P0863100

'Een schemering van licht is dikwijls genoeg om de weg te midden van de duisternis te vinden.' Ik heb het hier over de subtitel van een studie die me terugbrengt naar het ontstaan van Vlaanderen. Het werkje van 53 bladzijden wordt in 1834 geschreven door een zekere D.B.F. Loys en handelt over de forestiers van Vlaanderen, de vermoedelijke grondleggers van Vlaanderen vanaf het einde van de 8ste eeuw.

 

De hele geschiedenis (of is het sage?) van Liederik en zijn opvolgers heb ik jaren geleden zijn verdiende stek gegeven in de teletijdsmachine van de Westhoek. En nu, anno 2014, stoot ik op die verhandeling van een historicus die bijna 200 jaar geleden geconcentreerd op zoek is gegaan naar wat waarheid is en wat fictie rond deze forestiers.

 

Wie is die Loys? Het historisch tijdschrift 'De Biekorf' reikt me in 1939 wat informatie aan die me best verder kan helpen. De schrijver van 'De Verhandeling over de Forestiers van Vlaanderen' is een majoor van de Belgische gendarmerie en Ridder van het Legioen van Eer. Niet de eerste de beste dus. Na verder onderzoek kom ik te weten dat onze schrijver luistert naar de naam van Désiré Loys. De man wordt in Brugge geboren op 31 augustus 1792 en overlijdt in Menen op 16 december 1841. Zijn verhandeling komt er dus als de man 42 is, een jaar of zeven voor zijn dood.

 

Dat ik hier en nu mijn volgende episode van de 'Kronieken van de Westhoek' wijdt aan Désiré Loys, heeft alles te maken met mijn toevallige ontmoeting met zijn artikel in 'De Gazette van Gent' van 1837. Ik stoot hier op een Vlaamse versie van zijn Franstalige verhandeling uit 1834 die bij me overkomt als een donderslag bij heldere hemel.

 

Wat Loys in dit artikel allemaal beweert, weerlegt en staaft over de ontstaansgeschiedenis van Vlaanderen is zondermeer sensationeel te noemen. Google Books reikt me het origineel aan. Een boekje van 53 bladzijden met een uitgesponnen voorrede. De uitgever ervan is een goede bekende: 'De Société des Antiquaires de la Morinie' waar tal van Vlaamse historici in die dagen hun ei kwijt kunnen. De periode tussen 1820 en 1850 is voor wat mij betreft een gouden tijd als het gaat over ons Vlaams verleden.

 

De geschiedkundige kring van St.-Omer heeft een wedstrijd uitgeschreven en onze Loys heeft zijn bewuste verhandeling te laat ingediend. Dat leert het voorwoord me. De inzending zou trouwens toch geen kans hebben gemaakt, omdat deze niet beantwoordt aan de vooropgestelde criteria van het genootschap. Maar de inhoud blijkt zo sterk, dat er besloten wordt om er een afzonderlijke publicatie van te laten verschijnen.

 

Désiré Loys zet zich in zijn werkje fel af tegen een studie van de Gentse kanunnik Maarten de Bast uit 1813. 'L'existence chimérique de nos Forestiers de Flandre' kan ik vrij vertalen als; 'Het bestaan van de Vlaamse forestiers is niet meer dan een hersenschim'. Tot een echte confrontatie kan het tussen beiden niet meer komen want de Bast is al in 1825 overleden. Tot zover mijn inleiding. Het wordt nu hoog tijd dat ik onze majoor aan het woord laat. Ik zorg meteen voor een eigentijdse vertaling naar ons actueel Nederlands.

 

Vlaanderen schijnt al van bij het begin door leiders bestuurd geweest te zijn. Eerst droegen die de naam van 'forestier' en pas later die van 'graaf'. Het bestaan van de forestiers in Vlaanderen wordt door verscheidene schrijvers verloochend en als een verzinsel beschouwd. 'De geschiedenis laat ons inderdaad wel af en toe in de steek, maar hier en daar meen ik dat ik wat licht kan laten schijnen in het wazig bestaan van onze forestiers.'

 

Zoals je kan zien, laat ik Loys hier volop zijn zegje doen. Het zijn de Merovingische en de Carlovingische koningen die aan de bestuurders van Vlaanderen de naam van 'forestier' hebben verleend. Ik lees het toch zo in verscheidene geloofwaardige kronieken en in geschiedkundige documenten die het nodige gezag uitstralen. Ik zou begot niet weten welke redenen er zouden bestaan om die geloofwaardigheid in twijfel te trekken en het bestaan van onze forestiers als een verzinsel van vroegere schrijvers af te doen.

 

De hevigste bestrijder van het gevoelen dat er forestiers bestaan hebben, is de heer de Bast, een man die het nochtans niet aan geleerdheid ontbreekt. Hij beweert niet enkel dat er nooit sprake geweest is van forestiers maar ook van Liederik de Buck en zijn opvolgers wil hij niet weten. We zijn het hieromtrent helemaal niet met hem eens. De bewijsgronden die hij, na nogal wat zwoegwerk, aanreikt om absoluut hun namen van de eerste bladzijden van onze geschiedenis te laten verdwijnen, zijn niet van die aard om passende conclusies in deze richting te nemen.

 

Vooral als die bewijslast en gevolgtrekkingen onderworpen worden aan de oorkonden die wij hebben ontdekt en die we nu van plan zijn om tegenover de argumentatie van de Bast te plaatsen. Ik neem het even over van Désiré Loys.

 

Ik zet wat vraagtekens bij zijn inleiding waarbij hij zijn betoog uitdrukkelijk in de wij-vorm aan het schrijven is en hij dus eigenlijk aangeeft dat hij de woordvoerder is van een groep Liederikgezinde medestanders. Enerzijds zwaait hij nu al met harde bewijzen van zijn eigen gelijk, maar ik weet niet wat te denken waarom hij dan het woord 'gevoelen' gebruikt in zijn stellingname. Ik ben hierdoor enigszins gealarmeerd. Krijg ik te maken met een studie die ongeacht alles moet bewijzen dat de forestiers bestaan hebben?

