P0200100

Dinsdag 31 mei van 1977 staat gelijk aan de sterfdag van priester René Defrancq. Met de dood van de 84-jarige man, verliest Wervik meteen de grootste historicus die het ooit zal kennen. Vanaf 1960 maakt Defrancq furore met zijn 4 'Bijdragen tot de Geschiedenis van Wervik' die hem nog voor zijn dood de status van ereburger van zijn stad zullen bezorgen.

 

Het is meer dan hoog tijd om eindelijk eens de geschiedenis van Wervik zijn plaats te geven in mijn kronieken van de Westhoek. Zo wordt eerwaarde heer René mijn gezel in de zware expeditie die me zal terugbrengen tot ver in de tijd. Ik verfoei mezelf dat het zo lang heeft moeten duren. De boekomslagen hebben een oranje tint. Wat verkleurd door de tijd en door hun verblijf in de archiefrekken van het Iepers stadsarchief. De vermelding 'Druk Almar Wervik' en een stempel van de stedelijke oudheidkundige commissie bevolken de eerste binnenbladzijde die me in één ruk loodst naar de plek waar ik naar toe wil; Wervik in de oudheid.

 

De 'Notices Historiques' van Wervikzaan Blieck vormen een deel van de bronnen van het werk. Maar die zijn niet altijd betrouwbaar, beweert Defrancq. In 1955 is er een meer gefundeerde verhandeling verschenen van een zekere Carpentier die zich baseert op bodemonderzoek. Het lokaal stadsarchief, of ten minste wat er van het archief kon worden gered, vervolledigt de bronnen van onze historicus. Erg weelderig is zijn oogst aan bronnen niet. Meteen besef ik dat dit ook wel de reden zal zijn waarom Wervik zo lang ontbroken heeft in mijn werk.

 

De bronnen die het meest tot de verbeelding spreken, zijn vooral het bekende 'Itinerarium provinciarum Antonini Augusti', een Romeinse reisgids uit de 3de eeuw. De gids wordt geflankeerd door de illustere 'Tabula Peuteringiana', een 13de eeuwse Romeinse wegenkaart, hertekend op basis van een exemplaar uit de 4de eeuw. De kaart is op zijn minst abstract te worden. Het netwerk van Europese wegen heeft iets mee van het schema van een ondergronds metronetwerk van steden zoals Londen, Parijs of Brussel.

 

Op de Peutingerkaart zie ik in onze contreien een hoofdweg die loopt van het mythische Bavay naar Boonen, het oude Boulogne. Langs deze weg bevinden zich Castellum (Cassel) en Doornik dat volgens geschiedschrijver Vaernewyck oorspronkelijk de naam van 'Tullus Hostilius' met zich meedroeg. Het reisboek van Antonius heeft het over een plaats met de naam 'Viroviacum' die zich langs de weg Boulogne-Doornik-Bavay situeert. De Peutingerkaart volgt voor een deel deze stelling, maar heeft het over 'Virovinum'. René Defrancq heeft het over een slechte transcriptie.

 

'Iter a portu Gessoriariacensi Bagacum usque M.P.LXXXIII. Viroviacum M.P.XVL.' staat het geschreven in de gids van Antonius. Tussen Virovinum en Bavay bedraagt de afstand 123 km. Mijn browser duidt aan dat die ruim overschat is. Volgens de reisgids ligt Viroviacum 35 km verwijderd van Doornik terwijl de reisgids maar 25 km aangeeft. De lokale priester-historicus stelt zich dus terecht de vraag: 'was Wervik werkelijk de plaats die vroeger als Viroviacum bekend werd?' De cijfers zijn niet absoluut en zeker niet van die aard om zekerheid te brengen. Hebben de kopiisten en de tekenaars van de kaart niet alleen de naam van Viroviacum slecht vertaald, maar hebben ze ook hun pet gegooid naar precieze aardrijkskundige gegevens?

 

Bodemonderzoek en een geologische studie kunnen hopelijk klaarheid brengen in de tegenstrijdigheid van de oude Romeinse gegevens. Ik vind het een beetje eigenaardig dat de namen van Viroviacum en Virovinum en hun respectieve afstanden tot Doornik afgedaan worden als een historische fout. Kan er eigenlijk geen sprake zijn van twee verschillende locaties? De Nederlandse archivaris Albert Delahaye verschaft duidelijkheid.

 

De reisgids en de kaart verschillen zowat voor alle locaties in de lage landen. De Peutingerkaart gaat erg slordig om met de loop en de ligging van de West-Europese rivieren maar concentreert zich vooral op het exact aangeven van de rivierovergangen en belendende bewoningsconcentraties. Hier, aan de overgang van de Leie, bevindt zich dus in de Romeinse tijd het stadje Viroviacum en er is vooralsnog geen redenen om aan te geven dat de Romeinen nog andere plaatsen wilden aangegeven. Ik ga verder met de studie van René Defrancq. Romeinse wegen werden traditioneel aangelegd zodat ze een vlotte verplaatsing van de legers konden garanderen.

 

Zo recht als een kaars en hoog genoeg van grondniveau zodat ze niet kunnen overstromen. Keizerlijke koeriers moeten absoluut een kruissnelheid van 22 km per uur halen en dienen in dringende gevallen op 24 uur tijd zelfs een fabelachtige afstand van 570 km overbruggen. Ongelooflijk. Het aanleggen van droge wegen moet in onze streek geen sinecure geweest zijn. De hele streek is bezaaid met water, venen en moerassen. Van de hele Leiestreek rest er alleen het stuk tussen Armentières en Kortrijk als mogelijke piste om de Leie te kruisen.

 

Een studie van de Wervikse architect Lannoy geeft aan dat het water van de Leie 2000 jaar geleden zowat 7 meter hoger staat als de dag van vandaag. En het water is dan al substantieel gezakt, want duizenden jaar eerder stond het water zeker nog 10 meter hoger. Op een heuvelruggetje dat zich uitstrekt tussen Wervik-Noord en Wervik-Zuid ligt de grond een meter of 5 hoger dan de rivier. De plaats waar de huidige brug Wervik en Wervicq-Sud met elkaar verbindt, maakt deel uit van de heuvelkam.

 

Deze verhevenheid in het landschap is ideaal voor de Romeinse ingenieurs om hun nieuw aan te leggen heirbaan de Leie te laten kruisen waardoor die hier verder kan richting Oudenburg en het noorden. De eigenlijke woonkern van het oude Wervik ligt een meter of 6 hoger dan de Leie en is zelfs in tijden van overstromingen beschut tegen het water. Na hevige regens kan het niveau van de Leie de Briekenhoekstraat en de Koestraat onder water zetten, maar het gebied tussenin blijft droog. Hier, dicht bij het heilige water, de 'Hille', zijn de mensen gaan wonen. Ja. Er bestaat op vandaag de 'Hillestraat' in Wervik.

 

De 'Hille' zelf ligt tussen de huidige Sint-Jansbeek en de beek van de 'Hoge Planque'. De naam van 'Hille' vertelt me voldoende: Wervik was meer dan 1000 jaar voor het begin van onze tijdrekening al zeker bewoond door Indo-Europese volkeren. Het waren die volkeren die hun woonplaatsen aan het water als 'illes' en 'ulles' omschreven en die de namen van hun thuis van vader op zoon doorgaven. Primitieve klanken waren het en van schrijven was er nog lang geen sprake. Ik heb al heel wat tijd gestopt in het terugvinden van soortgelijke namen in de Westhoek. Ze leveren me telkens weer een onomstotelijk bewijs dat hier mensen woonden.

 

Niet alleen hun taal was 'aboriginal', ook de woningen en hutten van die eerste inwoners waren in hout en niet resistent tegen de erosie van de geschiedenis en de tijd. De mondeling overlevering blijkt integendeel wel taaier en slijtresistenter. Sterk genoeg om ons nu nog altijd hun aanwezigheid van minstens 3000 jaar geleden te doen herinneren via de overgeleverde naam van hun waterplaats. De schrijver geeft me gelijk. Zonder dat hij het zelf beseft.

 

Ik citeer even: 'geologische peilingen aan de westzijde van de brug hebben op 6 meter diepte, lagen van eikels naar boven gebracht, een bewijs van eeuwenoude beplantingen op dit niveau.' Ik vraag me af welke 'ille' namen er zich hier nog in de buurt bevinden. Een eerste plek is uiteraard 'Komen-ten-Brielen', op kleine afstand van Wervik, in de volksmond 'Kapelle' of 'Brielen' genoemd en dat was, net zoals het toenmalige Brielen in Ieper, 3000 jaar geleden een bewoonde plaats aan het water. Uiteraard is er Geluwe, in de volksmond 'Hilwe' genoemd. Ik check even de lokale plaatsnamen. Abeele, de Abeelstraat en het Abeelbunder aan de zuidzijde van de Leie.

 

Hoor je ook die 'Ille, Alle, Olle en Ulle'? Den Balakker, Baleys en Balie. De Balie-akker en het Baliebos. De Balokken. De Gajole. De Helle (de Hille dus) en den Hul. Het Hullebos en Hulst. De Lake en Lo hebben alle de dubbele 'l' in zich. De Wille is er. De Leie noemt trouwens niet zo maar 'La Lys'. Rijsel heet niet toevallig Lille. Weet je dat de oorspronkelijke naam van de Nijl trouwens Nyli was? De Maarle in Wervik was eerst de Marulle.

