P0804100

Na heel wat omzwervingen door de geschiedenis van mijn streek moet ik plots aan Marcus van Vaernewyck terugdenken. Zijn 'Historie van Belgis' heb ik ooit prominent als eerste geplaatst in mijn kronieken. Ik ben hem niet vergeten. De Gentse geschiedschrijver beleefde zijn leven tussen 1518 en 1569. In 1561 finaliseert hij zijn werk onder de titel 'Den spieghel der Nederlandscher audtheyt' dat een jaar voor zijn dood ook onder die titel wordt uitgegeven.

 

In 1829 wordt zijn oorspronkelijk werk in boekvorm gegoten. De handschriften van Marcus ruimen plaats voor de sierlijk gezette letters van de boekdrukkunst van uit de 19de eeuw. Ook de titel wordt geactualiseerd in 'De Historie van Belgis'. Eerder toevallig krijg ik deel 2 van dat werk in handen. Ik denk met wat nostalgie terug aan zijn bevreemdende verhalen, een mengeling van fictie en non-fictie, van waarheid, volksoverlevering en sage. Gebaseerd op het werk van illustere geschiedschrijvers die zelf wel niet al te accuraat zijn omgegaan met de zuivere waarheid.

 

Ik hou van zijn teksten. Marcus neemt de oude meesters zonder enig spoor van scepticisme over. Hij bekommert zich van geen kanten of hij nu al dan niet bezig is met de waarheid. Hij is een kroniekschrijver in hart en nieren. Is dat de reden waarom ik me enigszins verwant voel met deze artiest pur sang? Met mijn eigen kronieken balanceer ik op dit moment rond de jaren 1500. Eigenlijk zou ik het best beginnen aan het leven van een zekere keizer Karel en zijn vader Filips de Schone. Maar waarom zou ik hier niet even halt houden? Ik bekijk de kunstzinnige titel van deel 2. Een en ander is niet echt chronologisch geschreven zoals ik dat eigenlijk zou wensen.

 

Ik twijfel al enkele dagen wat ik nu precies wil doen met mijn nieuwe episode. Uiteindelijk trek ik mezelf over de schreef. Ik ga voluit en rechtdoor. Ik volg de lijn die Marcus van Vaernewyck zelf heeft gekozen en neergeschreven.

 

Met die beslommeringen in het achterhoofd, arriveer ik meteen aan het eerste hoofdstuk van deel twee. Kapittel nummer 31 zal het meteen uitgebreid hebben over de onmenselijke offeranden die de Galliërs bewijzen aan hun afgoden. Ik schuif de wielen van mijn bureaustoel in de juiste positie, schenk mezelf nog een beker verse koffie in, staar nog even tussen de blinden van mijn raam door naar de ochtendlijke Sint-Pieterskerk en begin aan deze nieuwe uitdaging. Ik ben meteen vertrokken voor meerdere weken schrijfwerk.

 

Gallië bestaat uit drie naties. Belgisch Gallië, Celtica en Aquitanië. De bevolking is wonderlijk geneigd tot godsdienstigheid en dat is vooral te zien in tijden van ziekte en oorlog, van ramp en tegenspoed. Het kwijtspelen van die slechte dagen kan alleen maar afgezworen worden bij de goden zelf. Offerande en sacrificie. De mensen bieden zichzelf aan om geslachtofferd te worden ter ere van een of andere vreemde sjarel van een god.

 

Daar staan de druïdes voor, de priesters nog voor dat woord is uitgevonden. Het zijn zij die de offerandes voorstellen en uitvoeren en hun volk zo gek krijgen om mee te stappen in dit verhaal van afgoderij.

 

De druïdes stellen luidop de vraag of het niet aangewezen is om de ontevreden goden te paaien met dode lichamen van mensen die bereid zijn om zich persoonlijk te offeren voor het behoud en de welvaart van hun medebewoners. Al deze rituelen zijn onderhavig aan een hele reeks van openbare wetten en verordeningen die allemaal opgesteld werden door de machtige druïden.

 

Zo gebeurt het dat de mensen een soort heilige kooi maken van riet en takkenbossen. Een frame in de vorm van een godsfiguur die dan opgevuld wordt met levende mensen en die dan op en rond het vuur gezet wordt. De groep mensen wordt op de meest ellendige manier gebraden en verbrand, alsof het levende varkens aan een spit zijn. Zolang ze maar een behaaglijke offerande en een aangename misviering voor hun goden kunnen uitvoeren.

 

Zonder dat ze het eigenlijk zelf beseffen, tonen de Galliërs een schoolvoorbeeld van hoe dwaas een geloof, zeg maar elk geloof eigenlijk is. Ze geloven warempel dat ze de onsterfelijke goden behagen met de pijn en het afzien van diegenen die gevangen genomen zijn om redenen van diefstal, moord en andere misdaden. En als ze niet voldoende kwaaddoeners kunnen vinden dan worden er enkele arme onschuldige sukkelaars uitgekozen om mee te gaan in het vuur. Men kan niet genoeg zijn best doen om de goden te behagen.

 

De absolute hoofdgod is Mercurius. Hij is zonder meer de uitvinder van alle kunsten. Hij bepaalt de weg die reizigers dienen te volgen. De patroon van de kooplieden en de commerçanten. Ook voor Apollo, Mars, Jupiter en Minerva koestert de bevolking felle gevoelens. Apollo geneest zonder enig spoor van twijfel alle ziektes en krankheden. Mars is de bezieler van de oorlog. Geen enkele overwinning op het slagveld kan afgesloten worden zonder een gemeende dankzegging aan god Mars. De oorlogsbuit en de buitgemaakte heiligenbeelden worden aan hem opgedragen.

 

De bewijzen hiervan zijn nog lange tijd na Caesar zichtbaar. Verscheidene Gallische steden bezitten elk hun respectieve pakhuizen waar deze buit opgestapeld ligt en waar niemand het durft te riskeren om daar iets van te stelen. Want wat daar ligt is allemaal eigendom van de afgod Mars. Diegene die dat zou aandurven, veracht en minacht zijn god en zal na een rituele marteling ter dood worden gebracht. Vaernewyck heeft het over het ondergaan van de 'aldervreedste pynen'. Ik hoef er geen verdere details meer bij te krijgen.

 

De god Jupiter regeert over de hemel. Minerva is de goeroe van de kunst en van de ambachten. Pluto wordt beschouwd als de broer van Jupiter. Jupiter, meester van de hemel en zijn broer baas van alle dingen die zich beneden het oppervlak van de aarde bevinden. De hel. Zoveel is duidelijk. Er is niemand die zelf weet waar de goden vandaan komen en waarom ze eigenlijk vereerd worden. Bewijzen zijn er niet. De druïden beweren dat het zo is en de mensen geloven de priesters en hun prietpraat. Geloof en bijgeloof zijn van alle tijden.

 

De tijd wordt niet geteld in dagen maar in nachten. Een gebruik dat nog altijd ingeworteld zit diep in de 16de eeuw. De mensen hebben het dan nog altijd over St.-Maartensavond, Driekoningenavond en Vastenavond. De Galliërs wensen niet in het openbaar gezien te worden met hun zonen vooraleer deze volwassen genoeg zijn om oorlog te voeren. De mannen moeten er op toezien dat hun huwelijksgift, de inbreng in hun huwelijk, na hun dood opnieuw ter beschikking kan komen van hun weduwen.

 

Liefkozend en vriendelijk zullen de mannen wel niet omgaan met hun vrouwen. De mannen hebben een identieke macht over hun vrouwen zoals ze die hebben over hun kinderen. Ze beschikken over de rechten om hen in leven te laten of eventueel te doden als ze zich tegenover hen misdragen. Bij het overlijden van belangrijke mannen, komen zijn bloedverwanten en vrienden bijeen en als ze kwade vermoedens koesteren over de doodsoorzaak, dan zoeken ze vergelding bij de weduwe. 'Zij pijnigden haar wredelijk als men bevond dat zij in deze dood schuldig was, en zij werd met het vuur gestraft.'

 

De begrafenisdiensten moeten gruwelijke ceremonieën zijn. Met de nodige pracht en luister die mijn schrijver omschrijft als 'grootdadigheid.' Wie tijdens het leven van de overledene door hem graag gezien werd, wordt samen met zijn lijk in het vuur geworpen. Voor dieren en voor vrienden wordt er geen uitzondering gemaakt. Korte tijd voor de komst van de Romeinen ondergaan zijn dienaren en zijn bondgenoten nog altijd hetzelfde macabere en afgrijselijke lot.

 

Vaernewyck geeft er zelf zijn mening over. Vrouwen die hun man graag hebben gezien, moeten na zijn dood proeven van het wrede vuur. Het wordt beschouwd als een eerlijk loon voor een leven van trouwe liefde. Maar is het wel allemaal redelijk te noemen om een onnozel schepsel op die manier van het leven te beroven? Een wolvin heeft het beter af dan deze ongelukkige vrouw!

 

Hij haalt er een van zijn bronnen bij. Valerius Maximus, een Latijnse schrijver van rond het jaar 0. Maximus schrijft dat het ook in Indië de gewoonte is dat iedere man zoveel vrouwen mag hebben als hij kan onderhouden. Bij het overlijden van de man moeten hun weduwen voor de vierschaar uitleg geven hoe graag ze gezien werden door hem. Als dat door de rechter ook zo beschouwd wordt, dan lopen de respectieve weduwen blijmoedig naar het vuur, leggen zich bovenop zijn lijk en worden ze samen verbrand. Wie niet geloofd wordt door de rechters kan niet anders dan beschaamd af te druipen.

 

De Galliërs staan altijd klaar om oorlog te voeren. Het is hun leven. Schrijver Vincentius van Lérins, een Noord-Franse Galliër, een monnik, schrijft in de vijfde eeuw niet enkel lovende zaken over zijn volk. Voor de strijd tonen ze zich allemaal stoer en vroom, maar lang houden ze het niet vol. De Galliërs kunnen moeilijk ontbering verdragen. Ze kunnen het blijkbaar erg goed zeggen. Wat ze niet kunnen realiseren in de strijd, halen ze binnen met bedrog en arglistigheid. Schrander en innovatief zijn ze, maar meteen ook ongedurig, rusteloos en trouweloos. Ze maken snel vrienden en nog sneller vijanden.

 

En dan zijn er de Germanen. De 'Duytsche' schrijft Vaernewyck. Hun zeden verschillen totaal van die van de Galliërs. Hier bestaan er geen druïden die offerandevieringen leiden. De Germaanse goden zijn natuurelementen, dingen die ze effectief kunnen zien. De zon, de maan. En Vulcanus die door de heidenen beschouwd wordt als de god van het vuur. Dat is het zowaar.

 

De Germanen houden zich onledig met jagen, paardrijden en oorlog voeren. Hun kinderen moeten van jongs af leren omgaan met werken en met ongemakken. Hun favorieten zijn jongeren die lang kind blijven en de belofte met zich meedragen om uit te groeien tot krachtige strijders. Lang kind blijven, betekent meteen dat er geen plaats is voor het beleven van de puberteit. Kijken naar de vrouwen voor hun twintigste is zonder meer onbetamelijk. En dat moet verdorie niet gemakkelijk zijn als ik het zo lees. Mannen en vrouwen wassen zich gezamenlijk in de rivier. De vrouwen bedekken amper hun intieme delen en tonen zich dus zo goed als naakt aan de jonge mannen.

 

Ze moeten niet veel weten van de landbouw. De pot schaft melk, kaas en vlees. Niemand heeft grond in eigendom. Elk gezin krijgt jaarlijks een perceel toegewezen. Veel ambitie om te boeren is er niet. Vooral met de wetenschap in het achterhoofd dat ze in een volgend jaar op een andere plek zullen wonen. Het rondzwerven heeft zo zijn bedoelingen. Hun focus ligt op oorlog. Veel op dezelfde plaats blijven wonen is binnen deze context nefast. Het beoefenen van de landbouw zou de mannelijke strijdbaarheid kunnen doen afzwakken.

 

De oorlogskunde mag nooit vergeten worden! De landbouw heeft trouwens een sociaal aspect dat hen niet echt aanstaat. De rijkste en de machtigste boeren zullen de zwakke domineren en verdrijven. Het volk mag niet te keurig wonen. De Germanen mogen niet begerig koekeloeren naar geld en goed. Beschut zijn tegen hitte en koude is al meer dan voldoende. Elke vorm van welstand zal muiterij, tweedracht en gekrakeel doen ontstaan. Nee. Het is duidelijk beter om een goede eensgezindheid te behouden.

 

Het Duitse volkje vindt het prima als hun steden omringd zijn door woest en onbewoonbaar land. Ze hebben hun buren verdreven, zoveel is duidelijk. Niemand durft nog te wonen in hun nabijheid en zo zijn ze meteen ook zeker om niet om het geringste aangevallen te worden. De oorlogen spelen zich dus vaak af tussen de steden onderling, met de burgemeesters als legeraanvoerders en gezegend met de absolute macht om te heersen over het leven en dood van de eigen onderdanen.

 

Ook in tijden van vrede laten de voogden van de steden zich gelden als alleenheersers. Voor gemene overheden en magistraten is er geen plaats. De burgemeester regelt alle geschillen. Straatschenden en het uitstropen van mensen die niet van hun stad of land zijn, wordt niet als verkeerd bestempeld. Integendeel: het is voor de jongeren een kans om te oefenen en om de luiheid uit hun lijven te verdrijven. Van God en zijn geboden hebben ze nog geen weet. Het zijn heidenen. Ze volgen de wetten van de natuur. Zo is het totaal verkeerd om iemand te beroven die onschuldig is. Men mag niets aanrichten aan een ander wat men zelf niet graag zou ondergaan. Het is niet geoorloofd om het goed van een ander te beroven als dat het resultaat is van diens zweet en arbeid en als het allemaal eerlijk en met vaardigheid werd gespaard.

 

Hier in Vlaanderen hebben velen onder ons anno 2015 datzelfde Germaans bloed in zich. Ik ben er als de kippen bij om meer te leren over al die illustere voorvaderen. Al vroeg proberen die Germanen hun heerschappij uit te breiden. Ik moet daarbij aan de naam 'Franken' denken dat met verloop van tijd trouwens de maidennaam van Frankrijk zal genereren.

 

Schrijver Marcus van Vaernewyck haalt de oude geschriften van een monnik van de orde van de heilige Augustinus aan. Jacobus Philippus de Bergamo (1434-1520) schrijft in zijn 'supplementum Chronicorum' dat de Romeinen niet veel ontzag koesteren voor het volk van Duitsland en er niet al te veel problemen van verwachten. De Italianen hebben al werk en miserie genoeg met de Galliërs om zich nog zorgen te maken over de Germanen. Ze laten de Duitsers dan ook ongemoeid.

 

Onder de volkeren van de Duitse gebieden behoren de Saksen, de Westfalers en de Friezen, namen die op vandaag nog altijd erg bekend in de oren klinken. Onze koning is van Sachsen-Coburg. Friesland en Westfalen zijn gekende regio's in Europa. De oude kronieken typeren de Sachsen als de vroomste en de meest strijdbare van allen. Het Saksenland strekt zich op haar hoogtepunt uit van de Elbe tot aan de Rijn.

 

Eigenlijk ben ik van plan om dit stuk oude geschiedenis over te slaan. Maar het boeit me meer dan ik kan vermoeden. Hier ligt verdorie een stuk vergeten geschiedenis klaar om ontgonnen te worden. Ik ga verder. De legende van de twee Ewalden prikkelt mijn nieuwsgierigheid. Wikipedia helpt me wat verder. In de 7de eeuw is er sprake van een blonde en een zwartharige Ewald en ze behoren tot de entourage van de prediker Willibrordus die ook bij ons actief is.

 

De Ewalden proberen de Saksen te bekeren tot het christelijk geloof. Zij trekken naar Westfalen om hen op andere gedachten te brengen. Het nieuwe geloof wil er maar niet in blijven, de Saksen blijven in hun oude rituelen vervallen, wat de predikers ook proberen. In 687 lopen de blonde en de zwarte tegen de lamp en sterven ze een marteldood.

 

Ik kom interessante wetenswaardigheden te weten bij het lezen van die oude histories. Het grote Germaanse land wordt in twee gesplitst door de Weser die nabij Bremen in de zee stroomt. Het gebied tussen de Elbe en de Weser wordt het Oostveld genoemd en zijn bewoners zijn Oostveldingen ofwel de Saksen. Tussen de Weser en de Rijn, de westelijke helft van Germanië, is het Westfeld. Hier wonen de Westveldingen. Tot deze Westveldingen behoren de de Oost- en de Westfriezen en de Oost- en Westgoten. De naam Westfalers zal met verloop van tijd het oude Westveldingen vervangen.

