P0947100

Het jaar 947. Graaf van Vlaanderen Arnulf heeft er juist de vijandelijke Willem Langzwaard in koelen bloede vermoord. Reden? De macht in Montreuil en een Vlaams grondgebied dat zich moet uitstrekken tot aan de grens van Normandië. We herbeleven de pioniersjaren van Vlaanderen. Graaf Arnulf zorgt tijdens zijn leven eveneens voor een grondige hervorming van de abdijen in zijn territorium.

 

Het begint bij de Gentse Sint-Pietersabdij die eigendom was van zijn vader en waar zijn vader en moeder begraven liggen. Arnulf wil het klooster, dat er sinds de tijd van de Noormannen verarmd en vervallen bij ligt, een nieuw elan geven. Hij vraagt advies bij Transmarus de bisschop van Doornik. Transmarus is opgezet met de plannen van de graaf en stuurt zijn aartsdiaken Bernacer naar Gent die begint met een zuivering van de kloostergemeenschap.

 

De kanunniken worden voor de keuze gesteld: ofwel leven ze volgens de regels van de Benedictijnen ofwel verlaten ze het klooster. Gerard van Brogne wordt aangesteld als nieuwe abt. De geestelijke zuiverheid en integriteit van de abdij herstelt zienderogen. Nu moet ook nog het stoffelijk bestaan van de kloostergemeenschap gewaarborgd worden. 'It's all about the money'. Toen al. Arnulf staat een stuk van zijn gronden af aan de kloosterlingen. Ook in het klooster van Sint-Baafs te Gent worden er diepgaande hervormingen doorgevoerd.

 

Ik zou wel eens willen weten waarom Arnulf eigenlijk zoveel energie spendeert in die abdijen. Veel van die abdijen zijn zo goed als geruïneerd achtergebleven na de periode van de Noormannen, maar de kloosterlingen waren er al bij al snel teruggekeerd. De abdijen zijn in het bezit van uitgebreide domeinen in Vlaanderen en vormen hoe dan ook een macht in de macht. Bovendien leven de kanunniken in nauw contact met de lokale bevolking op wie ze grote invloed uitoefenen. Dat blijkt als er een grote hervorming in de abdij van Sint-Bertijns wordt doorgevoerd. De machtige abdijen gedragen zich vrij zelfstandig en alleen een radicale verandering in de geesten kan het grafelijk binnen de muren van de vele Vlaamse kloosters ten volle laten gelden.

 

De hervormingen die Gerard van Brogne zowat overal doorvoert, zijn er dus voornamelijk op gericht om het grafelijk gezag te herstellen. Hoe dan ook zijn efficiënt gerunde abdijen een garantie op een goed beheer van de onmetelijke landgoederen van graaf Arnulf. In 941 wordt de hervorming van de Sint-Pietersabdij doorgevoerd.

 

In 944 komt Sint-Bertijns, de machtige abdij van Ternois, aan de beurt. Op 15 april 944 worden de kloosterlingen die zich niet goedschiks willen onderwerpen aan de regel van de Benedictijnen met geweld uit de abdij verjaagd. De naburige bevolking (zo ook in Poperinge, dat eigendom is van de abdij) toont zich hevig ontstemd en noopt de graaf tot nieuwe onderhandelingen met de verjaagde monniken en hij weet een aantal onder hen te overhalen om verder te gaan onder het rechtstreekse bevel van Gerard van Brogne.

 

Op korte tijd worden verschillende abten versleten aan het hoofd van Sint-Bertijns, tot Hildebrand, een neef van Arnulf, in 950 aan het hoofd komt te staan van het klooster. Onder leiding van deze Hildebrand komt Sint-Bertijns opnieuw tot grote bloei en wordt het klooster een brandpunt van cultuur. Hildebrand en Gerard van Brogne voeren zijde aan zijde hervormingen door in de resterende abdijen. Uiteindelijk winnen zowel de kerk als de staat aan de doorgevoerde hervormingen van graaf Arnulf van Vlaanderen. Met de dood van koning Lodewijk van Frankrijk in 954 breekt een periode van rust aan.

 

Ook in Vlaanderen is dit het geval. De periode 954 tot 961 betekent een hoogtepunt in de regering van Arnulf. De 60-jarige vorst laat de schaarse opflakkeringen van geweld over aan zijn enige zoon Boudewijn. Hij zelf geniet van zijn triomfen. Boudewijn III huwt in 961 met een Duitse prinses. Mathildis is de dochter van de Saksische hertog. Boudewijn wordt aangesteld als medegraaf van zijn vader. Uit het huwelijk wordt één zoon geboren die genoemd wordt naar zijn grootvader: Arnulf. Het geluk van de oude Arnulf kan niet op: zijn vorstendom kan verder gezet worden in rechtstreekse mannelijke lijn: van vader op zoon en kleinzoon. De toekomst lijkt gegarandeerd.

 

Maar plots gebeurt iets vreselijk. Boudewijn wordt aangetast door de pokken en sterft na enkele dagen, (op 1 januari 962 in het Sint-Bertijnsklooster) aan zijn besmetting. De dood van zijn zoon betekent een mokerslag voor de oude graaf. Zijn kleinzoontje is amper enkele maanden oud terwijl hij zelf kromgebogen rondloopt. Hoe moet het nu verder? De strijd om de macht in Vlaanderen barst los. In 962 zijn de kinderen van zijn overleden broer Adalolf al lang volwassen. Ze eisen het erfdeel op dat hun oom Arnulf hen heeft afgenomen wanneer hun vader stierf. De oude Arnulf zit met de daver op het lijf uit angst voor die twee neven die nu plots dreigen zijn levenswerk ongedaan te maken. Hij slaat in paniek.

 

Hij is er van overtuigd dat die twee gasten zijn kleinzoon zullen aandoen wat hij hen heeft aangedaan. Uit pure wanhoop laat hij één van hen ombrengen. Hij hoopt zo de andere schrik aan te jagen. Het is een vergeefse poging. De overlevende neef die ook al Arnulf heet, gaat nog harder te keer tegen zijn oom. De graaf ziet geen andere uitweg om zijn opperleenheer, de Franse koning Lotharius, de zoon van zijn overleden vriend Lodewijk, om hulp te vragen. Hij stelt een deal voor: bij zijn dood zal de Franse koning alle nieuw veroverde gebieden erven in ruil voor de erkenning van zijn kleinzoon als graaf van Vlaanderen in de rest van het vorstendom Vlaanderen. In afwachting zou Lotharius de voogdij uitoefenen op de minderjarige kleinzoon Arnulf II.

 

Het akkoord wordt getekend in het jaar 962. De Franse koning treedt bovendien op als bemiddelaar tussen de graaf en zijn opspelende neef. Uiteindelijk volgt de toezegging dat die zijn vaderlijk erfdeel, Boulogne en Ternois, zal erven bij de dood van zijn oom. Een neef van Arnulf de Grote wordt aangesteld als voogd van de kleinzoon. De man heet Boudewijn Baldzo. Hij stelt zijn schoonzoon Hilduinus en een zekere Eric aan tot uitvoerders van het testament. Arnolf, graaf van Vlaanderen legt uiteindelijk en definitief het hoofd neer in het jaar 964.

 

De dood van de grijsaard betekent meteen het sein voor een algemene anarchie binnen Vlaanderenland. De krachtige hand die iedereen in toom hield, is verdwenen. Het lijkt er op dat iedereen ten volle wil genieten van een nieuwe zelfstandigheid. De edellieden gaan op hun domeinen heerlijke rechten uitoefenen die voordien enkel aan de graaf toekwamen. De leengebieden die ze in gebruik kregen van de graaf, gaan ze beschouwen als hun eigendom.