 

Als je Wervik op vandaag bestudeert, kom je tot de vaststelling dat er al bij al beperkt sprake is van 'ille' benamingen en dat de meeste straatnamen er niets mee te maken hebben. Het toont aan dat de streek rond de Leie slechts op een aantal plaatsen bewoond werd door onze heidense voorouders die ongetwijfeld ook verrast zullen geweest zijn door de komst van die vreemde Romeinen. Ik besluit om hier in te pikken en me even te concentreren op hun aanwezigheid in Wervik.

 

De archeologen graven voldoende vondsten op om ruimschoots te bewijzen dat de Romeinen hier geweest zijn en zeker ook geleefd hebben. Er kan hieromtrent niet de minste twijfel bestaan. Sporen van een eventuele Romeinse weg of tenminste een verharding blijven een hele tijd buiten beeld, maar de heer Carpentier vindt in de bodem van de Groenstraat en van de Steenakker, op een diepte van 2 meter, twee vlakke vierkante leistenen, aangelegd op een bed van steenslag en klei. En ook op andere plaatsen worden een flinke meter onder de grond plaveistenen gevonden die rusten op een zandachtige onderlaag.

 

De opgravingen van die dagen beperken zich tot zowat één vierkante kilometer. Ze brengen een schat aan (pre-)Romeinse gebruiksvoorwerpen aan de oppervlakte. In 1951 wordt er een Romeinse waterput ontdekt onder het koor van de kapel van het hospitaal. Gemaakt van Doornikse kalksteen. Potscherven, een godinnenbeeld in terra cotta, een weelde aan 'terra sigillata', herinneren er aan dat de Romeinen hier hun kamp hadden. Ik krijg een hele waslijst van vondsten voorgeschoteld. Beeldjes van Venus en Mercurius. De oogst aan Romeinse munten is niet geweldig. Enkele van Hadrianus, Augustus en Marcus-Aurelius.

 

Er is nogal wat werk aan de winkel hier. Het valt wel op dat de meeste opgravingen zich concentreren rond de Groenstraat, de Ooievaarstraat en de omliggende straten. Dat die plekken hun middeleeuws aura van hun smalle straatjes met zich meedragen, kan geen toeval zijn. Tijdens werkzaamheden bij het Pardoen worden opnieuw betekenisvolle restanten blootgelegd.

 

Wat ze in 2008 besluiten is dan ook terecht: 'het Romeinse Wervik bevond zich meer ten noordoosten van de Sint-Medarduskerk'. Wikipedia vertelt me dat het stratenpatroon van het oudste gedeelte van de stad Wervik (Nieuwstraat - Groenstraat - Donkerstraat) een opmerkelijke gelijkenis vertoont met het typische dambordpatroon dat we vinden in de meeste Romeinse steden. Onder het Sint-Maartensplein worden funderingen gevonden van de middeleeuwse Sint-Maartenskerk die er ooit gebouwd was.

 

Die verdwenen kerk bleek gebouwd bovenop de restanten van de oude tempel van Mars. Dat is toch wat geschiedschrijver Gramaye beweert. Ik treed de man bij. Het afzweren van de oude heidense gewoontes en dito offerrituelen door de eerste christelijke predikers heeft bloed, zweet en tranen gekost en kon alleen maar bereikt worden door het nemen van drastische maatregelen. De afbraak van de oude tempels en de heropbouw van kerkelijke alternatieven op exact dezelfde plaatsen, waren overal schering en inslag.

 

De heidenen konden hun vroegere gewoontes eigenlijk gewoon verder zetten op dezelfde plaats. De nieuwe god zal geleidelijk aan wel de plaats ingenomen hebben van de oude helden. Ik denk aan plaatsen zoals Veurne en Werken, waar de overlevering eveneens vertelt over de brutale vervanging van de oude heidense gebouwen door kerken die konden dienen om de juiste god te dienen. Gramaye brengt trouwens nog een ander primeurtje: in 1514 werd hier in Wervik een muntstuk van Julius Caesar gevonden.

 

Ik duik even binnen op pagina 12 van het werk van René Defrancq. 'Wervik in de Oudheid'. Ik citeer even: 'bij de naam Viroviacum (Virovi - acum) valt het op dat veel auteurs aan het suffix "acum" de betekenis geven van domein of propriëteit. Dat kan heel goed in het kader passen te Wervik en zou een aanduiding kunnen zijn van een propriëteit die aan Virovios' toebehoorde.' Ik ben blij dat Defrancq het werkwoord 'zou' in stelling brengt. Ik lees tussen de regels door dat hij dit niet echt gelooft en ook ikzelf geloof er geen snars van.

 

Er is nooit een man of een familie geweest met de naam Virovios. Ons gezamenlijk scepticisme sleurt me mee naar de fundamentele vraag. Wat betekent die naam 'Viroviacum'? Waar en hoe en wanneer is de naam van Wervik ontstaan? Lokaal vind ik niets. Gissingen en niet veel meer. De zaak houden me dagen bezig. Dagen aan een stuk, komt er geen letter op papier. Geen gebrek aan kattenbelletjes. Briefjes en nota's stapelen zich van langs om meer op rond mijn pc's en op mijn bureau. Ik heb natuurlijk een belangrijke streep voor op de schrijver daar in Wervik rond 1960. Ik kan beschikken over mijn Google Chrome browser die me toegang biedt tot een woud van informatie. Hier moet ik mijn weg vinden.

 

Ergens tussen de informatie die duizenden voor mij hebben toegevoegd aan het wereldweb. Hier kan ik de wortels van Wervik vinden. 'What a challenge!' Precies die uitdaging waar ik zo van hou. Veel aanknopingspunten heb ik niet. Opzoekingen naar de namen Viro en Vino leveren me niet de gewenste inzichten op. Vino heeft alles te zien met wijn, maar hier aan de Leie is er niets dat wijst in de richting van wijngaarden. Viro brengt me bij een stam die de 'Viromandii' noemt. De Viromandii blijken een Gallische stam te zijn met hun thuisbasis in de streek van Picardië. Bij de Somme op enkele honderden kilometer verwijderd van Wervik.

 

De streek van de Vermandois, zoals ze later zal bekend raken in de geschiedenisboeken. De Viromandii nemen de wapens op tegen de Romeinen en ergens zal er dus wel een link bestaan met de lieden van Wervik. Maar, toegegeven, elk spoor blijft me voorlopig bijster. Ik spits me toe op de zogezegde transcriptiefout die de tekenaar van de Peutingerkaart zou moeten gemaakt hebben volgens René Defrancq. Viroviacum versus Virovinum. Ik vergeet even de achtervoegsels en concentreer me op wat er bij beiden identiek is. Viro en Vir.

 

Viro brengt vooralsnog geen soelaas, dus ga ik op zoek naar uitleg over Vir. Wat heeft het woord 'Vir' betekend in de geschiedenis van West-Europa? Er is al zo veel verschenen over de algemene volksverhuizingen van duizenden jaren geleden. Waarom zou ik hier geen informatie terugvinden? De etymologie brengt me eindelijk op het juiste pad. De herkomst van het woord Vir reikt me de sleutel aan om mijn Viroviacum binnen te stappen. Vir betekent 'Man'. Het woord werd 3000 jaar geleden al gebruikt bij de Indo-Europeanen.

 

Je weet wel: diegenen die er over het hele Europese grondgebied voor gezorgd hebben dat hun woonplaatsen aan het water allemaal met dubbele 'l' worden genoemd. Halle, Lille en duizenden consoorten. Ik mag ze eigenlijk best de eerste echte Europeanen noemen. Van een blauwe vlag met gele sterren hebben ze nog nooit gehoord, maar ze omschrijven hun vrije mannen wel als 'WiHros'. Met WiHros zijn we waar we wilden zijn. Die eerste Europeanen gaan zich met verloop van de eeuwen afzonderen in hun eigen gebieden en zo ontstaan een reeks variaties van de manier waarop ze hun mannen en krijgers omschrijven. Kinderen van WiHros als het ware.

 

Zowat alle oude talen nemen WiHros over en dat maakt het heel wat gemakkelijker voor me. Ik begin in het oud Engels grondgebied waar ze stilaan de naam Fer en Fir zijn gaan gebruiken voor hun mannelijke inzaten. Zo bijvoorbeeld de Fir-Bolgs. Verdorie. Ik heb het al eerder gehad over deze Gallische stam die 1500 voor Christus de macht greep in Ierland. De voorvaders van de Belgen. De Bolgs en de Belgen van toen moeten mannelijk geweest zijn. De mannelijke Belgen werden Fir Bolgs genoemd.

 

Van de vrouwen is geen sprake. Hun enige rol tijdens hun leven was te zorgen voor voldoende mannelijke opvolgers zodat de oorlog niet zou stilvallen. Het oud-Engels komt af met het woord 'Wer'. Wervik komt al aardig in de buurt. De Engelse etymologie omschrijft Wer als 'footsoldier'. Het middel-Engels bezit al een woord dat 'werreour' noemt, oorlogsman en vandaag natuurlijk 'warrior'. Dat onze aardbol in die dagen achter ons inderdaad een mannenbastion is, wordt ook zo aangegeven: 'Weralt' is de voorloper van 'wereld'.

 

Een (mannelijke) weerwolf wordt omschreven als een 'werwulf'. Op het Europees vasteland wordt de term in het Saksisch en in het Fries omschreven als 'wer'. Het Latijn maakt finaal de brug naar Wervik aan de Leie. De Latijnse naamvallen transformeren wer naar vir en viro. Woorden als triumviraat, viriel en 'virtue' hebben plots alle zin. Ergens in een diep verscholen plekje van het internet lees ik de Franstalige omschrijving van de stad Wervik als 'le séjour des guerriers'. Beter kan ik het niet omschrijven: Wervik is een stad geweest waar mannelijke krijgers woonden en waar ze haar naam aan te danken heeft. Verviers en Verdun mogen dus ook hun roots zoeken bij hun mannen.