 

Zoiets als: de forestiers hebben bestaan omdat ze moeten hebben bestaan? Ik wil schrijver Loys best het voordeel van de twijfel geven, maar zoals een politiek debat op tv, wil ik ook de tegenstander recht op repliek geven. Priester de Bast mag dan al enkele jaren overleden zijn, ik wil het best voor hem opnemen door zijn repliek in mijn schrijfsels op te nemen. Weer word ik gediend door de moderne technologie van vandaag en door het internet waar ik binnen de kortste tijd het origineel van 'L'existence chimérique de nos Forestiers de Flandre' kan opvissen.

 

Loys en de Bast staan nu oog in oog met elkaar. Die laatste heeft het over de immense bossen waarmee het Vlaanderen van zijn begindagen bedekt is. Hij heeft het over de 'Forestiers, Foresteri, de Saltuarii, de custodi Flandriae' die aan het roer staan voor dat er sprake is van de respectieve graven. Het bestaan van deze forestiers en hun wel en wee kunnen echter in geen geval als historische waarheden beschouwd worden.

 

Hun verhalen zijn in wezen niet meer dan fantasievolle sprookjes doorspekt met anachronismen en contradicties. De kroniekschrijvers die het hebben over Liederik en de zijnen, plaatsen de hoofdrolspelers om te beginnen in een verschillende periode.

 

De meest betrouwbare kroniekschrijver is ongetwijfeld Meyerus, geeft de Bast aan. Hij rapporteert Liederik de Buck, de eerste forestier, rond 792, en heeft het ook over zijn opvolgers. Een van zijn collega's, de heer D'Oudegherst schrijft op zijn beurt een absurde roman over het ontstaan van Vlaanderen waarin hij beweert dat het koning Dagobert is die Liederik tot forestier benoemt in 640. De kronieken van Sint-Bavo plaatsen Liederik en zijn rivaal Finaert rond het jaar 557.

 

Andere geschiedschrijvers beweren dat het de Frankische koning Clotarius is die Liederik van Harelbeke als forestier over Vlaanderen installeert en dat de man dus moet leven in de tijd van Karel de Grote. Vooral D'Oudergherst mag het ontgelden van onze Gentse kanunnik. Het gevecht tussen Liederik en Finaert zou zich afgespeeld hebben in 640. De vlucht van Antoine, de opvolger van Liederik, zou plaatsgevonden hebben bij de gewelddadige aankomst van de Goten, de Vandalen en de Hunnen op het einde van de 7de eeuw.

 

Maar op dat moment was er toch geen sprake van die barbaarse invallen? En dan zijn er nog al die opvallende naamvariaties waar ik niet verder op inga. Ik geef Désiré Loys opnieuw het woord. De naam van 'forestier' is helemaal niet vreemd aan onze geschiedenis. We vinden meer dan zomaar één spoor. De kronieken van Nicolas Despars zijn duidelijk: 'in het jaar 1417, op 13 maart om 3 uur in de namiddag zijn bijeengekomen in de vergaderzaal van de burgerij, de burgemeesters, schepenen, raadsheren, schatmeesters, hoofdmannen en andere prominenten van de stad Brugge.

 

Ze vergaderen samen met de leden van de vereniging van de 'Witte Beer' en ze besluiten met eenparigheid van stemmen om opnieuw de waardigheid van forestier van het 'tournoy van den Witten Beer', die vroeger door hun voorouders ter nagedachtenis van de oude forestiers van Vlaanderen werd ingesteld, verder te zetten en te handhaven.'

 

Tot zover deze Despars. Wanneer de Bruggelingen in 1417 beslissen om het tornooi van de Witte Beer nieuw leven in te blazen ter nagedachtenis van de vroegere forestiers van Vlaanderen, dan zullen ze daar wel hun redenen toe hebben gehad. Ze moeten van hun bestaan overtuigd zijn. Loys haalt een kromme redenering naar boven.

 

In 1417 waren ze veel dichter bij de vroegste tijden dan hij in de 19de eeuw en daardoor zullen ze het toen wel beter geweten hebben. Alleen om dat feit alleen al, mag er van uitgegaan worden dat de Bruggelingen aanleunen bij de historische waarheid. Een flauw argument dus, maar onze majoor probeert ook voor zichzelf alles wat in het juiste perspectief te kaderen. Uiteraard zijn er ongerijmde verzinsels ontstaan rond Liederik en zijn nazaten. Die zullen wel te maken gehad hebben met menselijke ijdelheid en nationalistische fierheid.

 

Een aantal geschiedschrijvers hebben die oorspronkelijke verhalen dan nog op hun beurt verdicht en aangedikt om aan hun vaderland nog een meer luisterrijke glans te geven. Aan de andere kant blijft het natuurlijk een open vraag waarom de oude schrijvers zich hieraan zouden bezondigen. Loys bijt zich vast in de materie. Zoveel is duidelijk. Er is best meer dan die schimmige kroniekschrijvers waar de Bast mee zwaait.

 

In de 17de eeuw wordt 'Historiae Anglicanae' gepubliceerd. De geschiedenis van Engeland wordt er aan de hand van 10 schrijvers gebundeld in 4 boekdelen die trouwens in de bibliotheek van Brugge terug te vinden zijn. Een van die schrijvers is een zekere Brompton die leefde en werkte in de 12de eeuw. De oorspronkelijke tekst is natuurlijk in het Latijn, maar Loys is zo vriendelijk om me een Vlaamse vertaling aan te reiken: 'Omtrent dien zelfden tyd (877) ontstond het graefschap van Vlaenderen.

 

Want Vlaenderen was toen nog van zoo groot aenzien niet als nu, maer werd door forestiers van den koning van Frankryk bestuerd.' Dat het bestaan van de forestiers opduikt in de 'Historiae Anglicanae', tussen een belangrijk stuk wereldgeschiedenis, doet Loys besluiten dat hun bestaan zomaar niet als ongegrond mag worden afgewezen.