 

De kerken en abdijen die niet langer kunnen rekenen op hun beschermheer worden voor een groot deel van hun bezittingen beroofd door de mensen in hun omgeving. Op een hoger plan is het nog erger gesteld. De dichte verwanten van de kleine Arnulf beginnen grote delen van het vorstendom in te palmen. De zogezegde beschermer van de wees, Boudewijn Baldzo, zorgt voor de komst van een nieuw graafschap, dat van Kortrijk. Dirk, de oom van de kleine markgraaf wordt graaf van Gent en van Waas. De maatregelen die de oude graaf had getroffen hebben niettemin toch enig effect.

 

Koning Lotharius rukt in 965 met zijn leger door tot aan de Leie. De Vlaamse edellieden die in de waan leven dat ze baas zijn in eigen huis, bieden weerstand maar lijden het onderspit tegen hun Franse opperleenheer. Lotharius speelt het spel correct: hij laat het vorstendom intact, hij beschermt de kleine Arnulf en beheert het domein Vlaanderen in afwachting van diens volwassenheid. De zaken blijven onveranderd tot in 976.

 

Kleinzoon Arnulf II blijkt een niet al te groot licht te zijn. Hij staat al sinds 954 onder de bescherming van de Franse koning Lotharius. Ondertussen evolueert de vriendschappelijke relatie tussen Frankrijk en Duitsland geleidelijk aan tot een diepe vijandschap. Lotharius kan het zich niet langer permitteren om zijn troepen ter beschikking te stellen voor zijn zwakke Vlaamse leenheer. Bovendien vreest de Franse koning dat de Vlaamse adel wel eens de kant zou kiezen van de Duitse keizer. Het is voor Lotharius dan ook het beste om Arnulf voldoende gezag te geven zodat hij Vlaanderen zo zelfstandig mogelijk zal kunnen leiden.

 

In 976 eindigt zijn speciale ondersteuning en moet Vlaanderen voortaan zijn eigen boontjes doppen. Ondertussen zit de Duitse keizer niet stil. Langs de rechteroever van de Schelde worden op verscheidene plaatsen burchten gebouwd en versterkte grenszones aangelegd. Valencijn, Ename, en veel andere, met Antwerpen als hoofdvesting. De Duitse keizer speelt het strategisch niet slecht: aan het hoofd van de marke van Ename plaatst hij graaf Godfried van Verdun als bevelhebber. Die is notabene de stiefvader van graaf Arnulf.

 

De Duitse interesse in het Vlaamse gebied van Arnulf is zonneklaar. Zijn grootvader zou de twee genadeloos tegenover elkaar hebben uitgespeeld maar de jonge Arnulf is hier de man niet voor. Hij is al lang dik tevreden met wat er van zijn graafschap is overgebleven. Het leven dobbert verder. In de streek van Boulogne gaat zich een groep Scandinaviërs vestigen vaar waaruit het graafschap Guines zich ontwikkelt. Het graafschap Boulogne-Ternois valt uiteen. De voogd van Arnulf, Boudewijn Baldzo, is al een hele tijd gestorven.

 

Kortrijk is nu in handen van een zekere Eilbodo. Het noordelijk deel van Vlaanderen behoort nu al tot het vorstendom van de graaf van West-Friesland. En Arnulf II laat het allemaal maar betijen. Arnulf treedt in het huwelijk met een niet zo jonge Italiaanse vorstin Rosela die hem een zoon schenkt: Boudewijn. Hijzelf sterft in 988 op 26-jarige leeftijd. Vlaanderen gaat opnieuw van start met een kind als graaf. Zal het vorstendom dit overleven?

 

Aanvankelijk ziet het er zeker niet goed uit! De invloedrijke en machtige graaf van West-Friesland probeert via de Franse koning het hele grondgebied te verwerven. Koning Lotharius is al een tijdje gestorven en ook diens zoon geniet al van de eeuwige rust. Na hem is Hugo Capet op de Franse troon gekomen. De nieuwe Franse koning is de erfgenaam van een verarmd adellijk geslacht dat al veel robbertjes heeft gevochten met Arnulf I en door diens toedoen veel van zijn grondgebied heeft verspeeld.

 

Hugo Capet laat al vlug zijn oog laat vallen op het grondgebied van het vorstendom Vlaanderen. De dood van Arnulf II lijkt hem een ideaal ogenblik om zijn ambities kracht bij te zetten. Waarom zou hij niet in het huwelijk treden met diens rijpe weduwe en het voogdijschap over de jonge Boudewijn IV niet uitoefenen? Wie weet kan hij het hele grondgebied van Vlaanderen erven? De Franse koning speelt het slim. De Vlamingen weten al dat de Franse koning de minderjarige Vlaamse graaf zal beschermen tot aan zijn meerderjarigheid. Capet belooft de gebieden van Artois, Ostrevant en Pontheu terug te schenken aan de weduwe Rosela zodat het oude graafschap van Arnulf I hersteld zou worden. Het voorstel wordt in dank aanvaard.

 

Merci. Hugo Capet en Rosela treden rond het jaar 990 in het huwelijk. De graaf van West-Friesland krijgt op zijn expliciete vraag om Vlaanderen te verkrijgen een volmondige nul op het rekest. Vlaanderen lijkt ontsnapt aan een ramp. Maar zal het kunnen weerstaan aan de invloed van de machtige Franse kroon? Maar het huwelijk tussen de jonge Capet en de oudere Rosela loopt al snel op de klippen. Rosela wordt buitengegooid door haar echtgenoot. De huwelijksbreuk blijft niet zonder politieke gevolgen. De Franse koning legt onrechtmatig de hand op alle eigendommen van zijn ex-vrouw. De Vlamingen kiezen natuurlijk de partij van hun vorstin. Ze sluiten een alliantie met de Odo, de graaf van Chartres, die in oorlog is met Hugo Capet. Het is niet duidelijk hoe die oorlog afloopt.

 

Er volgt een akkoord. Artois en Ostrevant komen terug bij Vlaanderen terwijl Pontheu met Montreuil naar de Franse kroon terugkeren. Rosela trekt zich terug bij haar zoon in Vlaanderen waar ze op 15 december 1003 overlijdt. Ze wordt begraven in de Sint-Pietersabdij naast haar echtgenoot Arnulf de Tweede. De jonge Boudewijn IV is ondertussen ouder geworden. De jonge man blijkt al snel over de durf en de assertiviteit van enkele van zijn roemrijke voorvaderen te beschikken.

 

Hij beslist al heel vroeg voor zichzelf dat de grafelijke invloed in Vlaanderen weer zal moeten hersteld worden. Het ziet er inderdaad allemaal niet zo goed uit. Het grafelijk gezag is tot op een dieptepunt gezakt. De graven van Gent, Kortrijk en Boulogne zijn zo goed als zelfstandig. Alleen in een klein deel van zijn rijk is hij werkelijk meester. Deze situatie moet en zal veranderen! Het is niet bekend of het ingrijpen van de nieuwe graaf zich baseert op diplomatie of op geweld. Vermoedelijk zal het wel een combinatie van beiden zijn geweest. Al vrij snel wordt Eilbodo, de heerser van de Kortrijkse gouw, van zijn onwettig eigendom verjaagd.