 

De stam van de Viromandii verwijst dus ongetwijfeld ook naar een mannelijke oorlogsbende die het opneemt tegen Caesar. Viroviacum en Viromandii zijn dus duidelijk voor wat hun naam betreft verwant met elkaar. F. Grigny beweert in zijn werk 'Les Villes de la Gaule Belgique' van rond 1800 dat de oorspronkelijke naam van het in -27 gestichtte Saint-Quentin, de hoofdstad van de Vermandois, initieel in die tijd bekend stond als Wermand dat later met de komst van de Franken zal omgebogen worden tot Wermund.

 

Hij verwijst hier uitdrukkelijk naar de naam van Wervik. Pas ergens in de 4de eeuw zal de stad zijn nieuwe naam kregen en zo refereren naar de christelijke martelaar Quintinus. Een ander Romeins kruispunt van wegen vind ik ook in de stad Verviers dat door de Walen 'Vervi' genoemd wordt. Lokale naamkundigen komen ook hier aangezeuld met hun bewering dat de naam van Verviers afkomstig zou zijn van een stamhoofd met de naam Virovios of Virovius. Er moeten dus al twee Viroviossen bestaan hebben. De uitleg is veel eenvoudiger: ook hier wordt een kampplaats van mannelijke legioensoldaten met het voorvoegsel 'ver' aangeduid.

 

Hoe staat dat nu trouwens met dat fameus achtervoegsel 'viacum'. Wat betekent het? Er duikt nogal wat verwantschap op in Gallië: Turnacum (Doornik), Bagacum (Bavay) en Castellum (Cassel) zijn prima voorbeelden. Het nominatief achtervoegsel vicus heeft als accusatief vicum. Het meervoud is vici. In het Latijn betekent vicus een gehucht of een wijk in de buurt van een Romeins castellum of een klein stadje op de kruising van belangrijke handelswegen. De naam 'wijk' komt trouwens niet zo maar uit de lucht vallen. Ik arriveer opnieuw bij mijn Indo-Europees waar de term vicus oorspronkelijk betiteld wordt als 'weyk' in de betekenis van nederzetting of stam.

 

De Engelse stad Warwick komt me meteen voor de geest. Wervik en Warwick zijn zowat Siamese tweelingen voor wat hun naam betreft: een nederzetting van mannelijke krijgers. Er rest mij nu nog het tussenvoegsel 'via' dat hier parmantig paradeert tussen de wijk van de mannelijke krijgers. Wie kent er niet de 'Via Roma' waar de wielrenners op vandaag voorbij racen tijden de klassieker Milaan-San Remo? Ik vind een perfecte Engelstalige beschrijving van het woord: 'a road or paved part in a village or town'. Het geplaveide deel van de Wervikse nederzetting zorgt er voor dat de Romeinen haar de naam van Viroviacum toekennen.

 

Via is van oorsprong trouwens ook Indo-Europees. Weg-ya. We beseffen dus niet eens dat 'weg' en 'via' dezelfde moeder hebben. De Via Roma heet bij ons dus gewoon de weg naar Rome. Wat de Romeinen 'Viroviacum' noemen zou dus in het Indo-Europees omschreven worden als 'Wer-Weg-ya-weyk' of iets wat nauw in de buurt ligt. Vermits alle drie de componenten van de stadsnaam van Indo-Europese origine zijn, kan het dus in theorie best zijn dat Wervik al lang voor de Romeinen zo genoemd werd door zijn oorspronkelijke bewoners. Maar ik betwijfel dat. Dat die bewoners er waren lijdt geen twijfel, dat weten we gelukkig dankzij de overlevering van de centrale 'Hille'. Maar Wervik is pas bij de aanleg van de heerbaan van Kassel richting Oudenburg op dit cruciaal kruispunt komen te liggen. Dus een vicus kan het voorheen niet geweest zijn.

 

Of de oorspronkelijke bewoners zich al lang voor de inval van de Romeinen onledig hielden met het plaveien van hun stadje, mag eveneens gerust in vraag gesteld worden. Maar ik moet hier toch met twee woorden spreken. In zijn 'Historie van Belgis' beweert Marcus van Vaernewyck het tegendeel. Wie ben ik om dus zwart of wit partij te kiezen?

 

Een gelijkaardige historie met een andere vicus in dezelfde tijd van de Romeinen brengt me wat meer zekerheid over de naam van Viroviacum en over de betekenis die de stad kreeg van de Romeinen! In het oude Rome stond een vicus synoniem met een buurt. Tijdens het bestuur van keizer Augustus, in de eerste eeuw voor het begin van onze nieuwe tijdrekening, was hun hoofdstad ingedeeld in 14 regio's en in totaal 265 vici. Elke vicus stond onder controle van een soort schepencollege van vier verkozen magistraten, 'vicomagistri'.

 

De vici verschillen wezenlijk van de officiële administratieve centra die civitates worden genoemd. Het zijn dus echte volksbuurten zonder enige legale status. Met de uitbreiding van het Romeinse rijk ontstaan nogal wat spontane vici. Eigenlijk kan ik die best 'pop-up' gemeenschappen noemen. Ze huisvesten tijdelijk opgeroepen troepen en groeien in de loop van de tijd uit tot echte steden in de gevallen dat garnizoenen er zich permanent gaan vestigen. Het gebeurt vaak dat steden het aantal inwoners niet meer kunnen slikken en waardoor er hele groepen mensen verhuizen naar nabijgelegen vici.

 

De eerste vici in de nieuwe Romeinse gebieden staan nog onder het bestuur van de militaire commandant en ze bezitten geen eigen administratief en burgerlijk bestuur. Pas als er zich voldoende Romeinse burgers gaan vestigen, krijgen die vici de toelating van Rome om lokale besturen te vormen en uit te groeien tot regionale centra en zelfs tot provinciale hoofdsteden. Een mooi voorbeeld hiervan is Eboracum, dat op vandaag gekend staat als het Engelse York. Viroviacum heeft een broertje dat luistert naar de naam van Vercovicium.

 

De plaats is gelegen in Northumberland in het ruwe en desolate noordoosten van Engeland. Vlak bij de bekende muur van Hadrianus. De overgebleven ruïnes van Vercovicium blijven leven onder de naam van 'Housesteads Roman Fort'. De hele muur van Hadrianus heeft een lengte van 117 km en vormt een verdedigingsgordel tegen eventuele invallen vanuit de noordelijke gebieden die we nu kennen als Schotland. Tijdens de 2de eeuw staat een leger van 9000 man in voor de beveiliging van het noorden. Ze organiseren hun activiteiten vanuit een reeks forten.

 

Er is sprake van 80 kleine en 14 grote vestingen. In de nabijheid van deze bolwerken ontstaat er in die periode een kamp van soldaten dat doorgroeit tot een heuse vicus met huizen, met bestrating en met een verrassend moderne infrastructuur. Er is sprake van het opvangen van water in reservoirs en het gebruik ervan in de latrines. Er zijn badhuizen. Wie al ooit de ruïnes van Pompeï gezien heeft, beseft waartoe de Romeinen allemaal in staat waren. Oorspronkelijk is het nieuwe Vercovicium uiteraard exclusief bewoond door mannen. De 'ver' is net zoals bij Viroviacum prominent aanwezig om dat te staven.

 

Pas in de 3de eeuw zullen de Romeinse krijgers toelating krijgen om te trouwen en hun vrouwen te laten overkomen naar Vercovicium en dat zal wel voor een bevolkingsexplosie gezorgd hebben in de nieuwe vicus. Rond de jaren 400 zal een einde komen aan de Romeinse activiteiten en blijven de muur van Hardianus en Vercovicium als een relikwie achter in het verlaten landschap. Het verhaal van Wervik en Housesteads, zeg maar Vercovicium, is verrassend gelijklopend. Vervang de muur van Hadrianus door de Leie.

 

De rest is hetzelfde. Een gemeenschap van oorspronkelijk alleen maar mannelijke soldaten die relatieve veiligheid vindt aan de oevers van de rivier en die in verloop van tijd ook vrouwen zal toelaten en die met het verdwijnen van de Romeinen meteen ook voor vele eeuwen zijn ziel en zijn betekenis zal verliezen. Ik vind in de naam van Vercovicium net zoals dat bij Viroviacum het geval is, het woord 'vic' terug. De Engelstalige uitleg van 'vic' bevestigt wat ik al eerder aangaf.

 

Wic komt van wick en vinden ze in Engeland terug in de stadsnamen zoals Wick, Wyck, Hayckney Wick, Gatwick, Wickham, Ipswich, Norwich en ook in de naam van de stad York die via de oude Noorse naam Jorvik gemuteerd was uit de naam Eoforwic. Wikipedia haalt het hier in het Engels nog eens extra aan: 'a municipal area called in Dutch wijk'. In het oud-Fries 'wik' en in het oude-Saksisch 'wic'. De opmerkelijke parallel tussen Housesteads en Wervik zorgt finaal ook voor een antwoord op de vraag wie verantwoordelijk is voor de naam 'Veroviacum', stad van de mannen.

