toch nog vooraleer de Noormannen hun eerste grootscheepse bezoeken brengen aan de Morinische kusten en aan westelijk Gallië. De kronieken hebben het toen in elk geval over hun plunderingen. Ze vertellen over een slag op zee in 804, de term 'grootscheepse' blijkt een goede woordkeuze, en ze stipuleren het jaar 808 aan als datum voor hun eerste invasie op vasteland. Met 13 grote zeilschepen die voorzien zijn van riemen, meren ze aan in Vlaanderen. Vreemde luizen uit het noorden of vanuit Groot-Brittanië waar ze al enkele eeuwen huizenieren.

 

Plunderen. Het is een gemakkelijk woord om neer te pennen. We proberen ons in te leven wat die plunderingen effectief betekenen voor het Vlaamse volk dat zich gesetteld heeft en hard werkt om een voor die tijd menswaardige levensstandaard op te bouwen en hun bestaan nu bruusk verstoord ziet door die woeste en meedogenloze baardmannen van wie ze niet eens de taal begrijpen en die het gemunt hebben op hun leven en op hun schamele bezittingen.

 

Een ongegeneerde en verschrikkelijke terreur moet het geweest zijn. Plunderingen dus en de Noorse invasies herhalen zich zowat om de 5 jaar. De terreur houdt meer dan een eeuw aan. Beeld u dat eens in; tot aan 925 riskeren de bewoners, tot diep in het binnenland, van het ene moment op het andere slachtoffer te worden van de Vikingse roofmoorden. Karel de Grote probeert zich natuurlijk te wapenen tegen de drieste aanvallen. In 810 installeert hij te Gent een grote vloot die de kusten zou moeten beschermen.

 

In 811 komt hij poolshoogte nemen op het strand van Boulogne, bezoekt hij Wissant en zowat de hele kuststreek, waar hij versterkingen laat aanleggen en de defensie organiseert. Vooral de rijke abdijen zien zich bedreigd door het Noorse crapuul. Het valt niet te verwonderen dat de geestelijken ruim hun steentje bijdragen bij de verdedigingswerken van 'Charlemagne'. Ingelram en Odoacer, de forestiers van Vlaanderen, organiseren zich zo goed en zo kwaad als ze kunnen, om de diefstallen van de Noormannen te verijdelen.

 

We zien het aan de heropbouw van meerdere kerken en vooral van bouwvallige forten die de Hunnen al enkele eeuwen geleden hadden verwoest. Hier en daar wordt tijdens de eerste jaren wel wat succes geboekt met die nieuwe Frankische verdedigingsmaatregelen. Beetje bij beetje echter, verwatert de defensie. Er is vooral niets te doen aan een nieuwe inval vanuit Friesland, waar de Deen Godfried met 200 schepen aanlegt en nog eens karrenvrachten Noormannen gedropt worden aan de Vlaamse kusten. Huizen en boerderijen worden in brand gestoken tot aan de oevers van de Seine.

 

De Franken in de noordelijke provincies voelen zich in de streek gelaten door hun eigen volk. Waar blijft de hulp? Hun eigen koning zoekt hulp en slaat zelf aan het onderhandelen met de Noormannen. Op een bepaald moment laat hij zelfs zomaar het hele platteland ten noorden van de heuvels van Terwaan over aan hen.

 

Ze mogen plunderen en verwoesten wat ze maar wensen. Naar hartenlust! Zolang ze de zuidelijke gebieden maar met rust laten. Vlaanderen wordt in de steek gelaten. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn. Hier en nu vinden de Guldensporenslag van 1302 en de eeuwen lang aanslepende conflicten tussen Vlaanderen en Frankrijk hun oorsprong. In 842 spoelen de Noormannen via het Friese Katwijk de Morinische kustlijn binnen. De pagi Mempiscus en Flandrensis zullen het geweten hebben. Nieuwpoort, Zuydcoote, Mardyck, Sangatte, Wissant, Boulogne en Quentovic worden zwaar geteisterd en vernield.

 

Het gerucht van de barbaarse inval verspreidt zich als een lopend vuur naar het binnenland. De bevolking is dodelijk verschrikt en vlucht weg voor de dreigende ravages. Ze verlaten in paniek hun steden en hun kloosters. De kerken worden achtergelaten. Ze reppen zich met man en macht naar Sithiu, dat in de 7de eeuw nog Hebbingeham noemt en later zal omgedoopt worden in St.-Omer. Sithiu geldt in die dagen als een belangrijke versterking. Ze verschuilen zich hier met al hun kostbaarheden. De kerkschatten en de relieken van de heiligen worden angstig verborgen gehouden voor de grijpgrage handen.