 

In West-Friesland is er een machtsvacuüm ontstaan na de dood van de graaf daar. Er is wel een minderjarige opvolger, maar in afwachting van diens machtsperiode aarzelt Boudewijn helemaal niet om de noordoostelijke graafschappen van zijn vorstendom, Gent en Waas weer rechtstreeks aan zijn gezag te onderwerpen. Overal doorheen Vlaanderen organiseert Boudewijn zich om zijn gezag beter te laten gelden. Terwijl hij de opstandige graven aan zijn gezag onderwerpt kijkt de jonge Boudewijn al eens over de grenzen. Bestaan er mogelijkheden om het Vlaamse grondgebied uit te breiden? De graaf denkt inderdaad zoals zijn voorvaderen. Maar ja, die leefden in een tijd waarin een labiel Frans regime een twijfelachtige macht had op Noord-Frankrijk. Die tijden zijn echter sterk veranderd.

 

Er heerst nu rust en stabiliteit in Noord-Frankrijk. Hugo Capet mag dan niet al te machtig zijn, maar hij heerst niettemin met gezag over zijn territorium. Neen, er vallen niet veel opportuniteiten te rapen aan de zuidelijke grens van Vlaanderen. In het oosten liggen de zaken duidelijk anders. Er zijn signalen dat de voornaamste graven uit die streek steeds minder het keizerlijk gezag van de Duitsers kunnen verdragen. Voorbeelden hiervan zijn de graven van Leuven en die van Henegouwen. Het Duits gezag wordt uitgeoefend door de bisschoppen die de grafelijke rechten uitoefenen over uitgestrekte gebieden.

 

De Lotharingse graven beginnen zich stilaan te keren tegen deze bisschoppen met de bedoeling een deel van het bisschoppelijk vorstendom terug te winnen. De uitbreiding van Vlaanderen naar het oosten toe is natuurlijk niet evident want de versterkte zones aan de rechteroever van de Schelde vormen niet te onderschatten hinderpalen. Boudewijn IV krijgt meer en meer de ambitie om die hinderpalen uit de weg te ruimen. Aan de westelijke kant van de Schelde laat hij op zijn beurt vestingen bouwen.

 

Zo komen er vestingen in Gent, Oudenaarde en Doornik. De Schelde wordt steeds belangrijker. Niet alleen militair maar zo goed als alle handelsverkeer van het zuiden naar het noorden van het graafschap gebeurt via de Schelde. Het koren uit Artesië en de wol voor de Gentse lakenindustrie worden via deze imposante stroom aangevoerd, net zoals een aanzienlijk deel van de Vlaamse groothandelsproducten. Het risico dat de Duitsers deze stroom vanuit het oosten blokkeren stijgt met de dag. De bouw van die burchten is er dan ook vooral op gericht om die dreigende blokkade af te wenden. En vooral de ligging van Gent, na Atrecht, de voornaamste stad van Vlaanderen, baart de graaf zorgen.

 

Gent is aan de oostelijke kant van het vorstendom gelegen en zou in geval van oorlog amper te verdedigen zijn. De bevoorrading van graan komt voor een belangrijk deel uit de rijke graanstreek in de gouw van Aalst. De sterk toenemende bevolking in Gent vergt meer en meer graanvoorraden van de graanzolder van het Land van Aalst, dat voor alle duidelijkheid gelegen is in het Duitse keizerrijk.

 

En natuurlijk heeft Boudewijn de imperialistische trekjes geërfd van zijn voorouders. Als hij de kans krijgt om aan de oostelijke kant van de Schelde een gebied te verwerven ter grootte van zijn bezit aan de Westelijke kant, waarom zou hij dan nog twijfelen? In 995 worden de eerste pogingen van Boudewijn vastgesteld. Als de bisschop van Kamerijk sterft, dringt Boudewijn er op aan bij de keizer om Azelinus, een onwettige zoon van zijn vader, aan te stellen tot diens opvolger.

 

Het plan mislukt. Rond het jaar 1000 begint de strijd voor Lotharingen pas voorgoed. Als keizer Otto III in 1002 sterft is het al volle bak oorlog tussen Boudewijn van Vlaanderen en Arnulf, de keizerlijke markgraaf van Valencijn. In 1006 sluit de graaf van Vlaanderen een bondgenootschap met graaf Lambrecht van Leuven waardoor de keizersgezinden uit die streek verhinderd kunnen worden om tussen te komen in Valencijn. Hierdoor kan Boudewijn zich meester maken van Valencijn. Die verovering zorgt voor een schokgolf. Niet alleen bij de Duitse keizer maar al evenzeer bij de Franse koning. De machtsstatus van Boudewijn baart hen beiden zorgen. Ze besluiten een bondgenootschap te sluiten tegen de imperialistische Vlaamse graaf. Ook de hertog van Normandië sluit zich aan bij dit bondgenootschap.

 

In september van het jaar 1006 daagt een reusachtig leger op voor de vestingen van Valencijn waar Boudewijn zich heeft verschanst. Maar de graaf verdedigt zich uitstekend. Als de winter aanbreekt kunnen de vijandelijke troepen niets anders doen dan hun beleg op te breken en onverrichterzake naar huis terug te keren. Boudewijn profiteert van die aftocht om lelijk huis te houden in de kerk van Kamerijk en haar bezittingen op vreselijke manier te verwoesten. De Duitse keizer die al in het verlies van Valencijn aan het berusten was, vindt de agressiviteit van de Vlamingen maar al te grof en wijzigt zijn plannen om Polen binnen te vallen.

 

Hij besluit zijn pijlen te richten op de aanmatigende graaf van Vlaanderen. Ter hoogte van Aken wordt een imposante strijdkracht geconcentreerd. Begin 1007 begint de mars op Vlaanderen. Via Luik, Leuven en Brussel bereikt het Duitse leger de Scheldegrens waar de Vlaamse strijdkracht de Duitsers in verspreide slagorde opwacht. Een afdeling slaagt er in om een eind verder stroomopwaarts de Schelde over te steken en voert een verrassingsaanval uit op de Vlamingen die zich noodgedwongen moeten terugtrekken van hun verdedigingsposities aan de Schelde.

 

Het keizerlijk heir dringt nu binnen in heel Vlaanderen. Het land wordt op onbeschrijfelijke wijze verwoest en geplunderd. Op 19 augustus 1007 bereiken de Duitsers Gent. Boudewijn begrijpt het nutteloze van zijn verzet en onderwerpt zich aan keizer Hendrik II. Hij moet natuurlijk de streek van Valencijn teruggeven aan de Duitsers. Maar wat Boudewijn in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn gat! In 1012 mislukt een nieuwe poging om zijn oom Azelinus te laten installeren als bisschop van Kamerijk. Maar deze keer speelt Boudewijn het slimmer: hij probeert de vriendschap te winnen van de nieuwe bisschop. Deze houding wordt erg op prijs gesteld door Hendrik II van wie het gezag zelf aan het wankelen is door een opstand van zijn edelen in Lotharingen.

 

Hij hoopt dat de Vlaamse graaf zijn macht zou ondersteunen en overlaadt hem plots met presentjes. Zo schenkt hij Walcheren met de bijhorende Zeeuwse eilanden en uit eilanden bestaande streek van de Vier Ambachten aan Boudewijn IV. Kort daarop, in 1015, maakt de graaf gebruik van de dood van Arnulf van Valencijn om deze stad opnieuw te bezetten. En deze keer gebeurt dat ongestoord. Boudewijn heeft dan toch vaste voet gekregen aan de andere kant van de Schelde. Over de jaren daarna is er vrij weinig geweten.

