P0600100

Om het met de illustere woorden van Vandenpeereboom in zijn 7 Ypriana boekdelen te omschrijven, is het werk om de geschiedenis van Ieper en de Westhoek op papier te zetten, een lang en moeizaam werk geweest. De geschiedenis van onze streek is omhuld door schimmige nevels van een zeer ver verleden. De weg om klaarheid te scheppen in die wondere geschiedenis is er een zonder wegwijzers. Er is geen gids op de bewolkte weg naar dat ver verleden.

 

Alleen een reeks van kroniekschrijvers geven enigszins en na veel werk en aandringen een mogelijke waarheid weer rond de oorsprong van onze streek. Welke zijn de origines van onze stad en streek? De begintijden van de Ieperse omgeving zijn ontegensprekelijk omgeven door duisternis. Veel historici hebben pogingen ondernomen om die oude schaduwen te verdrijven. Onvermoeibaar onderzoek moet het geweest zijn, zich een weg te zoeken in de immense chaos van oude en amper leesbare middeleeuwse geschriften. Veel van die geschriften gaan terug tot in de 12de eeuw en - helaas - veel ervan werden verwoest tijdens de 1e wereldoorlog.

 

Gelukkig hadden schrijvers zoals Lambin en Vandenpeereboom hun getuigenissen al voordien op grote schaal gepubliceerd, zodat, ook in deze kroniek, belangrijke herinneringen en studies van verdwenen archieven intact zijn gebleven. Deze onvermoeibare schrijvers konden amper vermoeden dat vanuit het eenentwintigste internetgebeuren zowat van overal over de hele wereld oude geschriften van het Ieperse zouden opduiken en toegankelijk worden voor geïnteresseerden en nieuwe generaties geschiedschrijvers. En natuurlijk blijven de lokale stadsarchieven met hun heropgebouwde archieven een onvoorstelbaar bruikbare loper naar het verleden.

 

Hadden de Romeinen een vaste stek in de vallei van Ieper? De legende wil dat de stad Ieper gedwongen werd zich te onderwerpen aan de Romeinen rond het jaar 55 voor Christus, het wereldjaar 3953. Volgens die legende waren de Ieperlingen niet bereid zich te schikken naar die vreemde overheersing. Eén jaar later slagen ze er in zich te organiseren en onder de banier van de heer Comius van Arras, slagen ze er in om de Italianen uit hun stad te verjagen.

 

Julius Caesar slaat hard terug. Aan het hoofd van zijn patriottenleger gaat hij een bloedige slag aan met duizenden Ieperlingen waarvan velen de slag niet overleven. Zo wordt de stad weldra opnieuw ingenomen door de Italianen. De oude Romeinse vertellers en geschiedschrijvers zwijgen als vermoord over Ieper. Ze weten ons allerminst te vertellen of die memorabele strijd werkelijk plaats vond. Het is koffiedik kijken. Legende of niet? Vandenpeereboom gaat verder met de overlevering. Het heidendom tiert welig bij de Ieperlingen. Er worden prachtige heidense tempels en een coloseum gebouwd. Het amfitheater is versierd met ruiterstandbeelden, de hele plaats is omringd door vestingen en versterkingen.

 

Het Ieper van 55 voor Christus heeft prachtige straten, grandioze monumenten. Een immens park dat omzoomd is door standbeelden strekt zich uit op de zelfde plaats waar zich 2000 jaar later de grote markt, de lakenhallen en Sint-Maartenskathedraal met de aanpalende neermarkt zullen bevinden. Een van de kroniekschrijvers die aan de basis liggen van de Ypriana werken, een zekere Jean d' Aubigny, beschreef de stad als één der mooiste van de wereld. Ieper is een bolwerk voorzien van hoge stadswallen met maar liefst 164 torens. In de stadswallen zijn zeven, met koper beklede, poorten ingebouwd. Ze dragen de namen van de zeven planeten. Het Ieperse sprookje blijft niet duren. Aan de welvaart en grootsheid van de stad komt een bruusk einde. Zware rellen en verschrikkelijke verwoestingen treffen de stad.

 

Twee eeuwen van voorspoed rond de oevers van de Ieperlee verdwijnen als sneeuw voor de zon. In het jaar 174 legt de Romeinse keizer verpletterende taksen en belastingen op de stad en zijn inwoners. De rijke burgerij sluit zich aan bij andere steden en ze besluiten om het Romeinse juk van zich af te schudden. Overal worden wapens gestolen en met een onbeschrijfelijk enthousiasme worden de Romeinen door de Ieperse partizanen vermorzeld. De weinige overgebleven Romeinse soldaten worden door de landbouwbevolking in de pan gehakt. Geen enkele Romein overleeft de slachting.

 

Naast de gigantische monumenten zijn er in de periode van Julius Caesar ook al zeven tempels die opgedragen zijn aan onder andere Minerva, Pluto, Venus, Apollo, Pan en Diane. Vier onder hen zijn voorzien van hoge torens. De verering van Venus viert hoogtij in een vrij en ongebonden Ieper dat in hoog tempo de plattelandsbevolking van het omliggende aantrekt. De bevolking van de stad is ten tijde van de Romeinse inval pijlsnel gegroeid tot 20.900 zielen; 4.260 mannen, 1.842 jonge mannen, 6.879 vrouwen, 2.986 jonge meisjes en 4.933 kinderen.

 

In het jaar 179 na Christus telt Ieper niet minder dan 220.000 inwoners die allemaal een fatsoenlijk en welvarend leven leiden en die volgens de geschriften 'alegader zeer treffelyk en florantelyk leefden'. De legende. Wanneer de keizer van Rome, Marcus Aurelius, het nieuws van de afslachting van zijn soldaten verneemt, ontsteekt hij in woede en wil hij de Vlamingen en vooral de Ieperlingen straffen voor hun daden. Hij brengt een deel van zijn manschappen samen in een nieuw leger. Alles heeft zijn tijd nodig. Maar 5 jaar later, we zijn in het jaar 179, staat het Romeinse leger voor de Vlaamse grenzen. De Romeinse bevelhebbers hebben het bevel gekregen om alle steden van onze rebelse provincie in brand te steken.

 

De Ieperlingen liggen op de loer en hebben het Romeinse leger zien opstormen in de richting van de stad. Tegen een dergelijke overmacht zijn de stedelingen duidelijk niet opgewassen. Na rijp beraad beslissen de Ieperlingen om zich niet te verzetten tegen zulk een vijandelijke overmacht. De geschiedschrijvers schrijven vol lof over de schoonheid van de Ieperse meisjes die de harten van de Romeinse krijgers sneller doen slaan. In een poging om de gunsten van de goden af te dwingen zodat de Romeinen de streek zouden verlaten, besluiten heidense priesters enkele van die Ieperse meisjes te offeren aan Mars.