 

Wat er zich daar in Duitsland afspeelt, lijkt een ver van mijn bed show, maar dat is het helemaal niet. Karel de Grote voert rond de jaren 800 een langdurige oorlog tegen de Saksen en de Westveldingen in een poging om hen tot het christelijk geloof te brengen. Telkens worden de beloften om zich te bekeren gevolgd door het hervallen in de oude afgoderij. Het verplicht Karel om zijn mannetjes achter te laten en de boel in de gaten te houden. Hij stelt geheime, (vrije, rechtvaardige maar treffelijke) rechters aan en verleent hun alle macht om al degenen aan te pakken die afvallig zijn van het nieuwe geloof, meineden plegen of andere schandelijke daden bedrijven. Wie zich schuldig maakt, wordt gestraft met de bast.

 

Opgehangen aan een boom, zonder proces of voorafgaande ceremonie en het maakt niet uit of de gestrafte edel of onedel is. De rechter geeft niet de minste uitleg of verantwoording. Vaernewyck legt een relatie met de heimelijke rechtbanken van de 16de eeuw. 'Veme' of 'veem' wordt dergelijke vierschaar genoemd en de leden van de Veme worden in Duitsland 'Scheffen' genoemd, een term die bij ons in Vlaanderen uitgesproken wordt als 'schepenen'.

 

De etymologie verwijst trouwens ook naar woorden zoals sceffino, scaffin en scepono. Ook het woord 'chef' komt hier dus vandaan. Ooit waren de Vemen zowat overal in Germanië terug te vinden. Met het verstrijken van de tijd komen er wel hervormingen en structuur in de rechtspraak en krijgen de schepenen bepaalde autoriteiten toegewezen om in bepaalde gevallen zelf schuldigen te straffen.

 

Het is een waslijst van 80 bladzijden. Ik pik er de belangrijkste uit. Het afdwalen van de officiële godsdienst blijft taboe. Het aantasten van kerken, kerkhoven en koninklijke wegen, het omgaan met valsheid, het aantasten van kraamvrouwen. Ook dieven, moordenaars en brandstichters worden berecht door de schepenen.

 

Een nieuw hoofdstuk behandelt de Friezen die door mijn schrijver Vrieslanders worden genoemd. Denemarken en Vriesland grenzen aan elkaar. Het is een volkje van heidenen en ongelovige Thomassen. Een provincie aan het uiteinde van Germanië met een oever aan de grote zee. Van aan het eindpunt van de Rijn tot aan de zee van Dovico. Eigenlijk zijn de Friezen allemaal zelf Germanen. Maar hun stijl is totaal anders. Hun kleding en zeden gelijken niet aan die van hun zuidelijke buren.

 

Hun haren zijn kortgeknipt in de hals. Hoe edeler de stam, hoe hoger ze opgeschoren zijn. Kloek en sterk van leden, schoon van lichaam, wreed van gemoed en altijd maar bezig met het oefenen van de speren en met ijzeren geschut in hun velden. Vriesland zelf is vlak en vol met weiden. Hout is amper voorhanden zodat de Friezen turf moeten uitgraven, drogen en stoken om zich te warmen.

 

Het is een vrij volk. Geen heer die hen gebiedt. De Friezen zouden liever sterven dan hun vrijheid te verliezen. Ze kiezen zelf hun rechters die ze respecteren omdat ze werken met hun eigen wetten. Een mooie democratie nog voor het woord bestaat. Zuiverheid van geest en lichaam dragen ze in hun hart. Ik laat Vaernewyck verder vertellen en schuif door naar het volgende kapittel.

 

Karel de Grote steelt weer de show. Als heerser over de Duitse natie neemt hij de macht over die de Romeinen plachten te hebben over West-Europa. Gallië en Duitsland zijn in die tijd dus één grote natie. Maar lang zal deze eenheid niet duren, beweert een zekere geschiedschrijver Carion. Er worden eerst kosten noch moeite gespaard om die vermaarde brug over de Rijn aan te leggen. De constructie ervan neemt 10 jaar in beslag, een huzarenstuk voor die tijd, maar nog voor die goed en wel zijn dienst kan bewijzen, wordt de vitale levensader in brand gestoken en vormt de reusachtige Rijn net zoals voordien de onbetwistbare en onoverbrugbare grens tussen oost en west.

 

De vorst regeert eerst gedurende 22 jaar als koning, krijgt dan promotie en wordt keizer, een functie die hij nog eens 14 jaar uitoefent. Hij is een wonderbaarlijke man als ik het goed begrijp. Krachtdadig, machtig, deugdzaam en godsvruchtig. Bij het begin van zijn legislatuur heeft hij de Saracenen uit het land van Aquitanië verjaagd. Het lijkt een zin die wel lijkt te komen uit een of ander rode ridder verhaal, maar vergis u niet: Karel de Grote verjoeg in zijn tijd de Moslims uit het westen van Frankrijk.

 

De koning-keizer ligt zowat zijn hele bestuursperiode in de clinch met de Saksen. Hij heeft het ook aan de stok met de Lombarden, de Hongaren en de Hunnen. Zowat heel Europa krijgt met hem te maken en ook de barbaarse volkeren van Azië moeten buigen voor hem. Vaernewyck geeft veel details maar besluit dat hij toch vooral bekend staat als een fervente vijand van de ongelovige Saracenen en de Mohammedanen die hij her en der bedwongen heeft zoals dat het geval is in Jeruzalem, Constantinopel en in Spanje.

 

Karel de Grote is zodanig sterk van lichaam dat hij een gewapende man met een hand tot boven zijn eigen hoofd kon opheffen. Er bestaat een legende dat hij een gewapende ruiter te paard met één enkele slag heeft doorkliefd. Cowboyverhalen uit de antieke doos. Paarden met de blote hand ontdoen van hun hoefijzers. Schoon van lichaam maar wreed van aangezicht. Hij heeft een schoenmaat om 'u' tegen te zeggen. Voeten van maat 45 of 46 en zijn lichaamslengte mag je voetmaat maal acht rekenen, vermelden de kronieken. Onze vorst moet dus een reus van minstens 2m30 geweest zijn.

 

Ik blijf nog even vertoeven bij Karel de Grote. Zijn palmares oogt bepaald indrukwekkend. Hij sticht tijdens zijn leven drie vooraanstaande hogescholen. Die van Bologna, Parijs en Pavia. In Bologna kan men terecht voor het studeren van geestelijke en wereldlijke rechten. In Parijs is er ruimte voorzien voor de vrije kunsten en in Pavia wordt er geneeskunde onderwezen.

 

Na de dood van deze grote keizer implodeert zijn grote rijk. Een reeks geestelijke en wereldlijke keurvorsten nemen het bestuur in handen en gaan allemaal zowat hun eigen weg. Het wordt hoog tijd om me opnieuw te focussen op de westkant van Europa. Thuis in de brede zin van het woord. De term Gallië wordt dankzij de eeuwenlange invloed van de Germanen stilaan vervangen door Francië, zeg maar Frankenland of Frankrijk.

 

Vaernewyck buigt zich over de oorsprong van het land. Ik heb ooit zijn oude historie van Belgis op papier gezet. Waarom zou ik deze keer niet inpikken rond het jaar nul? Gallië wordt op dat moment geregeerd door Clodius die op zijn beurt zorgt voor een nest nakomelingen. Herimerus, Marcomirus, Clodomirus, Anthenor en Rotherius zijn enkele van zijn nakomelingen. Die laatste sticht de stad Rotterdam in Holland dat in die dagen nog Batavië genoemd wordt.

 

Ik arriveer in het Gallië van het jaar 270 bij Walther die sterft in 298 en opgevolgd wordt door Walter van Dagobertus en later door een andere Clodius. Die laatste sterft zonder erfgenamen. In 319 komt broer Clodomirus op de troon die in 326 op zijn beurt oom Genebaldus aanstelt als hertog. Die zorgt voor een ware volksverhuizing van zijn volk naar de regio rond de Moezel. De naam Frankenland is dan al gevallen en dat is vooral te danken aan die Genebaldus die zich weet op te werken tot de koning der Franken.

 

Het is een era van oorlog. Vooral met de Romeinen en met de Galliërs in het westen. In 393 probeert de derde hertog van de Franken helemaal af te rekenen met de Romeinen. Clodius heet de man, maar hij krijgt lik op stuk en opnieuw een Romeinse bezettingsmacht over zich heen. Een periode van rebellie en guerrilla. Menige aanslagen tegen de bezetters leveren niets op. Al hun pogingen zijn vruchteloos. Tegen dit volk staan de Franken vooralsnog te zwak in hun schoenen.

 

Ook Clodius' zoon Marcomanus kan de bakens niet verzetten. Ik maak het jaar 418 van dichtbij mee. Pharamond de zoon van Marcomirus van Keulen lijkt de geknipte persoon om eindelijk de leider te worden van de Gallisch-Frankische alliantie. Hij, de hertog van Francia en van de Franken, wordt bekend als de eerste koning van Frankrijk, hij wordt verkozen door de Rijksdag.

 

Pharamond overlijdt in 426 en zijn zoon Clodius wordt de tweede koning van de Galliërs die ook wel Celten worden genoemd. Die breidt zijn rijk gevoelig uit te nadele van de Romeinen. In het jaar 446 sterft Clodius en nu komt zijn zoon Mereveus op de troon. Lang zal dat niet duren want 12 jaar later zal hij ter dood gebracht worden door Attila de Hun.

 

Zoon Clovis neemt het roer over en raakt ondertussen zelf in de ban van het christelijk geloof. Hij laat zich dopen door bisschop Remigius en bouwt een schone tempel in Straatsburg. Lotharius volgt hem in 514 op als tweede christelijke koning van van Frankische rijk. Na hem volgt zijn zoon Childerik en die kan Bourgondië toevoegen aan het land, een erfdeel van zijn oom. In 581 wordt hij met gif om het leven gebracht. Mijn schrijver vliegt gehaast door de tijd en arriveert al direct in het jaar 618 wanneer zoon Childerik het hele rijk opdeelt in een reeks van hertogdommen en graafschappen.

 

Ik sla een pak geschiedenisfeiten over. De prehistorie van de Hunnen, de Goten en de Vandalen zal niet voor vandaag zijn. Kapittel twee met de titel 'Wat in deze Nederlanden geschied is ten tijde van den keizer Augustus, onder wiens regering Christus geboren wierd. Ik spoel de tijd dus 6 eeuwen terug en probeer weer de stijl van Vaernewyck tot de mijne te maken.

 

De Romeinse keizer Octavianus-Augustus regeert al 26 jaar wanneer zijn kapitein Quintilius Varus het aan de stok krijgt met de bevolking van Trier. Hij stuurt Claudius er met acht ruiterslegioenen op af. De latere keizer slaagt er in om de onlusten de kop in te drukken en om die van Trier te verslaan en tot rust te brengen. Na deze militaire actie dringt Claudius het nieuwe Belgis binnen waar hij zijn kamp opslaat in Henegouwen. Zijn collega Titurius trekt met drie divisies naar de stad Bergen waar ze hun intrek nemen. En er is ook nog sprake van de legerleider Drufus die zich vestigt in Reims.

 

Claudius zorgt er voor dat de steden Atrecht, Terwaan, Kamerijk, Gent, Leuven, Tongeren en Antwerpen weer opgebouwd en versterkt worden. Wanneer Claudius en Drufus teruggeroepen worden naar Rome, stellen ze Quintilius Varus aan het hoofd van de landen aan de zee.

 

Oude boeken vertellen over het gebod van keizer Octavianus waarbij de bestuurders in Gallië verplicht worden om alleen maar de Romeinse taal te gebruiken in hun rechtshandelingen, hun wetten en hun bevelschriften. Wie dat niet doet riskeert lijf en goederen te verliezen. Het is er volgens mijn schrijver nog altijd de reden waarom de inwoners van Frankrijk nog altijd gebroken Latijn spreken.

 

De lage landen aan de zee die 'maar' 400 jaar onder de heerschappij van de Romeinen bleven, zijn daardoor minder beïnvloed geweest door het Romeins. Ik weet meteen waar de taalgrens vandaan komt en hoe oud die is: even oud als Jezus Christus.

 

Keizer Octavianus-Augustus is de zoon van de zuster van Julius Caesar. Ik vraag me af of hij zijn oom aansprak met iets als 'nonkel Jules' maar deze oprisping ter zijde, kom ik te weten dat Octavianus 56 jaar lang in het zadel blijft. Hij blijkt een krachtpatser van het zuiverste allooi en brengt zijn Romeinse rijk tot op het hoogtepunt van zijn bestaan. Hij maakt van Rome een marmeren stad en zorgt er voor dat er eens een periode van 12 jaren van volkomen vrede komt.

 

Marcus van Vaernewyck moet een diepgelovige man zijn. Zijn inleiding tot de geboorte van Jezus is van die aard dat ik aan dit feit niet moet twijfelen. Voor mijn lezers laat ik hem eens ongecensureerd en in zijn eigen 16e eeuwse Vlaams aan het woord. Hij komt nog eens terug op die 12-jarige vrede. Ik citeer hem: 'Zulks geschiedde door eene wondere werking van de almogende, op dat die aardse vrede der menswording van onze zaligmaker zoude verheerlijken; want hij, die den peys zoude maken tussen God zijn hemelse Vader en het menselijk geslacht, wilde in die wrede tijd van eene zuivere maagd geboren worden.'

 

Ik schakel weer over op mijn eigen stijl en taal maar wel met de nodige aandacht voor al dat goddelijke respect voor Jezus en Co. De kleine wordt geboren tijdens het 42ste jaar van de regering van keizer Augustus. De wereld bestaat op dat moment al 5200 jaar. Hmm. Maria is op het moment van de bevalling 14 jaar en 4 maand. Hmm. Op het moment van haar bevruchting moet de heilige maagd dus nog een puberend kind geweest zijn van 13 jaar en half. Dat feit hebben ze me tijdens de lessen gewijde geschiedenis van mijn jeugd wel heel goed weten te verzwijgen. De onbevlekte ontvangenis als alibi om een ongewenste tienerzwangerschap te vergoelijken.

 

De 25ste december van het jaar nul is een zondag, weet Dionysius te vertellen in zijn eigen tijdrekening. Tot dat jaar nul worden maar 7 dagen toegeschreven, op 1 januari van het jaar 1 start meteen het tweede jaar van de nieuwe tijdrekening. Op dat moment staat Rome op het toppunt van zijn bestaan. Vaernewyck goochelt met de cijfers. 2700,8000 ingezetenen. Op mijn beurt moet ik googelen om wat preciezer te kunnen zijn. Hij zal wel 2,7 miljoen willen aangeven maar dat aantal mag ik vermoedelijk nog wel reduceren tot pakweg 1,7 miljoen. Hoe dan ook een imposant cijfer.

 

Het geboortejaar van Jezus Christus betekent ongewild ook een beetje de hergeboorte van de stad Keulen aan de Rijn. Marcus Agrippa, de schoonbroer van keizer Augustus, laat de stad tijdens die periode volledig heropbouwen. De naaste familie van de keizer laat ook zijn invloed gelden op onze streek. Karel Brabon behoort ook tot dat kransje dichte familie via een zuster van de overleden Caesar en krijgt de zeggenschap over de landgebieden van de Schelde tot aan de Elbe, voornamelijk Brabant dus, maar eveneens over het gebied tussen de Schelde en de Somme. De regio die later bekend zal raken als Vlaanderen.

 

Karel Octavius Brabon trekt het erg lang als bestuurder van Vlaanderen en Brabant. Zijn zoon Titus neemt het zeggenschap over na zijn dood. Broer Karel leidt de oostelijke regio: Germanië en Düringen. Diens zoon Vespasianus zal het later schoppen tot keizer van Rome.

 

Na deze uitweiding focust Vaernewyck zich weer op het Keulen van in de tijd van Jezus. Een authentieke Keulense kroniek gaat dieper in op de gebeurtenissen van die dagen in dit stuk van de lage landen. De Romeinse kapiteins Tiberius en Nero voeren met succes een bloedige oorlog tegen de Walen of de Galliërs. Ook de Sicambren die wonen tussen de Maas, de Rijn en de zee moeten het ontgelden. De overwinning is vooral te danken aan de capaciteiten van Marcus Agrippa die daarna zorgt voor de heropbouw van Keulen naar het model van Rome. Ik krijg de bladzijdenlange lokale geschiedenis tot vervelens toe voorgeschoteld. Daarna buigt hij zich over de kronieken van Trier.