 

De Bast is een slimme en capabele man, geeft hij toe, maar het betwisten van het bestaan van de oude forestiers, bewijst dat hij een vooroordeel heeft. Zo haalt hij de gouvernante van de Nederlanden aan die in 1623 al evenzeer hun bestaan loochent omdat 'het ombetamelyk zoude zyn den oorsprong onzer vorsten aen iets zoo gerings toe te schryven.'

 

Dat zijn natuurlijk allemaal geen argumenten, vindt majoor Loys. Ik ben benieuwd of hij met betere exemplaren tevoorschijn zal komen in zijn verhandeling. Loys spitst zich nu toe op de term 'forestier' zelf die met grote waarschijnlijkheid te maken heeft met het Frans woord 'forêt', een woud of een groot bos. Dat is toch de mening van zijn opponent en van die bewuste gouvernante. Hun stellingname berust op het feit dat de oude kroniekschrijvers de naam van forestier linken aan de bossen die Vlaanderen bedekten in de tijd van de eerste koningen van Frankrijk.

 

Maar dat argument kan wel eens totaal fout zijn. De landstreek die aanvankelijk de naam van 'Vlaanderen' met zich meedraagt was helemaal niet bosrijk. Integendeel: het was een moerassig land dat slechts bewoonbaar kan geworden zijn nadat er veel tijd en moeite werd gestoken in het graven van ontelbare grachten om al het overtollige water weg te leiden. Die kanalen vormen hier vandaag nog altijd het levend bewijs van die inspanningen.

 

De naam van 'forestier van Vlaanderen' komt dus niet van het Franse 'forêt'. Wat struikgewas en enkele onbeduidende houtgewassen kan men moeilijk een bos noemen. De bossen waar men over spreekt, liggen veel meer in het zuiden, in gebieden die oorspronkelijk geen deel uitmaken van de eerste forestiers en die eigenlijk op dat moment nog niet tot Vlaanderen behoorden, dat in die begindagen een veel beperktere uitgestrektheid had.

 

'Forestier' komt van 'Vorst' of 'Forst', in het Duits 'Furst'. De benaming heeft niets te maken met enige bestuur over bossen maar alles te zien met het grondgebied, het eigendom van de vorsten. De forestiers zijn dus geen houtvesters geweest, maar ambtenaren die door hun bewindvoerders afgevaardigd werden om het bestuur over dat gebied waar te namen. Die bewindvoerders worden dus 'forest' genoemd en hun afgevaardigde in Vlaanderen is hun 'forestier', van vorst en (be)stieren.

 

De forestier staat dus gelijk aan een leenheer die een eigendom, een leengebied of een heerlijkheid mag uitbaten voor zijn vorst. De term 'forest' is dus niet afkomstig van 'bos' en Désiré Loys werpt hiervoor enkele bewijzen op tafel. Ik schakel even over op een Latijns handschrift van 13 april 969. Adriaen Kluyt schrijft in zijn kritische geschiedenis van het graafschap Holland het volgende: 'Lotharius, rex Francorum, Theodorico comiti Gandavensi et simul Hollandiae, donat Forestum Wasda in comitatu ipsius Gandavensi situm, cum omni jure.'

 

Vertaald in het Vlaams komt dat neer op; 'Lotharius, koning der Franschen (Franken), schenkt aan Theodoric, graaf van Gent en ook van Holland, het Forest Wasda, dat in zijn graafschap van Gent gelegen is, samen met alle daaraan verbonden rechten.' Er volgt nog meer Latijnse uitleg, maar ik houd het liever eenvoudig en beperkt me tot de vertaling in mijn moedertaal.

 

'In de naam van de heilige en onverdeelbare drievuldigheid, doen wij, Lotharius, koning door de gratie Gods, weten aan alle onze getrouwe onderdanen, zowel tegenwoordige als toekomstige, dat onze geliefde echtgenote, de koningin Hemma, zich voor onze majesteit vertoond hebbende, ons nederig verzocht heeft, van aan een van onze getrouwen, namelijk de graaf Theodoric, het Forest Wasda, in zijn graafschap gelegen, met dezelfde weiden, wateren, bouwlanden, de rechten van uitgaan en binnen komen, kortom met alles wat tot vermelde Forest behoort, zouden afstaan.'

 

'Dit billijk verzoek inwilligende, geven en verlenen wij aan vermelde graaf het bovenvermelde Forest om het met alle toebehoren in bezit te nemen en te behouden. Niet alleen voor zichzelf maar ook voor zijn erfgenamen of diegenen aan wie hijzelf of zijn erfgenamen het willen verkopen of overlaten, en zulks zonder dat men zich daartegen kan verzetten. En ter bevestiging van deze eigendom en om hem het bezit ervan nog meer te verzekeren, hebben wij hem dit besluit laten afvaardigen, hetwelk wij eigenhandig hebben getekend en met onze Koninklijke zegel hebben gestempeld. Gegeven, de 13de april van het jaar van Onze Heer 969.'

 

Uit dit stuk blijkt dat de schrijver onder het woord 'forest' geen 'bos' verstaat maar 'grondgebied', omdat men tegelijkertijd de weiden, de wateren, de bouwlanden en alle toebehoren afstaat. Het vermelde 'Wasda' beslaat het grondgebied van het tegenwoordige land van Waas samen met het eiland Walcheren en Beveland. Vergeet trouwens niet dat in dat bewust jaar 969 Vlaanderen er nog helemaal niet uitziet zoals vandaag. Brugge, Aardenburg, Oostburg en zelfs Veurne liggen aan de Noordzee, pas 200 jaar later zullen de laatste stroken grond buit gemaakt worden op het water.

 

De term 'forestier' kan dus daardoor automatisch niet synoniem staan met die van boswachter. Maar waarom wordt het woord 'forêt' dan alleen gebruikt in de betekenis van 'bos'? Loys vraagt het zich terecht af. Het hele gebied van Frankrijk is natuurlijk bezaaid met bossen waardoor de meeste eigendommen eigenlijk alleen maar bossen zijn, waardoor er op termijn wel zal gedacht zijn dat een leengebied gelijk staat met een bos.