 

Niet alles kan in veiligheid gebracht worden in St.-Omer. De geestelijken verstoppen hun overvloedige rijkdommen in uitgegraven depots onder de grond. In Villers-Plouich, in de buurt van Arras, wordt een galerie van 24 kamers uitgehakt in de stenen. In Bellinghem wordt een complex en verschillende verdiepingen tellend onderaards netwerk van gangen en overwelfde kamers aangelegd. In Hermies ontdekken spelende kinderen in 1840 een ondergrondse ruimte (l'énigme des muches) die bestaat uit 8 straten en zowat 800 cellen.

 

De raids volgen elkaar op. In 845 steken de Noormannen de abdij van Sithiu in brand. Lodewijk de Duitser, kleinzoon van Karel de Grote onderhandelt koortsachtig met de Deense koning Erik om tot een vredesbestand te komen dat er uiteindelijk ook komt in 847 met het verdrag van Meerssen. De Frankische koningen proberen de Vikingen te paaien door hen grote grondgebieden in leen aan te bieden. Maar wat baat het allemaal?

 

Het gevaar komt vooral vanuit Nederland waar de Deense broers Harald en Rorik de scepter zwaaien. Na de dood van Harald verbreekt Rorik zijn overeenkomst en maakt hij goede vriendjes met zijn neef Godfred Haraldson. In 850 duiken hun troepen opnieuw op aan de mondingen van de Schelde en de Seine. De gouw van Mempiscus en de regio van Terwaan hebben het weer zweten. In 853 geeft Karel de Kale de opdracht om een inventaris op te maken van de aangerichte schade.

 

Adelard en Wala, de abten van Sithiu en Corbie, maken deel uit van het onderzoeksteam. Ze omschrijven de toestand in onze regio als volgt: 'helaas, deze vuile oorlog heeft ons leger verwoest, er wonen noch amper mensen in onze steden en de schaarse achtergebleven inwoners hebben hun kracht en hun moed verloren.

 

Het krioelt van de vreemde snuiters die er voor hebben gezorgd dat de bevolking zo goed als uitgeroeid is. Het aantal in brand gestoken dorpen en steden is amper te tellen.' In 856 wordt Parijs een tweede keer aangevallen door de Noormannen. Nieuwpoort krijgt opnieuw bezoek in het jaar 861 wanneer de reusachtige vloot van aanvoerder Weland er voor anker gaat. Een ooggetuige vertelt dat de zee bedekt is met schepen.

 

Precies een woud van masten waar het krioelt van vervaarlijk uitziende mensen. Zeg maar roofdieren. De horde verspreidt zich over het land en volgt de loop van de Ijzer. Overdag houden ze zich schuil en 's nachts trekken ze verder richting Sithiu waar de rijkdom hen toelacht. Onderweg steken ze de abdij van Wormhout in brand. In de vroege morgen van de zaterdag voor Sinksen bereiken ze hun doel. In het klooster zijn er maar 4 geestelijken overgebleven.

 

Priester Worard is de oudste. Hij wordt bijgestaan door de diakens Winetbold en Gerwald en de jonge Reginhard. Samen wachten ze onverstoorbaar op de komst van de barbaren. Ze weigeren om te antwoorden op de vraag waar de kostbare relieken zich bevinden. Er komt foltering bij te pas. Maar ze blijven zwijgen. Worard en Reginhard worden doodgemarteld. De andere twee kunnen ontkomen. Het is de voorbode van nog meer geweld. Heel Morinië wordt het slachtoffer van brandstichtingen. Terwaan wordt met de grond gelijk gemaakt. Bisschop Humfrid ziet het niet meer zitten en wil er de brui aan geven maar paus Nicolas kan hem overtuigen om te blijven. St.-Valery, Amiens en St.-Quentin vallen ondertussen ook al ten prooi van de woestelingen.

 

Karel de Kale kan ze uiteindelijk tot staan brengen met de belofte van 3.000 zilveren ponden, maar nog voor dat het geld klaar is, eist Weland al 5.000 ponden. En ook hele kuddes vee en graan moeten ze hebben. In het eens zo machtige rijk van Karel de Grote, heerst een nooit geziene chaos en desorganisatie. En wees er maar gerust van dat de Noormannen dat in de gaten hebben. In 863 schenkt Karel de Grote Vlaanderen en Artesië aan zijn dochter Judith en wordt zijn schoonzoon Boudewijn met de Ijzeren Arm de leenheer van het nieuwe Vlaanderen. Hij krijgt de opdracht om te waken over Vlaanderen. Een bijna onmogelijke opdracht. Hier en daar bouwt hij versterkte burchten. Ook in Bergues en Dunkerque.

