P0811100

Nogal wat oude handschriften leren ons dat er een zekere graaf Liederik en een graaf Ingelram hebben geleefd en dat de vader van Boudewijn de Eerste de naam droeg van Audacer. Onze voorouders hebben die namen aan elkaar geregen en zo kwamen zo uiteindelijk tot een min of meer acceptabele genealogie van het Vlaamse vorstenhuis. Met Liederik als stamvader van de dynastie en opgevolgd door zijn zoon Ingelram, zijn kleinzoon Audacer en zijn achterkleinzoon Boudewijn de Eerste.

 

De overtuiging van dat oude Vlaamse vorstenhuis wordt gaandeweg en in toenemende mate ondermijnd door een andere traditie. Een andere variante als het ware. In een kerk te Harelbeke ligt er een zekere Liederik begraven. Het kan geen kwaad om eens terug te keren in de tijd. Naar het jaar 1000. De stichting van het kapittel van Harelbeke. 30 jaar eerder is monnik van de Sint-Pietersabdij te Gent gaan verkondigen dat de vroegst gekende voorzaat van het heersende vorstenhuis de naam van Liederik moet gedragen hebben.

 

In Harelbeke aarzelt men niet om hun Liederik te vereenzelvigen met die eerste Vlaamse graaf. De kanunniken van het klooster van Harelbeke zijn uitermate in hun nopjes met het nieuws over Liederik. In hun kerk liggen de beenderen van de stamvader van het Vlaamse vorstenhuis begraven. Wat een eer voor de abdij. Welke schitterende vooruitzichten ontstaan er niet met die wetenschap? En toch is er een schaduwzijde aan het verhaal, want de begraven Liederik werd tot dan toe geacht enkel de graaf van Harelbeke te zijn geweest. En daar kunnen de vrome kanunniken het niet bij laten!

 

De volgende 100 jaar wint de in 836 overleden bescheiden gouwgraaf uit de streek van Sint-Omaars in toenemende mate aan praal en macht en aan prestige. Het gevolg van een intens lobbywerk die zelfs in onze moderne tijden niet zou misstaan. Deze graaf van Harelbeke zou in wezen over heel Vlaanderen hebben geheerst als eerste graaf van Vlaanderen. Velen delen deze mening niet, maar de druk om de Liederik van Harelbeke tot stamvader van het Vlaamse vorstenhuis te laten erkennen is groot.

 

Uiteindelijk ontstaat er in 1194 een vergelijk als de bezadigde Andreas Silvius, de prior van Marchiennes, officieel verklaart dat Liederik en na hem Ingelram en Audacer wel degelijk over Vlaanderen hebben geheerst. Echter niet als graaf maar wel als forestier, woudmeester in functie van de koning van Frankrijk.

 

Het vergelijk tussen de traditionele geschiedenis en de legende van Liederik is ongetwijfeld een overwinning voor de kanunniken van Harelbeke die de Liederiksage hebben verzonnen en verspreid. Hoe dan ook is het ontstaan van het Vlaamse vorstendom een mengeling van al dan niet verkeerde voorstellingen, legendes en verzinsels. Maar waar ligt de waarheid? De Liederiksage kan je trouwens uitgebreid en in al zijn details lezen in de kronieken van de Westhoek.

 

In de 9de eeuw is Vlaanderen bedekt met heide, bossen en moerassen. Ik baseer me onder andere op het briljante werk van de Gentse historicus Jan Dhondt (1915-1972). In het noorden ziet het landschap er totaal anders uit dan wat we op vandaag kennen, schrijft hij kort na de tweede wereldoorlog. Rond het jaar 400 is de zee diep in het land gedrongen en heeft ze zo een brede zone van het vasteland onbewoonbaar gemaakt. Het gebied staat wel niet continu onder water maar elk springtij of hoogtij is voldoende om het land opnieuw te doen overstromen.

 

Het zeewater laat een sliblaag van klei aanwassen zodat de bodem zich stilaan gaat verheffen. Het is een traag en geleidelijk proces dat zeker nog niet is afgelopen in de 9de eeuw. Noordelijk van de nieuwe kustlijn gaan zich de volgende eeuwen talrijke eilanden vormen. De zee is het diepst doorgedrongen in het oosten. De Vier Ambachten, de streek van Eeklo-Maldegem, en het noorden van het Land van Waas komen rond het jaar 400 serieus onder water te staan.

 

Het noorden van het land van Waas tot aan de duinengordel Melsele-Stekene (geen zeeduinen maar stuifzand) ligt aan de zee en vormt de grens van het Frankische kolonisatiegebied. Hier bevinden zich de uitgestrekte jachtgebieden van de koning van Frankrijk. Met domeinen als Saleghem, Melsele en Baldegem. Meer in het noordwesten verschijnen enkele eeuwen later een aantal eilanden: Wulpen, Zuidzand, Koezand, Zaamslag en Testerep.

 

De hele streek van de Vier-Ambachten zal trouwens nog lang een geheel van eilanden en eilandjes blijven. Aanvankelijk zijn die eilanden alleen maar zandbanken. Met uitzondering van Testerep, waar Oostende zich veel later gaat vormen, dat al wordt vermeld op het einde van de jaren 900, verschijnen de andere eilanden vrij laat. Wulpen en Cadzand hebben zich al gevormd in 1096. Axel verschijnt in 991 en Assenede pas in 1108. In het Brugse Vrije reikt de overstroomde zee tot vlak bij de plek waar later Brugge zal ontstaan.

 

De plaatsnamen die eindigen met -gem of -zele verraden de aanwezigheid van de zee. Kijk maar naar Dudzele, Kathem, Aarsele, Avingezele. Michem en Eitegem ter hoogte van Oostkerke. Gaarlem en Gijzeele bij Lissewege en Vlissegem. Pas later, in de 11de eeuw, zullen andere plaatsen ten noorden van Brugge vermeld worden. De plaats Oostburg is gelegen op het oostelijke uiteinde van het vasteland.

 

De IJzermonding is in die tijd een brede zeeader die het land binnen dringt tot Vleteren met het nabijgelegen Loo als een eiland. Nog voor 1100 wordt in de Translatio, Sancti Wandregisili gewag gemaakt van deze brede monding. Verder westwaarts liggen de moeren, een laagland dat nog lang zal overstroomd blijven. Sint-Winoksbergen ligt oorspronkelijk aan een zeeader en dat zal zo blijven tot in de 12de eeuw.

 

De monding van de Aa is niet meer zo aanzienlijk in de 11de eeuw maar verderop, ter hoogte van Sangatte en Oye, ligt een brede zeeader die Neuna wordt genoemd. De hele westkust is bezaaid met eilandjes. De inpoldering zal voor het jaar 1000 al bij al vrij beperkt blijven. De reeks burchten opgericht door Boudewijn de Tweede om het land te beschermen tegen de Noormannen, verraadt de toenmalige kustlijn. Oostburg, Aardenburg, Brugge, Oudenburg, Gistel, Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg liggen allemaal op één lijn.

 

Het is de lijn die grotendeels overeenstemt met de kustlijn van 1100 jaar geleden. Overal langs de toenmalige kustlijn zijn er Frankische nederzettingen terug te vinden. In het noordoostelijke schiereiland van Waas zien we Melsele, Salegem en Baldegem. Iets meer naar het zuiden liggen Belsele en Bazel aan de Schelde. Zele ligt meer geïsoleerd in de domeinen van de pagus Wasiae. Aan de westzijde van de 'fluvius maris' die in de 10de eeuw reikt tot in Adegem, vinden we een reeks van Frankische boerderijen terug: de koninklijke ficus Maldegem, Adegem, Noorthem en Wielinghem, de Frankische nederzetting van de pagus Ronanensis.