 

De volgende morgen staat een enorme brandstapel opgesteld voor de tempel van de godin van de oorlog. Drie erg mooie meisjes, priesteressen van Minerva, zullen worden geofferd. Ze klimmen dapper op de brandstapel. Het is voor de kroniekschrijvers bijna niet te vatten om het dramatische tafereel te omschrijven. Voor de verzamelde massa, onder het geluid van trompettengeschal en klokkengelui hopen de aanwezigen dat de opoffering van de meisjes zal leiden tot een mirakel. Het heidens mirakel blijft helaas uit terwijl de dames verteerd worden door de vlammenzee.

 

Het jaar 180. Wanneer de voorwachten van het Romeinse leger aankomen in Ipra, stappen enkele stijlvolle Ieperse vrouwen naar de tent waar hun generaal Piso verblijft. Ze werpen zich op de knieën voor de generaal en richten armen en handen richting hemel. Eén van de meisjes, ze is zo mooi als Venus vertelt Vandenpeereboom, overhandigt de massief gouden sleutels van de stad aan de Romeinse generaal. Net zoals de god Mars, blijft Piso doof en blind voor de verleidelijke schoonheid van de meisjes en de smeekbede van de Ieperlingen.

 

Hij voert genadeloos de orders van zijn keizer Augustus uit. De meisjes worden genadeloos afgemaakt door talloze Romeinse zwaarden en ze worden door het glanzend metaal in mootjes gehakt. Vanop de versterkingen van de stad bekijken de Ieperlingen met afgrijnzen de onthutsende slachting. Ze doen verwoede pogingen om de poorten van de stad te sluiten, maar voor dat ze zich in hun verdedigende stellingen kunnen opstellen, valt de Romeinse overmacht de stad binnen en wordt de stad overrompeld en ingenomen.

 

De Romeinen vallen als razenden de stad binnen en richten er een vreselijke ravage aan. Ze doden, ze stichten brand, ze vernielen. De rook en vlammenzee van tientallen brandhaarden werpen een sinistere gloed over de stad. Zuilen, tempels, marmeren standbeelden, huizen, paleizen worden met de grond gelijk gemaakt. Géén enkele steen blijft nog overeind als de met bloed bedekte soldaten de stad verlaten. Wie kan ontsnappen aan de verwoestende vlammen, wordt door de Romeinen genadeloos afgemaakt.

 

Na de slachting blijven duizenden lijken achter in de verwoeste straten. Slechts één sterveling overleeft de slachting en van Ipra blijft niets meer over. De ruïnes worden binnen de kortste tijd overvallen door hordes wolven die de lijken verscheuren en tot op het bot oppeuzelen. Tot zover het rijk van de legende. Volgens de geschiedschrijvers die Vandenpeereboom tot dit verhaal hebben geïnspireerd, ''horresco referem, hij huivert bij de woorden', eindigt hier de geschiedenis van de stad Ipra tijdens de Romeinse overheersing van Gallië. Velen hechten niet het minste geloof aan het bestaan en teleurgang van deze schitterende stad 2000 jaar geleden.

 

Het pompeuze en vaak naïeve verhaal van de stad is echter gebaseerd, zoals een kroniekschrijver dat trouwens bevestigt, op veel oude Vlaamse legendes die ergens hun oorsprong vinden in de mondelinge overlevering. Een mix van echt gebeurde en eveneens flink aangedikte verhalen uit een ver verleden. Wetenschappelijk en archeologisch kan er tot op vandaag niets bewezen worden en blijft het verhaal een sage. Tot ooit misschien het tegendeel kan bewezen worden?

 

Het lijkt Vandenpeereboom duidelijk dat vele oude kronieken niet meer zijn dan absurde verhalen van 'zogezegde' historici. Zonder enige vorm van kritische opstelling hebben ze vele eeuwen lang het ene verzinsel aan het andere gebreid. Een zuivere copy paste waarbij bij het plakken weer nieuwe verzinsels toegevoegd werden aan die oude verhalen waarbij de flagrantste en meest absurde fantasieën stilaan met de werkelijkheid werden verward. Maar los van de wetenschap dat veel van wat geschreven is over de geschiedenis van Ieper pure verhalen zijn, blijft natuurlijk de vraag bestaan wat er dan effectief gebeurd is in de Ieperse gordel ten tijde van de inval en de bezetting van de Romeinen.

 

De Latijnse schrijvers van die tijd geven bitter weinig aanwijzingen in hun geschriften en ook in de 19de eeuwse archieven van de stad Ieper is er weinig van de Romeinse tijd terug te vinden. Welke gebieden hebben de Romeinen dan bezet in de vallei van Ieper en van de Ijzer? Alleen de bodem van de plaatsen waar er zich ooit Romeinen vestigden, zal de waarheid vertellen. Niet de bladzijden historische documenten.

 

Ten tijde van de Romeinse inval in onze streken die later 'Het Westland' zal worden genoemd, is de streek deels grondgebied van de Menapiërs en deels van de Morinen. De regio is bezaaid met immense moerassen en uitgestrekte wouden. De Menapiërs en Morinen leven er in armoedige dorpen, vici. Er zijn geen steden in België en van Ieper zal er de volgende (bijna) 1000 jaar geen sprake zijn. Wanneer Caesar en zijn machtige troepen in de streek opduiken, is de inheemse bevolking gevlucht en zit ze verscholen in de diepte van de wouden. De onherbergzame streek is een moeilijk te overwinnen obstakel voor de Romeinen.

 

Toch aarzelt Caesar niet om de Morinen en de Menapiërs te bestrijden en aanvankelijk ook neer te slaan. De regen en het ongezonde klimaat dwingen de veroveraars echter om zich terug te trekken. Opeenvolgende expedities om de lokale volksstammen te temmen, leveren al evenmin blijvende resultaten op. De Romeinen slagen er niet echt in om de Westhoek volledig in te palmen en beperken zich tot het installeren van militaire posten op strategische plaatsen in de streek.

 

Die plaatsen worden gekozen aan hooggelegen oevers van rivieren en ze vormen min of meer natuurlijke grenzen. Om een veilige en gemakkelijke verbinding te krijgen tussen de militaire posten (enkele groeien al snel uit tot steden) leggen de Romeinse legioenen steenwegen, 'lapidea strata' aan. De periode tussen de jaren 96 en 180 betekent een bloeiperiode voor de Romeinen en wordt als de gouden eeuw van de Antonijnen omschreven.