 

Als Karel de Kale in 877 overlijdt, is de stad St.-Omer weer verrezen rond de heropgebouwde abdij. Maar dan volgt er weer een moordende raid die nog bloediger en furieuzer is dan de vorige en die zich deze keer vooral op Vlaanderen schijnt toe te spitsen. De nieuwe terreur sleept 3 jaar aan. De bruutzakken blijven maar komen. Wie al eens ontsnapt aan hun geweld mag er zeker van zijn dat hij de volgende keer prijs zal hebben. Geen toren blijft nog overeind staan.

 

Geen enkele stad of dorp ontsnapt aan de vlammen. Geen hut of huis resteert er waar de inwoners niet zijn afgeslacht. In juli is Terwaan nog eens aan de beurt. Wat nog overgebleven is, wordt verder verwoest. De oude bisschopsstad zal de volgende eeuw zo goed als onbewoond blijven. En ook de oude abdij van Sint-Bertinus ondergaat nog eens de gewelddaden van de terroristen. Na een korte oversteek naar Engeland krijgt het arm Vlaanderen weer de volle lading.

 

Oye, Ieper, Veurne, Steenvoorde, Belle, Watten, Wormhout en Sint-Winoksbergen worden nog maar eens geteisterd en in ruïnes omgetoverd. Het blijft van langs om minder bij gewoon branden, moorden, plunderen en vernielen. Vooral de geestelijken worden het slachtoffer van vreselijke verminkingen en als ze al eens gespaard worden, dan worden ze ontvoerd en gevangen gezet. De milities van graaf Boudewijn proberen wat ze kunnen om de agressie te stoppen.

 

Hier en daar slagen ze er in om de Noormannen te verslaan maar dat is als water op een hete plaat. Binnen de kortste tijd nemen ze revanche. Na een verloren gevecht in Thun in 879 trekken ze zich terug in versterkte plekken zoals Gent en Kortrijk om er de winter door te brengen. En van daaruit blijven ze de Menapiërs en de Sueven vervolgen en uitroeien. De 23e december van 880 vallen Lobbes en St.-Vaast ten prooi aan de vlammen en, kerstmis of niet, de 25e december worden Arras en Cambrai nog maar eens onder voet gelopen. Zo gaat het de hele winter door.

 

De immense ruime tussen de Schelde en de Gironde is veranderd in een wildernis. Op de ruïnes van de verwoeste steden en abdijen groeien nu bomen en bossen waar wilde dieren zich naar hartenlust kunnen uitleven. De Noormannen krijgen nu zelf te maken met hele roedels wolven en met bruine beren. Boudewijn met de Ijzeren Arm blijft echter niet bij de pakken zitten. Hij laat de vernielde steden en kastelen weer opbouwen en versterken.

 

Rond 902 komen Ieper, Bergues en St.-Omer aan de beurt. De oude kronieken hebben het trouwens vrij regelmatig over de beren in onze streek. De vroegere naam van de abdij van St.-Ghislain, Ursigundus, verwijst ernaar. De naam 'De Beer' wordt een erfelijke titel waar Vlaamse heren mee gaan pronken. Woeste tijden zijn het. Elke vorm van cultuur is verdwenen. Na de jaren van Noorse ravages doet hongersnood zijn ultieme werk.

 

In 891 is er nog eens sprake van de Noormannen die worden teruggeslagen en in 925 eindigt deze tragische periode met de stichting van de abdij van Guînes, waar de Deen Sigfried eigenaar wordt van de uitgebreide heerlijkheid. Hij heeft zijn slag thuis gehaald. De verslagen van het concilie van Trosley in 909 omschrijven de toestand in het Vlaanderen van die dagen: 'er is bijna geen volk meer in de steden, de kloosters en abdijen zijn vernield of liggen in de as, de buitengebieden zijn desolaat en leeg.

 

Maar de mensen beginnen zich weer te verenigen en samen te wonen. Het is weer al eens de wet van de sterkste die telt. De sterken verdrukken de zwakken. De gewelddaden tegen de arme en ongelukkige sukkelaars houden niet op. De mensen hebben God opgegeven en zijn nu overgeleverd aan hun eigen ondeugden.'

 

De Vlamingen maken stilaan weer werk van hun verdediging. In 932 bouwt Everard op de top van de Groenberg van Sint-Winoksbergen (Bergues) een burcht die de 'renaissance' van het leven in Vlaanderen illustreert. In 958 krijgt Duinkerke van graaf Boudewijn III een gordel van muren. Wanneer die in 964 op bezoek komt om die bouwwerken wat te activeren, sterft de sterke man van Vlaanderen trouwens een plotse dood. Hier en daar zijn vreemdelingen zich komen vestigen, maar ze worden weggejaagd.