 

In het Brugse, meer bepaald in de driehoek Brugge-Oudenburg-Torhout, de pagus Flandrensis, bestaan er talrijke Frankische domeinen: Sijzeele, Beernem, Zedelgem, Loppem, Snellegem, Straathem, Meshem, Bekegem, Roksem, Zerkegem, Eernegem, Ichtegem en andere. In de golf van Loo (de brede monding van de Ijzer) liggen Wulveringem, Alveringem, Vinkem, Houtem en Leyzele. Het is duidelijk dat de Franken de hele kuststreek van die tijd hebben gekoloniseerd.

 

Sinds de Franken van Karel Martel, (door hem de Karolingische periode genoemd) is heel Frankenland en dus ook Vlaanderen ingedeeld in gouwen, pagi, die elk door een graaf worden bestuurd. Aan de kust tussen de Schelde, de zee en de waterlinie van Gent bevindt zich de pagus van Waas. Naar het westen toe de pagus van Oudenburg en de pagus Flandrensis die zich uitstrekt tot aan de brede monding van de Ijzer. Zuidelijker, tussen de Aa en de Canche zien we de pagus van Boulogne.

 

Naar het binnenland toe strekt de pagus Mempiscus zich uit van Waas tot voorbij Roeselare. De oostelijke grens van de pagus Mempiscus valt samen met de scheidingslijn tussen de bisdommen van Terwaan en Doornik. Ten westen van die lijn, tot aan de Ijzer en de Vleterbeek en misschien nog aan de andere kant van de Ijzer ligt de pagus Iseretius. Het bestaan van de officiële naam van de pagus Iseretius staat neergeschreven in een oorkonde van het jaar 811 waarin Vleteren omschreven staat als 'Fletrinio, in pagus Iseretio'.

 

Tussen 811 en 846 zal de pagus Mempiscus geleidelijk aan de pagus Iseretius opslorpen. Zuidelijk bevindt zich de gouw Terwaan. Het oostelijk deel van de pagus Terwanensis en de gouwen Iseretius en Mempiscus wordt beschreven als de streek van Mempiscus. Laten we eens terugkeren naar het oostelijk deel van Vlaanderen. Ten noorden van de Schelde, stroomafwaarts van Gent en de Leie ligt de pagus van Gent. Tussen de Schelde en de Leie bevinden zich de pagus Cortracensis en zuidelijker de pagus Tornacensis.

 

De bekendste plaatsen in de Kortrijkergouw zijn in die tijd Boenlare bij Petegem-Deinze, Koolegem bij Deurle, Zingem, Ouwegem bij Kruishoutem, Kruishoutem zelf, Beveren aan Leie, Beveren bij Oudenaarde, Andelgem, Tiegem, Desselgem, Potegem op Waaregem, Steenbeek te Desselgem, Waregem en Kaster.

 

Avelgem in het oosten en Lauwe in het westen lijken voor een deel in het Doornikse en voor een deel in het Kortrijkse gelegen te zijn. Ze vormen in elk geval de grens tussen de twee gouwen. Lodewijk de Vrome, de opvolger van Karel de Grote, zal rond het jaar 800 de pagi Cortracensis en Tornacensis fusioneren. In het jaar 811 strekt de pagus Tornacensis zich uit tot aan Gent want de Sint-Pietersabdij van Gent wordt in dat gebied expliciet gelegen 'in pago Turnacense'.

 

In 853 zullen de beide gouwen weer van elkaar gescheiden worden. De gouw van Artesië ligt oostelijk van de pagus Ternois. De zuidoostelijke hoek van het latere graafschap Vlaanderen omvat een reeks pagi van uiteenlopend belang: Oosterbant, Caribant, Melantois, Pevele, Escrebieu en de pagus Leticus. Dit is zowat de bestuurlijke inrichting van het Vlaamse land. De gebieden in Vlaanderen die al ontgonnen zijn, worden meestal ingedeeld in uitbatingseenheden, villae of domeinen die aan een kleine schare van grondbezitters toebehoren.

 

Al met al zijn er weinig kleine vrije boeren. Naast de grootgrondbezitters zijn veel villae eigendom van de kerk, via abdijen of kapittels. Maar ook de koning bezit een respectabel aantal kroondomeinen. Zo ontwaren we de fisci van Weinebrugge, Snellegem en Maldegem. Maar verder in het binnenland bevinden zich nog meer kroondomeinen: Roeselare met de afhankelijkheden Hardooie, Koekelare en Hooglede. Rijkegem behoort bij de fiscus van Tielt.

 

Andere fisci zijn Koolskamp, Wingene, Beernem en Boonaarde bij Kortrijk. Boonaarde zal later door Lodewijk de Vrome aan Sint-Amand op de Schelde worden geschonken. In de pagus Gandensis bevinden zich de fiscus Marke bij Ekkergem met talrijke afhankelijkheden zoals Evergem en Goedege. Ook Aaigem bij Sint-Pieters-Aaigem staat beschreven als een kroondomein.

 

Heel het domein van Sint-Pieters blijkt een koninklijke schenking te zijn. Temse aan de Schelde en Petegem aan de Leie zijn fisci. In het zuiden is de aanwezigheid van fisci nog belangrijker: Doornik, Cysoing, Vitry, Valencijn, enz. Naast de talrijke fisci is de koning ook eigenaar van alle woeste, braakliggende of nieuwe gronden. Zo zijn de wouden zijn eigendom. Het Scheldehout (Scheldeholt) tussen Schelde en Vijve, de Forestum Methela tussen Vijve en Leie en het Forestum Wasdae zijn koninklijk bezit. Het lijkt overduidelijk dat de Karolingen een buitengewoon groot aantal domeinen bezitten in Vlaanderen. Geleidelijk aan, al gedurende de 9de eeuw, zal dit bezit door akten van afstand afnemen.

 

Hoe Vlaanderen er uitziet bij zijn ontstaan weten we al. En we weten wie er eigenaar is. Maar wie is verantwoordelijk voor het beheer van de streek? Het beroemde capitularium van Servais, door Karel de Kale afgekondigd in 853, verstrekt ons interessante informatie! Koning Karel stelt in zijn Capitulare Silvacense de afgevaardigden aan die over zijn Karolingische rijk moeten heersen. Het Karolingische rijk wordt ingedeeld in 12 missatica (gebieden). In elk missaticum worden enkele heren (geestelijken + leken) belast met het handhaven van de orde. Het zijn trouwens de vooraanstaanden van de missaticum zelf die kiezen wie verantwoordelijk wordt voor het beheer.

 

De gouwen van Vlaanderen worden in het capitularium van Servais ondergebracht in de missatica III en IV. Missaticum III met de bisschop van Doornik als missus: de pagus Flandrensis, Aardenburg, Waas, Gent, Kortrijk, Doornik, Artesië, Ostrevant, Pevele, Melantois, Caribant, Vermandois en Noyonnais. Missaticum IV met de bisschop van Terwaan als missus: Deze missaticum bevat Mempiscus-Iseretius, Boulogne, Ternois, Escrebieu en Leticus.

 

Drie van de graven die gouwen bezitten in missaticum III worden met name genoemd: Odelricus, Waltcaud en Ingelram. Uit de tekst van de verordening van Servais blijkt dat de pagi van het missus-gebied in drie groepen dienen te worden ingedeeld. Deze van Ingelram staat omschreven als comitabitus Ingelramni. Een tweede groep, die van Waltcaud staat bekend als comitatibus Waltcaudi. Ingelram blijkt echter veel belangrijker dan Waltcaud.

 

Als abt van het Henegouwse Maroilles is hij eigenaar van een aantal leengebieden. En ook in het Franse Laon bezit hij aanzienlijke eigendommen. Ingelram is voorlopig nog niet op het toppunt van zijn macht maar hoe dan ook is hij veel belangrijker dan de onbekende Waltcaud die de kleine en arme gouwen van Waas en Aardenburg, naast die van het graafschap Gent bestuurt. Welke zijn de gouwgraven van onze streek, die van missaticum IV? De rijksverordening van Servais geeft aan dat Berengarius, Gerardus, Engischalk en Renier als gouwgraven worden aangesteld.