 

Bij gebrek aan eigen nakomelingen kunnen vijf opeenvolgende Romeinse keizers één of twee zonen als opvolgers adopteren. Tijdens de periode van de vijf goede keizers wordt er een kasteel gebouwd op de Casselberg (Cas-Tellum Morinorum of Menaporium). Het kasteel wordt door een grote militaire steenweg gelinkt met het oostelijk gelegen Bavay. Moeder Belgis. Ten noordwesten wordt de Schelde, de 'Hont' verbonden met het kasteel op de Casselberg. De Romeinen leggen een belangrijke heirbaan aan tussen Doornik, Kortrijk en Oudenburg.

 

Er komen nog twee wegen ten noorden van de Ijzer en ook verschillende kleinere wegen, 'diverticulata' zien het levenslicht. De grote militaire steenweg tussen Cassel en Bavay loopt via Dranouter, Wijtschate en Wulvergem en gaat verder via Wervik aan de Leie en via Doornik om uiteindelijk Bavay te bereiken waar 7 andere heirbanen hun aansluiting vinden. De onverharde weg van Cassel naar de westelijke Schelde loopt voorbij Watou en Poperinge en dan verder via Bikschote, Oost-Vleteren, Noordschote en Merkem naar de buurt van Diksmuide en dan verder noordoostwaarts naar Gent en de Hont.

 

De steenweg van Doornik naar Oudenburg komt voorbij Kortrijk die trouwens met een zijweg verbonden is met Wervik. Via Kortrijk gaat de heirbaan verder via Roeselare, Brugge naar Oudenburg. Een aantal diverticulata in de Westhoekvallei, ten noorden van de Ijzer verbinden Lo dat aan de Noordzee ligt via de 'Loowegh' met Boulogne, Veurne (via Wulveringem) en Cassel. De wegen kruisen zich ter hoogte van Isenberge.

 

Geen enkele van de aangehaalde wegen komt ook maar in de buurt van de vallei van Ieper. De naam Ipra verschijnt op geen enkele moment op historische kaarten uit de Romeinse periode. Zelfs in de latere Frankische tijden functioneren de oorspronkelijke steenwegen als een verafgelegen gordel rond de streek van Ieper.

 

Er bestaat dus niet het minste bewijs dat de Romeinen een nederzetting hebben in de laaggelegen graslanden van Ieper, daar waar eeuwen later de 'Burgus de Ipra' zal gebouwd worden. Op een archeologische kaart van historicus Vander Maelen staat vermeld dat er in de buurt van Ieper Romeinse munten worden gevonden. Rond 1872 worden er in Ieper inderdaad verschillende stukken aardewerk opgegraven onder de funderingen van een woning ter hoogte van de veemarkt. De veemarkt bevindt zich dan dicht bij de Ieperlee bij de uitgang van de stad.

 

Het opgegraven aardewerk dateert met zekerheid uit de Romeinse of Frankische tijden en is einde de jaren 1800 een deel van de rijke verzameling van antieke vazen, Vlaams porselein en oude kunstvoorwerpen, alle in het bezit van Maurice Merghelynck in Ieper. De vraag blijft echter bestaan of dat oude materiaal niet achteraf werd binnengebracht nadat de Burgus van Ipra gebouwd werd. Want uiteindelijk worden er in de loop van de jaren geen structurele bewijzen gevonden van enige Romeinse aanwezigheid in Ieper. Het valt natuurlijk ook niet uit te sluiten dat Romeinse kolonisten zich sporadisch vestigden in de weilanden waar Ipra zich later zal vormen.

 

De vondst van Romeinse voorwerpen in Wijtschate en in Noordschote vormt echter wel een geloofwaardig bewijs van de Romeinse aanwezigheid in de Westhoek. Wijtschate, Widisgat in 961, Widegas in 1066 is een dorp gebouwd op ongeveer 8 km ten zuiden van Ieper. Het dorp situeert zich op de noordelijke helling van de waterscheidingslijn tussen de Leie en de Ieperlee. De Romeinse weg van Cassel via Wervik naar Bavay loopt voorbij bij het Wijtschaatse Wulvergem.

 

In 1845 vinden arbeiders er een Romeinse aarderode vaas onder een oud huis dat ze aan het afbreken zijn. De arbeiders die geen enkele notie hebben dat ze hier te maken hebben met een kostbare vaas, verbrijzelen die en vinden er zo wat 1000 à 1200 zilveren Romeinse muntstukken. Een echte schat. Een aantal scherven van de vaas wordt door schrijver Vandenpeereboom in het Ieperse museum aangetroffen. Een groot aantal van die munten zal in de smeltketel belanden. Een aantal muntstukken wordt her en der verkocht en een aantal belanden uiteindelijk bij de vereniging die recent het museum van Ieper opgericht heeft.

 

Vandenpeereboom onderzoekt de munten en vindt er op munten de beeltenissen van Trajanus, Septimius Severus, Caracalla, Heliogabalus, Julia Maesa en veel andere Romeinse keizers. Onder de beeltenissen bevindt zich eveneens die van Marcus Cassianius Latinius Postumus die regeerde tussen 260 en 269. Het is dus aannemelijk dat de vaas met de munten kort na de dood van Postumus door een in Widisgat levende kolonist wordt begraven. Noordschote is een dorp ten noorden van de stad Ieper, vlakbij de Ijzer, in de buurt van Merkem centraal in de Broeken, het laagland van de Westhoek.

 

Een plaats die geregeld verandert in een groot meer. Een dokument van 1180 omschrijft één van de wegen die door Noordschote lopen als 'Lapidea Strata'. De naam strata laat vermoeden dat deze weg een 'diverticulum', een gewestweg, die aangelegd wordt door Romeinen die zelf woonachtig zijn langs de Ijzer. Op vandaag bestaat trouwens nog altijd de naam van Steen Straete.

 

Steenstraete ligt langs de weg die Ieper met Merkem en Diksmuide verbindt. Ook in Merkem en Diksmuide worden er in latere tijden Romeinse munten opgegraven. In de lente van 1857 ploegt een boerenknecht door een landbouwakker ten zuiden van de kerk van Noordschote doorheen het land dat ze daar 'nieuwland' noemen. Op een bepaald ogenblik blijft de ploeg haperen aan een voorwerp dat vastzit in de bodem.