 

Er is in elk geval een verzwakking in Boudewijns machtspositie waar te nemen want in 1019-1020 is hij al weer in oorlog tegen zowel de Duitse keizer als tegen de Franse koning. In 1019 komt de Franse koning Sint-Omaars belegeren en in 1020 rukken de Duitsers binnen te Gent. Over de afloop van beide gebeurtenissen is niets bekend. Boudewijn is ondertussen wel tot het inzicht gekomen dat hij zijn Lotharingse politiek enkel ongestoord verder kan verder zetten door een bondgenootschap aan te gaan met de Franse kroon.

 

Uit zijn huwelijk met Otgiva van Luxemburg heeft hij één zoon, Boudewijn, die later Boudewijn van Rijsel zal worden genoemd. Het komt tot een verloving tussen Boudewijn van Rijsel en Adela de dochter van koning Robrecht van Frankrijk. Deze verbintenis tussen het koninklijk huis van Frankrijk en de grafelijke dynastie van Vlaanderen zal leiden tot een hele eeuw vrede tussen Frankrijk en Vlaanderen! Als de Duitse keizer in 1023 sterft, breekt er een burgeroorlog uit in Lotharingen. Boudewijn probeert te profiteren van de situatie maar het oproer kan hem al met al weinig tastbaar voordeel opleveren. Het kan niet altijd kermis zijn. Eén van zijn ambities, de streek van Kamerijk inlijven, wordt niet waargemaakt.

 

Op andere gebieden heeft hij voorlopig meer geluk. Een aantal graafschappen langs de middenloop van de Schelde worden, via gearrangeerde huwelijken, samengevoegd bij de versterkte mark van Ename. De mark van Ename komt in de handen van Reinier V, de graaf van Henegouwen, die dus meester wordt van de hele streek ten oosten van de Schelde. Het hele gebied blijft natuurlijk onder het gezag van de Duitse keizer, maar nu kan Boudewijn zich tenminste concentreren op één vijand: de graaf van Henegouwen.

 

In 1033 vallen de Vlamingen de grote burcht van Ename aan en steken die in brand. Ze blijven, ondanks de tussenkomst van de keizer, aan de winnende hand. In het jaar 1040 zijn de Vlamingen meester geworden over het hele gebied tussen Schelde en Dender. Een gezag dat door de Duitse keizer wordt erkend. Boudewijn IV is er in geslaagd het zwakke bestuur van zijn vader om te draaien tot een beleid met strategisch inzicht. De uitvoering van zijn plannen om de zuidelijke kant van Vlaanderen te stabiliseren en zich te concentreren op een gebiedsuitbreiding naar het oosten toe is prima geslaagd. En verder naar het oosten liggen nog gebieden waar de machtsposities aan het wankelen zijn.

 

Tijdens zijn bewind zorgt Boudewijn voor een grondige reorganisatie van de grafelijke macht in zijn vorstendom. Waar bij zijn voorouders een reeks van graven en ondergraven in elke gouw zelfstandig konden opereren, is zijn gezag bijzonder dominant geworden. Het is opvallend dat tijdens zijn legislatuur de term 'gouw' in onbruik geraakt en vervangen worden door de territoriale term 'kasselrij' waar aan het hoofd een burggraaf wordt geïnstalleerd. De indeling van Vlaanderen in kasselrijen zal blijven bestaan tot in de 18de eeuw.

 

Aan het hoofd van elke kasselrij staat een burggraaf die vertegenwoordiger is voor de graaf in het hele ambtsgebied. Hij spreekt recht, zorgt voor het aanvoeren van troepen, doet vrede heersen, beschermt kerken en abdijen in naam van de graaf en zorgt voor de uitvoering van de grafelijke bevelen. De graaf is de grootste grondeigenaar van Vlaanderen. Hij bezit overal uitgestrekte landerijen en boerderijen. Er is een hele administratie van doen om dat domein voor hem te beheren. Het personeel dat de administratie verricht, wordt gekozen uit de geestelijkheid, meer bepaald de clerus van de kapellen en abdijen.

 

In de 10de en 11de eeuw heeft de graaf nog geen vaste verblijfplaats. Hij reist met zijn hof van de ene burcht naar de andere, verblijft er een korte tijd en verhuist dan naar een andere verblijfplaats. Toch is de burcht van Brugge één van de favoriete verblijfplaatsen van de graven. De burcht, verblijfplaats van de burchtgraaf, is vanuit alle oogpunten, rechterlijk, administratief, economisch en militair, het centrum van de kasselrij. De meeste van die versterkte kastelen dateren uit de tijd van de Noormannen.

 

Ze werden gebouwd vanuit een concreet strategisch perspectief. In onze streken waar geen rotspunten of steile heuvels kunnen zorgen voor een natuurlijke bescherming, zijn die strategische plekken altijd belangrijke verkeerspunten. De plaats waar rivieren samenkomen of over de welke men over valleien kan heersen. De plaats waar wegen elkaar kruisen, waar een rivier stroomopwaarts niet langer bevaarbaar is. Ook plaatsen waar schepen op een snelle en veilige manier grote hoeveelheden manschappen en proviand kunnen aanvoeren zijn populair.

 

Op die manier ontstaan de burchten van de graven van Vlaanderen: deze van Gent, Brugge, Oudenaarde, Kortrijk, Rijsel, Sint-Winoksbergen, enz. De burchten spelen trouwens nog een andere rol! De handel die in de Karolingische tijd bestond, was met de invallen van de Noormannen totaal stilgevallen, maar herleeft spontaan na hun vertrek. Te land en vooral per schip worden handelswaren aangevoerd.

 

Metaal uit Engeland, wijn uit de Rijnstreek, kostbare producten en specerijen uit het oosten, of gewoonweg graan dat door het ontbreken van lokale oogsten van levensbelang is voor de Vlamingen. Schepen vervoeren de wol van de plaatsen waar zich veel schapen bevinden naar de regio waar de lakennijverheid begint te groeien. De reizende handelslieden staan bloot aan veel gevaren want rovers van allerlei allooi zijn tuk op hun buit. En hoe vaak komen ze niet terecht in de talrijke oorlogstaferelen van die tijd? De handelaars proberen zich veiligheidshalve in groep en in karavaan te verplaatsen. Dat geldt natuurlijk voor de zomer, maar waar kunnen ze terecht in de herfst- en winterperiodes? Als ze niet kunnen reizen?

 

De handelaars gaan zich vestigen in de schaduw van de eerste kastelen en burchten. Hun ligging is strategisch goed gekozen en hier kunnen de 'mercatores' in contact komen met soortgenoten die hen advies kunnen geven over de markt en de koopwaar. En in de buurt van burchten verblijven er méér en méér mensen met wie er zaken te doen vallen.

 

Naast de meeste burchten ontstaat er een markt waar handel kan gedreven worden. Zoals het Veerleplein aan het Gravenkasteel te Gent, de grote markt bij de Burg in Brugge. Het wordt stilaan een vaste traditie dat handelaars overwinteren bij een burcht. Die betekenen een vast en regelmatig afzetgebied voor ambachtslieden, herbergiers en winkeliers die dan ook komen wonen in de nabijheid van een burcht. Zo wordt de burcht stilaan de kern van een stad.

