P0002100

Als in 753 voor Christus Rome wordt gesticht kan niemand vermoeden dat deze kleine nederzetting van boeren en veefokkers zich later zal ontwikkelen tot een wereldmacht. De kleine stadsstaat groeit echter de volgende eeuwen uit tot een grootmacht. In 450 v. Chr. Begint hun expansie in het Italiaanse schiereiland dat voltooid wordt in 272 v. Chr. als Italië ééngemaakt wordt. Er volgt een verdere gebiedsuitbreiding in de oud-Griekse gebieden en tot slot een offensief tegen de stammen van het Westen. Rome is een wereldrijk geworden.

 

In het jaar 58 voor Christus begint de grote oorlog in Gallië. De Romeinse bevelhebber Caesar verslaat de Helvetii (latere Zwitsers) bij Bribacte. Minstens 238.000 mensen komen om het leven. Caesar, een man met een grenzeloze ambitie, weet dat krijgsroem en overwinningen op het slagveld hem eeuwige roem zullen bezorgen, maar - vooral - een absolute macht in zijn thuisland.

 

De Gallische oorlogen (58-51 v Chr.) stellen een einde aan de bloeiperiode van de Opida (de Keltische samenlevingen) en aan de welvaart van de Belgisch-Germaanse volksstammen. De oorlog zal talrijke dramatische hoogtepunten kennen. In de vroege lente van 57 voor Christus begint Caesar met zijn opmars door Gallia Belgica.

 

De Belgische stammen reageren opgeschrikt. De Suessiones, Bellovaci, Nerviërs, Ambiani, Morinen, Menapiërs, Viromandui en andere.. vormen een legermacht van 300.000 man. Rome neemt het machtige verbond der Belgen als een vijandige actie en beziet dat verbond als een rechtstreekse oorlogsverklaring aan haar adres.

 

Het Romeinse leger bestaat uit acht legioenen met in totaal 40.000 manschappen. Via listen slaagt Caesar er in om een deel van het bondgenootschap af te splitsen en vrij gemakkelijk meester te maken van het zuiden van België. Ter hoogte van de Aine strijdt een verenigd leger van de Nerviërs, de Atrebaten en de Veromanduren tegen een overmacht van Romeinse soldaten. Ondanks hun dapper verzet en stevige weerstand leiden ze de nederlaag. De nederlaag tegen de Romeinen brengt angst in onze contreien. De Atuatieken komen de Nerviërs nog eens te hulp in een poging om een Romeins tentenkamp te verrassen, maar hun plan mislukt. Caesar is verbolgen over die aanval en laat alle aanvallers doden.

 

Aan het einde van het jaar 57 v. Chr. is - volgens Caesar - heel Gallië tot vrede gebracht. Een vrede die duizenden gesneuvelden en talrijke burgerslachtoffers heeft geëist. Dorpen en akkers zijn verwoest, ontelbare mannen, vrouwen en kinderen worden als slaven gedeporteerd. Caesar zelf stuurt een triomfantelijk rapport naar de Romeinse senaat. In Rome zijn ze euforisch om de overwinning op de woeste vijand. Maar het rapport van Caesar is slechts schijn. De propaganda van "Gallia pacata" (Gallia tot vrede gebracht) is enkel en alleen pure politieke propaganda. Langs de westkust van België en in de regio van de Westhoek bieden de Morinen en de Menapiërs hardnekkige weerstand tegen de Romeinse invallers.

 

Alle andere volksstammen in Gallië geven zich noodgedwongen over aan de Romeinse overheerser. Het zouden natuurlijk geen West-Vlamingen zijn, die zich niet zo maar gewonnen geven. Ja; de Menapiërs en de Morinen laten zich niet kennen en trekken zich terug in hun wouden en moerassen. Ze gaan vanaf heden een heuse guerillaoorlog voeren tegen Caesar's troepen. Via verassingsaanvallen her en der maken ze het leven van de Romeinen zuur. Veldheer Caesar die zijn zinnen op Groot-Brittanië heeft gezet een een grote aanval plant op het eiland, laat het bevel over Gallië over aan zijn onderbevelhebbers Sabinus en Cotta, die de grootste moeite blijven hebben om het volledige land te onderwerpen.