 

Ik neem 20 bladzijden verder de draad van zijn geschriften weer op. 'Wat in deze Nederlanden voorgevallen is onder de Roomse keizers Claudius en de boosaardige Nero.' Na de dood van keizer Augustus in het jaar 14 volgen Tiberius en Caligula in zijn voetstappen. In 41 komt Claudius, gevolgd door Nero in 54 die het zal uitzingen tot in 68. Claudius ofte Claudius-Tiberius brengt het eiland van Engeland weer onder Romeinse controle.

 

Zijn invasieleger krijgt bij de terugweg op de Noordzee te maken met een zware storm die zijn troepen doet aanspoelen in het ongerepte Zeeuws-Vlaanderen. Ze arriveren in het land van de wilde slaven die nu de Hollanders zijn, lees ik. Hier staat een kasteel met de naam van Slavenburg waar de Romeinen beginnen aan de bouw van een nederzetting die later zal uitgroeien tot de stad Vlaardingen. Een stad (in de buurt van het latere Rotterdam) die volgens mijn schrijver in de jaren 1500 overstroomd is en ver in zee ligt.

 

Kasteel Slavenburg vormt de grens tussen een uitgestrekt bos, het 'woud zonder genade' en de oostelijke regio die bewoond wordt door de Nedersaksen ook wel Friezen genoemd die hun hoofdkwartier aanhouden in het kasteel van Wiltenburg, het latere Utrecht.

 

De slimme en wat megalomane Claudius wordt door zijn vrouw met gif om het leven gebracht als hij 63 is. In zijn zog volgt de wrede en boosaardige Nero die om te beginnen afrekent met mama en haar laat doden en opensnijden. Ook zijn leermeester Seneca wordt voor zijn diensten beloond met de dood. Nero onteert niet alleen de edele jonkvrouwen en maagden in zijn entourage maar hij misbruikt daarenboven ook nog de jongelingen. Zijn echtgenote is warempel een manspersoon schrijft Vaernewyck, hij beslaapt nota bene zelf zijn eigen moeder en zuster.

 

Een heel speciale type die Nero als ik het zo allemaal lees. Hij dringt er op aan dat er over heel Italië en Griekenland bordelen moeten gebouwd worden waar de mensen vrijelijk overspel kunnen plegen. Natuurlijke en onnatuurlijke onkuisheid in het gezelschap van speellieden en zangers. Hij laat de families van de 3 voormalige keizers uitroeien en laat Rome in brand steken om er een idee van te krijgen hoe de stad Troye ooit door het vuur verwoest werd.

 

Nooit doet hij hetzelfde kleed aan. Hij gebruikt gouden angels en zijden netten om te vissen. Ik vraag me af of deze man zich daar mee zal bezig houden. Ook in het laten verscheuren van levende mensen door roofdieren vindt onze Nero zijn vertier.

 

Een mens moet iets hebben als uitlaatklep. De bewoners van Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland zullen zijn bloedig bestuur ongetwijfeld aan den lijve ondervinden en ze gaan noodgedwongen in het verzet tegen zoveel Romeinse terreur.

 

De steden Bavay in Henegouwen en Velzeke in het land van Aalst worden versterkt. Tongeren en Antwerpen die onder het bestuur vallen van Julius Brabon, de zoon van Karel, blijven aan de kant van de Romeinen staan. Het fijne weten de geschiedenisboeken er niet helemaal van. Ik krijg hele lijsten van keizers en hun nazaten gepresenteerd. Het kan me allemaal weinig boeien tot ik in de periode 377-416 beland. De predikers van het nieuwe geloof zijn al begonnen met hun edele missie. Servaas is de voorloper in de streek van Tongeren.

 

De Romeinen hebben hun beste tijd gehad. In 394 wordt Rome door de Goten ingenomen en onder het bewind van hun koning Alaricus geplaatst. Het moeten verschrikkelijke tijden zijn voor de inwoners van de vermaarde stad. De honger drijft de moeders zo ver dat ze zelfs hun eigen kinderen moeten opeten om in leven te blijven. In 411 wordt Rome veroverd door de Vandalen die het vooral gemunt hebben op de Christenen. Het hele Romeinse keizerrijk in het westen krijgt met dat agressieve volk te maken.

 

De Vandalen rukken op tot aan de Schelde en arriveren zo bij het kasteel van 'Gadia' dat rond het jaar 0 gebouwd werd door Gaïus Julius Cesar Vispanianus op de plaats waar Keizer Karel in 1500 geboren zal worden. Meer bepaald het latere Prinsenhof in de Gentse Simon de Mirabellostraat vlakbij de Sint-Antoniuskaai.

 

Tot aan het jaar 414 blijven de Goten alles bederven. Wat de godsvruchtige keizer Theodosius ook probeert. Het leger van de vijand heeft een getalsterkte van 700.000 man en dat massale aantal laat zich gevoelen in de algemene verwoesting van de meeste steden in het westen. Zelf de haast onoverwinnelijke stad van Metz moet er aan geloven: 'ze wierd van dit volk ingenomen en verwoest, ter oorzaak dat de muren van zelfs omvielen.' De kroniekschrijvers van die tijd geven het aan in hun commentaren: 'zulks was een zonderlinge straffe van God, gelijk aan de stad Jericho gebeurde.'

 

De stad van Gent wordt in deze prille dagen van ellende 'Want' genoemd. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de Vandalen die ook wel Wandalen genoemd worden. De stad zelf zit als het ware opgesloten tegenover de versterking die de 'Vandali' er hebben opgebouwd. Uitbreiden is niet meer mogelijk en dat leidt tot de bouw van nieuwe vestigingen langs de Schelde en de Dender, respectievelijk Oudenaarde en Aalst. Vaernewyck merkt nog op dat beide centra eigenlijk heropgebouwd worden op het puin van vernielde kastelen. Het bestaan van Oudenaarde en Aalst gaat dus veel verder terug in de tijd dan de 5de eeuw.

 

Gent is rond 414 vooral opgebouwd tussen de Schelde en de Leie en wordt voor zijn verovering bestuurd door koning Amphiguisus. Sommige van zijn bronnen vermelden dat het koning Carocus is die de Vandalen tot in de stad heeft gebracht en 'dat hij derrewaarts kwam van verre boven Denemarken, uit een zeker land, Scandia geheten.

 

Gelegen boven Gothland en Zweden, daar waar Jemphia en Middelpadia aan grenzen en dat hij met een ontelbare menigte Vandalen, Zweden en Alanen menigvuldige steden omwierpen en het platte land verwoestten'.

 

Gent behoort tot het selecte kransje van 'Wendel' steden. Net zoals de steden in het noorden van Duitsland en verderop. Bremen, Hamburg, Lubeck, Luneburg, Stettin en konsoorten. Een overtuigend bewijs van de aanwezigheid van de Vandalen vindt Vaernewyck in het kasteel 'De Wandelaar' gelegen langs de Schelde in de nabijheid van de Brabantpoort.

 

Het volgende hoofdstuk oogt veelbelovend: 'Van Karel de Schone, Falando en zijn kinderen en van sommige Franse en Brittanische koningen die in deze tijd geregeerd hebben'. Amphiguisus wordt in zijn bestuur van onze contreien en met toestemming van de Romeinen opgevolgd door een zekere Karel de Schone. Ik bevind me aan het begin van de jaren 400, de drie generaties zullen het uithouden tot rond 450. Karel de Schone zelf houdt het 22 jaar vol. In Rome zwaaien ondertussen de keizers Valentinianus en Martianus de scepter.

 

Van de Vandalen is er plots geen sprake meer. Zijn ze vertrokken met hun noorderzon of is al sprake van een versmelting met de lokale bevolking? Ik vermoed het laatste. Het komen en gaan van hele bevolkingsgroepen heeft in elk geval de allure van georganiseerde volksverhuizingen. Tussen 430 en 450 is er in elk geval al sprake van een nieuwe vlaag van nieuwe rassenverhuizingen. Karel, Falando en Flabertus komen oog in oog te staan met de ongelovige Hunnen die met hun koning Attila verscheidene landen in het westen verwoesten en bederven.

 

Attila staat bekend als de 'gesel van God', een koosnaam die kan tellen. Hij ruïneert het Vlaamse Aardenburg dat in 438 nog als Rodenburg geldt. Rodenburg wordt met de grond gelijk gemaakt. De afgebroken stenen zullen later hergebruikt worden om de muren van Brugge te bouwen. O heerlijke details van de geschiedenis.

 

Enkele jaren later zijn de Hunnen al gereduceerd tot een voetnoot in onze Vlaamse geschiedenis. Ik besef meteen de waarde van al die dadingsdrang en ambities van 'would be' volksleiders. Ook de zelfbewuste Attila kan er niet aan ontsnappen. De tijd zorgt er op zijn eigen onverstoorbare manier wel voor dat zelfs de grootste helden uiteindelijk degraderen (verwateren) tot enkele lijnen tekst die op zijn beurt verstopt worden in onaangeroerde boeken. Karel de Schone is al lang vergeten en is opgevolgd door Falando, ook wel Falander genoemd en me welbekend om zijn rol in de mythe en de volksoverlevering van Vlaanderen.

 

Dat Marcus van Vaernewyck plots tevoorschijn komt met de naam van Falander is zonder meer een aangename verrassing. Wat kan ik nog meer te weten komen over deze icoon? Dat hij vier kinderen heeft gehad, lees ik. Ze hebben elk op zich gezorgd voor het bestuur van hun eigen gebieden en steden. Austrus wordt heer van Tongeren en het land van Brabant. Enkele bronnen beweren dat Brabant lange tijd de oude naam 'Austria Inferior' heeft aangehouden. Zijn broer Flando of Flandbert krijgt het gebied langs de zeekant toegewezen. Vlaanderen en de omliggende landgebieden. Een andere broer heet Lando. Die is verantwoordelijk voor de stichting van de stad van Landen. Van nummer vier is geen verdere uitleg beschikbaar.

 

Ik krijg te maken met een nieuwe verrassing van mijn schrijver. Parallel aan die oude Vlaamse geschiedenis, komt hij plots op de proppen met de Frankische vorsten die hij al eerder op een andere positie in West-Europa heeft geduid. Meer bepaald in Frankrijk. Het leggen van die overeenkomsten in de tijdslijn van onze vaderlandse geschiedenis, versterkt mijn mening dat ik hier niet te maken heb met volksverhalen maar integendeel met waar gebeurde feiten. Het geslacht van Falander moet dus ooit van vlees en bloed geweest zijn. Het is natuurlijk niet geheel onwaarschijnlijk dat het komen en gaan van de Salische Franken in deze oude tijden enkel en alleen maar een puur verzinsel is van een al te naarstige monnik die blijkbaar geen onderscheid wilde maken tussen fictie en non-fictie.

 

Het irriteert me dat Wikipedia het bestaan van koning Clodius zonder veel poeha naar het rijk der verzinselen verwijst. Een monnik van de abdij van Saint-Denis zou (op vraag van zijn overste Karel Martel) tussen de jaren 700 en 800 in zijn Liber Historiae Francorum wel erg creatief omgegaan zijn met de voorgeschiedenis van het Frankische geslacht.

 

Hangt onze vroegste geschiedenis zo maar met haken en ogen aan elkaar? Ik moet er meer van weten, sla de pagina's van mijn boek dicht en ga op onderzoek. Enkele uren later keer ik nogal gerustgesteld terug aan mijn schrijftafel zitten. De genealogische details van zijn familie staan zo overweldigend en gedetailleerd ter beschikking, dat ik niet langer hoef te twijfelen.

 

Wonderlijk genoeg schetst de uitgebreide reeks van geboortedata en -plaatsen meteen ook een uitstekend beeld hoe de Duitsers (de Franken) zich eigenlijk meester hebben gemaakt van onze streek en die van Frankrijk en Nederland. Ik zie geen enkele reden om hier in mijn kronieken niet terug te blikken op de familiegeschiedenis van Clodius, Marcomir en Pharamond. Jullie nemen me het hopelijk niet kwalijk als ik even zal overkomen als een conventionele geschiedenisleraar.

 

Ik begin het verhaal bij de geboorte van Marcomir IV van de Franken in 114. Dat die man als nummer vier bekend staat, laat veronderstellen dat de naam van de Franken al moet bestaan hebben bij de inval van de Romeinen in het westen. In 166 wordt hij opgevolgd door zijn 26-jarige zoon Clodimir de vierde en enkele decennia later door zijn kleinzoon Farabert.

 

Farabert verwekt zijn opvolger in Austrasië een gebied dat in onze tijden een combinatie vormt van het oosten van Frankrijk met het westen van Duitsland en alle Belgische en Nederlandse gebieden ten oosten van de Schelde. Met wel inbeelding kan je zo zien dat het wel lijkt alsof Frankrijk niet in het zuiden ligt maar in het (zuid)-oosten van België.

 

Austrasië dus. Hier wordt leeft en sterft opvolger Sunno (Huano) de Frank. In het jaar 213 komt zijn zoon Childerik aan het hoofd van de Franken. Childerik wordt in 163 geboren te Parijs en sterft in Saksen in 253. Hij moet een stuk van zijn leven doorbrengen in Parijs want Childeriks zoon Bartherus ziet in 178 ook het levenslicht in deze stad. Bartherus regeert tussen 253 en 272.

 

Zijn erfgenaam is Clodius de derde. Ook wel de koning van de Sicambrische Franken genoemd. Zijn geboorteplaats Friesland toont perfect het gebied aan waar onze vrienden zich allemaal thuis voelen. In 298 sneuvelt Clodius ergens in Westfalen tijdens een gevecht met de Romeinen.

 

Walter en zijn zoon Dagobert de eerste trekken het geslacht door tot in 317. Dat Dagobert geboren wordt en sterft in het oude Saksenland, kan een duidelijk signaal zijn dat de Franken hun zeggenschap over hun roemrijke Austrasië weer kwijtgespeeld zijn aan de Romeinen.

 

Deze toestand blijft vermoedelijk ongewijzigd tot rond de jaren 400. Opvolgers Genebaldus I (282-358), Dagobert II (300-379), Clodio I (325-398) worden geboren en sterven op Duits grondgebied, Keulen, Saksen. In het jaar 347 wordt Marcomir van Keulen geboren. De koning van de Catten. De wetenschap dat hij in 404 sterft ergens ter hoogte van het Franse 'Brosse' bij Limoges spreekt boekdelen over de activiteiten van de Franken in die periode.

 

Of de relatie met de Catsberg en Catszand (Cadzand) van die periode dateert, laat ik in het midden. Na de dood van Marcomir komt mijn Pharamond van Westfalen aan de beurt. Die sterft in 425. Het is nu tijd voor Clodius van den Yssel, de Merovinger. De man heeft ook een betekenisvolle bijnaam: 'Crintus Neptu', zeg maar 'de langharige'. Geboren te Keulen in 395 en overleden in Cambray in 448. De verwijzing naar de regio van den Ijssel, de kanten van het Ijsselmeer dus, laat een revival van het vroegere Austrasië doorschemeren. Cambray vertelt de rest. Zoveel details zijn ondertussen aan de oppervlakte gekomen, het kan niet zijn dat deze man in de annalen van de geschiedenis als een fantoom dient afgeschreven te worden.

 

Ik rond nog even af voor de datum-fetisjisten onder jullie: In 448 volgt Meroveus zijn vader Clodius op. Meroveus van den Yssel wordt geboren in Frankrijk en sterft te Doornik in 458. Hij is dus ongetwijfeld al in onze vaderlandse historie beland. Zijn zoon Childerik ruimt na zijn leven de plaats voor zijn oudstgeborene Clovis (465-492). De welbekende vorst die zich in Reims laat dopen tot christenmens en zijn geloofsovertuiging als 'standaard procedure' over heel West-Europa transplanteert.

 

Na mijn uitstap in de tijd kom ik weer bij het Vlaamse stamhoofd Flandbert terecht. Die krijgt te maken met Clodius van den Yssel. We leven ergens in de buurt van de jaren 440 als de paden van Flandbert en Clodius elkaar kruisen. De Frank komt waarschijnlijk als geroepen. 'Hij nam geheel Belgica uit de handen der Romeinen; als Cameryk, Doornyk en Sommenoble, of Amiens. Hij trok vervolgens naar het land van Rouanen waar hij Golduerus de hertog van Ruthenen en de Cimbren gevangen neemt.'

 

Vaernewyck zorgt opnieuw voor een onvermoede wending in zijn plot. Die Golduerus wordt gevangen genomen terwijl hij met zijn zuster probeert om de stad Rouen te vrijwaren van de Franken. Wat daarna gebeurt, werpt een leuk licht op de relatie tussen Clodius en Flandbert. Ik laat mijn schrijver het beter zelf uitleggen: 'Clodius nam de stad Rouanen in. Hij gaf de zuster van de gemelden Golduerus ten houwelijk aan zijn neef Flandbert, zoon van Falando genoemd, die hij stadhouder maakte over de Cimbren en de Ruthenen en de gehele zeekant, en men zegt dat dit land na hem Vlaanderen geheten is.'