 

Zowat alle Vlaamse steden ontstaan op die manier. In die tijd betekent een stad niet meer dan een groep huizen rond een burcht met hier en daar een kerktorentje dat boven de daken uitsteekt en die bewoond wordt door mensen die zich langzaamaan bewust aan het worden zijn van hun gemeenschappelijke belangen. Het herleven van de handel en nijverheid is niet zonder belang voor de graaf van Vlaanderen. Hij bezit onmetelijke schapenweiden aan de kust en is zo een grote producent van wol die hij moet zien te verkopen. En zoiets vergt een goed georganiseerd handelsverkeer. Langs de verkeerskanalen kan hij bovendien tol heffen.

 

Het is dan ook evident dat de graaf het ontstaan van steden rond burchten en de concentratie van potentiële klanten toejuicht en stimuleert. De voorgangers van Boudewijn IV waren rechtstreekse opvolger van de Karolingische gouw in Vlaanderen. Dat betekende dat ze het beleid konden voeren in alle gebieden. Of die nu hun persoonlijke eigendom was of die van andere leenheren, deed er eigenlijk niet toe. De graaf kan overal in Vlaanderen rechtspraak uitoefenen, soldaten lichten, belastingen heffen en ambtenaren aanstellen.

 

Na de dood van Arnulf I is er veel veranderd. Overal doorheen het graafschap hadden de heren in meerdere of mindere mate zich zelf heerlijke rechten gaan toe-eigenen. De ene sprak recht op zijn land, de andere hief belastingen op de ingezetenen van zijn domein en nog anderen verplichtten hun onderdanen om voor hem ten strijde te trekken. Elk gedroeg zich alsof hij de graaf van zijn rijk was.

 

Waar er vroeger sprake was van één vorstendom, was Vlaanderen veranderd in een lappendeken, een mozaïek van kleine heerlijkheden, waar het vorstelijk gezag nog maar gedeeltelijk kon gelden. Het gezag van de graaf was van bedroevend laag niveau, het beheer over Vlaanderen was erg kritisch geworden. De situatie was niet eenvoudig voor graaf Boudewijn IV die natuurlijk weer graaf wilde zijn over een homogeen rijk. De mogelijkheid om de situatie op autoritaire en krachtdadige manier te herstellen zou niet lukken, want dan zouden alle edelen zich tegen hem keren. Boudewijn kon zich veroorloven om vreemden aan zijn wil te onderwerpen, maar met zijn eigen achterban was dit andere koek. Hoe kon de graaf dan die situatie ongedaan maken?

 

De regering van Boudewijn IV en zijn opvolger valt samen met het ontstaan van de zogezegde 'godsvrede'. Een aantal hooggeplaatsten gaan zich engageren om een aantal burgerrechten te respecteren en op menslievende manier oorlog te gaan voeren. Dit betekent het sparen van vrouwen en kinderen, van de niet strijdende burgerbevolking en het vermijden van nutteloze en zinloze verwoestingen. De godsvrede als eerste kiem van het toekomstige volkenrecht! Het probleem met de godsvrede is dat deze enkel een ambitie, een doelstelling is, waarbij mensen zich uit vrije wil bij kunnen aansluiten.

 

Er worden echter geen sancties voorzien voor wie de godsvrede niet respecteert. De geestelijke straffen die soms opgelegd worden, zijn in elk geval niet erg doeltreffend te noemen. De godsvredebeweging was ontstaan in Zuid-Frankrijk en bereikt Vlaanderen via Reims in 1023. Boudewijn snapt al vrij snel de voordelen die er voor zijn persoonlijke machtspositie in deze godsvrede schuilen. Hij laat in 1030 een grote hoeveelheid relikwieën in Oudenaarde samenbrengen, waarna hij de godsvrede officieel uitvaardigt in Vlaanderen.

 

Later verplicht hij bisschop Gerard van Kamerijk-Atrecht om ook over te gaan tot dergelijke uitvaardiging. Maar waarom is de afkondiging van die godsvrede nu zo belangrijk voor de Vlaamse graaf? Die wordt trouwens zowat overal geestdriftig onthaald maar evengoed door iedereen over het hoofd gezien. Met de steun aan die godsvrede in zijn graafschap maakt Boudewijn echter het overtreden van deze godsvrede synoniem met het overtreden van een grafelijk bevel. Want uiteindelijk is het hij zelf die deze vrede heeft uitgeroepen.

 

Wie van zijn vazallen of van de inwoners van Vlaanderen de godsvrede overtreedt, maakt zich nu ook schuldig aan opstand tegen de graaf en geeft hem nu een alibi om in te grijpen. Zo wordt de vorst de beschermer van de vrede over het gehele land daarbij ondersteund door een algemene politiemacht die over zijn hele vorstendom recht mag uitoefenen. Uiteindelijk heeft hij de gepaste manier gevonden en aangewend om zijn grafelijk gezag over zijn hele graafschap te kunnen laten gelden, ongeacht de eigenaar van de lenen en de gouwen. Boudewijn IV laat tijdens zijn legislatuur geen enkel beleidsdomein ongewijzigd.

 

Net zoals zijn voorvader Arnulf I, toont hij grote interesse voor het lot van de kerken en in het bijzonder voor de abdijen. Daar zit de macht! De hervormingen van Gerard van Brogne vanaf 940 waren door de opvolgingscrisis na de dood van Arnulf al lang ongedaan gemaakt. De abdijen hebben ondertussen als een kwart eeuw blootgestaan aan de willekeur van de heren die hun goederen geroofd hebben of in beslag hebben genomen. En wie kon in de bres springen voor de monniken? De koning was ver en de graaf te zwak.

 

Decadente levensomstandigheden zijn allerminst gunstig voor een evenwichtig geestelijk leven. De kloosterbroeders vervallen dan ook snel in hun vroegere dwalingen. Kortom: de hervorming van de kerk in het graafschap Vlaanderen is grandioos mislukt. Op het Europees vasteland ligt de situatie enigszins anders. Vanuit de abdij van Cluny in Bourgondië zijn de ideeën van een intense hervorming van de kerk overal sterk doorgedrongen. En dat heeft veel te maken met de inspanningen van een monnik: Richard de Saint-Vannes, de abt van de abdij Saint-Vannes te Verdun. Richard doet ook Vlaanderen aan. Zijn bezoek in 1007 staat los van de wil van de graaf die zich op dit moment in troebel oorlogswater bevindt.

 

De abt van Saint-Vannes heeft een dubbele taak: de tucht in de abdijen herstellen en de goederen die ze onrechtmatig verloren hebben, terug te vorderen. Aanvankelijk slaagt Richard enkel in zijn eerste doelstelling. Wanneer Richard in 1012 een zekere Poppo, een monnik afkomstig van Deinze, tot prior aanstelt, verandert de situatie ten goede. Die Poppo heeft ooit als ridder gediend voor de graaf en dit betekent dat de graaf zich achter de doelstellingen van Richard en Poppo gaat scharen. De steun van de graaf heeft natuurlijk veel te maken met zijn streven om de macht van de dissidente edellieden te muilkorven.

 

Ze zijn inderdaad machtig geworden omdat ze de lenen die ze ter beschikking hielden voor de graaf als hun eigendom zijn gaan beschouwen en omdat ze al een groot deel van het kerkbezit tot hun eigendom hebben gemaakt. Uiteindelijk komt het er neer dat de graaf met de inbeslagname van de abdijen een rijke bron van inkomsten verloren is. Er moet en zal iets veranderen: de macht van de lokale adel moet gefnuikt worden. Alle goederen die eigendom zijn van de kerk moeten opnieuw naar hun rechtmatige eigenaar terugkeren.

