P0575100

Een klein beduimeld boekje met een vaalpaarse omslag blijkt een heuse schat te zijn. Ik beklaag mijn eerste bezoek aan de Passendaalse heemkundige boekenmarkt van 11 november 2015 zeker niet. 'Récits des Temps Mérovingiens' van Augustin Thierry' vormt deel uit van een reeks educatieve boekjes, de 'Classiques Larousse' en verscheen in 1935.

 

Mijn oudste kleinzoon draagt de authentieke Vlaamse naam Gust. Augustin Thierry is dus voor wat mij betreft in zekere zin ook Gust Thierry. De man zal er vermoedelijk niets op tegen hebben dat ik hem hier voortaan als Gust zal betitelen. Een knipoog naar mijn nageslacht. Larousse besteedt ruime aandacht aan zijn werk en zijn leven dat zich uitstrekt tussen 1795 en 1856. Historicus, dwarsligger, patriot, briljant, veelzijdig, ziek en blind vanaf zijn 31 jaar. De rest van zijn leven zal hij in pijn en lijden afwerken. 'Il ne cessera de souffrir jusqu' à sa mort'. Zijn werk over de Merovingen schrijft hij dus neer in bedenkelijke levensomstandigheden.

 

'Verhalen', vertelt de correcte Vlaamse vertaling voor 'récits'. Zijn 'Récits des Temps Mérovingiens' blijkt een verzameling van 7 verhalen waarvan er 6 gepubliceerd worden tussen 1833 en 1837. De term 'verhalen' zal veel notoire Franse historici van zijn tijd doen steigeren. Te verhalend, te weinig gestaafd, te emotioneel verbonden met zijn onderwerp. Ik herken de onderhuidse en met tussenpozen betweterige kritiek van een wereld die ook de mijne niet is. Het is daarom dubbel zo fijn dat ze in Parijs wel aandacht willen besteden aan zijn werk en zijn leven.

 

Gust Thierry wil geen geschiedenis schrijven van een natie, maar die van burgers. Van mensen. Om dat werkelijk te doen moet je mensen als mensen bekijken. Gust volgt het spoor van wezens alsof hij oprecht bezorgd de stappen van zijn vrienden tijdens hun gevaarlijke reizen meebeleeft. Hij keert terug naar de originele bronnen en probeert de gebeurtenissen van het ver verleden ook met de ogen van toen te bekijken. Zijn voornaamste bron is een erfstuk van bisschop Gregorius van Tours. De man maakt de periode mee als vertrouwenspersoon van enkele Frankische koningen van die tijd en noteert zijn ervaringen in zijn 'Historia Francorum'.

 

Ik ga op zoek naar wat meer uitleg over Gregorius en leer tot mijn erg aangename verrassing dat de bisschop bekend geworden is als een verteller met oog voor details en anekdotes en dat hij zich op zijn beurt baseert op de overlevering van nog oudere handschriften. Ik vraag me nu al ongeduldig af hoe Gust Thierry in staat zal zijn om de oude geschriften van Gregorius van Tours om te toveren tot een erudiet verslag van de zesde eeuw.

 

De jaren 500 zijn zo goed als onbekend voor de meesten onder ons. Dat geldt uiteraard ook voor mezelf. De Romeinse periode is definitief achter de rug en de Franken zijn aan zet. Ze zullen Frankrijk en Vlaanderen op de kaart zetten. Ik ben ervan overtuigd dat Vlaanderen een kind is van het Frankenrijk, een logische evolutie van wat ooit begonnen is nadat de Germanen West-Europa hebben ingepalmd. Ik neem bewust wat afstand van mijn Westhoek om de geschiedenis ervan in een ruimer perspectief te benaderen. Precies zo zal ik de wortels van mijn eigen volk en streek kunnen ontwarren in de bodem van het verleden.

 

Ik begin meteen aan het eerste verhaal. Braine aan de rivier de Vesle is een Frans dorp in de buurt van Reims en van Soissons. De afstand tussen Poperinge en Braine bedraagt 240 kilometer. Parijs ligt 100 kilometer verder in het zuiden. Hier in Braine bevindt zich in de zesde eeuw één van die immense boerderijen waar de koningen van de Franken hun hof houden. Ze verkiezen die boven de mooiste villa's van Gallië en onderscheiden zich daarmee van de bestaande Gallo-Romeinse aristocratie.

 

Na eeuwen van Romeinse bezetting zijn de oude Galliërs en de Romeinse nieuwkomers niet meer van elkaar te onderscheiden. De Galliërs bestaan niet meer, de oude Belgen zijn een herinnering. De Romeinse soldaten zijn gaan samenwonen met Gallische vrouwen. Het nieuwe volk mag dus inderdaad best als een mix van Gallo-Romeinen bestempeld worden, een normaal fenomeen na een intermezzo van 15 generaties van leven, werken en voortplanting.

 

De Gallo-Romeinse aristocratie leefde op het land en van het land. De industrie van de oude dagen was bevolkt met slaven en alles wat ook maar rook naar handel en commerce werd geminacht. Wie geen bezitter was van landerijen, grote domeinen en 'villae', maakte nooit kans om ooit als vertegenwoordiger van het volk op te treden. De Frankische koningen maken een einde aan deze gebruiken. Ze nemen het land in en verdelen het onder hun achterban. De bestaande Gallo-Romeinse bevolking en de Franken moeten nu allebei leven van dit land.

 

De villa zelf kan ik omschrijven als een onafhankelijk organisme, een zelfbedruipend centrum volgepropt met luxe. De heer van de villa, de 'dominus', houdt een deel van het land voor zich en de rest verdeelt hij in kavels van elk zowat 10 hectare die hij ter ontginning aanbiedt aan een reeks horige boeren. Deze kavels worden mansi geheten. Elke boer komt dus in het bezit van een eigen mansus in ruil voor tegenprestaties aan zijn heer.

 

De meeste mensen schoppen het niet tot zelfstandig landbebouwer en blijven slaaf voor de rest van hun leven. De 'serfs'. Vroeger zijn ze ooit vrij geweest, maar ze bezaten geen grond. Van handel is er geen sprake en daar kunnen ze dus niet van leven. Ze zijn dus wel verplicht om te leven van de opbrengst van andermans grond. De slaven sluiten om deze redenen wel noodgedwongen een contract met de dominus. Ze krijgen hun levensonderhoud van hem en in ruil moeten ze op het land werken en karweien doen voor hun baas.

 

Braine is het voorbeeld van een dergelijke flink uit de kluiten gewassen hoeve waar de Frankische koningen de scepter zwaaien. Ze verkiezen die veruit boven de mooiste villae van Gallië. De boerderij heeft nog niets mee van het militair uitzicht die kastelen later in de middeleeuwen zullen verkrijgen. Een groot en elegant gebouw is het, ingesloten door portieken met een Romeinse architectuur. Vaak gebouwd in hout, gestileerd en voorzien van kunstwerken.

 

Rond het hoofdgebouw bevinden zich in verspreide volgorde een reeks van bijgebouwen. Hier wonen de officieren van het paleis. Barbaren of mannen met Romeinse roots. En natuurlijk de krijgers en hun leiders die zich naar Germaans gebruik aangeboden hebben om onderdanig te zijn aan hun koning. Het engagement van vazallen die hun leider trouw blijven en hem militaire bescherming aanbieden.

 

Ik ontwar eveneens nogal wat kleinere gebouwen en hutten. Hier wonen dus de horige families, de slaven van de heer. De mannen en vrouwen oefenen tal van beroepen uit. Van goudsmid tot de productie van wapens. Wevers en leertouwers, arbeiders die borduren met zijde en goud, een serie ambachtslieden die hun dagen vullen zoals bijvoorbeeld de bewerking van wol en vlas. De meeste van die families zijn Gallisch van origine, geboren en getogen op de grond waar ze nu hun ondergeschikte rol spelen. Nadat de Franken zich tijdens een militaire campagne meester van hun land gemaakt hebben, zijn zij als het ware als onderdeel ervan mee verhuisd en gewelddadig verplicht, gekoloniseerd als het ware om naar de pijpen van de Franken te dansen.

 

De imposante Frankische hoeve beschikt naast een uitgebreide bewoning verder ook nog over schuren, stallen, paardenfokkerijen, stoeterijen, schaapstallen en allerhande loodsen en opslagplaatsen. Op zich toont de mansus perfect de standenwereld zoals die ook te zien was in hun vroegere heimat van Germanië. En precies zoals dat het geval is rond de Rijn, treffen we de Frankische herenboerderijen vaak aan bij de rand van wouden of soms centraal verscholen in grote bossen.

 

In zijn intro heeft Gust Thierry een duidelijk beeld geschetst van de Frankische leefwereld die in Vlaanderen en Frankrijk ontstaan is nadat de Germanen zich meester hebben gemaakt van het land. Het wordt stilaan tijd voor hem om er nu namen op te kleven. Braine is de favoriete stek van Chlotarius, de jongste zoon van Chlodowig, voor ons beter bekend als Clovis. In Frankrijk zal die verder muteren tot de populaire voornaam 'Louis'.

 

Gallië is eigenlijk een erg algemeen woord. Er is alsnog geen sprake van een land met vastgelegde en historische grenzen. De oorlogen die deze staatsgrenzen op papier zullen moeten afbakenen dienen nog allemaal gestreden te worden. Mijn Karolingische en Merovingische vorsten beschouwen hun koninkrijk in de jaren 500 eigenlijk nog altijd niet als een staat maar als een domein waar zij toevallig de eigenaar van zijn. Na de dood van de eigenaar wordt het land zonder scrupules of zorgen verdeeld onder de beschikbare zonen zonder dat hierbij rekening gehouden wordt met enige grenzen of geografische beschouwingen.

 

Deze toestand blijft eigenlijk bestaan tot in de tiende eeuw. Eigenaardig genoeg herstelt het grondgebied van het Frankenrijk zich telkens tot één domein, maar dat heeft veel te maken met neven en nonkels die in tweede instantie bereid zijn om hun landerijen weer samen te brengen onder het bestuur van een enige zoon, schuine streep, opvolger. Ik moet daarbij onwillekeurig denken aan een hagedis waarvan de staart na amputatie terug groeit naar zijn oorspronkelijke vorm. Alsof de staat zich vanzelf en na verloop van tijd weer herstelt tot zijn vroegere proporties.

 

Braine is dus zonder twijfel het lievelingsverblijf van Chlotarius. Hij is de jongste van de vier zonen van Clovis. Na de dood van zijn drie broers is hij koning van heel Gallië geworden. Chlotarius heeft een geheime kamer laten inrichten in zijn kasteelhoeve. Hier huizen grote koffers voorzien van driedubbele grendels en sloten, volgestouwd met rijkdom, geld, vazen en precieuze juwelen. Hier kan je ook de aktes en documenten terugvinden die zijn koninklijke macht moeten staven. Het is in Braine dat hij de conferenties van zijn bisschoppen laat doorgaan. De wetten van het land zijn enkel geldig indien ze afkomstig zijn van beslissingen van deze synodes en die kunnen enkel opgeroepen worden door de koning in hoogsteigen persoon.

 

Het is zeker geen slecht idee om even stil te staan bij het bestaan van deze concilies, soms ook wel synoden genoemd. De grote Gallische steden hebben elk hun bisschop. Hun gezamenlijke vergaderingen moeten zorgen voor wet en orde. Vertegenwoordigers van buitenlandse koningen worden er in stijl ontvangen. Het oude parlement als het ware. Chlotarius zit de vergaderingen der vrije mannen van de Frankische natie voor.

 

Achteraf worden er grote festijnen georganiseerd. Everzwijnen en herten worden in hun geheel op brochetten geplaatst en gebraden. Met enig inlevingsvermogen hoor, zie en ruik ik het afdruipen van de vetten op de gulzige vlammen, de rook en de geuren die ze veroorzaken. Het vlees wordt opgediend op tafels van gebroken vaten die overal verspreid staan tot ver in de uithoeken van de zaal.

 

Chlotarius vult zijn dagen met het bezoeken van zijn diverse domeinen. Zolang hij geen oorlog moet voeren uiteraard. Zijn vijanden zijn hem goed bekend. De Saksen die hun gebied hebben tussen de Weser en de Elbe. De Bretoenen of de Visigoten van Septimanië, 'Zevenland', de landstreek van Zuid-Frankrijk met steden zoals Carcassonne, Nîmes en Perpignan.

 

Ik krijg wat details over enkele van die domeinen. Attigny aan de Aisne in de Ardennen, Compiègne, Verberie aan de Oise. Koning Chlotarius gaat er de voorraden controleren en levert zich samen met zijn Frankische vertrouwelingen over aan de geneugtes van de jacht, de visvangst, de zwemkunst en deze van de vrouwen. Aan maîtresses is er geen gebrek. De dochters van zijn slaven staan vrijuit ter beschikking. Het gebeurt vrij dikwijls dat de mooiste meisjes zich kunnen bevrijden uit hun staat van concubine (bijvrouw) en promotie maken tot echtgenote en koningin.

 

Chlotarius moet zodanig veel keer getrouwd zijn dat mijn schrijver er zowat de tel bij verliest. Zo huwt hij met Ingonde een jong meisje van lage afkomst. 'Zonder overigens van zijn ongeregelde levenswijze af te zien, die zij als slavin met een uiterste onderwerping duldde, beminde hij haar hartelijk en leefde met haar in de beste eensgezindheid.' Ik moet er wat om lachen. Ondergeschiktheid, laat me niet lachen, maar ondertussen gaat ze wel op zoek naar een geschikte man voor haar zuster Aregonde. Een dappere en vermogende echtgenoot zodat ze niet langer belachelijk zal gemaakt worden door de inferieure status van haar eigen zus.

 

Misschien kan haar man de koning Ingonde wel helpen. 'Dit verzoek wekte de nieuwsgierigheid van de vorst en tegelijk zijn begeerte naar genot.' De vleselijke lusten die de geile Chlotarius ondervindt ergens rond de jaren 534-535, gutsen nu nog altijd over mijn scherm. Best wakkere geschiedenis, geromantiseerde kronieken die om verdere uitleg vragen en zo ga ik verder met de amoureuze escapades van mijn Frankische vorst Chlotarius.

 

'Hij vertrok diezelfde dag naar het landgoed waar Aregonde woonde en een van de handwerken uitoefende die aan de vrouwen opgedragen waren, zoals het weven en verven van wollen stoffen. Chlotarius vindende dat zij haar zuster op zijn minst in schoonheid evenaarde, nam haar met zich, gaf haar zijn koninklijk vertrek tot verblijf en de naam van vrouw tot titel.' Achteraf keert hij terug naar Ingonde met de boodschap dat hij geen betere man heeft kunnen vinden voor haar zus Aregonde dan zichzelf.

 

Je moet het maar kunnen zeggen in het leven. Veel meer dan slikken en ja knikken zal Ingonde wel niet hebben kunnen uitkramen hebben vermoed ik. De romantische variante geeft het een andere draai: 'zonder enige blijk van ontroering te geven of enigszins haar geest van onderwerping te verloochenen, antwoordde Ingonde: mijn heer en meester, doe wat gij goed vindt, zolang zijn dienstmaagd maar niets van zijn genegenheid verliest.'

 

Ik pluis er Wikipedia even op na. Dubbelchecken, weet je wel. Chlotarius zorgt voor vier officiële mannelijke opvolgers. Van eventuele dochters is er geen sprake. Ingonde is conform de geschiedenisboeken een Duitse prinses maar ik weet ondertussen wel beter. Ze staat genoteerd als de moeder van Haribert (520), Gontran (532) en Sigebert (535). Halfbroer Chilperik, vermoedelijk de jongste, is een kind van Aregonde en wordt geboren in datzelfde jaar 535. Een vijfde halfbroer, Chramm, wordt hier om een of andere voorlopig onbekende reden over het hoofd gezien.

 

Zachtzinnig zal het er niet aan toegaan tussen vader Chlotarius en zijn zonen. Dat kan ik alvast uitmaken uit volgende passage: 'in het jaar 561, na een veldtocht tegen één van zijn zonen, wiens opstand hij strafte door hem samen met zijn vrouw en zijn kinderen te doen verbranden.' Het gaat hier meteen over de 'vergeten' Chramm. Ik begrijp meteen waarom er geen plaats vrij werd gemaakt voor zijn aanwezigheid in onze vaderlandse geschiedenis.

 

'Na zijn wraakoefening kwam hij zeer bedaard en met een gerust geweten in zijn huis te Braine terug. Daar maakte hij zich gereed tot de herfstjacht, bij de Franken een soort van plechtigheid. Door een menigte mannen, paarden en honden gevolgd, begaf de koning zich naar het bos van Cuise, waarvan dat van Compiègne in deze tegenwoordige tijd slechts een gering overblijfsel is. Te midden van die geweldige inspanning, waartegen zijn jaren niet meer bestand waren, kreeg hij de koorts en zich naar zijn naastbij gelegen goed hebbende doen vervoeren, stierf hij aldaar na een regering van vijftig jaren.'