 

Ik probeer de schrijver in zijn logica te volgen. Als bijna alle vogels mussen zouden zijn, dan zou op termijn het woord mus uiteindelijk gebruikt worden voor om het even welke vogel. Maarten de Bast countert het bestaan van de forestiers omdat de diverse kroniekschrijvers het onder elkaar niet eens zijn met hun aantal en met het tijdspad van hun bestaan.

 

Maar elkaar tegensprekende berichten kunnen toch moeilijk een argument vormen om te bewijzen dat ze helemaal niet hebben bestaan? Toch niet omdat de geschiedschrijvers er met hun jaartallen een zootje van hebben gemaakt? Désiré Loys probeert klaarheid te brengen in deze tijdrekening. In zo goed als alle jaarboeken wordt Boudewijn met de Ijzeren Arm opgegeven als de eerste graaf van Vlaanderen.

 

Zijn 6de opvolger Boudewijn van Rijsel zou dus bijgevolg de 7de graaf moeten geweest zijn. Ik kijk er een beetje van op van wat hij nu schrijft. Op het grafschrift van Boudewijn van Rijsel, in de Sint-Pieterskerk van dezelfde stad, wordt in 1067 gegraveerd dat de man door het leven is gegaan als 11de graaf van Vlaanderen. 'Chi gest très-haus, très-nobles et très-poissant Princes Baudewins li débonnaires, jadis Comtes de Flandre li onzièmes, qui fonda ceste Eglize et trepassa en l'an de Grasses Mil LXVII.'

 

Er zit dus iets vreemd in de logica van de jaarboekschrijvers. Waar zijn die vier graven gebleven? De hele verwarring ontstaat omdat de geschiedkundige oorkonden de regeerperiode van Boudewijn met de Ijzeren Arm laten aanvangen in het jaar 863. Maar is dat wel zo? Het openen van het graf van Sint-Donaas in 1566 gooit deze stelling omver en zorgt meteen voor roet in het eten van de geschiedenis van Vlaanderen. Fascinerend. Die Donaas was tussen de jaren 360 en 390 bisschop van Reims. Maar wat kan Donaas echter te maken hebben met Boudewijn met de Ijzeren Arm?

 

Ik ga verder met de dode Donaas. Na zijn dood werd hij eerst begraven in de abdij van Corbie. Toeval of niet, maar de Franse koning Karel de Kale schenkt de beenderen van Donaas eeuwen later aan Boudewijn met de Ijzeren Arm. In notabene datzelfde jaar 863 worden de restanten van de heilige overgebracht naar de kerk aan de Burg in Brugge. Die kerk wordt sindsdien de Sint-Donaaskerk genoemd.

 

1566 dus. Bisschop Pieter Curtius van Brugge ontdekt in de graftombe een perkamenten handschrift van een zekere Ebbo, niet de eerste de beste, die tussen 816 en 841 twee keer de functie van aartsbisschop van Reims heeft vervuld en die in 851 is overleden. Vooral het jaar van zijn overlijden zal straks belangrijk blijken. Maar laat me even in de logica van Désiré Loys blijven. In deze brief staat te lezen dat Boudewijn I al graaf van Vlaanderen is in het jaar 840.

 

De Brugse geschiedschrijver Olivier de Wree, 'Vredius', zal tijdens zijn leven (1596-1652) getuigen dat hij de bewuste brief gezien heeft. Ebbo en Donaas brengen me in geen tijd naar een korte verhandeling uit 1953 van de hand van eerwaarde heer Noterdaeme. 'Boudewijn I, graaf van Vlaanderen' is de titel van het werkje en meer dan honderd jaar na de dood van mijn schrijver Loys, voegt hij er buiten diens medeweten natuurlijk een aantal bijzondere elementen en bewijsstukken aan toe. Ze brengen me terug naar de gebeurtenissen waar hij het in 1834 al over had.

 

Het liefdesavontuur tussen onze eerste Boudewijn en Judith, de dochter van de Franse koning Karel de Kale, heb ik al een keer verteld in mijn kronieken van de Westhoek en helemaal onverwacht kom ik er nu op terug. De algemene stelling dat Boudewijn met de Ijzeren Arm baas geworden is over Vlaanderen nadat de koning zijn relatie met Judith goedkeurde, wordt door Noterdaeme fel aangevochten. Ik vertel nog even de historie in het kort: op kerstdag 861 ontvoert Boudewijn zijn Judith en hij komt zo in een openlijk conflict met haar vader.

 

Door toedoen van de paus komt het in 862 tot een verzoening en als schoonzoon van koning Karel de Kale krijgt hij Vlaanderen als bestuursgebied toegewezen. Professor Jan Dhondt komt met harde bewijzen dat Boudewijn I al voor die schaking al een 'vassus dominicus' is van Karel de Kale en in die hoedanigheid deel uitmaakt van de Frankische aristocratie. Zo is hij goed bevriend met Lodewijk de Stotteraar, de broer van Judith, en blijkt hij dus min of meer kind aan huis bij het Franse hof van die tijd.

 

Vandaar dat hij vermoedelijk ook in contact is kunnen komen met zijn geliefde. Boudewijn was dus ongetwijfeld al graaf voor het jaar 862. Over welk gebied hij precies regeert, kom ik voorlopig al iets te weten. Vermoedelijk over de gouw Mempiscus, de streek rond Torhout en Beernem met Brugge als meest noordelijke punt.

 

En ook over de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg en de regio van Waas. Dat laatste weten we omdat Boudewijn tijdens zijn vlucht met Judith op een bepaald moment soelaas gaat zoeken bij de Noorman Rorik die als graaf van het kust- en Scheldegebied zijn dichtste buur is. Die Rorik vormt zowat de grootste bedreiging voor het rijk van de Franse koning. De alliantie van Boudewijn met de Noorman komt ongemeen hard aan voor zijn vertoornde toekomstige schoonvader.