 

Het blijkt een oude kruik te zijn in Romeins aardewerk. Het blijkt een hele klus om de kruik op te graven tot plots de zon begint te flonkeren in een stapel zilveren muntstukken. Prachtig zijn ze. Er worden 150 munten geteld die dit keer gelukkig wel ontsnappen aan de smeltkroes. De zilverschat wordt geschonken aan M. de Breyne-Peelaert, officier in de Leopoldsorde, volksvertegenwoordiger en burgemeester van Diksmuide. Later worden er 68 munten geschonken aan het Iepers museum. Net zoals bij de vondst in Wijtschate van 12 jaren eerder dateren de munten van de hele Romeinse bezettingsperiode die eindigt rond het jaar 269.

 

Meer Romeinse vondsten in de bodem van de Westhoek

Langs de militaire steenweg tussen Cassel en Bavay (Baviacum), ten zuiden van Ieper:

DRANOUTER: langs de waterval 'de Douve' (Drawanultra): potterie en Romeinse muntstukken in 1858.

WIJTSCHATE: naast de eerder omschreven vondst wordt in Wulvergem eveneens een groot aantal Romeinse munten opgegraven.

WERVIK: (Viroviacum): militair station van de Romeinen, vermeld op de Peutingerkaart. Daar worden muntstukken gevonden van de tijd van Caesar en later. Er worden diverse Romeinse voorwerpen aangetroffen; antieke vazen, bronzen beelden, een vernield standbeeld van Mars dat oorspronkelijk voor een heidense tempel opgesteld stond die later zal omgevormd worden tot een kerk ter ere van St.-Maarten.

 

Tussen Cassel en de Hont. Langs de steenweg tussen Cassel en de Schelde (de Hont), ten noordoosten van Ieper:

WATOU: Romeins antiek en rond het jaar 1845 Gallisch zilvergeld versierd met een Germaanse ruiter met helm.

POPERINGE: Op het grondgebied van Poperinge, niet zo ver van Watou wordt in 1844 een zilveren muntstuk van Trajanus gevonden.

RENINGELST: Eveneens rond 1845 wordt een muntstuk in zilver met de beeltenis van Vespasius opgegraven.

OOSTVLETEREN: Gallische en Romeinse geldstukken.

BIKSCHOTE: vroeg-Romeinse antiquiteiten, Gallische muntstukken.

MERKEM: in 1793 worden daar Romeinse munten opgegraven.

DIKSMUIDE: Verschillende Romeinse munten worden in 1826 aangetroffen tussen Merkem en Diksmuide. In 1845 wordt er bij nivelleerwerken van een publieke tuin een onyxen bloedsteen gevonden met de afbeelding van een kaal personage waarbij eveneens een stier en een speer gegraveerd werd.

 

Langs de Romeinse heirbaan van Doornik naar Oudenburg (ten westen van Ieper):

KORTRIJK: gouden munt van Faustinus, bronzen muntstukken van Nero, Vespasianus, Trajanus, Hadrianus en Marcus-Aurelius.

ROESELARE: vroeg-Romeinse gebruiksvoorwerpen, grafversiering

 

Langs de Romeinse zijwegen aan de linkerkant van de Ijzer:

ISENBERGHE: Romeinse antiquiteiten

WULVERINGEM: Romeinse antiquiteiten

 

De vermelde plaatsen in de oude Westhoek en de aangrenzende terreinen zijn dus met elkaar verbonden door steenwegen. De vraag blijft natuurlijk of er op die plaatsen sprake is van een permanente bewoning. Alleen van Viroviacum (Wervik) kan dit met zekerheid worden gesteld. Vandenpeereboom gaat verder op zoek naar de oorsprong van Ipra.

 

Volgens de geschiedschrijvers Sanderus, Gramaye, Malbranq en Van Scrieck evolueert de stadsnaam van Ypra via Ypretum, Yppre, Iper, Iperen, Ipre, Ipra, Ippre, Iperum, Hypera, Hypretum, Hipretum, Uppre, Upres tot Ypres en Ieper. Volgens Malbranq ligt Yperen centraal in een enorm woud. Ook de naam van 'Dickebusch' ondersteunt deze stelling. Groeien er dan veel iepen in dit bos? Het Frans voor iepen is 'ypréaux' en in het oud-Nederlands Ypen, Ypenbomen of Ipen. Maar is dit werkelijk de juiste etymologische naam van Ipra?

 

En wat te denken van de verklaring dat aan de oorsprong van de naam het woord 'uppre' staat voor het ietwat hoger gelegen deel in een streek vol moerassen en veengebieden? Dat is in elk geval een mogelijkheid: met uitzondering van de oostelijke zijde, is Ieper omringd door laaggelegen gronden en moerasgebieden die in een later punt van de geschiedenis een belangrijk onderdeel zullen uitmaken in de verdediging van de stad.

 

Het zijn die moerassen die later de overstromingsgebieden zullen vormen. Plaatsen zoals 'Bellewarde' en 'Paddevyver' in het noorden, 'Bailleul' in het zuidwesten, 'Mesen' in het zuiden en vanuit het zuiden strekken die moerassen zich uit tot aan Zillebeke. Ter hoogte van Zillebeke zal trouwens een moeraszone gereserveerd worden om er een vijver met de naam van 'Zillebeke vijver' uit te graven. Wat betreft de gronden in Veurne-Ambacht, lag hun niveau een stuk lager dan wat we op vandaag zien. Door een breuk in de duinen rond het jaar 270 wordt een kloof geslagen naar de achterliggende gebieden en worden die door de Noordzee overstroomd.

 

Het blijkt trouwens uit veelvuldige opgravingen dat veel Romeinse nederzettingen dan door de zee worden opgeslokt. Zo is dat bijvoorbeeld het geval met De Panne. De nieuwe zee-engte strekt zich oorspronkelijk uit tot Diksmuide en Lo. Tot aan de 16e eeuw kan de zee bij vloed nog via het kanaal van Nieuwpoort doorstromen tot in Diksmuide. In 1620 wordt een schip geladen met stenen ontdekt in een moeras ter hoogte van Mannekesvere.

 

De bodem van het schip zit zo ongeveer anderhalve meter diep in de veengrond en zelf tot in de onderliggende kleilaag. Geleidelijk aan zal dit stuk Westhoek opnieuw heroverd worden op de Noordzee. Het is dus niet onmogelijk dat de etymologische naam van Ieper verwijst naar dat eerste hoger gelegen gebied ten oosten van de Noordzee.