 

De Romeinen verwoesten de hutten van de Morinen en de Menapiërs en grote delen van hun bossen worden in brand gestoken. Maar de West-Vlaamse volksstammen laten zich niet kennen en trekken zich verder terug in hun ondoordringbare bossen die voor de Romeinse troepen zo goed als ontoegankelijk blijven. Het zijn de bossen van Houthulst, Wijnendale, Poperinge, enz.. De hardnekkige weerstand van de oude Belgen laat rijkelijjk het Romeinse bloed vloeien.

 

De herfst van 54 voor Christus. Na de verovering van Groot-Brittanië moet Caesar vaststellen dat de toestand in Gallië verder van rustig is. De Eburonen en andere volksstammen zijn in opstand gekomen. De legers van Sabinus en Cotta worden door het leger van Ambiorix in de pan gehaakt. De Nerviërs sluiten zich aan bij de Eburonen en samen vallen ze (ter hoogte van Bergen) de Romeinse legermacht onder bevel van Cicero aan. Er vinden hevige gevechten plaats. Caesar kan zijn bevelhebber te nauwernood redden uit de klauwen van de Galliërs. Ook ter hoogte van de Maas wordt er zwaar gevochten en telkenmale moeten de Romeinen wijken voor de Belgen.

 

De Keltische Galliërs van Aquitanië (het latere Frankrijk) en het zuiden van België (Wallonië) sluiten zich aan bij de legers van de Eburonen en de Nerviërs. Hun leger, onder leiding van Vercengetorix, bestaat uit 250.000 krijgers te voet en 8000 ruiters te paard. Ondertussen is Caesar met verse legerlegioenen de Alpen overgestoken en er volgt een langdurig beleg op de Bourgondische versterking Aisne.

 

Nadat de stad uiteindelijk in Romeinse handen is gevallen, biedt de beruchte bevelhebber Commius, aan het hoofd van de Morinen, de Atebraten en andere volksstammen, nog vruchteloos weerstand aan de veel te sterke Romeinse strijdkrachten. Uiteindelijk moeten de Belgen zich - in het jaar 51 voor Christus - gewonnen geven en onderwerpen ze zich noodgedwonen aan de Romeinse overheersers. Gallië is zodanig uitgeput dat een nieuwe algemene opstand er niet meer in zit. Elke vorm van weerstand is een lijdensweg geworden. Wat er nog rest van ons land is verwoest en leeggeroofd. De bevolking is behoorlijk gedecimeerd door oorlog en hongersnood die tienduizenden doden hebben geëist.

 

Ondanks het blijvend verzet van de Morinen en de Menapiërs onderwerpen de Belgen zich aan het gezag van de Romeinse krijgslieden. De Morinen zullen hun naam behouden tot in de 16de eeuw na Christus: de graaf van Vlaanderen wordt "Comes Morinorum" genoemd, de bisschop van het latere Terenburg krijgt de titel "Episcopus Morinorum en zijn bisdom zal "Ecclesia Morinensis" genoemd worden tot dat Keizer Karel die titel zal afschaffen in de 16de eeuw.

 

De Westkust van België, een strook van ongeveer 65km, is gedurende de Romeinse overheersing, onderhevig aan enorme veranderingen. Aanvankelijk bestaat de kust en het hinterland uit een aantal wadplaten die als eilanden boven het waterrijke gebied uitsteken. Het hele gebied is een afwisseling van duinen, strandruggen, verdronken veengebieden, getijdegeulen, slikken, schorren, zoutweiden. Tussen die venen, moerassen en verdronken gebieden leven en werken de Menapiërs en zullen er de eerste eeuw na Christus zo'n 100 Romeinse sites ontstaan. Op vandaag kunnen slechts 42 van die sites met zekerheid vastgelegd worden.