 

Met wat financiële hulp van de paus, kan Boudewijn IV verder gaan met de heropbouw van zijn graafschap. De versterkingen van Diksmuide, Ieper, Veurne, Bergen worden gebouwd. De expertise van Arnulf de Bevere komt bijzonder goed van pas. Dat leren we in de geschiedenis van Diksmuide. In 1162, 1170 en 1185 wordt er nog maar eens gesproken over Normandische piraten. Deze keer is er geen sprake maar van georganiseerde aanvallen, ze hebben meer de allure van zeerovers en de Vlaamse afweer houdt goed stand.

 

Onze historicus Victor Derode houdt het voor bekeken met die Noormannen. Hij buigt zich nu even over de Hunnen en de Hongaren die ook hun sporen achterlaten in Vlaanderen. De Hunnen zijn vanaf 433 aangespoeld in het kielzog van de Goten, Visigoten en de Vandalen. In de jaren 449 en 452 dringen ze door tot in Vlaanderen en vernielen ze Oudenburg. De dood van hun vreselijke leider Atilla in 453 zal hun verwoestende raids wel wat vertraagd hebben. De Hunnen bezitten een gebronsde huid, bijna zwart zijn ze. Kleine mismaakte mannen met van die vreemde spleetogen. Overal waar ze komen, laten ze souvenirs van geweld achter.

 

'De Gesel van God'; zo omschrijven de mensen die Atilla. De grafsteen van één van hun hoofdmannen wordt halfweg de 19de eeuw ontdekt in Péronne. In het Vlaanderen van die dagen leven er Saksen. Het moment is aangebroken om wat meer details te verstrekken over die Germaanse volkeren die al in de 4de eeuw en zelfs al voordien, door de Romeinen werden aangetrokken om te helpen bij de opbouw van hun verdedigingsgordels, de aanleg van hun wegen en het bewerken van het land. Zo is er sprake van dat keizer Marcus Aurelius in 291, door de barbaren verwoeste en achtergelaten, Morinische gronden in concessie geeft aan de Germanen.

 

In het zog van die Germaanse gastarbeiders komen natuurlijk hun families zich vestigen in Morinië. Onder hen dus de Saksen. De Romeinse bestuurders willen de grip houden op die immigranten en bieden hen huisvestingen aan bij de zeekant. Zo ontstaat de naam 'Littus Saxonicum', met Hulst als 'Portus Saxonicum'. De Saksen zijn trouwens al vanaf het begin van de 1ste eeuw komen afgezakt naar Vlaanderen. Van origine komen ze eigenlijk van Jutland dat in die dagen Cimbrië noemt. Een streek aan de Noordzee, die anno 2013 Denemarken en het Duitse Schleswig en Holstein beslaat. De Cimbren zijn op vrij korte tijd opgegaan in de Germaanse bevolking en worden stilaan als Saksen omschreven. Hun heimat is Saxonia, de streek rond Hamburg.

 

Ze spreken een Teutonische taal, net zoals al de toekomstige Germaanse immigranten. Onder die immigranten behoren de 'Fledmen', de 'Flamings', de 'Flamands'. Zo zo. Victor Derode is op de Vlamingen gestoten. De gelijkenis tussen de mensen van de drie groepen zorgt ervoor dat ze door verschillende auteurs door elkaar gehaald worden en onterecht als één ras beschouwd worden. Het is nogal een gratuite bewering die in zijn boek niet verder wordt gestaafd door een voorbeeld of een voetnoot.

 

Voor het tegendeel, dat de Vlamingen één ras zijn, zijn er trouwens ook geen bewijzen. De naam van Vlaanderen duikt voor de eerste keer op in de 8ste eeuw. Maar hier zijn wij dan niet tevreden mee. Terug naar het internet. Net zoals bij zoektocht naar de Bolgs is er op het eerste zicht niets te vinden over de Vlamingen. Een Leuvens proefschrift uit 1923 brengt me uiteindelijk op het goede spoor. In het oude hartje van Saxonië, Brandenburg, bestaat er een heuvelrug die de 'Fläming' heet en die zich 100 km ver uitstrekt tot in Maagdenburg.

 

Lokaal beweren ze dat de naam van de heuvelrug er gekomen is nadat de Vlamingen zich in 1157 daar gaan vestigen zijn. Een bizarre overweging. Is het niet precies andersom? Het kan geen toeval zijn dat de Vlamingen duizend jaar eerder vanuit diezelfde streek aanbeland zijn in Morinië. Langs de steden Jüterbog en Luckenwalde is er een skateroute aangelegd die de naam 'Niedere Fläming' draagt en een onderdeel vormt van de 100 km lang parcours van de 'Flaeming Skate'.