 

Het lijkt er wel op dat we de geboorte van Vlaanderen meemaken. De wetenschap dat Flandbert en Clodius neven zijn, is zonder meer belangrijk. De kronieken van Sint-Bavo uit de 15de eeuw vermelden dat Flandbert de zoon is van Blesinde van Sicambren (380-418), de zuster van Clodius. Falander zal dus ooit zijn positie als vorst over onze regio verdiend hebben op basis van een familieband met de Franken van Austrasië. Wat een nieuw licht werpt dit feit toch op de haast mythische legende van de woudmeesters van Harelbeke.

 

Koning Clodius staat gedurende 20 jaar een het bestuur van Frankrijk. Zijn opvolger Meroveus 9 jaar en die wordt opgevolgd door Childerik die de hulp krijgt van Austrus, Flandbert en Lando om de Romeinen uit het Frankische rijk te verdrijven. Nochtans was Childerik door de Romeinen zelf aan het hoofd van Gallië of Frankrijk geplaatst om dit land te besturen.

 

De drie broers Austrus, Flandbert en Lando vinden het wijzer om samen te werken met Childerik en ook na het vertrek van de Romeinse bezetter beslissen ze dat het beter zou zijn als Vlaanderen en Brabant zouden bestuurd worden vanuit Gallië, zeg maar Frankrijk. Na hun dood zullen de Frankische vorsten voortaan landvoogden aanstellen over ons land. De inwoners noemen die in hun oude taal 'foristen', een naam die later zal muteren tot 'vorsten' en die ongetwijfeld ook synoniem staat met 'forestiers'.

 

Die naam van 'forestiers' wordt in latere tijden trouwens gegeven door Franse kroniekschrijvers die van mening waren dat zij de heren of oversten zijn geweest van de Vlaamse bossen en wouden, maar dat is een miskleun weet Vaernewyck te vertellen. Foristen is simpelweg een andere naam voor vorsten en heren.

 

Na 9 jaar wordt de Franse koning Childerik afgezet wegens overspel. Ja, 'want hij was uitnemende dartel, ja een verkrachter van vrouwen en maagden'. Het spel van Rome is blijkbaar nog niet helemaal uitgespeeld want het hof daar beslist om Childerik te vervangen door Gillis Romeyn. Die wordt na acht jaar bestuur door de bevolking dood geslagen omdat het zo een gierige kloot is.

 

Childerik mag dan wel een verkrachter zijn, maar hij is wel vroom en dat is voldoende reden om hem weer in het zadel te helpen van Frankrijk. Vrome verkrachters bestonden toen dus ook al. Militair doet Childerik gouden zaken. Hij verovert Keulen, Trier, Orleans en Anger. De stedelijke concentraties worden onder het mandaat gezet van diverse stadhouders: Sigibertus in Keulen, Regnacarius zal Cameryk en Atrecht onder zijn hoede nemen. Terwaan valt nu onder Carosus en Trier onder Heribertus. Al deze mannen zijn ontsproten uit koninklijk bloed laat Vaernewyck weten. Hij laat wijselijk in het midden of dit de fysieke resultaten zijn van 's mans verkrachtingsijver.

 

De periode van het bestuur van Childerik strekt zich uit tussen 458 en 484. Het blijkt pas nu dat de zogezegde vroomheid van deze koning zich voornamelijk concentreerde op afgoden. Een heiden is hij geweest, een 'afgodist' van de zuiverste soort. Zijn zoon Clovis is uit ander hout gesneden. Hij wordt de eerste christelijke koning van Frankrijk. Altijd opnieuw lijk ik uit te komen op de figuur van Clovis. Het gevolg van een plechtige belofte bij de aanvang van een oorlog tegen de Duitsers. Na een glansrijke overwinning geeft hij de pluimen aan Jezus en laat hij zich in Reims dopen.

 

Heel Frankrijk volgt zijn ommezwaai en laat zich bekeren. De heilige Dionysius, discipel van Paulus heeft vroeger al verwoede pogingen ondernomen om de Fransen tot het christelijk geloof te brengen maar ze waren daar korte tijd daarna weer van afgeweken. Het doopfeest van Clovis gaat zelfs gepaard met een mirakel laat men weten vanuit het dompige verleden: 'men schrijft dat, als dezen vorst gedoopt wierd, eene duive eene ampulle met chrisma in haren bek uit den hemel bracht met welke chrisma de koningen van Frankrijk op heden nog gezalfd worden.'

 

Het vijftiende kapittel van Vaernewycks kronieken glinstert in mijn ogen. Hoe veel jaar is het ondertussen al geleden dat ik schreef over de legende van Liederik? En nu loop ik mijn vroegere vriend weer tegen het lijf. De titel oogt veelbelovend en het lijkt er op dat ik het leven van deze forestier vanuit een heel ander perspectief zal kunnen benaderen. 'Wat er in deze Nederlanden en elders voorgevallen is, hoe Saluwaert vermoord en beroofd wierd, en hoe zijnen zoon Liederik over deze daad wraak nam.' Meer is er niet nodig om mijn nieuwsgierigheid te prikkelen.

 

Het is een kluwen van namen en gebeurtenissen en ik moet me dubbel plooien om mijn schrijver te volgen. Hij begint met een zekere Frankische prins Raganarius, de zoon van Filambertus die in het jaar 490 door de troepen van Clovis verslagen wordt ergens in de streek van Amiens. Ik wil er even bij vertellen dat de opbouw van het Frankische rijk hand in hand gaat met de altijd maar terugkerende verzuchting naar extra grondgebied bij meerdere 'would be' stamhoofden. Hier rekent Clovis dus af met de heidense Raganarius en zijn vader die beiden onthoofd worden.

 

Een 15de eeuwse kroniek over het leven van Sint-Bavo gaat er dieper op in. De schrijver ervan baseert zich op handschriften uit die tijd zonder de bewijzen ervan op tafel te leggen. De kritiek van de historici achteraf is niet mals. De intenties van de schrijver zijn manifest duidelijk: de afkomst van de Vlaamse graven tot ongekende hoogtes opvijzelen. 'Heel de historie is pertinent verzonnen en zit vol met anachronismen en fouten.'

 

Vaernewyck houdt zich helemaal niet bezig met deze kroniekschrijver vertelt wat hij er op zijn beurt allemaal van te weten is gekomen over de hele geschiedenis. Hij keert terug naar de personages van Raganarius en een Engelse jonker met de naam Agricolaüs die zich voordoen als de meesters van onze streken. Finibertus, de broer van Raganarius is de man die de Westhoek in de gaten houdt: 'hij onthield zich ontrent het jaar op de zeekant in de wildernissen en de moerassen en liet een zoon achter, genoemd Finardus.'

 

Clovis sterft in 511 en verdeelt het grote rijk onder zijn zonen. Na een strijd van tientallen jaren zal een van die gasten (Chlotarius) zijn broers verdelgen en weer eenheid brengen in het grondgebied. Chlotarius regeert tot in 561 en maakt op zijn beurt dezelfde fout als zijn pa door het rijk weer eens te verdelen onder zijn vier zonen. Vlaanderen komt nu in handen van Chilperik en zijn twee zonen Lotharius en Theodoricus.

 

Tussen de zonen van de overleden Chlotarius ontstaat er onmiddellijk ambras.'Den oorlog was oorzaak dat vele edele en vermogende lieden de vlucht namen met hunne goederen en zich gingen nederzetten in vreemde landen. Onder dit getal was zekeren heer van 't kasteel te Dijon in opper-Bourgondiën, genoemd Saluwaart.

 

Hij meende met zijne vrouwe Ermegarde van Roussilon naar Groot-Brittanien te trekken, maar komende in het land van Buck, nu Vlaanderen, en te vooren ook het woud zonder genade genoemd, vonden zij daar den voornoemden Finardus, zoon van Finibertus, de broeder van Raganarius, die een vroome man was, en groot van gestalte, zoo dat hij eenen reus genoemd wierd.'

 

'Deze geweldenaar beroofde Saluwaart van zijn schatten en sloeg hem vervolgens dood. Vrouw Ermegarde vluchtte met een knecht, zeer diep in het woud, alwaar zij een hutteken vond, in het welk een eremiet (kluizenaar) woonde, Liederik geheten.' Het verhaal loopt verder, ik vind het opportuun om Vaernewyck verder te laten vertellen: 'van grote angst en vrees, wierd zij daar moeder en baarde een zoontje, het welk den eremiet veertien dagen na zijn geboorte doopte, noemende het zelve volgens zijne naam: Liederik.'

 

'Het gebeurde enige tijd daarna dat de voormelde Finardus, vrouw Ermegard met haar dienstmaagd in hetzelve bos vindende, hun allebei naar zijn kasteel van Lisle le Buck voerde, hetwelk nu de kerk van den H. Mauritius is te Rijsel is.' Enkele honderden meter verwijderd van het station Lille-Flandres, maar daar is in de zesde eeuw uiteraard nog geen sprake van. Hoe dan ook worden beide vrouwen vastgehouden en ziet de kluizenaar zich wel genoodzaakt om de kleine met zijn naam in leven te houden.

 

Zo kom ik terug binnenvallen in de oude kroniek van het kind Liederik. De kleine wordt op zijn zeven jaar per toeval opgepikt door dienaren van de koning van Engeland, raakt verliefd op de royale dochter, maakt haar zwanger, vliegt er buiten en keert noodgedwongen terug naar zijn land van Buck waar de oude eremiet hem op de hoogte brengt waar zijn moeder zich bevindt. Het komt tot een afrekening met de reus en 'aldus verloste hij zijne moeder en wierd meester van het kasteel en alle de goederen die erin waren, de welke de tiran met roven en moorden verkregen had.'

 

'De inwoonders van het land van Buck dit vernemende, kwamen in groote menigte tot Liederik, verblijd wezende dat zij van dien wrede dwingeland ontslagen waren en boden hem vele kostelijke geschenken aan, hem biddende dat hij beliefde hun beschermheer te wezen tegen de rovers en moordenaren waar alle de wildernissen en boschagien in dit land van krioelden. Dit doende, beloofden zij hem jaarlijks den achtsten penning van al hun goederen te belaten die zij waren gewoon aan Finardus de vierde te geven, en de rovers het derde van de buit die zij maakten. Liederik nam de zaak aan: hij beloofde het woud te zuiveren volgens zijn vermogen en de kwaaddoeners te straffen naar evenredigheid van hun misdaden.'

 

Liederik zal trouwen en veel kindjes krijgen. De aanleiding van zijn huwelijk is een gebeurtenis die zich in het jaar 616 afspeelt, in de tijd van keizer Heraclius en de Franse koning Lotharius, de zoon van Chilperik. Het tijdskader klopt in elk geval en vreemd genoeg wordt de familie van Lotharius bij het spel betrokken.

 

Idonea, de dochter van Chilperik wordt ontvoerd en belandt na heel wat omzwervingen in de bossen van Buck ergens tussen Doornik en Lislebuck waar ze Liederik tegen het lijf loopt. 'Hij nam deze prinsesse voor zijne vrouw en won bij haar op den tijd van twaalf jaren in elf drachten vijftien zonen en drie dochters.'

 

Ik geloof geen snars van dat wilde verhaal. Idonea komt niet voor op het lijstje van kinderen bij Chilperik en moest ze al bestaan hebben, dan zou ze Liederik pas ten vroegste hebben kunnen ontmoeten op haar 32ste want haar vader overleed al in 584. En dan moest ze nog beginnen aan het produceren van 18 kinderen? Er is hier duidelijk iemand aan het werk geweest die Liederik te allen prijze wilde linken aan het Franse hof om zo de autoriteit van de Vlaamse woudmeester en zijn nageslacht op te smukken tot een soort van officiële status die wel prima zou kunnen passen in de lessen geschiedenis.

 

Ik kan de hele historie naar het rijk van de verzinselen verwijzen maar dat betekent niet dat Liederik niet zou bestaan hebben en dat hij niet die kinderen zou hebben gekregen en hen niet allemaal een stuk van Vlaanderen zou hebben toebedeeld. Maar het waren in elk geval geen kleinkinderen van deze of gene Franse vorst. Ik laat hier beter nog even schrijver Vaernewyck aan het woord: 'Liederik dede verscheidene bossen weren en van de zelve land te maken. Hij bouwde de steden van Arien en Rijsel en stichtte te Brugge de kapelle van O.L. Vrouw die nu de kerk van Sint-Donaas is.'

 

'Hij stichtte ook den Burg binnen Brugge en het kasteelken van der Loove. Te Gent deed hij de eerste spui maken, ter plaats waar de rode toren placht te staan. Hij had daar een paleis, het welk hij rondom in 't water kon doen stellen als het hem beliefde.' Ik vat de rest even samen: Liederik heerst over heel het gebied tussen de Oost- en de Noordzee en heerst er 55 jaar tot hij door Childerik, de 15de Franse koning verslagen wordt in Sommenoble, Amiens wel te verstaan.

 

Liederik sneuvelt in het jaar 676 als ik goed kan tellen. Wikipedia geeft aan dat zijn tegenstrever Childerik samen met zijn vrouw vermoord wordt in 675. Met wat goede wil kan ik de timing van de dood van Liederik terugbrengen naar datzelfde jaar en kan ik niet zomaar claimen dat hun onderlinge confrontatie niet heeft plaatsgevonden.

 

Zijn zoon Antonius begraaft Liederik in Arien en wordt gedurende 17 jaar de nieuwe bestuurder over Vlaanderen. 'In zijn tijd verwoestten de Hunnen, Vandalen, Goten en Alanen een groot deel van Frankrijk. Zij kwamen ook nederwaarts in Brabant en Vlaanderen, vermoordende al wat hun te voren kwam en van deze bloedhonden wierd Antonius, met zijne kinderen en enige van zijn broeders verslagen in het jaar 693.'

 

Door die oorlog blijft Vlaanderen voor ene periode van wel honderd jaar woest en onbewoond achter. Het bestuur vanuit Frankrijk is ondermaats tot dat Karel Martel en zijn zoon Pepijn daar verandering in aanbrengen.

 

Na de dood van Antonius wordt broer Burchard, prins van Leuven, zijn opvolger maar hij wordt onmiddellijk gekortwiekt door de koning van Frankrijk. Burchard mag al bij al content zijn dat hij voet aan de grond kan houden in het graafschap van Harelbeke. De situatie in het land is zonder meer schrijnend als ik de oude teksten mag geloven.

 

'Het was in deze Nederlanden alsdan voorwaar een deerlijk leven; want men hoorde dan niet anders als van brand, moord, armoede en duizend andere ellenden. Het land was een schuilplaats van rovers en moordenaars, van de welke de arme ingezetenen na de wrede en langdurige oorlogen die zijn uitgestaan hadden, nog zeer vervolgd en gekweld werden.'

 

Ondertussen breken de jaren 700 aan. Vaernewyck besluit om dan toch maar meer details te vertellen over het wedervaren van forestier Burchard en hofmeier Pepijn de Korte. De Vlaamse forestiers zijn geen gestampte boeren, geeft hij aan. Het zijn treffelijke vorsten met adellijke genen en onvervalst blauw bloed. Uit de adel ontsproten en door huwelijken 'vermaagschapt' zoals hij dat ook het geval is met de voornoemde Burchard.

 

Ja ja, de man is getrouwd met mevrouw Helwijde, de dochter van Walchisus de markgraaf van het hele Scheldegebied. Als bruidsschat werd trouwens het prinsdom van Leuven getransfereerd naar Vlaanderen. Helwijde is een telg uit het geslacht van Brabo, een figuur die ik al eerder gezien heb in deze episode. Ik probeer een heel ingewikkelde familiehistorie te ontwarren en 'to the point' te komen: Helwijde is een kleindochter van Clotarius, de gewezen koning van Frankrijk en Soissons.

 

Ook Pepijn van Herstal behoort tot de clan van Walchisus. Hij is de zoon van zijn broer Anchisus, de sterke man in de regio van Tongeren. Na een conflict met de koning van Frankrijk weet Pepijn zich op te werken tot hofmeier van diezelfde vorst en het is door zijn toedoen dat Burchard grote stukken van Vlaanderen ziet verloren gaan. Ik bespaar jullie alle verdere details.

 

Pepijn van Herstal zorgt voor een nageslacht die de nodige impact zal uitoefenen op onze streken. Zijn zoon Karel Martel en zijn kleinzoon Pepijn de Korte zullen pertinent aanwezig blijven in onze vaderlandse geschiedenis. Estoredus, de zoon van Burchard is de eerste die te maken krijgt met Karel Martel. Estoredus is weggevlucht uit de regio van Leuven en houdt zich op in Harelbeke dat door Vaernewyck ietwat potsierlijk genoemd wordt als een 'prinselijke stad'.