 

Eerder in 846 heeft graaf Berengarius van koning Karel de Grote goederen gekregen die gelegen zijn in de pago Mempisco, meer bepaald in de vroegere pago Iseretius. Het valt dus aan te nemen dat Berengarius de graaf is van de pago Mempiscus-Iseretius. Graaf Gerard bezit de 'villa' Eperlecques in de streek van Terwaan. Hij is vermoedelijk de opvolger van graaf Unrocus van Ternois die het ambt waarnam tussen 839 en 853.

 

Graaf Engischalk heeft de bevoegdheid over Boulogne. Het is geweten dat Renier, graaf van Escrebieu en Leticus bij de troonsbeklimming van Karel de Kale de cella van Torhout verkrijgt. Ingelram is een man van hoog niveau. Hij schopt het tot kamerheer en gunsteling van de Franse koning Karel de Kale tot dat hij uiteindelijk in het jaar 871 in ongenade zal vallen.

 

Ook Odelricus behoort tot de getrouwen van de Frankische keizer Lotharius. Het is dan ook niet verrassend dat Odelricus in het capitularium van Servais geciteerd staat als graaf van Noyonnais, Vermandois, Artois, Kortrijkergouw of Vlaandergouw. Na het in ongenade vallen van Ingelram zal hij trouwens nog in het bezit komen van enkele van zijn gouwen.

 

En dan zijn er nog de graven die de gouwen van het bisdom Terwaan besturen, die van van missaticum IV. Renier die we aanzien als graaf van Leticus, Scarbeius en misschien de Vlaandergouw daagt op in geschriften van 839. Op het zelfde document, de 'vassus dominicus', staan eveneens de namen van Odelric, de graaf van Artois en Liederik, de graaf van Letricus vermeld. De geciteerde Liederik kan mogelijkerwijze de zoon zijn van Liederik senior die in 836 in Harelbeke begraven werd.

 

De afkomst van graaf Renier situeert zich bij de machtige adellijke Lotharische dynastie van Renier Lankhals die vooral het goede weer uitmaakt in de Maasgouw. Ook de abdij van Echternach is nauw gelinkt aan graaf Renier van Leticus. Na de dood van Lodewijk de Vrome schenkt de nieuwe Franse koning Karel de Kale de kleine abdij van Torhout aan Renier. Maar ook hij zal nog voor 860 in ongenade vallen bij zijn vorst.

 

Naast Renier is er ook graaf Gerardus die eigenaar is van Eperlecques in Ternois, die hij in 863 afstaat aan de abdij van Wormhout. Hij blijft vermoedelijk graaf tot in 877. Ook de naam van Adalgarius komt vrij vaak voor in de oude bronnen. En ook die van graaf Berengarius die als missus verschijnt in de bisdommen Noyon, Terwaan, Amiens en Kamerijk. In een oorkonde van 846 vernemen we dat Karel de Grote 'honores in pago Mempisco' heeft geschonken.

 

De ligging van Vlaanderen aan de monding van brede en diepe stromen, pal tegenover Engeland, lijkt voorbestemd om handel en verkeer te doen bloeien. En het gebeurt ook zo. Parallel met de befaamde economische ontwikkeling van de Maasvallei ontluikt langs de oevers van de Schelde een actieve handelsbedrijvigheid die een reeks van portussen doet ontstaan: de Karolingische portus van Gent, Doornik, Valencijn, Kamerijk en Lambres bij Dowaai aan de Scarpe.

 

Maar ook zeehavens vinden hun ontstaan. Quentovic is één van de belangrijkste Karolingische havens. Boulogne, een krijgsvlootbasis die ook wel zal aangewend worden als koopvaardijhaven. En natuurlijk de Isere Portus, een haven aan de Ijzermonding. Vlaanderen is vanuit economisch standpunt bekeken een rijke en bloeiende streek. Maar de Vlaamse welstand heeft zo zijn nadelen. De rijkdom van het land, zijn geschikte aanlegplaatsen trekken niet alleen vreedzame handelslieden aan maar eveneens malafide zeerovers die strooptochten beginnen te organiseren in dit rijke Frankische gewest. Ze dringen door tot in het hart van Frankrijk.

 

Vanaf 800 zullen de Scandinaviërs, onder druk van hun steeds toenemende bevolking, het Frankenland als geliefkoosde doel van hun rooftochten gaan beschouwen. In 800 vernemen we voor het eerst dat de Noordzee door piratis onveilig wordt gemaakt. Voortaan komen verhalen en verslagen van plundertochten en invallen van de Noormannen als een droevig refrein voor in de kronieken en jaarboeken van Frankrijk en Lotharingen!

 

Karel de Grote reageert krachtig op de Scandinavische bedreiging. Al in hetzelfde jaar 800 vaart hij over de Noordzee vanaf de Rijnmonding tot in Ponthieu en installeert hij garnizoenen en afdelingen van zijn vloot langs de kust.

 

Er ontstaat een permanente verdedigingsorganisatie. Een verordening van 802, het capitularium, bepaalt dat iedere vrij man, letus of servus uit de 'maritima loca', op straffe van een zware boete, aangemaand wordt om mee te helpen met de verdediging van de 'littoralia maris'. De kusten van de pagi Mempiscus-Iseretius en die van Boulogne worden dus verdedigd via een samenwerking van de (half-vrije en onvrije) ingezetenen in de betrokken pagi.

 

Ze vormen bestendige garnizoenen en smaldelen die aangevoerd worden door bijzondere comites (graven). Aan de monding van de Schelde, Ijzer, Aa en Canche worden continue verdedigingsposten geïnstalleerd. Te Quentovic, aan de monding van de Canche, wordt het bevel gevoerd door een zekere markgraaf 'dux' Grippo. De Frankische vloot ligt aangemeerd en klaar om uit te rukken in de haven van Boonen (Boulogne).

 

Karel de Grote beveelt in 810 om er de nodige schepen en een vuurtoren te bouwen. Hij komt er persoonlijk zijn vloot controleren in het jaar 811. Wanneer de Noormannen in het jaar 820 proberen te landen in 'littore Flandrensi' worden ze door een garnizoen dat gelegerd is in de pagus Flandrensis teruggedreven. Toch zorgen de verdedigingsmaatregelen niet voor echte oplossingen.

 

In Friesland breken de zeerovers door de verdedigingsgordel en dringen ze diep door in het Frankische hinterland. In 838 volgen krachtige maatregelen en worden de 'custodia' heringericht. Maar het valt echter niet te loochenen dat de verdedigingsgordel allesbehalve doeltreffend werkt. De Noormannen vallen zonder ophouden het West-Frankische rijk binnen om er hun plundertochten te ondernemen.

 

Hoe ziet het leven er uit in Vlaanderen ten tijde van Karel de Grote? Grote delen van Vlaanderen zijn woest en armzalig. Een afwisseling van bossen, moerassen. Uitgestrekte en eindeloze stukken heide bedekt door kreupelhout. In de kuststreken is dat helemaal anders. Daar leeft de inheemse Germaanse bevolking op grote landbouwexploitaties (villae).

 

De taal is Frankisch. Het christendom wordt er gepredikt. Als het niet lukt met overreding wordt de christelijke leer er met geweld opgedrongen bij de al met al brute, gewelddadige en barbaarse mensen van toen. De meeste Franken zijn onvrije mensen. De eigenaars van de gronden zijn nauw verbonden met de koning. Ze zwaaien de scepter over hun grondgebieden en over de mensen die er wonen. Daar leven de mensen op het land. Ze ploegen, zaaien, oogsten. Slechts een klein deel van de oogst mogen ze houden. De rest is voor de landeigenaar.

 

Zo leven ze. De zoon na de vader. Altijd op hetzelfde domein, op dezelfde grond. Soms is hun landeigenaar geen leek, maar een abdij. Zoals dat bijvoorbeeld het geval is in de villa Pupurningahem. Maar eigenlijk verandert dat niet zo veel aan hun lot. Er is niet echt sprake van mishandeling van de lijfeigenen. Maar de mensen leiden een vreugdeloos en hopeloos leven met niet het minste perspectief op een betere toekomst. De geestelijken van die tijd zijn trouwens allesbehalve meester van hun abdijen.