 

Richard de Saint-Vannes is hoe dan ook een geschikte figuur om de abdijen te laten opereren zonder invloeden van buitenaf, zonder lekeninbreng. Het kan mogelijk tegen de graaf uitdraaien maar de macht van de heren moet dringend ingeperkt worden! De graaf is dan ook zo verstandig om zich in 1012 te verzoenen met Richard. Eén jaar later benoemt hij hem tot abt van de abdij van Sint-Amand.

 

In 1021 - belangrijk voor de Westhoek - laat hij een volgeling van Richard, de hervormer Roderic, aanstellen tot abt van Sint-Bertijns. Roderic engageert zich eveneens om de tucht in de kleinere abdij van Sint-Winoksbergen te herstellen. Naast een hervormer in de abdij van Marchiennes komen ook de Gentse abdijen aan de beurt: in 1029 wordt Richard abt van Sint-Baafs en in 1034 wordt Leduinus de abt van Sint-Pieters.

 

De monniken in de Vlaamse abdijen worden voor de keuze gesteld: ofwel volgen ze op strikte manier de Benedictijnse regel ofwel verlaten ze de abdij. Heel vaak kiezen ze voor het laatste alternatief en worden de ontbrekende plaatsen ingevuld door hervormde monniken die wel bereid zijn om te leven in strenge eenvoud en discipline met gehoorzaamheid en respect voor de abt. Kenmerkend is de grote nadruk die gelegd wordt op de onafhankelijkheid van de abdij ten opzichte van lekenmachten die de voorbije decennia getracht hebben om kloostergoederen in te palmen. Bovendien is er sprake van een heuse opleving van kunst en cultuur over alle abdijen heen.

 

Het succes van Richard is natuurlijk deels te danken aan de grafelijke steun voor zijn hervormingsproject. Boudewijn verstaat als geen ander de kunst om de kerk te gebruiken ter bevestiging van zijn gezag in Vlaanderen. Hij laat echter niet toe dat geestelijken tegen hem willen optreden. Tussen 1028 en 1030 komt het tot een conflict tussen Drogo, de bisschop van Terwaan en de graaf. Uiteindelijk wordt hij in 1030 van zijn zetel verjaagd. Ook Gerardus, de bisschop van Kamerijk-Atrecht, die zich verzet tegen de godsvrede moet buigen voor de grafelijke wil. De laatste jaren van graaf Boudewijn worden overschaduwd door de opstand van zijn zoon die eveneens de naam van Boudewijn draagt (Boudewijn van Rijsel). Die treedt in het huwelijk met de dochter van de Franse koning, Lodewijk de Vrome.

 

Dat huwelijk is natuurlijk een fantastische verbintenis met een schat aan potentieel, maar het zorgt er meteen voor dat Boudewijn van Rijsel naast zijn schoenen begint te lopen. Hij wordt overmoedig en kan het moeilijk verkroppen dat zijn vader hem vooralsnog onvoldoende macht afstaat. Het is een vaak voorkomend fenomeen bij jonge vorsten in die tijd. De jonge Boudewijn komt in opstand tegen zijn vader. Het blijkt al snel hoe onbetrouwbaar de Vlaamse adel wel is en hoe moeilijk ze het hebben om elke vorm van grafelijk gezag te aanvaarden. Een groot deel van de Vlaamse adel sluit zich aan bij de opstandige Boudewijn.

 

Voor de grijsaard zit er niet veel anders op dan te vluchten naar Normandië waar hij de hulp van hertog Richard afsmeekt. Omdat Boudewijn zijn hele leven heeft afgezien van gebiedsuitbreiding ten nadele van Normandië, vindt hij in Robrecht een trouwe medestander. De Fransen rukken met een leger het opstandige Vlaanderen binnen en richten hier grote verwoestingen aan. De rebellen worden van één van hun voornaamste burchten verjaagd. Boudewijn van Rijsel zoekt nog steun bij de bisschop van Kamerijk maar die voelt er niets voor om zich voor die losbol in een oorlog te storten met de Normandiërs en met de Vlaamse graaf.

 

Het zit er voor de jonge Boudewijn niets anders op dan zich voor zijn vaders voeten te werpen en hem om vergiffenis te vragen. Zoals gewoonlijk stelt Boudewijn IV zich pragmatisch op en zoekt hij naar de beste oplossing. Hij schenkt zijn zoon vergiffenis en zal hem stilaan deelachtig maken aan de macht. Met Pasen 1032 trekt de oude Boudewijn naar Orléans om er zijn eed af te leggen bij de nieuwe Franse koning Hendrik I. Ook de uitstekende betrekkingen met Normandië worden met een huwelijk bezegeld. In 1030 is Boudewijn IV weduwnaar geworden. Tijdens zijn gedwongen verblijf bij de hertog Richard komt hij in contact met diens dochter. Het komt tot een huwelijk tussen Boudewijn IV en de Normandische Eleonora. Het is duidelijk dat de graaf en zijn zoon met hun huwelijken een stabiele relatie nastreven met hun zuiderburen.

 

De man die van zijn vader een wanhopig, zwak, onrustig en veel te klein graafschap had geërfd, laat bij zijn dood een gebied na dat zich uitstrekt tussen de Dender en de Canche. Over het hele gebied is de grafelijke macht stevig gevestigd. Boudewijn sterft op 30 mei 1035. Hij wordt begraven in de Sint-Pietersabdij van Gent. Boudewijn V komt aan zet. De opvolger van zijn vader dus. Hij streeft er naar zijn vorstelijk gezag in het binnenland te verstevigen door een verdere uitbreiding van de godsvrede en door de begunstiging van de abdijen die hij goed in de hand houdt.

 

Ook zijn buitenlands beleid blijft er op gericht om in goed nabuurschap te leven met de Franse kroon en met Normandië en tezelfdertijd alle krachten aan te wenden om het Vlaamse vorstendom naar het oosten toe uit te breiden. Tijdens de eerste jaren van zijn regering geniet Vlaanderen voor het eerst sinds jaren van een diepe rust. Een uitschieter in deze kalme periode betekent zeer zeker de strijd van de graaf tegen de voogden van de abdijen. De graaf is baas over de abdijen en moet in die functie de ingezetenen van de abdijen beschermen tegen alle aanmatigingen, onrechtvaardigheden of mishandelingen van derden. Hij staat in voor de onschendbaarheid van de eigendommen van de Vlaamse abdijen.

 

In ruil voor zijn optreden geniet hij van bepaalde voordelen. De vazallen en de horigen van de abdij dienen op te trekken met zijn leger. De graaf krijgt bepaalde vergoedingen in geld en in natura en een deel van de boetes die binnen de abdijdomeinen worden geheven. De graaf kan echter niet altijd aanwezig zijn en persoonlijk de controle uitoefenen. Hij stelt edelen uit de dichte omgeving van elke abdij aan als voogd die als vertegenwoordiger van de graaf dienen te acteren. Tijdens de crisis die volgde op de dood van Arnulf I waren die voogden natuurlijk vergeten dat ze slechts plaatsvervangers waren van de graaf. Ze traden zelfstandig op, eisten zelfstandig belastingen op, riepen de krijgsmachten van de abdijen ten strijde. Ze spraken zelf recht alsof ze in eigen persoon heer en meester waren van de abdij.