 

Karel Martel heeft het geschopt tot opperheer van Frankrijk en heeft tijdens zijn leven de bestaande dynastie aan de kant geschoven. Hij zal later algemeen beschouwd worden als de stamvader van de Karolingers die trouwens hun naam aan hem te danken krijgen. De Franse benaming van 'hamer' verwijst hier expliciet naar de grote slagkracht van Karel Martel.

 

Martel herstelt Estoredus en zijn zoon Liederik in hun functie van forestiers over de gevaarlijke bossen van Vlaanderen. 'Omme het woud van Lisle le Buck te bewaren tegen de rovers en moordenaars, de zelve te doen straffen en het land aldus te zuiveren, op dat de goede en vreedzame mensen niet beschadigd zouden worden van de kwade en de onrechtvaardige.'

 

Estoredus kwijt zich van deze plicht en laat in het jaar 792 zijn gebieden over aan zijn zoon Liederik die zijn plaats inneemt als graaf van Harelbeke. Tegen die tijd is Constantinus keizer van Rome en is Karel de Grote koning geworden van Frankrijk. Voor alle duidelijkheid: Karel de Grote is de zoon van Karel Martel. Mijn schrijver komt weer eens aandraven met tot nog toe onbekende wetenswaardigheden. Liederik is getrouwd met de Germaanse vorstin Flandrina en er zijn enkele kroniekschrijvers die pretenderen dat het Karel de Grote zelf is geweest die het gebied van Liederik vermoemd heeft naar de naam van echtgenote Flandrina.

 

De volgende passage laat ik met de nodige goesting op jullie los: 'Na vele getrouwe diensten die Liederik aan deze vorst bewezen had, gaf hij hem geheel het land van Vlaanderen, tot aan de zeekant toe, met alle de goederen die zijn vader bezeten had, en maakte hem, in de tegenwoordigheid van zijne edellieden, graaf van Vlaanderen, op de 17de januari van het jaar 796.'

 

Liederik van Harelbeke schopt het dus tot graaf van Vlaanderen. Het land is zo goed als ontvolkt. Hij werkt actief mee aan de immigratie van Saksen van de overkant van de Rijn. Ze krijgen allemaal de percelen land die ze wensen. Ze brengen natuurlijk ook hun moedertaal mee, onze oude Vlaamse taal komt van die Saksische pioniers. Niet moeilijk dus dat onze taal zo sterk lijkt op het Duits. Schrijver Marcus weet in de 16de eeuw nog niets van het bestaan af van het Duits als eenheidstaal. Voor hem is er sprake van het overlands of het Hoog-Duits. Terwijl het antieke Vlaams door hem bestempeld wordt als het Neder-Duits of het Nederlands.

 

Liederik wordt volop ondersteund door Karel de Grote. Dank zij de nodige vrijheden en voorrechten geraakt het land er wat bovenop. De problemen met crapuul allerhande raken echter niet van de baan en die ellende is voelbaar tot in zijn kasteel te Harelbeke, de plek waar hij opgevoed werd. Ik zou wel eens een vlieg willen zijn en dat kasteel eens willen zien, binnenin en van buiten af, want ik kan me amper inbeelden hoe dit bouwwerk er moet hebben uitgezien in de 9de eeuw. Een bruut bouwwerk, een stapel stenen zonder franjes en zonder luxe.

 

Nu enfin, het gebouw staat langs de Leie. Bandiames, de zoon van Liederik de Oude heeft het kasteel al flink uitgebreid en voorzien van de wapens van zijn voorouders Saluwaert, Ermegarde van Roussilon en van Idonea. De thuis van graaf Liederik wordt in deze tijd zwaar geteisterd. 'Hij leed grote overlast en aanstoot van de kwaaddoenders die daar omtrent de bossen zo verworteld waren dat zij nauwelijks uitgeroeid konden worden. Sommigen deden het volk groot geweld aan en legden dikwijls lagen om Liederiks kasteel te overmeesteren en hem te vermoorden.

 

Ik krijg weer ongehoorde details op mijn bord. Ik mag hierbij niet uit het oog verliezen dat ik de jaren 800 beleef en dat de precisie van Vaernewyck meer is dan het opsommen van een reeks namen, maar ook de wetenschap met zich meesleurt dat een reeks plaatsnamen toen al effectief hebben bestaan. Ik verschans me samen met Liederik in die geniale aantekeningen van mijn schrijver:

 

'De voornaamste onder deze booswichten waren Mylon van Lauwe, Jacob van Lauwe, van Steenvoorde en le Hardy met zijn drie bastaarden van de welke ieder een sterke toren had waar hij zich ophield en verdedigde. De andere waren; Hugo van Langemark, Landen van Elverdinge, Testaard van Boezinge, Bouchard en Landriet. Al deze waren wrede moordenaars en samen zo machtig dat Liederik hen niet kon bedwingen.'

 

Zo vermoorden die mannen onder andere de bisschop van Parijs die in opdracht van Karel de Grote naar Vlaanderen gestuurd was om na te gaan of de wilde Vlamingen nu eigenlijk al bekeerd zijn, hun zondag houden en zich als christenen gedragen. De doodslag gebeurt aan de brug van Pontawendin. Met wat speurwerk arriveer ik bij Pont à Wendin, de brug bij Wendin. De slijtage van de tijd brengt me bij Pont-à-Vendin, een gemeente in de buurt van Lens die ooit luisterde naar de naam Wendenbrugge.

 

Een van de moordenaars wordt herkend als zijnde Erby vanden Landen. Het dode lichaam van de bisschop wordt dan maar naar Doornik gevoerd en er begraven in de kerk van O.L. Vrouw. Hij zal hier zelf tot in de eeuwigheid zijn zondag kunnen houden. Wanneer Karel de Grote op de hoogte gebracht wordt van de aanslag op zijn bisschop laat hij Liederik onmiddellijk afkomen naar Parijs. 'Wat is dat toch allemaal daar bij jullie', zoiets zal de zonder twijfel geïrriteerde vraag wel geklonken hebben. De graaf van Vlaanderen zal het schoorvoetend hebben toegegeven aan zijn opperheer. Het is de voorbode van een eerste Franse militaire interventie in Vlaanderen.

 

'Hij bleef enige tijd aan het hof waar Karel hem last gaf om alle rovers en moordenaars naarstig op te zoeken en de zelfden naar verdienste te straffen. Hij gaf hem voorders een bende soldaten die hem zouden helpen bij het uitvoeren van dit bevel en die hun loon zouden ontvangen in Doornik, hen uitdrukkelijk gebiedende dat zij al de moordkuilen en schuilhoeken van de booswichten zouden verdelgen en te niet zouden doen. Eindelijk maakte de koning Liederik en zijn nakomelingen geweldige vorsten en heren in Vlaanderen!'

 

Liederik kwijt zich prima van zijn taak. Het kost de nodige tijd en energie maar hier en daar krijgt hij een van die misdadigers in handen. Ze worden streng gestraft en ook de mensen die met de bandieten hebben meegezeuld, ondergaan een passende vergelding: 'daer wierden eene grote menigte van zijn volk geslagen en hun roofhuizen en kastelen verdelgd en afgebroken, zo dat ze eindelijk 't eenemaal uitgeroeid zijnde Vlaanderen in rust was.

 

De rauwe, barbaarse en heidense mentaliteit moet er uit om een herhaling te voorkomen en er bestaat geen betere remedie dan het christendom. Van dit feit is Karel de Grote overtuigd. Hij stuurt enkele predikanten en leraars naar de lage landen aan de zee om hier de katholieke godsdienst te komen onderwijzen. De schrijver belooft om daar op een later tijdstip meer over te vertellen en houdt het momenteel bij Liederik en zijn opvolgers.

 

Tijdens het leven van deze forestier wordt de Sint-Salvatorskerk te Harelbeke gebouwd. Liederik regeert 44 jaar. Hij overleeft Karel de Grote en maakt ook kennis met zijn opvolger Lodewijk den Goedertieren.

 

Vreemd genoeg rekent de geschiedenis af met deze prachtige Vlaamse bijnaam en houdt bijvoorbeeld Wikipedia het op 'Lodewijk de Vrome'. Zijn opvolger Lodewijk de Kale volgt zijn vader op in 840 en wordt in mijn boek omschrijven als de 'kaalhoofdige'.

 

Het is de tijd van Ingelram, de zoon van Liederik, die Vlaanderen onder zijn hoede krijgt vanaf 836. 'Hij bouwde verscheidene steden en dorpen omtrent rivieren en beken, daar winnende land dat er gelegen was, en dede zelve ten zijnen behoeve zeer veel goed land winnen.' Zijn zoon Andacher (Andrack) laat iedereen in Vlaanderen vrij om de bossen te kappen die hij wenst, om er bezaaibaar land van te maken en die landbouwgrond nadien ook te bezitten en uit te baten. Deze maatregel lokt nogal wat vreemdelingen en vluchtelingen naar hier die 'het land vruchtbaar maakten en zeer rijk wierden'.

 

De inwoners en hun landerijen worden door de graaf beschermd tegen rovers en moordenaars. Torhout, Kortrijk, Cassel worden heropgebouwd. Net zoals de burcht van Oudenaarde. Gent krijg nieuwe stadsmuren. Andacher overlijdt in het jaar 863 en wordt begraven nabij zijn vader Ingelram. 'Tot Harelbeke, in den pand van de Canesie, die de gemelde Ingelram gesticht heeft, nog oude grafstede van hard blauw steen, dat nochtans zeer versleten is, waar op uitgehouwen zijn gewapende figuren van prinsen, zo verheven met hunne grote schilden dat zij bijnaar het gehele lichaam schijnen te bedekken.'

 

Na Andacher komt Boudewijn met de bijnaam 'den Yseren'. Ook Vaernewyck heeft niet door dat het eigenlijk 'Boudewijn van den Yseren' zou moeten zijn en dat zijn bijnaam verwijst naar zijn geboorteplaats aan de Ijzer in de buurt van Nieuwpoort.

 

Wat een goede en deugdelijke vorst moet de man geweest zijn tijdens zijn leven, mijmert hij. Een voorvechter van God, actief bij de eerste kruistochten om oorlog te voeren tegen de ongelovige Saracenen. Rechterhand van Lodewijk de Kaalhoofdige. En in het voetspoor van vader Boudewijn den Ijzeren volgt Boudewijn van Rijsel en daarna belandt diens jongste zoon Robrecht de Vrieslander (de Fries) op de figuurlijke troon als 12de graaf van Vlaanderen.

 

Ik krijg voldoende details en geuren en kleuren over de dood van 160.000 ongelovige 'Mahometaenen' en over de rol van 'Godefridus van Bouillon' om in een ruk te belanden bij de 13de graaf Diederik van de Elzas die 120.000 Saracenen verslaat en zo gaat zijn epistel verder. Het gaat me wat te snel, de opeenvolging en de flash-backs van de reeks graven en hun krijgsprestaties zijn nu niet precies wat ik zoek in mijn eigen kronieken.

 

Ik blader, meer verveeld dan wat anders, doorheen tientallen bladzijden tot ik plots halt houd bij kapittel nummer 34 met als kop 'Vlaenderen in oude tyden ontrent de Zee'. Van enige wetenschappelijkheid is mijn schrijver op het eerste zicht verspeend gebleven. Zijn openingszinnen zijn op een bepaalde manier best grappig: 'Vlaanderen was in voorgaande tijden geheel anders van gelegentheid en palen als dat op heden is. Enigen willen dat Engeland aan deze provincie placht vast te zijn maar dat het daar over lang afgesneden is door de onstuimige zee.

 

Dat Zeeland en Vlaanderen als vast land aan malkanderen gehouden hebben, is genoeg bekend, want het is nauwelijks zeven honderd jaar geleden. Deze twee landschappen waren alsdan te samen gevoegd en bemuurd met duinen of gebergten, daar van God gestelt sinds het begin van der wereld, of immers ten tijde van de algemene watervloed tot beschutting van het land.'

 

De Noordzee zorgt enkele honderden jaren lang voor een totaal ander landschap aan de westkant van Vlaanderen. De veranderingen in Sluis, het ontstaan van Oostende-Wulpen, het verdwijnen van plekken met ronkende namen als Wulpen, Ronkendorp, Coezant. Tussen Sint-Anna ter Muiden en Sluis is het Zwin ontstaan uit een oude zee-arm die een hoofdrol placht te spelen in vroegere tijden.

 

Ook in latere tijden moet Vlaanderen rekening blijven houden met de wispelturigheid van de zee. Tussen 1316 en 1566 is er ook sprake van herhaalde overstromingen. Vaernewyck blikt terug op de overstroming van het jaar 1316 waarbij de streek van de Vier Ambachten (de landen in het noorden van Brugge en Gent) de volle laag krijgt en 'door de welke menigvuldige mensen en beesten ten onder gingen'. In de tijd van graaf Robrecht van Nevers.

 

Vlaanderen heeft eerder ook al prijs gehad. Ten tijde van Filips van de Elzas, rond 1180, breken de dijken op verscheidene plaatsen door in Damme en loopt heel de stad onder water. De bevolking zit met de handen in het haar want de inwoners krijgen de bressen in hun dammen van geen kanten gedicht. Het water is niet ter stoppen. Tot huisraad toe, banken, tafels, vensters, zerken, wagens en vaten vol aarde brengen geen soelaas.

 

Het is uiteindelijk graaf Florus van Holland die hulp biedt. Een vreemd geval dat wel. De man zit gevangen en biedt een deal aan om vrij te komen: als zijn dijkmeesters er in slagen om Damme droog te krijgen, wil hij in vrijheid gesteld worden. Graaf Filips stemt toe, 1000 dijkmeesters komen 'derrewaerds'. Wat nu volgt is het door mij eerder vertelde verhaal van de hond. Nehallennia, de godin van het zout en de zee was in vroegere tijden altijd afgebeeld in het gezelschap van een hond en toeval of niet zal het een hond zijn die het water zal stoppen. De Westerschelde staat trouwens op oude kaarten nog altijd omschreven als 'De Hont'.

 

'Aldaar had op een klein heuvelke eenen hond vijf of zes dagen liggen huilen, mits hij niet weg konde geraken ter oorzaak van het water dat hem omringde. De dijkmeesters vaarden daar met eenen boot naar toe, en de hond in de opening geworpen hebbende, wierpen zij terstond aarde van dit heuvelken op hem, waar door de gemelde opening gestopt werd. Vervolgens bouwde men daar enige huizen en men noemde deze plaats Hondsdam.'

 

In 1377 volgt er een nieuw wateroffensief waarbij de hele streek in het noorden blank komt te staan. Geweldige watervloeden in 1383 en 1404 verwoesten de dammen ter hoogte van Sluis. Drie jaar later is Brugge de pineut. 'In het jaar 1407 was er te Brugge eene grote overstroming die elf dagen bleef aanhouden. Het water stond rondom de stad gelijk een volle zee zo dat de Bruggelingen genoodzaakt waren op hunne zolders te vluchten. Vlaanderen bestond in de vroegere dagen uit drie delen, vertelt Vaernewyck. Een deel dat vroeger toebehoorde aan Frankrijk, het graafschap Vlaanderen dus, een deel als onderdeel van het Roomse keizerrijk (de heerlijkheid van Vlaanderen, waar de graaf als opperheer de scepter zwaait) en tot slot alles wat van oudsher Vlaanderen is gebleven.

 

Het graafschap en de heerlijkheid van Vlaanderen worden gescheiden door de Schelde. De overkant van de rivier behoort toe aan het Rooms keizerrijk, zeg maar Duitsland. Alles aan de westkant van de Schelde staat onder controle van Frankrijk, met uitzondering van de Vier Ambachten en het Land van Waas die vrij zijn van onderhorigheid.

 

Het is een boeiende geschiedenisles, 500 jaar geleden uitgelegd door een illustere leraar. Het Franse stuk van Vlaanderen bevat twee grote delen. Het grondgebied tussen de Leie en de Schelde, zeg maar 'van Menen opwaarts', wordt 'Flandres Gallicant of Waals Vlaanderen' genoemd. Van Menen 'nederwaarts' wordt de streek omschreven als 'Flandres Flamingant of Vlaams Vlaanderen'. De Leie en Menen vormen heel duidelijk de grens tussen Vlaams en Frans. Het Vlaams gedeelte bestaat uit drie delen: de kasselrijen van Gent, Brugge en Ieper, niet toevallig de grootste steden van de sector. Hier spreken de mensen Vlaams. In Waals Vlaanderen figureren de steden en de kasselrijen van Rijsel, Douay en Orchies waar uiteraard Waals wordt gesproken.