 

De koning wikt en beschikt over hun lot en schenkt kloosters en abdijen als een vorm van beloning aan zijn getrouwen. Waar er gewerkt wordt op zandgronden, is er geen sprake van milde oogsten. Naast de landbouw wordt handel gedreven. Op de zandgronden vinden runderen niet echt hun plaats. Schapen vinden er wel hun gading.

 

Er is sinds de Morinische en Menapische tijd al sprake van overvloedige hoeveelheden wol in Vlaanderen. De Friese lakens die in de 9de eeuw door de hoogsten in rang worden gedragen, worden al in Vlaanderen vervaardigd en door ondernemende handelaars via onze rivieren vervoerd. De trage en goed bevaarbare rivieren, diep ingesneden doorheen het Vlaamse land, in combinatie met de vele handelsnederzettingen bij de havens zorgen voor een bloeiende handel.

 

In 862 is er voor de eerste keer sprake van een zekere Boudewijn als graaf van Vlaanderen. Boudewijn de Ijzeren. Wie is hij? Waar komt hij vandaan? Wij krijgen de hulp van Hincmar van Reims in onze zoektocht naar de afkomst van Boudewijn I. Hincmar, geboren in 806, is de Frankische aartsbisschop van Reims. Een belangrijke raadsman van Karel de Kale die koning is van Francia. Hincmar is op dat moment de meest invloedrijke kerkvorst van heel Gallië. De geschiedenisboeken vertellen dat de Vlaamse graaf verliefd wordt op Judith, de dochter van Karel de Kale en dat hij op een bepaald ogenblik besluit om haar te schaken. Haar te ontvoeren, weg uit de klauwen van de Franse koning.

 

In de jaarboeken van aartsbisschop Hincar staat geschreven dat Boudewijn geen nobele onbekende is op het moment van de schaking. Hij is op dat moment wel degelijk de 'comes' van de Vlaamse gouw. We keren terug naar onze eerste vragen. Wie is Boudewijn en waar komt hij vandaan? Kunnen we zijn afkomst afleiden uit zijn naam?

 

Al in de 7de eeuw worden de koosnaampjes Bodo en Bado aangetroffen in het geslacht van de heilige Sadalberga, abdis van Laon. De broer van Sadalberga heet Bodo. Haar zoon wordt Boudewijn genoemd. Ook de naam van Autgarius, nauw verwant met Audacer komt voor in het geslacht van Sadalberga. Is het toeval dat de namen Audacer en Boudewijn herhaaldelijk voorkomen bij de allereerste Vlaamse graven? Een tweede geslacht van 'Boudewijns' wordt aangetroffen in het cartularium in de buurt van Metz en Trier waar ze abt en prior zijn van het klooster van Gorze.

 

In het onderzoek naar de afkomst van de graven van de Bourgogne stuiten we in die vroege geschiedenis herhaaldelijk op de naam van Audacer Boudewijn en Autgarius. De eerste Vlaamse graven hebben overduidelijk een nauwe link met de streek van Laon. Een dochter van Boudewijn I zal er non worden. Arnulf I schenkt er bezittingen weg die hij ooit erfde. De 'Vita S. Sadalbergae, abbatissae Laudunensis' liegt niet.

 

De relatie Laon-Vlaanderen is geen toeval. Walcher, de zoon van graaf Adalelm van Laon is de abt van de Sint-Pietersabdij van Gent. De opeenvolgende abten daar dragen de naam van Boudewijn en Robrecht. Die laatste is waarschijnlijk Robertus Faretratus, nauw verwant met het geslacht van Laon, die tijdens het beleg van de Noormannen op Parijs in het jaar 886 sneuvelde. Het is ongetwijfeld geen toeval dat tussen de periode van Walcher en Robrecht Faretratus de abt Boudewijn in wezen Boudewijn I van Vlaanderen is. Alle drie met nauwe familiebanden met de Laon-dynastie.

 

Boudewijn brengt in 861 of in 862 een bezoek aan Senlis en dat bezoek zal beslissen over het lot van Vlaanderen. Hij ontmoet er de 18-jarige Judith, de dochter van Karel de Kale, die koning is van West-Francië. Het meisje mag dan amper 18 zijn maar ze heeft al meer beproevingen achter de rug dan anderen in hun hele leven. Op 12-jarige leeftijd was ze al uitgehuwelijkt aan de Engelse koning Ethelwolf die op dat moment als de 50 voorbij was.

 

Na nog geen 2 jaar huwelijk werd ze weduwe en trouwde ze met Ethelbald een zoon van Ethelwolf uit zijn eerste huwelijk. Maar ook Ethelbald is geen lang leven beschoren. In 860 keert de dubbele weduwe Judith naar haar vader terug. Haar hardvochtige vader vindt er niets beter op dan haar gevangen te zetten in Senlis in afwachting van een nieuw en interessant huwelijk. Enfin: in verzekerde bewaring wordt dat toen genoemd. Zo staan de zaken ervoor als Boudewijn aankomt in Senlis. Kent hij Judith al van vroeger? Komt hij speciaal voor haar naar Senlis?

 

Hoe is hij er in godsnaam in geslaagd om de bisschop die haar moet bewaken te verschalken en in contact te komen met de koningsdochter? Mogelijk is Boudewijn bevriend met haar jongere broer Lodewijk. De kronieken blijven het antwoord schuldig. Het is wel geweten dat Lodewijk positief staat tegenover het huwelijk van zijn zuster met de Vlaamse edelman. Boudewijn wordt in elk geval verliefd op Judith. En die gevoelens blijken wederzijds. Hij besluit haar te bevrijden uit haar gevangenschap en haar te schaken.

 

Lodewijk zal wel een handje hebben meegeholpen. In elk geval kan Judith vermomd ontkomen uit Senlis en op de vlucht slaan. Het komt er voor beiden nu op neer om zo snel mogelijk het rijk van Karel de Kale te ontvluchten, want deze verblijft in Soissons, niet eens zo ver van Senlis. Het koppel rept zich naar haar neef Lotharius II die koning is van de gebieden tussen Schelde en Rijn.

 

Wanneer Karel de Kale het nieuws van de schaking verneemt, laat hij alle bezittingen van Boudewijn verbeurd verklaren en slaat hij het paar in de ban van de kerk. Hij is woedend! Lotharius ontvangt zijn nicht vriendelijk maar niet zonder enig leedvermaak. Karel de Kale heeft zich de voorbije jaren met zijn persoonlijke zaken bemoeid en nu kan hij hem een koekje van eigen deeg laten proeven. Hij laat het koppel zelfs door zijn eigen geestelijken trouwen. Maar toch ziet de situatie er voor Boudewijn en Judith niet echt rooskleurig uit. Karel en Lotharius hadden zich immers in 860 geëngageerd om wederzijdse uitwisseling van misdadigers uit te voeren.

 

Boudewijn geeft zich niet gewonnen. Aanvankelijk wendt hij zich tot de Noormannen die stilaan de macht aan het overnemen zijn in het noorden van Europa. Maar uiteindelijk kiest hij voor een ander alternatief: paus Nikolaas I. Het koppel reist naar Rome om er hun zaak te bepleiten. Boudewijn wijst er de paus op dat Judith vrijwillig met hem is meegegaan en dat een toenadering tot de heidense en goddeloze Noormannen het enige wanhopige alternatief is dat hen rest.