 

De overgebleven brieven van de paus, de koning en Hincmar, de betrokken aartsbisschop, spreken boekdelen over hun schrik van de gigantische dreiging die van deze unie uitgaat. Ondertussen al in de ban van de kerk geslagen, dreigt Boudewijn er zelfs bij paus Niklaas I mee om dat duivels bondgenootschap met de Noormannen te sluiten. De boodschap van Boudewijn wordt door de paus bijzonder ernstig genomen.

 

Dat lezen we in volgend citaat uit zijn brief aan Karel de Kale: 'Verum etiam metuentes, ne propter iram et indignationem vestram, ipse Balduinus se impiis Nortmannis et inimicis ecclesiae sanctae coniugat.'

 

Noterdaeme besluit in 1953 terecht dat Boudewijn al voor 862 een man moet geweest zijn met de nodige macht en gezag over enkele graafschappen die in de buurt lagen van Roriks gebied. De kerkelijke druk die bisschop Hincmar uitoefent, concentreert zich vanuit de bisdommen ten zuiden van het gebied van Boudewijn.

 

Zijn gebieden, de kleine gouw van Waas samen met de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg, komen zo geprangd te zitten tussen de Fransen en de Noormannen. Om het met de woorden van Loys te zeggen, behelzen deze gebieden het Forest Wasda met de regio van Brugge, Aardenburg en Oostburg. Precies die plaatsen waar de forestiers zich de voorbije eeuwen hebben gemanifesteerd. Na de verzoening met zijn schoonvader zal onze graaf wel volledig in eer hersteld worden en zullen daar in 862 nog wel gebieden bijgeschonken zijn, maar dit doet hier in deze context niet ter zake.

 

Ik kom grappig genoeg opnieuw terecht bij de overbrenging van de relikwieën van onze Sint-Donaas. Volgens de 'Historia ecclesiae Remensis' (de kerkelijke geschiedenis van Reims) van een zekere Flodoard, kom ik te weten dat dit gebeurt in het jaar 950. En dus niet in 963 zoals Loys beweert. Boudewijn moet dan al graaf zijn van Vlaanderen. Ik schuif even vooruit in de tijd. Tweehonderd jaar later is zijn opvolger Boudewijn V samen met het kapittel van Sint-Donaas nieuwsgierig om wat meer te weten te komen over hun Donaas en waarom zijn resten eigenlijk naar Brugge overgebracht werden.

 

Onderzoek in het jaar 1067 brengt niet de minste opheldering. Veel nieuws over andere heiligen, maar geen woord over Donaas. Kanunnik Riquardus van het kapittel wordt er moedeloos van. In Reims is er niets te vinden over hun sint en zijn mirakels. Zelfs rond de overbrenging van de relikwieën naar de kuststreek is er niets terug te vinden.

 

Het lijkt wel alsof hij van de aardbodem verdwenen is. Of heeft iemand er belang bij gehad om alle sporen van het aards bestaan van Sint-Donaas te laten verdwijnen? 'Wie?' vraagt Noterdaeme zich af. Ik vermoed al wie er belang bij heeft gehad. De overlevering in Brugge blijft de kanunniken van het Brugse Sint-Donaas intrigeren. Iedereen, zelfs de grote dichter Jacob van Maerlant, komt met het verhaal dat Boudewijn I de relikwieën van Sint-Donaas uit de handen van de aartsbisschop van Reims heeft ontvangen en ze uiteindelijk te Brugge in de O.L.Vrouwkerk op de Burg heeft neergelegd.

 

De Brugse overlevering weet nog meer te vertellen: de relikwieën zijn voor hun aankomst in Brugge nog eerst binnengebracht in de kloosterkerk te Torhout. De belangrijke brief van Ebbo, die Boudewijn situeert in 840, blijkt achteraf een vervalsing te zijn van de hand van kanunnik Riquardus. In zijn zoektocht naar Donaas is hij in Flodoards Historie op een tekst gestoten die hij overschrijft en verkeerd interpreteert. Ebbo heeft enkel de relikwieën van Viventus, de voorganger van Donaas, weggeschonken en over de Maas gebracht.

 

Ebbo zelf heeft niets te maken met de overbrenging van Donaas naar Vlaanderen. Hincmar is het, de aartsbisschop van Reims. Hij schenkt de overblijfselen aan Boudewijn I die al voor 860 graaf is van de kuststreek van Vlaanderen-Aardenburg-Waas en van de pagus Mempiscus. Hij is dan al in het bezit van het kloosterdomein van Torhout.

 

De overlevering van Boudewijn, 'die brochte Sente Donase van Riemen', blijkt dus te kloppen. Hij brengt de relieken naar zijn graafschap. In afwachting van de bouw van de kerk in Brugge, worden de resten van Sint-Donaas toevertrouwd aan de kloosterkerk van Torhout.

 

De gift van Hincmar aan Boudewijn toont de hechte band aan die er tussen beiden bestaat en die prompt eindigt met de ontvoering van de koningsdochter en met de banvloek die de aartsbisschop over het hoofd van zijn gewezen vriend laat neerdalen. Het zal tussen hen nooit meer goed komen. De studie van pastoor Noterdaeme bewijst uiteindelijk het gelijk van mijn Désiré Loys: de schenking van de relieken is gebeurd in de tijd dat Hincmar en Boudewijn nog goede maatjes waren en dus automatisch en met zekerheid voor de jaren 862.

 

Dat elk spoor van Donaas in Reims vanaf dat moment uitgewist wordt, heeft natuurlijk alles te zien met de vendetta van Hincmar tegen zijn gewezen boezemvriend. Maar wat heeft dat nu allemaal te zien met onze forestiers? Waarom blijkt de 7de graaf van Vlaanderen plots de 11de te zijn? Loys keert terug in de tijd. In het jaar 621 krijgt Liederik de Buck, of Liederik I van Vlaanderen, het gebied Vlaanderen van de Franse koning Clotarius II als erfdeel toegewezen. Liederik zal 57 jaar over Vlaanderen regeren en laat het graafschap over aan zijn zoon Antonius (Antoine) die op zijn beurt 16 jaar aan het roer blijft tot hij door toedoen van buitenlandse krijgslieden uit zijn staten wordt verdreven.