 

In het Engelse Vercovicium is er nooit enig spoor geweest van een lokale gemeenschap voor de komst van de Romeinse soldaten. Het is meteen duidelijk dat de naamgeving op en top Romeins is. Gezien de parallel is het inderdaad erg logisch om die lijn door te trekken voor Wervik.

 

De nederzetting van eigen mannelijke soldaten werd door Rome gedoopt als Viroviacum. Hoe de lokale 'inboorlingen' zichzelf noemden, kon hen geen barst schelen. Vermits zij meester waren van het schrift, zijn zij in staat gebleken om hun naamgeving te laten primeren en te doen overleven. Mijn priester-schrijver buigt zich ook over de betekenis van de naam van Wervik. Volgens hem werd er meer gefantaseerd dan verantwoord.

 

Hij blijft stilstaan bij de uitleg van de naamkundige Maurits Gysseling die beweert dat Viroviacum afkomstig is van de Keltische naam Virovios die in het Latijn vertaald wordt als 'manhaftige'. Een soort mannelijke weerwolf. Ook hij komt op de proppen met de namen 'vir' en 'fir' die ook wel met een 'w' durven worden uitgesproken. Gysseling komt verdorie heel dicht bij de roots van Viroviacum, maar verknalt het dan glansrijk door zijn fantasievolle introductie van de (mannelijke) weerwolf Virovios. Er hoeft helemaal geen interface gezocht te worden.

 

Vir is man, Viroviacum eenvoudigweg de stad waar de Romeinse legioensoldaten verblijven. Ik volg René Defrancq voor de volle honderd percent als hij schrijft dat met verloop van de tijd, de lokale vicus van Wervik zal aangevuld worden door de lokale bevolking, een mengeling van Galliërs en Kelten, die hier hun handeltje kunnen opzetten en een graantje gaan meepikken van de soldij van de Romeinse soldaten. En er is natuurlijk ook de trafiek van de voorbijkomende legioenen. Hier worden paarden en ruiters na een lange rit afgelost. Wagens kunnen hersteld worden. De dieren kunnen verzorgd worden. De inheemse bevolking neemt een aantal zaken graag op zich. Net zoals dat het geval is in andere plaatsen van Gallië, worden jonge lokale mannen opgenomen in het Romeinse leger.

 

Viroviacum betekent letterlijk en figuurlijk de 'Far West' voor de huurlingen van het leger. Het aantal pioniers blijft maar aanzwellen. De bevoorradingsplaats Wervik groeit als kool. Rijen van primitieve houten loodsen met daken van stro of riet. De 'torchis' die men later zal aantreffen, wijzen duidelijk in de richting van die primitieve behuizing met plak en stak. Brand en vuur zijn nooit ver weg. Er is duidelijk sprake van een actieve handel met het Romeinse thuisfront. Keramiek en sigillata verhuizen van Gallië naar Keulen en naar Rome. En vice versa.

 

Tussen de jaren 100 en 300 moet Viroviacum met zekerheid een bloeiende plek zijn in Gallië. Met zijn heerlijke ligging aan de Leie, de infrastructuur die hier door de Romeinen opgezet wordt en zijn functie als bevoorradingspunt, figureert het jonge stadje als een economische magneet voor de hele streek. Er is al sprake van schaapsteelt en van weven. De lokale archeologische vondsten zijn in die context omvangrijk en indrukwekkend. Het reisboek en de kaart van toen geven ons kind een historische naam. Wervik kan terecht terugkijken op een rijk Romeins verleden. Spijtig genoeg is er buiten die bewijzen verder geen spoor van het oude Wervik terug te vinden in de oude geschiedschrijving van die dagen. We kunnen ons enkel in onze eigen fantasie afvragen hoe het leven er werkelijk aan toe is gegaan.

 

Hoe vergaat het Viroviacum bij de ondergang van het Romeinse imperium? Ik verdwijn opnieuw in de mist van het verleden. Vanaf de jaren 270 dringen de eerste Germanen en allerhande Frankische stammen Gallië binnen. De heirbaan Keulen-Bavay is bepaald een rode loper te noemen voor de indringers. 'De nederzettingen gaan in vlammen op en de inwoners van West-België vluchten. Wervik ligt niet langs de oostwest-as en zal dus vermoedelijk in eerste instantie gevrijwaard blijven. De slachtoffers vallen vooral in Noord-Frankrijk waar de mensen op de vlucht slaan.

 

Velen verbergen zich in hun gewesten midden bossen en moerassen waar zij hun karig bezit onderbrengen.' Defrancq ziet het allemaal voor zich en ik kan me wel volgen in zijn empathie. De overgang van de Romeinse periode naar de Frankische tijden gebeurt in horten en stoten en duurt zowat honderd jaar. Het is een komen en gaan van vreemde Frankische volkeren waar de Romeinen niet echt raad mee weten. Maar voor een echte invasie is de tijd nog niet rijp. Daarvoor is het wachten tot in het jaar 445.

 

De manier waarop de Franken uiteindelijk en finaal de Westhoek veroveren is een verhaal op zich. Dat leer ik in een prachtig Frans boek, gedrukt in het Rennes van 1867. 'Les Francs, leurs origine et leur histoire' vertelt over het ontstaan van Frankrijk en haalt daarbij een passage aan waarbij ook Wervik zijn rolletje speelt. Ik probeer het op mijn manier te vertellen. Clodion is de leider van de Franken in het jaar 445.

 

Hij beslist om spionnen te sturen naar Cambrai. Hij wil perfect op de hoogte zijn van de zwaktes en de sterktes van de vijand. Via de prachtige Romeinse weg, de 'Colonia Trajana à Pons Mosoe' en Maastricht, gaan ze in één ruk van het Kolenwoud in één directe lijn naar Bagacum, Bavay, de hoofdstad van de Nerviërs. Hier vertrekken vijf heirwegen naar respectievelijk Cambray, Vermand, Noyon, Doornik en Reims. De voorhoede volgt de weg die de grootvader en de grootoom van Clodion hebben gevolgd in 388.

 

Dat waren Marcomer en Sunno. Eerstgenoemde was de leider van de Chatten. Die eerste campagne kon bezwaarlijk een succes genoemd worden voor de Franken. Ze werden door de Romeinen onder leiding van Quintinus tot aan de overkant van de Rijn teruggedreven en leden een verschrikkelijke nederlaag. Dit keer is de kust wel veilig, melden de spionnen en zo zet het konvooi van Clodion zich op weg naar het Westen. In geen tijd bereiken ze de 'Pons Mosoe à Aduatica Tungrorum', Tongeren, en dan gaat het naar verder naar Perwez en Gembloux om tot slot de tocht door het Kolenwoud aan te vatten. Onderweg wordt er afgerekend met de schaarse weerstand van de Romeinen. Die schitterende Romeinse heerbanen functionneren inderdaad als een rode loper. Zonder veel kleerscheuren bereiken de Frankische divisies Bavay en maken ze zich meester van de streek.

 

De Salische Franken onder leiding van Meroveüs scheiden zich ter hoogte van Bavay af van het grote leger. Ze kiezen de Romeinse heerbaan die hen op weg zet naar Turnacum, Doornik die de tweede grootste stad is van Gallië. De belangrijke stad Condé, Pons Scaldis, wordt ingenomen en nu komt Wervik aan de beurt.

 

Ik citeer even: 'na Pons Scaldis is het de beurt aan Viroviacum (Vervich) en dan aan Minariacum (Merville), aan Cassel, de hoofdstad van de Moriniërs, Castellum Morinorum en tenslotte nog aan Taruenna (Terwaan). Tot zover de verovering van Gallië door de Franken. Ik laat het hierbij en concentreer me opnieuw op Wervik. Net zoals dat het geval is voor de hele Westhoek, blijft er van geschreven bronnen na het tijdperk van de Romeinen weinig overeind. Ergens verderop richting kust is er een kleine nederzetting aan de Ieperlee, Ieper die op dit moment hoegenaamd nog niet te vergelijken valt met Wervik.

 

Ook van Komen en van Poperinge is weinig geweten. Ik moet me noodgedwongen baseren op de geschreven overlevering van enkele predikers die naar hier afgezakt zijn om de heidense manieren van de lokale bevolking af te zweren. Die getuigenissen zijn zowat het enige wat staande is gebleven van de periode tussen de 4de en de 6de eeuw. Een zekere Chrysolius wordt de dupe van zijn christelijke betweterigheid. In het begin van de jaren 300 lynchen de inwoners van het plaatsje Verlinghem de prediker omdat hij hun heidense offerplaats wil verwijderen ten gunste van een nieuwe christelijke kapel naar zijn goesting. Van Chrysolius is geweten dat hij predikte in Komen. In opdracht van paus Marcellus die hem rond 289 gestuurd heeft naar de streek tussen de Schelde en de Leie.

 

Ik zie geen redenen om aan te nemen dat hij dit ook niet zal gedaan hebben in Wervik en in het ontluikende Ieper met zijn eerste primitieve kapel. Ik vind het wel opmerkelijk dat de kerstening van de Westhoekbevolking al aan de gang is ten tijde van de Romeinen. Nochtans wordt het christendom pas vanaf 312 officieel toegelaten in Rome. Het is een teken aan de wand dat de Romeinse invloed in onze streken al in die tijd volop aan het tanen is. De notoire geschiedschrijver Gramaye schrijft in zijn 'Antiquitates Flandriae' over de oppidum Viroviaci.