 

De heerlijkheid Vlaanderen aan de oostzijde van de Schelde bevindt zich dus onder de invloed van het keizerrijk Duitsland. Het graafschap van Aalst 'met zijne onderhorige plaatsen'. Het vrij en zelfstandig Vlaanderen beperkt zich tot de stad Geraardsbergen, de Vier Ambachten, het Land van Waas en Bornem.

 

De les is nog niet afgelopen. Vlaams-Vlaanderen bevat twaalf prinselijke leenhoven. Het land van de graaf (en hij krijgt het zelf in leen van Frankrijk) is dus ingedeeld in bestuurlijke gebieden waar de respectieve leenheren en hun achterban van leenmannen hun wetten laten gelden over de bewoners in hun pachtgebieden. Ik som ze even op: 'de Audenburg te Gent, de burcht te Brugge, de Zaele van Ieper, het kasteel van Kortrijk, het hof van Tielt, het huis van Deinze, het kasteel van Petegem, de stenen muren tot Oudenaarde, de burcht van Veurne, het hof te Wassel, het hof van Bergen en het hof van Belle.'

 

Gent moet zowat de oudste kern zijn van Vlaanderen vermoedt de schrijver. Hij focust zich op de ontstaansgeschiedenis van de stad, histories die ik aanvankelijk links laat liggen wegens niet relevant. Maar als ik in het jaar 608 arriveer, verander ik van mening. Een pak zaken uit het verleden hier hebben ook hun belang gehad voor mijn Westhoek die vanaf dat moment regelmatig en uitdrukkelijk in beeld komt. Ik stap dus in het bewust kapittel met de naam 'Van sommige oudheden rakende de abdijen van St. Bavo en St. Pieter te Gent, en andere dingen'.

 

'In het jaar ons Heren 608 predikte den heiligen Amandus aldereerst het Christen geloof in het kasteel Ganda. Hij vernietigde het beeld van Mercurius en zijn tempel, en stichtte daar een kerk. Van dit beeld, hetwelk van zilver was, wierd een kruis gegoten ter hoogte van een man, het welk ik gezien heb in St. Baafs Kerk.'

 

Drie jaar later wordt de mooie kerk van Amandus door een bende ongelovigen verwoest. Ondertussen hebben andere heiligen al een nieuw gezegend bouwwerk laten optrekken op de berg Blandinus. De kerk op de Blandijnberg komt er dank zij de steun van Dagobertus, de koning van Frankrijk, Aicharius de bisschop van Noyon, aarts-priester Lando en zijn diaken Amantius. Ze wordt opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus, de kompanen van Jezus zes eeuwen tevoren.

 

De bouw van het Sint-Pietersklooster wordt door andere schrijvers toegeschreven aan graaf Boudewijn de Kale die hier begraven ligt in de kapel. Gesticht in het jaar 885 en ook zijn vrouw Elftrudis, de dochter van de koning van Engeland ligt hier te rusten. Vermoedelijk zal de kaalhoofdige graaf het klooster gesponsord hebben waardoor er kon gedacht worden aan uitbreidingswerken. Amandus, Dagobertus en Aicharius zorgen er in 613 voor dat de Sint-Baafskerk weer opengesteld wordt. In zijn tijd zorgt Dagobertus trouwens ook voor de constructie van de befaamde Sint-Denijskerk in Parijs.

 

Het kerkelijk nieuws wordt helemaal naar de achtergrond verdrongen in het jaar 833 wanneer 18 oorlogsschepen aanmeren in Vlaanderen. Ze komen van Noorwegen en zitten propvol met 'Noordmannen' die hier ook als 'Noriten' benoemd worden. Noren dus. Na vier jaar worden ze uit het land verjaagd. Ze richten hun focus nu op Antwerpen en op Gallië. De mensen beleven barre tijden, de ene plaag volgt de andere op. Leven op het einde van de 9de eeuw moet toch maar een triestig beestje zijn, vermoed ik.

 

Anno 840, (of is het in 824?), korte tijd voor Sint-Jansmisse, valt er pardoen een stuk ijs uit de lucht. 6 voeten breed, 16 lang en 2 dik, zowat 5 meter op 2 met een dikte van 60 cm. Een restant van een vliegtuig zal het wel niet geweest zijn. In het jaar 841 vallen er in de buurt van Terwaan grote gloeiende kolen uit de lucht. Het fenomeen gaat gepaard met verschrikkelijke windstoten en zorgt er voor dat nogal wat huizen en kerken in lichterlaaie komen te staan.

 

De Noormannen en de Denen zorgen tussen 842 en 851 voor een vreselijke ravage in onze contreien. De Noorse terreur rolt door Vlaanderen. Jaren van diepe miserie moeten het zijn. 'In het jaar 851 verdierven zij verscheidene gewesten, bezonderlijk Vriesland en Holland, alwaar zij dood sloegen al dat hun tegemoet kwam. Vervolgens kwamen zij te Gent en verbrandden het Sint-Baafsklooster met het daar nevens staande kasteel, door Julius Cesar gesticht of hermaakt. De abt en de monniken, ziende dat deze volkeren het land hoe langer hoe meer plaagden, durfden zich te St.-Omer niet langer te betrouwen en begaven zich met hun relikwieën naar de koninklijke berg van Laudunen, in 853'.

 

Er wordt pas een kentering merkbaar in de jaren 900. Onze graaf Arnold of Arnout moet ook maar een bedenkelijke rol gespeeld hebben, zo te lezen. Hij krijgt in 937 een vermaning van Transmarius de bisschop van Noyon. Het moet nu wel eens gedaan zijn met dat 'rauwe leven'. De man bekeert zich en schenkt de kostbaarheden terug die hij ontnomen heeft van de Sint-Baafsabdij. Hij stelt daarbij een nieuwe abt in functie; Gerardus zorgt er voor dat de monniken terugkeren en zich opnieuw storten in een leven van contemplatie precies zoals de heilige Amandus dat zou hebben gewenst.

 

Ik krijg vele tientallen bladzijden kronieken over de oude stad van Gent te lezen. Allemaal best interessant, vele zaken zijn beter met een flinke korrel zout te nemen, maar wat kan mij dat een zorg zijn? De voorgeschiedenis van Brugge interesseert me pas echt. De kop van kapittel 49, 'van de prinselijke stad Brugge, wat van de zelve geweest heeft en nog is' zorgt er voor dat mijn voelsprieten plots weer geprikkeld worden.

 

Vaernewyck begint met zich ietwat te verontschuldigen dat hij alles weet over Gent en dat zijn kennis over de andere steden niet zo best is. De oude naam van Brugge is 'Phanum Mercurii' wat zoveel betekent als de tempel van Mercurius of Mercurius-stad. Onze voorouders waren zo erg verdronken in de afgoderij dat ze zelfs hun eigen steden hun naam schonken. Brugge was in zijn begindagen een sterkte of een kasteel in functie voor de koningen van Belgis. Hier werd dus ook een tempel gebouwd, opgedragen aan de afgod Mercurius. Maar het bouwwerk werd met de grond gelijk gemaakt door de Romeinen om dan achteraf weer opgebouwd te worden.

 

Het nieuwe kasteel groeit aan tot een grote stad en dat is vooral te wijten aan de ondergang van de steden Rodenburg en Aardenburg, die twee treffelijke koopsteden waren in de tijd dat Brugge nog maar een kasteel was. De nieuwe stad wordt trouwens 'Brugge' genoemd omdat er zich hier in deze waterrijke streek nogal wat bruggen, pontons en oversteekplaatsen bevinden om van Rodenburg naar Aardenburg te trekken. Het kasteel ligt trouwens precies in het midden tussen de centra van beide steden.

 

'Boudewijn den Ijzeren', de graaf van Vlaanderen, vereert het jonge Brugge met het lichaam van 'de heilige belijder' Donaas, de aartsbisschop van Riemen (Reims), nadat het lijk hem werd geschonken door de Franse koning Karel. Boudewijn geeft opdracht om de kapel af te breken, het gebouwtje dat ooit nog werd opgetrokken door Liederik de Buck. Op dezelfde plek komt een treffelijke kerk met dito koor. Het geheel draagt de naam van Donaas. 'Hij wilde dat het lichaam van de voornoemde heilige daar zou berusten en stelde monniken aan. Hij liet daar ook bouwen het Steen, of de gevangenis en het oude schepenhuis, het welk in de tijd van de graaf Lodewijk van Male, in 1377, afgebroken en herbouwd werd gelijk het op heden nog kan gezien worden.'

 

'In 1485 begon de bloeiende stad Brugge af te vallen, en Antwerpen op te komen'. Het verval komt er door de reeks grote oorlogen die Vlaanderen teisteren. De handelaars hebben hun buik vol van steden die onder elkaar ruzie maken. Ze willen niets te maken hebben met die onderlinge twisten. Die van Brugge hebben het allemaal aan zichzelf te danken. Het zijn de Bruggelingen zelf die van Antwerpen een koopstad hebben gemaakt.

 

Ze lieten immers eigenhandig enkele vrijhuizen bouwen op de Antwerpse markt met de idee om er filialen te creëren. Kijk maar naar het Sint-Joris- en het Sint-Nikolaaspand. Deze huizen zullen later door graaf Maximiliaan verbeurd verklaard worden nadat Brugge het aangedurfd heeft om tegen hem op te staan.

 

Marcus van Vaernewyck spendeert ook aandacht aan Ieper en aan sommige andere steden in Vlaanderen. Ieper is de derde 'lidmatige' hoofdstad van Vlaanderen. Gesproten uit een kasteel dat ooit door die van Belgis gebouwd werd en op een later tijdstip wordt 'vergroot, verbeterd en besloten' door graaf Andacher.

 

De bodem van de stad zit vol met loden buizen die de inwoners van drinkwater voorzien, de lakenhalle aan de markt is zulk een overgroot gebouw dat men nergens zijn weerga ziet. Buiten de stad, aan de vestingen, staan twee schone kerken met torens die tot boven toe van steen zijn. 'Tot Ieper en door de ganse westkant van Vlaanderen vindt men goeden leeftocht, schrander en vriendelijk volk, alom een vruchtbaar land bezittende, welke land de mensen niet alleen voedt met zijn voortbrengsels, maar ook hunne ogen vermaakt door zijn lieflijkheid.'

 

De loftrompet kijkt niet op een deuntje min of meer. 'Men vindt er ook vele zo treffelijke dorpen, dat er aan de zelve, om steden te zijn, niets anders ontbreekt als poorten en vesten. De inwoners van West-Vlaanderen zijn grote liefhebbers van de zang- en redekunst.'

 

In datzelfde land ligt Cassel, ook al een sterkte die ooit gebouwd werd door de oude Belgen. Een berg waar een kasteel op gebouwd werd. Kasteel op de berg, nee, de oorsprong van de naam Casselberg is inderdaad niet ver te zoeken. Rijsel wordt in de 16de eeuw omschreven als 'klein Antwerpen'. Ongelooflijk toch dat deze stad zo sterk is. Grote rivieren bezit ze niet, maar de koophandel is er vooruitstrevend en rijk. Rijsel is omringd door diepe wallen, schoon van huizen en straten en sterk bevolkt. De aanwezigheid van de rekenkamer van het huis van Bourgondië legt haar zeker geen windeieren.

 

Douay is een Waalse stad zoals Rijsel, wonderlijk sterk gebouwd oom zich te beschermen tegen de Fransen. De rode stad wordt ze genoemd. De handelaars van Douay specialiseren zich in koren dat gecultiveerd wordt in de hele omliggende regio. 'Veurne en Diksmuide zijn overvloedig in zuivel, andere bestaan op de koophandel in zeevis en zo voort.'

 

'Grevelingen is in onze tijd een sterke plaats gemaakt, op welkers bolwerken de wapenen der vier Leden van Vlaanderen gesteld zijn, om dat het zelve land dit werk bekostigd heeft. Men meent deze stad gesticht te wezen in het jaar 1161, door Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Het was eerst Sint-Millens Prochie, daar na is zij Nieuwpoort geheten en vervolgens Grevelingen, welke naam zij tot heden behouden heeft.'

 

Geen kronieken zonder mirakels en fantastische gebeurtenissen. Jullie mogen niet verwonderd zijn dat ik direct pauzeer bij hoofdstuk 56 met de intrigerende titel: 'Van verscheidene wondere dingen in deze Nederlanden geschied sedert het jaar Ons Heeren 380 tot 1164, waar in ook verhaald wordt sommige verwoestingen veroorzaakt door de brand.'

 

Vaernewyck opent met het wonderlijke voorval dat zich afspeelt in Atrecht in het jaar 380. Arras dus waar het hemelbrood uit de lucht moet zijn gevallen. En wat te zeggen van de maagd in de stad Cormeroy die er in slaagt om 3 jaar zonder eten en drinken in leven te blijven nadat zij het heilig Sacrament had toegediend gekregen. Straf spul moet die wondere olie wel geweest zijn. De feiten doen zich voort rond 824 en in 956, om precies te zijn op een vrijdag in de meimaand regent het op vele plaatsen bloed.

 

Het steekt niet op een wonder. In het jaar 959 krijgen nogal wat mensen bloedige kruisen over zich heen. Het lijkt er op alsof ze met de pest bestrooid worden. In 1061 wordt er aan de grenzen met Normandië een vreemdsoortig monster geboren. Een dubbele vrouw met twee hoofden en vier armen, 'maar alle de andere leden van den navel nederwaarts enkel. Dit wanschepsel lachte, weende, at en dronk met beide de hoofden, maar alles ging door de zelfde weg in één buik.'

 

Moet ik het Siamees fenomeen nu in mijn eigen taal beschrijven? Of laat ik de eer aan de oude schrijver? Ik besluit om nog even af te ronden in zijn taal: 'D'eene helft van dit lichaam leefde nog drie dagen na dat d'andere dood was, maar moest eindelijk ook sterven, zowel door de last als door de stank. Enigen zeiden dat dit monster Engeland en Normandië betekende, die binnen drie jaren zouden verenigd worden onder één kroon, gelijk het gebeurde.'

 

Ik sla enkele mirakels over. Maar de gebeurtenis van 1097 aan het paleis van de Duitse keizer Hendrik IV doet mijn nekharen recht komen. Een ridder die doodgebeten wordt door een leger van muizen. 'Niemand konde hem van deze dieren bevrijden, want waar hij ook ging, 't zij in het water of elders, zij vervolgden hem alom en verlieten hem niet voor dat hij dood was.

 

'Het zou geen groot wonder schijnen, indien gegrond waar het geen sommige geleerden schrijven, te weten dat iemand die van een luipaard gebeten is, overal zal vervolgd worden door de muizen.'

 

'In het jaar 1109 wierp een zeug in het land van Luik een big met een menselijk aangezicht, en een hinne broedde een vierpotig kieken uit'. De vreemdsoortige gevallen lopen de spuigaten uit. 'In het jaar 1129 wierd te Namen in een koe gevonden een kalf met twee hoofden, hebbende zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet. Het leefde maar eenen dag. Ook wierd daar gevonden een lam met twee hoofden.'

 

'In het jaar 1133 wierd in zeker dorp genoemd Hovele geboren een kind zonder benen, hebbende de gedaante van een vis. In 1135 wierd te Doornik geworpen een lam met twee hoofden en acht voeten en te Breine geboren een kind zonder hoofd, hebbende op elke schouder één oog.'

 

Te Leuven valt er in 1142 zeem uit de lucht. 'In het jaar 1147 op een zondag in november wierden aan de hemel gezien drie manen en in 't midden der zelve een kruis. In het jaar 1154 is te Gent geboren een kind met twee hoofden, vier armen en vier voeten. In 1160 kwam binnen de gemelde stad ter wereld een ander kind, hebbende drie hoofden en eenen beesten-steert in de hals.' 'In het jaar 1172, in augustus, wierd in de maan gezien een kruis, aan het welk een beeld hing, groen en geel van koleur, het hoofd zuid- en de voeten noordwaarts strekkende. Als dit beeld verging, men verloos eerst allengskens den rechter arm uit het gezicht, daarna het hoofd, vervolgens den linker arm en eindelijk het geheel lichaam.'

 

'In het jaar 1172, in de Advent, wierd binnen de prochie van Sint-Margareta omtrent Sint-Omaars een kind gebaard met twee hoofden, vier armen en vier handen, hebben van vooren de teel-leden van beide de geslachten, doch van achter maar eenen uitgang. Het leefde twee dagen.'

