P0300100

In 1971 schrijft de Nieuwpoortse historicus René Dumon een indrukwekkende geschiedenis van zijn stad. Wij gaan mee met René in zijn boeiend verhaal. Nieuwpoort bestaat al ten tijde van de inval van Caesars Romeinen in Gallië. Oorkonden die dat kunnen bewijzen zijn er niet overgebleven. Maar kunnen we uit het oog verliezen dat talloze documenten door de vlammen verteerd worden als Terwanen, hoofdstad van het gebied der Morinen, en zetel van het bisdom van dit zelfde gebied, door de Noormannen wordt verwoest?

 

Dumon levert hier eigenlijk een omgekeerd bewijs. De streek van Nieuwpoort is in dit zelfde gebied gelegen, zegt hij. En de archieven van het Sint-Bertinusklooster te Sint-Omer ondergaan precies hetzelfde lot. Hij vraagt zich af wat de Nieuwpoortse bodem eventueel prijs geeft over dat verleden. Aanvankelijk wordt hier niet veel aandacht aan geschonken. Kleine zaken worden niet opgemerkt, grotere vondsten veroorzaken wat tijdelijke en onbelangrijke sensatiegevoelens bij de sporadische lokale geschiedschrijvers.

 

Zo bijvoorbeeld het geval van Adolf Kempynck. In zijn huis te Nieuwpoort bezit hij vanaf 1870 een rijke verzameling van allerhande oude voorwerpen. Allemaal afkomstig van de streek van Nieuwpoort. Naar verluidt bevinden er zich onder de verzameling voorwerpen van heidense afkomst. Spijtig genoeg worden de vondsten na zijn dood niet geïnventariseerd en worden ze door liefhebbers meegenomen en verspreid over de provincie.

 

In 1925 wordt in de Kokstraat een oude begraafplaats van rond de jaren 900 blootgelegd en tijdens de afbraakwerken van versterkingen in de loop van de 19de eeuw worden 6 Romeinse amfora's opgegraven. Die worden tot op vandaag bewaard in het Brugse Gruuthuse museum. En er zijn die gebeurtenissen van juni 1960. Tijdens de bouw van een woning in de Astridlaan worden 3 zware gelijklopende muren aangetroffen waarvan er één een breedte heeft van 2,90 m. Ze zijn zo robuust gebouwd dat de aannemer besluit deze niet af te breken.

 

De muren kunnen maximaal 500 jaar oud zijn, maar de grondvesten waarop ze werden gebouwd, zijn ongetwijfeld veel ouder. Opnieuw wordt er vrij slordig omgegaan met de eerste bevindingen van de oude fundamenten. Een aantal grote donkerrode stenen, met witte mortel gemetst, doen het vermoeden wekken dat ze van Romeinse herkomst te zijn. Enkele uren na die vaststelling worden de openliggende grondvesten met beton overgoten en blijft hun geheim achter in de Nieuwpoortse bodem. Als de Vlaamse zee zich veel duizenden jaren geleden uit onze gewesten terugtrekt, laat ze een smalle strook stevige zandbodem achter die zich uitstrekt tussen Koksijde en Nieuwpoort en dan landinwaarts naar Sint-Joris en Mannekesvere.

 

Later, rond 270, keert de zee terug. Ze dringt de Westhoek binnen en veroorzaakt er overstromingen en de vorming van lokale meren en moerassen. Onze gewesten krijgen een nieuw uitzicht. De zandbodem waarop Nieuwpoort is gebouwd, biedt weerstand tegen de oprukkende zee en kan die weerstand volhouden tot aan de 8e eeuw wanneer het water er op 2 plekken doorbreekt en de hele noordoostelijke kant van de stad blank zet. Het fenomeen herhaalt zich nog een keer in de 12de eeuw wanneer de hele zandketen ten oosten van Nieuwpoort door het water wordt overweldigd. De westelijke kant van Nieuwpoort blijft echter overeind. Op deze zandketen tussen Nieuwpoort en de zee zijn er voldoende middelen aanwezig om er een goed bestaan te leiden. Er is voldoende mogelijkheid tot landbouw en visvangst. De zee en het Vloedgad, de waterloop tussen Oostduinkerke en de zee, bieden aan de inwoners een uitstekende verkeersas.

 

Dumon verwijst naar een boek van 1314 met de titel 'Het Boec vanden hofsteden lande van der Nieuwerpoort'. Het Vloedgat wordt er 3 keer in vermeld. Maar dan wel onder de naam 'Onielootland'. Er is duidelijk sprake van het land dat gewonnen is op het 'loot', de waterloop met de naam 'Onie', de naam van de stroom die toen langs Nieuwpoort voorbij stroomt. De naam Onie is minstens van Keltische oorsprong en nauw verwant met riviernamen zoals de Saöne, de Seine, de Garonne en de Rhône vertelt René Dumon.

 

De doorgebroken zee en het water van de zee vermengen zich in de 8e eeuw met het water van de Onie. Langzamerhand zal de term 'Onie' vervangen worden door de naam 'Ijzer'. De samenvoeging van de 2 wateren en het groeiend geweld van de zee leiden er toe dat er zich ten noorden en ten noordoosten van Nieuwpoort een uitgestrekte delta vormt. Een tekst van 840 omschrijft die als 'in sinum qui vocatur Isere Portus'. In 961 luidt het 'Isere Portus in finibus Menapum'. De linkeroever van de Onie, tot nog toe een gewone oever aan een gewone rivier, gaat voortaan het uitzicht en de allures krijgen van een strand. Het duinenzand zal er zich gaandeweg komen ophopen tot een immense zandheuvel waar later het centrum van Nieuwpoort zal ontstaan.

 

De aanvoer van zand zal ook het peil van de bodem doen rijzen, en zal die voor overstromingen vrijwaren. De noordkant van de zandbodem wordt blootgesteld aan de noordoostelijke wind. Overvliegend zand. Springvloeden. Beslist geen goede plek om er te wonen. In de vroege tijden is de hele zandketen aan de zuidkant van Nieuwpoort echter bebost en bijzonder geschikt voor de landbouw. De scheepvaart biedt de bewoners toen al de nodige levenskansen. De Onie die uit het noordoosten komt, zorgt voor rechtstreekse verbindingen met de streek van Brugge, met Walcheren, met de Schelde, de Maas en de Rijn.

 

En dan is er nog de ligging ten opzichte van Engeland en de Franse kusten! Een korte overvaart naar Koksijde biedt de mogelijkheid om via de toenmalige Ijzermonding koers te zetten naar de locaties waar later Diksmuide, Ieper en St.-Omer zullen ontstaan. De solide zandbodem van Nieuwpoort biedt de scheepslui de mogelijkheid om hun schepen aan te meren, zich te bevoorraden, herstellingen te verrichten en de gunstige winden af te wachten om hun reizen verder te zetten. Er ontstaat een bloeiende handel van nieuwe bedrijven en neringdoeners. Nieuwpoort dankt zijn bestaan aan de scheepvaart.

 

In het jaar 20 schrijft Strabo in zijn boek 'Geographia' dat er in totaal 4 havens zijn die de relaties tussen het vasteland en Engeland onderhouden. Hij geeft geen plaatsnamen op maar heeft het over de Rijn, de Seine, de Loire en de Garonne. Engeland is op dit moment nog niet onderworpen aan de Romeinen en het lijdt geen twijfel dat andere en kleinere havens ook hun rol spelen in die verbinding tussen het Europese continent en Engeland. De zeeschepen van die tijd kunnen ongeveer 80 ton goederen verschepen.

 

Ze zijn aangepast voor de binnenwateren en de grote rivieren maar lange zeereizen zijn niet vanzelfsprekend. Een directe verbinding tussen bijvoorbeeld de Rijn en de Thames loopt volgens Strabo niet via de monding van de Rijn, maar via een kortere weg: de binnenwateren van de Vlaamse kust. In plaats van de Rijnmond uit te varen, kiezen de schepen de binnenwateren achter de kust tot dat ze in het land van de Morinen aankomen. Op de grens tussen de Morinen en de Menapiërs, zo schrijft Brabo, wagen de schepen de oversteek naar Engeland. We citeren Strabo: 'qui a Rheni partibus trajiciant, ii non ex ipso solvant ostis, sed a Morinis, Menapio-rum conterminis'.