 

Na zijn dood in 561 eist Chilperik naast de schatkist van zijn vader eveneens het hele Frans-Frankische grondgebied op, het 'Regnum Francorum'. Maar hij krijgt lik op stuk. Zijn oudere halfbroers krijgen ook hun deel van het grondgebied toegewezen. Chilperik erft uiteindelijk het kleinste stuk: Vlaanderen, de Westhoek, het gebied ten noordwesten van de Somme tot aan Zeeuws-Vlaanderen. Sigebert zal voortaan heersen over de oostelijke gebieden, Austrasië, een soort voorloper van West-Duitsland. Van Tongeren in het westen tot Thuringen in het oosten en een flink stuk verder dan de Rijn.

 

Ten zuiden van Reims en Parijs worden west en oost verdeeld tussen Haribert en Gontran. Haribert krijgt de westerzijde die zich uitstrekt tot aan de Pyreneeën en Gontran de regio Bourgondië eindigend aan de Middellandse zee. De verdeling zal al direct zorgen voor conflicten tussen de broers. In 562 breekt er een oorlog uit tussen Chilperik en Sigebert en probeert eerstgenoemde weer in het bezit te komen van de regio Reims.

 

Dit is kort gezegd de stand van zaken na de dood van Chlotarius, op mijn manier geschreven, mijn kroniekschrijver staat echter te trappelen om het wel zelf te vertellen. Ik laat hem dan ook graag aan het woord. De 'petite histoire' heeft bij mij altijd zijn rechten. 'Zijn vier zonen Haribert, Gontran, Chilperik en Sigebert volgden vaders lijkstatie tot aan Soissons, psalmen zingende en waskaarsen in de hand houdende.'

 

De kat zal nu wel gauw op de koord springen. 'Nauwelijks waren de plechtigheden van de begrafenis afgelopen of de derde van de vier broers, Chilperik, vertrok in allerijl naar Braine en dwong de bewaarders van dat koninklijk goed om hem de sleutels van die schatkamer te geven en zo over al de schatten door zijn vader verzameld te kunnen beschikken.'

 

'Hij begon nu een gedeelte van deze schatten aan de opperhoofden der benden en aan de krijgslieden uit te delen die ofwel te Braine of in de nabijheid hun woningen hadden. Allen zwoeren hem trouw, hun handen in de zijne leggende, begroetten hem juichend met de titel van koning en beloofden hem overal te volgen waar hij hen zou leiden.'

 

Dat is nu eens een brok geschiedenis waar ik geen barst van afwist. Jullie toch ook niet? De kinderjaren van mijn streek hebben heus wel wat meer voorgesteld dan de oude Belgen, de Romeinen die dan gevolgd werden door de Franken. Het bloedvergieten en de kleine kantjes hebben er in ruime mate deel van uitgemaakt. Parijs, Vlaanderen, Gallië zoals ik ze allemaal nog nooit bekeken had.

 

'Toen, zich aan hun hoofd stellende, trok hij recht op Parijs aan, het oude verblijf van zijn grootvader Clovis en later van zijn overleden oom Childebert. Misschien, zo dat Chilperik, dat het bezit van de stad eertijds door de veroveraar van Gallië bewoond hem enige voorrang zou geven. Misschien beoogde hij daarmee niets anders dan zich het koninklijk paleis toe te eigenen, welke gebouwen en tuinen zich langs een aanzienlijk gedeelte van de linkeroever van de Seine uitstrekten.'

 

'Chilperik kwam zonder tegenstand te ontmoeten binnen Parijs en huisvestte zijn krijgslieden in de torens die de bruggen verdedigden van deze stad, welke toen door de Seine omringd was. Maar de drie andere broers, die overrompeling vernomen hebbende, verenigden zich tegen hem, die zich zelve een deel wilde kiezen uit de vaderlijke erfenis, en trokken met een grote overmacht en grote dagmarsen naar Parijs.'

 

'Chilperik durfde hen het hoofd niet bieden, en van zijn ondernemingen afziende, onderwierp hij zich aan de kans van een met onderlinge goedkeuring gemaakte verdeling. Die verdeling van heel Gallië en van een aanzienlijk deel van Germanië geschiedde door een loting, net zoals die al eens een halve eeuw geleden had plaats gevonden tussen de zonen van Clovis.'

 

Jullie hebben daarnet mijn eigentijdse samenvatting gelezen over de indeling van de Europese landstreken tussen de vier zonen van Chlotarius. De uitleg en de naamgeving van Europa leest totaal anders als ik de kroniekschrijvers van die tijd aan het woord laat. 'Er waren vier loten, elk van welke met enige veranderingen de vier gedeelten van het grondgebied toewezen, bekend onder de koninkrijken van Parijs, van Orléans, van Neustrasië en Austrasië.'

 

'Haribert kreeg door het lot het koninkrijk waaraan Parijs de naam gaf, zich van het noorden naar het zuiden uitstrekkende, die Senlis, Melun, Tours, Bordeaux en de steden der Pyreneeën bevatte.' 'Gontran kreeg voor zijn aandeel met het koninkrijk van Orléans het deel van zijn oom Chlodomir, het hele grondgebied van de Bourgondiërs van de Saône en de Vogesus tot aan de Alpen en de zee van Provence. Reims werd beschouwd als de hoofdstad van de Austrasische gebieden.

 

Chilperik die baas wou worden over het hele Frankengebied krijgt uiteindelijk enkel de regio waar later Vlaanderen en de Westhoek tot stand zullen komen. Het kleinste deel, dat zal hem leren om voor zijn beurt te spreken. 'Het deel van Chilperik was dat van zijn vader, het koninkrijk van Soissons, die de Franken 'Neoster Rike' of Westers Rijk noemden en dat ten noorden de Schelde en ten zuiden de Loire tot grenzen had.'

 

Het Oosterse Rijk, uiteindelijk, of het Oster-Rike, kwam aan Sigebert die in zijn deel Auvergne, het noordoosten van Gallië en Germanië tot aan de grenzen der Saksen en Slaven bezat'. Vlaanderen, met de Westhoek als uiteinde aan de grote zee was de ooit de tegenhanger van de oostelijke gebieden van Gallië. Ons land kon dus net zo goed Westenrijk genoemd zijn en net zoals Oostenrijk de tanden van de tijd overleefd hebben.

 

Ik ben in de Westhoek beland. De regio van Chilperik heeft Soissons als hoofdstad en bevat onder meer de kernen van Atrecht, Kamerijk, Amiens, Terwaan, Boulogne en Doornik en de gebieden in welke de Morinen ooit thuis waren. Het gebied ook van de Salische Franken. Met verloop van tijd zal de hele noordwestelijke kant van het Regnum Francorum bekend raken als Neustrië, een verbastering van 'Neoster Rike'.

 

'Nadat het lot aan de vier broers hun aandeel in de steden en het grondgebied had toegewezen, zwoer elk van hun op de relikwieën der heiligen met zijn eigen deel tevreden te zijn. Het duurde niet lang of die eed werd verbroken. Chilperik, gebruik makende van de afwezigheid van zijn broer Sigebert die in Germanië oorlog voerde, viel onverwacht Reims aan en overmeesterde deze stad, benevens enige andere die onder zijn bereik lagen.'

 

Ik had het kunnen denken. 'Maar hij had niet lang genot van deze verovering. Sigebert kwam zegevierend terug van zijn tocht aan de overzijde van de Rijn, heroverde zijne steden, de ene voor, de andere na, en zijn broer tot onder de muren van Soissons vervolgende, versloeg hem in een veldslag en kwam met geweld binnen de hoofdstad van Neustrië.'

 

Chilperik verliest Soissons aan zijn broer. Eigen schuld. 'Volgens het karakter van barbaren, wier drift geweldig maar van korte duur is, verzoenden zij met elkander, opnieuw zwerende niets tegen elkander te ondernemen. Beiden hadden een woelig, krijgszuchtig en uitermate wraakzuchtig karakter. Haribert en Gontran, ouder en minder hartstochtelijk vonden genoegen in rust en vrede.' Ik krijg wat voorbeelden te lezen over het milde karakter van beide broers. Vooral onze eigen koning Chilperik moet een crapuleuze persoonlijkheid zijn en dan nog een van het soort die denkt dat hij slimmer is dan een ander.

 

Ik lees het zo: 'koning Chilperik daarentegen, een soort van halfwilde vrijgeest, luisterde alleen naar zijn eigen goeddunken, zelfs in zaken die de leer van het Roomse geloof betroffen. Het gezag van de geestelijkheid scheen hem ondragelijk en een van zijn grootste genoegens vond hij in het vernietigen van testamenten die ten voordele van een klooster of een werk werden gemaakt. Het karakter en gedrag van de bisschoppen was het ideale onderwerp van zijn scherts en tafelgesprekken. De ene noemde hij een domkop, de andere een onbeschaamde, deze een babbelaar en gene een wellusteling.'

 

De kerk is dan al begonnen aan zijn succesvolle raid op 's werelds eigendommen en dat blijkt niet naar de zin van Chilperik te zijn. Wat zou deze koning toch een adept van de latere Franse revolutie geweest zijn! 'De grote goederen die de kerken bezaten en die steeds toenamen, de invloed van de bisschoppen in de steden, waar zij sedert de regering der barbaren de meeste voorrechten van de oude municipale overheden genoten, al die rijkdommen, al die macht, die hij benijdde, zonder enige middel te kunnen vinden om zich daarvan meester te maken, wekte zijn na-ijver allergeweldigst op.'

 

'De klachten die hij in zijn spijt deed horen waren niet van gezond verstand ontbloot en dikwijls hoorde men hem zeggen: “ziedaar, onze schatkist is verarmd, onze goederen gaan naar de kerken over, niemand regeert inderdaad dan de bisschoppen der steden”. Chilperik moet zijn grootvader Clovis op zulke momenten vermoedelijk verwenst hebben. Waarom heeft hij zichzelf toch ooit laten dopen? Besefte hij dan niet hoe zeer de clerus van zijn rijkdom zou beginnen te profiteren?

 

En dan zijn er natuurlijk nog de vrouwen waar de zonen van Chlotarius blijkbaar een zwak voor hebben. 'Voor het overige maakten de zonen van Chlotarius, met uitzondering van Sigebert, de jongste, zich aan een hoge mate aan onkuisheid schuldig, bijna nooit zich met een enkele vrouw vergenoegende, zonder de minste schroom verlatende die zij eerst kortelings getrouwd hadden, en haar vervolgens na een gril van een ogenblik weder tot zich nemende.'

 

'De vrome Gontran huwde bijna even zo dikwijls als zijn twee broers, en zo wel als zij had hij zijn bijzitten, van de welke er een, Venerande genoemd, de dochter was van een aan de fiscus toebehorende Galliër. Koning Haribert nam twee zeer schone zusters, die tot de bedienden van zijn echtgenote Ingoberge behoorden, tegelijk tot zijn bijzitten. De ene heette Markowefe en droeg een geestelijk kleed. De andere heette Meroflede. Ze waren dochters van een wolwerker, barbaars van afkomst en lijfeigene van het koninklijk goed.'

 

'Ingoberge, naijverig op de liefde, (wat een schitterende manier toch om jaloezie te omschrijven), die haar man die twee vrouwen toedroeg, deed alles wat in haar vermogen lag om hem die te ontnemen, maar het gelukte haar niet. Haar mededingsters echter niet durvende mishandelen noch wegjagen, verzon zij een soort van krijgslist, geschikt naar haar oordeel om de koning een afkeer te laten inboezemen van een verbintenis hem onwaardig.'

 

'Zij liet de vader van de twee meisjes komen en liet die wol kaarden op de binnenplaats van het paleis. Terwijl de man aan het werk was, zijn best doende om zich ijverig te tonen, riep de koningin haar man om de werkplaats te komen bezichtigen. De koning kwam, keek rond en niets anders ziende dan een wolkaarder werd hij boos, de scherts zeer euvel opnemende. Het kwam tot woorden tussen de twee echtgenoten en de uitslag was heel anders dan Ingoberge verwacht had. Zij was het die de koning wegjoeg om met Meroflede te trouwen.'

 

'Haribert, kort daarna vindende dat één enkele wettige vrouw hem niet genoeg was, gaf plechtig de titel van echtgenoot en koningin aan een meisje, Theodehilde genaamd, wier vader veehoeder was. Enige jaren daarna stierf Meroflede en de koning haastte zich haar zuster Markowefe te trouwen'. Ik word haast tureluurs van al die vrouwenhistories. 'Volgens de wetten van de kerk was hij alzo schuldig aan een dubbele heiligschennis, vooreerst als hebbende twee vrouwen en ten tweede als gehuwd hebbende een vrouw die de geestelijke sluier had aangenomen.'

 

'Aangemaand door St. Germain, toen bisschop van Parijs, om zijn tweede huwelijk te verbreken, weigerde hij dit volledig en werd in de ban gedaan, maar de tijd was nog niet gekomen, waarin de kerk de brutale hoogmoed van de erfgenamen der verovering onder haar tucht zou doen bukken. Haribert liet zich weinig aan dat vonnis gelegen en behield zijn twee vrouwen bij zich.'

 

Chilperik de zoon van Aregonde, die zal wel het record op zijn naam hebben van het grootste aantal getrouwde vrouwen en koninginnen. 'Onder al de zonen van Chlotarius is het Chilperik aan wie de verhalen uit die tijd het grootst aantal koninginnen geven, dat is te zeggen, vrouwen, volgens de wetten van de Franken, met een ring en de penning getrouwd. Eén van die koninginnen, Audovera, heeft in haar entourage van dienstmeiden een jonge Frankische freule die Fredegonde genoemd wordt. Zoals haar naam laat vermoeden, is het meisje van Frankische oorsprong. Het meisje bezit een opmerkelijke schoonheid en Chilperik voelt liefde op het eerste zicht bij de eerste ontmoeting met haar.

 

Fredegonde beantwoordt deze liefde tussen dienstmeid en koning en begeeft zich daarmee op een gevaarlijk pad. Eentje van jaloezie, afgunst en wraak van haar meesteres. Het verwondert me een beetje dat Gust Thierry zich vastbijt in deze vrouwenhistorie. Hij zal er zeker wel zijn redenen toe hebben zeker? Ik kan jullie nu alvast al meegeven dat deze Fredegonde gaandeweg een hoofdrol zal gaan opeisen in de levens van de kleinzonen van Clovis. Een stroomversnelling van amoureuze escapades en intriges. Ik keer eerst nog eens terug naar het begin. Beauty Fredegonde trekt zich niets aan van de frustraties van haar bazin. Aan ambitie heeft ze blijkbaar geen gebrek en ze gaat op zoek naar mogelijke middelen om de koning te scheiden van Audovera.

 

De oude kronieken van de jaren 500 hebben het er ook over. Fredegonde slaagt in haar opzet. Met de oogluikende toelating van een bisschop en dank zij de naïviteit van Audovera zelf. De maîtresse barst van de ambitie en gebruikt alle mogelijke legitieme middelen om een breuk tussen het koninklijk echtpaar te veroorzaken. Gust schuift me een voorbeeld toe. Sigebert heeft het aan de stok met de Saksen, Chilperik besluit om af te reizen naar de Rijn en zijn broer te gaan helpen. Hij laat een zwangere Audovera achter in Braine.

 

Nog voor zijn terugkeer bevalt zijn vrouw van een dochter. 'Moet ik de kleine nu laten dopen?', vraagt ze argeloos aan Fredegonde. 'Uiteraard zal dat dienen te gebeuren', adviseert haar sluwe medewerkster, 'je kan je echtgenoot het toch niet aandoen dat hij bij zijn triomfantelijke terugkeer van de Rijn een ongedoopt kind in zijn armen zou toegestopt krijgen?' Haar medewerkster krijgt daarop opdracht om een doopceremonie te organiseren. Het wordt een valstrik, een ceremonie gevuld met intriges. Fredegonde ruikt haar kansen en speelt een gehaaid spel met haar meesteres.

 

Ik zie het doopritueel zo voor me. Bisschoppen en ceremoniemeesters gekleed als kerstbomen in vol ornaat nemen de ceremonie uiteraard ernstig op. Audovera is er met haar pasgeboren dochtertje. Van een meter is er geen spoor. 'Waar blijft die toch?' vraagt ze zich af. 'Geen enkele vrouw heeft voldoende autoriteit om de dochter van de koningin boven de doopvont te houden', antwoordt Fredegonde. 'Geloof me, er kan maar één iemand je kind vastnemen tijdens de doop: u zelf als koningin!' De bisschop vervolledigt met het nodig misprijzen de ceremonie terwijl Audovera zelf niet snapt welke religieuze blunder ze heeft geslagen.'