 

Ten westen van de denkbeeldige lijn die begint vanaf Roesbrugge en loopt over Stavele, Oostvleteren, Noordschote, Zuidschote, Merkem, Diksmuide, Zarren, Werken, Vladslo, Leke, Gistel, Oudenburg via Brugge naar Middelburg blijft het land van de schorren en moerassen onderhevig aan de grillen van de zee. Van de 2e tot de 8e eeuw na Christus overspoelt een groot deel van de kustvlakte tot aan de grenzen van het huidige Diksmuide en Brugge. Pas 1000 jaar later (door de Sint-Elisabethvloed van 19 november 1404) zullen de Westkust en de Westhoek hun definitieve vormen krijgen. De Gallo-Romeinse bewoning in het kustgebied overleeft de grote zeevloed van het jaar 270 niet. De vestigingen in Oudenburg, Aardenburg, Pervijze en Brugge vormen de volgende eeuwen de westelijke buitengrens van noord-Gallië.

 

De overstroming van 270 heeft ook zo zijn gevolgen voor de Wssthoek. De controle van de Kelten op de zandwinning van De Panne is al eeuwen overgenomen door de meest westelijk gelegen heuvel, de Casselberg die in de Romeinse tijd de hoofdstad wordt van onze streek. "Castellum Menaporium" als hoofdstad van de civitas Menaporium. Ten gevolge van de overstromingen van 270 gaan de Romeinse zoutziederijen teloor en wordt het wegennet tussen Cassel en de Noordzee ontwricht. De economische teloorgang van Cassel is definitef ingezet. Op het einde van de 3de eeuw zal Doornik (Turnacum), een bloeiende handelsplaats aan de schelde die hoofdstedelijke functie overnemen over de "civitas Turnacensium", de oorsprong van het latere bisdom Doornik.

 

Ondanks de bezetting van de Romeinen mogen de Belgen hun tradities en vrijheden behouden. Caesar heeft daartoe wel zijn redenen na de zes bloedige veldslagen die hij diende te leveren om België in te lijven. Hij behandelt de oude Belgen met zachtheid. Hij respecteert hun leiders en is voorzichtig met nieuwe belastingen voor de inwoners. Het kruim van de Belgische krijgers wordt ingelijfd in het Romeinse leger. Want Caesar weet als geen ander dat de oude Belgen veruit het dapperste volk is van heel Gallië.

 

De Romeinen mogen dan wel respect tonen voor de lokale inwoners, toch dragen de Belgen het juk van de Romeinse slavernij met grote tegenzin. Ze proberen de overheersing van zich af te schudden als Caesar opgevolgd wordt door nieuwe heersers. Dat gebeurt vanaf 40 voor Christus als Gallië wordt toegewezen aan Octavianus. En er is nog geen vrede in zicht! Onder Octavianus (de latere keizer Augustus) nemen de Trevieren opnieuw de wapens op en zweren de Morinen de Romeinse overheersing af. De Sweven, de dapperste Germanen, trekken de Rijn over met de bedoeling om de Belgen te helpen met hun vrijheidsstrijd. Ze worden echter door de Romeinse bestuurders van Gallië in het jaar 38 voor Christus tot staan gebracht.

 

Rond 30-29 v. Chr. slaat Carinas een opstand van de Morinen neer en overwint hij de Suebi aan de Rijn. In 17 voor Christus reist keizer Augustus naar Gallië om orde op zaken te stellen. Hij verblijft in Gallië van 16 tot 13 v. Chr. Samen met zijn steifzonen Tiberius en Drusus neemt Augustus de taak op zich om het bestuur te organiseren. Hij past een beproefde politiek toe bij het consolideren van de Romeinse macht in de nieuw veroverde gebieden. Een uitgestrekt wegennet, een leger, een behoorlijke administratieve organisatie met aandacht voor de lokale besturen en een urbanisatie zijn de fundamenten van zijn kolonisatiepolitiek die hij opstart in de lage Landen en in Gallië.