 

Tacitus, een schrijver overleden in het jaar 120, schrijft dat de Romeinse veldheer Corbulo een 47 km lange vaart laat graven achter de Nederlandse kust (Kanaal van Corbulo - Fossa Corbulonis) om een betere verbinding tot stand te brengen tussen de Rijn en Maas. Tacitus wil absoluut de perikelen van de oceaan en het ongewisse van de zee vermijden. Men spaart in die tijd dus moeite noch kosten om de zeereis naar Engeland te verkorten en om de vaart via de binnenwateren te optimaliseren. Nadat Engeland onderworpen is aan de Romeinse overheersing, neemt het belang van die binnenwateren nog in ruime mate toe.

 

In het jaar 85 richten de Romeinen een nieuw vlootstation op in Arentsburg (Voorburg), ergens halverwege de nieuwe vaart. Op basis van de Romeinse Peutinger wegenkaart kan afgeleid worden dat die plaats toen bekend staat als Forum Hadriani. De zeebasis, bekend als een onderdeel van de Classis Germanica, wordt opgericht om de waterwegen in onze gewesten te beschermen tegen barbaarse invallen. De vloot patrouilleert op de binnenwateren en voor de kust en zorgt voor de veiligheid van de scheepsvaart op de Noordzee. De Romeinse garnizoenen in Engeland rekenen op de vloot voor een behouden aankomst van de schepen die hun voedsel en voorraden aanbrengen.

 

Het station blijft bestaan tot in 240. Op zee heeft de Romeinse vloot af te rekenen met een oneindige doolhof van zandbanken en eilanden. Dat zijn dus de perikelen van de oceaan waar Tacitus over schrijft. De zandbanken en eilanden strekken zich uit langs de kusten, en op sommige plaatsen vrij ver in zee. Tussen de monding van de Onie ter hoogte van Groenendijk en de kust ten noorden van de Rijn. Het leidt geen twijfel dat zelfs de Classis Germanica zich via deze hindernissen niet zo graag in zee gewaagd zal hebben. Strabo verklaart dat de gebruikte haven zich bevindt in 'het land der Morinen, die wonen vlakbij de Menapiërs'.

 

Hij voegt eraan toe dat de Menapiërs palen aan de Morinen tegen de zee. De Morinische haven bevindt zich dus logischerwijze aan de kust tegen de grens van het gebied der Menapiërs. Nieuwpoort staat gedurende vele eeuwen onder de bevoegdheid van de bisschop der Morinen, die zijn zetel heeft te Terwanen. Nieuwpoort ligt aan de uiterste grens van dit bisdom. Wat verderop, in Lombardsijde, bevinden we ons al in het bisdom van Doornik. Het bisdom van de Morinen wordt opgericht rond het jaar 600. Volgens de toen bestaande gebruiken vestigt men de zetel van het bisdom in dezelfde stad die, onder de Romeinen, en nog in de Frankische tijd, de 'Civitas' of hoofdstad is van het burgerlijk bestuur van het land der Morinen, met andere woorden in de stad Terwanen (Terwaan-Thérouanes).

 

Het Concilie van Antiochia heeft vroeger inderdaad besloten dat de grenzen van de nieuwe bisdommen moeten overeenstemmen met de grenzen van de Romeinse gebieden die bij de Civitas behoorden. Aangezien het gebied van de Morinen zich op kerkelijk gebied uitstrekt tot aan Nieuwpoort, moet het burgerlijk gebied van dezelfde gouw zich dus in de Romeinse tijd ook tot aan Nieuwpoort uitgestrekt hebben. En als we het op geografisch vlak bekijken is het niet verwonderlijk dat de Onie de natuurlijke buitengrens vormt van het bisdom van Terwanen.

 

De Onie scheidt de Morinen van de Menapiërs in de Romeinse tijden. Nu wordt het ook duidelijk wat Strabo heeft verklaard: de Morinen en de Menapiërs bezitten een gemeenschappelijke grens aan de zeekust. Hier ligt de haven van waaruit de Rijnschepen hun reis naar Engeland ondernemen. De Onie komt dus hier te voorschijn als de voorhaven van de Rijn, de Maas en de Schelde. Als voorhaven van de Rijn speelde de Onie dus, in het gewest van Nieuwpoort, een uitzonderlijke rol in de economische betrekkingen met Engeland en ook met verafgelegen streken in het binnenland. Deze toestand bestond trouwens al vóór de komst van de Romeinen.

 

Ik denk spontaan aan de kronieken van Marcus van Vaernewyck en zijn verhalen over Britania nog lang voor de nieuwe tijdrekening. Deze betrekkingen zullen alleen nog toenemen tijdens de Romeinse era. Voor het handelscentrum dat onvermijdelijk langs de oevers van de Onie moet bestaan hebben, moet de toekomst er veelbelovend uitgezien hebben. De overtocht van de schepen gaat meestal van Nieuwpoort naar de Engelse haven van Rutupiæ (vandaag heet de stad Richborough). Richborough is een plaats in het graafschap Kent in het zuidoosten van Engeland. Het ligt aan de monding van de Thames iets ten noorden van Sandwich. Het is waarschijnlijk in Richborough dat de Romeinen aan land komen tijdens hun invasie van Engeland in het jaar 43.

 

De economische omstandigheden voor de inwoners van Nieuwpoort zijn uitstekend met deze belangrijke handelsroute. De economie floreert dan ook en die gunstige situatie zal eeuwenlang blijven bestaan. Zo zien we dat, duizend jaar later, in 1052, de Engelse graaf Godwijn, op weg van Brugge naar Engeland, zijn schepen aanmeert in de Ijzer (de latere naam voor de Onie), om vandaar bij de eerste gelegenheid de reis naar Engeland voort te zetten. De wind zit goed op St.-Jansdag. Op die dag is de vloot uitgevaren. Zo wordt het in 1052 geschreven: 'Da gewende Godwine eorl ut fram Brycke mid his scipum to Yseram and let ut ane daege oer midsummers maesse aefene'. De woorden 'midsummer maesse' zijn de Engelse uitdrukking voor St.-Jansdag. De serie 'Midsummer Murders zouden dus bij ons kunnen vertaald worden in de 'Sint-Jansmoorden'.

 

Hoe wonen onze voorouders in de vroegere tijden? Tot ver in de jaren 1000 wordt er helemaal niet gebouwd in steen. Stenen zijn niet verkrijgbaar. De Romeinen kenden bakstenen maar hun bouwmateriaal raakt na de Romeinse bezetting volledig in onbruik. Hutten, steden en openbare gebouwen wordt gebouwd in hout en leem. Het is natuurlijk erg vergankelijk bouwmateriaal en schrijver René Dumon schrijft dat het tevergeefse moeite is om in Nieuwpoort op zoek te gaan naar sporen van bewoning in de zeer vroege tijden. Sporen van het verblijf van onze voorouders zijn niet zozeer fysiek terug te vinden maar wel in de afkomst van de plaatsnamen die men ter plaatse aantreft. Ik ben het met hem eens.

 

Hoewel de meeste benamingen uit de verafgelegen tijden, door tijd en sleet, en door velerlei omwoelingen, worden uitgewist, zijn er gelukkig enkele lang genoeg blijven voortbestaan, om te kunnen opgemerkt en opgetekend worden in middeleeuwse documenten die op vandaag nog beschikbaar zijn. Die benamingen leveren op zichzelf al een stevig bewijs dat er mensen woonden. Nieuwpoort telt 3 namen die teruggaan naar de Keltische tijden. Dus naar de periode voor het begin van het nieuwe jaarstelsel. Eén ervan is de Onie. Een tweede benaming uit de vroegste tijden vinden we in Sandeshoved en in het verwante Sandascuad.

 

De naam Sandeshoved verschijnt voor het eerst in een document van 1112 en Sandascuad vinden wij in een oorkonde opgesteld tussen 1083 en 1093 in geschriften van de abdij van Sint-Winoksbergen. Beide namen bevatten het woord 'Sand', een woord dat tot Keltische tijden teruggaat. De term 'Sand' heeft hier helemaal niet de betekenis van zand volgens Dumon. Sandeshoved en Sandascuad liggen op dezelfde voorhistorische zandbodem die zich uitstrekt tussen Groenendijk, Nieuwpoort, Sint-Joris en verder. Deze zandbodem is bespoeld door de Onie. Om de oever of het strand van deze stroom te beschrijven, bezitten onze Keltische voorouders een gepaste term: Ouissan of Wissan.

 

Als plaatsnaam treffen wij het vandaag nog aan in Frankrijk en wel in de vorm Ouessant en Wissant. Onze voorouders zullen die plaatsnamen in de loop van de tijden uitspreken (en er bestaat alleen een mondelinge overlevering) als Quissan of Wissan wat later onder invloed van de Saksen en de Germaanse inwijkelingen zal evolueren tot Ouissande of Wissande. Later nog, toen bepaalde plaatsen die er op ontstonden, als 'Wissandeshoved' of 'Wissandascuad' bekend geraakten, heeft het volksgebruik deze namen verkort door het laten wegvallen van het voorvoegsel 'Wis'.