 

Bij zijn terugkeer wordt koning Chilperik warm verwelkomd door de jonge meisjes van het thuisfront. Met bloemen en gezangen. Fredegonde is er ook bij. 'Proficiat met je overwinning en met de geboorte van je dochtertje', dat zijn hier nu wel mijn eigen woorden, maar daar zal het wel op neerkomen. 'Maar met wie zal mijn heer nu slapen?' 'Met de koningin, mijn meesteres zal dat moeilijk gaan, want ze is nu de doopmeter van je kind Hildeswinde!'

 

Chilperik zoekt zijn vrouw op in de portieken van de koninklijke villa. Ze toont hem fier hun kind. 'Maar vrouw toch', reageert hij, 'welke dwaze zaken heb je nu toch uitgericht? Je hebt jezelf onmogelijk gemaakt als echtgenote.' Ik kort het verhaal wat in tot de essentie: de bisschop wordt verbannen en Audovera mag het aantrappen naar een klooster waar ze de rest van haar leven als een religieuze zal moeten doorbrengen. 'Om haar te troosten gaf hij haar verscheidene landerijen, aan de schatkist behorende en in de nabuurschap van (Le) Mans liggende, ten geschenke. Chilperik huwde Fredegonde en het was onder het gedruis der feesten van dit huwelijk, dat de verstoten koningin naar haar schuilplaats vertrok, waar zij vijftien jaren later op bevel van haar vorige dienstmeid ter dood gebracht werd.'

 

Ik voeg er voor de volledigheid aan toe dat Audovera en Chilperik samen vijf kinderen op de wereld hebben gezet. De zonen Theodebert, Meroveüs en Clovis en de dochters Basina en Hildeswinde. Basina zal met verloop van tijd ook geneutraliseerd worden door Fredegonde. Ze wordt in haar opdracht verkracht en verliest hierdoor haar status als mogelijke erfgename. Zelf zal Fredegonde zes kinderen op de wereld zetten. De eerste vier zullen vroeg sterven door dysenterie en volgens haar door de schuld van Chilperiks in 580 enig overgebleven zoon Clovis.

 

Ik ben wat op de feiten vooruitgelopen en keer wat terug naar het nulpunt van de tijd. Terwijl de drie oudste zonen van Chlotarius een losbandig en zedeloos leven leiden en allemaal huwelijken aangegaan zijn met vrouwen uit de dienstbare klasse, doet de jongste Sigebert precies het tegenovergestelde. Hij veracht het gedrag van zijn broers. Op hun niveau moet er getrouwd worden met meisjes van koninklijke bloede. Hij voegt de daad bij het woord en richt zijn vizier op één van de twee dochters van Athanagild, de koning van de Visigoten die op dat moment in de geschiedenis regeert over een gebied dat ik het best als 'Spanje' kan omschrijven.

 

De dochters in kwestie heten Brunhilde en Galswintha. Sigebert laat zijn oog vallen op Brunhilde, de jongste, die 'zeer wegens haar schoonheid bewonderd werd'. 'Een talrijk gezantschap vertrok met zijne geschenken van Metz naar Toledo, om van de koning der Goten haar hand te vragen. Hofmeester Godeghisel van het paleis van Austrasië, ervaren in alle soorten van onderhandelingen, slaagde in deze volkomen en bracht de bruid van koning Sigebert uit Spanje mede terug.'

 

'Overal waar Brunhilde op haar lange tocht naar het noorden voorbij kwam, trok zij de aandacht tot zich door de bevalligheid van haar manieren, haar elegantie, de wijsheid in haar gedrag en het aangename van haar omgang. Sigebert beminde haar, en heel zijn leven bleef hij haar een hartelijke liefde toedragen.' Een Nederlandse vertaling uit 1836 die zich op dezelfde bronnen baseert, geeft extra kleur aan het leven in deze Frankische tijden. Lees maar:

 

'Het was in het jaar 560 dat de bruiloft met grote statie in de koninklijke stad Metz gevierd werd. Al de heren van het rijk van Austrasië waren door de koning uitgenodigd om aan de feesten deel te nemen. De graven der steden en de landvoogden van de noordelijke provinciën van Gallië, de patriarchale opperhoofden van de oude Frankische stammen die aan de overzijde van de Rijn gebleven waren, de erfelijke hertogen van de Alamannen, de Bavaren en de Thuringers zag men met hun gevolg van mannen en paarden te Metz toekomen.'

 

Het is alsof de geschiedenis onder mijn tokkelende vingers begint te leven. 'In die zonderlinge vergadering zag men de beschaving en de barbaarsheid naast elkander, en beide in verschillende graden. Er waren beschaafde en indringende Gallische, trotse en stuurse Frankische edellieden. Men zag er ware wilden, geheel in bont gekleed, zo ruw in hun manieren als in hun uiterlijk.'

 

'Het bruiloftsmaal was prachtig en de vreugde maakte het levendig. De tafels waren bedekt met schotels van gesneden of gedreven goud en zilver, de vruchten van de plundering na de verovering. De wijn en het bier stroomden onophoudelijk in bekers van jaspis of in horens van buffels met zilveren randen, waaruit de Germanen dronken. In de grote zalen van het paleis hoorde men de gezondheden en toosten die de drinkers elkander toebrachten, de uitdagingen die zij elkander deden, het gejuich, het gelach, al het geraas van de Duitse vrolijkheid weerklinken.'

 

De broers zullen er ook wel aanwezig zijn daar op het trouwfeest van Sigebert. Chilperik zal de status en de grandeur van het gebeuren vermoedelijk niet al te goed kunnen verkroppen. Zijn broer Sigebert slaat twee vliegen in één klap: een schoon meisje en dan nog met koninklijke afkomst. Het is hem niet ontgaan dat er nog een tweede exemplaar van rondloopt. Galswintha. Inderdaad de oudere zus van Brunhilde. De onderhandelingen gebeuren in penibele omstandigheden en houden veel voeten in de aarde. Kwesties van moraal en interesses. De koning bezit toch al een vrouw?

 

Fredegonde heeft meteen afgedaan. Chilperik belooft op zijn eerstecommuniezieltje dat hij haar zal droppen en ook de rest van zijn bijzitten naar huis zal sturen. Het discours met de Visigoot Athanagild kan nu voortgezet worden. Wat ik hier vertel is een geschiedenis die vermoedelijk jaren aan een stuk aansleept en nog aan de gang is in het jaar 567 wanneer broer Charibert overlijdt. Het erfdeel van de Parijzenaar wordt nu opnieuw verdeeld onder zijn drie broers. De steden ten zuiden van de Loire vallen in de handen van Chilperik. Een gelukkig toeval, want nu wordt hij meteen de dichtste buur van zijn target Galswintha.

 

Zijn nieuwe vlam walgt van hem. Ze kan de echo's van zijn bedenkelijke reputatie onmogelijk negeren. De beloftes van de Frankische onderhandelaars hebben haar in het geheel niet kunnen overtuigen noch kunnen geruststellen. Zelf heeft ze niets te zeggen over het huwelijk. De huwelijkstransactie in kwestie is niet veel meer dan het verwerven van een stuk grond. Galswintha in ruil voor de steden Limoges, Cahors en Bordeaux.

 

Gust Thierry leeft duidelijk mee met de hartstochtelijke scenes die zich afspelen aan het Spaanse hof. De deal is rond en de Frankische gezanten zullen Galswintha met zich meenemen en haar tot bij Chilperik brengen. Onherroepelijk. Het meisje stort zich met de nodige pathos en zonder twijfel ook met emmers krokodilentranen in de armen van haar moeder die er vermoedelijk ook maar bij zit als het vijfde wiel aan de wagen. De Frankische ambassadeurs zijn best onder de indruk van de twee vrouwen die hartstochtelijk lijden en hete tranen plengen en durven amper te praten over de terugreis die ze eigenlijk stante pede wensen aan te vangen.

 

Ze laten er enkele dagen over gaan. Twee dagen, drie dagen. Dan staan ze weer voor de koningin met de boodschap dat ze nu toch wel willen vertrekken. Hun eigen koning wordt best ongeduldig en de trip is nog lang. Weer zijn er die tranen en datzelfde melodrama, maar de Franken laten zich niet langer pramen: het vertrek moet en zal gebeuren de volgende morgen. Athanagild moet eveneens met de vuisten op tafel slaan. Hij is de koning en de vader. De vrouwen moeten uitvoeren wat hij beslist heeft.

 

Een lange karavaan van ruiters, wagens en karren, volgestouwd met bagage vertrekt uiteindelijk vanuit de straten van Toledo in de richting van de noordelijke stadspoort. Ik herbeleef het afscheid van Galswintha alsof het om een uitvaart gaat. De koning volgt de stoet, gezeten te paard, tot aan de brug van de rivier de Tage. De koningin (Goswinthe is haar naam) kan het niet opbrengen om haar dochter nu al alleen achter te laten en beslist om de groep nog een tijdje langer te volgen. Galswintha zelf wordt meegevoerd in een slaapwagen die getrokken wordt door paarden of runderen.

 

Aan details geen gebrek. Het mag dan al lang geleden gebeurd zijn. Goswinthe neemt plaats in de wagen van haar dochter in afwachting van een definitief afscheid die altijd maar opnieuw wordt uitgesteld. Etappe na etappe, elk dag opnieuw. Telkens beweert ze dat het de laatste dag is, maar ze kan het niet over haar hart brengen en zo sukkelen ze verder richting Gallië en het noorden.

 

De bergen komen er aan. Ik denk bij mezelf dat een reis van Spanje naar Vlaanderen in die oude tijden vermoedelijk een tocht van maanden moet zijn. De wegen zullen best pover zijn, de Pyreneeën voorbij raken geen sinecure. Goswinthe host nog altijd mee. Haar persoonlijke beschermers, de Visigoten, hebben haar de hele tijd met de nodige egards behandeld en haar grillen gerespecteerd. Ze zien echter de gevaren van de reis voor hun koningin somber in en ze grijpen in. Stop. Dit is werkelijk de laatste mijl. Het afscheid moet hier gebeuren en gebeurt ook. Kalmer weliswaar maar natuurlijk zijn er weer die tranen. 'God wil het' snikt Galswintha, 'dat zal wel', denk ik en weg is ze. Alleen de tristesse blijft over.

 

De escorte van heren en strijders van de twee naties raakt voorbij de bergen, passeert Narbonne en Carcassonne en bevindt zich nog altijd op het grondgebied van de Visigoten. De weg leidt hen via Poitiers en Tours naar Rouen waar de huwelijksplechtigheid zal plaatsvinden. Bij de stadspoorten van elke grote stad ontpopt de karavaan zich zoals een rups zich transformeert tot vlinder. De ruiters werpen hun stoffige mantels af. De paarden worden opgekalefaterd. De traditie van de blijde intredes is toen al een feit. Zowel de stedelingen als de gasten willen zichzelf overtreffen in grandeur. Een expositie van rijkdom, een 'm'a tu vu' van de binnentredende gezagsdragers die de rust van de steden maar al te goed kunnen gebruiken om enkele dagen op adem te komen na een vermoeiende reis.

 

De verloofde van de koning van Neustrië ruilt haar stevig reisvehikel voor een bolvormige paradewagen volledig beslagen met zilveren plaatwerk. Van de aankomst van de karavaan in Rouen en de ontmoeting tussen Galswintha en Chilperik krijg ik voor de rest helaas geen beelden door.

 

Chilperik doet in elk geval wat hij beloofd heeft. Hij dumpt zijn vrouwen en ontslaat zijn maîtresses. De mooie Fredegonde, zijn paradepaardje, zijn chouchou, moet eveneens haar status van koningin afstaan. Ze doet dat met een elegantie en een vanzelfsprekendheid die haar hele entourage verrast. Ze accepteert haar degradatie in stijl. Tegen de status van een koningin zoals Galswintha kan ze niet opboksen. 'Kan ik misschien verder aan het paleis verbonden blijven als dienstmeisje?' vraagt ze bescheiden. Dat wordt toegestaan. Niemand lijkt te beseffen dat onder deze façade van welwillendheid een verraderlijke lepe vrouwelijke sluwheid wacht op het ideale moment om toe te slaan en haar slag binnen te halen.

 

Het afwijzen van een vrouw brengt dikwijls het slechtste in haar boven en ook hier is dat het geval. Sinds de dag dat Chilperik de kans schoon zag om zich te verenigen met een meisje van koninklijke afkomst heeft hij Fredegonde laten staan. De zoon van Chlotarius is nu eenmaal een ongelikte beer en een ongemanierde boer die over lijken gaat en daarbij zeker niet de minste aandacht zal besteed hebben aan de psychologische ongemakken en de verbittering bij zijn gedumpte geliefde. Het komt zelfs niet bij hem op dat het totaal verkeerd van hem is om de gekwetste gewezen koningin alsnog toe te laten in zijn koninklijke residenties en in de nabijheid van zijn nieuwe vrouw Galswintha.

 

Het trouwfeest is zowat een kopie van dat van Gontran en Brunhilde. Pracht en decadentie verenigd in zelden geziene festiviteiten. De Frankische heren van Neustrië zijn er allemaal. Samen met veel strijders die hem trouw zweren en hun eed van onderdanigheid aan hem afleggen. Chilperik is hun koning. Ze plaatsen zich in een halve kring rond hem, zwaaien simultaan met hun glanzende zwaarden in de lucht terwijl ze de traditionele lijfspreuk van het oude land uitspreken. Wie ooit deze eed zal verbreken, zal de scherpe snede van het zwaard voelen.

 

Koning Chilperik doet niet onder voor zijn gezworenen. Een wederzijdse belofte van stabiliteit en trouw, zijn handen rusten hierbij op een versierd koffertje met de relieken van een of andere dode heilige. Hij zweert dat hij de dochter van de koning der Visigoten trouw zal blijven zolang hij leeft en nooit nog een andere vrouw tot de zijne zal nemen.

 

Kersverse koningin Galswintha laat zich eveneens opmerken. Door haar gracieuze goedheid tegenover haar gasten. Ze verwelkomt hen één voor één alsof ze iedereen al jaren kent. Sommigen onder hen verwent ze met een eigen geschenk, anderen dan weer krijgen van haar zachte en zorgzame woorden. Alle aanwezigen verzekeren Galswintha van hun goede trouw en wensen haar een lang en gelukkig leven toe. Na het feest wordt het pas getrouwde stel vergezeld naar het huwelijksbed. Volgens de oude Germaanse overlevering blijft iedereen er buiten de wacht houden tot aan het krieken van de dag.

 

De rest van de ceremonie volgt in de vroege morgen na de eerste huwelijksnacht. De zogezegde 'morgengave' is een oud Frankisch gebruik waarbij de bruidegom zijn waardering uitdrukt voor het feit dat zijn bruid tijdens de eerste huwelijksnacht nog maagd bleek te zijn. Onder de aanwezigheid van speciaal gekozen getuigen neemt koning Chilperik met zijn rechterhand de hand van zijn nieuwe echtgenote en met de andere hand strooit hij verse stro over het hoofd van Galswintha. Ondertussen spreekt hij met hoge stem de naam van de vijf steden uit die vanaf heden eigendom worden van de nieuwe koningin.

 

De eerste maanden van het huwelijk verlopen min of meer gemoedelijk en vreedzaam voor de nieuwe koningin. Ze probeert met het nodige geduld en douceur te anticiperen op het grillig en wild karakter van haar man. Het mag trouwens gezegd worden dat Chilperik aanvankelijk wel zijn tijd en affectie besteedt aan zijn nieuwe vrouw. Hij is blijkbaar apetrots op haar en vooral in de wolken dat hij net zo een nobele en mooie vrouw heeft zoals zijn broer.

 

En als de eerste kalverliefde wat gekoeld is, blijft hij haar voorlopig nog liefhebben uit vrekkigheid en hebzucht. Galswintha is steenrijk. Wat ze met zich heeft meegebracht aan zilverstukken en kostbare objecten loont de moeite. Chilperik koestert de schat van zijn vrouw vermoedelijk meer dan haar ziel en lichaam. Een schat van een vrouw hebben mag hier beslist dubbelzinnig opgenomen worden. Misschien moet ik de rollen van de zin omdraaien en spreken van de vrouw van een schat.

 

Na een tijd is hij natuurlijk al gewend aan zijn nieuwe echtgenote en haar bruidsschat en beschouwt hij beiden als een verworven recht. Wat kunnen zijn vrouw en haar geld hem nu nog schelen? Haar morele schoonheid, haar natuurlijke aantrekkingskracht en de liefdadigheid die ze toont voor de Frankische sukkelaars en de armen, zijn niet langer van die aard om hem te charmeren. Gust Thierry zegt het niet met zoveel woorden, maar een echte beauty moet Galswintha toch niet zijn. Hij is getrouwd voor haar status en haar geld en niet voor haar uiterlijk.