 

En er bestaan natuurlijk ook de sagen. Zoals het verhaal dat Ieper gesticht wordt in het jaar van de wereld 3504 (= 689 jaar voor Christus) door Hyperborus, een nobele en machtige prins en telg uit een roemruchte Trojaanse (andere bronnen vermelden dat hij uit Engeland afkomstig is) familie. Wanneer die grote edelman, vergezeld van zevenhonderd gewapende mannen, aankomt in het midden van een immens iepenbos in de Westhoek, gaat hij uitrusten aan de oever van een klein riviertje, dat stroomt midden in een met bloemen bezaaide weide.

 

Hyperborus is zo gecharmeerd door de pittoreske plek dat hij besluit om er een stad te bouwen. Hij beveelt zijn mannen om een deel van het bos om te hakken en er wordt een kasteel gebouwd op een eilandje midden in de rivier. Centraal in het prachtige grasland. Het kasteel krijgt een vestingmuur in de vorm van een driehoek. Aan elke hoek van de muren wordt een toren geconstrueerd. Langs het drietorenkasteel worden honderden houten huisjes met rieten daken gebouwd waar elk van de metgezellen kan gaan wonen.

 

De bevolking van de nieuwe stad groeit snel want Hyperborus moet bij zijn aankomst 7 vrouwen en 63 kinderen gehad hebben. En natuurlijk is het zo dat de prinselijke familie verder aangroeit nadat ze zich gevestigd heeft in de Ieperse graslanden. Het staat niet zo duidelijk omschreven in de saga, maar er mag verondersteld dat ook de 700 mannen vergezeld waren van hun families. In elk geval: het aantal 'kinderen van Ieper' is aanzienlijk te noemen. Een talrijke bevolking met veel kinderen betekent een bron van welvaart en vooruitgang voor de regio.

 

Dat weet onze Trojaanse prins maar al te goed. Hij vraagt aan de Belgische koning om hem een aantal jonge bewoners van de beide geslachten te laten geworden. De koning die een gebaar van dank en van goodwill wil geven aan de stichter van de stad Ipra stuurt 160 krachtige mannen en 300 stevige en mooie vrouwen naar Hyperborus. En dat is nog niet alles: Hyperborus vaardigt een algemene maatregel uit die polygamie toelaat. De verhalen lopen warempel ietwat synchroon met de 'Historie van Belgis' van onze Marcus van Vaernewyck.

 

Vandenpeereboom is wat terughoudend als hij de rauwe verhalen van Hyperborus wil vertalen. Hij wil het niet tot in de kleinste details omschrijven. Daar zal het puriteins karakter van de 19de eeuw wel mee te maken hebben. Het komt er uiteindelijk op neer dat alle mannen die te oud of te zwak zijn om kinderen te maken bij hun vrouwen door de prins verplicht worden om zelf op zoek te gaan naar jonge en krachtige mannen om hun vrouwen te laten bevruchten. De oude kronieken vermelden eveneens dat alle kinderen geboren in de huizen van Hyperborus legitieme inwoners van Ipra worden en dat ze allen de respectieve hoofden van de families moeten ondersteunen.

 

De maatregelen van de prins leveren al vrij snel succes op. In -655 verwisselt Hyperborus het tijdelijke met het eeuwige. Het aantal inwoners van de stad is dan al flink gestegen. Ieper en zijn inwoners rouwen om de dood van hun prins. In tegenstelling tot de op dat moment geldende lijkenverbranding, wenst Hyperborus begraven te worden. En dan nog op het centrale plein van zijn stad. Een begrafenis in grote stijl. De overblijfselen van de edele en machtige prins worden in het bijzijn van de massa Ieperlingen vervoerd met een prachtige lijkkoets die getrokken wordt door honderd meisjes in zwarte jurken en witte onderjurken.

 

Na de begrafenis in het centrum wordt er een gigantische marmeren zuil gebouwd boven de begraafplaats met op de top een marmeren standbeeld met de beeltenis van Hyperborus. Op het voetstuk van de kolom wordt zijn naam in gouden letters gegraveerd samen met een uitgebreid grafschrift dat uitgebreid ere brengt aan de overleden stichter van Ieper. Het monument wordt opgedragen aan de goden Mars en Jupiter om voor de hele stad bescherming te vragen aan de god van de oorlog.

 

Vandenpeereboom laat de Vlaamse tekst van het grafschrift (het dateert uit de 17de eeuw) onvertaald omdat het zo goed als niet te doen is om de pompeuze en naïeve omschrijving ervan te vertalen in het Frans. Maar laat ons verder gaan met het verhaal van Ieper. Wat heeft Alphonse Vandenpeereboom nog gevonden in die oude kronieken? Na de dood van zijn stichter blijft Ieper groeien. In -585 is Ariopanus koning van de Belgen.

 

Om zijn rijk te verdedigen is ook Ieper van belang voor de koning. Ipra is een fort van de eerste orde dat in tijden van oorlog als toevluchtsoord kan dienen voor de inwoners. Ariopanus stuurt, onder het commando van Antibrosius, drieduizend pioniers naar de Ieperse vesting. Voor de eerste keer in haar geschiedenis zal er rond de stad een verdedigingsgordel opgetrokken worden. De beschermende vesting is voorzien van torens en 7 toegangspoorten die versierd zijn met beelden. Langs de voet van de muren worden diepe sloten gegraven die gevoed worden door het water van Ieper en zijn omliggende vijvers en moerasgebieden.

 

Na voltooiing van de werken wil de koning van de Belgen een menselijk offer brengen aan de god Mars om de nieuwe vesting te beschermen tegen de gruwel van de oorlog. De dochter van een wever biedt zich als aan als martelares. Patriottisme op de brandstapel. Nadat ze vol overtuiging een dolk in haar boezem heeft gestoken, wordt haar lichaam verbrand en verteerd door het vuur. Antibrosius wordt uitgeroepen tot burgemeester van de versterkte stad. Hij slaagt er in het gebied rond de stad in te palmen en zijn territorium uit te breiden. Hij spendeert de dertig beste jaren van zijn leven aan het welzijn van Ieper en overlijdt uiteindelijk in het jaar -554. Zijn stoffelijk overschot wordt plechtig begraven in de tempel van Mars.

 

In het jaar -387 wordt Ieper omsingeld door rebellen maar die slagen er niet in om de stad in te nemen. Kapitein Auxonoris, koning van de Saksen, belegert de stad nog een keer in -345. En er is pech voor de Ieperlingen. Het garnizoen dat de stad beschermt is vertrokken uit de stad om het leger van de koning te gaan vervoegen. De burgers van Ieper zien zich genoodzaakt de verdediging van de vestingen op zich te nemen en doen daarbij meer dan hun best.