 

Deze menselijke misgeboorten noemen de mensen in deze vroege tijden monsters of wanschepsels. Misbaksels van de natuur, van veel respect voor het menselijk lijden dat er onder verscholen zit, is er weinig te merken. Het enige wat ze veroorzaken zijn grote morele bezwaren en twijfel in het christendom. Dat is nu eens iets waar de uitvinders van het geloof niet aan hebben gedacht: dubbele mensen, wat moet je daar nu in godsnaam mee doen? En voor één keer is deze de term 'godsnaam' wel erg goed gekozen.

 

De gedrochten zorgen voor grote bezwaren en twijfel bij de clerus. Hoe moeten die godverdomme nu gedoopt worden? Als één mens? Of zijn het er twee? En dat is dan een probleem, want twee keer dezelfde persoon dopen is zowaar in strijd met de basisprincipes van onze godsdienst. Er zijn mensen die beweren dat twee hoofden overeenkomen met twee zielen, maar anderen zeggen dat de zielen overeenkomen met het aantal harten. De laatste stelling schijnt het best gegrond, lees ik. Het hart is de wortel en de fontein van het leven. Niet het hoofd. Hoewel de zinnelijke, verstandelijke, spraak- en geheugenkrachten in het hoofd verscholen zitten en zich daar vertonen als werktuigen van de ziel.

 

Door de tijd getaande handschriften vertellen dat er in het jaar 1215 een explosieve brand ontstaat in Gent en in Brugge waarbij zowat de helft van beide steden plat verkoold wordt en waarbij een ontelbaar aantal inwoners mee in de vlammen verdwijnt. In Gent laten zeven mannen en een vrouw zich afzakken in een stenen waterput in een poging om aan het vuur te ontsnappen. Ze blijven er inderdaad in leven tot dat de brand geblust wordt. Achteraf wil een behulpzame vrouw de geredden één voor één via een emmer naar boven halen maar tijdens de operatie loopt het faliekant verkeerd. Er staan zo veel nieuwsgierigen rond de waterput dat de aarde rond de deze put scheurt en de toeschouwers met zich meesleurt en versmacht.

 

In het jaar 1227 wordt het overgrote deel van Brugge in de as gelegd en de nieuwe brand zorgt voor de dood van wel honderd mannen en nog een groter aantal vrouwelijke slachtoffers. In 1240 is het de beurt aan Ieper die het schamel lot van houten steden toebedeeld krijgt. Een derde van de stad wordt verwoest. Zo ook het klooster van Sint-Maarten. De schone steden van Vlaanderen krijgen zo elk hun deel van de miserie maar 'men heeft ze met de tijd zodanig hersteld dat zij zeer schoon en treffelijk geacht worden.'

 

Ik krijg nog verslagen van andere stadsbranden uit het verleden. 1120 in Gent en in Sint-Winoksbergen. In 1116 is Brugge al eens aan de beurt, bijna de hele stad gaat hier bijna ten onder. Een jaar later hetzelfde voor St.-Omer. Met de brandveiligheid is zowat alles mis. Hier loopt het trouwens in 1152 nogmaals verkeerd.

 

'In het jaar 1302 gebeurde een grote slag in Groeningen bij Kortrijk' vertelt Vaernewyck. De Guldensporenslag met een verslag ervan uit de 16de eeuw. Het kan niet op. 'Tussen de Vlamingen en de Fransen, alwaar de laatstgenoemden omtrent 18.000 strijdbare mannen verloren, waar veel vergulde sporen onder waren. Dit was in de tijd van Gui van Dampier, vijf-en-twintigsten grave van Vlaanderen.'

 

Ik krijg wat extra duiding. In 1302 leeft er in het klooster van Ter Doest een lekenbroeder. Willem van Renesse heet de man. Als hij verneemt dat de voornaamste en vroomste mannen van de streek van Brugge met zijn naamgenoot Jan van Renesse op weg zijn naar Kortrijk om te gaan vechten tegen de Fransen, besluit hij om ook zijn duit in het zakje te doen. Uit de stal van Ter Doest ontvreemdt hij twee merries waarvan hij één paard voor een mooi prijsje versjachtert en met dat geld 'een grote sterke staf en een zweerd koopt en met een weinig geld met d'andere reisde naar Kortrijk waar hij nog in tijds aankwam om de slag te helpen winnen.'

 

'Daar was niemand die de vijand zo een grote schade deed als die monnik, want men zegt dat hij alleen meer dan 600 edelmannen dood sloeg die van hun paarden gevallen waren. En ook boven de 40 ridders uit het zadel wierp en van het leven beroofde. Na het eindigen van de strijd keerde hij met drie schone paarden weer naar naar zijn klooster. Hier door toonde hij dat er wel degelijk een ridderlijk hart onder een monnikskap kan schuilen.'

 

Hoe kronieken toch hun eigen leven leiden! Gwijde van Dampierre zit tijdens de Guldensporenslag ergens ver weg vast in Frankrijk, maar de kroniekschrijvers fantaseren er maar op los. De graaf moet absoluut deel uitmaken van dit epos van onze geschiedenis en zo speelt hij dus ook zijn fictieve en heroïsche rol tijdens de veldslag. Ik lees gebiologeerd verder: 'in dien vooral gaven den grave Gui en d'heer Borluyt blijken van hun behendigheid en wijsheid, want zij hadden vele grote putten doen graven en de zelve met aarde en gras laten bedekken.

 

De Fransen vielen daar met menigte in, en versloegen deels malkanderen door de duisterheid van het weer. De Vlamingen waren zo veel min in getal als de Fransen, dat de grave Robert van Atrecht hun kleine hoop aanziende, hun allegader met het zwaard meende te verslaan: hij sprong diesvolgens van zijn paard en deed al de pezen van de bogen van zijn schutters afsnijden, maar de strijd viel geheel anders uit dan hij gemeende had.'

 

Tot zover het verslag van de legendarische confrontatie tussen de Vlamingen en de Fransen. Vaernewyck sprint in één ruk naar het jaar 1333. Naar het land van Schouwen in Zeeland waar een vrouw zo sterk is dat ze in elke hand gemakkelijk een vol vat Hamburgs bier kan dragen. Zij was zo groot van gestalte dat mannen van middelbare hoogte bij haar maar kinderen schenen. Ze was nochtans van kleine ouders voortgekomen.' Op goede vrijdag van 1404 preekt men de passie in de kerk van Duinkerke. Hoeveel van de mensen zouden er op dat moment eigenlijk met volle goesting aanwezig zijn? Tot plots al het volk naar buiten stormt om een walvis te gaan bekijken die op zee gevangen werd. Een enorm geval van wel 25 meter lengte voorzien van 27 ton levertraan.

 

Een jaar voordien had het ook al flink gestormd op de Noordzee. De sterke winden waren er vermoedelijk de oorzaak van dat acht walvissen in moeilijkheden komen en wat later, tijdens de 'Brixius-nacht', aanspoelen op het strand van Oostende. In dat jaar 1403 sneuvelen een aantal cruciale dijken in Holland en Friesland en wordt er op het Purmermeer een naakte vrouw uit het water gevist en naar Edam gebracht.

 

Eenmaal aan wal en aangekleed begint ze brood en zuivel te eten en ze leert met de tijd spinnen. Of de dame kan praten, doet er blijkbaar niet toe, want daar wordt in mijn oude geschriften met geen woord over gerept. Ze wordt overgebracht naar Haarlem waar ze nog jaren zal leven. 'Zij wierd op gewijde aarde begraven omdat zij het heilig hout van het kruis menigmaal met tekenen begroet had.'

 

Schrijver Vaernewyck kan er niet echt aan uit. 'Het was voorwaar een zeldzame en wonderbare zaak dat dit schepsel, naakt wezende, in de baren der zee kon gedijen, en zulks nog in een hevige storm.' Misschien is het zelf geen mens maar gewoon een vis, want, moest zij een mens geweest zijn, hoe zou ze het dan kunnen uithouden in de zee? Een vis dan? Die kan toch niet zoals een mens leren spinnen, stappen, eten, slapen en het kruis van Ons Heeren groeten?

 

'Het is veel eer te geloven dat zij de helft vrouw en de helft vis is geweest, of dat haar natuur, door de gewoonte van de zee, in die van een vis veranderde, want men heeft mensen gevonden die het water zo gewoon waren, dat zij zich daar in liever onthielden als op het land.'

 

In 1468 wordt Vlaanderen geteisterd door valse reeuwers die profiteren van de pest om overal mensen te vergiftigen en met hun eigendommen aan de haal gaan. Zo bijvoorbeeld een zekere Willem Matthys, een 'scheur-kapproen' van Diksmuide die op 11 augustus ter dood wordt veroordeeld wegens de moord op twee Ieperse maagden. De kous in Ieper is nog niet af want wat later wordt ook nog de heer Heyne opgepakt.

 

Heyne, 'geboortig van Herentals, met nog enige anderen die ook verscheidene mensen vergeven hadden. Zij wierden op een wagen opgevoerd, naakt wezende van de gordel opwaarts, op de vier hoeken der stad op hun bloot lichaam gestreken met gloeiende ijzers en voor de bezant wederkomende onthoofd.'

 

Ook in Wervik doen er zich gruwelijke feiten voor. Enkele mannen vinden er niets beter op dan een van de pest gestorven kindje tot moes te koken in een ketel met water en het sop te deponeren in de drinkputten, de fonteinen en de wijwatervaatjes van Wervik. De intentie is duidelijk en sinister: 'het volk met de pestbacillen te besmetten en te laten sterven.' In Brugge doen zich gelijkaardige feiten voor. Boze vrouwen houden zich ook al met dergelijke praktijken bezig. Een van hen wordt op 24 september van datzelfde jaar 1468 in het openbaar verbrand.

 

In januari van 1472 verschijnt een vreselijke komeet aan de hemel, een gevaarte dat zich wel in de slipstream van de maan lijkt te bewegen. Twee jaar later wordt er in Gent een meisje geboren met armen, benen en buik zo groot als die van een volwassen mens. En toch zijn de 'handekens en de voetjes niet groter als de gene van zulke kinderen gewoonelijk zijn.' Het onweer van 24 juni 1495 is er een om te onthouden. Een geweldige storm van donder en bliksem.

 

Om vijf uur in de vroege morgen wordt een Poperingse koopman aan de Sint-Jansbrug van Brugge door de wind opgepikt en voor hij het goed en wel zelf beseft, staat hij in Zeeland. 'Zonder te weten hoe hij daar geraakte en tot zich zelven gekomen zijnde, keerde hij weder naar huis, maar hij bleef altijd verdraaid van zinnen.'

 

Ik krijg een overdosis aan Indianenverhalen te verwerken. Een ongeboren kind dat 2 weken schreit vanuit de baarmoeder tot het uiteindelijk geboren wordt. 'Welke geschrei van verscheidene personen gehoord is.' In Tielt is er een persoon die in het jaar 1508 zelfmoord pleegt door in een gloeiende oven te kruipen. De kronieken vertellen geen snars over zijn beweegredenen.

 

Ik laat enkele buitenlandse wonderen links liggen. Wat er zich echter voordoet te Rozebeke eist al mijn aandacht op. Misschien is het beter om de pers van die dagen te citeren. 'In het jaar 1527 gebeurde te Roosbeke, bij Vijve, op de Mandele, een wonderbare zaak. Zekere vrouw, een dood kind gebaard hebbende, was over dit ongeval grootelijks gedroefd, haar nood klagende aan God en de heilige Gandolf die daar vereerd wordt.'

 

'Het kind wierd begraven buiten het kerkhof aan het einde van een stal, bij de herberg De Helm, op de 18de oktober. In de gemelde herberg wierd bij dag en nacht zoo een groot gekerm gehoord, dat de gene die daar gehuisvest waren van slaapkamer moesten veranderen. Dit gekerm duurde negen dagen en negen nachten, doch het wierd meest overnacht gehoord.' 'De pastoor van de parochie en de oom van het kind, die dit te voren voor boerterij gehouden hadden, wierden van de waarheid overtuigd, want dit gezucht en gekerm kwam zelfs ter oren van de gemelde oom waar hij op het veld bezig was te werken. Dit bewoog hem en de vader van dit kind om het zelve te doen ontgraven.'

 

'Men zegt, als het kistje geopend wierd, dat er een liefelijke reuk uitkwam en dat het kind bij het vuur gelegd zijnde, tekens van leven gaf. Daar liepen enige druppelkes geronnen bloed uit zijn neuzeken, zijn leden begonnen te zweten, zijn hartje te kloppen en zijn tongsken te roeren. De pastoor, dit ziende, heeft het kind gedoopt. Na zijn doopsel werd het sterker van leven. Zijne kaakskes begonnen te blozen en het bloedde nog meer als te voren.'

 

'Daar kwam van alle kanten volk om dit wonder te zien. Dit kind leefde nog twee dagen na dat het gedoopt was, en betaalde alsdan de schuld van de dood. Het veranderde ogenschijnlijk: zijn bloed werd zwart en zijn ledekens stijf, het begon lelijk te worden en te stinken. Als men het weder in 't kistjen meende te leggen waar het te vooren in gelegen had, wierd het eene palm te kort gevonden, zoo dat men een ander moest maken naar de lengte van het kind, het welk op twee dagen zo veel gewassen was.'

 

'Het wierd de tweede maal begraven in de kapelle van den heiligen Gandolf, ter begeerte van zijn moeder, door mijnheer Joos Ravesteyn, kapelaan, en door de maegdekens van Roosbeke plechtelijk naar het graf gedragen. De pastoor die het doopte was genoemd meester Jan vanden Vivere, gezeid Vivarius, een kunstige dichter en redenaar. Hij heeft op deze geschiedenis gemaakt een schone ballade van 38 gesteertte clausulen, in dewelke hoofdletteren van zijn naam begrepen is.'

 

'Zij hangt aldaar in de kerk. Ik deed de gemelde ballade ter zelve plaats uitschrijven op de 18de oktober van 1559, 31 jaar na dit voorval. Ik zag beide de zusters van dit kind, met de ene etende en drinkende. Ik deed een nauwkeurig onderzoek op deze geschiedenis en vond niemand die daar tegen zeide. Zij prezen de ouders van dit kind voor zeer godvrezende lieden. Zijn moeder was dit zelve jaar eerst overleden.'

 

Rond 1537 doet er zich ook in Brugge een vreemd geval voor, 'een wonderbaar wanschepsel, te weten een meiske dat anders geen hoofd had dan een bek gelijk tussen twee schelpen, waar het zijn voedsel door nam als men het op de schouders klopte. Want het had geen ogen, geen oren en geen neus. Acht jaar oud zijnde, misbeet het hem in 't eten, waar door een stuk van d'eene van deze schelpen brak, die met dun vlees bedekt waren.'

 

'Vermits deze breuk niet meer kon geheeld worden, is het meisken daar van gestorven. De moeder, als zij van dit kind bevrucht was, had zo een grote lust om mosselen te eten, dat zij die op de markt te Brugge rauw met de schelpen at en in stukken beet, hoe vuil en beslijkt zij waren. Dit heb ik horen verhalen van een geloofwaardige priester, broer van dit meisken, met hem aan tafel zittende ten huize van de zangmeester van keizer Karel den vijfde, genoemd Cornelius de Hondt.'

 

Marcus Vaernewyck laat me niet meer los met zijn verhalen. Ik krijg amper de kans om nog te ontkomen aan zijn verteldrift. Hij zuigt me als het ware op in zijn kronieken. Dit keer sleept hij me mee naar Ieper. 'Back to the 16th century'. 'In dien tijd begon een zekere Cornelius Boerman te Ieper zijn kunsten te tonen. Hij was een kleer- en kousenmaker en werkte op het zicht zonder ooit de maat te nemen. Hij sneed meer in één uur als andere in een halve dag. Hij maakte ook als een andere Prometheus, houten mannekes en andere dingen die zich beweegden alsof zij geleefd hadden.'

 

'Onder andere maakte hij een houten vrouwenbeeldje, spinnende en omziende naar haar kind dat in de wieg lag en van een ander kind gewiegd werd, een kind pap etende en zijn hoofd schuddende alsof het zich verbrand had, en een hondeken dat diende om wat te krijgen, zich roerende als of het levende geweest had, een wagen die alleen een goed stuk weegs voortliep, en op den welken een levende man zat die het bestuurde. Hij had zo veel te weeg gebracht, dat als men op de dorpel van zijn kamer trad, de deur van zelf openging.'

 

'Men zegt dat hij een houten man gemaakt had die met de boekzak voor zijn vrouw ter kerk ging, en een andere die de prins, in Ieper komende, tegen ging en de sleutels der stad aanbood. Hij heeft ook dergelijk stukskens in Frankrijk geleverd en in het klooster van Marchiennes. Hij was ander een eenvoudige man, zeer goed van hart en van leven maar hij werd deerlijk gekweld door een zotte en boze vrouw die hij nochtans zeer wel behandelde. Zij konde niet lijden dat hij zich met zulke zaken bezig hield, maar wilde dat hij het kleren en kousen maken oefende, wat zijn ambacht was, dus moest hij die kunstelijke stukskens bedektelijk maken.'