 

De paus kiest hun kant. De positie van Karel de Kale is te zwak om zich te verzetten tegen de wil van de paus. Na maanden van getouwtrek geeft hij zich in oktober 862 gewonnen en wordt de banvloek die over hen werd uitgesproken ingetrokken. Nog in datzelfde jaar treden Judith en haar Boudewijn te Auxerre in het huwelijk. Karel de Kale schenkt nieuwe goederen in leen aan zijn schoonzoon. Voor 866 zal hij de gouwen Gent, Waas en Ternois (de streek rond Sint-Omaars) verwerven. Die gouwen vormen ongetwijfeld maar een onderdeel van zijn totale bezit. De informatie hieromtrent is schaars.

 

Het is wel geweten dat Boudewijn ook meester is van de Vlaandergouw waar de vesting Brugge al is ontstaan. Het is echter niet zo dat Boudewijn over heel Vlaanderen regeert zoals zijn afstammelingen dat later zullen doen. Zijn zelfstandigheid als vorst is beperkt: hij is per slot slechts een Karolingische graaf die functioneert als ambtenaar van de koning die nu wel toevallig zijn schoonvader is. Waarschijnlijk wordt Boudewijn aangesteld als markgraaf van de Vlaamse kust en is hij de aanvoerder van de bestendige kustverdediging die er ingericht is tegen de Noormannen.

 

Mogelijk oefent hij in die hoedanigheid het opperbevel uit over alle graven van de kustgouwen en die van het nabije binnenland. Boudewijn en zijn Judith schenken uit dankbaarheid voor de goede afloop van hun liefdesavontuur in oktober 864 het domein Temse aan de Sint-Pieters abdij te Gent. Uit hun huwelijk worden twee kinderen geboren: Boudewijn en Rudolf. In 864 proberen de Noormannen nog een keer om het land binnen te vallen maar ze worden verslagen door de Vlamingen.

 

Karel de Kale slaagt er tijdens het jaar 866 in om met de aanvallers een verdrag af te sluiten waarbij ze in ruil voor een grote som geld onze streken willen verlaten. Er komt eindelijk rust en vrede. Boudewijn en Judith leiden een rustig leven, onderbroken door gewichtige politieke opdrachten die de koning aan zijn schoonzoon toevertrouwt.

 

Zijn huwelijk met Judith legt Boudewijn geen windeieren. Hij wordt door zijn huwelijk al snel één van de belangrijkste vertrouwenspersonen van de Franse koning. In 871 gelast Karel de Kale zijn schoonzoon de onderwerping te bewerkstelligen van de opstandige prins Karloman en wanneer Karel optrekt naar Italië, behoort Boudewijn met Adalelm tot de vier heren die belast worden om de kroonprins Lodewijk bij te staan.

 

Begin januari 879 sterft Boudewijn. Het is niet bekend of de 40-jarige Judith op dat moment nog leeft. Het overlijden van Boudewijn betekent meteen het begin van een gewelddadige oorlogsperiode in Vlaanderen. Waren de Noormannen zo beducht van de Vlaamse graaf en hebben ze gewacht tot na zijn dood? De grote inval van de Noormannen duurt 4 jaar. Vroeger waren het slechts benden zeerovers die even aan land kwamen, enkele weken onze streken teisterden en dan weer verdwenen.

 

Nu, in 879, verschijnt een machtig en goed georganiseerd leger dat het land bezet en systematisch plundert. Het Scandinavische heir gaat in juli 879 ergens tussen Boulogne en Calais aan wal. De Noormannen trekken naar de bisschoppelijke stad Terwaan en naar Sint-Omaars waar de Sint-Bertinusabdij in brand gestoken wordt. De barbaren rukken dan op naar het noorden. De streek ten westen van de Leie tot aan Gent wordt leeggeplunderd en verwoest.

 

Een Frankisch leger dat de confrontatie aangaat met de wildemannen, wordt vernietigd. De Noormannen settelen zich in Gent. Het begin van een verschrikkelijke tijd! Het volstaat om een blik te werpen op de kronieken van die tijd om zich een beeld te vormen van de nooitgeziene terreur van die dagen en jaren. De moorden, plunderingen en verwoestingen bedreven door de Scandinaviërs grenzen aan het ongelooflijke.

 

Ieder die kan vluchten, doet het. Armen, rijken, vrijen, lijfeigenen, geestelijken en leken pakken de biezen op zoek naar veiligere oorden. De invallers overwinteren in Gent van waaruit ze de valleien van de Schelde en de Leie beheersen. In het voorjaar van 880 trekken ze naar het zuiden. Ze plunderen Doornik en dringen verder tot in Reims. In de herfst leveren ze weer slag tegen een nieuw Frankisch leger en opnieuw worden de Franken verslagen en uiteengedreven.

 

Na die zege komen de Noormannen naar Kortrijk waar ze deze keer de winter doorbrengen. Tijdens de laatste dagen van 880 wordt Atrecht (Arras) in brand gestoken en gaat de grote kerk van Kamerijk (Cambrai) in de vlammen op. Niets lijkt opgewassen tegen de dolle woede van de Noormannen. Tot dat de jonge koning van Oost-Francië zich met de zaak gaat bemoeien. De jonge Lodewijk III verrast de invallers te Saucourt bij de Somme en brengt hen een verpletterende nederlaag toe. De resterende barbaren vluchten in allerijl naar Lotharingen. Maar de Frankische triomf is van korte duur.

 

Lodewijk III sterft in 882 en onmiddellijk komen de verwoestingen en plundertochten weer op gang. Karloman, de broer van Lodewijk III begrijpt dat het zo niet verder kan. Hij ziet in dat het vlakke en door rivieren doorkruiste Vlaanderen eigenlijk niet te verdedigen valt tegen de Noormannen. Hij schuift de grens van zijn rijk bewust achteruit tot aan de heuvels van Artois. Met dat doel bouwt hij te Etrun op de Schelde in 881 een burcht. De ligging is ideaal: de reeks van heuvels, die van Saint-Quentin naar Cap Blanc Nez loopt en de Vlaamse vlakte van de Sommestreek scheidt, vormt een natuurlijke hinderpaal voor het Noorse landleger.

 

Het versterken van de verplichte doorgangen, in het bijzonder de valleien, volstaat dus om het Sommegebied te beveiligen. Door de Schelde te versperren, sluit de koning voor de Noormannen hun belangrijkste verkeersweg af, zodat het voor hen moeilijk werd, nog dieper in het land door te dringen. Op die manier kunnen ze beletten dat de Noormannen via het water tot in het hart van Frankrijk kunnen doordringen.

 

De maatregelen zijn direct doeltreffend. Ze kunnen de Noormannen niet volledig afstoppen, maar het gros van de legers wordt wel buiten gehouden. Slachtoffer van de situatie is natuurlijk alles wat ten noorden van de heuvels van Artesië is gelegen: Vlaanderen dat aan zijn lot wordt overgelaten. Het leeggeplunderde, verlaten en desolate Vlaanderen wordt prijsgegeven.

 

De kustgouw Vlaanderen dat tot in 883 niet door de Noormannen werd aangevallen krijgt in de zomer van 883 de volle laag. De plundering van de kuststreek betekent echter hun laatste wapenfeit. Nog voor het invallen van de winter verlaten ze Vlaanderen.

 

Maar wat is er tijdens die verschrikkelijke jaren gebeurd met de zonen van Boudewijn met de Ijzeren Arm? De kuststreek en de Vlaanderengouw behoorden toe aan zijn vader. Boudewijn II was pas 15 als de Noormannen de streek hebben aangevallen in 879. Waarschijnlijk is hij in veiligheid gebleven in hun vesting in Brugge en verkoos hij de strijd niet aan te gaan tegen de noorderlingen. Als de woestelingen in de zomer van 883 de kust kwamen plunderen, zullen Boudewijn en zijn broer vermoedelijk samen met de lokale bevolking gevlucht zijn.

 

Ergens veilig beschut in de naburige bossen. Beelden jullie eens het treurige uitzicht van onze streek in na het vertrek van de Noormannen! Alles staat er hopeloos vernield bij. De akkers liggen braak nadat ze vier jaar lang niet konden bebouwd worden. De veestapel is verdwenen. Het merendeel van de inwoners is weggevlucht en het zal nog jaren duren vooraleer de mensen durven terugkeren. Want wie garandeert er hun dat de aanvallen niet zullen herbeginnen? Vlaanderen is geruïneerd.