 

Zijn seksuele driften voor haar zijn gesmolten als sneeuw voor de zon. 'Il n'avait de sens et d'âme que pour la beauté corporelle', ik bedoel maar dat hij alleen maar schone prenten in zijn bed wil. Zijn huwelijksbeloften en engagementen vliegen op het bovenste schap. Chilperik voelt voor Galswintha op de duur alleen nog maar koelheid en verveling. Reken maar dat Fredegonde dat allemaal in de gaten heeft en er vermoedelijk ook wel op aanstuurt. Wat Galswintha mist, heeft zij in overvloed. Zijn passie voor haar laait weer op als nooit tevoren.

 

Chilperik brengt zijn vroegere maîtresse weer in poleposition en maakt van haar weer zijn officiële bijzit. Als een gevolg hiervan etaleert Fredegonde zich nu op een hautaine en misprijzende manier ten opzicht van Galswintha. Die zal zich uiteraard erg gekwetst voelen. Aanvankelijk verbijt ze haar verdriet en teleurstelling. Ergens in een hoekje wenen, zal het wel zijn, hier in de villa lijkt niemand nog enige achting voor haar te tonen. Als dat zo zit, dan zou ze beter direct verstoten worden, zegt ze. Ze stelt Chilperik voor om terug te keren naar haar thuisland in het zuiden, naar mamaatje.

 

Chilperik mag er niet aan denken. Het vrijwillig opgeven van de rijkdom van zijn echtgenote is voor zijn hovaardige en hebzuchtige ziel niet eens bespreekbaar. Zijn Galswintha loopt er nu inderdaad wat stilletjes bij, maar ze zal wel inbinden. Ze zal het nooit aandurven om weg te lopen. Hij is er gerust in. Hij wil hoe dan ook geen risico's nemen. Ze kan hem niet schelen, maar dat laat hij niet meer merken. Doen alsof, rond de pot draaien, eens rustig met haar praten, haar even strelen. Ja, ja. Ze mag terugkeren wanneer ze wenst, ze moet het maar zeggen wanneer de ideale tijd hiervoor zal aanbreken.

 

Galswintha laat zich vangen. Misschien zou ze dan toch beter blijven waar ze is, of tenminste nog wat wachten met die terugkeer. Tot op een nacht ze door een vertrouweling van Chilperik in haar slaap gewurgd wordt en hij haar zogezegd de volgende morgen dood aantreft en daarbij in een rol van vermoorde onschuld stapt en een regen van leugenachtige tranen plengt. Enkele dagen later krijgt Fredegonde haar rechten van vrouw en koningin netjes terug en is Galswintha volstrekt verleden tijd. Gezien haar trackrecord van moorden, lijdt het geen twijfel dat ook zij wel de hand zal gehad hebben in het wurgen van haar rivale.

 

Gust Thierry heeft te doen met de vermoorde koningin. Deze stijlvolle, melancholische en zachtaardige vrouw heeft haar pad gekruist met dat van een barbaarse onbeholpen Merovinger. Het lijkt er wel op dat ze uit een andere eeuw is gekomen. In een periode waar moord en geweld schering en inslag zullen blijven, laat ze hoe dan ook een schijn van ontroering achter bij een aantal Frankische zielen die haar met verloop van de tijd zullen vereren met verhalen en sagen die hun gewezen prinses een bovennatuurlijke status zullen bezorgen. Het zijn legendes die de volgende eeuwen alleen maar versterkt zullen worden door de mond aan mond publiciteit van vaders op zonen en van moeders op dochters.

 

Ikzelf ga er niet dieper op in. De dood van Galswintha ontspoort in een conflict tussen Chilperik en Sigebert, de schoonbroer van de vermoorde vrouw. Brunhilde, de zus van de vermoorde koningin, wenst Chilperik en Fredegonde naar de hel. Er ontstaat er in de loop van het jaar 568 een diepe vijandschap tussen Chilperik en Sigebert. Een spel van wraak en vendetta in de zuiverste traditie van de maffia. Chilperik zal het effect ervan ongetwijfeld verkeerd ingeschat hebben. Gontran, de koning van Orléans, wordt opgeroepen om de ruzie tussen zijn ruziënde broers te beslechten. Dat kan alleen maar gebeuren conform de regels van de Germaanse rechtspraak.

 

Brunhilde krijgt alsnog de douairie (de steden die Galsinwtha kreeg ter gelegenheid van de morgengave) van haar overleden zuster als erfenis samen met een koffer vol zilvergeld. Het is de prijs die de moordenaar betaalt voor het bloed van zijn vrouw. Dat zilver staat bekend als 'Wehrgeld of weergeld', vermeldt de schrijver in een voetnoot. De moordenaar of diens familie kunnen de wraak en de vendetta afkopen tegen een door de wet afgesproken som zilvergeld.

 

Chilperik denkt ondertussen maar aan één ding: de gebieden heroveren die hij afgestaan heeft aan de Visigoten in ruil voor de hand van Galswintha. De landstreek ten zuiden van de Loire met o.a. de steden van Tours, Poitiers, Limoges, Cahors en Bordeaux die hij in 567 geërfd heeft van zijn broer Charibert. Dank zij de schenking van de morgengave heeft hij wat tijd kunnen kopen om een leger op de man te brengen. De oorlog zal drie jaar duren. Zijn huurlingen zijn Germanen die afgezakt zijn van ver over de Rijn.

 

Frankrijk brandt. Bisschop Gregorius maakt geen melding van de getalsterkte van de legers. Er moeten ongetwijfeld honderdduizenden krijgers bij betrokken zijn. Kerken worden verwoest, geestelijken vermoord of verkracht, diefstal, brandstichting, de typische ingrediënten van een oorlog zoals er nog veel zullen volgen. De nederzettingen rond Parijs en Reims kunnen niet anders dan dit trieste lot te ondergaan. Chilperiks zoon Clovis neemt Tours in maar verslikt zich dan bij de inname van Bordeaux waarna hij zich haastig moet terugtrekken op Angers.

 

Ook Clovis' oudste broer Theodebert stort zich in de oorlog. Daarop volgt een mobilisatie van de mannen van Sigebert, barbaarse Franken die in massa overkomen vanuit hun stekken aan de overzijde van de Rijn. De oorlog escaleert, wordt even stilgelegd door een tijdelijke vrede en barst daarna opnieuw in volle hevigheid los. Een strijd op leven en dood waarbij Theodebert sneuvelt en Chilperik afdruipt en zich moet gaan verschansen in Doornik. Samen met zijn vrouw en zijn krijgers. Sigebert maakt zich meester van Neustrië en walst in triomf doorheen het Frankenrijk tot aan Rouen en tot Doornik die hij in de tang neemt.

 

De passage van Sigebert in de richting van het noorden wordt naar mijn aanvoelen een beetje magisch beschreven. Het voelt aan als een rechtstreekse commentaar van op de moto met een bibberende commentator die zijn emoties en gedachten hun vrije gang laat gaan. Waarom moet ik nu trouwens denken aan de taferelen bij de bevrijding van Normandië uit 1944? Wel te verstaan natuurlijk dat het hier om mijn eigenste wereld van 1500 jaar geleden gaat. Mijn zintuigen spannen zich op om niets over het hoofd te zien en de atmosfeer van de zesde eeuw in volle hevigheid op te snuiven. En vooral niets te missen van het schouwspel.

 

De passage van Sigebert door de gebieden van Chilperik, het land dat hem nu voortaan zal toebehoren, voelt aan als een aangekondigde triomf. De Gallische burgers en de geestelijken van de steden komen hen in processie tegemoet. De Franken onder hen bestijgen hun paarden en sluiten zich aan bij de strijdkracht van Sigebert om hem op die manier verder te begeleiden. De aanmoedigingen en het gejuich van de mensen vullen de lucht, een vreemde mengeling van de Teutoonse en Romeinse taal. Eerstgenoemde taal is een soort sterk verbasterd Germaans dialect dat zich beetje per beetje en generatie na generatie zal verpoppen tot de Romaanse taal beter bekend als bijvoorbeeld het Latijn of het Frans.

 

Langs de oevers van de Somme en de Seine, in het hart van Neustrië, ontmoeten de mannen van Sigebert vooral de Gallo-Romeinen die blijkbaar een meerderheid van de inwoners uitmaken. Hoe dieper ze echter het noorden binnendringen, hoe meer de Germaanse tinten zich beginnen te ontvouwen. De Franken blijken in onze contreien de meerderheid uit te maken. Ze groeperen zich in kleinere groepen onder de beschermende leiding van gewezen krijgsmannen. Stammen die zich omgevormd hebben tot landbouwkolonies. Aan de rand van de moerassen en de vele bossen van de Belgische provincie. Rome heeft ooit Gallië ingedeeld in 17 provincies waarvan 'La Belgica' er 2 van uitmaakten.

 

Vitry, in de buurt van Douay, 100 km verwijderd van Poperinge, vormt zowat de grens tussen de beide Belgica's. De Franken van het noorden zijn landbouwers en bewerken het land. De Franken van het zuiden zijn militaire leenmannen die er altijd op voorzien zijn om zich ten dienste te stellen van hun koning.

 

Ik ben getuige van een ceremonie in de buurt van Vitry. Op een vlakte afgezoomd met tenten en barakken waar de strijders kunnen slapen en logeren. Toch diegenen die geen logies gevonden hebben in de woningen en de hutten van wat toen bekend staat als Victariacus, Vitry-en-Artois. Honderden gewapende Franken hebben zich in een brede halve cirkel opgesteld rond koning Sigebert die zelf ook omringd is door zijn officieren en de heren van stand.

 

Vier robuuste krijgers treden voorwaarts en dragen een wapenschild met zich mee waarop koning Sigebert gaat plaats nemen en die ze vervolgens als een soort van levende troon boven hun schouders tillen. De krachtpatsers dragen hem nu drie keer de kring rond. Sigebert ondergaat de talrijke aanmoedigingen, applaus en blijde kreten als een echte heer en meester terwijl hij de platte zijde van zijn zwaard laat neerdalen op hun met staal versierde schilden. Ik maak een typische ceremonie mee die de Frankische stammen te berde brengen bij de verkiezing van hun opperhoofd, chef of koning.

 

Na de derde ronde, zo voorzien de oude Germaanse rituelen het toch, is de koninklijke inauguratie een feit en vanaf dat moment kan Sigebert zich officieel de titel 'koning van de Franken' toe-eigenen. Zowel van Oster-Rike als van Neoster-Rike. Van Austrasië én van Neustrië. De rest van de dag en de week wordt er nu tijd gemaakt om de kroning te vieren. Plezier, krijgsvertier, somptueuze maaltijden waarbij de voorraden van de nu 'koninklijke' boerderij van Vitry serieus aangesproken worden. Die boerderij is in wezen de enige landbouwexploitatie in de regio en zal zich met verloop van tijd omvormen tot het stadje zelf. Op die manier ontstaan zowat alle dorpen in heel Vlaanderen uit dergelijke primitieve landbouwgemeenschappen.

 

Op enkele mijlen hiervandaan, 50 km om precies te zijn, ligt Doornik in de tang van de Austrasische troepen. De sfeer is hier totaal anders dan in Vitry. Chilperik en zijn leger liggen er in de lappenmand. Een koning die zich verraden en onteigend voelt. Fredegonde worstelt met vlagen van angst en wanhoop waarbij ik haar best kan vergelijken met een wild en gewond dier. Het moet een wreed vrouwmens zijn, zowel in de letterlijke als in de figuurlijke zin. Bij haar aankomst binnen de door de Romeinen gebouwde stadsmuren van Doornik is ze hoogzwanger en kan ze elk moment gaan bevallen.

 

Onder het tumult van een strijd op leven en dood en bij het ondergaan van de nodige doodsangsten, bevalt ze van een zoon. Eerst weigert ze om haar baby te bekijken en beslist ze om hem aan zijn lot over te laten en hem te laten sterven als een nieuwe reden van dreiging, maar na korte tijd neemt haar moederlijk instinct het over van die kwade gevoelens. De nieuwgeborene wordt nog diezelfde dag door de bisschop van Doornik boven de doopvont gehouden. Zeer tegen de gewoonte van de Franken in, krijgt de kleine geen traditionele naam, maar wordt hij Samson genoemd. Het tekent de vertwijfeling bij de ouders die in hun noodsituatie de naam kiezen van die van een bevrijder. Ze denken hierbij natuurlijk aan de legende van de onoverwinnelijke Samson die de Filistijnen naar de verdommenis hielp.

 

De situatie is hopeloos voor Chilperik en zijn Fredegonde. Ze kunnen geen kant meer uit en voelen de impasse als een moordend deken over zich hangen. Fredegonde zoekt wel duizend manieren om er aan te ontsnappen. Elke sprankel hoop kan hun redding betekenen, ze weigert om bij de pakken te blijven zitten. Tussen de vele manschappen die samen met hen vastzitten in Doornik, leert ze twee mannen kennen die het echtpaar door dik en dun zijn blijven steunen.

 

Ze lijken oprecht, sympathiek en trouw. Twee jonge gasten geboren in de streek van Terwaan, in die dagen de hoofdstad van de Morinen. Rasechte Franken zijn ze, met een ideale geest van loyauteit en onderdanigheid. Fredegonde neemt hen in vertrouwen, maakt hen zo zot als een achterdeur, giet hen vol met bedwelmende dranken tot ze gebrainstormd en totaal gefascineerd van haar bereid zijn om alles te doen wat hun meesteres hen zal opdragen.

 

De opdracht is duidelijk: ze moeten naar Vitry gaan om er koning Sigebert te vermoorden. De jonge krijgers beloven om alles te doen wat hun koningin hen vraagt. Ze stopt hen een langwerpige houwdegen toe, een Merovingische 'scramasax', die ik het best kan vergelijken met een flink broodmes met één geslepen zijde. De scherpe kant werd zorgvuldig en voor alle zekerheid gedompeld in een vat van gif om elke verwonding ongeneeslijk te compliceren. Zo is ze dus wel, deze Fredegonde. 'Als jullie in deze missie slagen en levend terugkeren, zal ik jullie overladen met eer en prestige. En als jullie sneuvelen zal ik er bij alle heiligen voor zorgen dat jullie het eeuwig leven zullen krijgen.'

 

De twee jonge mannen vertrekken uit Doornik, presenteren zich als deserteurs van de troepen van Chilperik en slagen er in om via de diverse Austrasische linies tot in het koninklijk domein van Vitry te raken. De sfeer van de feesten en de banketten hangt nog in de lucht, Sigebert is die dagen erg toegankelijk voor zijn onderdanen. Het tweetal meldt zich aan met de boodschap dat ze uit Neustrië komen en dat ze hun nieuwe koning zouden willen groeten. Ze worden met mes en al tot bij hem toegelaten, blijkbaar is dat een oude Germaanse gewoonte, nu hoe dan ook: terwijl Sigebert hen welwillend toekijkt krijgt hij onverwacht een scramasax in zijn lichaam gepriemd. Hij schreeuwt nog eens luid en valt dan dood op de grond.

 

De verraderlijke missie is geslaagd. Sigeberts kamenier Hareghisel en een Visigoot die luistert naar de naam van Sigila komen haastig toegesneld en trekken hun zwaarden. Hareghisel wordt gedood en Sigila zwaar toegetakeld door de moordenaars die zich verweren alsof ze zich in een soort van roes bevinden. Een gevoelen van trance op weg naar het eeuwig leven zoals de zelfmoordenaars van de Islamitische staat anno 2015 wellicht ook zouden willen ervaren. De kronkels van de menselijke geest herbergen blijkbaar de vreemdste creaturen. Lang zal hun verzet echter niet meer duren. Tijdens een ongelijke strijd worden de infiltranten om het leven gebracht.

 

Het nieuws van de aanslag slaat in als een clusterbom met de nodige collateral damage. De Austrasiërs die de voorbije dagen nog uitbundig de zege van Sigebert hebben gevierd, grijpen hun schaarse bagage en haasten zich om de terugweg naar hun thuisland aan te vatten. Ze hebben blijkbaar allemaal haast, want de onvoorziene dood van de koning betekent blijkbaar het beginsignaal van een onophoudelijke stroom van wanorde, geweld en roofpartijen in heel Frankenland. Het vertrek van dit geduchte leger naar de Rijnstreek bevrijdt Chilperik in één ruk van elke tegenstand. Hij kan zich plots weer bewegen waar hij ook maar wil. Zopas ontsnapt aan een haast onontkoombare dood, verlaat hij nu de muren van Doornik om het opnieuw bezit te nemen van zijn eigen koninkrijk plus dat van zijn vermoorde broer Sigebert.