 

Jutland en Vlamingen worden hier dus in één context omschreven. Het zijn dus de 'Flaemingen' die in de tijd van Julius Caesar afzakten naar onze contreien. We trekken eens naar 1157 en checken even of er effectief Vlamingen gaan wonen zijn in Brandenburg. We vinden al snel de man die in die periode rond 1150 het gebied in zijn bezit genomen heeft. 'Een zeker markgraaf Albrecht de Beer die tot de Vlamingen behoort.'

 

Het is in die tijd een vrij verlaten regio en zijn leenheren gaan op zoek naar mensen die het land kunnen bewerken. Die vinden ze in het westen waar stormvloeden de kust van Vlaanderen overspoeld hebben en de inwoners van hun grondbezit hebben beroofd. Onze man zou geroepen hebben 'Kommt her, ihr Franken und Flamländer, hier könnt ihr herrliches Wohnland erlangen!' Tijd dus voor een bezoek aan onze Albrecht de Beer. Een indrukwekkende staat van dienst heeft die man. Maar in nog geen honderd jaar heeft hij iets te maken met de Vlamingen of met Vlaanderen, laat staan dat hij een Vlaming zal geweest zijn. Wikipedia is duidelijk en vooral erg gedetailleerd over hem.

 

En ook het argument dat de kuststreek rond 1150 weggespoeld wordt door de zee, is erg overtrokken. De Duinkerke III transgressie kent haar hoogtepunt een eeuw voordien en zorgt voor hoger water in de streek van de Ijzer, waar de fragiele duinen worden doorbroken, en rond het Zwin. Maar de mensen in die dagen zijn al volop dijkenbouwers. De schade blijft beperkt. Integendeel. Het water is een zegen. Het achterliggende Ieper is precies door dat extra water in die dagen begonnen aan een ongelooflijk succesverhaal waar zijn hele hinterland tot diep in de 13de eeuw mee zal van profiteren.

 

De aanwezigheid van de Vlamingen in Duitsland bij het stadje Jüterbog is hoe dan ook opmerkelijk. We laten even in het midden of de mensen in Jüterbog nu wel dan niet de achterblijvers of de aangespoelden zijn. Ze hebben in 1182 zelfs hun eigen geld, hun 'Moneta nova Flamingorum Jutreboek'.

 

De steden Heinsdorf (toen Hinriksdorp), Markendorf, Wolterdorf en Gräfendorf zijn Vlaams. Victor Derode merkt terecht op dat er in Duitsland steden zijn met namen als Kamerijk, Brugge, Gent, Ypern en Werbiq. De vraag blijft: wie was er eerst? Genoeg met deze overwegingen. We keren terug naar de 8ste eeuw waar de naam van de Vlamingen voor het eerst opduikt. In het boek dat de heilige Audoënus schrijft over Sint-Elooi.

 

In diezelfde eeuw komen er alweer nieuwe Saksische kolonies aan in Vlaanderen. De Frankische koning Pepijn de Korte heeft geen hoge pet op van de nieuwe volkeren die zijn land ongevraagd binnenkomen en hij gaat in het jaar 753 de confrontatie aan met de 'Alemannen'. (Allemagne, Duitsland). Karel de Grote zet aanvankelijk die strijd verder in 792 en 795. Hij slaagt er in om de Saksen in zijn rijk te pacificeren.

 

Vanaf 800 laat hij nu nieuwe Saksen met hun vrouwen en kinderen afzakken naar Vlaanderen waar ze woonplaatsen krijgen toegewezen. De nieuwe immigranten worden maar scheef bekeken door de Vlamingen. De vroegere Saksen zijn nu volledig aangepast aan de wetten en gebruiken terwijl die nieuwe zich eigenlijk weinig storen aan de heersende orde. Waar hebben ze zoiets nog meer gehoord? Het loopt zo de spuigaten uit dat de inwijkelingen onder de hoede van de graaf van Vlaanderen worden geplaatst. Ze horen hem toe en hij noemt hem zijn 'laten'. Zijn horige landgebruikers.

 

In de Westhoek vinden we de 'Laeten van onsen Geduchten Heere' in Bollezeele, Broekburg, Hillewaerscappel (vandaag is dat St.-Sylvestre-Cappel), Lederzeele, Noortpeene, Oudezeele, Rubrouck, Wemaerscappel, Zermezeele en Zuytpeene. Vooral de eerste generaties Saksen afkomstig uit Germanië spreiden een soort van wilde ontembare fierheid tentoon en vooral een hardnekkige ongehoorzaamheid. Ze blijven zich maar vijandig opstellen tegen hun chefs. Voor het minste willen ze oorlog voeren.