 

Ze eigenden zich daarenboven rechten toe om delen van de abdijdomeinen in hun eigen heerlijkheden in te palmen. Met zijn hervormingen van de kerk had Boudewijn IV zeker tot doel om een halt toe te roepen aan de onrechtmatige inbeslagname van de abdijdomeinen en de macht van de lokale voogden te beknotten.

 

Boudewijn V is de eerste graaf die echt de strijd aangaat met die abdijvoogden. Hij legt de rechten en plichten van de voogden vast. Het zich onrechtmatig toe-eigenen van eigendommen van de abdijen is niet langer mogelijk. Er komt een einde aan de rechtsmacht die de voogden voor zichzelf hebben gecreëerd. Het is duidelijk dat graaf Boudewijn de hervormingsbeweging van Richard de Saint-Vannes heel erg genegen is. Na diens dood in 1046 doet hij verwoede pogingen om die beweging in stand te houden. Hij doet beroep hiervoor op de stokoude Poppo, de monnik van Deinze. Maar als ook Poppo overlijdt, komt er een definitief einde aan de hervormingsgolf bij de Vlaamse abdijen. Na enkele jaren is het gedaan met de rust.

 

Rond 1040 komt graaf Herman aan de macht in het naburige Henegouwen. Deze afstammeling van de markgraven van Ename kan onmogelijk aanvaarden dat die regio en ook de regio van Valencijn Vlaams grondgebied is. Herman wordt een gevaarlijke vijand voor Boudewijn V. Herman treedt uiterst kordaat op want voor 1044 herovert hij de marke en de burcht van Ename. Ook de streek van Valencijn wordt opnieuw ingenomen.

 

In 1047 gaan Boudewijn en Herman een bondgenootschap aan waarbij het conflict rond Ename en Valencijn geregeld wordt in het voordeel van graaf Herman: de gebieden worden Henegouws gebied. Ename dat tientallen jaren een bloeiende handelsplaats was geweest, kwijnt weg omdat het niet langer tot Vlaanderen behoort. De plaats van Ename wordt ingenomen door het nieuwe Oudenaarde, dat gebouwd wordt aan de Vlaamse kant van de Schelde. Oudenaarde overvleugelt al snel Ename in alle opzichten.

 

In 1043-1044 slaat de goede verhouding die er tussen de West-Europese heersers bestaat om in een hevige vijandschap. Het begint eerst tussen de Franse en de Duitse koning. Er bestaat al een bondgenootschap tussen hen sinds 1033 voor zover dat de Franse koning Hendrik I getrouwd is met een Duitse vorstin. Maar Hendrik III van Duitsland vat om politieke redenen het plan op om te trouwen met de pleegdochter van de machtige Franse graaf Godfried van Anjou, de heerser over het zuiden van Frankrijk en grote delen van Italië.

 

De Franse koning vreest het samengaan van al die gebieden ten zuiden en ten oosten van Frankrijk en doet er alles aan om het plan van zijn Duitse collega te verijdelen. Tevergeefs echter want het huwelijk wordt in 1043 afgesloten. En ook in Lotharingen krijgt Hendrik III grote problemen met het Lotharingse hertogengeslacht. In 1044 breken de eerste onlusten uit. Hendrik III, die pas enkele jaren later keizer zal worden, denkt handig te zijn en biedt Boudewijn V het markgraafschap aan van zijn Antwerpse leengebieden.

 

Deze marke behoort eigenlijk toe aan de hertog van Lotharingen. Hendrik III probeert met die belening tweedracht te zaaien tussen de graaf van Vlaanderen en Godfried, de hertog van Lotharingen. Zoveel is wel duidelijk! En tegelijk wil hij zich verzekeren van het bondgenootschap van de Vlaamse graaf. Boudewijn is natuurlijk niet van gisteren en heeft de strategische manoeuvres van de Duitse koning door. Hij voelt natuurlijk dat Vlaanderen baat kan hebben met de tweespalt aan zijn oostelijke grenzen. Hij hapt toe op het voorstel van de Duitsers. Maar ook hertog Godfried is op zoek naar bondgenoten in zijn strijd tegen de Hendrik III.

 

Boudewijn is een opportunist van de zuiverste soort en is bereid een partnerschap aan te gaan met Godfried. Hij trekt in 1046 naar Frankrijk en slaagt er in om zijn schoonbroer, koning Hendrik, te overtuigen om zich bij hen aan te sluiten. Enkele maanden later, bij het afsluiten van zijn deal met graaf Herman van Henegouwen, stapt Henegouwen eveneens in de combine. En ook de graaf van Holland sluit zich aan bij Boudewijn. In het voorjaar van 1047 plant de Franse koning de eerste stap in de oorlog: een expeditie op Aken.

 

Die wordt echter verijdeld door Godfried van Anjou, de schoonvader van de Duitse koning. Aan de noordkant van Vlaanderen vallen de Hollanders de streek van Utrecht binnen waar de ondertussen tot keizer benoemde Hendrik heerst. De Duitse keizer krijgt er van langs en ook bij zijn terugtocht in Duitsland wachten hem slechte berichten. Godfried en Boudewijn hebben zijn keizerlijk paleis te Nijmegen vernield. De bisschoppelijke stad Verdun is in brand gestoken.

 

Overal in Lotharingen krijgen de getrouwen van de Duitse keizer het hard te verduren. De Duitse keizer smeekt om een wapenstilstand. Ondertussen heeft de Franse koning geen kik gegeven en wacht hij met zijn troepen dreigend aan de Lotharingse grens. Hendrik III beseft dat hij geen kansen heeft als zijn tegenstanders zich op één lijn blijven opstellen en probeert de partners onderling te verdelen. Terwijl de opstandelingen al tot aan de Rijn zijn doorgedrongen, treedt hij in onderhandelingen met Hendrik I van Frankrijk.

 

In ruil voor zijn neutraliteit in de strijd belooft de Duitse keizer grote delen van Lotharingen aan de Franse koning. Het komt tot een akkoord tussen de Duitsers en de Fransen. In het voorjaar van 1049 breekt het keizerlijk tegenoffensief los. Diederik van Holland wordt het eerst aangevallen. Hij wordt verslagen en op slag gedood. Godfried is een slapjanus, het ontbreekt hem aan durf en moed. Hij onderwerpt zich aan de keizer en laat hiermee zijn compagnon Boudewijn aan zijn lot over. De graaf van Vlaanderen staat plots alleen tegenover de Duitse heerser.

 

De keizer van zijn kant onderschat Boudewijn helemaal niet. Hij aarzelt om hem aan te vallen. In de plaats daarvan roept hij de Engelsen en de Denen te hulp met de vraag om troepen te sturen naar de Westkust van Vlaanderen en zich bij hem aan te sluiten. Tegelijkertijd wordt Boudewijn door paus Leo IX (verwant met de Duitse keizer) wegens het platbranden van de kerk te Verdun in de ban van de kerk geslagen. Het is een valse beschuldiging want het was eigenlijk Godfried die de OLV-kerk van Verdun in rook had laten opgaan.

 

Boudewijn ziet zich verplicht om zich te verdedigen tegen de Engelsen. De tijd is rijp voor Hendrik III om Vlaanderen vanaf de Schelde aan te vallen. Met een ontzaglijk leger valt hij Vlaanderen binnen en dringt door tot in de streek van Kamerijk waar alles wordt verwoest. De Duitse keizer onderwerpt het Westland. Zijn leger settelt zich lange tijd ter hoogte van het stadje Lo. De hele omgeving van Veurne-Ambacht wordt zo goed als verwoest. De gevangen genomen edelen en burgers worden langs de Lovaart via de grote waterplas van Wulpen, langs de Venepe en het Langelis, naar Nieuwpoort overgebracht. De vloot scheept in te Nieuwpoort richting Duitsland. Met aan boord veel streeknotabelen die als gijzelaars worden gedeporteerd.