 

'Men sal mij misschien vraeghen, ghelijck ick een ander vraeghen soude, wat overblijfsels van den ouderdom van Roomen, van Franckrijck, van Vlaenderen en van Wervick sijn noch gebleven aen de gonen die nu leven ende dit ghesien hebben? Ick sal segghen dat ick ghelesen, ghesien ende ghehoort hebbe van aendere personen die het ghesien ende ghelesen hebben: daer wordt nu in het midden van de stadt een ghebauw van eenen uijtnemenden ouderdom, door het werck, de forme ende de faem ghesien, nu St. Maertenskercke, ende voortijds den tempel van Mars, wiens beeldt ende statue van mannen die gheloofbaer sijn, ghesien is gheweest, recht staende, half ghewaepent, soo het scheen sijn water lossende….

 

Om welcke redens veele ghemeint hebben dat het de statue van Mars niet en was, maer van Priapus. Sonder twijfel is dit beeldt daer ghelaeten gheweest van de ouderlijnghen in teeken ende tot memorie van den ouderdom der plaetse.' Gramaye voegt er nog een wetenswaardig feit aan toe: 'Daer is oock ghevonden gheweest in 't jaer 1114, een geltstuck van Julius Caesar ende corts daer naer meer andere.' Er zijn nog meer geschiedschrijvers die met dezelfde verhalen afkomen. Allemaal van 'horen zeggen'. Volksoverlevering mag je niet onderschatten. René Defrancq trekt het bestaan van een echte tempel in twijfel. Alleen echte civitates kregen die eer te beurt.

 

 

Maar wat deden die stukken roze mortel dan daar onder het Sint-Maartensplein? Het moeten funderingen geweest zijn die nog dateren vanuit het Romeins tijdperk. Ik vind het bizar dat de schrijver zich op geen enkel moment afvraagt of de tempel er niet kan geweest zijn al lang voor er sprake was van enige Romeinen in de Westhoek. Ik focus me nog eens op die oude Vlaamse tekst van Gramaye.

 

Dat oud beeld moet dus een soort 'Manneke Pis' geweest zijn avant la lettre. De oude Wervikzanen zagen er de god Priapus in. Wikipedia verklaart één en ander nader: Priapus is een figuur uit de Griekse en Romeinse mythologie. Rijkelijk voorzien van een enorme penis die ostentatief verwijst naar vruchtbaarheid. En dat in een oord dat verwijst naar mannen! Een fallus-beeld dat gebeurlijk als een fontein opgesteld werd. Deze Priapus zou trouwens de voorloper zijn van onze tuinkabouters met hun knalrode mutsen.

 

De hele verwarring of het nu een beeld van Mars of van Priapus is, brengt op zijn minst klaarheid in het tijdsgebruik: de tempel moet gewoonweg van Romeinse origine zijn! René Defrancq beweert dat het de heilige Maarten van Tours (Sint-Maarten) is die de tempel van Mars vervangt door een kerk. Het is een interessante bewering die me in staat stelt om er een datum op te kleven.

 

Clotarius I, de zoon van Clovis, laat rond het jaar 558 in Ieper een abdij laat bouwen die opgedragen wordt aan de heilige Maarten van Tours die overleed in 397 en die daardoor de volgende eeuwen geniet van een grote populariteit bij de predikers. Het bouwwerk vervangt de kleine kapel die er werd gebouwd door Chrysolius.

 

De vervanging van de Wervikse tempel van Mars door een kerkje om Maarten van Tours te vereren moet in dezelfde periode hebben plaats gevonden. Het moet vermoedelijk op het einde van de 5de eeuw geweest zijn. Mijn aanvoelen is niet zo verkeerd. Historicus Blieck schrijft: 'ce fut sous Clovis, roi des Francs (+511) que furent créés les évêches de Tournai, Cambrai et Arras avec circonscription déterminée. Ce fut probablement en ces temps que le temple du dieu Mars à Wervicq, fut affecté au culte catholique.' Ik vervolg nog even in het Nederlands: 'De apostels van het nieuw geloof stichten zo veel mogelijk nieuwe kerken te lande. In Wervik veranderen ze de naam van 'Mars' in die van 'Maert' en ze maken er meteen de Sint-Maartenskerk van.

 

Wat een ingenieus idee om over te schakelen op een nieuwe God en de naam van de foute god te veranderen in die van een heilige. Op die manier kunnen ze de heidenen natuurlijk een stuk gemakkelijker overtuigen.' René Defrancq is het er niet mee eens: 'de missionering is te Wervik niet zo vroeg van wal kunnen steken!' Het christendom heeft in die dagen nog niet echt vat op de Franken. Ik kijk er van op. Ach neen? Weet hij dan niet dat Clovis, de eerste echte heerser over Frankenland, zich te Reims heeft laten dopen tot christen? De geschiedenisboeken halen het jaar 496 aan als datum voor deze belangrijke gebeurtenis. Het volgende decennium hebben de priesters en de geestelijken hun handen vol met het dopen van duizenden medestanders en krijgers van Clovis.

 

De hele administratie van de Franken heeft nog voor het jaar 507 het oude heidendom afgezworen. Ik zie geen redenen waarom die nieuwe kerk van Wervik er niet in diezelfde periode zou zijn gekomen. De bouw van de nieuwe kerk rond 500 bewijst alvast één zaak: voor twee man en een paardenkop zal niemand de moeite doen om een bidplaats op te trekken. In het post-Romeins tijdperk van Viroviacum moet zich hier nog altijd een substantiële leefgemeenschap bevinden.

 

Wervik is dus niet opgehouden met bestaan na het vertrek van de Romeinen. Wat betreft de wijziging van 'Mars' in 'Maert' ben ik niet helemaal overtuigd. De oorspronkelijke naam van 'Maarten' van Tours is wel afgeleid van die van Mars, maar die transformatie is al honderden jaren geleden gebeurd. Het is natuurlijk wel mogelijk dat de lokale priesters daarvan op de hoogte zijn en die lijn op gepaste tijd gewoon doortrekken voor wat betreft de nieuwe Wervikse kerk.

 

De katholieke kerk is er trouwens van bij het begin als de kippen bij om heidense rituelen ongegeneerd en gratuit over te nemen. Zo is ons kerstfeest op 25 december, de geboortedatum van Jezus, een heidense feestdag bij uitstek: Yule, de winterzonnewende. O.L.V.-Lichtmis was vroeger bij de heidenen: 'Imbolc'. Pasen was: 'Ostara'. Allerheiligen en Allerzielen werden 'Samain' genoemd. Ik moet verder. Defrancq begint met zijn hoofdstukken over de Wervikse lakennijverheid en bevindt zich meteen in de jaren 1300. Het gaat wat te snel voor mij. Zomaar twintig generaties overslaan, zint me niet. Ik besluit om even al zijn werk te doorlopen.

 

Deel 3 van zijn geschiedenis van Wervik, uitgegeven in 1966, brengt me weer op het goede pad. 'Parochiaal en Kerkelijk leven' luidt de titel van het eerste hoofdstuk. Als ik iets wil te weten komen over de periode tussen 500 en 1200 zal het uit de kerkelijke archieven moeten komen.

 

Alleen bij de monniken is er al sprake van een schriftelijke overlevering. Buurstad Ieper moet tussen 1000 en 1100 ook al een stad zijn die flink in opmars is en toch doen ook hier de eerste structurele geschriften pas hun intrede rond 1100. In Wervik is het niet anders en dat maakt de geschiedenis erg zwijgzaam. Om te beginnen is Wervik meer dan zo maar een centrum. De hele randomgeving zal in handen zijn van een of meerdere landheren en met de komst van het christendom, worden de grenzen van de privé eigendommen ook een beetje die van de verschillende parochies die elk hun kapel als centrale bidplaats toegewezen krijgen.

 

Of er zich naast Sint-Maarten nog andere bidplaatsen bevinden in het jonge Wervik, is mij vooralsnog niet bekend. Vanaf de vroegste tijden bezit de grondeigenaar die dergelijke kapel op zijn heerlijkheid heeft ingericht het recht er om een geestelijke aan te stellen die verantwoordelijk wordt om de bidplaats uit te baten. Een geestelijke gerant als het ware die uit de handen van de grondheer moet eten die op zijn beurt beste vriend is van de kerkelijke hiërarchie. Samen zullen ze wel beslissen wat de lijfeigenen wel of niet mogen doen.

 

Die priester of geestelijke wordt omschreven als een 'kapelaan'. De grondheren staan echt op hun recht om hun eigen kapelanieën te mogen oprichten op hun territorium. Het verhaal van de eerste Wervikse landheren die meteen ook de stichters zijn van de christelijke kapelanieën, vergt wat uitleg. Om te beginnen worden de landheren ertoe verplicht om zorg te dragen voor hun stichting en moeten ze die voorzien van giften.

 

De priester die de kapel uitbaat moet er met zijn familie kunnen van leven. Dat recht wordt door Karel de Grote als 'mansus integer' omschreven. Koning Lodewijk de Vrome (zin zoon) preciseert een en ander rond de jaren 800: de mansus moet een hoeve van 8 hectare zijn, met woonplaats en voorzien van vier slaven die de grond bewerken. In 900 laat de aartsbisschop van Reims onderzoeken of elke parochie effectief de (ondertussen al) voorgeschreven 12 hectare (bunder) en de nodige werkkrachten bezit. Er wordt in deze kwestie niets aan het toeval overgelaten. Een kapel of een kerk, een nieuwe bidplaats, kan niet zomaar gebouwd worden.