 

De Romeinse invloed in de Westhoek en het noorden van Gallië is vooral voelbaar in het stedelijk centrum Terenburg -Ter-wenna - (wenna of waan was de oude naam voor de rivier, nu 'petit Lys' genaamd), een Romeinse schepping die al snel wordt omgedoopt tot Colonia Morinorum, hoofdplaats van de Civitas Morinorum of het District van de Morinen. Als zodanig vormt Terenburg een knooppunt van heirwegen die ook vandaag nog gemakkelijk te volgen zijn : de D341 van Bononia (Zosimus) of Portus Itius (Caesar) (Boulogne-sur-Mer) over Terenburg naar Nemetacum (Atrecht) en Colonia Claudia (Keulen), en de D190 naar Kassel. De D192 vormt de aanzet tot de Leulène, een bochtige tertiaire weg naar de kust bij Wissant, waarvan de loop slechts gedeeltelijk bewaard bleef en die zeer waarschijnlijk veel ouder is dan de Romeinse heirwegen. Het einde van de belangrijkheid van Terenburg komt in 407, wanneer het stadje platgebrand wordt.

 

Er komen in de eerste eeuwen na Christus een dertigtal wegen tot stand die Rome verbinden met de verst afgelegen provincies. De Romeinen zijn knappe wegenbouwers. Bij de aanleg van al die wegen volgen zij de rechte lijn, immers de kortste verbinding tussen twee punten. Ze kiezen goedgelegen stroken grond uit. Ze maken herbij gebruik van het reliëf en de rivierlopen - meestal in valleien- en verhardden dan het aangelegde tracé met stenen uit de omgeving. Mijlstenen duidden soms de afstanden aan. De wegen zijn van ongekende kwaliteit. Ze zijn breed genoeg zodat twee voertuigen elkaar gemakkelijk kunnen kruisen. Ze hebben door een wat bolle aanleg van het bovendek een goede afwatering. Bovendien zijn ze aangelegd op een stevige fundering, zodat wegverzakkingen zelden voorkomen. Zware steenplaten die in mortel - een metselspecie - worden gedrukt, vormen de basis. Daarop komt steenslag, weer gemengd met mortel, vervolgens zand en daarop tenslotte het wegdek van zware in elkaar passende stenen of plavuizen.

 

In eerste instantie worden wegen vooral aangelegd met militair-strategische doeleinden zodat de Romeinse legereenheden gemakkelijker kunnen oprukken en ingrijpen doorheen hun uitgebreide rijk. De 'via militaris' vergemakkelijkt eveneens de bevoorrading en de koerierdiensten. De Romeinen gaan prat op de hoge kwaliteit en densiteit van hun wegennet. Hun hoofdwegen zijn inderdaad slagaders voor de Romeinse militaire en politieke organisatie en ze stimuleren op een indrukwekkende manier de economische bloei in onze streken en in heel veroverd Gallië. Het wegennet bevordert heel sterk de communicatie en zorgt voor een grotere culturele spreiding.

 

Er wordt een belangrijke verbinding aangelegd in het latere België. Die loopt van oost naar west. Het is een vrij rechtlijnige heirweg van Bavay naar Keulen. Die doorsnijdt het land over zo'n vijfhonderd kilometer en lag in twee Romeinse provincies: Gallia Belgica en Germania Inferior. Zo wordt de Atlantische Oceaan met de Rijn verbonden. Die heirweg is de kortste en meest directe weg tussen enkele belangrijke Romeinse nederzettingen, waaronder Boulogne, Kamerrijk, Bavai en Keulen. Door deze weg op die manier aan te leggen, moesten weinig rivieren worden overgestoken en bruggen gebouwd.