 

Hij haast zich naar Vitry, de plaats waar zijn broer vermoord werd. Van het triomfantelijke leger van Sigebert is niets meer terug te vinden. De Neustriërs en de Austrasiërs hebben een wezenloze leegte achtergelaten. Er zijn alleen nog die enkele vertrouwelingen die de wacht houden bij het lijk van Sigebert. Chilperik bekijkt het kadaver van zijn broer zonder wroeging en zonder haat. Vreemd genoeg kan ik niet met zekerheid zeggen of hij nu al dan niet op de hoogte is geweest van de plannen van Fredegonde. Hij wil in elk geval dat zijn broer de begrafenis krijgt die past bij een echte koning. Hij beveelt zijn mannen om Sigebert te kleden in zijn strijderskledij compleet met wapens en zijn militaire uitrusting. Zoals dat de gewoonte is bij de Germanen. Hij wordt met de nodige pracht en praal begraven in het dorp Lambres op de Scarpe in de buurt van Douai. Later zal Sigebert bijgezet worden naast zijn vader Chlotarius in de basiliek van Soissons.

 

Gust Thierry blijft even stilstaan bij deze tragedie die in niets moet onderdoen voor de oude Griekse drama's. De passies, de sinistere karakters, de fataliteit hebben van deze Merovingische dynastie bijna een mythisch schouwspel gemaakt. Brutale instincten, niet gekanaliseerde en ongeordende passies versus het aandachtig opgestoken vingertje van God. Het fatalisme waarmee deze laatste zinnen geschreven werden, wijst erop dat de familiegeschiedenis van Chilperik en de zijnen nog ver van afgelopen is.

 

Het jaar 575. Brunhilde verneemt in Parijs dat haar man Sigebert vermoord werd. Veertig is hij geworden. Geen enkele geschiedschrijver besteedt enige aandacht aan haar gevoelens. Chilperik en Fredegonde hebben eerst haar zus vermoord en daarna haar man. Wraak en rancune zullen het ongetwijfeld overnemen voor de rest van haar leven. Zelf durft ze niet terug te keren naar Austrasië. Ze wil eerst hun 6-jarige zoon in veiligheid brengen te Metz waar ze hem tot de nieuwe koning laat kronen. De kleine noemt Childebert II naar analogie van zijn overleden oom Childebert I. Ik besluit om hem voortaan als Childebert junior te omschrijven omdat ik nu eenmaal niet zo tuk ben op het plaatsen van nummers op de ruggen van mensen.

 

De Franse verslaggeving van Gust laat wat te wensen over en ik ga op zoek naar andere bronnen. Het Nederlandse boek 'Tafereelen van de staatsomwenteling in Frankrijk' uit 1824 baseert zich op dezelfde bronnen als die van Augustin Thierry en ik ben maar wat dankbaar dat ik de hele zaak nog wat dieper kan uitspitten.

 

De gevolgen van deze vorstenmoord blijken niet in te schatten. Zoals eerder gezegd breken de verbaasde Austrasiërs hun kamp bij Vitry op en vertrekken ze in uiterste verwarring. Ze worden opgejaagd door de troepen van Chilperik die er in slagen om de rechterhand van Sigebert gevangen te nemen. Het blijkt om diezelfde Sigila te gaan die getuige was van de moord en blijkbaar ook gold als sterke man achter koning Sigebert.

 

Sigila wordt aan de barbaarse wreedheid van Chilperik en Fredegonde opgeofferd. Ik mag er ondertussen wel zeker van zijn dat Chilperik wel degelijk de hand gehad heeft in de moord op zijn broer. Hoe wreed en crimineel het koppel zich gedraagt, ervaar ik in volgende passage: 'om hun gramschap op Sigila nog meer te verkoelen, lieten ze het vlees van zijn lichaam met gloeiende tangen scheuren en daarna werd het zieltogend overblijfsel onmenselijk aan stukken gehouwen.'

 

Het overbrengen van Childebert junior naar Metz, is blijkbaar niet van een leien dakje gelopen. Nadat Chilperik zijn gezag weer hersteld heeft, rukt hij op naar Parijs waar Brunhilde en de peuter zich nog altijd bevinden. 'Dit kind, hetwelk ook zeker in de handen van zijn oom zou zijn gevallen, werd echter door de hertog Gombaud, een vertrouweling van Brunhilde gered door middel om het 's nachts in een mand langs de stadsmuren te laten afzakken, waarna een getrouwe bediende hetzelve aannam en behouden naar Metz overbracht.' De troonopvolger wordt per direct als nieuwe koning van Austrasië gehuldigd onder de bescherming van zijn oom Gontran, de koning van Orléans en Bourgondië.

 

Grijze en stoffige geschiedenis? Laat me niet lachen. Het verleden ontvouwt zich als een rollercoaster van gebeurtenissen alsof die vijftien weggegleden eeuwen er voor spek en bonen hebben bijgezeten. Aan kleur en actie is er geen gebrek. Het wegmoffelen van de troonopvolger heeft de plannen van Chilperik en Fredegonde danig doorkruist. Van Parijs maken ze zich gemakkelijk meester, Brunhilde is niet langer topprioriteit en wordt verbannen naar Rouen waar ze niet bij de pakken zal blijven zitten.

 

Meroveüs, de oudste en enig overgebleven zoon van Chilperik en zijn eerste vrouw Audovera wordt met een krijgsmacht naar Poitou gestuurd met de opdracht om deze provincie die nu aan Childebert junior behoort te overmeesteren. De dertienjarige Meroveüs, veel ouder kan hij niet zijn, laat zich echter niet voor de kar van zijn stiefmoeder spannen, hij zal haar bloed wel kunnen drinken. Hij heeft daar natuurlijk zijn redenen voor. Na de geboorte van de kleine Samson is het twijfelachtig of hij, de zoon van Audovera ooit de kans zal krijgen om koning van Neustrië te worden.

 

In plaats van te doen wat zijn vader van hem verlangt, versast hij zijn troepen via Tours naar Le Mans. Naar het klooster waar zijn moeder Audovera nog altijd verblijft na haar scheiding van Chilperik en waar ze een bijeenkomst organiseert. Moeder Audovera komt met een gedurfd en geniaal plan voor de dag. Waarom zou Meroveüs niet trouwen met weduwe Brunhilde? Zo kan haar zoon koning worden van Austrasië.

 

Of het plan effectief van Audovera komt, durf ik te betwijfelen. Bisschop Gregorius beweert het alleszins. De meeste historici zien er echter de hand in van Brunhilde die haar verloren status perfect kan herstellen door te trouwen met de zoon van Chilperik en die daarmee op een grandioze manier revanche neemt op de moordenaars van haar echtgenoot en zuster.

 

De bisschop van Rouen, een vertrouweling die Meroveüs ooit boven de doopvont hield en daarvoor de levieten gelezen werd door Chilperik, zal de verbintenis arrangeren. Het huwelijk gaat door in Tours. Een reactie laat niet lang op zich wachten: 'nauwelijks had Chilperik het bericht van dit huwelijk ontvangen, of hij rukte met enige krijgsbenden naar Rouen, zette Brunhilde onder een strenge verzekering en voerde Meroveüs gevangen mee naar Soissons.'

 

'Doch de onmenselijke Fredegonde, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om de telgen van Audovera te doen vellen, had hem een ander lot voorbereid. Na de dood van Sigebert hadden verscheidene aanzienlijke Austrasiërs zich aan Chilperik onderworpen, doch de wreedheden en knevelarijen van dit vorstelijk paar moe zijnde, vielen zij hen dagelijks af en brachten hun hulde aan de jonge Childebert junior.'

 

Vergis je niet: hier gaan maanden overheen. Fredegonde blijft bij haar bewering dat Meroveüs de macht in Neustrië wil overnemen van zijn vader en zo blijft haar stiefzoon lange tijd onder een soort van huisarrest in Soissons en dat in afwachting van zijn berechting. Eén van die overgelopen Austrasische leiders luistert naar de naam van Godin. Hij beslist om Meroveüs te gaan bevrijden en slaagt er in om Soissons te veroveren. Het scheelt geen haar of hij kan Fredegonde oppakken. Spijtig voor hem trouwens, 'doch deze vorstin ontkomen zijnde, nam haar maatregelen dat Godin onverwacht overvallen werd, zijn krijgsvolk geslagen. Hij zelf werd gevangen genomen en aanstonds om het leven gebracht.'

 

'Zie je nu wel dat er een staatsgreep in de maak was', sneert Fredegonde. 'Het huwelijk tussen Meroveüs en Brunhilde, de inval door Godin, de medewerking van de bisschop daar in Tours zijn allemaal onderdeel van dat ene plan.' Childerik kan moeilijk anders dan zijn vrouw gelijk geven, haar wil is wet, wat meteen het begin van een heksenjacht inluidt. Meroveüs wordt opgepakt en na enkele maanden van semi-gevangenschap verplicht om zich als priester terug te trekken in een klooster. Dat beslist in elk geval het huistribunaal, een groep van vertrouwelingen rond Fredegonde en Chilperik. De 'would be' rechtbank oordeelt dat Meroveüs zijn haar moet laten knippen wat er op neer komt dat hij verstoten wordt van de tak van de Merovingen.

 

Schrijver Thierry vertelt wat meer over de haardracht van de Merovingen. Hun naam blijft verbonden aan de Frank Merovech, de grootvader van Clovis en rond 450 bekend geworden als de stichter van het grote Frankische rijk waar nu zo veel om te doen is. Met 'nu' bedoel ik uiteraard de zesde eeuw. De clan van de Merovingen blijkt grote waarde te hechten aan hun haardos en meer bepaald aan de lengte ervan. Een oude gewoonte, geïnspireerd op religieuze achtergronden verbiedt erfgenamen van Merovech om ooit hun haar af te knippen.

 

De haardracht als teken van het erfelijk recht tot de koninklijke status, een paardenstaart gekweekt vanaf de geboorte die nooit mag benaderd worden met de schaar. De nakomelingen van de oude Merovech onderscheiden zich zo van de andere Franken. Hun kapsel hangt in lange slierten en vlechten tot halfweg hun lichaam. Daar iets van afknippen, komt over als het ontheiligen van de persoon in kwestie en als dat dan toch gebeurt, dan kan de waardigheid en de status van de persoon pas na lange jaren terugkeren wanneer het haar weer zijn normale lengte zal bereiken.

 

Een Merovingische prins kan op twee manieren gedegradeerd worden. Een kappersbeurt in Frankische stijl, tot op schouderhoogte. Ofwel een kort kapsel conform de Romeinse mode. Een kort kopje als teken van een complete vernedering met daarbij als toetje nog een tonsuur zoals bij de paters. Deze tonsuur is de straf die Chilperik oplegt aan zijn zoon Meroveüs. De jonge man verliest elk recht om ooit nog te regeren en mag zelfs geen wapens meer dragen.

 

Priester zal hij worden. Hij moet zijn reguliere kledij afleggen en zich kleden in een Romeins habijt en toetreden tot de clerus. Ze zetten de jongen met tonsuur en habijt op een paard en sturen hem onder strenge bewaking naar het klooster van Le Mans waar hij verder zal dienen te leven in volstrekte afzondering en conform de strengste kerkelijke regels.

 

Er komt maar geen einde aan de stroom van gebeurtenissen. Childerik en Fredegonde zullen hier niet zo maar mee wegkomen. Dat is toch de mening van Gillis, de bisschop van Reims en die van hertog Gontran-Boson een prominente Austrasiër die eigenhandig Theodebert, de zoon van Childerik zou hebben vermoord. Dat vertellen de geruchten toch. Misschien heeft hij het wel niet zelf gedaan, hij heeft in elk geval geen opdracht gegeven aan zijn mannen om de troonopvolger te sparen waarop ze Theodebert boudweg hebben afgeslacht en dat terwijl hij de jongen perfect het leven kon hebben bespaard. Ik wil mijn lezers verdere details besparen en jullie enkel de raad meegeven dat deze Gontran-Boson niet altijd is wie hij lijkt te zijn.

 

Gontran-Boson, ik noem hem voortaan Boson, die als bevelhebber nog heeft gediend onder Sigebert, wordt in Aquitanië op de hoogte gebracht van de vreselijke moord op zijn koning en vreest vanaf dat moment ook voor zijn eigen leven. Dat is toch zijn verhaal. Bisschop Gregorius van Tours biedt hem onderdak aan in zijn kerk. De kerk is een sacrale plaats waar elkeen asiel moet kunnen krijgen, beweert hij en zo voegt hij de daad bij het woord. Te midden van de door elkaar geschudde maatschappij van die dagen demonstreert hij zonder vrees een trotse waardigheid. Boson en zijn twee dochters kunnen zich installeren in een voorhuis van de basiliek van Sint-Maarten, in die tijd nog een eerder primitieve houten constructie en niets vergeleken in wat de kerkelijke autoriteiten later zullen neerpoten.

 

Het is meteen gedaan met de rust voor de bisschop en zijn geestelijken. Chilperik pikt het niet dat de Austrasiër buiten schot blijft dank zij de medewerking van Gregorius. Hij wil Boson kost wat kost in zijn bezit krijgen. Eerst is er natuurlijk nog de vriendelijke vraag of de bisschop soms deze Boson zou willen uitleveren, een vriendelijk schouderklopje zoals vrienden dat onder elkaar plegen te doen. 'Nee, natuurlijk niet', antwoordt Gregorius, waarop de eisen van Chilperik met de dag dreigender worden en zich ook gaan richten aan de hele geestelijke kliek om zich uiteindelijk zelfs te keren tegen alle inwoners van de stad Tours.

 

Een Austrasische legerleider met de naam Rokkolen gaat zich moeien met de zaak. Hij en zijn manschappen slaan hun kamp neer aan de poorten van Tours. Zijn krijgers heeft hij geronseld in de buurt van Le Mans. In opdracht van Chilperik wel te verstaan. 'Als je Boson niet uitlevert, dan zal ik de stad en zijn buitenwijken in brand steken' dreigt hij. Een dreiging die blijkbaar geen indruk maakt op bisschop Gregorius. Een tweede boodschap volgt: 'als je de vijand van de koning niet buiten bonjourt, zal er één mijl rond Tours niets meer overeind blijven staan en zal zelfs geen kar er nog naartoe kunnen rijden.'

 

Rokkolen krijgt het op de zenuwen van deze koppige bisschop. Zijn dreigementen lijken niet echt indruk te maken. Zijn bescheiden leger oogt in elk geval niet bij machte om een uitgestrekte stad als Tours klein te krijgen. Veel meer dan zijn pijlen richten op het bijgebouw waar Boson zich bevindt, kan hij eigenlijk niet. Precies wat er ook gebeurt. Met groot vertoon van macht en slecht karakter vallen ze aan en proberen ze het uit houten planken opgetrokken gebouw te plunderen en af te breken. Waar de geviseerde Boson zich op dat moment verschanst, wordt er niet bij verteld.

 

Gregorius van Tours houdt voet bij stuk en levert zijn gast niet uit. De persoon van Boson blijft me ondertussen intrigeren. Hij is een opmerkelijke figuur van Germaanse afkomst laat Gust Thierry van zijn tong rollen. Een persoon met leiderscapaciteiten die wel weet hoe hij zijn manschappen moet motiveren. Hij blijft niet bij de pakken zitten daar in zijn asiel van de Sint-Maartensbasiliek. Er kan geen sprake van zijn om de hele dag te zitten eten en te drinken en te lanterfanten.

 

Boson wil op de hoogte gehouden worden van de stand van zaken en zoekt naar manieren om er zijn profijten uit te halen. De degradatie van troonopvolger Meroveüs en zijn verbanning in het klooster, lijken Boson zeer interessante materie. Het wordt van langs om duidelijker dat deze man een intrigant van het zuiverste allooi is. De raid van Rokkolen kan niet anders dan een schertsvertoning zijn, het opzetten van een mistgordijn die de dubbelrol van zijn medestander Boson moet camoufleren.

 

Ik heb er wel wat werk aan om de juiste context van de valstrik te snappen. De opzet blijkt uiteindelijk te liggen bij de ontvoering van de verbannen koningszoon Meroveüs. Er rijpt een plan om Meroveüs te gaan bevrijden en om zich samen te verschansen in Tours waar ze met elkaar zouden kunnen overleggen hoe ze de macht terug zouden kunnen overnemen in het gebied. Meroveüs kan hem gestolen worden, maar zijn mogelijke toegang tot de algemene macht in Gallië is een voldoende drijfveer om zich aan deze man te linken. Terwijl ik dit hier allemaal neerschrijf, overvalt me het gevoel dat ik een of ander avonturenverhaal aan het uitvinden ben. Maar nee, alles lijkt ook in werkelijkheid te hebben plaatsgevonden. Ik heb dus alle redenen om me verder in deze waargebeurde feiten onder te dompelen.