 

In 1269 verschijnt een grafelijk decreet in verband met het onderhoud van de waterlopen in Veurne-Ambacht. Daar staat de naam 'Cuetewyc' voor de eerste keer vermeld. Cuetewyc blijkt volgens het document dichtbij Nieuwpoort te liggen. Het Langelis (de volkse naam voor Langeleed, een afwatering die uitmondt in de Ijzerhavengeul te Nieuwpoort) wordt in 1269 Dunval genoemd. Volgens de tekst van het decreet komt de Dunval aan in Nieuwpoort aan de brug die vermeld staat als 'pont de Cuetewyc oost' waarna het water verder stroomt tot aan de 'dusques a Nuefport' (de haven van Nieuwpoort).

 

Schrijver René Dumon identificeert in zijn geschiedenis van Nieuwpoort de 'pont de Cuetewyc oost' met de plaats die anno 2000 bekend staat als de Arkebrug. Aan de Arkebrug bevindt men zich nog niet in de stad van Nieuwpoort. Maar het is de enige weg om vanuit de richting Pervijze, Ramskapelle, Wulpen en Oostduinkerke in Nieuwpoort te geraken.

 

Cuetewyc Oost is dus al een plaats van belang voor de 13de eeuw want alle verkeer moest er langs. En de term 'Oost' wijst er bovendien op dat het een afgescheiden gehucht is van het moederdorp Cuetewyc dat verder in het westen ligt. Westwaarts van de Arkeburg (waar zich nu de Kalkovenburg bevindt) ligt in de vroege tijden het dorp Cuetewyc. Maar welke betekenis heeft de naam Cuetewyc? In de Keltische taal van onze voorouders kent men het woord 'Coed'. Bos. Deze betekenis stemt letterlijk overeen met de beschrijving van het grondgebied waar Cuetewyc gelegen is, namelijk op de beboste gronden aan de zuidkant waarop Nieuwpoort is gebouwd.

 

Alle getuigenissen wijzen er op dat sommige gronden, nu door de westwijk ingenomen, door een Keltisch sprekend volk als woonplaats werden gekozen. Meer dan 2000 jaar geleden. De Kelten noemen de plaats Coed. Ze zullen er bomen vellen, houten hutten bouwen, het land bewerken en zich toeleggen op de visvangst. Aan de zuidkant van de zandbodem staan hun woningen en leggen ze zich toe op de landbouw. Aan de noordkant meren ze hun boten aan in het water van de Onie.

 

Het ontstaan van Nieuwpoort vindt dus waarschijnlijk plaats vóór de komst van de Romeinen. Hier op een beboste plaats in de huidige westwijk van de stad. Coed is de eerste naam die men er aan gegeven heeft. Het achtervoegsel 'wyc' wordt er achteraf bijgevoegd. Onze oudst bekende voorouders behoren tot de Keltische stam van de Morinen.

 

Het Morinisch territorium grenst hier ter hoogte van de Onie aan dat van de Menapiërs. Als de Romeinen Gallië binnenvallen zijn de Morinen en de Menapiërs de laatsten om zich aan Rome te onderwerpen. In hun verzet tegen Julius Caesar worden ze in grote mate geholpen door de vele bossen en moerassen die men in de streek aantreft. Maar Caesar wil de volkeren kost wat kost onderwerpen. Het stevig bezit van de kustlijn is een must wil hij succesvol een expeditie organiseren tegen Engeland en wil hij het meesterschap verwerven over de Noordzee.

 

Alle kustbewoners, van de Schelde tot aan Brest, spannen samen om hem dit meesterschap te betwisten. Een machtige vloot wordt verzameld, maar bij de zeeslag ter hoogte van het Franse Quiberon, op de kusten van Bretagne, worden de kustbewoners verpletterd en verslagen. Voor Caesar ligt in 56 voor Christus de weg naar Engeland wijd open. In deze nederlaag hebben onze voorouders zo veel schepen en zo veel volk verloren, dat ze niet in staat zijn Caesar nog verder het hoofd te bieden. In augustus van het volgende jaar onderwerpen ze zich aan Caesar. De Romeinse era is nu definitief aangebroken.

 

Ze zal 400 jaar duren. Aanvankelijk gebeurt die onderwerping niet met echte overtuiging. Met lange tanden dus. Veel families wijken liever uit naar Engeland dan te leven onder de dwingelandij van de Romeinen. Het aanvankelijk passieve verzet verandert geleidelijk aan in gewapende rebellie. De Romeinen zijn echter te sterk, de opstanden worden keer op keer onderdrukt en stilaan sterft het verzet uit. Met de evolutie van de tijd en de komst van nieuwe generaties begint de lokale bevolking zich aan te passen aan de bestaande situatie. Geleidelijk aan zal zelfs de dag aanbreken dat de jonge Morinen vrijwillig dienst zullen nemen in het Romeinse leger, en ver van huis en haard, hun trots zullen opofferen voor de glorie van Rome.

 

Na de slag van Quiberon bezit Caesar het volledige meesterschap over de zee. Al snel zullen expedities opgestart worden om Engeland te veroveren. Het verhaal van de expedities naar Engeland is een niet onbelangrijk onderdeel van de wereldgeschiedenis en speelt zich af in onze Westhoek. Onze voorouders hebben dan ook die gebeurtenissen meegemaakt.

 

In het najaar van 55 voor Christus wordt een eerste verkennende expeditie uitgevoerd. 10.000 Romeinen wagen de oversteek en ontschepen aan de zuidoostkust van Engeland. Ze ondervinden weinig tegenstand, maar de tijd om Engeland te veroveren is nog niet rijp. Caesar besluit zijn grote kans te wagen in de lente van het volgende jaar (54 voor Christus). Met een armada van 36.000 soldaten, 4000 ruiters en 600 schepen wil hij Engeland binnenvallen. Op enkele maanden tijd moet alles klaargemaakt en verzameld worden. In alle kusthavens worden met man en macht schepen gebouwd, wegen aangelegd en gebeurt alles wat nodig is om de invasie van Engeland tot een succes te maken. Langs de Onie gonst het van de bedrijvigheid.

 

Caesar koestert geen illusies over de betrouwbaarheid van het vijandige kustvolk. Het bouwen van zijn schepen wordt daarom toevertrouwd aan de plaatselijke scheepswerven, die echter onder bestuur en toezicht staan van vreemde specialisten en vaklieden. De plaatselijke bevolking moet zich tevreden stellen met handenarbeid, eigenlijk is het dwangarbeid, uitgevoerd onder militair toezicht, en dat voornamelijk bestaat in het droogleggen van grond, het delven van dijken, het vellen van bomen en het vervoer. Op 10 juni van het jaar 54 voor Christus ligt de vloot klaar in Portus Icius om uit te varen. Het duurt tot 5 of 6 juli vooraleer de vloot kan uitvaren. De expeditie slaagt. Verscheidene Britse volksstammen onderwerpen zich, offeren gijzelaars en beloven oorlogsschattingen te betalen.

 

Toch heeft Caesar zijn plannen niet volledig kunnen realiseren. Hij blijkt over onvoldoende manschappen te beschikken om een bestendig garnizoen op Engelse bodem te behouden en de beschikbare mannen zijn immers van doen op het vasteland waar de dreiging van oproer zorgwekkend is. Hij moet zich dus met de formele onderwerping van de Britse stammen tevreden stellen en vertrouwen stellen in hun beloften. Hij trekt al zijn troepen terug.

 

In september van -54 is Engeland al opnieuw ontruimd. Onder geschiedschrijvers wordt er over de exacte ligging van Portus Icius nog altijd geredetwist. In de hele discussie wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de Vlaamse Westkust. Volgens schrijver Dumon is het helemaal niet onmogelijk dat de oude haven van Koksijde de Portus Icius van Caesar is geweest. Maar waarom dan? Caesar zelf schrijft in zijn boek 'De Bello Gallico' de volgende passage: 'Omnes ad Portum Icium, quo est porto commo-dissimum in Britanniam trajectus esse cognovit'. In mensentaal betekent dit dat er een bevel wordt uitgevaardigd om heel zijn macht op één enkel punt samen te trekken ter hoogte van Portus Icius.