 

De landeigenaar moet eerst en vooral bij de bisschop een aanvraag tot wijding indienen. Bij die aanvraag dienen de goederen die als 'bruidsschat' bij de schenking behoren netjes vermeld te worden. Pas na grondige controle en aanvaarding kan de nieuwe bidplaats gewijd worden. De pastoor moet bij zijn aanstelling eveneens een kleine bijdrage leveren vooraleer hij uitbater/eigenaar wordt van de nieuwe kerk of kapel met de bijhorende landerijen. Nu ja. Eigenaar wordt hij tijdens zijn leven. Na zijn dood erft de kerk alles. De voordracht van de pastoor en de bedienaars van de eredienst is aanvankelijk het recht van diegene die de schenkingen heeft gedaan.

 

Dat recht wordt 'altare' genoemd en wordt op zijn beurt geschonken aan een of andere abdij of klooster. Wie het 'altare' bezit, is meteen eigenaar van het patronaat van de bidplaats. Hij is de 'pastor primitivus' van de kerk en hij kan zich laten vervangen door een plaatsvervangende priester die op de parochie verblijft en die uiteraard eerst goedgekeurd en benoemd wordt door de bisschop. Soms heeft de eigenaar van het 'altare' ook alle recht om de plaatsvervangende priester zelf te benoemen en dat recht wordt het 'personaat' genoemd. En dat is het geval in Wervik.

 

De bisschop van Doornik schenkt het personaat van de Sint-Medarduskerk aan een kanunnik van het kapittel van Rijsel. Datzelfde kapittel verkrijgt trouwens het patronaat van de drie Wervikse kapelanieën. Deze van de Sint-Maartenskerk, de Sint-Magdalenakerk en van de kapelanie van het Sint-Janshospitaal. De abt of de kanunnik van de Rijselse abdij krijgt dus alle rechten toegewezen om de keuze te maken van de gepaste Wervikse priesters.

 

Het kapittel 'Saint-Pierre' van Rijsel, op en top een Vlaamse stad, wordt gesticht door graaf Boudewijn in het jaar 1066. Via een reeks van schenkingen, komt ze de daaropvolgende jaren in het bezit van het 'altare' van een pak kerken en bidplaatsen in de Westhoek en in de streek van de Leie en zelfs verderop in het binnenland. Ik beperk mijn reeks tot de kerken waar men het niet direct van zou verwachten. Zo komt in 1088 het altaar van Gits bij Roeselare onder controle van het Sint-Petruskapittel. Het altaar van Wervik volgt in 1090, en de daaropvolgende decennia dikt het aantal bidplaatsen verder aan. Aan elke bidplaats zijn tienden verbonden, opbrengsten van belastingen die elke parochiaan moet afstaan aan zijn of haar respectieve kerkvader.

 

Een lucratieve handel die tienden, die trouwens nog aangevuld worden met de offergelden. Een deel gaat naar de kapelaan en de rest van de tienden gaat gedeeltelijk of volledig naar de eigenaar van het 'altare'. Twee derden van de tienden van Roeselare verhuizen naar Rijsel, 10% van de kerkelijke opbrengsten van de graaf van Vlaanderen verdwijnen in hun zakken. Ook in het bisdom van Terwaan zwaait het kapittel de scepter over het 'altare' van Vlamertinge en Dranouter die in de oude kerkelijke geschriften als 'Flamberlinghes' en 'Dranoutre' aangestipt staan.

 

Doornik kan in de vroege middeleeuwen gerust bestempeld worden als de belangrijkste stad van de regio. De proost van het Rijselse kapittel danst naar de pijpen van de bisschop van Doornik. De macht en de invloed van Doornik op Wervik is navenant. Defrancq geeft het ook zo aan: 'wie het patronaat van een kerk bezat, liet het door een zeker ceremonieel blijken, dit vooral onder Franse invloed die zich onder meer in het bisdom Doornik liet gelden. De patroon eiste een zetel op in het hoogkoor en hij moest in het koor begraven worden.

 

Zijn "obiit", een ruitvormig houten rouwbord, moest in de kerk worden aangebracht; zijn wapenschild en wapenspreuk op de kerkmuur geschilderd of gebeiteld. Niet zelden was de pastoor verplicht de patroon bij het binnenkomen van de kerk het gewijde water aan te bieden. Talrijke misbruiken slopen op die manier binnen.' De kerkelijke inkomsten die verbonden zijn aan het 'altare' voorzien trouwens een stuk van die inkomsten voor de bedienaar van de erediensten. Deze vergoedingen worden het 'bodium' genoemd en komen dus toe aan de kapelaan of de lokale parochiepriester.

 

Het inkomen van de pastoor bevat zo 'tienden', 10% van alle opbrengsten van de kerk en het koor. Een tiende van alle offergaven, het mishonorarium en de opbrengsten van de stichtingen, schenkingen en verworven eigendommen. Vanaf de jaren 811-813 zijn het de inwoners van de diverse parochies die er voor zorgen dat de tienden aan de parochiekerk worden betaald. Tienden die in handen vallen van niet-geestelijken moeten op bevel van de kerk gedeeltelijk worden teruggeschonken en verdwijnen in de grijpgrage handen van de abten en abdissen van lokale kloosters en abdijen. De parochiepriesters heffen tienden op het graan, de veldvruchten en op de kweek van gevogelte en dieren. Ze worden door de bewoners zowel in natura als in cash betaald. Vanaf de 9de eeuw komt een deel van die tienden eveneens toe aan de heren en de vorsten.

 

Je begrijpt meteen waarom de grenzen van de parochies in Wervik goed aansluiten met de grenzen van de diverse heerlijkheden. Vooral het kapittel van Rijsel boert goed want het krijgt twee derden van de Wervikse tienden toegewezen. De Sint-Maartenskerk is de eerste kapelanie voor wat Wervik betreft. Wanneer de kerk gebouwd wordt, weet Defrancq niet te vertellen.

 

Zeker niet voor de 9de eeuw. Hij heeft het vermoedelijk over de stenen constructie die de kapel van de heilige Maarten van Tours vervangt, het gebouwtje dat op zijn beurt bovenop de funderingen van de oude heidense offerplaats, de tempel van Mars, gebouwd werd. Je kan trouwens de ouderdom van zowat alle parochiekerken van de Westhoek linken met een periode kort na de sterfdatum van hun respectieve patroonheiligen. De heilig Medard van Noyon is er overleden rond 550. Honderdvijftig jaar na Maarten van Tours.

 

De eerste kapel die de Sint-Medarduskerk voorafgaat, zal er dus ook grofweg diezelfde tijd na de constructie van de Sint-Maartenskapel opgetrokken worden. Dat geldt uiteraard niet voor de Sint-Maria-Magdalenakerk die vermoedelijk een stuk jonger is en pas gebouwd wordt nadat de rage van de mannelijke heiligen wat is uitgeraasd en men terug grijpt in het arsenaal van de figuren uit het begin van het christendom. Het valt wel op dat het grondplan van de drie Wervikse kerken vrij identiek is. Met de Sint-Medarduskerk als grootste.

 

Er is sprake van 6 heerlijkheden: Wervik (het centrum), Eecke, Ter Elst, Canonickhove, Cruys en Oosthove. Aan de zuidkant van de Leie is er ook bewoning. In oude Rijselse documenten duikt nieuwe informatie op. De heuvelrug van Wervik en de Pevelenberg zijn de twee hoogste heuvels van het arrondissement Rijsel. Als gehuchten worden hier uiteraard Franstalige plekken aangegeven, maar ik probeer waar mogelijk te vertalen: Le Blaton; La Planche-de-Pierre, La Montagne (de Berg), La Bouteille-Noire (de Zwarte Fles), Le Robinet (de Kraan) en La Ferme brûlée (de Verbrande Hoeve). De naam van Viroviacum slaat met verloop van tijd aan het muteren. Latijn zal wel niet besteed zijn aan de gewone mensen.

 

Er gaan eeuwen overheen vooraleer Wervik zijn definitieve naam zal krijgen. Ondertussen zijn Wervy, Wervii, Wervi, Werny, Werni aan de beurt en die namen zullen stilaan plaats maken voor Wervick, Werwick, Wervick, Wervicq en uiteindelijk dus Wervik. J. Roelandt wijdt in de Biekorf van 1971 een interessant artikel aan de toestand van de Wervikse heerlijkheden. Hij beschrijft de toestand van de eigendommen rond de jaren 1400 die in wezen een spiegel vormen van hun testament uit de feodale tijden, waarbij adepten van de eerste graven van Vlaanderen en natuurlijk de abdijen grote stukken land in leen kregen. Het Wervikse leen Oosthove is een onderleen van het leengebied van Nevele bij Gent. Het is veruit het grootste leengebied van Wervik.

 

Uitgestrekte landerijen aan weerszijden van de Leie. In Wervik en zijn centrum. In Komen. En ook in Menen waar nu nog altijd sprake is van het park van Oosthove. Allemaal gelegen binnen de kasselrij van Ieper. Oosthove houdt op zijn beurt de controle over een reeks van achterlenen. Omvangrijke gebieden in de Westhoek: in Zarren, Zandvoorde, Reningelst, Handzame, Staden en in Dikkebus.

 

De heren van Nevele bezitten ook nog de heerlijkheid Cruys die ook wel 'de splete ter Kruisse', genoemd wordt. Het oude Kruiseke? De Leie maakt van Wervik letterlijk en figuurlijk een grensgeval. Wat niet tot de kasselrij van Ieper behoort, is allemaal leengebied van de heerlijkheid Blaton-Linselles die volgens Roelandt als 'Les Franchises' betiteld wordt. Die heerlijkheid is zelf een leengebied van het kasteel van het Henegouwse Leuze dat zich in de vroege middeleeuwen binnen het Duitse Rijk bevindt.