 

Hij brengt subdiaken Rikulf op de hoogte van zijn plannen. Rikulf stelt voor om er samen met Gailen, een jonge Frankische krijger op uit te trekken richting Meroveüs en om er ter plekke in Le Mans poolshoogte te gaan nemen van de situatie. Ik maak van een lang verhaal één korte zin: ze kunnen Meroveüs bevrijden wat dus neer komt op het ontvoeren van hun target. Het kloosterhabijt vliegt in de kast en mijn prins zet zich weer in zijn strijdersoutfit, klaar om de natie te veroveren. Weet hij veel dat Boson een verrader en een intrigant is. De voorstellen van Rikulf vallen meteen in goede aarde, man, wat is die gast blij om weer in actie te komen. Rikulf, Meroveüs en een groep medestanders geven hun paarden de volle galop richting Tours terwijl de afgezette kroonprins zijn tonsuur angstvallig verbergt onder een bruine kap.

 

Hun aankomst valt samen met een feestdag in de stad. De bisschop gaat de misviering voor en geeft brood en wijn aan de gelovigen zoals dat toentertijd nog de geplogenheid is in de jeugdjaren van de katholieke kerk. Het staat de Christenen trouwens vrij om een stukje brood mee naar huis te nemen en die pas te nuttigen in geval van nood. De broden liggen uitgespreid op een doek bovenop het altaar. Vlak naast de twee met wijn gevulde kelken. Gewijd materiaal en na al die jaren ken ik de truc nog altijd niet om van simpel water in één twee drie gewijd water te maken, waarmee de diepgelovigen dan hun kruisteken maken.

 

Meroveüs staat half verscholen achteraan in de kerk. De diakens hebben de onbekende man zien staan en bestuderen hem. De jonge man ziet er moe en gefrustreerd uit en komt tussen de menigte naar voor. Tot bij bisschop Gregorius. 'Ben ik het misschien niet waard om de communie te ontvangen?', vraagt hij met een snak en een beet, 'hebben jullie de vloek van de kerk nu al over me uitgesproken?' Pas op dat moment krijgt Gregorius door dat hij hier te maken heeft met de verstoten zoon van Chilperik.

 

De kerkleider zit met een technisch probleem. De man voor hem heeft twee zware zonden op zijn kerfstok die voor de jonge kerk als absolute taboes gelden. Meroveüs is getrouwd met zijn tante en heeft nog maar pas zijn kap over de haag gegooid en omgeruild voor de wapens die hij hier met zich meedraagt. Alleen een speciale geestelijke commissie zal daarover kunnen oordelen. Ondertussen kan bisschop Gregorius moeilijk anders dan deze man de communie te weigeren. Het is dat wat hij antwoordt aan Meroveüs, kalm, zacht en op een waardige manier zoals ze hem hier kennen.

 

'Als ik hier de communie niet krijg, dan zal ik hier één van je gelovigen om het leven brengen', schreeuwt Meroveüs, 'Waar haal je het recht om me zomaar te excommuniceren, zonder hiervoor eerst om toestemming te vragen bij de kerkelijke autoriteiten?' Ik lees de Franstalige volzinnen die mijn schrijver spendeert aan de reactie van de bisschop. Veel ditjes en datjes die vertellen dat de bisschop het eigenlijk in zijn kerkelijke broek doet en de kwade man vlug zijn portie van het gewijd brood aanreikt. Zijn collega's in Parijs moeten hun plan maar trekken met de rest.

 

Bisschop Gregorius van Tours heeft nu twee probleemgevallen waar hij asiel aan moet verlenen. Boson en Meroveüs. Die laatste is een echte pierewaaier, een onbetrouwbaar, licht ontvlambaar sujet die denkt dat hij alle waarheid van Frankrijk en omstreken in pacht heeft. Terwijl er hongersnood heerst in de stad, bezondigt de zoon van de koning zich hier in deze penibele omstandigheden aan gulzigheid, drankgelagen en orgieën. Tot grote frustratie van de hele kerkelijke familie.

 

Nu. Dat laat niet na dat de kronieken het toch hebben over de aanwezigheid van Gregorius bij een van die beruchte party's of de festijnen van Meroveüs zoals Gust Thierry ze omschrijft. Lawaai, drinken, lachen en veel zeveren en zaken vertellen die je beter voor jezelf zou houden. Ik herken de normale effecten van een excessief alcoholverbruik. Meroveüs laat zich volledig gaan in al zijn dronken frustraties en de bisschop luistert gewillig mee naar het gebral van zijn asielzoeker.

 

Het zijn telkens de namen van Chilperik en Fredegonde die naar voor komen in de verhalen. Meroveüs kan hun bloed wel drinken. Hij vertelt voluit over de misdaden van zijn vader en de losbandigheid van zijn stiefmoeder Fredegonde die niet meer is dan een ordinaire prostituee. Zijn vader is een imbeciel en een vervolger van zijn eigen kroost. Gregorius van Tours zal alles wat hij hier hoort noteren. Van waar zouden mijn bronnen het anders halen?

 

Aan het einde van een copieuze maaltijd waarbij het ene schandaal na het andere werd opgedist, krijgt de bisschop nog een ultieme vraag van de loslippige Meroveüs. Ze zijn beide alleen overgebleven in de ruimte. 'Heb je geen boekjes waar ik mijn ziel wat kan bijscholen naar het geloof?' Hoe moet ik anders 'quelque lecture pour l'instruction de son âme' vertalen? 'Geen probleem', antwoordt Gregorius, hij tovert een werk van Salomon erbij en opent het boek op een willekeurige pagina. 'Het oog van een zoon die zich tegen zijn vader keert, zal uitgepikt worden door de kraaien van de vallei'. Er wordt een tweede afspraak gepland waarbij nog veel meer duidelijk zal worden.

 

De concilies van de zesde eeuw beoordelen waarzeggerij als een verboden praktijk in Gallië en als ongewenst overblijfsel van de afgoderij van de heidenen. Meroveüs lapt het verbod aan zijn laars en gaat op bezoek bij het graf van Sint-Martinus van Tours, de man die beschouwd wordt als de grondlegger van het christendom in Gallië en die hier in het jaar 397 begraven werd. Hij bidt dat de stukken ervan vliegen. De hele nacht aanroept hij God en al zijn heiligen en vraagt hij hen of ze niets willen lossen over de toekomst en of hij al dan niet in staat zal zijn om het land van zijn vader over te nemen.

 

Sint-Maarten blijft zwijgen en God de Vader al evenzeer. Meroveüs houdt voet bij stuk. Een vastenperiode van drie dagen kan zeker geen kwaad en de vierde dag duikt hij weer op aan de opzichtige tombe van Martinus. De bijbel zal hem helpen en de juiste weg aangeven. De intuïtie van het moment zal wel aanduiden op welke pagina de boeken deze keer zullen openvallen.

 

En zie nu toch eens welk vers tevoorschijn wordt getoverd: 'Omdat je God de Heer hebt achtergelaten om twee vreemden te volgen, heeft de Heer je overgeleverd in de handen van je vijanden.' Hij probeert het nog enkele keren, en telkens opnieuw lijkt Sint-Maarten hem te verwijten dat hij een verrader is en dat hij zijn straf zal ondergaan. Meroveüs blijft er verweesd en verslagen bij zitten. De tranen komen als vanzelf, wat voor een idioot is hij toch geweest om zijn relatie met God te verbreken, deze Boson en Rikulf te volgen en zich zonder nadenken in een uitzichtloze oorlog met zijn vader en stiefmoeder te storten.

 

Het vervolg krijg ik netjes samengevat op mijn bord. Meroveüs en Boson vluchten met zeshonderd man naar het oosten, waar ze in een veldslag belanden. Boson kan ontkomen en Meroveüs wordt gevangen genomen en opgesloten in het klooster van Auxerre, maar kan er weer ontkomen met de hulp van zijn oom Gontran want Auxerre is onder zijn controle. Zo raakt hij eindelijk tot bij zijn Brunhilde. Wat baat het allemaal? Vogels voor de kat zijn ze, met Fredegonde in de rol van kat, worden ze opgejaagd. Fredegonde, dus toch weer zij, heeft hun ondergang gezworen, spant opportunist Boson voor haar kar. Samen met de bisschop van Reims zetten ze de ultieme valstrik op. Voor de intrigant Boson zal er wel wat aan vast hangen.

 

Dat is zowat de hele historie in een notendop. De details volgen en brengen me weer naar de Westhoek. In Terwaan om precies te zijn, de plek waar Fredegonde heerst. Ze stuurt enkele vertrouwelingen naar Austrasië met de opdracht om tot bij Meroveüs te geraken. 'Je haar is wat terug gegroeid', maken ze hem wijs, 'voor ons is dat een perfecte reden om ons weer bij jou aan te sluiten en ons te distantiëren van je vader Chilperik.' De idioot laat zich natuurlijk vangen aan deze praatjes en ziet zich al weer op de troon zitten.

 

Hij gaat op weg naar Terwaan. Samen met de getrouwen van Fredegonde en met zijn eigen vrienden aan zijn zijde. Gailen, zijn onafscheidelijke volger in goede en slechte dagen en Gaukil, ooit de voornaamste adviseur van Sigebert, maar nu op de dool net zoals Meroveüs. Samen met enkele anderen die door de chroniqueur omschreven worden als moedige mensen. Ze avonturieren zich op het grondgebied van Neustrië. Hoe meer ze naderen van het westen hoe wilder en ongerepter de omgeving wordt. De streek van Arras tot aan de oceaan. Mijn eigen streek in zijn primitieve jeugdjaren.

 

Het is hier dat het groepje van Meroveüs bij enkele lokale krijgers arriveert die hem zoals afgesproken als hun nieuwe koning verwelkomen. Mooi zo. Met de nodige egards krijgen ze een slaapplaats in een Frankische hoeve toegewezen, een uitnodiging waar ze maar al te graag op ingaan na hun vermoeiende reis. Het gezelschap is echter amper binnen in de boerderij, als de deuren ervan gesloten worden en de zogezegde soldaten zich nu tegen hen keren en de woning bezetten alsof het een belegerde stad is. Opdracht geslaagd voor Fredegonde. Enkele koeriers vertrekken spoorslags naar Soissons om koning Chilperik te gaan melden dat ze zijn zoon hebben opgepakt.

 

Binnenin de boerderij is Meroveüs zijn frank gevallen. Wat een aardige zinspeling toch. De poorten van de hoeve zijn gebarricadeerd, ze hebben zich in de val laten lokken. Hij zit er als versteend en verslagen bij. Ik vraag me af wie van het gezelschap er voor zorgt dat ik verder op de hoogte gehouden wordt over de toestand binnenin de boerderij. De gevangen kroonprins weet dat hij niet lang meer te leven heeft en dat zijn dood er pas zal komen na een tergende scene van marteling en agonie. De angst en de verschrikking slaan om hem heen, zelfmoord is de enige optie, maar daar is hij blijkbaar te laf voor.

 

'Neem je zwaard en dood me' smeekt Meroveüs aan Gailen. Zijn getrouwe vazal trekt de degen dat hij aan zijn gordel draagt en steekt zijn meester in één ruk dood. Chilperik die met de nodige urgentie aangesneld komt om zich meester te maken van zijn zoon, vindt alleen nog zijn lijk. Gailen en de rest van het gezelschap worden gevangen genomen. Achteraf blijkt de 'waarheid' van Gailen als doder van dienst niet meer dan een hypothese te zijn geweest. Het zou best eens Fredegonde zelf geweest zijn die de moord heeft laten uitvoeren.

 

Gailen zelf zal nog weinig plezier ondervinden aan zijn laatste levensuren. Hij sterft op barbaarse wijze. De Franken hakken zijn voeten, zijn handen, neus en oren af en plaatsen hem op het wiel waar hij nog eens ferm wordt uitgerokken tot dat hij uiteindelijk zelf zijn laatste adem uit zijn menselijk frame blaast. Gaukil heeft meer geluk, de beulen beperken zich tot het afhakken van het hoofd. Boson komt nog een laatste keer ter sprake. Het wordt nog maar eens duidelijk dat hij de schuld draagt voor de dood van Meroveüs. Als een roofvogel die zijn prooi te pakken heeft gekregen, verlaat hij de Westhoek en keert hij terug naar Poitiers. Hier heeft hij zijn twee dochtertjes achtergelaten. Hier kan hij zijn leven als 'grote Frankische heer' hernemen. Alsof er niets gebeurd is.

 

Deel vier van de saga kondigt zich aan. De harde repressie bij de Franken heeft er voor gezorgd dat Meroveüs uiteindelijk het onderspit heeft moeten delven zonder dat daar een haan heeft over gekraaid. De meeste inwoners hebben zich afzijdig gehouden, uit vrees voor represailles. De bisschop van Rouen kan ik niet bij hen rekenen. Praetextatus, in de wandelgangen 'Saint Prix' genaamd, heeft ooit de kleine Meroveüs gedoopt en is de jonge man nooit uit het oog verloren. Deze sympathie is blijven bestaan zelfs na dat fake huwelijk van Meroveüs met zijn eigen tante die hij trouwens nog altijd in zijn thuisstad voorziet van de nodige veiligheid.

 

Hij kent de wreedheid van Chilperik en Fredegonde maar al te goed. Na de ongelukkige dood van zijn poulain, blijft hij niet bij de pakken zitten. Hij verdubbelt zijn inspanningen om vijanden van het regime onderdak, vluchtroutes en asiel te verlenen. Hij zorgt er uitdrukkelijk voor dat zijn gelovigen, arm en rijk, goed op de hoogte worden gebracht van het verraad, de jacht op en de liquidatie van zijn vriend de kroonprins. Zijn woorden vormen een soort refrein in de eenvoud van zijn hart, geeft Gust Thierry met de nodige empathie aan.

 

Zijn onbedekte steun aan deze vijand van de staat, komt natuurlijk ook ter ore van koning Chilperik en zijn matrone. Het duurt niet lang voor hij in beschuldiging gesteld wordt wegens zijn opruiende taal tegenover het koningshuis. Chilperik zelf zou wel een en ander door de vingers willen zien, het is echter opnieuw Fredegonde die het laken van de wraak naar zich toe trekt en zich wil revancheren op de bisschop van Rouen. En dat kan alleen via de kanalen van de heilige kerk zelf. Wat is ze toch slim. Ze regelt het netjes dat Praetextatus zich moet komen verantwoorden voor een algemeen concilie van zijn collega-bisschoppen.

 

Bisschop Praetextatus wordt opgepakt en voor verhoor naar de koninklijke residentie overgebracht. Hoe zit dat nu met zijn verdoken steun aan Meroveüs en met zijn bescherming van Brunhilde? Een spervuur van vragen waarbij de man deels door de mand valt. Zo heeft hij een en ander voor haar achtergehouden. Twee balen gevuld met kostbare stoffen en juwelen die vermoedelijk 3000 gouden munten waard zijn. En voeg daarbij nog een zak van 2000 goudstukken. Chilperik aarzelt natuurlijk niet om als een eersteklas aasgier deze welgekomen schat aan te slaan.

 

Praetextatus blijft in afzondering, ver weg van zijn eigen diocese, en zal hier zijn berechting moeten afwachten. De lente van 577 is al in zijn volle glorie aangebroken als er oproepingsbrieven uitgestuurd worden naar alle bisschoppen van Chilperiks koninkrijk. Iedereen moet zich aanbieden op een algemene vergadering te Parijs die hij als zijn gebied beschouwt, hoewel de stad na de dood van Charibert eigenlijk in drie gelijke parten verdeeld werd onder zijn erfgenamen.

 

Er wordt gevreesd voor aanvallen van partizanen op het kamp van Brunhilde. De overbrenging van Praetextatus van Soissons naar Parijs gebeurt dan ook onder zware militaire begeleiding. Een gevolg dat best kan doorgaan voor een heel leger, kom ik te weten. De troepen slaan hun bivak op niet ver van het oude koninklijk paleis ergens aan de Seine.

 

Het gebouw is op en top Romeins van stijl en ligt op een plateau te midden van uitgestrekte wijngaarden. Naast het paleis is er ook sprake van een kerk opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus. Later zal de kerk herhaaldelijk herbouwd worden en uiteindelijk bekend blijven als de kathedraal van Saint-Denis. Het is in deze kerk dat de bisschoppelijke synode zal doorgaan. De kerk is rond de jaren 500 opgetrokken in opdracht van Chilperiks illustere voorouders Clovis & Clotilde die hier beiden begraven liggen.