 

Toch capituleren ze noodgedwongen voor de overmacht van de Saksen. Auxonoris laat zijn soldaten toe om volop te plunderen. Het bloedvergieten en de brandstichtingen zijn daar volop onderdeel van. De Ieperse vrouwen worden al helemaal niet gespaard. Het volk van Ieper kan al één jaar later wraak nemen op de Saksen als een deel van het garnizoen de stad verlaat en de Ieperlingen de kans grijpen om de overblijvende schoften in de pan te hakken. Binnen de kortste tijd wappert de Belgische vlag opnieuw aan de torens van de stad. De gebeurtenissen tussen -387 en -345 zijn de enige die vermeld staan in de oude kronieken sinds het overlijden van Antibrosius en voor de Romeinse invasie in Gallië. De kroniekschrijvers blijven stil over verdere onlusten en oorlogen tussen de jaren -345 en -57.

 

Beleeft Vlaanderen dan werkelijk een periode van vrede, rust en welvaart? Er worden in elk geval nieuwe tempels gebouwd om Minerva en Juno te plezieren. De straten worden geplaveid met ijzerhoudende stenen van nabijgelegen bergen. Ik denk spontaan aan de Kemmelberg. Er wordt zelfs een hogeschool gesticht, een soort orthodoxe universiteit waar heidense priesters onderwijs verschaffen over diverse onderwerpen zoals astrologie en de leer van de zielsverhuizing. Industrie en handel kennen een fenomenale groei. Met de groei komen natuurlijk de decadentie, de luxe en de excessen tevoorschijn.

 

En zo drijven we mee met de oude kronieken van Ipra. De eerste eeuwen na het begin van de nieuwe jaartelling, de invasies van de Hunnen, de Vandalen, de Visigoten, de Ostrogoten, de Franken en de Katten. Die bewuste Katten of Chatten zijn in die tijd een Germaans volkje dat woont ten westen van de Wezer maar zich om een of ander reden gaat vestigen op een heuvel in de Westhoek die daardoor later de naam Catsberg zal krijgen. Net zoals Babylon en Karthago, is Ipra in het jaar 180 achter gebleven is als een zielloze, verwoeste en geplunderde puinhoop.

 

Ik voel de twijfels van Vandenpeereboom als ik deze zin vertaal in mijn kronieken. Kunnen de Katten in deze vreemde context de nieuwe bewoners van Ipra geworden zijn? De nieuwe stamouders van een nieuwe stad die uit de as zal herrijzen? En hoe zit dat nu eigenlijk met die kattenstoet? Hebben de Katten en de kattenstoet iets met elkaar te maken? De analisten, de inspiratiebronnen van schrijver Vandenpeereboom, vertellen dat Ieper in 440 verwoest wordt door de Noormannen en daarna in 478 heropgericht wordt door Childerik, de koning van Frankrijk.

 

Spijtig genoeg laten de oude bronnen niets los over de timing van die heropbouw. Een bedenkelijk gat tussen de jaren 180 en 440. En niemand die ook maar enige informatie biedt. Hoe kunnen de Noormannen iets verwoesten als het er niet opgebouwd stond? Ieper moet gewoonweg heropgebouwd zijn na haar verwoesting door de Romeinen in het jaar 180. De voorgeschiedenis kan natuurlijk allemaal één groot verzinsel zijn, denk ik bij mezelf. En dan past het plaatje wel. Maar ik stap weer in mijn rol als zuivere kroniekvertaler.

 

Net zoals Alphonse Vandenpeereboom. Childerik is dus de tweede stichter van de stad Ieper. Hij bouwt een kasteel met drie torens op het eiland gevormd door de Ipere, op exact dezelfde plaats waar Hyperborus zijn eerste vesting heeft gebouwd. Op bevel van koning Childerik worden de huizen voor de onderdanen gebouwd in de schaduw van de beschermende kasteelmuren.

 

De bevolking groeit als bloemkool hoewel vanaf 483 polygamie stilaan verboden wordt onder druk van het opkomende christendom in onze streek. Vooral de zendelingen St. Grisolius (483), St. Eleuthere (484) en St. Amand (626) evangeliseren keer op keer de inwoners van Ieper en ze bekeren ze, zij het niet zonder moeite, tot het christelijk geloof. Er doen veel legendes de ronde over die periode. Zo bijvoorbeeld die van Liederik De Buck.

 

Maar Vandenpeereboom beperkt zich tot de lokale vermeldingen dat de Engelsen in 605, gevolgd door de Hunnen en de Vandalen in 693 de stad Ieper plunderen en gedeeltelijk verwoesten. In 853 worden de versterkingen grondig vernield door de Noormannen en het zijn diezelfde barbaren die opnieuw grote vernielingen aanrichten in het jaar 880. Maar Ieper sterft niet zo snel. 22 jaar na de laatste verwoesting door de Noormannen verrijst de stad als een feniks uit haar graf. Dank zij Boudewijn de Kale, de graaf van Vlaanderen.

 

De derde heropbouw, die van 902, verloopt vrijwel identiek als de vorige onder Hyperborus en Childerik. Opnieuw is er sprake van een kasteel met drie torens op het eiland dat gevormd wordt in de Ipere. Het kasteel wordt wel gebouwd volgens de stijl van de nieuwe tijden. Net zoals zijn voorgangers beveelt de graaf de bouw van veel particuliere woningen rond het nieuwe versterkte kasteel. Zijn orders worden goed opgevolgd, de mensen zullen daar allemaal niet zo veel inspraak bij hebben, en Ieper wordt al vlug de rijkste, mooiste en machtigste stad van Vlaanderen. Ik voel me wat ongemakkelijk bij al die superlatieven.

 

De kronieken van Vandenpeereboom in zijn derde Ypriana boek zijn erg gedetailleerd voor wat betreft de periode voor en tijdens de Romeinse bezetting. De schrijver baseert zich op oude geschriften van welke hij niet weet of ze romantische verzinselen zijn van enkele illustere schrijvers-voorgangers. Hij stelt zich terecht die vraag. Hij vermoedt dat een groot deel van die oude archieven inderdaad een soort 'wishful thinking' is van vroegere schrijvers. Toch kan en wil hij niet uitsluiten dat die verhalen hier en daar fragmenten van waarheid bevatten. De waarheid overgeleverd van generatie tot generatie, met de nodige overdrijvingen. Alphonse Vandenpeereboom is geneigd te geloven dat als er rook te zien was, er ooit vuur moet geweest zijn.