 

Op het einde van de derde eeuw bestaat er al een Romeinse reisgids (Itinerarium provinciarum Antonini Augusti). Terenburg, Cassel, Wervik, Doornik, Gent en Bavay staan er als verbindingssteden vermeld. Viroviacum, het hedendaagse Wervik, is een Romeinse nederzetting in de provincie Gallia Belgica. Viroviacum ligt aan de heerweg Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) - Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer) en staat als Virovino vermeld op de Peutinger kaart (Tabula Peutingeriana) tussen Turnacum (Doornik) en Castellum Menapiorum (Kassel). Wervik, in de onmiddellijke nabijheid van de Westhoek gelegen, is oorspronkelijk een Keltisch dorp onder leiding van de hoofdman Virovos, vermoedelijk gelegen op een kleine hoogte langs de oevers van Leie (op het huidig eiland de Balokken). Ten tijde van de verovering van Gallië installeert Caesar naast het Keltisch dorp de Romeinse pleisterplaats Viroviacum.

 

Keizer Augustus legt de basis van een territoriale structuur die de volgende eeuwen grotendeels in voege zal blijven. Hij onderverdeelt Gallië in 3 gebieden: Gallia Lugdunesis, Aquitania en Belgica. Deze provincies worden elk op zich onverdeeld in bestuursdistricten (civitates). Hij heft forse belastingen en neemt oude voorrechten af van de mensen. Dat leidt tot vele volksoproeren die telkens door de Romeinen de kop worden ingeslagen. De Romeinse staatsman Drussus wordt belast met het beteugelen van de Belgen en met de oorlogsvoering tegen Germanië. Rond 10 voor Christus worden wel 50 versterkingen gebouwd op de oevers van de Maas en de Rijn. Ondertussen organiseert Augustus gedwongen Germanische volksverhuizingen (volksverplantingen) in België. Zo gaan veel Sweven verplicht bij de Menapiërs wonen waar ze wouden en heiden moeten ontginnen.

 

Keizer Tiberius, de opvolger van Augustus, blijft verantwoordelijk voor de selectieve verhuizingen van Germanen. Maar hij dient onophoudelijk verzet van de lokale bevolking in de kiem te smoren. Van keizer Claudius krijgen de stammen veel voorrechten en worden ze zelfs Romeinse staatsburgers met inbegrip van Romeinse burgerrechten. Die gelijkstelling zorgt er al snel voor dat ze gaan samenwerken met de Romeinse invallers en dat er een versmelting valt de de economie. Ze hebben natuurlijk geen eigen land meer, er heerst nog steeds slavernij, maar toch zijn de Belgen redelijk gelukkig. Over het algemeen worden ze door gematigde landvoogden bestuurd.

 

Uitzondering op de gematigde leiders Trajaen, Nerva, Adriaen, Antonius en Marcus-Aurelius vormen keizer Commodius en zijn opvolgers die de Belgen veel overlast aandoen. Iedereen reikhalst naar vrijheid. De bevolking ten oosten van de Rijn (de Alemannen), crapuleuze en teugelloze krijgers, vallen ons land binnen, richten verschrikkelijke verwoestingen aan, maar worden uiteindelijk verslagen door keizer Caracalla.

 

Het is al veel eeuwen aan de gang. Nieuwe bevolkingsgroepen die vanuit het oosten oprukken naar de lage landen aan de Noordzee. Zo ook de Franken, een reeks van verschillende Duitse volksstammen die aanvankelijk leven tussen de Elbe en de Oostzee (het latere oosten van Duitsland). Al in de tijd van Caesar verlaten enkele Frankische stammen hun grondgebied en settelen ze zich langs de Rijn en de Ijssel. Rond het jaar 240 proberen ze om Gallië binnen te dringen, maar de Romainse veldheer Aurelius (de latere keizer) biedt weerstand en verslaat de Frankische indringers. De krijgsgevangenen worden door de Romeinen als verachtelijke slaven verkocht.

 

Toch blijft de regio van de Rijn een broeierig nest. De onlusten in Rome en de dood van de keizer leiden tot nog meer onlusten en volksverhuizingen. De Alemannen en de Franken verenigen zich en na herhaalde aanvalspogingen slagen ze er deze keer wel degelijk in om de linkerkant van de Rijn in te nemen. Gaandeweg gaan de Franken zich verbroederen met de Belgen en worden ze bondgenoten van de Romeinen. De Franken worden in een aantal Romeinse legioenen ingelijfd en krijgen de verantwoordelijkheid om de grenzen te bewaken, de landerijen te beploegen en de bossen te ontginnen.