 

De boeken van Marcus van Vaernewyck zijn een vat vol flash-backs. In zijn volgend kapittel keert hij nu terug naar de predikers aan het begin van onze tijdrekening. De beginjaren van Petrus, de prins van de apostelen, die op zoek gaat naar voldoende schapen om te bekeren. Jongens toch, van Antiochië, de vierbergige stad met zijn 460 torens naar Rome, van waaruit hij verlichte en godvrezende mannen uitstuurt om het evangelie te gaan promoten.

 

Een van die gasten is de heilige en hoogdravende godgeleerde Dionysius, het bijvoegsel 'hoogdravend' komt van de schrijver zelf. De man stuurt op zijn beurt zijn assistenten Eucharius, Valerius en Maternus naar onze contreien. De schaapjes van Trier, Keulen en Tongeren hebben de twijfelachtige eer om het eerst bekeerd te mogen worden tot de leer van Jezus.

 

De Westhoek is nog lang niet aan de beurt. Pas in 280 waagt een zekere Piatus zich zo ver in de jungle van die dagen. 'Hij verkondigde het christen geloof in het westelijk gedeelte van dit landschap. Hij hield zijn verblijf te Siclyn, alwaar hij begraven is. Hij wierd van de ongelovigen gedood omtrent Doornik.' Ik veronderstel dat Piatus zich dus vestigde in Seclin bj Rijsel.

 

'Het volk van Morinum of Terwaan heeft (zo men beschreven vindt) het evangelie voor het eerst omhelsd ten tijde van keizer Diocletianus'. Ik onderbreek even de oude schrijvers om de tijd uit te lijnen. Wikipedia stelt me gerust: Gaius Aurelius Valerius Diocletianus was inderdaad Romeins keizer van 20 november 284 tot 1 mei 305. Dat omhelzen van de nieuwe leer mag ik alvast met de nodige korrels zout nemen.

 

Het vervolg van de oude geschriften geeft me zowaar gelijk. 'Het prediken gebeurt door de heilige Fustiaan en Victoricus de welke gemarteld wierden op bevel van zekere Rictiovarus, de president van Amiens. Ze kwamen hier van Rome met de heilige Quintinus, Lucianus, Piatus en andere ijverige geloofsverkondigers van wie hun namen onder het getal der martelaren getekend staan. Ze hebben het marteldom geleden in een dorp omtrent één mijl van de plaats waar Terwaan placht te staan. Men noemde het eertijds 'Het Heilig Veld', maar de Galliërs hebben deze naam zodanig verbasterd dat het nu Hellefalt geheten wordt.'

 

Ik bekijk de digitale kaart van het voor Vlaanderen haast mythische Terwaan. Enkele jaren geleden ben ik hier met de bij wijlen verbaasde ogen van een kind op zoek gegaan naar sporen van onze geschiedenis.

 

En nu kom ik er weer terug. Kan ik ergens een plaatsnaam vinden die zich kan spiegelen aan het oude Hellefalt? Neen. Dat lukt me niet. Ik vraag me af of mijn eigen Geluveld, Hillevald genoemd door de oudere dorpsbevolking, ook zijn naam kreeg van de Galliërs en eveneens kon beschouwd worden als een heilig veld door zijn bijgelovige bewoners?

 

Ik bekijk mezelf in de spiegel, figuurlijk dan. Hille is de oude naam die de inwoners gaven aan hun thuis bij het water. Daar in Terwaan zullen de Galliërs wel niets verbasterd hebben. Enkele betweterige monniken zullen het wellicht nooit in de gaten hebben gehad dat de Hille in de buurt van Terwaan er al veel langer was dan die arme predikers.

 

Met de dood van Fustiaan en Victoricus valt de prediking stil. De Morinen of de West-Vlamingen krijgen geen les meer in het nieuwe geloof en vervallen dus maar weer in hun oude rituelen en overtuigingen. Tot de heilige Audomarus 'hun andermaal uit deze duisternis trok en in het christendom vestigde.'

 

Uit deze periode blijft eigenlijk niets overeind en toch moet het nieuwe geloof hier de volgende eeuwen stevig voet aan de grond hebben gekregen. Aldus Marcus en ik gebruik onbewust het stokoude woord 'aldus'. Precies of ik op dit moment zelf deel uitmaak van deze geschiedenissen. Het pad gaat verder: 'men moet weten dat een groot deel dezer Nederlanden het christen geloof bewaart en geleerde mannen in de zelve gehad heeft tot dat de Gothen, Hunnen en Vandalen errewaarts gekomen zijn.'

 

'Ze waren als verwoedde honden, verwoestten niet alleen landen, steden en sterkten, maar verbrandden ook de tempelen en collegien, benevens alle de boeken en oude gedenktekenen, op dat hunne naam alleen onsterfelijk zoude blijven, en alle andere gedenkenissen van oudheid of adel uitgeroeid worden. Dit is de oorzaak dat wij zo weinig zekerheid hebben van de geschiedenis dezer landen tot den tijd van Karel de Grote.'

 

Ik krijg het verhaal te lezen van de pientere Athanasius die het christelijk geloof clandestien promoot vanuit een onderaardse spelonk in de buurt van Trier, een plek waar hij acht jaar ondergedoken leeft uit angst voor de Arianen van de ketterse keizer Constantinus die hem uit Egypte hebben weggejaagd. Na zijn dood, hij reisde uit deze wereld tot God den 2. Mey 371, zal de ketterij in onze streken alleen maar groter worden.

 

Keizer Valens benoemt rond 378 Toxiander als landvoogd over Vlaanderen. Hij volgt daarmee Martsiandus op. Drie nieuwe figuren die ik van haar noch pluimen ken. Vaernewyck bedoelt Flavius Valentinianus de Romeinse consul van het Westen tussen 372 en 392. Fijn. De prediking van het nieuwe geloof komt weer op gang in de lage landen. De heilige Servatius bisschop van Tongeren is een fanatieke spreker en doet zijn best.

 

Enkele tellen later in de tijd, het jaar 449 is het de buurt aan Remi. Ik permitteer het me om de heilige Remigius, aartsbisschop van Reims te tutoyeren en bij zijn voornaam te noemen. Remi is de man die Clovis doopt, de zesde koning van Frankrijk en telg uit de stam van de Sicambren. Clovis is meteen de eerste christelijke koning en hij tilt hiermee zijn godsdienst tot op het officiële niveau. 'Met hem wierden alle zijne onderdanen wedergebracht tot het christen geloof, waar zij afgeweken waren sinds de marteldood van de heilige Dionysius.

 

'In het jaar 484 heeft de heilige Eleutherius, bisschop van Doornik, ook het evangelie in deze landen verkondigd. Hij verdelgde te Doornik de heidense tempel van Apollo. De eerste die het zaad van het christendom onder de Doornikers zaaiden, waren de heiligen Piatus en Chrysolius, die onder de vrede keizers en vervolgers der christenen gemarteld werden, Piatus (+528) te Doornik of daar omtrent, en Chrysolius (+484) op de Leie, ter plaats waar Komen nu staat, alwaar zijn lichaam heden nog bewaard wordt.'

 

Het komen en gaan van nieuwe predikanten kan misschien een saaie bedoening lijken. Een aangename randeffect van de vroege kerkgeschiedenis is zeer zeker het feit dat ze flarden streekgeschiedenis van de Westhoek met zich meesleept. Het verplicht me om mijn schuchtere tegenzin opzij te zetten en bij de les te blijven. Ik kan het niet beter brengen dan dat Vaernewyck het doet, dus laat ik hem weer het woord voeren.

 

'In dit zelve jaar 528, enige jaren te vooren was Antimundus de bisschop van Terwaan, die het evangelie in Vlaanderen en Mempiscus ook verkondigd heeft. In dien tijd wierd Vlaanderen Mempiscus genoemd, uitgenomen de zeekant, die men niet Vlaanderen, maar Flandras noemde. De heilige Remigius had hem bisschop van Terwaan en de heilige Vedastus bisschop van Atrecht gewijd.'

 

'In het jaar 631 heeft in Vlaanderen ook het waar geloof gepredikt een geleerde man geheten Domlius, inwoner van Thoraut, welke stad alsdan zeer bloeiende was. Torhout zeer bloeiend in de 7de eeuw. Dat is het wat ik bedoel met interessante randinformatie. Straks komt mijn schrijver nog met de naam van Livinus voor de dag. Vedastus en Livinus zorgen er voor dat de inwoners van Vlamertinge en Elverdinge bijscholing krijgen in de avonturen van de Heilige Drievuldigheid.

 

Dat hun kerken anno 2015 nog steeds verwijzen naar die predikers uit de jaren 600 is meteen een flinke streep fysiek bewijs hoe oud beide parochies zijn. Uiteraard gaat hun geschiedenis duizenden jaren verder terug, een fenomeen dat we kunnen afleiden uit de aanwezigheid van de waternaam 'ille' in beide plaatsnamen.

 

'In 633 kwam de heilige Livinus, geboren in Schotland en aartsbisschop van Ierland, met drie discipelen te Gent, op de 16de juli. Na dat hij daar eene maand verbleven had, trok hij naar Essche (St Lievens-Esse bij Herzele), alwaar hij met grote ijver het woord Gods verkondigde en menigvuldige mensen bekeerde.'

 

'Hij wierd daar van twee gebroeders, Walbertus en Meïzo, dienaren van de duivel, met veel wonden ter dood gebracht en onthoofd op de 12de november van dit voorschreven jaar nadat Walbertus hem zijn tong uitgetrokken en veel smaadheden aangedaan had. Zij sloegen ook dood eene deugdelijke vrouw, Craphahildis genoemd, met haar jong zoontje Brixius.'

 

'In het jaar 635 kwam de heilige Eligius, bisschop van Noyon en Doornik het christendom prediken in Vlaanderen en Brabant. Hij bekeerde eerst de stad Antwerpen met het volk dat in de burcht woonde en heeft daar lange tijd zijn verblijf gehouden en gepredikt.'

 

'Men leest nochtans elders dat Liederik de Buck de oude in 639, na de dood van de koning Lotharius bij zijn zwager Dagobertus, koning van Frankrijk, bad dat hij hem een bisschop zoude zenden om de wrede en ongelovige Vlamingen het christen geloof voor te houden en dat de Franse monarch op zijn verzoek de heilige Eligius in Vlaanderen zond.'

 

'Hij predikte door geheel dit land en dede vele mirakelen, zo dat hij, door het voorbeeld van zijn heilig leven en met de gratie Gods, schier alle de Vlamingen bekeerde.' Ik kan er geen woord tussen krijgen. 'Hij woonde te Brugge en was gehuisvest waar de Sint-Amandus kapelle nu staat. Hij stichtte daar de Sint-Salvatorskerk ter eer van de heilige maagd en Sint Wulfram en die van Onze-Lieve-Vrouw tot Oudenburg en meer andere kerken in Vlaanderen.'

 

Eligius was zeker een waardige vriend van God meent Vaernewyck. 'Men leest dat hij het klooster van Blandijn, nu de abdij van Sint-Pieters nevens Gent, rijkelijk begiftigde en deed vermeerderen en de Sint-Maartenskerk gesticht heeft. Na hem volgde in het bisdom van Doornik Momelinus, een godvruchtige en heilige man die zo wel de Roomse als Duitse taal sprak. Hij was medegezel van de heilige Bertinus, abt van Sithiu.'

 

'In het jaar 668 is de heilige Audomarus geboortig van Duitsland, bisschop van de stad Terwaan geworden, welkers inwoners weer in hun oude afgoderij gevallen waren. Hij heeft hun andermaal tot de ware God bekeerd, door geheel zijn bisdom het woord des Heren en het evangelie verkondigd, alle overblijfselen der afgoderij te niet doende.'

 

Hier en daar bots ik op vreselijke verhalen. 'In het jaar 685 heeft Ebroïnus, prins van het paleis in Frankrijk, de heilige Leodegarius, na velerlei tormenten, (te weten, nadat hij hem de ogen had doen uitsteken, de lippen en tong afsnijden en zijne broeder Gnarinus in zijne tegenwoordigheid stenigen etc.) het hoofd doen afslaan.'

 

'Twee jaren daar na kwamen vier heilige mannen uit Klein-Brittanië tot de heilige abt Bertinus in het klooster van Sithiu.' Voor wie het niet weet, is Sithiu de voorloper van Sint-Omer. 'Zij waren genoemd Quadavocus, Andovocus, Madocus en Winocus. Hij gebood hun eene kluis te stichten te Wormhout, op het uiterste van Vlaanderen.'

 

Ik maak de vroegste histories mee van Sint-Omer, Wormhout en ook van Bergues dat eeuwenlang genoemd zal worden naar laatstgenoemde Winocus, Sint-Winoksbergen dus. Goddelijk is trouwens pas echt de naam 'Klein-Brittanië' waar de schrijver eigenlijk het vroegere Bretagne, het deel van Gallië tussen de Seine en de Loire, mee bedoelt. 'Dezen Winocus was de broer van de heilige Joos en zij waren zonen van Indicrildus, koning van Klein-Brittanië.'

 

'Veel andere vermaarde en heilige mannen hebben in het land van Vlaanderen en daar omtrent grote neerstigheid gedaan om het volk in het christen geloof te onderhouden en van alle ongerechtigheid af te trekken. Den 3. september 691 stierf de heilige Remaclus, de heilige Lambertus wierd door de Franse koning Pepijn weder in zijne stoel gesteld, waar hij van Ebroïnus uit gejaagd was. Maar in 698 wierd de gemelde heilige ter dood gebracht om dat hij Pepijn berispte over het bezitten van twee vrouwen die hij getrouwd had.'

 

'Dodo, Hubertus, discipel van de heilige Lambertus, willende doden, wierd met verrotting en wormen geplaagd en in de Maas geworpen. Binnen hetzelfde jaar stierven ook zijn aanhangers.' Vaernewyck gaat nog een stuk verder met de kerkelijke geschiedenis van onze regio. Ik laat hem even in zijn element tot hij weer uitkomt bij good old Karel de Grote en ik weer naadloos kan inpikken in de draad van zijn geschriften.

 

'In het jaar 804 heeft Karel de Grote de Saksen die over de Elbe woonden en Holsteiners genoemd wierden, na zware oorlogen overwonnen. Hij bracht een groot getal van dit volk in het land van Belgis, het welk een groot getal van dit volk in het land van Belgis, het welke aan Vlaanderen en Brabant tot veel voordeel strekte.'

 

'Want Liederik van Harelbeke, die het gebied over hun had, dede hun de straten en wegen verbeteren en openen en de rovers ten onder brengen. Enige wierden nadien van de koning Karel en Liederik weer uit Vlaanderen verdreven omdat zij het christen geloof niet wilden aannemen, maar hunne kinderen wierden behouden en in hetzelve geloof onderwezen. Dit volk was uit het hertogdom van Holstein en daaromtrent.'

 

Vaernewyck raakt een gevoelige snaar met de import van Holsteiners van over de Elbe. Ik denk direct aan een episode die ik 2 jaar geleden schreef. In 'De smeltkroes van Morinië' had ik het uitgebreid over de Vlamingen, fledmen, Flamings als Germaanse immigranten uit de buurt van Brandenburg en Maagdenburg met hedendaagse Duitse lokale plaatsnamen als 'Fläming', Kamerijk, Brugge, Gent, Ypern en Werbiq. Is het toeval dat de naam van Vlaanderen pas rond die era bekend wordt?

 

De Noormannen stellen zich van langs om dreigender op. Karel de Grote mobiliseert de lokale bevolking. 'Na dat de voornoemde keizer de oude en sterke toren te Boulogne had doen bouwen, om de zeeschepen van daar met vuur een teken te geven, is hij binnen Gent gekomen, terwijl hij zijn oorlogsschepen tegen de Denen en Noordmannen dede reden. Hij hervormde het klooster van Blandijn en stelde daar een abt genoemd Agenardus, een deugdzame man die wijselijk bestuurde.'

 

Op pagina 345 sluit Vaernewyck zijn boek plots af. 'Ik heb deze vier boeken met groote arbeyd uyt verscheyde oude boeken en schrijvers by-een vergaedert, en voltrokken te Gend op den 1. Maert 1561, waer naer ik die weder overzien, verbetert en op verscheyde plaetsen vermeerdert heb, in Maert en April van het jaer 1565.' Ik kan deze episode uit onze vaderlandse geschiedenis niet beter afsluiten. druk