 

Is het toeval dat er telkens sprake is van heidense tempels in de stad? Is het niet vreemd dat verschillende bronnen telkens de eerste Ieperse versterking zien op een eiland vlakbij de Ipere, gevoed door de wateren uit de nabijheid? En waarom wordt steeds de vermelding gemaakt van de nieuwbouw van een kasteel met drie torens? En waarom komt het voortdurend terug dat er standbeelden zijn in de stad?

 

Het kasteel op het eiland in de Ipere heeft vele eeuwen, doorheen de verhalen van de reeks kroniekschrijvers, altijd zijn originele naam behouden. Alle grote Vlaamse steden zijn ooit dorpen zijn geweest die ooit opgebouwd werden in de schaduw van een versterkt kasteel. Of in de buurt van een abdij. Vandenpeereboom gaat gehaast en ongedurig verder. De lokale legenden blijven als een rode draad hangen in de latere kronieken van bekende kroniekschrijvers. Vermoedelijk bevatten de oude geschriften wel een grond van waarheid.

 

De volksmond vertelt toch ook dat Rome op één dag gebouwd werd. Is de stichting van Ieper door één persoon ook niet een dergelijk verzinsel uit de volksmond? Het moet geleidelijk aan gegaan zijn. De beroemde geschiedschrijver Warnkoenig en ook andere schrijvers vertellen ons op een gezonde kritische manier dat het ontstaan van Ieper niet het werk kan geweest zijn van één man, maar integendeel het resultaat moet geweest zijn van een logische sociale en politieke ontwikkeling in die beginjaren.

 

Voor de Romeinse invasie leefden de Morini en de Menapiërs verspreid in kleine dorpen, in het midden van bossen, tussen poelen en moerassen. Als de Romeinen het land veroveren, installeren ze op verscheidene plaatsen militaire posten. Langs de Ipere gebeurt dit niet wat eigenlijk laat veronderstellen dat de stad of de vesting Ipra op dit moment niet eens bestaat.

 

Pas als de feodale tijd van leenheren en pachters aanbreekt zal een forse uitbreiding van de landbouw en de werkgelegenheid de noodzaak naar volkskernen voeden. De leenheren en de abdijen bezitten immense domeinen die zij willen laten renderen. Ze stichten 'villae', landbouwcommunes met grote gebouwen waar de administrator, de villicus, in opdracht van de lokale leenheer de gronden beheert en de lakens uitdeelt. De villicus laat hutten en woningen bouwen waar de horigen en zijn onderdanen mogen wonen. De boeren van die villae worden villani genoemd.

 

De dorpelingen staan nu nog altijd bekend als de 'vilains' net zoals de naam van de villae door de eeuwen heen zijn naam zal blijven behouden. Zo ontstaan in Vlaanderen en in de Westhoek de meeste landbouwgemeenschappen die later dorpen zullen worden en blijven. Niet zo voor Ipra en voor andere grote bevolkingscentra die in andere omstandigheden tot stand komen. Volgens Warnkoenig en andere geschiedschrijvers ontstaan de stedelijk centra uit noodzaak. De invallen van de barbaren en de Noormannen zijn zo frequent en zo vernietigend dat de boeren bescherming zoeken bij hun feodale heren.

 

De landheren bouwen ommuurde en versterkte kastelen, burgi, met de vaste hoop om zo die genadeloze aanvallers af te kunnen slaan. De horigen van de landheren zoeken noodgedwongen hun veiligheid binnen deze versterkingen waar ze zich uiteindelijk ook gaan vestigen. De naam van het beschermende kasteel, de burgus, evolueert weldra tot de naam van de burg waar de boeren, de vroegere villani, nu worden omschreven als submenentes of submansores. Later wordt die naam vervangen door de term burgenses, burgers of bourgeois.

 

Ze zijn de bewoners van de burg en inwoners van de stad. Beschermd door de heren en de abten groeien deze gemeenschappen uit tot woonkernen, heuvelforten en tenslotte tot de oppida die aan de basis liggen van onze krachtige Vlaamse steden. Het is dus best mogelijk dat Ipra zijn ontstaan te danken heeft aan een versterkt kasteel dat helemaal nog niet bestond ten tijde van de Romeinen. Daar ligt waarschijnlijk ook de hoofdreden waarom de naam Ipra pas veel later in de geschiedenisboeken zal verschijnen.

 

Al vanaf de eerste eeuwen van de nieuwe jaartelling wordt de Noordzeekant van Vlaanderen overspoeld door talrijke Germaanse stammen. Onder hen de Saksen die landinwaarts kolonies gaan stichten. Ze kiezen locaties niet te ver van de kust, 'in maritimis locis', en vooral in de gebieden die later 'het Westland' zullen worden genoemd. De Westhoek, de regio van Ieper naar de Noordzee wordt in die eerste eeuwen intens bewoond door die Saksische immigranten.

 

De Germaanse kolonisten geven in elk geval hun naam aan de westkust die ten tijde van de Romeinse keizer Theodosius bekend staat als de Saksische kust van Gallië of de Littus Saxonicum Gallicum. Het is en blijft een belangrijk gegeven in de geschiedenis en de benaming van de Westhoeklocaties door de eeuwen heen en tot op vandaag. Los van de legenden rond het wel of niet ontstaan van Ieper, is het best mogelijk dat een aantal Saksische nomaden hun hutten bouwen op de plaats waar de stad zich later zal vormen. Het kunnen ongetwijfeld losse hutten geweest zijn die echter nooit het statuut van centrum zullen bereiken.

 

Het feit dat er in de christelijke geschreven bronnen die vanaf de 5de eeuw de evangelisatie van de streek omschrijven nooit en nergens sprake is van Ipra of enige belangrijke gemeenschap op die plaats. Maar ook die veronderstelling berust op geen enkele historische basis en wordt door geen enkele geschiedschrijver van die tijd aangehaald, wat niet kan gezegd worden over schrijvers die gedetailleerd schrijven over Gent, Kortrijk, Doornik, St.-Omer en veel andere plaatsen in Vlaanderen. Vandenpeereboom heeft alle moeite om te geloven dat er zich voor 880 een centrum van bevolking bevindt op de oevers van de Ipere. Hij is er integendeel van overtuigd dat Ipra geboren wordt in het jaar 902.