 

Hij kiest deze locatie uit omdat hij geen andere haven kent die beter geschikt is om de overvaart naar Engeland te dragen. Het feit dat Caesar uitlegt waarom hij Portus Icius gekozen heeft, laat vermoeden dat zijn keuze enigszins onverwacht is. In militaire en politieke kringen zal men wellicht verwacht hebben, dat het inschepen zou plaats grijpen in een haven die zeer dicht bij Engeland lag. De kortste weg is ver genoeg.

 

Maar de kortste weg is niet altijd de beste weg en het is dat wat Caesar precies wil onderstrepen. Hij heeft Portus Icius gekozen, zo verklaart hij, omdat het de best geschikte haven is, de 'porto commodissimum'. Geen gewone expeditie is het die voor de deur staat. Het is een grootse en buitengewone onderneming. De ogen van heel de wereld staan erop gericht. René Dumon is hier wat subjectief. Caesar zal gevoeld hebben dat hij een reden moet opgeven waarom hij geen van de dichtst bij gelegen havens kiest om in te schepen.

 

Niet te Bonen, niet in Wissant en niet in Kales. De kortste weg heeft ongetwijfeld bepaalde voordelen, maar 800 schepen en 40.000 man laten vertrekken op één en hetzelfde tijdstip is iets waarvoor men verder dient te kijken dan alleen maar de kortste weg. Het komt er op aan een haven te vinden die voor zulke onderneming geschikt is. 'Portus Icius' ligt verder dan de andere havens, maar is wel bijzonder geschikt voor zijn grootschalige plannen. De andere havens dus niet.

 

Die het dichtst bij Engeland mogen trouwens worden uitgesloten omdat de Romeinse armada enkel en alleen via de stranden van de mogelijke Franse havens zou kunnen vertrekken. En dat wordt kordaat tegengesproken door Caesar die effectief schrijft dat er vertrokken wordt vanuit een haven. In oostelijke richting kunnen wij niet verder gaan dan de Onie te Nieuwpoort. De Onie is de voornaamste haven in heel het land van de Morinen, en zelfs tussen de Rijn en de Seine.

 

De Onie functioneert als de voorhaven van de Rijn. Caesar hoeft dus niet verder oostwaarts te kijken om een geschikte haven te vinden die aan de gestelde voorwaarden voldoet. Nochtans maakt hij geen keuze voor de Onie. Hij kiest voor de haven die bekend staat als Portus Icius. De Onie en Portus Icius kunnen onmogelijk één en dezelfde haven zijn. Het zijn totaal verschillende namen. Waar de schrijver Strabo voordien gedetailleerd de reis van de Rijnschepen heeft omschreven zonder enige allusie te maken op Portus Icius, schrijft hij in latere geschriften 'Apud Morinos est Itium, quo usus est navali Divus Caesar, in insulam transmittens...'

 

Strabo verklaart dus dat de haven Itium (Portus Icius) in het land van de Morinen ligt en dat Caesar die haven gebruikt voor zijn militaire aanval op Engeland. Strabo maakt dus een duidelijk onderscheid tussen Portus Icius en de haven van de Rijnschepen. Het staat vast dat Portus Icius en de haven van de Onie allebei in het land van de Morinen gelegen zijn, maar het is ook duidelijk dat Portus Icius verder westwaarts ligt dan de Onie. Welke havens lagen er westwaarts van de Onie? We tellen de havens die wij al eerder geëlimineerd hebben niet mee.

 

De haven van de Aa in Grevelingen of de Gersta in de buurt van Duinkerke die zich uitstrekt tot aan St.-Winoksbergen zijn kanshebbers. Maar hun namen gelijken in niets op het magische Icius. Het zijn nochtans oeroude namen, die al in de Romeinse tijd moeten bestaan hebben. Maar waar ligt Portus Icius dan wel, vraagt Dumon zich af. Laat ons even alle aandacht schenken aan het oude Koksijde dat in de middeleeuwen een haven bezit die gevoed wordt door het Langelis dat via Veurne uit westelijke richting komt.

 

De Langelis verzamelde in de vroege tijden het water dat diep uit het Westland kwam en bracht het naar het kustgebied ter hoogte van een grote havenmond te Koksijde. Pas vanaf het begin van de 7de eeuw en het begin van de duinenvorming zal de loop van de Langelis gaandeweg en grondig wijzigen. Al na 100 jaar gaat de Koksijdse havenmond door verzanding ten onder. De nieuwe loop van de Langelis zal een andere uitweg zoeken die uiteindelijk zal leiden naar Nieuwpoort.

 

Halfweg tussen Nieuwpoort en Wulpen ligt Steendam. In de 19de eeuw is daar een steenbakkerij actief waar bij het graven naar klei gedurende 30 jaar allerhande merkwaardige oude voorwerpen worden opgegraven. Eigenaar Isidoor Florizoone vindt het bizar dat op sommige plaatsen van het bedrijf er maar een zeer dun laagje klei aanwezig is.

 

In tegenstelling tot wat er op andere plaatsen wordt waargenomen, de kleilaag rust meestal op een laag veengrond, rust het kleilaagje hier enkel op zeezand. Van veengrond is er geen sprake. Florizoone ontdekt al vrij snel dat hij zich in de zaat bevindt van een verdwenen waterloop van meer dan 100 m breedte, die komende vanuit oostelijke richting zich enkele kilometer verderop in zee zal gestort hebben. Het moet een waterloop van grote omvang geweest zijn, een waterloop van belang die beschikte ook over een machtige toevoer van stuwwater.

 

Metingen wijzen uit dat de waterloop zich tussen Oostduinkerke-Dorp en Koksijde-Bad in zee stort. Precies op de plaats waar zich nu Doornpanne situeert. Boringen in Doornpanne tonen aan dat er ook hier geen sprake is van veengrond. Het duinzand rust er op lagen zeezand en van klei is er amper sprake. Er kan ook geen twijfel bestaan dat er vroeger een waterloop heeft bestaan die zich te Koksijde in zee wierp. We komen even terug op de vondsten van onze bakstenenfabrikant Florizoone.

 

In de 100 meter brede zone tussen linker- en rechteroever van de verdwenen stroom, dus waar de stroom zich effectief bevond, wordt helemaal niets van oudheidkundige waarde gevonden. De oevers zelf bestaan uit zand, maar weg van de oevers, waar de bovengrond uit zware kleilagen bestaat, worden massaal veel voorwerpen opgegraven. Op géén andere plaats in de regio worden dusdanig veel oude schatten opgegraven. Deze voorwerpen worden alle gevonden onder de klei en rusten op de veengrond. Ze behoren tot de vroegste Romeinse tijden en zelfs tot het Frankisch tijdvak.

 

De vondsten vormen een uniek bewijs dat er langs die grote stroom gedurende zeer lange tijd sprake is van bewoning en dat die bewoning zo goed als verdwenen is bij de overstromingen van de 8e eeuw. De vondsten uit de Romeinse tijd zijn zo overweldigend en zo verschillend, dat het zelfs mogelijk is uit te maken hoe de gewoonten en de gebruiken van de bevolking, van tijd tot tijd, veranderingen hebben ondergaan, hoe bestaande producten door nieuwe werden vervangen, en hoe de mensen zich aan nieuwe gedachten en doorheen de nieuwe tijden hebben moeten aanpassen.

 

Op de linkeroever van de stroom wordt een vracht steenkolen opgegraven, net op hetzelfde peil als het Romeinse vaatwerk, de terra siggilata. Deze kolen moeten dus in de Romeinse tijd ingevoerd zijn. Onderzoek naar de oorsprong ervan laat geen twijfel over bestaan dat de kolen afkomstig zijn van het Engelse Newcastle. We staan hier dus effectief voor een haven die al in voorhistorische tijden bestaan heeft en die door de Romeinen als handelshaven werd gebruikt. Deze machtige en brede stroom kan onmogelijk van water voorzien zijn door de binnenwateren van de Westhoek.

 

Alleen een combinatie van Ijzerwater en de Westhoekse binnenwateren moet in staat geweest zijn om die massale waterstroom te produceren. De Ijzer moet in vroegere tijden een andere loop hebben gevolgd dan de koers die hij anno 2014 beschrijft. Hij heeft er trouwens, met een uitweg langs Koksijde geen behoefte aan zijn water noordwaarts in de richting Nieuwendamme te sturen. Ergens bij Stuivekenskerke ligt een veel gemakkelijkere weg open die leidt naar Koksijde en de zee. De weg naar Nieuwendamme is trouwens versperd door de zandbodem tussen Nieuwpoort, Koksijde en Mannekesvere.