 

De Schelde speelt trouwens een belangrijke rol als militaire grens tussen Vlaanderen en Duitsland. In Ieper en in Wervik ontstaat er een burcht waar een burggraaf probeert de veiligheid van de gemeenschap te monitoren. In Ieper komt die eerste burcht er tijdens het bewind van Boudewijn met de Ijzeren Arm. Rond het jaar 900. Er is hier al vroeg sprake van een primitieve houten omwalling die het centrum moet vrijwaren van malafide indringers. De beschutting van de burcht, de beschermende ceintuur en de rechtstreekse toegang tot de Noordzee via de Ieperlee betekenen een ideale voedingsbodem voor handel en nijverheid.

 

Het begin van het succesverhaal van de Ieperse lakennijverheid. Ik mag hierbij niet uit het oog verliezen dat de Leie in het hinterland van dat jonge Ieper zeker ook een belangrijke rol speelt met het oog op de export van zijn producten. Ieper zal dus al vroeg zijn tentakels uitspreiden tot aan Komen en Wervik.

 

De proosdij van Sint-Maarten in Ieper bezit niet voor niets uitgestrekte landerijen in Zandvoorde, op een boogscheut van Komen en Wervik en de Leie. Aan de andere kant zien we dat een stad als Rijsel zich evenmin laat wegdrummen van de Leie. Ik wil wel eens weten of er in het prille Wervik van zijn jonge middeleeuwse jaren ook sprake is van een burcht. Ere-burgemeester Georges Straseele heeft zich diezelfde vraag gesteld.

 

Hij kan me inderdaad bevestigen dat dit het geval is. Meer zelfs: hij heeft een replica van de oude burcht gebouwd. Het schaalmodel doet me wat denken aan de eerste burcht die Lord de Bevere ooit deed bouwen in Diksmuide en die hij baseerde op de knowhow die hij opdeed in het Engeland van zijn jonge jaren. Het eerste geschreven bewijs van deze Wervikse burcht dateert van 1096 als de lokale burggraaf Willem van Wervik deelneemt aan de eerste kruistocht in het gezelschap van Peter de Kluizenaar. De burcht in Ieper dateert van rond 900, die van Diksmuide rond 950.

 

Ik twijfel er niet aan dat er in diezelfde periode ook in Wervik een exemplaar werd gebouwd. Er wringt echter iets met de timing. Ik kan aanvankelijk het jaar 1096 niet linken met de bouwwerken die er moeten zijn uitgevoerd tussen 900 en 950. De burcht van Straseele bevindt zich heel dicht bij de Leie maar bevindt zich aan de zuidelijke kant ervan. De naam van de Kasteelstraat verraadt trouwens het bestaan van het bouwwerk. Bij de verkoop van een huis in de Brugstraat werden resten van een gracht gevonden die er op wijzen dat het kasteel zich dicht bij de brug bevond op een heuvel van 4 meter hoogte. Centraal tussen Wervik en Wervicq-Sud, maar wel degelijk aan de zuidkant van de Leie.

 

Het ontstaan van bewoning en steegjes dicht bij de beschermende burcht is bij de groei van de meeste Vlaamse steden iets wat vrij organisch gebeurt. Ik ben de vergelijking van een oude stadskern met de binnenste pellen van een ui niet vergeten. Een onderwerp uit een van mijn vorige verhandelingen. Hier aan de Brugstraat vind ik daarvan niets terug. En evenmin aan de zuidkant van de Leie. Geen spoor van ringen en kringen in het stratenpatroon. Is de burcht dan later gekomen dan de woonkern? Ik begrijp er aanvankelijk niets van.

 

Kijk zelf eens via Google Maps naar het centrum van Wervik. De binnenste ringen van de straten kan je zo zien, maar wel aan de noordzijde van de rivier. Bij het kruispunt van de Ooievaarstraat, de Speiestraat en de Vlamingenstraat. In een inventaris van het bouwkundig erfgoed lees ik volgend fragment: 'De archeologische vondsten m.b.t. de St.-Maartenskerk (St.-Maartensplein) vormen het oudste middeleeuwse spoor. Dit bedehuis - mogelijk teruggaand tot X - ontstond waarschijnlijk als kapel van de heerlijkheid Oosthove met burcht gelegen aan de N.-Leieoever ter hoogte van de huidige Speiestraat.

 

Deze belangrijke heerlijkheid strekte zich o.m. uit over het grootste gedeelte van de stad. Vanaf XII A geraakte de burcht Oosthove evenwel in verval ten voordele van de Overleie gelegen omwalde burcht van de heerlijkheid Wervik (huidige Wervicq-Sud).' Er is dus sprake van een eerste burcht, de burcht van Oosthove, die zich dus in de Speiestraat bevindt. Die zal dus inderdaad ook gebouwd zijn rond 900 en het valt niet te verwonderen dat de 10de eeuwse woonkern ter hoogte van de Steenakker en de Groenstraat zich op het hoogste punt van de Wervikse heuvelrug en dus in de beschermende omgeving van zijn burcht bevindt.

 

De dualiteit van de stad aan weerszijden van de Leie met Vlaanderen aan de linkerzijde en Rijsel/Henegouwen aan de rechterzijde zal er wel voor iets tussen zitten dat er op het einde van de 11de eeuw een extra militair bastion zal zijn bijgebouwd aan de overkant van de Leie, op Rijsels grondgebied. De burcht van Georges Straseele is dus de tweede burcht van Wervik. De naam van 'Steenakker' valt me in die context op. Ik lees op het internet allerhande theorieën dat de naam afkomstig zou zijn van het hergebruik van de stenen en plaveien van de vroegere Romeinse heerweg, maar ik voel aan mijn water dat deze stelling gewoonweg niet klopt.

 

Waarom zou ik 'Steenakker' niet eens in relatie brengen met het 'Gravensteen'? Als het Gravensteen rond 900 werd gebouwd, dan zit ik juist. Wat ik hier schrijf, gebeurt online. Jullie lezers volgen nu met mij of mijn intuïtieve gedachte enige zin heeft? En ja hoor, ik citeer even uit Wikipedia: 'graaf Arnulf I (889-965) liet de Gentse versterking drastisch verbouwen tot wat gezien kan worden als de eerste echte voorloper van de latere burcht'. De echte betekenis van de naam 'Steenakker' is dus zoals je hem kan verstaan: een akker naast het Steen. Het land bij de Oosthoveburcht.

 

'Slechts in de 12de eeuw steeg de bevolking aanzienlijk' beweert René Defrancq. Dat heeft alles te maken van de hoge vlucht die de lakenexport zal nemen. Tijdens de 13de en de 14de eeuw is de clerus in elk geval ruimschoots aanwezig om de erediensten in de drie kerken en de (ondertussen) vier kapellen in goede banen te leiden.

 

Gedurende mijn research stoot ik op een Franstalig document (Statistique du département du Nord van Christophe Dieudonné uit 1806) dat het heeft over de vroegste geschiedenis van Wervik. Na de obligatoire vermelding van de Romeinse reisgids en landkaart (het internet puilt dus uit van diezelfde Romeinse herinneringen), staan er enkele zinnen die een ander licht werpen op de geschiedenis van de stad Wervik. Ik blijf even in het Frans zwerven: 'On assure que l'église St. Martin, qui subsiste encore, fut un temple dédié à Mars.

 

Cet édifice et les médailles des empereurs trouvées à différentes époques dans les fouilles, prouvent assez qu'elle fut habitée par les Romains.' Tot nu toe is dit alleen een bevestiging van wat ik geschreven heb, maar de volgende zinnen zorgen wel voor een verrassing. 'Souvent exposée aux horreurs de la guerre, elle fut, à differents reprises, saccagée et incendiée: 2000 maisons furent réduites en cendres en 1116, 2260 maisons fabriques eurent la même sort en 1282. Les mêmes désastres se répètent en 1460, et depuis cette époque, Wervick n'a pu réparer ses pertes ni se relever.'

 

2000 huizen worden in het jaar 1116 in de as gelegd bij een stadsbrand. Hout is natuurlijk een gemakkelijke prooi voor de vlammen. Wat mij hier interesseert, is het aantal van die woningen. Ik controleer even mijn bronnen op zoek naar bestudeerde informatie rond het aantal inwoners dat er mag ingeschat worden per haard daar in de vroege middeleeuwen. De meest conservatieve cijfers gaan bijna nooit onder de 4 per woning en stijgen vaak tot 5 à 5,5 personen per huis. Ik heb er trouwens geen idee van hoeveel huizen er in 1116 ook overeind zijn gebleven. Een voorzichtige schatting toont aan dat er zich in de woonkern van Viroviacum aan de Leie minstens 10.000 Wervikzanen moeten wonen in het begin van de jaren 1100. Het is een beetje een driedimensionale gedachte: op basis van cijfers uit 1806 kan ik het aantal inwoners die in 1116 leefden in het centrum van Wervik best vergelijken met het aantal van mijn eigen tijd.