 

Nog een schim van zichzelf. Een groot deel van de bevolking; grondbezitters en koninklijke ambtenaren blijven weg uit de streek tijdens de jaren die volgen na het vertrek van de Noormannen. Het is vrij duidelijk dat de Franse koning verzaakt aan zijn gezag in het verwoeste noorden van Vlaanderen. Niemand heeft de intentie getoond om de streek die stroomafwaarts van Etrun ligt, van de Noorse agressie te bevrijden!

 

Het oprichten van het fort te Etrun toont aan dat een klein deel van Frankrijk, namelijk het latere Vlaanderen, wordt prijsgegeven om de rest van het Franse grondgebied te vrijwaren. De Fransen hebben Vlaanderen simpelweg opgegeven. Aan zijn lot overgelaten. Dat blijkt duidelijk als Karloman, broer en opvolger van Lodewijk in 883 de Sint-Bertijn en Sint-Vedast abdijen samen met het graafschap Ternois schenkt aan een grootgrondbezitter uit Oosterbant en Ternois, een verwante van de Karolingers, abt Rudolf.

 

Door de uitgebreide landgoederen die ervan afhangen, door de rijke inkomsten die ermee gepaard gaan, is het bezit van deze abdijen ruimschoots dat van een graafschap waard! Het is merkwaardig dat de koning zo ineens, aan één en dezelfde heer, de twee rijkste abdijen van Noord-Frankrijk weggeeft.

 

Veel wordt duidelijk als we vaststellen dat onze heer Rudolf voortaan de aangewezen leider is van de strijd tegen de Noormannen in Noord-Frankrijk. De Franse koning Karloman heeft in het noorden van zijn rijk een marke opgericht, en het bevel aan abt Rudolf toevertrouwd. Als vergoeding hiervoor heeft Rudolf op zijn minst de Sint-Bertijns en Sint-Vedast abdijen gekregen. Daaruit volgt, dat Artois en Ternois in die tijden als grenspagi worden beschouwd!

 

Dit wijst helemaal op hetzelfde als het bouwen van een burcht te Etrun: het noorden van het rijk wordt aan zijn lot overgelaten. De nieuwe tactiek van de Franken had voor primair gevolg, dat de kustgouwen, en voornamelijk de Vlaandergouw, wel slachtoffer moesten worden van de wrede Noormannen. Hun verwoestingen wijzen er op dat de invallers moeite hebben om verder naar het zuiden door te dringen. Dat de overwinning van de Scandinaviërs op de Franken te Laviers bij de Somme slechts behaald kan worden doordat een vloot over zee tot aan de monding van de Somme is gevaren, toont aan dat de pas opgerichte marke voor de zeerovers een wezenlijke hinderpaal moet geweest zijn.

 

Enkele maanden later verlaten ze eindelijk, voorgoed, het uitgeputte Vlaanderen. Het leeggeplunderde doodgemartelde no-man's land ligt voor het grijpen voor ieder die het wil. Het is Boudewijn II die er de hand op legt. De Fransen hebben Vlaanderen gelaten voor wat het was en de regio aan haar lot overgelaten. De jonge Boudewijn, hij moet rond de twintig zijn, durft het aan om de hele streek als zijn eigendom te verklaren en zo ontstaat er, zonder slag of stoot, vanaf de heuvels van Artesië tot aan de Noordzee een nieuw vorstendom: het graafschap Vlaanderen.

 

In normale omstandigheden zou de Franse koning aan wie het ingepalmde gebied eigenlijk toebehoorde, zijn gezag hebben laten gelden, maar hij heeft al werk genoeg om zichzelf na het vertrek van de Noormannen staande te houden. Hij laat zijn kleinzoon Boudewijn betijen.

 

In die tijd bestaat er nog geen algemene naam voor het gezamenlijk gebied van de Vlaanderengouw, de Rodenburggouw, het Gentse, Waas, het Kortrijkse en de pagus Mempiscus. Het wordt al direct duidelijk dat Boudewijn II al voor de dood van Rudolf heerst over deze gouwen. Bij de dood van Rudolf in 892 vordert hij Sint-Bertijns en Sint-Vaast op.

 

Hij roept zijn gouwverantwoordelijken naar 'a Flandris' om zich te verdedigen tegen de invallen van koning Odo die ook al zijn zinnen heeft gezet op beide abdijen. Maar hoe is hij eigenlijk aan die macht gekomen in alle 6 van de gouwen? Er bestaan uitmuntende bronnen die de gebeurtenissen van die tijd hebben omschreven. In geen van die bronnen is er sprake van gewelddadige veroveringen door Boudewijn in de noordergouwen, terwijl er net bijzonder veel te lezen valt over de verdere daden van de graaf van Vlaanderen. Boudewijn neemt simpelweg, zonder slag of stoot het vernielde, armzalige, uitgeputte en verlaten gebied in.

 

Er staat niemand in de weg om hem dat te verhinderen. Kort na 883 legt hij de hand op de gouwen Vlaanderen, Aardenburg, Gent, Waas, Mempiscus en Kortrijk. Het komt er voor de nieuwe graaf nu op aan om zijn pas veroverd grondgebied te beveiligen tegen de Noormannen die dan wel mogen verdwenen zijn uit het koninkrijk, maar die zich wel nog bevinden in Lotharingen aan de overkant van de Schelde. Het bouwen van vestingen blijkt de enige remedie om zich te beschermen. Vanaf 884 gaat de graaf overal burchten bouwen waar de plattelandsmensen samen met hun vee naartoe kunnen vluchten als er gevaar dreigt.

 

De burchten blijken voor de Noormannen oninneembare bolwerken waardoor ze tijdens hun sporadische rooftochten van langs om minder buit kunnen stelen. Het aantal rooftochten vermindert met de dag. Niet dat de kastelen van de 9de eeuw veel voorstellen hoor! In feite is een burcht in die tijd enkel een toren die gebouwd is op een heuvel die omgeven wordt door een aarden wal of palissade. Boudewijn II bouwt burchten in Gent, Kortrijk, Oostburg, Aardenburg, Brugge (waar hij verblijft), Oudenburg, Gistel, Veurne, Bourbourg en Sint-Winoksbergen en veel andere in het land van Waas tot aan de Schelde.

 

Vanaf 887 gaat Boudewijn zich moeien in de Franse politiek. Frankrijk is een zwalpend en verscheurd land. Wie weet of hij er extra macht kan bij winnen? En eigenlijk is hij niet vies van een uitbreiding van het Vlaamse grondgebied. Het rijke Artesië, de graanzolder van Vlaanderen, is een aantrekkelijke prooi. En wat te zeggen van Boonen, Boulogne, één van de beste zeehavens naar Engeland? De streek van Terwanen tussen Boonen en Artesië met zijn rijke abdij van Sint-Bertijns?

 

Door het verwerven van die gebieden zou Vlaanderen perfect binnen natuurlijke grenzen komen te liggen: de heuvels van Artesië, de Schelde, de Zee en de Canche. Bovendien zou Boudewijn van Doornik tot Boonen meester worden over de belangrijkste landweg van Noord-Frankrijk: de heirbaan Maastricht-Doornik-Boonen.

 

In datzelfde jaar 887 wordt het zwakke Karolingische huis van de troon gestoten. Een niet-Karolinger komt aan de macht: koning Odo. De meeste Franse graven weigeren om Odo te erkennen als hun nieuwe koning. Boudewijn II die zelf een Karolingers is, deelt aanvankelijk dat verzet maar verlaat al in 888 het kamp van de opstandelingen als hij een afzonderlijke vrede sluit met Odo: de usurpator Boudewijn erkent het gezag van de usurpator Odo.