 

De Ijzer moet deze versperring uiteindelijk doorboord hebben om de binnenwateren finaal tot aan de zee te brengen. Het zwakste punt van de zandbodem, de zandhoogte bij de Uniebrug te Sint-Joris zal het eerst begeven. Daardoor kunnen de Ijzer en de Onie zich verenigen en samen hun weg zoeken naar zee. Beroofd van het Ijzerwater, zal de havenmond te Koksijde nu op korte tijd volledig verzanden. De binnenwateren van de Westhoek zijn alleen niet bij machte om de monding open te houden. Op hun beurt moeten deze nu een nieuwe uitweg vinden naar zee. Dit lukt door de zandbodem door te breken te Nieuwpoort. Het zijn ingrijpende gebeurtenissen die zich voordoen in de loop van de 8e eeuw.

 

Maar we keren snel terug naar het Romeinse verleden. Is het mogelijk dat de illustere Portus Icius die verdwenen haven van Koksijde is? Die haven moet zich tot diep in het land ingesneden hebben. In Steendam is de geul nog altijd 100 meter breed en moet hij dus in staat geweest zijn 80 aanmeerplaatsen voor de vloot te bezorgen. Op zijn oevers is er ruimte genoeg om 40.000 man troepen en 4000 paarden een onderkomen te verschaffen. Allemaal in afwachting van hun afvaart naar Engeland.

 

En het leidt bovendien geen twijfel dat de havenmond ter hoogte van Koksijde in Caesars tijd een flink stuk breder is dan die 100 meter verder stroomopwaarts. Uit de berekeningen van René Dumon blijkt dat Caesar ongetwijfeld in staat moet geweest zijn te Koksijde heel zijn vloot op één enkel tij in zee te sturen. De schrijver roept nog even de hulp in van de plaatsnaamkunde, de toponymie. Wij spraken al over de gebeurtenissen uit de 8e eeuw, toen de rijzende binnenwateren zich genoopt zagen nieuwe uitwegen te zoeken te Sint-]oris en te Nieuwpoort. Deze toestanden hebben geleid tot een uitgebreide overstroming van de vlakte van de Westhoek. Op enkele uitzonderingen na was die vlakte, bij hoog tij, eigenlijk een uitgestrekt meer geworden.

 

Het hoeft daarom niet te verwonderen dat men heel de vlakte tussen Koksijde en Diksmuide als een delta, een golf, of een havenmond heeft kunnen beschrijven. Een plaats, gelegen op 18 km van de huidige kust, Diksmuide, wordt in 961 beschreven als Dicasmutha wat eigenlijk betekent: de Icsmond, de monding van de waterloop met de naam Ics. Het is een benaming die zijn oorsprong vindt in de 8e eeuw. In Dicasmutha of d' Icsmond, vinden wij hoogstwaarschijnlijk de oorspronkelijke naam van de stroom die Diksmuide met Koksijde verbond, de Ics. Het is immers dezelfde stroom die ten westen van Diksmuide bekend staat als de Ijzer. Heel dat westelijk gebied geraakt trouwens bekend als de IJzergouw of de Pagus Isseretium.

 

In de 9e eeuw doorboort het westelijke IJzerwater de zandbodem ter hoogte van de Uniebrug te Sint-Joris, met het gevolg dat het zich op de noordoostkant van Nieuwpoort uitspreidt. Het water mengt zich daar met dat van de Onie. Er ontstaat een nieuwe delta die in 840 omschreven wordt als 'in sinum qui vocatur Isere Porrus'. In 961 wordt dat 'Isere Portus in finibus Menapum'. Aan de kust, waar de Ics in de zee uitmondt, ligt Koksijde.

 

Vroeger werd deze naam Coxie uitgesproken. Het achtervoegsel 'ijde' of 'ie', ook bekend bij andere kustgemeenten, betekent 'aanlegplaats voor zeeschepen'. Coxie Ide is dus een zeehaven, de monding van de Ics. Te Koksijde is het bestanddeel Ics echter hetzelfde niet meer als te Diksmuide. De 'I' is vervangen door een 'O'. Dit is echter zonder belang, daar de klanken 'IX' en 'OX' verwisselbaar zijn. Ze zijn trouwens ook verwisselbaar met de klanken 'EX', 'AX' en 'UX'. Al deze klanken spruiten immers voort uit de Keltische woordwortel 'Uisge' (of 'llisc'), die de betekenis heeft van 'water'.

 

Naargelang de omstandigheden is het nu eens de ene klinker, dan weer een andere klinker, die de bovenhand haalt. Er bestaan talrijke soortgelijke benamingen, vooral in Engeland. Van zodra de naam 'Icius' - gestript is van zijn Latijns achtervoegsel komen we weer bij het Keltisch terecht. Water. Dumon hoort er een 'iks' in en herinnert er ons aan dat de rivier 'Isis' te Oxford, daar ook bekend staat als de 'Ock' en de ,,Ox'.

 

En wat te zeggen over het zonderlinge geval van Pervijze. De plaats ligt, in de oude tijden, op de linkeroever van de stroom die in Koksijde uitmondt. De oudste vermelding die wij van deze gemeente bezitten, dagtekent van 103. De benaming, toen in het Latijn geschreven is Paradisus. Af en toe komt deze benaming tevoorschijn tot in 1246 hoewel er in 1120 eveneens sprake is van Parevis. De plaatselijke uitspraak op vandaag is Provisie en Pervisie. Pervizje. Paradisus staat natuurlijk niet voor paradijs.

 

Maar met de term Portus Icius in ons achterhoofd en met de vele omstandigheden die Portus Icius met de Westhoek linken, mogen we ons toch afvragen of Paradisus het oorspronkelijke Portus Icius niet dekt. Kan het dat Paradisus misschien een verbastering is van Paradisie waarin het woord paard een vroegere poort vervangt? En dan komen we tot Poortisus. De waarheid zit er niet zo heel ver vandaan! Even kijken in het plaatsje Sint-Joris-Peerd bij Nieuwpoort. In 1290 wordt te Nieuwpoort een plaats vermeld die de naam Porteland met zich meedraagt.

 

Deze naam treffen wij nog een keer aan in 1314 als Portland. Portland is gelegen aan de verste oostkant van Nieuwpoort dat zich vroeger uitstrekt tot tegen Sint-Joris-Peerd. Langs dit Portland wordt omstreeks 1227 de Beveric of de Noordvaart gegraven. Te Sint-Joris-Peerd wordt later over deze vaart een brug aangelegd die in 1548 genoemd wordt de Paersbrugghes. In 1571 is het de Pertsbrigghe. In 1695 wordt de brug zelfs Pootsbruch genoemd.

 

De brug lag tegen het Portland, en de verschillende namen die men erop toegepast heeft, blijken alle aan het woord port ontleend te zijn. Dus brengen de woorden Poots, Paers, en Perts, ons eigenlijk steeds terug tot Portsbrug. Hoe eenvoudig is het woord Port niet overgegaan tot peerd of paard? Kunnen we niet spreken van het zelfde fenomeen te Pervijze? Is het woord Port in Portus Icius hier ook overgegaan naar paard? Met het gevolg dat Portus Icius is kunnen overgaan naar Paard-Isie? En met het verder gevolg dat de schrijver, een monnik die zich in een klooster te Oudenaarde Ename bevindt, de uit 1063 afkomstige Latijnse spelling 'Paradisus' te hulp roept om aan de benaming enige zin te geven?

 

Het lijkt logisch voor onze schrijver René Dumon en dat kan meteen ook betekenen dat Caesar mogelijk zijn hoofdkwartier kan opgetrokken hebben redelijk ver van de havenmond te Koksijde. Ter hoogte van Pervijze. Want een portus dient niet noodzakelijk aan de kust gelegen te zijn. Een geschikte plaats langs een bevaarbaar water kan immers ook een portus zijn. Tegen het begin van de eerste eeuw na Christus is de Pax Romana in onze gewesten een realiteit geworden en heeft de bevolking zich aan de nieuwe situatie aangepast.

 

Vanuit Terwanen wordt toezicht uitgeoefend over orde en veiligheid bij de bevolking, maar er is ook ruimte voor enig zelfbestuur voor de stadsbesturen die dat wensen. Zo bijvoorbeeld dat van Nieuwpoort. Gemeenten met zelfbestuur worden door de Romeinen 'vicus' genoemd. Een college of een 'comitia' kiest de magistraten en de gemeenteraad en vaardigt de lokale bestuursreglementen uit.