 

Hoewel dat geboortejaar ook nergens in de annalen van de stad geboekstaafd staat, bestaat er een geheel van niet gecontesteerde historische feiten, die het ontstaan van Ipra in 902 als waarschijnlijk bevestigen. De rampzalige invallen van de moordende Noormannen in het begin van de 10de eeuw zijn al minder frequent maar toch blijven ze aanhouden tot in 944. Als die terroristische invallen ophouden, blijven er nadien verscheidene versterkte burchten overeind. Na 944 komen rust en vrede stilaan terug, de landbouw ontwikkelt zich opnieuw en de bevolking dikt aan.

 

Het is in de tijd van Arnulf I, II en III en van Boudewijn III, graven van Vlaanderen, dat de fundamenten gelegd worden van een nieuw sociaal stelsel waarbij de ontwikkeling van grote Vlaamse steden wordt ingezet. We zien dat de textielnijverheid zich stilaan ontwikkelt, we zien de eerste foren en markten opduiken en we zien de handel en nijverheid ontstaan. De afhankelijkheid van de vrije mensen om op een veilige en beschermde plaats zaken te doen en vrijuit geld te kunnen verdienen, leidt al snel tot een explosie van welvaart in de nieuwe 'villae' die op korte tijd doorgroeien tot 'oppida' of 'portus'. De naam Ipra duikt voor het eerst officieel op in een dokument van 1093.

 

Maar dat document toont tegelijkertijd aan dat Ieper op dit moment al ontwikkeld is tot een belangrijke en welvarende stad. Die welvaart is ongetwijfeld het resultaat van een evolutie die al eeuwen aan de gang moet zijn. De oorspronkelijke versterkte burcht langs de graslanden van Ipere is nu een belangrijke Vlaamse stad geworden. Het eerste Ieperse fort is op een vernuftige plaats gebouwd. Het kasteel domineert de omgeving en is op de oostelijke kant na, volledig omringd en omgeven door moerassige gronden die de toegang tot het met water omringde kasteel erg bemoeilijken.

 

Het eerste bijkomende gebouw van Ieper, meer bepaald de Sint-Maartenskerk, wordt gebouwd in de prairie, in pratis. Er bestaan 2 straten die ons leiden naar 'le chateau à trois tours' en die op vandaag nog altijd de naam dragen van de 'corte en de langhemeersch'. De courte et de longue prairie.

 

In het jaar 795 heeft Karel de Grote Germaanse stammen geïmporteerd in onze Westhoek. Het zijn uiteindelijk de afstammelingen van die immigranten die de eerste submantes worden van Ipra en die zich komen nestelen in de beschermende omgeving van deze nieuw gebouwde versterking. Het vreemde Ieperse en West-Vlaamse dialect. Vandenpeereboom heeft het wat denigrerend over 'les idiotismes du dialecte flamand'.

 

Het taaltje dat we vandaag nog altijd spreken in Ieper vindt zijn oorsprong bij deze Saksische boeren die de eerste Ieperlingen werden in het begin van de 10de eeuw. Ook die eerste honderden jaren van het bestaan van Ipra zijn trouwens in schaduwen gehuld. Volgens de lokale historici worden de grenzen van de stad uitgebreid in 958 en later nog eens in 1067. Misbruiken en de tirannie van gravin Richilde jagen het Vlaamse Vlaanderen al in 1071 op stang. Een jaar later neemt de Vlaamstalige Robrecht de Fries na een veldslag in Cassel tegen de troepen van Richilde, als nieuwe graaf van Vlaanderen, de fakkel over in Ieper.

 

Buiten dat politieke nieuws valt er in de archieven van de stad weinig of niets te vertellen over die beginperiode. Een document van 1089 toont aan dat het kapittel van St.-Donaas in het bezit is van een 'Bodium de Ypris', een landelijk fonds waar het kapittel twee tiendenrechten van in handen houdt. Documenten van de 12de eeuw zijn eerder zeldzaam volgens Vandenpeereboom. Dat is helemaal anders voor wat betreft de kerken. In de 11de eeuw zijn er al volop akten van Poperinghe (1000), Waasten (1007 en 1065), Zonnebeke (1072), Wervik (1090), Mesen (1063 en 1066) en nog verscheidene andere, maar de naam van Ipra komt pas naar voor in een manuscript van het jaar 1093 waarbij de kerk van St.-Pieter wordt genoemd.

 

Charters uit de 11de eeuw en zelfs van eerder, opgemaakt in de vroegere Vlaamse abdijen en kloosters, zijn talrijk terug te vinden. De Ieperse abdij van St.-Maarten wordt pas in 1101 opgericht en het is dus niet moeilijk te beseffen waarom er van Ipra van voor die periode weinig of niets terug te vinden is. Toch leidt het geen twijfel dat de Saksische boeren van Ieper energieke en intelligente werkers moeten geweest zijn. Het zijn die noeste arbeiders die het petieterige Ieper van toen aan een steeds hoger tempo op de kaart toveren.

 

Volgens de lokale tradities is er al vrij vroeg sprake van een kapel opgedragen aan de heilige maagd of aan St.-André, maar die wordt vanaf 1012 opgedragen aan St.-Maarten. Het gebouw vervangt ongetwijfeld een kapel die in vroegere tijden werd opgetrokken. Daar in de graslanden rond de Ipere. Rond 1088 wordt de kapel vervangen door een kerk. Met de snel uitdijende bevolking in Ieper is er al snel nood aan een tweede bidplaats en in 1093 wordt een tweede kerk gebouwd opgedragen aan St.-Pieter (Petrus).

 

De documenten van 1093 leren ons dat Filip, de Heer van Loo en zoon van Robrecht de Fries, verzaakt aan zijn juridische rechten op enkele huurgronden en panden in Loo en dit in het voordeel van de St.-Pieterskerk te Ieper. Het bestaan van die kerk in 1093 wordt eveneens bewezen door enkele bewaarde stenen resten van die primitieve kerk. Zo onder andere het portaal en de funderingen van de toren in Romaanse stijl, gebouwd met ijzerhoudende steen.

 

De schrijver vindt het opmerkelijk dat de St.-Pieterskerk op relatief grote afstand gebouwd wordt van de St.-Maartenskerk. Het lijkt te bewijzen dat de stad in die eerste periode al vrij uitgestrekt is. Er moet zich al een omvangrijke stadsontwikkeling in zuidelijke richting hebben voorgedaan. Alphonse Vandenpeereboom besluit dat Ieper in de 12e eeuw een grote stad is en dat het niet anders kan dat ze ook in de voorgaande eeuw een belangrijke plaats moet geweest zijn. Hij gaat verder op zoek naar het fijne van zijn 'burgus' Ieper. En ook wij komen zeker nog terug op zijn Ypriana-kronieken.