 

De onwettige koning erkent de onwettige graaf. Het Vlaamse vorstendom wordt door de Franse koning erkend! Vlaanderen is officieel een natie. Veel eeuwen verder in de tijd zullen de fundamenten van deze dubieuze deal de dood van honderdduizenden Vlamingen tot gevolg hebben.

 

Een eerste uitbreidingsfase van Vlaanderen volgt enkele jaren later. Op 5 januari 892 sterft abt-graaf Rudolf, meester van het graafschap Ternois en van de Sint-Vaast en Sint-Bertinusabdij. Boudewijn II eist de bezittingen van zijn overleden neef Rudolf voor hem op. Hoewel deze lenen van geen kanten erfelijk zijn in de zijlijn. Koning Odo pikt het niet dat Boudewijn delen van zijn grondgebied in beslag neemt en slaat de opstandige graaf in de ban van de kerk.

 

Hij rukt op met een leger naar Vlaanderen. Odo slaagt er echter niet in om Brugge in te nemen en moet onverrichterzake het land verlaten. Ondertussen maakt de in 887 afgezette Karolinger Karel opnieuw aanspraak op de titel van Franse koning. Boudewijn maakt gebruik van deze situatie om zijn wagentje te koppelen aan dat van zijn neef Karel. Hij is helemaal niet geïnteresseerd in de rechten van de Karolingers, het enige wat hij wil is bondgenoten te vinden in zijn strijd tegen Odo. In 895 loopt hij opnieuw naar een ander kamp: dat van Zwentibold, de koning van Lotharingen.

 

De reden hiertoe is niet ver te zoeken: de graven van Vermandois, Artois en Boulogne, de heersers van de drie graafschappen die in het oosten aan zijn vorstendom grenzen, behoren tot het kamp van Karel. Boudewijn wil graag de vrede herstellen met Odo en biedt hem in de zomer van 895 militaire hulp om Atrecht te ontzetten uit de handen van Karel. Het komt zo tot een verzoening tussen Odo en Boudewijn. De sluwe Boudewijn heeft het pleit gewonnen: het erfdeel van Rudolf wordt niet langer betwist: Terwanen behoort tot het grondgebied Vlaanderen.

 

De Vlaamse graaf profiteert verder van de situatie en palmt de gebieden van de antikoningsgezinde graven van Vermandois, Boulogne en Artois in. Opnieuw weigert Odo de inbeslagname van deze gebieden. Opnieuw komt het tot een oorlog tussen beiden. En het komt uiteindelijk nog maar eens goed tussen Odo en Boudewijn.

 

In 897 wordt er een akkoord bereikt: Boudewijn ziet af van Vermandois maar mag Boulogne en Artois behouden. Hij belooft zijn trouw aan de koning van Frankrijk. Kort daarop sterft Odo nadat hij zijn mededinger Karel de Eenvoudige tot zijn opvolger heeft aangeduid. De Karolingers zijn weer aan de macht. Boudewijn kan niet anders dan opnieuw zijn kar te keren en zich te onderwerpen aan de nieuwe koning. Maar Boudewijn heeft honger naar een verdere uitbreiding van zijn territorium. In 899 probeert hij om Saint-Quentin in zijn macht te krijgen.

 

Koning Karel wil Boudewijn een lesje leren en trekt met een Frans leger op naar Atrecht, dat veroverd wordt op de Vlamingen. Boudewijn moet zich onderwerpen en verliest daarbij het graafschap Artois met zijn rijke Sint-Vaast abdij. Het is overduidelijk dat Boudewijn II er op 15 jaar tijd in geslaagd is om zijn koninkrijk Vlaanderen op de kaart te zetten. De cocktail die hij hiervoor heeft gebruikt is er een geweest van geweld, list, bedrog, verraad, vastberadenheid, diplomatie en karakter.

 

Dat zijn tijdgenoten hem als een machtige persoon beschouwen, zien we nog het duidelijkst in het feit dat hij een dochter van de Engelse koning Alfred de Grote tot vrouw krijgt. Dat kan verklaard worden door het feit dat Boudewijn zich meester heeft gemaakt van heel de kust en het vasteland langs de Noordzee rechtover Engeland. Alle havens die het verkeer van en naar Engeland regelen, zijn in zijn macht gevallen.

 

Elftrudis, de echtgenote van Boudewijn, schenkt hem op het einde van de 9de eeuw twee zonen en twee dochters. De oudste zoon draagt de naam Arnulf. De jongste is Adalolf. Hun vader beperkt zich de laatste jaren van zijn leven tot het stabiliseren van zijn gezag binnen de grenzen van zijn vorstendom. Na de aftocht van de Noormannen heeft hij zijn hand gelegd op alle grondeigendommen van de kerk, van de staat en mogelijk ook van de eertijdse grootgrondbezitters.

 

Daarenboven heeft hij van rechtswege de eigendom over alle woeste en braakliggende gronden. Dit uitgebreide domein maakt de graaf tot één van de rijkste grondbezitters van heel Frankrijk. Die rijkdom stelt hem in de mogelijkheid om massaal krijgslieden aan te werven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij het hoofd kan bieden aan de Franse en Duitse koning. Handel en nijverheid zijn snel gaan het heropleven geslagen. De graaf, als eigenaar van de schorren langs de kust en van de heidegronden, is de grootste wolproducent van Vlaanderen.

 

De hausse van de lakenhandel maakt hem binnen de kortste tijd schatrijk. En dan spreken we nog niet over de tolrechten die hij heft langs wegen, havens en rivieren. De zoon van Judith heeft het ver geschopt in zijn leven. Een belangrijke gebeurtenis in zijn leven doet zich voor in het jaar 911. Zeer tegen zijn zin sluit de Franse koning Karel een verbond met Rollo, de opperbevelhebber van de Noormannen.

 

Rollo krijgt de toelating om met zijn volk de streken van Normandië te gaan bewonen. Zo ontstaat dicht bij de zuidergrens van Vlaanderen een nieuwe militaire macht. Het zal niet lang duren vooraleer deze macht Vlaanderen zal gaan bedreigen. Boudewijn zelf zal het niet meer meemaken. Hij sterft op 10 september van 918. Hij wordt door Elftrudis begraven in de Sint-Pietersabdij van Gent.

 

Zijn vorstendom wordt verdeeld onder zijn twee zonen. Arnulf krijgt het belangrijkste gebied tussen de Schelde, de zee en de heuvels van Artois: Vlaanderen met andere woorden. Voor de eerste keer wordt de naam van de kustgouw, de bakermat van de macht van de graven, gegeven aan het hele gebied van Arnulf. De jongste, Adalolf, verwerft de Boulonnais en Ternois.

 

Wanneer Arnulf en Adalolf aan de macht komen, staat Noord-Frankrijk aan de vooravond van een vreselijke burgeroorlog die tientallen jaren zal duren. De buren Herbert II van Vermandois en die van Normandië blijken zeer rumoerig. Ook in Lotharingen, aan de overkant van de Schelde, zijn de burgertwisten schering en inslag. Tegenover Arnulfs vorstendom bevinden zich het woelige graafschap Henegouwen, de graafschappen van de Brabandergouw en meer in het noorden, rond Antwerpen, de Riengouw.

 

Meer in het noorden heersen de graven van West-Friesland of Holland. In het zuiden van Henegouwen zijn de graven van Kamerijk aan de macht. De jonge twintigers Arnulf en Adalolf laten tijdens hun eerste regeringsjaren niet zo veel van hen horen. Ze dagen pas op in de kronieken van het jaar 925. Die vertellen het verhaal van de strijd van Arnulf tegen de Normandiërs die de zeden van hun voorouders, de Noormannen, blijkbaar nog steeds niet verleerd zijn en op strooptocht trekken door Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Samen met de Franse koning Rudolf trekken Arnulf en Adalolf ten strijde tegen hun gevaarlijke buren. Een bittere en harde strijd in en rond de burchten van die tijd.