 

Nu gaan we terug naar onze Westhoek. Caesar schrijft zelf neer dat er op de zandige bosgronden van de Westhoek grote hoeveelheden koren en vee buit gemaakt worden door zijn soldaten. De Menapiërs aan de kustlijn (dus tussen Roesbrugge en Brugge) zijn gespecialiseerd in de kweek van varkens en zo is de Menapische ham een lekkernij voor de Romeinen waar ze enkele eeuwen later de prijs van 20 denarii per Italiaanse pond voor zullen betalen. De zuiderburen van de Menapiers (dus meer landinwaarts in de Westhoek) kweken ganzen en grote kudden schapen. De wollen stoffen uit onze streken staan hoog aangeschreven in Rome. De productie van vlas en linnen bij de Morinen draaien in de eerste eeuwen van onze tijdrekening al op volle toeren. Volgens Romeinse bronnen staan de Morinische textielwaren op hoog nieveau en is er trouwens al spraken van een staatsweverij ter hoogte van Doornik (gynaecum). Het wijst er sterk op dat de vermaarde Middeleeuwse Vlaamse lakennijverheid met Ieper als hoofdstad in onze streken al 1000 jaar eerder goed op gang gekomen is.

 

Wat schrijft Caesar nog meer over onze Westhoekers? De Menapiërs zijn uitstekende zeevaarders en ze steken turf in de kustvlakte. De modder (turf) wordt door weer en wind en in de zon gedroogd door de kustbewoners. Eens gedroogd dient de turf om hun voedsel op te warmen en om hun door de noordenwind verkleumde ledematen te verwarmen. Dat er bij de Menapiërs en bij de Morinen zout wordt gewonnen was al eerder bekend door de Keltische aanwezigheid op de Kemmelberg maar ook door twee Romeinse inscripties van Rimini opgericht door "de zoutzieders van het territorium van de Menapiërs" (salinatores civitatis Menapiorum) en " de zoutzieders van het territorium van de Morinen" (salinatores civitatis Morinorum).

 

Wie denkt dat er na de eeuwenlange strijd tussen de Galliërs en de Romeinen nu eindelijk een lange periode van welvaart en stabiliteit is aangebroken, heeft buiten de Franken gerekend. Er is voor het eerst sprake van de Franken in de late tweede eeuw. Hun naam betekent 'moedig' of 'stoutmoedig', het soort naam die oorlogsbenden wel eens gebruiken om zichzelf te beschrijven.

 

Deze naam klinkt het geloofwaardigst wat betreft de oorsprong van de Franken: nl. groepen avonturiers die zich verenigen om de beneden-Rijngrens van het Romeinse rijk aan te vallen. De op de rechteroever van de Rijn leven de Franken die de Romeinen als vijanden aanzien verenigen zich met de Saksen en vanaf het jaar 240 teisteren ze de kusten van Vlaanderen. Ze profiteren van de onderlinge verdeeldheid waarin het Romeinse rijk zich bevindt en richten her en der grote verwoestingen aan in onze contreien.

 

De militaire kracht van de Franken ontwikkelt zich snel in de tweede helft van de derde eeuw. Samen met de Alamannen en anderen beginnen ze tussen 250 en 275 volop het Romeinse rijk binnen te vallen, Gallië platwalsend in 274-275. De Franken verplaatsen zich zowel via de zee als over het land. Ze vallen de Kanaalkusten aan en overvallen het binnenland via de rivieren.