 

Ze koesteren een grondige haat tegen elke vorm van vreemde dominantie. Onze schrijver blijft maar kwaad spuien. Het zijn ruziemakers. Wraakzuchtige plunderaars, wrede onverschrokken en stoutmoedige avonturiers. Grote woorden. Waar de Romeinen zich schaamteloos en corrupt gedragen, zijn de Saksen een kuis en vroom volk. Als er kwaad gedaan wordt aan iemand uit de eigen familie, dan gelden de principes van oog-om-oog en tand-om-tand. Een systeem van wraakzucht als hoogste eer. Hun grootste deugd is hun moed als soldaat en ze voelen zich door God beschermd in al hun daden.

 

Hun feesten zijn bloederige bedoeningen, wilde uitspattingen waarbij ze zich willen spiegelen aan hun grootste helden en zich voorbereiden om de glorie van het Walhalla te ontvangen. Wanneer ze in de jaren 396 en 445 de teleurgang van het Romeinse rijk aan den lijve ondervinden, komen ze in opstand. Ze hebben nog niets van hun wildheid ingeboet. De schrijver die het leven van Sint-Folquinus neerpent, bevestigt het nog een keer: 'het is ongelooflijk moeilijk om die barbaren die altijd op zoek zijn naar het kwaad, te onderwerpen aan de christelijke leer'.

 

Onder de Saksische volkeren figureren de Katten. Ze komen uit de streek van Hessen. Het gebied van de Rijn en de Main bij Frankfurt, Wiesbaden, Marburg en Kassel. Het zijn de Katten die eigenlijk de meeste sporen achterlaten van hun vroege aanwezigheid in de Westhoek. De Katsberg, de Kattevliet, Kattebeke, Kattestraete, Kathove. De lust bekruipt me om ook hier de Ieperse kattenstoet aan toe te voegen. Vermoedelijk vinden we ook hier de naam van de Casselberg.

 

De naam van het stadje evolueert van Catisletum, Katsletum, Casletum naar Kattisletanus mons, Kattisletensis, Calesmons. Is het trouwens toeval dat in de plek van waar ze vandaan komen ook een Kassel bestaat? Van de 4de tot de 8e eeuw is Casletum niet meer te vinden in de boeken. 'Vermoedelijk verwoest', veronderstelt geschiedschrijver Schayes. In de 9de eeuw vinden we Cassel terug onder de naam Casletum, een oorkonde van 814 heeft het over Catisletum en de berg wordt nu omschreven als 'Cales mons'.

 

Geleidelijk aan verdwijnt de herinnering aan de Katten, maar in een akte van 1227 treffen we opnieuw de naam van Katsland en de Katsberg aan. De naam 'Cales mons' lijkt trouwens verdacht veel op 'Kales', het Calais van vandaag dat in diezelfde tijd ook als 'Caletum' wordt betiteld. Kunnen Calais en Cassel broer en zus zijn?

 

Victor Derode is aangekomen bij de Kerles, de Kerels. Hij is ervan overtuigd dat hier de echte wortels van de Vlamingen in Frankrijk terug te vinden zijn. In de noorderse talen worden de edelen aangesproken als 'Jarl'. In Engeland is dit 'Earl'. Het lager volk, de plebs, de horigen en de slaven noemen ze 'Troeelle'. De vrije en hardwerkende middenklasse mensen zijn de 'Ceorls'. Van die namen komen de namen Keerl, Kaerl, Kerel, Karlin en finaal ook Kerle.

 

Het woord Kerle staat neergeschreven in de Edda, een verzameling van de oudste mythologische verhalen uit het noorden van Europa. De Kerls en de Fledmen leven samen in diezelfde Westhoek. Enkele tellen later in onze geschiedenis versmelten ze (volgens de historicus) tot de Flemings om uiteindelijk als 'Vlaminks' te landen. De Kerls bezetten een enclave van waaruit de kasselrijen van Veurne en van Sint-Winoksbergen zich ontwikkelen. Het Kerelgebied beslaat onder andere het territorium van Broekburg, Duinkerke, Cassel, Belle, Guînes, Ardres en Terwaan. De Kerls stellen zich vijandig op tegen elke vorm van vreemde overheersing.

 

Zo kunnen ze de Romeinen die Gallië bezet houden, noch zien, noch ruiken. En ook hun haat tegen de Saksische families zit diep. In de 7de eeuw als er eigenlijk al lang geen sprake is van de Romeinen, krijgt prediker Sint-Elooi de kwalificatie van vuile 'Romein' naar zich toe geslingerd. Een uiting van hun diepste antipathie voor dat volk.

 

'Denk maar niet Romein', roepen ze naar de apostel, 'denk maar niet dat wij onze eigen cultussen gaan opgeven om je te plezieren.' De wet in Brugge is deze van de Kerels. Afgezanten van Rome en geestelijken blijven beschouwd als Romeinen. De financiële compensatie die moet betaald worden voor de moord op een geestelijke bedraagt de helft van die bij de moord op een vrije man.