 

De buitenlandse agressie blijkt afkomstig van de Friezen onder leiding van Radbod en zijn opvolger Poppon en dus niet van de Noormannen waarmee de kroniekschrijvers onterecht uitpakken. Antonius' opvolger Bouchard, zijn broer of zijn zoon, ziet niet alleen dat zijn land ten prooi gevallen is aan de Barbaren, maar tot overmaat van ramp berooft de Franse koning Childebert II hem ook nog van grote stukken territorium.

 

Zijn erfdeel is foetsie. Bouchard en later zijn zoon Estorede kunnen onmogelijk de naam van forestier of graaf dragen, want ze hebben officieel geen grondgebied meer. Het hele territorium krijgt trouwens in de 8ste eeuw ononderbroken te maken met de willekeur en de terreur van de Barbaren. Uiteindelijk is het Karel de Grote (742-814) die het land verlost van de stropersbenden.

 

Charlemagne beloont Liederyk, een afstammeling van Liederik I, voor zijn dapper gedrag en herstelt het erfdeel van zijn voorouders. In 792 komt Liederyk als derde forestier of graaf in het bezit van Vlaanderen. Hij zal zijn graafschap 40 jaar besturen en laat zijn staten in 833 over aan zijn zoon Engelram die de titel van 'graaf van Harelbeke' met zich meedraagt. Engelram blijft 20 jaar regeren over Vlaanderen en geeft dan de scepter door aan zijn zoon Odoacre of Auderack die volgens geschiedschrijver Vredius niemand minder is dan onze eigenste Boudewijn I.

 

Odoacre of Auderack zijn slechts bijnamen. Audacer en Baldus zijn trouwens synoniemen om iemand als vermetel of dapper aan te duiden. Schrijver Loys volgt die redenering helemaal. In 853 moet het gewoonweg Boudewijn I geweest zijn die geïnstalleerd wordt als 5de graaf van Vlaanderen. Het ontbrekend lijstje is nu compleet, ik herhaal nog even de volgorde van onze eerste 5 graven: Liederik, Antonius, Liederyk, Engelram en Boudewijn.

 

Kroniekschrijver Olivier de Wree geeft nog meer details prijs in zijn geschriften: Boudewijn met de Ijzeren Arm neemt al de fakkel over tijdens het leven van zijn vader Engelram die zich door zijn hoge ouderdom verplicht ziet om zich terug te trekken in zijn kasteel van Harelbeke. Er circuleert trouwens een brief van Hincmar aan Boudewijn waarbij die onze gravenzoon aanspreekt als 'Gloriosus Marchius', wat neerkomt op zoiets als 'Geachte Markies'.

 

Boudewijn kan de titel van graaf immers niet dragen zoals zijn vader leeft. Er bestaat trouwens nog een ander bewijsstuk dat Boudewijn met de Ijzeren Arm nooit de eerste graaf van Vlaanderen kan geweest zijn. In de capitularia van Karel de Kale van 844 worden de gebieden van Vermandois, Noyon, Artois, Kortrijk en Vlaanderen officieel de 'graafschappen' van Engelram genoemd. Engelram is dus officieel al graaf voor dat Boudewijn er aanspraak kan op maken. Boudewijn I is dus inderdaad onze 5de forestier of graaf die officieel erkend wordt als heerser over Vlaanderen.

 

Het grafschrift van Boudewijn van Rijsel, zijn 6de opvolger, draagt dan ook terecht de titel van 11de graaf van Vlaanderen. Ik raak ondertussen verstrikt in het werk van kanunnik de Bast. Zeg maar gebiologeerd. De man verdient een dikke pluim voor zijn gedegen research. Ik krijg nog maar een keer een les voorgeschoteld dat we nog zo veel onbekende geschiedenisfeiten over het hoofd zien. Als het stof kwalijk neerdwarrelt op die antieke geschriften, bestaat het risico dat cruciale waarheden over het hoofd worden gezien.

 

Boudewijn is zo de geschiedenis van Vlaanderen ingegaan als Boudewijn met de Ijzeren Arm. Eigenlijk is dat toch een vreemde bijnaam die zomaar geslikt wordt door de crème van onze historici.

 

Een anonieme biograaf die het leven omschrijft van de heilige Winox in zijn 'Vita S. Winnoci', schrijft kort na de dood van graaf Boudewijn een aantal zaken die aanleiding geven tot zijn bizarre bijnaam die hij voor de rest van de tijden met zich zal meeslepen. Het staat natuurlijk allemaal neergeschreven in het Latijn. De woorden 'Baldewinus' en 'Ferreus' in de 'Monarchiam Flandriarum' zijn de meest opvallende.

 

Maarten de Bast schiet me te hulp. Tijdens de bestuursperiode van Karel de Kale, de Franse koning, staat zijn schoonzoon Boudewijn aan het hoofd van de monarchie van Vlaanderen. Boudewijn straalt kracht en waarden uit. Vlaanderen heeft nooit voordien dergelijke kapitein gekend. Dank zij zijn ontembare wilskracht en moed, verdient hij zeer zeker zijn bijnaam van 'Ijzeren Arm'. De 'Ferreüs'-man.

 

Overal waar hij met zijn troepen neerstrijkt, triomfeert hij over de vijand. Vooral de kuststreek is het toneel van oorlog, wraak en blind bloedvergieten. De nietsnutten van Denemarken richten op onze stranden gruwelijke slachtingen aan. Maar Boudewijn laat zich niet kennen. Het is hier, op deze plaatsen, dat graaf Boudewijn zijn reputatie als man van staal opbouwt en de Noormannen bloedig van antwoord dient. Zijn onoverwinnelijk imago lijkt coherent met zijn bijnaam. Maar heeft er niets mee te maken. De analisten zoeken in de naam van 'Bras-de-Fer' of 'Ferreüs' een rechtstreekse verklaring voor zijn heldhaftig karakter. Een typisch fenomeen toch die analisten.