 

De gemeenteraad, de 'ordo decurionum' staat de magistraten bij in het dagelijks bestuur. De magistratuur bestaat uit twee 'duoviri', die tezelfdertijd burgemeester en vrederechter zijn. Met daarbij twee quaestoren, ontvangers en twee aedielen, politiechefs, die belast worden met het toezicht over gebouwen, markten, wegen, maten en gewichten. En met het handhaven van de openbare orde. Zo gaat het ook in de vicus Nieuwpoort die in deze tijd bekend staat onder de naam Coed dat in het Latijn dus als Cuete wordt vertaald.

 

Door het feit dat de Romeinen de status van vicus geven aan Nieuwpoort, wordt er dan ook gesproken van de stad van Nieuwpoort, de stad Coed. Cuetewyc. De verovering van Engeland door de Romeinen in -43 is van groot belang voor Coed en de Oniehaven. Vanaf die tijd functioneert Coed als toevoer- en bevoorradingshaven voor de Romeinse militairen in hun nieuw gewonnen overzees gebied. Koopwaar, wapens en goederen worden via de Seine en via de Onie naar Coed aangevoerd. Bonen (nu Boulogne), Wissant, Kales, Grevelingen en Koksijde beschikken niet over een achterliggende waterverbinding en zo verhuist het zwaartepunt van de logistiek naar het Nieuwpoort van toen: Cuetewyc.

 

De Romeinse beschaving heeft grote invloed op de welstand aan de Westkust. Dat merk je zo. En de massa aan vondsten liegt er niet om. De ruw afgewerkte potten en vazen, nog in gebruik voor de Romeinse tijden, ruimen al in de eerste eeuw na Christus plaats voor fijnere producten afkomstig van allerlei exotische plaatsen. Een grote variatie van rijke Samiaanse vazen afgewerkt in de beste werkhuizen van Duitsland en Frankrijk, en later de nog fijnere Castor vazen uit Engeland, vinden vlotjes kopers in onze streek.

 

Onder de kleilagen van Oostduinkerke, Westende, Slijpe, Gistel, Mannekesvere, Snaaskerke, Rattevalle, Sint-Pieterskapelle, Leffinge, Schore, Zevekote, en vooral in Steendam bij Nieuwpoort vinden we huisgerei terug. In Steendam worden er zelfs sporen gevonden van een centrale verwarmingsinstallatie die ooit gevoed werd door die steenkool afkomstig van Newcastle.

 

De dure Engelse Castor vazen zijn in Frans-Vlaanderen nagenoeg onbekend. En dat staaft de bewering van Dumon dat de Oniehaven een uniek afzetgebied biedt aan de Engelse fabrikanten, die ze op geen andere plek kunnen terug vinden aan de Noord-Franse kusten. Naast uitmuntende waterverbindingen bestaat er eveneens een duurzame landverbinding naar het West-Vlaamse binnenland.

 

De Romeinen verbeteren de landwegen en ze leggen een netwerk aan van grote wegen. Eén ervan met het eindpunt in het strategisch gelegen Oudenburg, stroomopwaarts aan diezelfde Onierivier. Oudenburg heeft een schitterende ligging, pal op de weg die door de Rijnschepen wordt gevolgd. De Nieuwpoortse kooplieden kunnen al snel vlugge reizen ondernemen via Oudenburg. Weldra ontstaan er langs de Romeinse heerwegen tal van 'stationes' en 'tabernae', zeg maar de baanrestaurants en tankstations die we op vandaag kennen langs onze autosnelwegen.

 

De progressieve en stabiele invloeden van het Romeins bestuur zorgen lange tijd voor vrede en welvaart. De handel bloeit, de scheepvaart floreert? Er wordt op grote schaal zout ontgonnen langs de kust. Er worden schapen en varkens gekweekt. Het zout, de wol, en de hammen worden naar verre streken verzonden. Ons volk leeft een goed leven. De enige stoornissen die het leven van de kustbevolking aantasten, zijn de sporadische invallen van zeerovers, de Chauken, die plaats vinden tussen de jaren 172 en 174. Maar algemeen gezien beheerst de Pax Romana op een erg positieve manier het leven van de mensen. Rond het midden van de derde eeuw begint het tij echter grondig te keren.

 

Stilaan verzwakt het centraal gezag van de Romeinen. Vreemde volkeren vallen de grenzen aan van het ooit zo sterke Romeinse rijk. En tot overmaat van ramp krijgt onze kustbevolking af te rekenen met een reeks omvangrijke overstromingen. Al rond 240 zien de Romeinen zich genoodzaakt hun vlootstation te Arentsburg, tussen Maas en Rijn, te ontruimen. En dat betekent meteen het einde van de Classis Germanica in onze streek.

 

Het betekent hoe dan ook een zware tegenslag voor Nieuwpoort. De ooit zo veilige vaarroute is nu onderhevig geworden aan de aanvallen van hordes vreemde benden. Vanaf 287 wordt de situatie nog slechter als zeerovers ook de westkust beginnen aan te vallen. Saksische roversboten, aangelokt door de hier heersende weelde, varen overnacht stil en onopgemerkt de kusthavens binnen, ontschepen hun volk op een beloftevolle plek en vallen er alleenstaande hoeves of villa's aan, waarna ze met de gestolen buit, net zo stil en onopgemerkt als ze gekomen waren, weer via de zee vertrekken. Het lijkt een geval van homejacking uit de 21e eeuw.

 

Met de tijd worden de zeerovers driester. Ze komen vaker en in groter getale. Soms hele vloten en zelfs overdag. Dorpen langs de Gallische en Engelse kusten worden aangerand en uitgeroeid. Pas rond 296 worden er eindelijk afdoende maatregelen genomen tegen het Saksisch gevaar. Er worden versterkte vestingen gebouwd in het zuidoosten van Engeland en langs de kust van Vlaanderen en Frankrijk komen er drie forten. Zo krijgt onze kust stilaan de naam van 'Litus Saxonicum' toegewezen. Van de drie gebouwde forten liggen er vermoedelijk twee langs de Vlaamse kust. De derde post ligt bij Kales in het plaatsje Marck. Een eerste Vlaamse vesting, bemand door 1000 soldaten is Portus Aepatiacus die onder het bevel staat van een generaal van de provincie Belgica Secunda.

 

Daarnaast bestaat er eveneens een marinestation dat gelegen is langs de Litus Saxonicum op een plaats met de naam Grannona. Ook hier worden ongeveer duizend marinesoldaten gekazerneerd. Beide forten staan onder het opperbevel van de prefectus van Gallië. Langs de Engelse kusten worden er negen forten gebouwd met hun hoofdkwartier in Rutopia, Richborough, aan de monding van de Thames. Het blijkt overduidelijk dat het grootste Saksiche gevaar uit het oosten komt.

 

De Saksers, weldra in hun rooftochten gevolgd door de Franken, komen uit de richting van de Vlaamse kust. Aan onze oostkust beschikken de rovers over een overvloed aan verspreide eilanden die een ideale uitvalsbasis vormen voor hun rooftochten langs de kusten van Engeland. Het is voor de Romeinen van groot belang de rovers in bedwang te houden, hun de weg naar Engeland af te snijden en tevens ook onze eigen kust en ons eigen binnenland tegen hun drieste rooftochten te beschermen. De scheepvaart tussen Engeland en het vasteland, via de Onie, moet tot elke prijs vrij blijven.

 

De verbinding met Oudenburg, eindpunt van een nieuw wegennet, mag onder geen enkel beding onderbroken worden. Portus Aepatiacus en Grannona liggen ongetwijfeld aan de Vlaamse kust. Eerstgenoemde is waarschijnlijk Oudenburg waar men later trouwens de overblijfselen zal opgraven van het voormalige fort. Grannona, het marinestation van de Romeinen, situeert zich aan de zeemonding van de Onie. Waar anders kan de bescherming gegarandeerd worden aan de schepen die vanaf de zee de weg kiezen van de binnenwateren van Gallië?

 

Naamtechnisch is het opmerkelijk dat het bestanddeel 'Ona' in Grannona overeenstemt met onze Onie. Kan het woord Onie niet het resterende deel zijn van de langere naam die werd gebruikt in de Romeinse tijd? Is het niet goed mogelijk zijn dat de naam Grannona na de Romeinse tijd tot Groane zal samengevoegd worden?

 

Wanneer, later in de 13e eeuw, de Onie westwaarts van Nieuwpoort zal worden afgedijkt, zal de nieuwe dijk bekend geraken zijn als de Groanedijk. De naam zal trouwens blijven evolueren tot het hedendaagse Groenendijk. Ook vinden we overeenkomsten in de buurt van Westende, Slijpe en Middelkerke. Een plaats die vroeger aan een zijtak van de Onie lag en die de naam Graningate draagt. Geboren uit de naam Groanegat? En welke sporen heeft het Oudenburgse Portus Aepatiacus nagelaten in de plaatselijke benamingen?