 

Er wordt een grootschalige expeditie gepland tegen Normandië maar het uitbreken van een burgeroorlog in Frankrijk gooit roet in het eten. De Normandiërs profiteren van de situatie en keren de rollen om: het is nu zij die Vlaanderen gaan bestoken. Wanneer ze in 926 Artesië binnenvallen, worden ze door de koning verrast en verslagen. 1100 man verliezen het leven tijdens de eerste oorlog tussen Vlaanderen en Normandië!

 

Ondertussen heerst er grote verwarring in Frankrijk waar verscheidene heren strijden om de macht. De appel is niet ver van de boom gevallen bij Arnulf. Net zoals zijn vader, begrijpt hij dat er voordeel te halen valt uit het machtsvacuüm bij zijn zuiderburen. In 931 legt hij plots de hand op Mortagne, de tweede vesting van Ostrevant, tussen Doornik en Valencijn. Geen van de oorlogvoerende partijen hoeft er zin in om de Vlaamse graaf tot vijand te maken. Mortagne is nu ook niet zo belangrijk, dus laat iedereen de verovering blauw blauw.

 

Arnulf voelt dat er zaakjes te doen vallen. Als de graaf van Artois sterft in 932, is hij er als de kippen bij om Atrecht en de Sint-Vaastabdij onder zijn hoede te plaatsen. De oorlog is in volle gang en opnieuw gaat iedereen voorbij aan deze annexatie. Wat later volgt Dowaai (Douai), de hoofdstad van Ostrevant en de rest van het graafschap. In 933 sterft Adalolf, de broer van Arnulf. Ondanks het feit dat Adalolf twee zonen heeft.

 

Het zijn nog jonge kinderen maar ze hebben natuurlijk recht op hun erfdeel. Nonkel Arnulf ziet dat zo niet en pikt ongegeneerd de graafschappen van Boulogne en Ternois in van zijn neven. De rekening hiervoor zal te gepasten tijde gepresenteerd worden. De vergelding volgt nog wel. Vlaanderen heeft bijna zijn natuurlijke grenzen bereikt. Nu rest er Arnulf nog om Montreuil aan de Canche te annexeren. Hij is niet gehaast.

 

Na de dood van zijn eerste echtgenote die hem alleen maar dochters heeft geschonken, treedt hij anno 934 in het huwelijk met Adela, de dochter van de machtige Herbert II van Vermandois. Zijn twee dochters worden uitgehuwelijkt aan de graven Isaac van Kamerijk en Diederik van Holland. De strategie van al die echtverbintenissen is duidelijk. Alles zal zich in de toekomst concentreren op die ene vijand: Normandië!

 

De dood van de Franse koning Rudolf in 936 lijkt de plannen van de Vlaamse graaf te gaan dwarsbomen. Rudolf was zelf geen Karolinger maar de Fransen verkiezen hem te laten opvolgen door een wettige Karolingische koning, met name Lodewijk van Overzee, die in Engeland verblijft. Als de jonge prins aanmeert in Boulogne, wordt hij er onder andere door Arnulf enthousiast verwelkomd. Een ontmoeting die de basis vormt van een jarenlange vriendschap tussen beiden en die slechts eenmaal zal verstoord worden.

 

Lodewijk, de nieuwe Franse koning, heeft Arnulf zeker nodig om zijn gezag in Frankrijk op niveau te houden. Omdat zijn troepen dienen te ontschepen in de haven Boulogne is een goede relatie met Arnulf zeker aan de orde. Lodewijk laat dan ook niet na om Arnulf te bezoeken in Vlaanderen. De zoon van Boudewijn II is ondertussen een bijzonder invloedrijke persoon geworden.

 

In 938 slaagt hij er - samen met zijn schoonvader Herbert van Vermandois - in om een vrede te bereiken tussen de verschillende partijen die vechten om de heerschappij in Noord-Frankrijk. Ondertussen is de langverwachte oorlog met Normandië uitgebroken. Willem Langzwaard, de markgraaf van Rouen, de zoon van de Noorman Rollo, neemt het initiatief en valt Vlaanderen binnen waar hij de nodige vernielingen aanricht.

 

De Franse koning snelt Arnulf te hulp, laat de Normandiër eerst in de ban van de kerk slaan en trekt ten strijde tegen de markgraaf. Ook de graaf van Vlaanderen schiet in actie: door list en verraad valt het zo gegeerde Montreuil in zijn handen! Montreuil ligt aan de Noordzee, aan de monding van de Canche, de Kwinte. Stroomopwaarts maken uitgebreide moerassen aan beide zijden van de rivier de overtocht voor een leger onmogelijk. Enkel op de plaats van de vesting van Montreuil is de doortocht mogelijk. Montreuil vormt dan ook het sluitstuk aan de zuidergrens van het Vlaamse vorstendom tegenover de noordgrens van Normandië.

 

Maar de triomf van Arnulf is slechts van korte duur. Herlwin, de graaf van Ponthieu en buitengebonjourd in Montreuil, zoekt hulp bij Willem Langzwaard. Samen heroveren ze Montreuil op een verraste graaf van Vlaanderen. De stad staat meteen onder Normandische invloeden.

 

Arnulf is zwaar ontgoocheld in het gebrek aan steun van de Franse koning en laat zijn bondgenootschap met Lodewijk voor wat het is. Hij sluit zich aan bij de opstandelingen in Noord-Frankrijk. Het is een ijdele opportunistische zet in de hoop om via een omweg alsnog Montreuil in te lijven. In 942 sluit de koning van Frankrijk vrede met de opstandelingen en blijft het verlies van Montreuil zwaar op de maag van Arnulf liggen. Hij kan deze nederlaag niet verkroppen en besluit zich op laffe wijze te wreken. Hij belegt een samenkomst met Willem Langzwaard op het eiland Picquigny in de monding van de Somme.

 

De nietsvermoedende Langzwaard wordt er door de vazallen van de Vlaamse graaf gewoonweg vermoord. We zijn zaterdag 17 december 942. Willem laat een zeer jong zoontje na. De Franse koning Lodewijk die opperleenheer is van Normandië stelt graaf Herlwin van Pontheu aan als nieuwe koninklijk beheerder van Normandië met in het achterhoofd de regio helemaal in zijn macht te brengen. Hij speelt van bij het begin dubbel spel. Eerst wil hij de Normandiërs paaien door Herlwin te laten oprukken tegen de Vlamingen. Als de nederlaag van de Vlamingen echter een feit is, sluit hij weer vrede met Arnulf.

 

Het lijkt complex en het is ook complex! Arnulf profiteert van zijn vriendschap met koning Lodewijk om Herlwin te laten overplaatsen van Normandië naar het graafschap Amiens. De Normandiërs zijn woedend op de Franse koning om zijn voorgewende vijandschap tegen de Vlamingen en komen in opstand. Arnulf is er als de kippen bij om, samen met de koning, de Normandiërs aan te vallen. Na de slag van Dieppe kan de Franse koning opnieuw Normandië in zijn bezit nemen.

 

In 945 smeden de Normandiërs een nieuwe opstand tegen Lodewijk en ze slagen er in om hem gevangen te nemen. Arnulf doet wat hij kan om zijn vriend vrij te krijgen want hij heeft er alle voordelen bij dat de Franse koning in het zadel blijft. Uiteindelijk zal Lodewijk tegen harde voorwaarden in vrijheid gesteld worden. Ook in 947 wordt er door alle partijen verder oorlog gevoerd. Graaf Arnulf blijft zich echter focussen op dat ene doel: het inlijven van Montreuil bij Vlaanderen.

 

Door een onverwachte toegeving komt hij er uiteindelijk toch aan de macht. De zoon van Boudewijn heeft zijn taak volbracht: het Vlaamse vorstendom heeft zijn natuurlijke grenzen bereikt en zelfs overschreden! De manier waarop hij zijn neven van hun erfdeel heeft beroofd en de laffe moord op Willem Langzwaard werpen natuurlijk een zware smet op de carrière van Arnulf de 'Grote'.