 

Vijfenveertig bisschoppen bieden zich op de afgesproken dag aan voor deze synode, de vijfde hier in de Parijse reeks. Koning Chilperik arriveert er ook, samen met enkele van zijn 'leudes', enkel bewapend met een zwaard. Ik herken het Duitse woord 'Leute', mensen, in het primitieve 'leudes'. Een menigte Franken in complete oorlogsuitrusting blijft buiten en bezet de oprijlaan naar de basiliek. In het koorgestoelte van de kerk zullen straks de rechters, de aanklager en de beschuldigde hun plaats innemen. De twee balen met textiel en de zak met goudstukken staan prominent in aanslag, klaar om de vinger in de wonde te duwen. De koning laat niet na om de bisschoppen er op te wijzen dat deze objecten een belangrijke rol zullen spelen tijdens het proces.

 

De bisschoppen zelf komen uit alle belangrijke steden van het Frankenrijk. Onder hen merk ik Gregorius van Tours op. Bertram, de bisschop van Bordeaux wordt door zijn collega's voorgedragen als voorzitter van de rechtbank. Bertram is een man van hoge afkomst en via zijn moeder Ingeltrude dichte familie van de koning. De steenrijke vertrouweling van de natie geniet duidelijk van zijn status. Hij showt een politieke gladheid en elegantie als een eersteklas Romeinse senator. Een publieke persoon die zich graag laat opmerken in zijn wagen getrokken door vier paarden en geëscorteerd door jonge mannen. Voeg bij deze luxe nog zijn liefde voor de poëzie, vooral die van Latijnse epigrammen en je krijgt al een prima beeld van de president van deze kerkelijke rechtbank.

 

Net zoals de Frankische koningen gebruikt hij zijn dienstmeisjes als bijzitten. Voortdurend op zoek naar nieuwe veroveringen en maîtresses, aarzelt hij niet om ook getrouwde dames aan zijn harem toe te voegen. En vooral: Bertram is zeer goed bevriend met Fredegonde met wie hij zijn haat tegen de bisschop van Rouen deelt. Veel Frankische bisschoppen zijn uit principe geneigd om het voor de beschuldigde op te nemen, iets wat allerminst zal kunnen gezegd worden van hun voorzitter.

 

De vijfenveertig mannen zijn natuurlijk danig onder de indruk van de ontplooiing van de militaire macht van Chilperik en nog meer door de aanwezigheid van Fredegonde die niets wil missen van de wraakoefening op bisschop Praetextatus. Zo kom ik tot de zitting zelf. Te veel details zijn niet aan mij besteed en zoals gewoonlijk probeer ik het proces met mijn eigen woorden te vertellen. Het lijkt er op dat de koning zelf de rol van aanklager op zich neemt: 'waarom heb je mijn zoon het advies gegeven om te trouwen met zijn tante, de vrouw van mijn overleden broeder?' Hij beschuldigt Praetextatus om het feit dat hij Meroveüs op die manier wel moest de vijand van zijn vader maken en dat hij alles in het werk heeft gesteld om hem aan de macht te brengen.

 

Chilperik voelt zich verraden en etaleert dat in een gespeelde en expressieve boosheid. De bisschoppen zijn onder de indruk van zijn pleidooi en nog meer van het dreigend tumult bij zijn krijgsmannen aan de buitenzijde van de basiliek. De mannen roepen ostentatief 'ter dood aan deze verrader' en het scheelt niet veel of de beschuldigde wordt nog tijdens de zitting zelf gelyncht.

 

Nadat de rust het weer heeft overgenomen mag de bisschop zelf zijn verdediging naar voor brengen. Ja, hij heeft de kerkelijke regels geschonden door het huwelijk tussen Brunhilde en Meroveüs af te sluiten. Hier pleit hij schuldig voor zichzelf. Met een complot tegen de koning , met verraad of betrokkenheid in een staatsgreep heeft hij integendeel niets te maken. Hoe komen ze daarbij?

 

Dan is het tijd voor de getuigen. Mannen van Frankische afkomst. 'Heeft beschuldigde jullie niet een deel van dat goud beloofd als jullie zouden meestappen met Meroveüs?' Die weerlegt de beschuldiging. Het geld was bedoeld als een vergoeding, maar niet als bloedgeld om Meroveüs in het zadel te helpen of om de koning uit zijn land te verjagen. Maar verdere bezwarende getuigenissen komen er niet voor de dag en kunnen geen bewijs van schuld op tafel brengen. De zitting wordt geschorst. Chilperik baalt, verlaat de zitting en keert terug naar zijn logement, gevolgd door zijn 'leuden'. De bisschoppen gaan wat uitrusten in de sacristie.

 

Aartsdiaken Aetius, door Fredegonde aangesteld als aanklager van dienst, polst al eens naar de mening van de prelaten. Ze laten voorlopig het achterste van hun tong niet zien en hullen zich in stilzwijgen. Gregorius van Tours maakt zich kwaad en dringt er bij zijn collega's op aan dat ze er moeten voor zorgen dat er gerechtigheid zal geschieden. Gregorius wordt op het matje geroepen en verschijnt voor Chilperik. De ontmoeting vindt plaats buiten het paleis, ergens in een hut gebouwd van takken, te midden van het soldatenkamp. De koning staat er geflankeerd door Bertram en Ragenemond. Die laatste is de bisschop van Parijs. Beiden spelen een prominente rol in het proces tegen hun collega Praetextatus.

 

Sommige details vertel ik dan liever toch. Ze geven kleur aan het gebeuren. Voor de koning en de drie bisschoppen staat een tafel opgesteld en hierop ligt een mix van brood, gesneden vlees en etenswaren uitgestald. De etiquette van de Franken vereist naar verluidt dat niemand ooit de koning mag verlaten zonder eerst iets van zijn tafel te hebben genuttigd. Chilperik probeert kalm te blijven, colère zal niets uithalen bij de standvastige Gregorius. Intimidatie waarop Gregorius antwoordt dat de ene kraai de andere nooit de ogen uitpikt. De koning lult maar uit zijn nek over rechtvaardigheid en van rustige intimidatie gaat hij nu over op het uiten van onvervalste dreigementen. Hij zal zijn gelovigen daar in Tours opzetten om tegen hun bisschop op te treden. Chilperik in de rol van een klein kind die zijn zin niet krijgt. Hypocriet geflikflooi is het.

 

Tussen het nuttigen van soep en vlees (en wat wijn) door, legt de bisschop de verantwoordelijkheid van elke beslissing in de handen van de koning zelf. God zal op tijd en stond wel oordelen of zijn oordeel al dan niet terecht was. Een diplomatiek antwoord van het zuiverste water. Er is niets gezegd, niets beslist en toch gaat de koning er mee akkoord. Het is niet tot een breuk gekomen tussen Chilperik en de bisschop van Tours. Gregorius vertrekt enigszins opgelucht naar zijn logement in de basiliek van Sint-Juliaan naast het koninklijk paleis.

 

Fredegonde is misnoegd omdat Chilperik zich in de luren heeft laten leggen. Niet de koning maar wel de bisschoppen moeten hun oordeel uitspreken. Een passiespel van lobbywerk en intriges vult de nacht op weg naar de tweede zitting. Daar krijgt Praetextatus al direct een lastige vraag voorgeschoteld: 'geschenken voor je vrienden, beweer je, maar waarom heb je je getrouwen gevraagd om trouw te blijven aan Meroveüs?' 'Ik heb hem trouw beloofd toen ik hem boven de doopvont hield', antwoordt de beschuldigde, 'alsof hij op dat moment mijn eigen geestelijke zoon werd'.

 

Ik weet nu waar de term 'een Franse colère' vandaan komt. Chilperik vliegt daar plots uit in zulk een gramschap en woede dat de kerk ervan op zijn grondvesten davert. De oude Praetextatus breekt en valt op zijn knieën. Als ik het natuurlijk allemaal mag geloven wat er neergeschreven staat. 'Ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen God. Ja ik ben een moordenaar, ik heb je willen doden en je zoon op de troon willen plaatsen.' Zijn impulsieve bekentenis snijdt iedereen de adem af. De woede van Chilperik stilt eensklaps. Zijn hypocrisie neemt de touwtjes weer in handen. Hij werpt zich veel pathos op de knieën en richt zich tot zijn jury. 'Heb je het nu gehoord beste bisschoppen wat deze crimineel hier van plan was?'

 

Het verraad en de intriges van de afgelopen nacht maken plaats voor een diepe opluchting bij de deelnemers van het concilie. Er zijn naar verluidt zelfs tranen bij als ze zich met zijn allen rond hun koning scharen na diens zielig stukje theater. Praetextatus wordt tijdelijk weggeleid uit de basiliek. Chilperik vertrekt eveneens en laat de bisschoppen alleen om zich te buigen over de gepaste straf.

 

De term diefstal maakt plaats voor die van doodslag. Het laatste deel van de zitting begint met uiteraard de bisschop van Tours terug op het strafbankje. Die aanhoort zijn straf als een verdoemde. Hij verliest zijn status van bisschop tenzij hij gratie krijgt van Chilperik. Zijn lot ligt nu helemaal in de handen van een glunderende koning. Zijn victorie is volledig, maar hij wil nog wat verder gaan.

 

Onder het gezang van psalmen van de apostel Judas Iskariot, een collega-verrader van lang geleden, wordt een zielige Praetextatus gestript van zijn kerkelijk gewaad. De tekst van de psalm vertelt voldoende: 'we hopen dat zijn dagen geteld zijn, dat zijn kinderen wezen worden en zijn vrouw een weduwe. Dat de bankiers zijn goederen mogen verslinden, dat hij zonder hulp en medelijden verder moet en dat zijn kinderen allemaal vroeg zullen sterven zodat zijn naam in één enkele generatie van de tabellen zal verdwijnen.'

 

Ik huiver bij het herschrijven van deze scène. Hier wensen ze dus werkelijk iemand naar de hel. Een ontluisterende degradatie is het. Gregorius voelt zich ongemakkelijk maar kan er weinig aan doen. De koning eist dat de veroordeling genotuleerd wordt, dat de uitzetting uit zijn bisschoppelijke functie in de boeken verdwijnt als een eeuwigdurende straf. De bisschop van Tours verzet zich tegen een laatste clausule van het verdict De mogelijkheid tot gratie moet blijven bestaan zodat zijn collega-bisschoppen zichzelf nog in de spiegel kunnen blijven bekijken.

 

Het debat over deze clausule wordt plots onderbroken wanneer gewapende mannen de kerk binnen dringen en Praetextatus onder de ogen van de aanwezige bisschoppen meesleuren. Ik herken er de hand van Fredegonde in. Ze kon dus niet langer wachten. De veroordeelde wordt naar de gevangenis overgebracht waar hij tijdens de daaropvolgende nacht nog probeert weg te geraken en daarop zwaar mishandeld wordt door zijn bewakers. Na enkele dagen wordt hij overgebracht naar het eiland Jersey, een eiland dat in handen is van een bende Saksische piraten. Wat zal er van deze man worden?

 

Ik schakel even over op mijn oude Nederlandse bronnen. Fredegonde heeft nog een ander eitje te pellen. Eentje die luistert naar de naam van Clovis, de enig overgebleven zoon van Childerik en Audovera. Lees maar wat er daarover neergeschreven staat: Clovis, de enige zoon die aan Childerik uit het huwelijk met Audovera nog was overgebleven, kon in dit hachelijk tijdperk ook niet aan de aandacht van zijn wreedaardige stiefmoeder ontglippen. Een aanstekende ziekte welke in het jaar 579 in Frankrijk heerste, rukte de drie zonen van Fredegonde in het graf. De smart die de koningin daarover voelde, ontaardde in woede, en zij besloot om ook de jonge Clovis aan haar wangunst op te offeren.

 

De jongen heeft een oogje laten vallen op één van haar hofdames. Enkele valse getuigen komen nu af met de bewering dat de moeder van de dame in kwestie een toveres is, die door de kracht van haar bezweringen en op aandringen van prins Clovis de drie zonen van Fredegonde heeft doen omkomen. Op deze valse beschuldiging werd eerst het ongelukkig meisje in hechtenis genomen, daarna rechtover de kamer van Clovis aan een paal gebonden en in zijn bijzijn streng gegeseld.

 

De moeder van het meisje krijgt geen beter lot toebedeeld. De zogezegde heks wordt op de pijnbank geïnstalleerd en zodanig gemarteld dat zij zich gedwongen ziet om de valse beschuldigingen die men de jonge prins ten laste legt, te bekrachtigen. 'Nu steeg de wraakzucht der onmenselijke koningin ten top'. Chilperik kan zijn eigen echtgenote niet afstoppen. Hij moet zijn eigen zoon aan haar afgeven. Op haar bevel wordt Clovis gevangen genomen, met ketens beladen en naar een gevangenis in Noisy-sur-Marne gezonden waar hij korte tijd achteraf met een steek van de dolk geliquideerd wordt.

 

Kort na deze gebeurtenis is ook het liedje van Chilperiks eerste echtgenote Audovera uitgezongen. Ik laat jullie zelf het verschrikkelijk verslag nalezen: 'kort na deze gebeurtenis eindigde ook het leven van de ongelukkige koningin Audovera, die insgelijks door het moordtuig van de huurlingen van Fredegonde moest sneuvelen, terwijl deze booswichten zelfs de veiligheid van de plaats waar zij haar toevlucht had genomen, niet ontzagen. De prinses Basina, een dochter van Audovera, werd door de lijfwachten van Chilperik schandelijk onteerd en daarna in een klooster te Poitiers opgesloten.'

 

'De wreedheden welke vervolgens aan al de vrienden van Clovis werden uitgeoefend, waren onbegrijpelijk, en de ongelukkige vrouw, die men om op de pijnbank de bekrachtiging der valse beschuldigingen had afgeperst, werd als een toveres tot de brandstapel verwezen. De koningin die weder een zoon ter wereld bracht en de naam van Diederik ontving, stierf kort na zijn geboorte, hetwelk zij andermaal aan toverbezweringen toeschreef, wat op zijn beurt aan verscheidene vrouwen, door verbranden, verdrinken en zelfs door geradbraakt te worden, het leven kostte.'

 

De kleine Diederik zal twee jaar worden en sterft in 584 en in datzelfde jaar bevalt Fredegonde eindelijk van een gezonde telg. Chlotarius de tweede. Ze heeft lang moeten wachten tot er een troonopvolger uit haar buik gesproten is. De toon die oude kroniek gebruikt om de komst van de kleine te beschrijven is op zijn minst mysterieus te noemen: 'eindelijk baarde Fredegonde haar laatste zoon, die Chlotarius genaamd werd, en wiens aanwezigheid bestemd scheen, om op gepaste tijd de misdaden van zijn ouders te helen en die van Brunhilde op een voorbeeldige wijze te straffen.'

 

Zowat vier maanden na de geboorte van zijn zoontje vertrekt Chilperik met zijn hofhouding naar Chelles, een plaats ten noorden van Parijs, op zowat 260 kilometer van de Westhoek, 'een lustplaats die hem steeds ongemeen vermaken opleverde, die echter nu dodelijke gevolgen voor hem zou hebben.' Wat nu volgt wilde ik aanvankelijk met mijn eigen woorden navertellen, maar ik mis de finesses van het origineel, en dus besluit ik maar om het hierbij te houden.

 

'De koning, gereed zijnde om een jachtpartij te gaan bijwonen, komt toevallig nog eerst in de kamer van de koningin. Deze, denkende dat het Landry was, met wie zij een ongeoorloofde minnenhandel onderhield, laat zich onvoorzichtig enige uitdrukkingen ontglippen, welke ten eenenmaals haar geheim verraadde. Chilperik, verbaasd over hetgeen hij hoorde, verliet aanstonds in een peinzende houding het vertrek.'

 

Terwijl ik me ietwat meewarig afvraag of die kleine Chlotarius nu effectief uit de broek van Chilperik kan gekomen zijn, of mogelijk wel uit deze van haar minnaar Landry, vervolgt het relaas zijn weg en moet ik me haasten om de trein van het verleden niet te missen. 'Fredegonde maakte, zonder uitstel, den misslag, welke zij had begaan aan haar minnaar bekend, waarvan het gevolg was dat zij beide, om hun ondergang te vermijden en zodra Chilperik van de jacht was teruggekomen, hem moorddadig om het leven te brengen.'

 

'Het lijk van de gehate koning zou blijven liggen zijn, indien Malulfius, de bisschop van Senlis , zeker ook al niet zijn beste vriend, het niet langer kon aanzien, uit welvoeglijkheid naar Parijs had laten vervoeren, waar hij in de kerk van Saint-Germain-des-Pres ter aarde werd besteld.' De Nero van zijn tijd heeft 23 jaar geregeerd en overlijdt in het jaar 584. Ik moet wat op mijn tellen passen met de tekst die ik zo meteen zal neerschrijven. De evaluatie van Chilperik komt nu eenmaal van Gregorius de bisschop van Tours, een man die de koning zeker geen warm hart heeft toegedragen.