 

De Salische wetten volgen diezelfde redenering: de compensatie voor de moord op een Romein bedraagt de helft van die op een Frank. De Kerels tonen trouwens diezelfde haat tegen de Franken zelf en dat manifesteert zich vrij regelmatig in de geschiedenis. Zo hebben geen goed oog in het huwelijk van de Boudewijn met de Ijzeren Arm met Judith, de dochter van Karel de Kale. Uit dat huwelijk spruit rond het jaar 865 de kleine Boudewijn II van Vlaanderen voort.

 

De Kerels dopen de kleine al vast met de zelfde bijnaam als zijn gehate grootvader en noemen hem Boudewijn de Kale. Nu zouden we dat in ons dialect sarcastisch omschrijven als 'Karel, ons kletsekopke' Een bijnaam die niet al te goed in de aarde valt bij de Franken die een flinke haardos als een teken van mannelijkheid en autoriteit aanzien. De nieuwe graaf probeert de Kerels enkele jaren later wat te paaien als hij zijn zoon de naam van Arnulf schenkt, de naam van een heilige die het bloed van de Romeinen en het Germaanse bloed van de Kerls bezit.

 

Het is een toegeving die weinig indruk maakt op de Kerels. Ze dragen hun haren kort en torsen lange baarden. Terwijl de heren, net andersom, met lange haren rondlopen en hun kin scheren. Er kan geen groter contrast bestaan. Iets wat trouwens erg opvalt tijdens de kruistochten waarbij de ridders maar al te duidelijk in schril contrast staan met het voetvolk. Graaf Boudewijn IV beslist op jonge leeftijd, hij is geboren in 980, om een belangrijk signaal te geven aan de Kerels door zelf een lange baard te dragen. En zo gaat hij dank zij de Kerels verder door het leven met de bijnaam 'Belle Barbe', Boudewijn met de Schone Baard. Hij is trouwens niet de eerste vorst, want rond 800 had Karel 'Karl' De Grote een lange baard laten vergezellen van wapperende haren.

 

Vooral met hun taal distantiëren de Kerels zich van al de rest. Ze spreken het Teutoons, Platdiets. Het Vlaams. De landheren zelf cultiveren het Frans. Dit verschil in taal vormt een onoverbrugbare barrière. Wat betekent het toch telkens een triomf voor de Kerels als ze in hun hardnekkige strijd tegen de Fransen stilaan wat meer Vlaams in hun publieke oorkonden kunnen zien verschijnen. De Kerels verachten de Franken dat ze zich lieten vangen aan het christendom.

 

Een opmerkelijk gebeuren in de geschiedenis vindt zijn oorsprong in die minachting. Zover we kunnen kijken in de geschiedenis van de Westhoek bestaat er tussen de Saksen zelf een ononderbroken staat van vijandigheid. De ene moord na de andere die dan gevolgd wordt door wraakoefeningen en represaillemaatregelen. De eer van de families staat bovenaan. De Salische wetten regeren vele honderden jaren over de streek. De Kerels begrijpen er niks van. Hoe kan je nu moorden onder landgenoten?

 

Niet dat er veel vijandigheden bestaan tussen de Vlamingen de Saksen. Dat zeker niet. Uiteindelijk zijn ze allebei voorstanders van de 'Walhalla' tradities en worden ze onderdrukt door de Franken die hen een andere cultus willen opdringen. Wees er maar gerust van dat er tussen de Saksen en de Vlamingen enerzijds en de Franken anderzijds een dodelijke strijd gevoerd wordt. De Saksen worden omschreven als 'paganissimi', onverbeterlijke boeren, een naam die voldoende zegt over hun motieven. Ursmarus schrijft het al neer voor dat het aanbreken van het jaar 700.

 

Bloedige twisten beroeren de landelijke gebieden in boerengaten zoals Nieuwkerke, Blaringhem en Strazeele. De haat tegen de Franken, doorgegeven van vader op zoon, heeft haast mythische vormen aangenomen. De vetes worden door de Saksen bijzonder scrupuleus van vader op zoon doorgegeven bij de wissel van de opeenvolgende generaties.

 

De schrijver vraagt zich af wat er in 1865 overgebleven is van die haat van de Saksen en de Kerels tegen de Fransen. 'Zit er in het hart van de Vlaming nog restanten van haat tegen alles wat Frans is?' We laten zijn opmerkingen voor wat die waard zijn. Terug naar de 'Kerls'. Eigenlijk staat de naam voor 'ploeger'. Gallië staat voor veel Germaanse volkeren als 'Kerlingaland', het land van de ploegers en de landarbeiders.