 

Als ik de dag van vandaag de krant openvouw of me laat verleiden tot een nieuwsjournaal, dan word ik om het hoofd geslagen door tientallen van die betweters die elk dan nog op zich hun eigen visie hebben. En hun eigen waarheid. Vroeger bestonden die lieden dus ook al. Hun voorbarige conclusie gaat spijtig genoeg een eigen leven leiden en amputeert tezelfdertijd een stuk Westhoekverleden uit de geschiedenis van Vlaanderen!

 

Ik kom dat pas veel later te weten. De Nieuwpoortse burgemeester de Brauwere redt een klein handschriftje van de brandstapel. Wie het geschreven heeft, is niet bekend, wel dat het gedrukt zal worden te Gent in het jaar 1790. De anonieme schrijver is heel zeker en overtuigd van wat hij schrijft. Boudewijn is geboren in Nieuwpoort, in zijn kasteel aan de Ijzer, in Sandeshoved. De naam van die rivier wordt lompweg beschouwd als staal (ijzer dus) en daardoor per abuis vertaald in 'ferreus'. Vandaar dus de naam van Boudewijn met de Ijzeren Arm.

 

De man zal het zelf nooit beseft hebben met wat voor idiote bijnaam hij later de geschiedenisboeken zal vullen. Eigenlijk zou de graaf dus Boudewijn van den Ijzer moeten hebben genoemd. In het Latijn: 'Baldewinus ab Iseram'. De man, afkomstig van de pagus Iseretius zal tijdens zijn leven de pagus Mempiscus en de pagus Flandrensis tot één Vlaams gebied integreren. De initiatieven voor de unie van Vlaanderen zijn dus vanuit de Westhoek gekomen.

 

Ieper krijgt tussen 890 en 902 zijn eerste burcht dank zij buurman Boudewijn van den Ijzer. Zonde dat dit nu pas boven water komt. Zo. De posities en de tijdlijn van de verschillende forestiers zijn uitgeklaard. Schrijver Loys is er tevreden om. Hij heeft afgerekend met de rekenkundige tegenstrijdigheden die altijd maar weer aanleiding hebben gegeven om het bestaan van de forestiers op de helling te zetten.

 

Er is nog een heikel punt waar hij het wil over hebben: de oorsprong van het woord 'Vlaanderen'. Nogal wat geschiedschrijvers hebben er hun hoofd over gebroken en eigenlijk staat het nog altijd niet vast hoe de naam van ons land er gekomen is. Adriaen van Schrieck beweert dat de volkeren die aanvankelijk onze landstreken bewoonden 'Pleumosii' werden genoemd.

 

Hij heeft dit woord omgevormd in 'Phlemosii' en hierin, in dit gedrocht, denkt hij de oorsprong te vinden van de naam van Vlaanderen. Hij verwringt die naam op zonderlinge wijze om er uiteindelijk het woord 'fleut' of 'vleut' in te vinden, het synoniem voor vloed, of golven van de zee. En van 'fleut' gaat hij naar 'Vlemschen' of 'Flemschen' om uiteindelijk te belanden bij 'Vlamingen' of 'Flamingen'. En bij 'Flandre' of 'Vlandre'. Ik kan Désiré Loys volledig gelijk geven: het is allemaal veel te ver gezocht. Als het intuïtief niet goed aanvoelt, dan mag je het vergeten.

 

Zijn collega geschiedschrijver Jacobus Marchantius beweert dat 'Flandria' afstamt van 'Flenderen' of 'Flaederen' wat in het Hoog-Duits 'fleches' of 'flitsen' betekent. Ik veronderstel dat hier bedoeld wordt 'pijlen' waar onze voorouders goed mee overweg konden. We hebben allebei dezelfde mening: hier moeten we geen verdere tijd aan besteden.

 

Evenmin trouwens aan de bewering dat onze landsnaam afgeleid zou zijn van 'Vele Anderen', namelijk dat Vlaanderen een smeltkroes is van allemaal vreemdelingen. Vredius houdt staande dat Vlaanderen het woord 'Vry' of 'Fry' van 'Vryland' of 'Fryland' in zich meedraagt. Een naam die men oorspronkelijk heeft gegeven aan de kassselrij van Brugge.

 

Zijn redenering valt echter in duigen bij de wetenschap dat deze kasselrij dagtekent van het jaar 1225 en dat de naam van 'Vlaanderen' veel ouder is. Collega Meyerus leidt het af van de woorden 'Vlaa' en 'Vlaake', 'Vlaaland of Vlaakeland' dat synoniem staat voor een waterachtig en stormachtig land. Zal Jacques Brel dit eigenlijk beseffen als hij in 1962 het onsterfelijke 'Mijn Vlakke Land' zal creëren? Oudegherst ziet schimmen van het woord 'Flambertus' doorschemeren in de naam van 'Vlaanderen' en 'Vlaming'.

 

Die Flambertus werd in het jaar 445 door Clodius aangesteld als landvoogd over onze streek. Van Flambertus zou Fleandebertus afgeleid zijn dat op zijn beurt de naam van Fleandria zal geven aan het land van de Belgen. Loys sluit zich echter aan bij de mening van Meyerus. Aanleiding hiertoe is de vondst van een oude kroniek van Oudenbrug die het heeft over 'de menigte wateren welke de zee er van alle kanten inspoelde, en die aldaer stilstaende waters of kreken maekten, welke men in het vlaemsch Vlaacke noemde'.

 

Loys zwaait met de beoordeling van de zeer geleerde historicus Le Broussart. De bewering van Oudegherst is de minst onwaarschijnlijke, maar hij betwijfelt ten zeerste of hij het alsnog bij het rechte eind heeft. Onze schrijver meent zelf de sleutel voor het raadsel te hebben gevonden. Ik sla vlug de volgende pagina om zodat ik meer te weten kan komen over deze boeiende en mateloos interessante materie. Het is erg plausibel dat de naam van Vlaanderen iets te maken heeft met zijn geaardheid. Zijn plaatsnaam moet iets te maken hebben met het karakter van het land. Kijk maar naar Holland en Zeeland. Of Frankrijk. Ze dragen allemaal de ziel van hun naam met zich mee.