 

Als bilan van iemands leven kan het eindrapport in elk geval wel tellen. Een afgewerkt en definitief curriculum vitae om van te gruwen: 'zijn karakter, dat uitermate slecht was, wordt bijna van alle ondeugden beschuldigd. Zijn wulpse aanleg kende geen grenzen, waardoor zijn wellustigheid soms tot een tomeloze ongebondenheid oversloeg. En de trouw die hij met verloop van tijd aan Fredegonde toonde, kwam er meer uit vrees dan uit plicht. Zijn onverzadigbare gelddorst maakte hem tot tiran voor zijn onderdanen die hij met zulke zware belastingen bezwaarde dat veel van hen heel hun bezit als prooi aan hem over lieten.'

 

Wie denkt dat dit alles is, heeft het verkeerd voor. 'De praal van zijn hofhouding was buitensporig. Zijn ongodsdienstigheid verwekte algemene ergernis, maar als puntje bij paaltje kwam, was hij een slaaf van het bijgeloof. Terwijl hij voortdurend zijn verachting liet gevoelen aan de geestelijken was hij verschrikt voor Sint-Maarten, de enige heilige die hem deed beven. Verwaand en laatdunkend durfde hij het aan om de diepste gronden van de godsdienst uit te leggen. Hij gaf opdracht om het Franse alfabet dubbel zoveel letters te geven als dat van de Grieken, iets waar nooit iets van gekomen is. Niet de minste roem is er voor hem overgebleven buiten de schrale werkelijkheid dat hij de beul van zijn eigen huisgezin is geweest.'

 

Het Frankenrijk in 584. De moord op Chilperik heeft grote politieke gevolgen. Wie zal de nieuwe koning van Neustrië worden? Childebert junior, de 14-jarige zoon van wijlen Sigebert en Brunhilde of zijn neef, de pasgeboren Chlotarius II, kind van Fredegonde? Daar gaat het nu dus om. De trukendoos van Fredegonde is ver van uitgeput. Ze legt nu de schuld van de dood van Chilperik in de schoot van Brunhilde. Zij heeft haar man om het leven gebracht om haar eigen zoon in het zadel te helpen. Wie zegt me trouwens dat de beschuldiging van moord door bisschop Gregorius aan het adres van Fredegonde niet onterecht is en dat het inderdaad Brunhilde is die de moorden op haar geliefden heeft gewroken?

 

Terwijl Childebert zich in Meaux bevindt, raakt Brunhilde op die manier in zeer netelige omstandigheden verzeild. De publieke opinie maakt van haar een moordenares omdat alles zo duidelijk lijkt. Ze vlucht halsoverkop naar Parijs waar ze onderdak vindt bij de bisschop. En ons Fredegondeke die speelt ondertussen weer maar eens een al dan niet vermeende glansrol, deze keer die van onschuldige en ontroostbare weduwe.

 

Gontran (de broer van de vermoorde Chilperik) schiet zijn schoonzus Fredegonde ter hulp. Ik herhaal nog even dat deze Gontran de macht over Austrasië, het zuidoosten van Frankrijk en het latere Duitsland. Van Bourgondië, de Vogezen tot diep in de Provence. 'Deze vredelievende vorst begaf zich aanstonds naar Parijs en verklaarde zich openlijk voor de zaak van Fredegonde en beloofde de jonge Chlotarius boven de doopvont te houden en deed hem alvast als koning van Soissons erkennen. ' Fredegonde haalt haar slag thuis. In afwachting van de volwassenheid van haar zoontje wordt ze aangesteld als regentes. Voor alle veiligheid besluit ze om zich te vestigen in het koninklijk slot van Vaudreuil op een kilometer of vijf van Rouen.

 

De keuze van Gontran voor Chlotarius II komt aan als een slag in het gezicht voor Childebert junior, de jonge koning van Austrasië. Brunhilde, hierover ontevreden, liet geen gelegenheid voorbijgaan om hen allerhande moeilijkheden te berokkenen die Gontran meer last dan wat anders opleveren. Ze zaait aan één stuk door tweespalt aan het hof van Gontran. Ze kan niet leven met zijn beslissing dat haar zoon niet de wettige opvolger zou worden van zijn oom Chilperik. Ik ben benieuwd in wie zijn voordeel deze machtsstrijd aan het hof van Gontran zal aflopen.

 

Fredegonde draagt voorlopig dus wel de naam van regentes, maar eigenlijk is het haar schoonbroer Gontran die de macht overneemt tot dat Chlotarius II op leeftijd zal gekomen zijn. De inmenging van een weifelende Gontran in Neustrië zorgt uiteraard voor grote frustraties en verbittering bij Fredegonde. Gontran aarzelt alvast niet om de vele misbruiken van het verleden af te schaffen en het bestuur te zuiveren. Als Gontran bisschop Praetextatus weer in zijn functie van bisschop van Rouen herstelt, is voor Fredegonde het hek van de dam. Gust Thierry plaatst de inmenging van Gontran in een breder perspectief. Fredegonde ziet in alles de hand van Brunhilde en dat zou wel eens kunnen kloppen.

 

Het jaar 590. Chlotarius II, zes jaar ondertussen, hangt nog altijd af van zijn onmachtige moeder Fredegonde. En die koestert uiteraard nog altijd een ongezonde wraak tegen Brunhilde en haar zoon van vijftien. De idee dat Brunhilde zich boven haar verheven voelt, maakt haar ziek van woede. Het verleden heeft al aangetoond tot wat deze dame in staat is als ze kwaad is en ook deze keer staan er moorden op het programma.

 

Een jonge barbaar van haar hofhouding zal proberen om te infiltreren in de entourage van Brunhilde. De geschiedenis van Sigebert lijkt zich te gaan herhalen. De jongen wordt naar het hof van Austrasië gestuurd en geeft zich uit als verstoteling van Fredegonde. Hij wil het vertrouwen van Brunhilde winnen en haar daarna om het leven brengen. Aanvankelijk lijkt zijn plan te werken. Het duurt echter niet lang voor de man in vraag wordt gesteld en hij door de mand valt. Ik kan me de intense gramschap van haar rivale voor de geest halen als hij doodleuk teruggestuurd wordt naar zijn bazin. Waarom zou Brunhilde de indringer vermoorden als ze met deze boodschap het bloed van onze de nagels van Fredegonde kan weghalen?

 

Enkele maanden later volgt een nieuwe poging. Fredegonde is werkelijk een genie als het om het kwade gaat. Dit keer heeft ze persoonlijk enkele adviezen verschaft rond het ontwerp van een nieuwsoortige dolk. Opnieuw een slanke ontwerp zoals dat de gewoonte is bij de Franken, maar het snijval van het lemmet is volledig gekarteld en versierd met holle figuren. Het mes ziet er onschuldig uit, maar vergis u niet; dit is op en top een diabolisch wapen. Voeg daarbij de wetenschap dat het staal ervan opnieuw ondergedompeld werd in een gifmengsel.

 

Twee jonge snaken krijgen het bevel om zich als arme stakkers te vermommen. Ze zullen proberen om tot bij Childebert junior te raken en hem te doden terwijl ze hem om een aalmoes zullen vragen. Ze krijgen een drankje mee dat hen van hun angst zal bevrijden en hun in de passende roes zal brengen. Het tweetal valt onmiddellijk door de mand. Bij hun aankomst worden ze opgemerkt en opgesloten. Dit keer kan er geen sprake zijn van gratie. De sukkelaars sterven een genadeloze marteldood.

 

De haring van Fredegonde wil maar niet braden. De terugkeer en het eerherstel van bisschop Praetextatus zijn voor haar onmogelijk te pruimen. In het begin van het jaar 585 installeert ze zich in zijn nabijheid; in de stad van Rouen. Tussen de groep lijfeigenen die de kerk bedienen zoekt ze een ongelukkige die hun bisschop aan haar zullen uitleveren of hem zal doden. De huurmoordenaar slaagt in zijn opdracht. Ik vat een hele pagina omschrijving samen in één zin: 'zij liet de bisschop in de kerk, aan de voet van het altaar, vermoorden.' De wraakzuchtige scenes die zijn dood voorafgaan laat ik als een kelk aan me voorbijgaan.

 

De invalshoek van mijn beide bronnen is totaal uiteenlopend waardoor ik moet hollen van de ene naar de andere. Gust Thierry verdrinkt in de details en de futiliteiten terwijl het Nederlands boek uit 1824 zich dan te vaak bezondigt aan liederlijkheid. Ik probeer tussen deze twee uitersten de gulden middenweg te vinden om deze oude geschiedenis te transformeren tot een journalistiek verslag die op zoek is gegaan naar waarheid & co.

 

Gontran is misnoegd om de moord op zijn vriend de bisschop. Van geen van beide vrouwen moet hij nog iets goeds verwachten. De veiligheidsmaatregelen aan zijn paleis worden nog verscherpt teneinde niet in de handen te vallen van huurlingen of moordenaars van Brunhilde of Fredegonde. Overal in het land van de Franken is er sprake van onlusten en rellen. Alsof er nog geen ellende genoeg voorhanden is met de tweespalt tussen Childebert junior en Chlotarius, duikt er nu nog een figuur op die beweert de rechtmatige zoon te zijn van de gedode Chilperik.

 

Gondebaud is zijn naam. En blijkbaar heeft hij al tijdens het leven van zijn vader zijn deel van het rijk opgeëist. Maar toen werd hij wandelen gestuurd met de bewering dat hij het kind was van een of andere molenaar of wolkammer. Maar nu Chilperik er niet meer is, ruikt hij zijn kansen. Het dispuut tussen de zachtaardige Gontran die niet weet wat hij wil en de knevelarijen van Fredegonde en Brunhilde, verschaft hem een uitgelezen kans om een nieuwe gooi naar de macht te doen. Met succes trouwens, want hij laat zich in Brive-la-Gaillarde uitroepen tot nieuwe koning van de Franken.

 

De bestaande Frankische vorsten Childebert junior, Chlotarius II en Gontran zouden nu eigenlijk dringend in actie moeten treden tegen de zelfuitgeroepen nieuweling, maar dat ligt zoals je wel kan begrijpen moeilijk. Een krijgsbende van onbekende omvang valt Bourgondië binnen. Gondebaud ziet zich plots opgevrijd door zowel Fredegonde als Brunhilde. 'Eerst werd hij daar Brunhilde en later ook door Fredegonde aangezocht om in een verbond te treden en de koning van Bourgondië te bestrijden. Het toont aan dat beide weduwen geen sentimenten en scrupules kennen en over lijken gaan om hun doel te bereiken.

 

De krijgsmannen van Gontran en Childebert junior sluiten dan toch de rangen en slagen er in om het leger van Gondebaud te verslaan en de man gevangen te nemen en op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Fredegonde probeert alsnog de brokken te lijmen met Gontran. Alternatieven zijn er niet meer voorhanden. De kleine Chlotarius II moet nog gedoopt worden en Gontran had beloofd om hem als opvolger boven de doopvont te houden.

 

Wat ik een tijdje geleden als een terloopse opmerking ventileerde, blijkt nu ook door de geest van Gontran te spoken. Is Chlotarius II wel een natuurlijke zoon van zijn broer Chilperik? 'Het langdurig uitstellen van de plechtigheid deed omtrent de wettige geboorte van dit kind enige kwade vermoedens ontstaan. De koning van Bourgondië die zijn gedachte hierover te kennen gaf, boezemde daarmee zware vrees in voor Fredegonde dat zij zichzelf bij hem ten hove vervoegde en met zware eed getuigde dat Chlotarius de echte en eigen zoon van wijlen haar gemaal Chilperik was. Drie bisschoppen, haar vrienden, en driehonderd andere personen moesten deze getuigenis plechtig bezweren. Nu durfde de godvruchtige vorst aan de echtheid van deze zaak niet langer twijfelen, waarna de plechtigheid omtrent 7 jaar (in 591) daarna in het dorp Nanterre plaats vond.'

 

Gontran ziet zich in die periode verplicht om nog een oorlog uit te vechten tegen de graaf van Bretagne. Dat is zowat het laatste wapenfeit van deze koning. Hij overlijdt in 592 op 60-jarige leeftijd na een regeerperiode van meer dan 30 jaar over Orleans en Bourgondië. De kleine Chlotarius II erft niets in Austrasië. Het hele rijk gaat naar Childebert junior, de nieuwe koning van Austrasië. Ik heb het hier over de koninkrijk van Orléans, Bourgondië die nu samengevoegd worden met Austrasië. De andere kandidaat-erfgenaam, Chlotarius, wordt wel in de rechten van zijn vader hersteld en blijft dus de aanbevolen koning voor noordwest Frankrijk en Vlaanderen. De stad Parijs wordt volgens een minnelijke schikking tussen Childebert junior (22 jaar) en Chlotarius II (8 jaar) verdeeld.

 

De goede verstandhouding tussen beiden is echter van korte duur. Dat verwondert me helemaal niet. Childebert junior valt de regio van Soissons binnen en richt er grote verwoestingen aan. Een krijgsmacht van Chlotarius II kan de vijand afstoppen bij een veldslag die het leven kost aan 30.000 soldaten. Dit aantal toont meteen de schaalgrootte van de gebeurtenissen. Childebert junior blijft aanmodderen, wint hier en daar wel een gevecht, maar verliest in het gebakkelei wel zijn leven. 'Hij overleed in den ouderdom van vijf en twintig jaren, waarvan hij twintig jaren de koninklijke waardigheid had bekleed.' Het moet dus in het jaar 595 zijn. De geruchten van een vergiftiging door één van de kamphennen, zijn moeder Brunhilde of zijn tante Fredegonde zorgen er voor dat zijn Childeberts vroege dood met de nodige mist omgeven blijft.

 

Childebert junior laat bij zijn vrouw Faileuba twee zonen achter. Theodebert en Theodorik, ook wel Thierry genoemd. Zij delen het grondgebied terwijl hun moeder voorlopig het beheer in handen neemt. De tijd voor nieuwe geschiedenis breekt aan. Voor mij betekent dit hier een voorlopig eindpunt. Hoe kan ik beter afronden dan bij de dood van Brunhilde en Fredegonde?

 

Ik begin bij Fredegonde. De feeks. 'Omtrent twee jaar na de dood van Childebert, in 597, overleed ook de beruchte koningin Fredegonde. Haar lichaam werd in Parijs, in de kerk van St. Germain-des-Prés naast het lijk van haar gemaal Chilperik begraven.

 

Ik laat de oude geschriften afsluiten met het vertrek van Brunhilde uit deze wereld en nog een laatste evaluatie van haar dode rivale Fredegonde. 'Bij het overlijden van deze vorstin bevond het koninkrijk Neustrië zich in een goede staat. De macht van haar rijk was vermogend genoeg om het hoofd te bieden tegen twee vijandige koninkrijken.'

 

'De heerschappij die Fredegonde door haar bekoorlijkheden had bekomen, is door haar geslepen staatsmanschap gehandhaafd gebleven. Haar heerszucht leverde ons de gruwelijkste verhalen op die zelf bij machtige misdadigers de nodige schrik zouden doen ontstaan. Chlotarius II, de enige zoon die Fredegonde naliet, nam nu de regering van het rijk voor zich alleen op.'

 

Brunhilde zelf staat ook op het punt haar gezag te verliezen. Zij regeert over Austrasië en Bourgondië in naam van haar kleinkinderen. In een sfeer van bloedvergieten en geweld. Haar laatste slachtoffer wordt Wentrion de hertog van Champagne die haar vijandschap met de dood bekoopt. Enkele vooraanstaande Austrasiërs verenigen zich ten einde raad tegen hun drieste koningin en dwingen haar in de verbanning. Brunhilde moet dus schandelijk Austrasië verlaten. Dat zal haar niet stoppen om verdere intriges te bekokstoven, er lijkt wel geen einde te komen aan deze terreur.

 

Uiteindelijk eindigt haar leven in het jaar 613. Een slot in ultieme mineur. Ze wordt door haar eigen achterban van Bourgondische edellieden overgeleverd aan haar Neustrische vijand Chlotarius II. Samen met vier van haar kleinkinderen. Ze wordt ervan beschuldigd om minstens 10 prominente Franken om het leven te hebben gebracht. Brunhilde wordt bij wijze van afscheid drie dagen lang gefolterd om dan naakt en eerloos op een kameel gebonden te worden. De schandpaal is blijkbaar nog niet grotesk genoeg; een dier waarmee in die tijd nog smalend om gelachen wordt, kan de spot met haar alleen maar maximaliseren. De potsierlijke rondrit door Bourgondië zal drie dagen duren. Pas dan mag ze doodgemaakt worden. Met de armen, benen en haren vastgemaakt aan de staart van een wild paard, wordt ze uiteindelijk in een laatste wilde rit verscheurd en verbrijzeld door de hoeven van het onstuimig dier.