 

Het Ieperleet dat er nog steeds voorbij vloeit, kan de oorspronkelijke Aepa geweest zijn, die thans in de vorm 'Iepe' wordt weergegeven. In Aepa ontwaren we de waternaam Apa. In het achtervoegsel 'Iacum' hebben wij de traditionele Latijnse beschrijving van een bewoonde plaats. Is het dan mogelijk dat de stad Ieper zijn oorsprong vindt in dat Portus Aepatiacus? En is de uitleg dat de naam Ieper zijn origines vindt in de Iepenbomen puur verzinsel? Aepa, Ieper. Je moet ze enkele keren uitspreken om te beseffen dat Dumon mogelijk gelijk kan hebben. Vooral als we later het uitzonderlijke belang van de Aepa tussen Nieuwpoort en Ieper zullen leren kennen.

 

Ook de plaatsnaam Terstreep is nauwe familie van de Aepa. In 992 Testereph, in 1037 Testerep. De naam staat voor poldergronden die gewonnen werden op een afgedijkte waterloop. Deze waterloop gaat uit op het woord 'ep' en is zeer waarschijnlijk dezelfde waterloop als de Ieperleet. De naam Ieperleet zal de betekenis hebben van 'het water genoemd Iepe'. Het water van de Aepa. Wateren en gronden met de naam Terstreep vindt men doorheen de geschiedenis terug langs de hele west- en middenkust.

 

Tijdens de overstromingen van de 8e eeuw geeft de Aepa, de Iepe, een totaal nieuw uitzicht aan het hele gewest. Het water van de lepe verspreidt zich over de hele Westhoek. Sloten en beken ontstaan of worden door mensenhanden gegraven om het overtollige water van de Aepa af te voeren naar de Noordzee. Het hele gebied staat bekend als Testerep of Testeraepa. De watervloeden van de 3e eeuw tasten de westkust aan. Ontdekkingen in het Nieuwpoortse Steendam tonen dat sommige gedeelten van deze omgeving door het water bezwijken. De lager gelegen gronden worden volledig en voorgoed door het water ingenomen.

 

Men vindt er geen Romeins vaatwerk van een latere datum dan de derde eeuw en de gegoede gezinnen vertrekken er om er nooit meer terug te keren. De hoger gelegen gebieden, Nieuwpoort zelf dus, blijven echter bewoonbaar. De vele scherven afkomstig van de Frankische tijden in de 8e en 9e eeuw vormen hiervan een stevig bewijs. Rond het einde van de 3e eeuw slagen enkele Saksische groepen er in om zich voorgoed op bepaalde kustplaatsen te vestigen. Het blijken niet allemaal rovers te zijn en veel Saksische families wensen zich op een vreedzame manier te settelen. Er ontstaat daardoor een gemengde bevolking die deels Keltisch en deels Germaans is.

 

Het christelijk geloof sijpelt binnen in de loop van de 4e eeuw. Het wordt verspreid door meestal onbekende zendelingen. Enkelen onder hen kennen we. Zo bijvoorbeeld Vitricius, een gewezen Romeinse soldaat, die het na het volbrengen van zijn taak als missionaris, het zal schoppen tot aartsbisschop van Rouaan. Sint Paulinus van Nola getuigt van het bekeringswerk dat Vitricius verricht in het kustland van de Morinen en de Nerviërs. Tussen Bonen en de monding van de Schelde.

 

Paulinus heeft het over de oude en de nieuwe bevolking (de Saksers) die er gevestigd is. Hij wijst op de diep ontwikkelde wortels van het geloof in de steden en de dorpen, maar ook op de eilanden die langs de kust verspreid liggen en zelfs in de bosstreken. Hij spreekt ook over de kloosters en de kerken die er opgerezen zijn en waar de kerkelijke diensten door een grote menigte worden bijgewoond. Hij voegt er nog aan toe dat hij heeft horen spreken over de onstuimige golven die onze kusten geselen, en over de vele rampen die de scheepvaart op zee te lijden heeft.

 

De oude en de nieuwe bevolkingsgroepen wonen op een vreedzame manier samen in het jaar 385, en dat zo goed als overal in steden en dorpen, in het bosgebied en zelfs op de eilanden langs de kust waar de rooftochten opgehouden zijn. De mensen van de Westhoek beleven rustige tijden in de tweede helft van de 4e eeuw en misschien nog lang daarna. Maar toch is het einde van de Romeinse era nabij. Halfweg de 5e eeuw zijn we zo ver. Er staan opnieuw bange tijden voor de deur, pijnlijke tijden die erg lang zullen aanslepen.

 

Talrijke Saksers, en al enige tijd ook de Friezen, zijn zich komen vestigen in het kustgebied. Ze hebben geleidelijk de Keltische taal van de Morinen verdrongen en hun taal, de voorloper van het Vlaams in het gewest verspreid. Al bij al is er vrij weinig overgebleven van het christelijk geloof dat Vitricius en zijn gezellen in de 4e eeuw dachten te hebben ingeplant. Ik had zo al mijn voorbehoud tegen de beweringen van Paulinus van Nola dat het zo gemakkelijk was geweest.

 

Het heidendom woekert als nooit te voren. De eerste twee eeuwen die volgen op het einde van de Romeinse era, de jaren tussen 450 tot 650, zijn voor wat de Westhoek betreft in de diepste duisternis gedompeld. Pas vanaf het midden van de 7de eeuw komt er opnieuw enige duidelijkheid over de geschiedenis van onze streek. Volgens de overleveringen predikt Sint-Eligius het geloof omstreeks het midden van de 7e eeuw in Nieuwpoort en richt hij er mogelijkerwijze een kapel op. Het bisdom Terwanen, het bisdom van de Morinen, waarvan Nieuwpoort zal afhangen tot in 1561, wordt gesticht omstreeks het jaar 600.

 

Sint-Omaar, de derde bisschop van Terwanen, heeft er vanaf zijn aanstelling omstreeks 638 de handen mee vol met het groot aantal heidense inwoners van de Westhoek. Voor de bekering van zijn uitgestrekt bisdom zal hij moeten rekenen op zendelingen uit andere gewesten. Predikers uit Frankrijk, Ierland en Engeland. Onze heidense voorouders koesteren aanvankelijk geen al te vriendelijke gevoelens tegenover de zendelingen. Het is een lastige en gevaarlijke taak die sommigen met het leven bekopen. Het klooster van Sithiu wordt gesticht in 649. De heilige Bertinus, naar wie het klooster later zou genoemd worden en bekend geraken, wordt als tweede abt aangesteld in 661. De komst van de zendelingen toont aan dat de politieke situatie in het kustgebied en de Westhoek op het einde van de 7e eeuw vrij rustig is. Het centraal gezag van de Franken ligt in de handen van Pepijn de Korte.

 

 

Het jaar 690. Vanuit een missiepost in Friesland komen Willibrordus en twaalf gezellen via de Oniehaven aan wal. Hij gaat Pepijn II opzoeken die bereid is grote voorrechten te verlenen aan ieder die zich tot het christendom wil bekeren. Nieuwpoort vormt een tijdelijke uitvalsbasis voor het missiewerk van Willibrordus en compagnie. De eerste zendelingen bouwen een houten kapel in Cuetewyc, de huidige westwijk van de stad. De geschiedschrijver Beda vertelt ons dat het aantal bekeerlingen in de gouw bijzonder groot is.

 

Hij heeft het uitgebreid over de Boructuaren of de Bructers. Beda schept de indruk dat ze bij de eersten waren om zich te bekeren. Wij mogen er uit afleiden dat zij onder de eersten waren om door de zendelingen bezocht te worden en dat zij daarom naaste buren zullen geweest zijn van de missiebasis te Nieuwpoort. De naam Bructers doet een belletje rinkelen bij René Dumon. Misschien kunnen ze wel de voorlopers zijn van de Bruggelingen? Tussen de jaren 450 en 1050 wordt de Vlaamse kust verscheidene keren door overstromingen geteisterd.

 

Op onze westkust brengt de duinvorming, aangewakkerd door de stijgende zeespiegel, in de 8e eeuw de verzanding teweeg van de haven van Koksijde. Het water wordt gaandeweg afgesneden van de zee en boort twee nieuwe uitwegen ter hoogte van Nieuwpoort en Sint-Joris. Die dubbele doorbraak van het water in de 8e eeuw, noodlottig voor de omgeving, is echter een opsteker van formaat voor de zeehaven van Cuetewyc.