 

Om de doopnaam van Vlaanderen te doorgronden, moeten we ons eerst en vooral begeven naar het oorspronkelijke land. Hoe zag het er uit in zijn begindagen? Een moerassig land gevuld met beken en vijvers waar een reeks van eilanden hun koppen opsteken op de hoger gelegen stukken land. De eilanden zijn onderling verbonden door een hele reeks houten bruggetjes die onze landstreek typeren als 'het land van de bruggen'. Daar zegt de schrijver zoiets.

 

Met de Duinkerke-transgressie, de overstroming van de zee, was het zeewater opgerukt tot aan de hypothetische lijn tussen Roesbrugge en Brugge. Dat was op het einde van de derde eeuw. Van Brugge is het geweten, haar naam 'Brugstock', de plaats die ontstaan is op een hoogte tussen vlonders, temidden van het water. Meteen is het woord 'vlonders' gevallen. Ik herken opnieuw die zo typische intuïtieve kenmerken die de kracht van de mondelinge overlevering met zich meedragen.

 

Zeggen we op vandaag nog altijd niet tegen vreemden dat we van de 'Vloanders' zijn? Vlonders, Vloanders, Vloanderen, Vlaenderen, Vlaanderen, het land van de bruggen en de houten vlonders. Ik vind onmiddellijk bevestiging in het Etymologisch woordenboek van J. De Vries. Een vlonder is een losse houten brug of vloer. De eerste verschijningsvormen van het woord 'vlonder' zijn 'flundere', 'flunder', 'flundra' en 'flander'. Hij slaat de nagel op de kop. De Vries duidt aan dat het woord van oorsprong afkomstig is uit Noorwegen.

 

De Noormannen zullen iets te maken hebben met de naam van Vlaanderen. Ze zijn nooit veraf geweest van de Nederlandse kusten, de monding van de Schelde, het Zwin en Brugge. Kijk maar aan Rorik en iedereen die voor die tijd is binnen gesijpeld in onze contreien. Ik denk spontaan aan Bryggja, de Noorse naam van Brugge. Een stadsnaam die er ook terug te vinden is. Een stadje aan de inham bij het water.

 

Ik duik opnieuw de etymologie binnen. Bryggya, brygga, bregge, brigge, bruggia, brugge. In het Middelnederlands synoniem voor havenhoofd, steiger, kaai en ook van scheepsloopplank, een planken vloer, een brú, een harde weg door een moeras. Brugge en Vlonder zijn dus broer en zus. Désiré Loys heeft gelijk. Ook hij komt tot dezelfde conclusie: de woorden 'vlonder' en 'Brugge' betekenen hetzelfde. In die begindagen wordt er voor de benaming van onze landstreek eigenlijk ook geen onderscheid gemaakt. We wonen in het land van de Vlonderen en van de Bruggen.

 

Meer en meer zal de naam 'Bruggen' de functie van hoofdplaats gaan betekenen. Ik vraag me trouwens af hoe ver het originele 'Vlonderen' eigenlijk reikt in de tijd. We keren terug naar de periode wanneer Sint Elooi als eerste apostel bij ons het katholieke geloof komt prediken. Het jaar 641. Het leven van onze zendeling-smid wordt in 678 neergeschreven door zijn collega en tijdsgenoot Sint Audoënus.

 

Hier wordt voor de eerste keer gesproken over Vlaanderen, Gent, Kortrijk en andere steden die zich onder de bevoegdheden van de bisschoppen bevinden. Vlaanderen is dan nog niet echt een land of een staat maar wel een gebied dat onder dezelfde jurisdictie valt aan de welke men de naam van 'Brugge' geeft.

 

Deze jurisdictie wordt de 'Municipium Brugense' genoemd. Onze schrijver Audoënus geeft aan dat dit ook wel de 'Municipium Flandrense' betekent. In de 7de eeuw is Vlaanderen niet anders dan de kasselrij van Brugge dat zelf niet als een stad kan omschreven worden. Wat sommigen ook mogen beweren, er is op dat moment nog geen sprake van een stad in Brugge.

 

Waarom anders zou onze prediker alleen maar Gent en Kortrijk als bevolkingscentra aanhalen in zijn geschriften van 678? In beide steden heeft Elooi zijn devote zending volbracht. Gent en Kortrijk in het land van de bruggen, de municipium Brugense'.

 

Vergeet even de naam van 'Brugge'. In het begin is Vlaanderen gewoonweg 'Het land van de bruggen'. In het jaar 835 verhullen de cartularia van de Franse koning Lodewijk de Goede dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen Vlaanderen, de pagus Mempiscus (van Torhout tot het land van Waas) en het Melantees (de streek van Doornik). In de capitularia van Karel de Kale (853) komt er nog een grotere versnippering: Het Kortrijkse wordt afgescheiden van de pagus Flandrensis en de pagus Mempiscus omvat nu ook het grondgebied van Veurne, Nieuwpoort en Roeselare tot aan het westen van Gent.

 

Zelfs de abdij van Drongen valt binnen de pagus Mempiscus. Het Melantees omvat verscheidene kantons van de kasselrij van Rijsel. Het grondgebied van Vlaanderen is tot in de 9de dus niet veel meer dan het grondgebied van Brugge dat reikt tot aan Sluis, Yzendijk, Aardenburg en Damme. Het is Boudewijn van den Ijzer (officieel dus Boudewijn met de Ijzeren Arm) die het gewest tussen de Noordzee, de Schelde en de Somme onder zijn bewind krijgt en die daar de naam van 'Vlaanderen' aan toekent.

 

Ik laat Loys het ontstaan van Vlaanderen nog even met zijn eigen woorden afsluiten: 'Ziet daer dan de oorspronkelyke grenzen van Vlaenderen. Dit land, het welk nadien zoo zeer in bloei heeft toegenomen, zoowel door den koophandel als door de voortbrengselen van den grond zelven; dat zoo vermaerd is door de groote mannen welke het heeft opgeleverd, en door den eervollen rang dien het in de geschiedenis bekleed heeft, is zynen naem aen het Brugsche grondgebied verschuldigd.'