 

Onder Diocletianus (284-305) versterken de Romeinen de Rijngrens. Er wordt in die tijd melding gemaakt van twee grote groepen: de Ripuarische Franken (ten oosten van Keulen) en de Salische Franken (ten noorden van de Rijn). Uiteindelijk sluit Keizer Julianus een vredesverbond met de Saksen. Deze keizer, Julianus de Afvallige genoemd, staat de Salische Franken rond 358 toe om zich te vestigen in Toxandrië, de huidige Kempen, waar zij in ruil militaire dienst voor Rome moeten uitoefenen. Ze krijgen de bescheiden status van foederati binnen het Romeinse rijk. De Salische Franken zijn halfvrij en gebonden aan het gebied. Hoe dan ook, verscheidene Frankische regimenten worden vermeld in de vroege vijfde eeuw in de Notitia Dignitatum en sommige commandanten van het vierde-eeuwse Romeinse leger zijn Frankisch of gedeeltelijk Frankisch van origine.

 

De volgende eeuw houden de barbaarse aanvallen Gallië en België in de ban. De Romeinen bouwen noodgedwongen nog meer versterkingen, maar de schier eindeloze stroom Saksen die alle Romeinse gevaren trotseren is haast eindeloos. Uiteindelijk gaat de Romeinse keizer een vredesverbond aan met de Saksen in het jaar 365.

 

Er is amper tijd om de rust te herstellen want de Gothen, Hunnen en Wandalen (vandaar het woord "vandaal"), wilde volkeren die in het noorden leven, verenigen zich in het jaar 406 met de Alamannen. Samen vallen ze België binnen en begaan ze ongehoorde wreedheden. In deze tijd is er nog geen sprake van enige Frankische macht. De Salische koningen worden wel vernoemd, maar geen van hen lijkt effectief of voor lang geregeerd te hebben; het zijn eerder bendeleiders en ambitieuze heersers die een meer lucratieve rol spelen in diensten voor het Romeinse rijk.

 

Het is in de periode tussen 420 en 440, wanneer de grenzen van het rijk stilaan in duigen vallen, dat de Frankische leiders grotendeels de macht in handen krijgen. Op dat tijdstip is het Romeins gezag echter nog niet helemaal verdwenen. Het verdwijnen van de Romeinen uit onze regio zal echter niet lang meer op zich laten wachten! Na de overwinning op de Romeinen bij Vicus Helena in 440 wordt Chlodio (de Harige) erkend als leider van de Salische Franken en krijgt hij de streek rond Doornik in zijn bezit. Hij sticht er belangrijke Frankische enclave van waaruit hij macht krijgt op de omliggende gebieden en zo ook op de Westhoek. Dergelijke enclaves worden ook elders opgericht, zo ook in de buurt van Kamerijk en Trier.

 

Vanaf de 6e eeuw werd het niemandsland ten noorden hiervan aangevuld met Rijnlandse Franken en andere Germaanse groepen uit Nederland en Duitsland. Deze eerste immigratiegolf in het huidige Vlaamse gebied ging gepaard met een beperkte christianisatie. In het kielzog van de immigranten probeerden missionarissen de heidense bevolking te evangeliseren, maar zij kenden slechts weinig succes.

 

De bisdommen werden terug ingesteld, meestal met dezelfde natuurlijke grenzen uit de Laat-Romeinse tijd: het Kolenwoud scheidde het bisdom Kamerijk weer van het bisdom Tongeren, terwijl de Schelde opnieuw de grens werd tussen de bisdommen Kamerijk en Doornik. Vedastus en Eleutherius van Doornik kregen tot taak om respectievelijk het bisdom Atrecht en het bisdom Doornik nieuw leven in te blazen. Deze bisdommen slaagden er echter niet in om zelfstandig te overleven. Aan het einde van de 6e eeuw werd de zetel van Atrecht met die van Kamerijk verbonden en in het begin van de 7e eeuw gebeurde hetzelfde tussen Doornik en Noyon.