 

Er zijn nu twee nieuwe directe waterverbindingen ontstaan: een met het westen en een andere met het zuidwesten. De handel en de scheepvaart die vroeger de haven van Koksijde hebben gebruikt om de zee te bereiken, moeten voortaan hun weg naar zee via de Onie en Cuetewyc verder zetten. De stijging van de zeespiegel resulteert in nieuwe en vluggere verbindingen tussen de Oniehaven met de streek van Diksmuide, leper en Sint-Omaars. Voornamelijk leper en Sint-Omaars zullen de komende eeuwen voor Nieuwpoort erg belangrijk worden.

 

De herhaalde invallen van de Noormannen zorgen er voor dat de 9de eeuw er één is van algemene onrust. Omstreeks 860 kan een vloot van 200 Noorse schepen ongestoord aanmeren in de Ijzerdelta. Met dank een de lokale kustbevolking. De vloot komt uit Engeland en heeft Sint-Omaars in het vizier. Sint-Omaars wordt via Nieuwpoort en de achterliggende binnenwateren benaderd en zonder veel tegenstand veroverd. Het levenswerk van Bertinus, het Sint-Bertinusklooster te Sithiu, wordt aan de vlammen overgeleverd samen met meeste historische documenten die ons op vandaag zouden kunnen inzichten geven over de jaren tussen 600 en 860.

 

De haven van Cuetewyc blijft de volgende eeuwen een niet onbelangrijke rol spelen in de toenmalige politieke gebeurtenissen. In 1049, als er oorlog dreigt tussen de Keizer van Duitsland en de Graaf van Vlaanderen, besluit de graaf dat, bij een eventuele ontruiming van Brugge, hij zich dan met zijn Vlaamse vloot naar Wulpen zou gaan om zich daar bij de opstandige Engelse edelman Osgod aan te sluiten. Samen zouden ze dan wellicht in staat zijn een sterk verweer te bieden aan de Duitse agressie.

 

Osgod is al in Wulpen aangekomen met 39 vaartuigen, 'Osgod lage on Ulpe mid scypen', wanneer het bericht komt dat de graaf zich onder grote druk van de koning van Engeland dan toch met de Duitse keizer heeft verzoend. De concentratie van een oorlogsvloot in de streek van Wulpen, in die elfde eeuw, wekt geen verwondering. Een groot gedeelte van het gewest ligt onder water. Het lijkt precies op de 'Moere' die een stuk verder in het westen wordt aangetroffen. Osgod licht het anker wanneer hij het nieuws verneemt en hij vaart met zes schepen van Wulpen naar Brugge.

 

De andere 33 schepen zeilen naar zee, waar de opstandelingen rooftochten ondernemen op verscheidene punten aan de Engelse kust. Met hun gestolen buit varen ze terug naar Wulpen, richting Vlaamse kust. Maar ze worden tijdens hun terugkeer verrast door een zware orkaan. De hele vloot gaat verloren. De schaarse mannen die zwalpend de strandlijn kunnen bereiken, worden bij hun aankomst vermoord. Vijf jaar later, in het jaar 1054, heeft de Duitse keizer het door dat die verzoening met de graaf doorstoken kaart is geweest. Hij stuurt een leger naar Vlaanderen en onderwerpt het Westland. De Duitse troepen hokken samen te Lo.

 

Van daar varen ze via de Lovaart, de grote waterplas van Wulpen, de Venepe en het Langelis naar Nieuwpoort. De vloot ontscheept er richting Duitsland. Met aan boord veel streeknotabelen die als gijzelaars worden gedeporteerd. Uit de vele documenten van die tijd kan er besloten worden dat er omstreeks het midden van de elfde eeuw een grote bedrijvigheid in de haven waar te nemen is. De lokale scheepvaart richt zich zowel naar het oosten als naar het westen en ze kiest ook de Ijzerhaven voor wat betreft de trajecten van en naar Engeland. De activiteiten zijn niet alleen militair getint want de koopvaardij en de daarmee gepaard gaande commerciële activiteiten zijn van bijzonder belang voor de haven.

 

Pas in de 12de eeuw treffen wij het woord portus voor de eerste keer in geschreven vorm te Nieuwpoort aan. Als Novus Portus wordt het, in de tweede helft van de 12e eeuw, op de rugzijde van de Stadskeure van 1163 toegevoegd. De 'lege novi portus a comité philippo'. De naam Novus Portus is een niet erg geslaagde Latijnse vertaling van de volksnaam Niepoort. In diezelfde periode worden ook andere officieuze namen gebruikt zoals Novum Borgum en Sandeshoved en de naam Yssera met zijn variatie aan spellingen.

 

De stad Nieuwpoort is niet erg te vinden voor bovenvermelde officieuze benamingen en houdt zich aan de benaming die in de volksmond wordt gebruikt, en die eigenlijk tot op vandaag nog altijd gebruikt wordt. Niepoort wordt dus vertaald in Novus Portus. De slechte vertaling betreft het bestanddeel 'Novus' voor 'Nie'. De vertaling van poort door portus is correct. Het is immers synoniem aan het Latijnse woord portus dat door het volksgebruik tot het Vlaamse woord 'poort' is overgegaan. Maar waarom is Nieuwpoort een poort of portus geworden en waarom wordt de originele naam Cuetewyc gaandeweg door de nieuwe naam Niepoort vervangen?

 

Wanneer precies die nieuwe benaming onder het volk zijn ingang vindt, is niet geweten. Het moet geleidelijk aan gebeurd zijn. Gedurende lange tijd zullen beide benamingen in gebruik geweest zijn, terwijl de nieuwe benaming langzamerhand de oude benaming verdringt. Zelfs toen de nieuwe benaming het uiteindelijk haalt en ook op het Stadhuis zijn ingang vindt, blijft de oude benaming nog verder leven. Wij treffen de naam Cuetewyc inderdaad nog steeds aan in 1269. Het woord portus betekent bij de Romeinen zoiets als 'versterkte haven'.

 

Later, in de middeleeuwen verstaat men onder portus een versterkte plaats met havencapaciteiten langs de kust of een binnenwater. Doornik is de vroegst bekende portus van die tijd en wordt als zodanig al omschreven omstreeks het midden van de 9e eeuw. Het opkomen van de naam portus in Doornik en op andere plaatsen zal in Cuetewyc niet onopgemerkt voorbijgegaan zijn. Met de evolutie van de tijd wordt Cuetewyc méér en méér als een portus beschouwd. De haven en het stadje bezitten natuurlijk alle kenmerken van een portus.

 

Het is een drukke handelsplaats met een ligging aan minstens drie waterwegen. En het ligt aan zee. Het heeft dank zij zijn gunstige ligging zo veel politieke stormen weten te overleven. Cuetewyc functioneert in realiteit al geruime tijd als een portus, lang voordat die term zijn ingang begint te vinden in het Vlaanderen van toen.

 

De 12de eeuwse vertaling van Niepoort in Novus Portus is zeker niet het werk van een historicus. Eerder van een vertaler die geen kennis heeft van de historische achtergrond van de havenstad. Een eeuwenoude haven zoals die van Cuetewyc kan bezwaarlijk als nieuwe portus betiteld worden. Als we op vandaag luisteren naar de Nieuwpoortenaar, dan omschrijft hij trouwens zijn stad als Niepoort, in tegenstelling tot de toerist en de buitenstaander die de stad omschrijft als Nieuwpoort.

 

Het is een eeuwenoud gebruik dat een portus gekoppeld wordt aan de naam van de waterloop aan de welke hij gelegen is. Het is dan ook bijzonder aannemelijk dat 'Nie' op de 'Onie' wijst, de vroegere naam van de Ijzer. De vermenging van waterloop en plaats duurt trouwens verder in de middeleeuwen. Zo spreken we in de 9de eeuw van de lsere Portus. In de 11de eeuw is het Yseram geworden en in de 13de eeuw wordt de haven nog beschreven als Yssera. Maar onder de Nieuwpoortenaars zelf spreekt men van de Onie en niet van de Ijzer.

 

Voor de Nieuwpoortenaars betekent hun stad in de jaren 60 nog altijd zoiets als de Oniepoort. Een naam die met tijd wel afgesleten is tot Niepoort. De economische herleving die zich omstreeks het einde van de 10de eeuw begint af te tekenen en die zich in de loop van de volgende eeuw weldra over een groot gedeelte van Europa zal uitbreiden, komt als geroepen voor dit Cuetewyc-Niepoort.