 

Boudewijn beseft dat het spel verloren is en treedt in onderhandelingen met de Duitse keizer. In de herfst van 1050 reist hij naar Aken waar hij zich formeel onderwerpt aan diens gezag. Hij verliest de marke Antwerpen die hij enkele jaren voordien van diezelfde Hendrik III had gekregen. Maar voor de rest wil de Duitse keizer zich vooral verzekerd zien van het bondgenootschap van de Vlamingen, vooral omdat hij willens nillens het deel van Lotharingen dat hij geschonken heeft aan de Franse koning wil terugwinnen. Het lijkt hem dan ook het verstandigst om de Vlaamse graaf met zachtheid te behandelen.

 

Het graafschap Vlaanderen kan even tot rust komen. Er komt een tijdelijke periode van rust voor Boudewijn en de zijnen. Zijn vrouw Adela die de dochter is van de koning van Frankrijk heeft Boudewijn drie jongens en twee meisjes geschonken. Er is al een tijdje geen sprake meer van vetes tussen Normandië en Vlaanderen. Integendeel: Mathilde, de oudste dochter wordt in 1053 uitgehuwelijkt aan Willem de Veroveraar, de hertog van Normandië. Korte tijd na het huwelijk van zijn dochter, overlijdt Herman van Henegouwen met wie Boudewijn heeft gevochten tegen de Duitse keizer.

 

Zijn jonge weduwe Richildis wordt regentes in de naam van haar 2 jonge kinderen. Boudewijn ruikt zijn kansen om Vlaanderen en Henegouwen in één graafschap te laten samensmelten en benadert Richildis met de vraag of ze niet bereid zou zijn om in het huwelijk te treden met zijn oudste zoon Boudewijn van Bergen. De weduwe zegt niet neen en ze zegt niet ja. Ze twijfelt. Ze vreest de woede van haar opperleenheer, de Duitse keizer. Uiteindelijk en na heel wat show stemt ze toe. De graafschappen Vlaanderen en Henegouwen worden verenigd onder één en dezelfde macht. De twee kinderen van Herman en Richildis kunnen de pot op: Boudewijn van Bergen wordt aangesteld als graaf van Henegouwen.

 

De Duitse keizer kan niet onmiddellijk militair optreden want zijn leger bevindt zich in Italië. Hij laat het echtpaar excommuniceren omdat Richildis en Boudewijn van Bergen allebei nazaten zijn van Hugo Capet en dus bloedverwanten zijn. Pas in 1053 worden de Duitse legers ingezet om aan te vallen. Het komt tot een eerste clash ter hoogte van de Maas in Hoei. Boudewijn van Bergen trekt zich na dit eerste treffen terug. Zijn leger verschanst zich aan de linkeroever van de Schelde, de natuurlijke grens tussen Vlaanderen en Lotharingen.

 

De Duitsers steken echter de Schelde op twee plaatsen over waardoor Boudewijn niet kan ingrijpen als het Duitse leger het zuiden van Vlaanderen binnenvalt en verwoest. Hij kan echter wel de noordelijke kant vrijwaren. De Duitsers kiezen uiteindelijk voor de aftocht. Tijdens 1054 en 1055 blijft het aanhoudend rommelen tussen de Vlamingen de Duitsers. En het ziet er meer en meer naar uit dat ook de Fransen zich gaan mengen in het conflict. De plotse dood van Hendrik III in oktober 1056 maakt een bruusk einde aan de strijd. Zijn zoontje is nog erg jong en keizerin Agnes, de regentes, haast zich om vrede te sluiten. Ze weet wel waarom.

 

Op de rijksdag van Keulen van december 1056 worden de zaken geregeld. Boudewijn behoudt zijn lenen in Lotharingen, zijn zoon Boudewijn van Bergen blijft graaf van Henegouwen en Valencijn. Wat een triomf voor de graaf van Vlaanderen! In 1063 trouwt de jongste zoon van Boudewijn; Robrecht de Fries, met Geertrui, de weduwe van Floris, graaf van Holland. Ook het vorstendom Holland komt dus onder Vlaamse invloed te staan. Ondertussen voelt de Franse koning Hendrik I, de schoonbroer van Boudewijn, zijn einde naderen.

 

Zijn opvolger is pas 8 jaar en hij verzoekt Boudewijn om de jonge Filips te beschermen en bij te staan bij het uitoefenen van zijn taken als koning. De Vlamingen hebben het warempel ver geschopt. De macht van de graven van Vlaanderen heeft zijn hoogtepunt bereikt. Boudewijn V is de oom en beschermheer van de koning van Frankrijk, de schoonvader en bondgenoot van de koning van Engeland. Zijn staten en die van zijn zonen strekken zich uit van de Canche en de heuvels van Artesië tot aan de Schelde, en van de Schelde af tot over het Valencijnse, Henegouwen, de marke van Ename tot aan de Dender, de Zeeuwse eilanden en het graafschap Holland. En dan hebben we het nog niet over de gebieden in Lotharingen en in het Kamerijkse.

 

Eén aspect van Boudewijns activiteiten mag zeker niet over het hoofd worden gezien: de oprichting van verscheidene kloosters. Al in 1041 wordt het kapittel van Harelbeke gesticht door het gravenpaar en vooral onder druk van gravin Adela die eveneens de abdij van Mesen sticht waar ze na de dood van haar man zal verblijven en er zal sterven.

 

In 1050 wordt Sint-Pieters van Lo opgericht door een zekere priester Thomas. De OLV-abdij van Voormezele wordt gesticht door Isaac van Voormezele. De O.L.V.-abdij van Zonnebeke dankt zijn ontstaan aan een zeker Fulbold die al dan niet terecht of onterecht doorgaat voor de burggraaf van Ieper. Ze vormen allen, dankzij de persoonlijke tussenkomst van de vorst, centra van vroomheid, cultuur en vooral van economische bloei.

 

Boudewijn draagt bijzonder veel zorg voor zijn eigen opvolging. Tot aan zijn aantreden was het vrij eigenaardig dat de graven van Vlaanderen meestal maar één zoon hadden. Het gaf aanleiding tot een groeiende macht en had tot op heden geen gevechten rond opvolging opgeleverd. Boudewijn V heeft wel twee zonen: Boudewijn van Bergen en Robrecht de Fries. De oude graaf wil graag zijn oudste zoon Boudewijn van Bergen aan het bewind laten in Vlaanderen, terwijl Robrecht de Fries een vorstelijke rol zou kunnen spelen buiten Vlaanderen. Dat is zijn ambitie.

 

Tijdens een plechtigheid die in 1063 doorgaat, onmiddellijk na het huwelijk van Robrecht te Oudenaarde, doet de bruidegom trouwens afstand van al zijn rechten voor wat de opvolging van Vlaanderen betreft. Alles is in het werk gesteld om zijn geslacht een machtige en veilige toekomst te bieden. In 1067 legt Boudewijn van Rijsel finaal het hoofd neer. Vier jaar voor de tragedie van Cassel waarbij zijn afstammelingen elkaar tot op het bot zullen bestrijden voor zijn gigantische erfenis.