 

Op het einde van de 6e eeuw bestond in het noorden van het latere Neustrië het hertogdom van Dentilinus (ducatus Dentilini). Dit omvatte naar men vermoedt de bisdommen Boulogne, Terenburg, Atrecht, Doornik, Kamerijk en Noyon, dus het noordwestelijk gebied tussen de Noordzee en het Kolenwoud. Is het slechts toeval dit gebied een grote territoriale overeenkomst toont met het latere Vlaanderen? Het hertogdom van Dentilinus was vooral bedoeld als militair en strategisch bolwerk tegen invallen van Friezen en Saksen. Het was als het ware de hoeksteen in de militaire verdediging van het Merovingische rijk. In 600 moest Chlotarius II (584-628) het hertogdom van Dentilinus tijdelijk aan Austrasië afstaan, maar vanaf 613 maakte het hiervan geen deel meer uit.

 

Eind 6de en vooral in de 7de eeuw ontstond een nieuwe instroom vanuit westelijk Pas-de-Calais. Dit gebied was in de 5de eeuw Germaans geworden en afstammelingen van Saksen en Franken vestigden zich nu in het latere Vlaanderen en Brabant. Ook vanuit Nederland en Duitsland kwamen nieuwe Germaanse groepen. Deze nieuwe nederzettingen kregen heel vaak de naam van de Germaanse hoofdman aangevuld met -inga haim. Dit betekent: de woonst van de clan van X. Bijvoorbeeld Petegem: Petta-inga-haim, de woonst van de clan van Petta.

 

De kolonisatie en germanisering van Vlaanderen is dus vooral een fenomeen uit de 6e en 7e eeuw. In de 7e eeuw was het bevolkingspeil tot een aanvaardbaar niveau gestegen om er weer een kerkelijke, militaire en bestuurlijke infrastructuur op te bouwen. Ook op taalkundig gebied was de situatie gestabiliseerd zodat in het omvangrijke tweetalige gebied een lineaire taalgrens kon ontstaan in de 8e eeuw. In het wel al lang dichtbevolkte Pas-de-Calais was er al een taalgrens in de 6e-7e eeuw tot stand gekomen, maar in de 9de eeuw kwam hier echter weer een romaniseringsbeweging op gang die tot op vandaag doorwerkt.

 

De poging tot christianisatie in de 6e eeuw door bisschoppen als Eleutherius en Vedastus waren grotendeels mislukt. Daarom koos men in de 8e eeuw voor een andere strategie. Deze evangelisatiebeweging vond plaats onder impuls van koning Dagobert I. Hij stelde aan enkele toegewijde missionarissen uit het zuiden van zijn koninkrijk een aantal van zijn koninklijke domeinen in het noorden ter beschikking. Het was hun taak om ter plaatse een klooster of abdij op te richten die moesten dienen als bastions voor het christendom in een heidense omgeving. Van hieruit kon dan werk gemaakt worden van de bekering van de plaatselijke bevolking.

 

Zo stichtte Odmar in 649 de abdij van Sithiu (St.-Bertijns in St.-Omaars/St.-Omer) en Aubertus in 680 de abdij van Sint-Vaast nabij (Atrecht/Arras). De kerstening van de bevolking was vooral het werk van missionarissen, zoals Amandus (St.Baafs en St.-Pieters in Gent) en Eligius (kuststreek en Antwerpen). In de vita van Eligius (of St.-Elooi) werd voor de eerste keer melding gemaakt van Vlamingen, toen hij rond 650 op rondreis was in dit gebied.

 

Tijdens de 7e eeuw kwamen in de latere Vlaamse gebieden de eerste gouwen of pagi tot stand, dit waren administratieve onderverdelingen van de civitates. Deze gouwen uit de 7de en vooral 8e eeuw zullen de basis worden van het graafschap Vlaanderen. De pagus Tornacenis dateert al van circa 580, voor de 7e eeuw kennen we de pagus Cambracinsis in 663, de pagus Taroanensis vanaf 649 en de pagus Bracbatensis op het einde van die eeuw. Verder zijn nog de pagus Rodaninsis bekend vanaf 707, de pagus Gandao uit het eerste kwart van de 8e eeuw, de pagus Mempiscus vanaf 723 en de pagus Flandrensis rond 745. Ten slotte worden ook de pagus Austrebatensis en de pagus Curtracensis tot de Merovingische gouwen gerekend.