 

Wikipedia geeft 18.000 inwoners aan voor groot Wervik. Op diezelfde plattegrond waar in 1116 het vuur woedde, wonen ook vandaag niet meer mensen dan 900 jaar geleden. Dat aantal bewoners zal vermoedelijk verder stijgen tot rond het jaar 1300. Net zoals dat het geval is in buurstad Ieper. Dat er in 1282 weer eens 2282 huizen afbranden, geeft me in idee van de groei die er moet geweest zijn tussen de 11de en de 14de eeuw. Het moeten absolute topjaren geweest zijn voor Wervik. Na nog maar eens een brand in 1460 zal de stad er voor lange tijd uitgeteld bij liggen. Tekenend is het aantal geregistreerde inwoners in 1806 en dat zijn er welgeteld 1234. Blijkbaar is Wervik in 1806 trouwens al terug begonnen aan zijn retour.

 

Er is sprake van 5000 inwoners in 1570, maar door de godsdienstoorlogen valt het aantal Wervikzanen rond 1600 terug tot 600 eenheden, het niveau van een modaal dorpje. Vijf jaar na die eerste grote brand zorgt een Vlaamse gebeurtenis er voor dat de naam van Wervik voor het eerst sinds de Romeinen opnieuw in de geschiedenisboeken belandt. Lambrecht van Wervik, een vooraanstaande Wervikzaan, wordt beticht van betrokkenheid bij de moord op graaf Karel de Grote. Ik noteer 2 maart 1127 als datum. De feiten worden in die dagen op papier gezet door een zekere Galbert, zodat de details van het gebeuren zullen blijven bestaan. Dank zij Lambrecht en Willem van Wervik kom ik op het spoor van Rudy van Elslande die op zoek is gegaan naar de roots van zijn familie en dus plots ook te maken krijgt met het voorval van 1127.

 

De stamboom van Rudy van Elslande drijft hem naar de heren van Nevele in 1072. Zijn onderzoek is boeiend en leerrijk en brengt me terug naar Adam van Nevele en zijn echtgenote Archerath die tussen 1072 en 1084 zorgen voor 6 zonen. Van dochters is niets bekend. De oudste is Walter en die wordt geboren in 1072. Walter en zijn vrouw Ogiva zorgen op hun beurt voor 5 zonen. Walter II, Lambert, Willem, Diederik en Oylard.

 

In 1121 treedt Walter II op de voorgrond als getuige bij de overhandiging van een oorkonde door de graaf van Vlaanderen aan de abdij van Broekburg. Tussen de lijst van de 9 vooraanstaande getuigen prijkt de naam van 'Walterus de Wervick'. Elslande heeft het over Walter 'de Wervi'. Maar het is toch zijn broer Willem die geschiedenis schrijft als hij in 1127 deelneemt aan de moord op de graaf. Willem en zijn broers zijn goed bevriend met de rijke Veurnse familie Erembald die er in geslaagd is om zich naar de absolute top op te werken. En dat vanuit hun status als horige mensen.

 

Er is veel hard werken bij te pas gekomen maar de familie heeft tijdens zijn opgang niet geaarzeld om intriges en listen te gebruiken om de top te bereiken in het jonge Vlaanderen waar Karel de Grote, zeer tegen de zin van de adel en de feodale heren, een frisse wind doet waaien in zijn strijd om gelijkheid. Bertulf Erembald schopt het rond de jaren 1100 tot proost van het kapittel van Sint-Donaas en wat later tot kanselier van Vlaanderen. Voor de Vlaamse adel is dat vanzelfsprekend een doorn in het oog want dergelijke functies zijn al altijd het exclusieve recht geweest voor de stand van de leenheren en de edelen. Het is zelfs uitdrukkelijk verboden voor horigen om dergelijke functies te bekleden.

 

Willem van Wervik en zijn broers koppelen hun wagentje aan dat van de kanselier en nestelen zich in het zog van de Erembalds. Wervik is tot dan toe een grafelijk leen dat in het bezit gehouden wordt door de burcht van Kortrijk. Net zoals bijvoorbeeld het omvangrijke leen van Dadizele met Ledegem en Menen als deelgebieden. Door toedoen van beste vriend Bertulf, de kanselier van Vlaanderen, kan Willem op een of andere wijze grote stukken Wervikse leengebieden lospeuteren van het Kortrijkse leenheerschap. De heerlijkheid van Oosthove valt in zijn handen en die van zijn familie. Dat is ook de reden waarom er plots sprake is van de heren van Wervik.

 

Tijdens de winter van 1124-1125 ontstaat er in Vlaanderen een nooit geziene hongersnood wanneer de clan er in slaagt alle graanvoorraden op te kopen en zich steenrijk weet te boeren met de verkoop ervan op de zwarte markt. Tot grote frustratie van de graaf en de edelen die popelen om in te grijpen om de macht van de Erembalds te fnuiken. De onvrije afkomst van de kanselier dreigt roet in het eten te gooien als Karel de Goede zijn horige afkomst als alibi dreigt te gaan gebruiken om de clan van de Erembalds van de macht te weren. Op 2 maart 1127 slaan de Erembalds terug en vermoorden ze de graaf in de kerk van Sint-Donaas.

 

De wraakactie van de verzamelde edelen is ongenadig. Er volgt een heuse klopjacht waarbij 27 samenzweerders van de toren van de Brugse Burg worden gegooid. Ook onze Willem van Wervik komt in het oog van de storm terecht. Terwijl zijn burcht in Wervik in brand wordt gestoken, vlucht hij zelf naar Doornik en later naar Straatsburg waar hij opgepakt en onthoofd wordt. Eerder was ook al zijn vrouw gevat en waarschijnlijk levend begraven. Broers Lambrecht en Diederik krijgen ook al te maken met problemen maar zij kunnen hun hachje redden.

 

Rudy van Elslande vertelt nog enkele extra bijzonderheden over de afloop van de moord op Karel de Goede. Aanvankelijk wordt Willem niet geviseerd voor enige betrokkenheid bij de aanslag. Hij is kort na de feiten de plaat gepoetst en met een deel van de geplunderde grafelijke schatten haastig teruggekeerd naar Wervik. Zijn broer Lambrecht komt echter wel in beeld tijdens de wraakactie. Hij wordt er effectief van beschuldigd om deelgenomen te hebben aan de moord. Hij ontloopt zijn dood door zich tijdens een tweegevecht tegen Willem van Ieper te zuiveren van elke blaam.

 

God kiest altijd de kant van de winnaars in dergelijke duels en zo redt Lambrecht zijn vel. Broers Lambrecht en Diederik kunnen dus vrijer ademen. Ze trekken zich terug op hun kasteel te Nevele. Het zal nog twee generaties duren vooraleer een van hun kleinzonen zich officieel 'heer van Nevele' zal mogen noemen en die eretitel zal laten primeren op die van 'heer van Wervik'. In 1285 wordt nazaat Willem van Wervik in elk geval al betiteld als 'Willame de Nivelle'. Hun Wervikse leen blijft hun eigendom, maar het lijkt er op dat Wervik opgeslorpt worden door de heren van Nevele.

 

In de jaren 1200 zal er nog sprake zijn van Walterus de Werfka (Werveka) of de Werui, maar ik blijf met dit eerste hoofdstuk bewust hangen in de 12de eeuw. De landerijen van 'Elslande' maken aanvankelijk deel uit van de heerlijkheid van Oosthove als dit leengebied van Kortrijk versast worden naar de familie van Willem van Wervik. Vandaar natuurlijk ook de interesse van Rudy van Elslande voor het goed Elsland, het hele gebied van aan de kerk in Geluwe tot aan Wervik, Kruiseke en Menen, begrensd door de heerlijkheid van Oosthove.

 

Beiden heerlijkheden staan in 1127 onder controle van Willem van Nevele en zullen met verloop van tijd door erfenissen verdeeld worden onder de kinderen, vertelt Rudy van Elslande. De heerlijkheid van Elslande zal dan op zijn eigen benen staan. Eén van die kinderen luistert naar de naam van Michiel van Wervik, heer van Elslande. Hij blijkt nauw gelinkt met het burggraafschap van Kortrijk dus vermoedelijk moeten er nog geruime tijd na de moord op Karel de Goede nog pogingen ondernomen zijn om opnieuw een Kortrijkse vinger in de pap te krijgen te Wervik.

 

Een van die pogingen is ongetwijfeld het aanstellen van Michiel van Elslande als grafelijk baljuw te Kortrijk. Ik kom tot slot nog eens terug op de heerlijkheid van Oosthove die dus de hele kern van Wervik omvat. De burcht, dixit versterkte woning, van Oosthove wordt dus in de nasleep van de moord op Karel de Goede in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt. In het jaar 1127. Voortaan moeten de Wervikzanen het stellen met de burcht aan de overkant van de Leie. De afrekening is duidelijk: de heren van Wervik mogen voortaan een kruis maken over hun burcht aan de rand van de Steenakker. Er komt nog een afsluiter.

 

Het ultiem bewijs dat Wervik synoniem staan met 'mannenwijk'. Tijdens de opzoekingen van de passende illustraties voor mijn Werviks hoofdstuk, stoot ik op de authentieke omslag van de Romeinse reisgids die melding maakt van Virovinum. Waar ik eerder enkel informatie vond rond de herkomst van het woord 'vir' en de term 'viro' me het antwoord schuldig bleef, stuit ik nu per toeval wel op mijn 'viro'. De reisgids wordt in het Latijn 'Tabula Itineraria' genoemd. En door wie werd het werk geschreven? Door de nobele heer Marco Velsero. En die staat er in de Latijnse taal omschreven als: 'Nobilissimo Viro Marco Velsero'. Bizar dat nooit iemand voorheen die merkwaardige overeenkomst over het hoofd heeft gezien! Maar voor mij heeft de naam van 'Viroviacum' geen geheimen meer.

druk