 

De militaire chefs van Morinië probeerden zich baas te maken van de vrije Kerels waarop een geanimeerde strijd is losgebroken en eerstgenoemden het onderspit moesten delven. Met Julius Caesar is het andere koek. De Kerlingse gilden worden nu gedomineerd en raken verstrikt in de Romeinse administratie en door de Romeinse eeuwen heen geraken hun wetten en gebruiken verstrengeld met die van de bezetters.

 

Met de Franken moeten ze ook al dit centraal gezag ondergaan. Alles wat ze onderling beslissen, wordt door de bezetters ongedaan gemaakt. Het lijfeigenschap woekert om zich heen, de feodale wetten grijpen iedereen die tot nog toe kon ontkomen, bij de keel. Maar de Kerels zijn authentieke mensen gebleven. Grof en bruut, mensen die geen nonsens kennen. Ze zijn fier op hun vrije afkomst, hun eertijdse onafhankelijkheid die ze zo diep hebben gekoesterd.

 

Van zodra er problemen rijzen, zien we diezelfde fierheid de kop opsteken. We zien het door de hele geschiedenis van de Westhoek en vooral ten tijde van de kruistochten. De ridders en de edelen zijn belust op die heilige oorlogen en de vrije bevolking volgt de heren voorlopig nog in hun allures. De vrije mensen verstouten zich echter met de dag. Ze komen in opstand en nemen het openlijk op tegen de 'seigneurs'.

 

Onder de naam van de 'Blauvoetijnen' ontketenen ze een burgeroorlog die maar blijft aanslepen. Zelfs nadat de revolutie al lang gekalmeerd is, blijven de gemoederen verhit en zullen ze nog lang hun rol spelen bij de onrust die Vlaanderen zal teisteren. Waar de naam 'Kerel' aanvankelijk synoniem staat voor arm en zwak en overwonnen, gaat die een nieuwe en rijke glans krijgen. Kerel zijn wordt meer en meer het synoniem van durver, stouterik en dapper. Een imago waar ze mee pronken.

 

De nieuwe betekenis van Kerel wordt geadopteerd door de Vlaamse taal. 'Een frischen keirel' zeggen ze in 1865, een mooie man met een fiere uitstraling. Als ze praten over hun kinderen dan zeggen de moeders 'die van ons is toch een kereltje'. C'est un petit kerle. Of 'Het is een kloeken keirel'. Het woord Kerel is uitgegroeid tot een voornaam. De namen Carl, Karel, Charles, Charlotte en Caroline zijn algemeen verspreid over Vlaanderen.

 

Van de Kerels springen we naar de Vlamingen. Wanneer precies begonnen de Saksen en de Kerels zich als Vlamingen te beschouwen? De auteur blijft het antwoord schuldig. De Vlaams geschiedkundige Olivier de Wree baseert zich op het 12de eeuwse handschrift 'Flandria generosa' om de naam Vlaanderen af te leiden van 'Frylander', het land van de vrijen. Een term die we trouwens terugvinden in de buitenomgeving van Brugge die gemeenzaam het 'Brugse Vrije' wordt genoemd.

 

Ook de naam van Fled-man duikt weer op. De schrijver is er van overtuigd dat hier de basis ligt van de naam 'Vlaming'. Zijn de Germanen die achterblijven in het noorden van Duitsland hun soortgenoten die wegvaren en vertrekken naar Gallië gaan bekijken als 'weggevaren' mannen. Fled Man? Vlaming als emigrant dus.

 

De mannen en vrouwen die in de primitieve tijden het noorden achter zich lieten om naar de Gallische kust te komen wonen. De rivier de Aa, met zijn monding in Grevelingen, heeft de nieuwe inwijkelingen nooit tegengehouden. Ten westen van de Aa krioelt het letterlijk van de dorpjes met een Vlaamse naam. Zutkerque, Polinckove, Ruminghem, Mannequebeur, Tournehem, Bayenghem, Moringhem, Inglinghem, Barbinghem, Tatinghem, Leulinghem, Assinghem, Westove.

 

We kunnen zo nog een heel eind verder gaan. In 862 reikt Vlaanderen tot hier. West-Vlaanderen is in die dagen dubbel zo groot als heden. Vlaanderen reikt tot in St.-Valery-en-Caux en omvat zelfs de Pontheu, het 'Ponteland' met Abbeville als hoofdstad, waar het Vlaams lange tijd de streektaal zal blijven. Stilaan duikt de schrijver de 11de eeuw binnen met hier en daar weer die verrassende nieuwe inkijk in ons gemeenschappelijk verleden. Iets waar we al naar uitkijken bij één van onze volgende kronieken.